“We kunnen het verleden niet negeren, anders negeert het verleden ons” .
Deze quote van Hans Kox, voor velerlei uitleg vatbaar, staat als een huis. We kunnen het betrekken op het historisch besef van feiten en gebeurtenissen, iets waar het tegenwoordig vaak aan ontbreekt. Je kan het ook zien als een pleidooi voor de continuïteit in de kunst, in dit geval de kunst van het componeren. Simplistisch gezegd: zonder Bach geen Sjostakovitsj, zonder Badings geen Kox.
Ik ben altijd een enorme bewonderaar van Hans Kox geweest. Mijn eerste kennismaking met zijn muziek was eind jaren tachtig toen ik zijn L’Allegria heb gehoord, onvoorstelbaar mooi gezongen door Lucia Meeuwsen. Veel van mijn collega’s vonden dat er iets aan mijn “goede smaak” mankeerde. Ik hield immers ook van de andere toen verguisde componisten: Korngold en Szymanowski. Maar tijden veranderen. Gelukkig.
Werd de eerste uitvoering van de Anne Frank Cantate nog door veel recensenten de grond in geboord – het werk zou een “smakeloos samenraapsel” zijn – tegenwoordig durft men op zijn eigen oren te vertrouwen en muziek mag weer beschouwd worden als iets meer dan alleen maar een opsomming van wiskundige formules.
De eerste uitvoering van de Anne Frank Cantate in 1984 :
Kox trekt een lijn tussen de Oudtestamentische profetieën (het boek Esther) en de droge verslagen uit Auschwitz gecombineerd met uitspraken van Hitler zelf. En dat alles koppelt hij aan gedichten van onder anderen Rilke, Celan en Kaléko.
Het is zonder meer waar dat het werk “episodisch” is, maar hoe kun je beter herdenken dan juist zo? Fragmentarisch en episodisch? Schijnbaar zonder een vaste verhaallijn? Die lijn is er natuurlijk wel, maar die moet je zelf ontdekken en dat ontdekken doe je door goed te luisteren. Naar de muziek, maar ook naar de woorden.
In de Anne Frank Cantate komen we Anne Frank niet tegen. Zij is hier noch lijfelijk noch via citaten uit haar beroemde dagboek aanwezig. Dat heeft voornamelijk te maken met de rechten, maar haar naam alleen voldoet als symbool voor en surrogaat van de zes miljoen.
De Cantate bestaat uit drie delen. Via Nox (nacht) die staat voor de (aanzet tot) Jodenvervolging belanden wij in Mors (dood) in de vernietigingskampen en in Lux (licht) moeten we ons er bij neerleggen dat er niets is geleerd en dat er niets gaat veranderen.
“Du suchst mich, und es gibt mich nicht mehr“, zingt de sopraan, waarop het koor alleen maar met de woorden van Augustinus kan antwoorden: “Slecht zijn de tijden, maar wij zijn de tijden”.
Bastiaan Everink
De uitvoering van 2 mei 2015 kon in mijn ogen niet beter gedaan worden.Alledrie de solisten – Martina Prins, Helena Rasker en Bastiaan Everink – waren meer dan voortreffelijk. Hun woorden waren goed verstaanbaar en hun voordracht zeer indrukwekkend.
Antony Hermus dirigeerde Het Nederlands Philharmonisch alsof zijn leven ervan afhing, zo ontzettend intensief! Bijzonder getroffen werd ik ook door het Nederlands Concertkoor (koordirigent Louis Buskens). Huiveringwekkend en schrijnend mooi.
Bastiaan Everink over de Cantate:
Vrijheid versus onderdrukking: daar gaat het ook in de vijfde symfonie van Sjostakovitsj over. Maar voor mij staat de symfonie voornamelijk symbool voor de vrijheid van meningsuiting. Hoe verpak je je boodschap als je mond gesnoerd is en je voor de kleinste verspreking de kogel kunt verwachten, of op zijn minst levenslange opsluiting?
Ironie en spot zijn sterke middelen, mits ze goed begrepen kunnen worden. In geval van deze symfonie heeft het goed gewerkt: de dictator vond het geweldig en de luisteraars konden tevreden naar huis. Maar in hun harten wisten zij dondersgoed welke beelden zij zich bij de sterke noten moesten indenken.
Het Nederlands Filharmonisch heeft al zijn sterkste troeven ingezet om de symfonie alles te geven waar het werk om vraagt. Het brulde, gierde en wiegde en in het groteske laatste deel werd het “Allegro” inderdaad “non troppo”, maar zonder “ma”.
Hieronder de (audio) opname van Anne Frank Cantate:
Hans Kox: Anne Frank Cantate, A Child of Light
Dmitri Sjostakovitsj: Symphonie nr.5, op.47
Martina Prins (sopraan), Helena Rasker (alt), Bastiaan Everink (bariton)
Nederlands Concertkoor olv Louis Buskens
Nederlands Philharmonisch Orkest olv Antony Hermus
Gehoord 2 mei 2015 in het Concertgebouw in Amsterdam
Pianowerken van Fauré: hoe vaak worden we er op getrakteerd in de concertzalen? Ook de cd-opnamen van zijn oeuvre voor het instrument zijn schaars. Zelf ken ik er maar drie: Jean-Phillipe Collard, Paul Crossley en Kathrin Stott. Alle drie zonder meer voortreffelijk, maar de nieuwste (Stott) is inmiddels ruim twintig jaar oud!
Een nieuwe opname is dan ook meer dan welkom, zeker als het resultaat zo verbluffend goed is. De Canadese Louis Lortie heeft een enorme affiniteit met het Franse idioom, zo reken ik zijn vertolking van pianowerken van Ravel tot de beste die ik ken.
In deel één van wat een complete “piano-Fauré” moet worden, ontfermt Lortie zich – behalve over de drie Barcarolles (5, 6 en7), twee Nocturnes en de Preludes op.103 – ook over ‘Pelléas et Melisande’. De suite past hem als een handschoen: Lortie vermijdt alle goedkope effecten zonder de sentimentaliteit van het stuk uit het oog te verliezen.
Op de cd treffen we ook twee arrangementen. Naast de bewerking van ‘Aprés un rêve’ van de hand van Percy Grainger staat er ook de bewerking die Lortie zelf maakte van de ‘Pavane’. Dat ik noch het koor en het orkest, noch de stem mis is ligt niet zo zeer aan de – overigens sublieme – arrangementen, als aan het pianospel van de pianist.
Lortie is een echte klankkleurtovenaar en weet iedere noot van een andere kleurnuance te voorzien. Betoverend mooi. Zijn vederlichte aanslag en spaarzaam pedaalgebruik dragen toe bij zijn zeer poëtische visie en Fauré kan het hebben! Anders dan Chopin, die om een (incidentele) machistische spierballenvertoon schreeuwt, is Fauré het meest gebaat met een lichte aanraking van een geparfumeerd zakdoekje. Bij wijze van spreken dan. Schitterende cd: met spanning wacht ik nu op het vervolg.
Masterclass door Louis Lortie:
GABRIEL FAURÉ
Après un rêve
A Fauré recital, volume 1
Louis Lortie, piano
Chandos 10915 • 75’
Wie is Lulu? Wat weten we van haar? Bestaat ze echt of is ze niet meer dan een hersenschim?
In de eerste akte wordt een portret van haar geschilderd dat daarna als een rode draad door de opera loopt, als een soort portret van Dorian Gray. Wat er ook met Lulu gebeurt, haar portret verandert nooit.
Alban Berg was behoorlijk door haar personage, afkomstig uit Wedekinds toneelstukken Der Erdgeist en Die Büchse der Pandora, geobsedeerd. Dat had wellicht ook met zijn persoonlijke leven te maken. Zij zou de personificatie van de Tsjechische Hanna Fuchs, Bergs laatste grote liefde, kunnen zijn. Maar er zijn ook muziekpsychologen die in Lulu Berg zelf willen zien…
Hanna Fuchs
Alban Berg met zijn vrouw Helena. Hun huwelijk gold als voorbeeldig
Berg heeft zijn opera niet afgemaakt: toen hij in 1935 stierf, bestond de derde akte alleen uit sketches. Het was de Oostenrijkse componist Friedrich Cerha die 1979 de onvoltooid gebleven derde akte instrumenteerde, tot die tijd werden alleen de eerste twee akten opgevoerd.
Hieronder een selectie van de beschikbare opnames:
CD’s:
Teresa Stratas
Waar u absoluut niet zonder kunt, is de allereerste opname van de complete opera met de door Cerha nagecomponeerde derde akte. Deutsche Grammophon maakte in 1979 direct na de Parijse première een studio-opname (DG 4154892).
Alle fantastische Lulu’s ten spijt, niemand kan zich met Teresa Stratas meten. Zelfs zonder het tekstboekje erbij kun je ieder woord niet alleen verstaan maar ook begrijpen.
Robert Tear is een heerlijk naïeve schilder en Franz Mazura een ongeëvenaarde Dr. Schön. De Alwa van Kenneth Riegel is een kwestie van smaak, maar zijn inleving is zowat volmaakt.
De ogenschijnlijk koele en analytische benadering van Pierre Boulez laat het drama nog meer zinderen.
Op YouTube is de complete opname op video te vinden:
Anneliese Rothenberger
De opname die in 1968 door EMI is gemaakt (91233028) mag eigenlijk in geen verzameling ontbreken. Anneliese Rothenberger is een heel erg lichte, springerige Lulu, echt een onschuldig meisje.
Vergeet Gerhard Unger (Alwa), maar de verrassend lichte en sarcastische Dr. Schön van Toni Blankenheim (Schigolch bij Boulez) is werkelijk niet te versmaden.
Wat de opname extra begerenswaardig maakt, is Benno Kusche in de kleine rol van Tierbändiger. Ook de opname zelf klinkt verrassend goed.
Ilona Steingruber
Bij de naam van Ilona Steingrubber rinkelt er tegenwoordig geen belletje, maar in haar tijd was ze een gevierd sopraan, met op haar repertoire onder anderen Mahler, Korngold, Strauss en Alban Berg.
Op de door Herbert Häfner gedirigeerde opname uit 1949 (Archipel Desert Island Collection ARPCD 0540) zingt Steingrubber een zeer sensuele Lulu: erotisch en opwindend in haar zang en opmerkelijk kinderlijk in de dialogen.
Otto Wiener is een zeer autoritaire Dr. Schön en Waldemar Kmentt een niet echt idiomatische maar wel zeer aanwezige Maler. De confrontatie tussen de twee, ‘Du hast eine halbe Million geheiratet’, is dan ook bijzonder spannend.
DVD’S
Evelyn Lear
Met haar filmsterrenlook en stem als een engel werd Evelyn Lear in de pers aangeduid als ‘Elisabeth Taylor meets Elisabeth Schwarzkof’. Zelf vind ik de in de jaren ’60 tot ’80 zeer populaire Amerikaanse sopraan veel interessanter dan haar Duitse collega.
Lear was één van de grootste en beste pleitbezorgsters van de moderne muziek. Op 9 juni 1962 zong ze de rol van Lulu in de eerste Oostenrijkse productie van het werk, in het net heropende Theater an der Wien. Ik kan me indenken dat het chique premièrepubliek moeite had met de enkel in nauwsluitend korset en netkousen geklede prima donna, maar als dat zo was, dan lieten ze het niet merken.
De regie lag in handen van de toen nog piepjonge Otto Schenk, die het libretto op de voet volgde. Dat Paul Schöffler (Dr. Schön) mij aan professor Unrath uit Der blaue Engel deed denken, is natuurlijk geen toeval. Net zo min als zijn gelijkenis met Freud.
De laatste scène, beginnend met de smeekbede van Geschwitz, gevolgd door de beelden van Jack the Ripper, kon net zo goed uit één van de beste Hitchcocks zijn overgenomen. Zeker ook omdat Gisela Lintz, die de rol van de gravin zingt, veel weg heeft van één van de geliefde actrices van de regisseur.
Het is ook buitengewoon spannend om naar het dirigeren van Karl Böhm te kijken. Zo heftig gebarend heb ik hem nog nooit gezien. Een absolute must (Arthaus Musik 101 687).
Hieronder de trailer:
JuliaMigenes
Nooit heb ik begrepen waarom men Julia Migenes niet vaker ‘echte’ opera’s liet zingen. Ze was een grote ster op Broadway en schitterde in verschillende muziekfilms, maar buiten Lulu heeft ze naar mijn weten maar weinig andere operarollen op de planken gebracht. Zowel haar verschijning als haar acteren zijn zo formidabel dat men het haar vergeeft dat ze niet altijd zuiver zingt.
Franz Mazura is een fenomenale Dr. Schön. In de scène waarin hij de afscheidsbrief aan zijn verloofde schrijft, kun je bijna zijn zweet ruiken. Wat een prestatie!
Als Geschwitz maakt de inmiddels ouder geworden maar nog steeds in alle opzichten prachtige Evelyn Lear haar opwachting.
De zeer fraaie productie van John Dexter werd in 1980 in de Metropolitan Opera opgenomen (Sony 88697910099). Op de website van JPC zijn fragmenten uit de productie te bekijken.
Agneta Eichenholz
Deze kale productie van Christof Loy werd in juni 2009 in het Londense Royal Opera House opgenomen. Loy heeft de opera helemaal gestript en teruggebracht tot de pure essentie, iets wat ik zeer fascinerend vind. Door zijn minimalistische aanpak kan alle aandacht besteed worden aan de personages, hun beweegredenen en hun ontwikkeling.
Wat u ook van de regie denkt: muzikaal zit het snor. Antonio Pappano doet met het orkest werkelijk wonderen; zo transparant en tegelijkertijd zo emotioneel geladen hoor je de muziek zelden.
Klaus Florian Vogt kan mij als Alwa niet echt overtuigen, maar Jennifer Larmore is een buitengewoon aantrekkelijke Geschwitz. En Agneta Eichenholz (met haar grote ogen zowat de reïncarnatie van Audrey Hepburn) is een in alle opzichten mooie Lulu. Michael Volle is voor mij, na Franz Mazura de beste dr.Schön Schön (Opus Arte OA 1034 D).
Hieronder een fragment uit de productie:
Patrizia Petibon
Ik ben geen fan van Patrizia Petibon: ik vind haar vaak aanstellerig. Haar stem is ook aan de kleine kant, waardoor ze vaak moet forceren. Niet bevorderlijk voor de zeer hoge en moeilijke noten die Berg zijn hoofdrolzangeres laat zingen. Ook fysiek vind ik haar niet bij de rol passen. Ze is geen ‘Lolita’, maar een als een klein meisje uitgedoste volwassen hoer met dito gedrag.
Ik heb ook moeite met Geschwitz (de mij onbekende Tanja Ariane Paumfartner), maar de rest van de zangers zijn meer dan excellent, met de onvolprezen Michael Volle als onnavolgbaar goede Dr. Schön.
Thomas Piffka is een voortreffelijke Alwa, onmiskenbaar een componist die continu aan zijn opera bezig is. Pavol Breslik is een geile Maler, Grundhebber een fantastische Schigolch en Cora Burggraaf een sprankelende Gymnasiast.
De productie van Vera Nemirova (Salzburg 2010) is kleurrijk en zeer expressionistisch. Marc Albrecht is voor het werk een perfecte dirigent: het Weense orkest laat zich onder zijn leiding van zijn allerbeste kant horen (Euroarts 2072564).
Hieronder de trailer:
Mojca Erdmann
Wie op het onzalige idee is gekomen om voor deze productie in Berlijn in 2012 een onbekende en onbetekende componist (hebt u ooit van David Robert Coleman gehoord?) Lulu opnieuw te laten componeren, weet ik niet, maar ik denk het hem of haar niet in dank af.
Alleen de derde akte is aangepast, want aan de echte Berg durfde men niet komen. Althans… de proloog is wel geschrapt, waardoor de opera naar de sodemieter is geholpen. Daarvoor in de plaats krijgen we een man, die liggend Kierkegaard citeert: “Alles Erlebte tauche ich hinab.” Ja ja…
Andrea Breth, inmiddels op mijn ‘no-no-lijstje’ van regisseurs laat zich hier van haar slechtste kant zien. De productie is dodelijk saai. Noch de etherisch zingende Mojca Erdmann, noch de verschroeiende Deborah Polaski, noch Michael Volle of Thomas Piffka kunnen er iets aan doen dat hier een meesterwerk om zeep wordt geholpen (DG 0734934).
Wanneer voor het laatst bent u kapot, maar dan ook totaal kapot van een opera teruggekomen? Mij overkomt het heel zelden, maar na Lulu van Alban Berg in de Brusselse Munt was ik totaal gevloerd. Niet zozeer door de opera zelf, maar vooral door de heftige regie van Krzysztof Warlikowski.
Alban Bergs opera zelf biedt al best heftige stof. Er wordt niet zachtzinnig met seks, dood en verderf omgegaan. Maar Warlikowski zou Warlikowski niet zijn geweest als hij niet er nog een schepje (zeg maar gerust een paar scheppen!) er bovenop had gedaan.
Hij koos ervoor om Lulu te benaderen “als een onthutsend requiem ter nagedachtenis aan een engel”. Komt de titel u bekend voor? Ja, zo heet het vioolconcerto van Alban Berg.
Barbara Hannigan (Lulu)
Wel een gevallen engel, want in zijn concept is Lulu ook Lilith, de eerste vrouw van Adam. Maar zij is ook Lolita en één van de kindvrouwtjes die uitgebuit worden door mannen en de maatschappij. Zij droomt ervan om danseres te worden en om haar droom te benadrukken gebruikt Warlikowski de wereld van het klassieke ballet als metafoor. Er worden dan ook jonge balletdansers ten tonele gevoerd, allemaal leerlingen van de Antwerpse balletschool.
Aan het einde van de eerste akte (er wordt, zoals bijna altijd tegenwoordig, de door Cerha voltooide versie gebruikt) komt er een in een ‘zwarte zwaanpakje’ gestoken danseres, die met ontbloot bovenlijf een soort kruising tussen de ‘stervende zwaan’ en de ‘flamenco’ danst.
Voor de opera goed en wel begint, nemen er in gala gestoken ‘toeschouwers’ plaats op het toneel, dat in het midden laat of wij nu in een theater of in een circus zitten. Zij (en wij dus ook) worden getrakteerd op het door Longchamp geschreven scheppingsverhaal en de legende van Lilith.
Vervolgens komt er van alles langs, en dan ook eens tegelijk. Wilde dieren, rariteitenkabinet, circusartiesten, travestieten, punks, artiesten, balletdansers. Plus zeer prominent geprojecteerde foto’s en video’s – de schilder uit Lulu is namelijk nu een fotograaf.
Dat alles maakt dat het mij duizelde en ik naar adem moest happen. Ik kon ook de meeste kleine rollen niet van elkaar onderscheiden wat best verwarrend op mij overkwam.
Barbara Hannigan (Lulu)
Muzikaal was de avond werkelijk niet kapot te krijgen. Barbara Hannigan is, behalve een fantastische zangeres en dirigent, ook een professionele balletdanseres en die mogelijkheid heeft Warlikowski met beide handen aangegrepen. Hij liet haar zowat de hele tijd op spitzen lopen en dansen (!) en haar in allerlei onmogelijke houdingen wringen. Haar lenigheid overschrijdt ook alle grenzen en is alleen vergelijkbaar met een circusartieste. En zij zong ook nog!
Dietrich Henschel (Dr.Schön) en Barbara Hannigan Lulu)
Lulu is niet de makkelijkste van alle rollen die er bestaan, niet alleen vanwege de zeer hoge noten (daar weet Hannigan heel goed raad mee), maar ook vanwege de heftigheid van het karakter. De meeste tijd was zij gekleed in een dun en doorzichtig lingeriesetje – zij kan het hebben – en ze maakte alle hevige seksscènes zeer aannemelijk, zonder dat ze ergens ordinair werd. Chapeau! Terecht werd zij beloond met een laaiende ovatie.
Natascha Petrinski (Geschwitz) en Barbara Hannigan (Lulu)
Maar ook de andere zangers waren allemaal voortreffelijk. Natascha Petrinsky (Geschwitz) is als zangeres behoorlijk gegroeid – haar mezzo is stevig en heeft een prachtige warme laagte. Haar smeekbedes aan Lulu waren zeer ontroerend en oprecht. En ook zij is een mooie verschijning met grote acteerkwaliteiten
Dietrich Henschel (Dr.Schön) en Barbara Hannigan (Lulu)
Dat moet ook gezegd worden van Dietrich Henschel (Dr. Schön en Jack the Ripper). Je hoorde ook dat hij behalve opera- ook een begenadigd liedzanger is, wat hem in zijn rol zonder meer heeft geholpen. Hij had genoeg kleuren tot zijn beschikking om Dr.Schön van alle nuances en twijfels te voorzien en zijn Jack the Ripper was zeer huiveringwekkend.
De Amerikaanse tenor Charles Workman zong zijn eerste Alva en dat deed hij voortreffelijk. Zijn stem is groot en resonerend en hij wist alle valkuilen van de rol te omzeilen en bleef lyrisch, zelfs in de meest heftige passages.
Barbara Hannigan (Lulu) en Tom Randle (Maler)
Tom Randle zette een zeer overtuigende Maler en Neger neer. Hij beschikt over een enorm charisma, waardoor hij beide rollen van een zeer persoonlijke klank, voordracht en uitstraling kon voorzien.
Het Symfonieorkest van de Munt speelde onder leiding van maestro Paul Daniel een beetje hard, maar geen van de zangers werd overstemd.
Na afloop was er een groot applaus voor de zangers en de musici, maar het productieteam moest het met een gedeeld bravo/boe geroep doen.
De voorstelling is door BelAir opgenomen en op dvd uitgebracht:
Semiramide, een ‘belcanto-Parsifal’. Zo werd de opera door Aviel Cahn, de baas van de Vlaamse Opera (tegenwoordig Opera Ballet Vlaanderen), genoemd in zijn dankwoord aan de hele cast na de première op 12 december 2010 in Antwerpen. Daar breek ik mijn hoofd nog steeds over. Na het herhaaldelijk luisteren naar de verschillende opnamen van de opera heb ik het verband nog steeds niet kunnen ontdekken.
Semiramide was Rossini’s laatste Italiaanse opera seria uit zijn Italiaanse belcanto-periode en het verwijst al naar wat komen zal – de Franse Grand Opéra. De vermenging van beide stijlen maakt het werk uiterst boeiend en behoorlijk innoverend. Het gaat ook ergens over en het is mij werkelijk een raadsel waarom het zo zelden wordt opgevoerd.
Het verhaal: een Assyrische koningin, die samen met prins Assur haar man heeft vermoord, wordt jaren later verliefd op haar doodgewaande zoon, die haar daarna ‘per ongeluk’ doodt. Het is misschien een beetje te, maar dat zijn we inmiddels wel gewend, toch? Zeker, als we onze “klassiekers” kennen: Orestes, Oedipus, de hangende tuinen van Babylonie, Phaedra … Maar ook Hamlet en Lady Macbeth.
Daar kan een beetje regisseur zeker mee uit te voeten, mits hij niet al te veel wil duidelijk maken en uitleggen. Het publiek is niet dom! Wij weten heus wel dat het verhaal van aller tijden is! Maar dat is precies waar deze Antwerpse productie van Nigel Lowery uiteindelijk aan kapot ging.
Lowery’s uitgangspunt was prima en ik was ook best gecharmeerd van de meeste van zijn decors (Lowery nam, behalve de regie, ook het decor en de kostuums voor zijn rekening. Zeer geslaagd vond ik zijn keuze om een (bewerkte) foto van het door Amerikanen gebombardeerde paleis van Saddam Hoessein – gekleurd en op een groot doek geschilderd – als het paleis van Semiramide te laten fungeren.
De kostuums waren van alles: Albaniërs, Assyriërs, Barbiepoppen in baljurken, strakke jaren ’50, lelijke jaren ’60. Semiramide had een dubbelgangster, het koor was unisono als man verkleed (terwijl in het libretto nadrukkelijk de aanwezigheid van vrouwen wordt vermeld!). Er liep een Nosferatu rond, er was een wandelend glittergordijn, er werd met kisten gesjouwd en het koor bediende zich van een soort geheimzinnige gebarentaal die heel erg spastisch aandeed.
Gelukkig was er nog de muziek en die was niet minder dan goddelijk! Voor Semiramide heb je minstens vier eersteklaszangers nodig, die ook nog eens kunnen acteren, hun coloraturen paraat hebben en alle registers (zowel naar boven als naar beneden) kunnen opentrekken. Nou, die waren er wel. Allemaal.
Om te beginnen was er Ann Hallenberg als Arsace. Zelden nog hoor je een alt van zo’n immense schoonheid, met het juiste timbre en een perfecte laagte (en hoogte!) Haar stem heeft de juiste dosering van vibrato en zij beschikt over een ongekend kleurenpalet. Daarbij is zij een fantastische performer; zij was als heldhaftige krijgsheer, maar ook als verliefde tiener en verscheurde zoon meer dan geloofwaardig. Wat een artieste!
Haar duetten met Myrtò Papatanasiu (een werkelijk voortreffelijke Semiramide) deden mij soms aan Sutherland/Horne denken. Zo’n perfecte samensmelting van stemmen hoor je nog echt zelden meer.
Robert McPherson (Idreno) hoorde ik eerder als Leopold (La Juive) in Tel Aviv. Sinds die tijd heeft hij een enorme ontwikkeling gemaakt – zijn stem is groter geworden, soepeler ook. Met zijn perfect zittende hoge noten (en denk hier niet aan een “magere” C!) blies hij de zaal op.
De (zeer?) jonge basbariton Igor Bakan was een fenomenale Oroe. Ondanks de belachelijke outfit als handelsreiziger kon hij het karakter van de Hoge Priester weten over te brengen.
En als we het over een belachelijke outfit hebben … Josef Wagner (Assur), in het echt een aantrekkelijke jonge man, werd zo toegetakeld dat je het niet aannemelijk kon maken dat welke vrouw dan ook (laat staan de koningin) zich met hem zal inlaten.
Godzijdank heeft een regisseur geen grip op de stembanden, dus ondanks al zijn tegenwerking werd Assurs waanzinaria zowat het hoogtepunt van de hele voorstelling. Ik moest aan Bellini’s I Puritani (Cinta di Fiori) denken… Zou hij Semiramide hebben gehoord?
De Antwerpse productie is door Dynamic op dvd uitgebracht. Trailer:
Gioachino Rossini
Semiramide
Myrtò Papatanasiu, Ann Hallenberg, Josef Wagner, Robert McPherson, Julianne Gaerhart, Igor Bakan, Eduardo Santamaria, Charles Dekeyser
Symfonisch Orkest en Koor van de Vlaamse Opera onder leiding van Alberto Zedda
Regie: Nigel Lowery
Brahms’ pianowerken zijn ontegenzeggelijk ‘in’. Anders moet ik het aan het toeval wijten dat de ene na de andere opname van zijn rijke piano-oeuvre, al dan niet compleet, op mijn recensietafel belandt. Het frappantste is dat de ene interpretatie beslist niet onder doet voor de andere, al kunnen ze hemelsbreed van elkaar verschillen.
Mijn laatste ‘sensationele ontdekking’ gold alle pianosolowerken gespeeld door Geoffroy Couteau (La Dolce Volta), maar de nieuwe opname van Jonathan Plowright (deel 4, inmiddels) heeft mij aan het twijfelen gebracht.
Ik denk dat Plowright poëtischer is. Warmer ook. Maar tegelijkertijd ook zeer masculien en gespierd. De toon zet hij al met de eerste maat van de Paganini Variaties op. 35. Zo heerlijk licht en luchtig, zo quasi nonchalant heb ik de variaties niet eerder gehoord. Het voelt alsof een zonnestraal je donkere raam opeens binnenvalt. Lente!
Maar om het zeker te weten spoel ik de cd snel vooruit, naar nummer 16, naar ‘Edward’, de eerste van de vier Ballades. Want Ballades, daar kan je niet mee smokkelen. Ze werken, net als die van Chopin, als een soort spiegel voor de ziel van de pianist. Heeft hij het begrepen?
Die proef doorstaat Plowright ruimschoots. Zijn interpretatie vind ik stiekem nog boeiender dan die van Emil Gilels, tot nu toe mijn referentiepunt. Plowright is langzamer. Iets wat eigenlijk amper is te merken, want spanning opbouwen, dat kan hij wel!
Dat hoor je ook in de eerste Rhapsodie op. 79 waarin Agitato gewoon ‘agitato’ klinkt. Als u mij niet gelooft luister dan naar de laatste noot van Rhapsody uit Piano Pieces op.119. Allegro risoluto, zeer zeker!
Zijn recital besluit Plowright met het tweede boek van de Paganini variaties, waardoor de cd zich laat luisteren als een spannend boek, met een begin en een eind.
JOHANNES BRAHMS
The Complete Solo Piano Music Volume 4
Paganini Variations, op.35
Four Ballades, op.10
Two Rhapsodies, op.79
Four Piano Pieces, op.119
Jonathan Plowright, piano
BIS 2137 • SACD – 82’
In juli 2007 ging in Aix-en-Provence Die Walküre in première, een bijzondere gebeurtenis. Het was niet alleen Simon Rattles (en Aix’) eerste Ring, het markeerde ook een werkelijk sensationeel debuut van ‘onze’ Eva-Maria Westbroek op het festival.
De productie van Stéphane Braunschweig was zeer vernuftig, met veel glas en staal. En toch brak hij nergens met de traditie. Wotan (een prachtige, zeer humane en breekbare Willard White) was vanaf de eerste scène een toeschouwer die de boel letterlijk in de gaten hield en aan het begin van de tweede akte een potje Stratego met zijn ‘pionnen’ speelde.
De jonge Mikhail Petrenko (Hunding) vertoonde een sterke gelijkenis met Poetin, waardoor zijn rol nog een extra grimmig karakter kreeg.
Na een ferm begin hield Rattle het orkest soepel en licht. De mooi door Robert Gambill gezongen ‘Winterstürme’ kreeg er een bijna belcantesk karakter door, en het daaropvolgende liefdesduet klonk als vanzelfsprekend onschuldig.
Eva-Maria Westbroek en Robert Gambill
Westbroeks stem – stralend, volumineus en toch zeer lyrisch – kent duizenden nuances, waarmee ze alle gevoelens van haar personage (liefde, verdriet, vreugde, onschuld en verlangen) een andere kleur geeft (BelAir BAC 034).
BAYREUTH 2009
In 2009 heeft Opus Arte de complete Ring van Christian Thielemann in Bayreuth opgenomen en een jaar later op cd’s uitgebracht (OA CD900B D). Daar was ik bijzonder gelukkig mee. Het geluid was prachtig en de bezetting fenomenaal, met in Die Walküre Eva-Maria Westbroek als Sieglinde en Endrik Wottrich als Siegmund.
Gelukkig bracht Opus Arte de productie uit op cd’s, want uit de recensies, berichten en fragmenten begreep ik dat de productie totaal mislukt was. Het was zelfs zo slecht dat het publiek te moe was om boe te roepen.
Nu waren de omstandigheden ook niet optimaal. Lars von Trier gaf de opdracht om de Ring te regisseren op het laatste moment terug, zodat de klus in handen van Tankred Dorst belandde. En Dorst is een vermaard toneelschrijver en geen operaregisseur.
Kan iemand mij dus vertellen waarom Opus Arte Die Walküre in 2010 alsnog op dvd heeft opgenomen (OA 1045 D)? Albert Dohmen (Wotan) en Linda Watson (Brünnhilde) zijn goed en Thielemann dirigeert prachtig, maar een jaar eerder waren ze ook van de partij. Edith Haller is van Helmwige naar Sieglinde gepromoveerd en daar heb ik mijn bedenkingen bij. Johan Botha (Siegmund) is een kwestie van smaak.
Op 28 april 2012 zongen twee Nederlanders de sterren van de hemel in Die Walküre in de New Yorkse Metropolitan Opera. Aan de zijde van zijn vrouw Eva-Maria Westbroek maakte Frank van Aken als lastminutevervanger zijn onverwachte debuut bij het beroemde operahuis.
Wie naar BBC 3 luisterde, kon het meemaken (nee, NTR was er niet bij). Er is ook geen opname van gemaakt al heb ik alle vertrouwen in de piraten.
Het was niet de eerste keer dat het echtpaar Westbroek/Van Aken als Siegmund en Sieglinde optrad. In 2010 vertolkten ze de rollen met enorme bijval in Frankfurt. Oehms (OC 936) nam de voorstelling live op en daar mogen we heel erg blij mee zijn. Niet alleen omdat onze sterzangers eindelijk op cd werden vereeuwigd – en dan ook nog eens samen – maar ook omdat er werkelijk fantastisch in wordt gemusiceerd en gezongen.
Susan Bullock was een werkelijk onweerstaanbare Brünhilde en Terje Stensvold een imponerende Hunding. Groot aandeel in het succes had ook dirigent Sebastian Weigle.
NEW YORK 2013
Westbroek was ook van de partij in de nieuwe productie van de Ring bij de Metropolitan Opera (die met ‘the machine’). Haar Siegmund werd weergaloos gezongen door Jonas Kaufmann en Deborah Voight was een stralende Brünnhilde.
Robert Lepage was de regisseur en als zodanig ook verantwoordelijk voor de machine die af en toe haperde. Er gebeurden ook (bijna) ongelukken – gelukkig allemaal met een goede afloop. Maar stel je voor… De productie won de ‘classical Grammy’ in de categorie opera. Terecht? Daarover zijn de meningen verdeeld.
Lady Macbeth van Mtsensk van N.S. Leskov. Illustratie B.M. Kustodiyev
Het had een vierluik moeten worden, een operatetralogie gewijd aan de positie van de vrouw in Rusland in verschillende tijdperken. Een Sovjet-Russische Ring des Nibelungen, waarvan Lady Macbeth van Mtsensk een soort Rheingold zou zijn. Maar helaas, het mocht niet zo zijn. Al had aanvankelijk niemand het naderende onheil kunnen vermoeden.
Affiche van de prèmiere. Courtesy QED
De première op 22 januari 1934 in het Maly Theater in Leningrad was een geweldig succes, en twee jaar lang werd de opera, zowel in Leningrad als in Moskou, een paar keer per week opgevoerd. Ook in het buitenland maakte de opera furore: na Cleveland volgde de New York City Opera, en daarna Stockholm, Praag en Zürich.
Tótdat Stalin een voorstelling in januari 1936 bezocht en deze vroegtijdig verliet. De volgende dag verscheen in Pravda een artikel onder de kop ‘Chaos in plaats van muziek’. Het werd ondertekend door een zekere Zaslavski, maar volgens Sjostakovitsj werd het door Stalin zelf geschreven. De opera werd onmiddellijk van de programma’s geschrapt en de componist kreeg het etiket ‘volksvijand’ opgeplakt.
Na de dood van Stalin herzag Sjostakovitsj zijn opera, en onder een nieuwe titel, Katerina Ismailova, werd hij in 1963 in Moskou voor het eerst opgevoerd.
Sjostakovitsj hield van zijn heldin. Tegen Solomon Volkov bekende hij: „Hoewel Jekaterina Lvovna een moordenares is, is ze als mens nog niet verloren. Haar geweten kwelt haar, ze blijft denken aan de mensen die ze gedood heeft. Ik heb sympathie voor haar. […] Ik wilde een vrouw laten zien die veel hoger staat dan alle mensen om haar heen. Want om Jekaterina heen zijn alleen maar schurken. Zij leeft als in een gevangenis en zo lijdt ze al vijf jaar.”
„Haar leven is triest en oninteressant. Maar dan komt de liefde, een grote hartstocht. En het blijkt dat die hartstocht haar een misdaad waard is. Het maakt immers niets uit, een ander leven heeft voor haar geen zin.” (Uit Getuigenis. Herinneringen van Dimitri Sjostakovitsj.)
De opera, over het tragische lot van Katerina, die na het trouwen met een rijke koopman in een soort gevangenis belandt, waaruit zij door haar gepassioneerde liefde voor Sergei meent te kunnen ontsnappen en in een ijskoude rivier in Siberië haar leven beëindigt, is een mix van tragedie en satire, ernst en humor, lyrische melodieën en – ja, inderdaad – chaos.
Met een duizelingwekkend tempo verandert de sfeer van ontroerende melancholiek (Katja’s klaagzang ‘Zherebyonok k kob’lke toropotsa’) in seksueel geladen (verleidingsscène), om in daadwerkelijk pornografische klanken te eindigen – het is Sjostakovitsj gelukt om ‘de daad’ door muziek tot in de details te beschreven.
GALINA VISHNEVSKAYA, 1978
Kort na de dood van de componist heeft zijn vriend, de cellist en dirigent Mstislav Rostropovitsj, de oorspronkelijke partituur van Lady Macbeth gevonden. In 1978 werd de opera voor het eerst integraal opgenomen (Warner0825646483204). Rostropovitsj dirigeerde en de hoofdrollen werden vertolkt door de best mogelijke zangers uit de Russische traditie.
Galina Vishnevskaya is een fenomenale Katerina. In haar interpretatie hoor je het hele gamma aan emoties en karakterontwikkelingen van haar personage. Zij is verveeld, verliefd en gepassioneerd, en haar wanhoop aan het eind is levensgroot.
Nicolai Gedda zet een zeer aantrekkelijke en mannelijke Sergei neer en Dimiter Petkov en Werner Krenn zijn aan elkaar gewaagd als vader en zoon Ismailov. Robert Tear is (zoals altijd trouwens) bijzonder overtuigend in zijn karakterrol als de sjofele arbeider en alleen Birgit Finnila (Sonyetka) klinkt voor mij iets te ouwelijk.
Rostropovitsj dirigeert met oog voor alle details en benadrukt de contrasten. Al met al: een betere cd-opname is ondenkbaar. Niet dat u een keuze hebt: de enige echte concurrent op cd, een DG-opname (4375112) met Maria Ewing en Sergei Larin onder leiding van Myung Whun Chung, is inmiddels vervallen.
NADINE SECUNDE, Barcelona, 2002
Bij EMI (5997309) is een productie uit Barcelona (mei 2002) op dvd verschenen, die op zijn minst overtuigend te noemen is. De regie is in handen van een voormalig acteur uit Noorwegen, Stein Winge, die er een zeer aangrijpend, voornamelijk persoonlijk drama van heeft gemaakt.
De aankleding past bij de ontstaanstijd van de opera. De bühne wordt gedomineerd door een reusachtig bed, dat al bij de eerste maten van de muziek prominent in beeld is gebracht. Daarboven een venster met wolken, te hoog om er doorheen te kijken, en te hoog om er uit te ontsnappen. Goede vondst.
Katerina’s arioso:
De enscenering is vrij realistisch zonder dat het vulgair wordt. De vrijscène is bijzonder mooi in beeld gebracht. Katerina knoopt de eindeloze lakens aan de poten van het bed vast, waardoor een soort zee ontstaat. Daar verdwijnen zij en Sergei onder, en het commentaar wordt aan de muziek (en onze eigen verbeeldingskracht) overgelaten, wat zeer suggestief is.
Nadine Secunde is een prima Katerina, zeer geloofwaardig en zowel vocaal als scenisch bijzonder overtuigend. Christoper Ventris lijkt geboren voor de rol van Sergei: bijzonder aantrekkelijk en zeer macho maakt hij zijn reputatie waar dat geen enkele vrouw hem kan weerstaan.
Ook de rest van de bezetting is fenomenaal. De meeste indruk maakt op mij de oudgediende Yevgeny Nesterenko in de kleine rol van de oude dwangarbeider.
En toch blijf ik met een kanttekening zitten: het einde van de opera. Ik ga het u niet verklappen, maar het is anders dan in het libretto (voor de zoveelste keer al). Waar komt toch de nieuwe mode vandaan om het eind van de opera te veranderen?
EVA-MARIA WESTBROEK, Amsterdam, 2006
In oktober 2006 maakte Eva-Maria Westbroek haar alom bejubelde debuut in het Royal Opera House in Londen als Katerina Izmailova. Er werd zelfs van ‘één van de belangrijkste debuten in Covent Garden ooit’ gesproken.
Eva-Maria Westbroek (Katerina) en Christopher Ventris (Sergei) in de productie in het ROH
Maar wij, de Nederlandse operaliefhebbers, wisten het al, want tijdens het Holland Festival in juni 2006 debuteerde Westbroek in dezelfde rol bij de Nederlandse Opera, in een voorstelling die alleen maar overenthousiaste reacties heeft gekregen.
Met de productie maakte ook Martin Kušej, een niet onomstreden Oostenrijkse operaregisseur, zijn debuut in ons land. In zijn concept zijn seksualiteit en macht nauw met elkaar verbonden en is de opera een verschrikkelijke afgrond, die alleen maar met woorden als orgasme en doodslag kan worden omschreven.
Katerina leeft in een glazen kooi met honderd paar schoenen, bewaakt door honden en omgeven door modder. Haar verlangen naar liefde en geborgenheid wordt nooit bevredigd, want wat Sergei voor haar in petto heeft is pure seks, zonder enige genegenheid.
De muzikale mix van tragedie en satire, ernst en humor, lyrische melodieën en harde porno werd door Kušej scenisch perfect uitgebeeld, wat door het fenomenaal spelende Concertgebouworkest onder leiding van Mariss Jansons alleen maar werd versterkt. Als bonus krijgt u een buitengewoon interessante ‘the making of’-documentaire (Opus Arte OA 0965).
GLORIA LANE, Rome, 1976
Van Katerina Ismailova, de uit 1963 stammende bewerking van Lady Macbeth, bestaat bij mijn weten maar één opname, op het budgetlabel Opera D’Oro (OPD 1388). Het is een RAI-opname van een uitzending op 29 mei 1976 in Rome.
De verschillen met het origineel vallen bij de eerste maten meteen al op: het is milder, zonder de bijtende ironie, met meer melancholie en droefenis. De grootste verschillen zitten in de intermezzi. Zo is het eerste door totaal andere muziek vervangen. Ook in de grote verleidingsscène is het gros van de muziek gesneuveld en zijn vrijwel alle hoge noten uit de muziek van Katerina verdwenen.
De uitvoering, onder leiding van Yuri Ahronovich, is zeer zeker adequaat, al heb ik moeite met de Sergei van William Cochran. Het kan aan mij liggen, maar zijn tenor ervaar ik eerder als geknepen dan als sexy. In de hoofdrol alweer zo’n vergeten grootheid van vroeger: Gloria Lane. Haar Katerina is zeer dramatisch en vol van passie.
Tot slot: op Philips is ooit de zeer interessante documentaire Shostakovich against Stalin van Larry Weinstein uitgebracht (Philips 0743117) met zeer veel historische beelden en nog meer muziek:
La morte de verismo: verismo is dood. Onder deze hartenkreet woedt er de laatste jaren een heftige discussie op operamailinglijsten, in operagroepen op Facebook en tijdens geëmotioneerde gesprekken en discussies bij vele liefhebbers van het genre. Maar is het waar? Is verismo dood?
Andrea Chenier
André Chhénier
Voor mij is Andrea Chénier één van de beste en mooiste opera’s ooit. De muziek vind ik niet minder dan goddelijk en het verhaal is van alle tijden. Het blijft actueel – nu nog misschien sterker dan ooit. De tiran moet van zijn troon afgestoten worden en het volk moet het voor het zeggen krijgen. Daar zijn wij het toch allemaal mee eens?
Was het maar zo simpel! Wie ooit opgegroeid is in een postrevolutionair totalitair regime weet hoeveel verschrikkingen het met zich mee brengt. De ene terreur wordt door een ander vervangen.
Dit is, althans voor mij, het belangrijkste thema in Giordano’s grootste hit. De werkelijke hoofdrol is volgens mij niet voor de echt bestaande dichter André Chénier (wist u dat Giordano Cheniérs gedichten in zijn aria’s heeft gebruikt?) noch voor zijn geliefde Maddalena weggelegd. Het is de Franse revolutie, die, zoals Gérard (ooit Maddalena’s huisknecht en nu één van de revolutieleiders) bitter opmerkt, haar eigen kinderen verslindt.
Tot mijn grote verbazing las ik dat Domingo er niet zo veel mee had, met het personage van Andrea Chénier. De opera vond hij prachtig, maar de rol, één van zwaarste in het ‘lirico-spinto’-repertoire, was voor hem dramatisch niet echt interessant. Voor hem was Chénier ‘een idealist die altijd met zijn hoofd in de wolken loopt’. En toch was het één van de opera’s die hij het liefste zong!
Zelf vind ik dat de rol van de dichter/revolutionair hem past als een handschoen. Liefdespassie en enorme betrokkenheid bij alles wat er in de wereld gebeurt, waren – en zijn nog steeds – zijn handelsmerken.
Domingo zingt ´Un di all’azzurro spazio´ tijdens een recital in 1983:
Zijn eerste Cheniér zong hij in 1966 in New Orleans, als de last minute vervanger van Franco Corelli, maar dat was niet zijn eerste optreden in de opera. In het seizoen 1960/61 zong hij Incredibile en de Abt, in Mexico.
Mijn dierbaarste cd-opname is in 1976 door RCA (GD 82046) vastgelegd. De cast is om te likkebaarden: Renata Scotto zingt Maddalena, Sherrill Milnes is Gérard en in de kleine rollen horen we o.a. Jean Kraft, Maria Ewing, Michel Sénéchal en Gwendolyn Killebrew. James Levine, die het National Philharmonic Orchestra dirigeert, snapt precies waar het in de opera over gaat. Om te huilen zo mooi.
Scotto zingt ‘La Mamma morta’:
In 1981 werd de opera in Wenen voor tv opgenomen. Die opname is inmiddels op dvd uitgebracht (DG 073 4070 7). Gabriela Beňačková, één van de meest ondergewaardeerde zangeressen in de geschiedenis, zingt een Maddalena van vlees en bloed. Huiveringwekkend mooi en ontroerend.
Piero Cappuccilli is een Gérard uit duizenden en ook hier zijn de kleine rollen door grote zangers ingevuld: Madelon wordt door niemand minder dan Fedora Barbieri gezongen. De productie van Otto Schenk is een lust voor het oog.
Regisseur Martin Kušej creëerde in 2010 een nieuwe Rusalka voor de Bayerische Staatsoper in München. Met de nadruk op nieuw, want de opera zelf was amper meer te herkennen. De zieke enscenering zette de ijzersterke cast helaas op het tweede plan.
Het label Cmajor (706408) heeft de opera op dvd opgenomen en daar ben ik niet echt blij mee. De regisseur Martin Kušej heeft het drama naar de Oostenrijkse Amstetten verhuisd. Weet u nog wie Josepf Fritzl was? Juist ja.
Hoe ziek moet je brein zijn om Rusalka, één van de allermooiste, maar ook één van de allerdroevigste sprookjes ooit, met het gruweldrama in het Oostenrijkse Amstetten te vergelijken? Hoe ziek moet je brein zijn om van Watergeest, de allerbeminnelijkste en liefhebbendste ‘sprookjesvader’, de psychopaat Joseph Fritzl te maken? Hoe ziek moet je geest zijn om van de naïeve, kinderlijke waternimf een krolse kat te maken?
Nee, dat staat niet in het libretto. En het staat ook niet in de muziek. De kleine Rusalka heeft haar hart en ziel aan een menselijk wezen verpacht. En in ruil voor het menselijk lichaam offert ze aan de heks Ježibaba het mooiste wat zij heeft – haar stem.
In het sprookje van Andersen loopt het niet goed af, en niet anders is het in het sprookje van Dvořak. Maar: voor ze haar stem kwijtraakt, zingt Rusalka het ‘lied aan de maan’, zowat het mooiste wat er ooit is gecomponeerd.
Maar kan het de regisseur wat schelen? Als hij maar scoren kan! Wat een zonde van de prachtige opera! En wat een zonde van de werkelijk fantastische zangers.
Kristine Opolais (Rusalka) is om te zoenen zo mooi. Letterlijk en figuurlijk. Klaus Florian Vogt is een goede prins en zingt beter dan ik van hem gewend ben.
Günther Groissböck is met zijn diepe, warme bas absoluut één van de beste keuzes voor Wodnik. Hij doet zijn best om de enge Fritzl te verbeelden. Dat wat hij zingt en wat hij doet in geen enkel geval met elkaar sporen, is zijn schuld niet.
Soms wens je jezelf terug naar het cd-tijdperk.
Gabriela Beňačková
De wegen (en de programmering) van sommige operahuizen zijn ondoorgrondelijk. Want waarom de ene opera wel en de andere niet?
Rusalka, toch een groot succes in veel operahuizen ter wereld, bereikte Wenen pas in 1987, 86 jaar na de première. Waarom? Dat weet niemand, maar de voorstelling was het grote wachten meer dan waard. Al op de premièreavond sprak men (terecht!) van een legendarische uitvoering.
Gelukkig voor ons werd de voorstelling toen voor de radio opgenomen en later op cd uitgebracht. De muziek werd met twintig minuten ingekort (de scènes met de boswachter en de koksjongen). Jammer eigenlijk, maar niet meer dan dat.
De hoofdrol werd gezongen door mijn geliefde Rusalka allertijden: Gabriela Beňačková. Haar stem was een juweel op zich: licht, teder en toch intens en vol van emoties. Het lied aan de maan heeft nog nooit ontroerender geklonken: onschuldig, maar al vol met passie.
Schitterend was ook de Prins van Peter Dvorsky. Wat een mooie, lyrische stem! Jevgenij Nesterenko was zeer indrukwekkend en ontroerend in zijn rol van de smartelijke Watergeest.
Eva Randova imponeerde in haar dubbele rol van de heks Ježibaba en de Vreemde Prinses, al is de keuze om beide rollen door dezelfde zangeres te laten zingen nogal vreemd en verwarrend. Het Weense orkest onder Václav Neumann speelde zeer bezield(Orfeo C638 0421)
Hieronder zingt Beňačková het ‘lied tot de maan’, tijdens een concert in Praag, 1988:
Ana María Martinéz
Het Glyndebourne Festival zette in 2009 Dvořáks Rusalka op het toneel en toen ook meteen live voor cd opgenomen. Een jaar later bracht het festival een opname van de productie uit op haar eigen label (GFOCD 007-09)
Men kan zich afvragen waarom er geen dvd van gemaakt is (de foto’s zien er prachtig uit), maar misschien is het ook maar beter zo. Want nu kunnen we ons geheel op de muzikale kant concentreren. En geloof me: zo’n prachtig orkestspel hebt u nog nooit gehoord. Al bij de ouverture ziet u wat er gebeurt, ondanks het gebrek aan beeld. U ziet het meer, omgeven door bossen, u ziet de dansende nimfen en de heldere maan. De betovering, die is voornamelijk aan het London Philharmonic Orchestra te danken en aan de magische directie van Jíří Bělohlávek.
De hoofdrol van de ongelukkige waternimf, wier liefde voor de man haar fataal werd, wordt hier gezongen door Ana María Martinéz. Zij combineert de Slavische, ietwat hysterische vibrato met de Latijnse passie. Minder romig dan wij van een bepaalde zangeres zijn gewend, maar met veel meer gevoel en onverholen droefheid. Aan de ene kant nog de maagdelijke nimf, maar aan de andere al de liefhebbende vrouw van vlees en bloed.
Larissa Diadkova is Ježibaba uit duizenden en Brandon Jovanovich een zeer mannelijke prins.