kamermuziek/solorecitals

Another one whom we forgot: Karl Weigel and the Viennese tradition

Karl Weigl, ca. 1910; the photograph was featured in Die Musik (1910) to accompany Richard Specht’s essay “Die Jungwiener Tondichter.


Karl Ignaz Weigl was born in 1881 in Vienna into an assimilated Jewish family. In 1938, he fled to New York, where he died ten years later. He was important contributor to the ferment of musical styles in Vienna in the early twentieth century. His compositions, which are still rarely being performed, are very traditional, anchored in a ‘Viennese sound’.

Karl Weigl on board the S.S. Statendam during the transatlantic crossing from Southampton to New York in October 1938.


That his symphonies are occasionally reminiscent of Mahler is not so surprising: Weigl worked closely with Mahler as his personal assistant at the Vienna Court Opera. But Brahms, too, is never far away.

In 1938 Arnold Schönberg wrote: ‘I have always regarded Dr. Weigl as one of the best composers of the old school; one of those who continued the glittering Viennese tradition’. No one could have put it better.rl Weigl on board the S.S. Statendam during the transatlantic crossing from Southampton to New York in October 1938.rl Weigl on board the S.S. Statendam during the transatlantic crossing from Southampton to New York in October 1938


Weigl studied with Zemlinsky, who held his pupil’s compositions in very high esteem. His works were performed by the most distinguished musicians, like Furtwängler and Georg Szell. It is truly unimaginable that he was so utterly forgotten: it was only after the year 2000 that record companies began to take some interest in his music. So huge kudos to Capriccio that, it seems, is in the process of creating a real Weigl (and more forgotten composers)-revival.


Weigl composed his fourth symphony in 1936. When I put the CD on, I first thought I was dealing with an unfamiliar version of Mahler 1; the resemblance is more than striking. But even the sixth symphony has its ‘Mahler moments’: think of the seventh!  The performance by the Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz conducted by Jürgen Bruns is outstanding



The ‘glittering Viennese tradition’ is Weigl’s main trademark. To put it irreverently, his music may be seen as sort of a gateway. A kind of corridor that runs from a classical Beethoven via a soul-stirring Schubert and an underground erotic Zemlinsky to finally end up in Weigl’s calm waters, and from there it finds its way to our hearts.

Weigl is not a composer I have heard much of (no, it’s not my fault) and apart from his, by the way, wonderful songs and a few of his chamber music compositions, I did not know him very well. So this CD is more than welcome, especially because the musicianship is so incredibly good.

I am most charmed by the violinist David Frühwirth. His tone is very sweet, as sweet as a Viennese Sachertarte. You can hear it best in the very Schubertian piano trio, but make no mistake! Just listen to the allegro molto, the third movement of the second violin sonata from1937 and you discover the complexity of the ‘Wiener-sound’.

And I feel free to use another quote, this time from Pablo Casals: “His music will not be lost, after the storm we will return to it, one day we will return to those who wrote real music.” It has taken a while and we are still far away, but a beginning has been made.

Detail of Karl Weigl diary entry, summer, 1937.

.

Basiaconfuoco’s  top tien 2022. Addendum

Toen ik mijn top tien lijstje maakte was ik een viertal geweldige uitgaven totaal vergeten. Waarom? Wie het weet maak het zeggen. Blackout? Of gewoon onnadenkendheid?
Maar nu komen ze alsnog aan bod. En, geloof mij, deze vier uitgaven mag niemand missen!

Het lijstje is alfabetisch opgesteld, naar de componist, titel of de uitvoerende

Celebrating Woman

Hoeveel vrouwelijke componisten kent u?  […] The Hague Stringtrio, een ensemble die mij eerder al meer dan prettig verrast had met een pleidooi voor (veelal vergeten) werken van ‘Entartete componisten’, heeft nu een cd opgenomen die vrouwelijk componisten in the picture zet. Op hun cd met de titel Celebrating Women! hebben ze strijktrio’s van vrouwelijke componisten uit de tweede helft van de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw vastgelegd. Alle vier de componisten zijn zo verschillend als het maar kan. Ze komen niet alleen uit vier verschillende landen (en drie werelddelen), ook hun culturele en sociale achtergrond kan niet diverser zijn […]

Ik hoop zo dat deze CD een navolging krijgt en dat de vrouwelijke componisten steeds vaker uitgevoerd en opgenomen gaan worden. Het zijn veelal echte juweeltjes die de vergetelheid niet verdienen

In English

Luigi Concone

Zowel de Israëlische harpiste Rachel Talitman als de Grieks-Cypriotische fagottist Mavroudes Troullos zijn meer dan voortreffelijk. Echte vakmensen, virtuoos en inspirerend. […]


Ooit hadden we zoiets als huismuziek. Iets wat inmiddels vervangen is door house music (nomen omen?). Of zoiets. Niemand die nog luistert, het gaat om de alles verhullende herrie. Maar, als ik goed nadenk, is er eigenlijk iets veranderd, behalve de decibellen? Hebben de mensen van toen daadwerkelijk geluisterd? […]

Een paar weken geleden werd er een cd ten doop gehouden met zes sonates voor harp en fagot van ene Luigi Comencini. Niet alleen is de combinatie bijzonder, de componist zelf is het ook.

Dick Kattenburg

Vierentwintig is hij geworden. Vierentwintig. Meer mocht het niet van de nazi’s. Wie weet, wat hij nog meer in zijn mars had? Welke opera’s hadden we van hem kunnen verwachten? Wie weet was hij nu Wagner voorbijgestreefd, de componist die het niet zo op Joden op had? Maar misschien was hij een totaal andere richting opgegaan en werd hij een jazz gigant? […]

Hoe hij opgepakt is, is niet helemaal duidelijk, vermoed wordt dat hij tijdens een razzia werd opgepakt en kort daarop naar Westerbork werd gedeporteerd. Op 14 mei 1944  werd hij op transport gesteld naar Auschwitz. Een op 30 september 1944 gedateerde overlijdensakte vermeldt dat hij in Midden-Europa is gestorven. Daar kunnen we het mee doen. […]

De ‘Ouverture voor twee piano’s’ uit 1936 is het enige werk dat Kattenburg schreef voor twee piano’s (dus niet voor piano vierhandig). Hij was toen 17. Uit dezelfde periode stamt ook  ‘Tap dance’ waar ook echt een tapdanser aan te pas moest komen.

Kattenburg maakt zelfs een zeer geslaagde tekening van de tapdanser in het manuscript. Op deze nieuwe album is deze bijzondere rol Tonio Geugelin werkelijk perfect aangemeten.

In English:

https://basiaconfuoco.com/2022/03/30/stolen-melodies-by-dick-kattenburg-as-a-kind-of-metaphor-for-his-short-life/

Origin door Delta stringtrio

Onvoorstelbaar eigenlijk hoe veel geweldige musici ons klein landje telt! […]
De pianiste Vera Kooper, de violist Gerard Sponk en de celliste Irene Enzlin hebben elkaar in 2013 in Salzburg ontmoet, waar ze alle drie toen studeerden […]

Origin is al de derde cd die ze samen hebben opgenomen, […] de titel slaat op de afkomst van de muziek waar de componisten uit putten: de onvervalste folklore als leidraad [,,,]

Delta Piano Trio: “Drie componisten drie verschillende culturen en drie verschillende tijdperken, maar met één overeenkomst: een zoektocht naar de muzikale oorsprong”.

Daniel Barenboim and his very first steps to glory

After leaving the communist paradise in 1968, I found myself in a Valhalla with lots of temptations I could barely resist. I spent my entire scholarship on LPs in a music shop on the very first day. Among them were Beethoven’s complete piano sonatas, played by Daniel Barenboim.

I no longer have the records, so I don’t know if they were the same as the recordings from 1959 that I am listening to now, but I don’t think so. In 1959, Barenboim was only 17 years old and I doubt if he already had a recording contract at that time.

What is most striking about his playing is its youthful elan and a naturalness that only a very young genius may command. There is not a trace of doubt in his interpretations and his attack radiates grandeur.

Unintentionally, I am reminded of Pogorelic’s first recordings; Barenboim also pushes the limits, but he never oversteps them. Even though his tempi are sometimes dizzying, such as in the Rondo Allegro in ‘Patetique’. Talk about pathetic! The “Apassionata” also lives up to its name with Barenboim. Rarely does one hear the sonata played so compellingly, almost recklessly.

Even more interesting is the fourth CD with all kinds of pieces, starting with J.Ch. Bach and ending with Shostakovich. Here Kabalevsky’s piano sonatina is an even bigger rarity than the two little gems by Pergolesi. The contemplative second movement, the Andantino, might have been written by Satie, but make no mistake: with the presto, we end up in (somewhat) ‘Prokofiev-land’.

This CD was recorded in 1955, which means that the child Barenboim was not yet thirteen years old at the time. Insane.



It’s really a shame that the textbook barely contains any text, it doesn’t even say where the recordings took place and if they had been released before.




Beethoven Piano Sonatas Nos. 8, 14, 21, 23, 29, 32
JC Bach Piano Sonata in B flat major op. 17 No. 6
Pergolesi Piano Sonatas in B flat major & in G major
Mozart Variations KV 265
Mendelssohn Capriccio in F sharp minor op. 5
Brahms Intermezzo in C major op. 119 No. 3
Kabalevsky Sonatina for Piano op. 13 No. 1
Shostakovich Preludes Op. 34 No. 2
Profile PH

Folklore als inspiratiebron

Onvoorstelbaar eigenlijk hoe veel geweldige musici ons klein landje telt! Pianisten, violisten, cellisten, zangers, harpisten…. Noem maar op. En dan heb ik het niet eens over de kamermuziekensembles. Alma Quartet, The Hague String Trio … allemaal wereldtop. Daar hoort ook het Delta Piano Trio bij.

De pianiste Vera Kooper, de violist Gerard Sponk en de celliste Irene Enzlin hebben elkaar in 2013 in Salzburg ontmoet, waar ze alle drie toen studeerden. Het klikte. Ze zaten op één lijn en dat niet alleen muzikaal, maar ook buiten de concertpodia en concertzalen. Vrienden voor het leven?

Origin is al de derde cd die ze samen hebben opgenomen, de eerste twee heb ik gemist, maar deze staat al een paar weken in mijn speler. Nou ja, op Spotify dan, want zo makkelijk. De titel slaat op de afkomst van de muziek waar de componisten uit putten: de onvervalste folklore als leidraad

In geval van Dvořák is het – min of meer  – voor de hand liggend: Dvořák ontwikkelde zijn eigen muzikale taal door de liefde voor de volksmuziek waar hij dan rijkelijk uit putte. Zijn ‘Dumky trio’ (even een digressie: ‘dumky’ is een meervoud van het woord ‘dumka’, wat dan ook een verkleinwoord is van ‘duma’, een droefgeestige Slavische volksballade) is het enige werk op de cd dat enige bekendheid kent. Of kende, want zo vaak wordt het tegenwoordig ook niet meer uitgevoerd

Pijnlijker wordt het als het over de twee overige componisten en hun op deze cd opgenomen werken gaat. Een beetje muziekliefhebber kent de naam van Frank Martin wel, maar wie wist dat hij ook een  Trio sur des mélodies populaires irlandaises heeft gecomponeerd? Wat had een in Nederland wonende Zwitser met Ierland? Ach… doet het er eigenlijk toe?


En dan komen we bij Tigran Mansurian, wellicht één van de belangrijkste Armeense componisten. Maar ook in zijn geval is het een beetje ingewikkeld. Hij werd in 1939 geboren in Beiroet, Libanon. Zijn familie verhuisde in 1947 naar Armenië. Zijn opleiding genoot hij in Jerevan. Zijn Vijf Bagatellen zijn al eerder opgenomen geweest en wat mij betreft nog niet vaak genoeg.

Delta Piano Trio: “Drie componisten, drie verschillende culturen en drie verschillende tijdperken, maar met één overeenkomst: een zoektocht naar de muzikale oorsprong”.

Is er iets wat ik er nog aan kan toevoegen? Ja. Niet alleen de muziek, ook de uitvoering is op het hoogste niveau. Laat dit pareltje u niet zomaar voorbij gaan


Frank Martin: Trio sur des mélodies populaires irlandaises
Tigran Manserian: Vijf Bagatellen voor pianotrio
Antonín Dvořák: Pianotrio nr. 4 in e, op. op (Dumky)
Delta Piano Trio
Challenge Classics CC72901

Open je oren voor strijkkwartetten van Walter Braunfels

De vraag waarom Braunfels zo verschrikkelijk is vergeten ga ik niet eens stellen. Dat het alles met de nazi’s en de Joden te maken had, dat weet iedereen immers wel. Hoop ik. Maar de oorlog is al zevenenzeventig jaar voorbij en Braunfels is al bijna zeventig jaar dood. En nog steeds is zijn naam niet daar, waar het hoort te zijn: op de belangrijkste concertpodia en operabühnes.

In de jaren negentig kon je nog van een kleine revival spreken: EMI bracht zijn mysteriespel Verkündigung uit en Decca nam zijn bekendste opera Die Vögel op. Die Vögel dook dan weer eens in Los Angeles op, waar James Conlon al jaren bezig is om de ‘Verboden componisten’ ruim podium te geven. In de letterlijk zin van het woord.

Désirée Rancatore zingt de Nachtegaal in Los Angeles Opera:

Tot 1933 behoorde Braunfels, samen met Richard Strauss, Zemlinsky, Korngold en Schreker tot de meest uitgevoerde hedendaagse  componisten.  In 1933 werd hij ontslagen van zijn post als directeur van de Muziek Academie in Keulen en nadat hij ‘entartet’ werd verklaard leefde Braunfels in totale afzondering in de omgeving  van de Bodensee (in zijn biografie wordt het mooi omschreven als ‘innerlijke emigratie’).

Na de oorlog ging Braunfels – op speciaal verzoek van de toenmalige kanselier Adenauer – naar Keulen terug. De aandacht die hij kreeg bleef bij een paar uitvoeringen van zijn werken. Gedesillusioneerd keerde hij terug naar de Bodensee.

Het medium kamermuziek was voor hem totaal nieuw. In de brieven uit die tijd toonde hij zich bijzonder gelukkig met het voor hem nieuw ontdekte idioom: ”Er is niets leukers, dan het werken aan een strijkkwartet” schreef  hij.

Voor zijn eerste kwartet, gecomponeerd in 1944 gebruikte hij Verkündigung als zijn voornaamste inspiratiebron en in alle vier de delen citeert hij er rijkelijk uit.

Het  tweede strijkkwartet is iets lichtvoetiger. De eerste twee delen zijn behoorlijk vrolijk en dansant, het vierde met zijn Oosteuropees-Joodse thema’s doet mij sterk aan Sjostakovitsj denken. Niet echt vernieuwend, maar buitengewoon leuk en inspirerend.

Er bestaat nog een derde strijkkwartet, geschreven in 1947. Die kwam ik alleen op YouTube tegen:

Ooit schreef ik dat Braunfels’ muziek twee keer is gestorven. De eerste keer toen zijn composities door de Nazi’s ‘entartet’(gedegenereerd) werden verklaard. En de tweede keer toen de naoorlogse muziekpausen alles wat tonaal was en naar romantiek riekte als ‘bedorven’ bestempelden. Inmiddels zijn we een paar jaar verder, hun esthetiek (of eigenlijk het gebrek er aan) is al lang in de stoffige archieven opgeborgen en Braunfels is niet zo onbekend meer. Dat hoop ik althans want echt uitgevoerd wordt hij nog maar zelden.

Gelukkig bestaan er nog labels zoals Capriccio, CPO en Oehms die ons met de o zo gruwelijk minder bekende of simpelweg vergeten schatten kennis laten maken.


String Quartets no 1 & 2
Auryn Quartet
CPO 999406-2 

Fagot en harp: een gouden combi of…?

Laat ik maar meteen een ding zeggen: aan de musici ligt het niet. Zowel de Israëlische harpiste Rachel Talitman als de Grieks-Cypriotische fagottist Mavroudes Troullos zijn meer dan voortreffelijk. Echte vakmensen, virtuoos en inspirerend. Maar de muziek….

Laat ik het anders zeggen: ooit hadden we zoiets als huismuziek. Iets wat inmiddels vervangen is door house music (nomen omen?). Of zoiets. Niemand die nog luistert, het gaat om de alles verhullende herrie. Maar, als ik goed nadenk, is er eigenlijk iets veranderd, behalve de decibellen? Hebben de mensen van toen daadwerkelijk geluisterd? Ik weet het niet, ik was toen nog niet geboren.

Van de overleveringen en verhalen weet ik dat er ene Chopin was geweest die zijn pianostukjes ten gehore bracht. Er waren ook zangers die een mopje van Bellini zongen. Ik neem aan dat ook harp toen uitgebreid in the picture was. Maar van fagot weet ik niets. Mooi instrument, dat wel, maar wanneer hoor je die in de hoofdrol?

Een paar weken geleden werd er een cd ten doop gehouden met zes sonates voor harp en fagot van ene Luigi Concone. Niet alleen is de combinatie bijzonder, de componist zelf is het ook. Wat weten we van hem? Weinig, bitter weinig.

Hij werd ergens in de eerste helft van de negentiende eeuw in Turijn werd geboren, maar het gros van zijn leven woonde hij in Parijs. Daar werd ook het grootste deel van zijn composities bij de uitgever Richault gepubliceerd. Tijdje later deed ook de beroemde Italiaanse uitgevershuis Ricordi er ook aan mee. Rond 1900 werden zijn 30 ‘Progressieve Studies’ op. 26 in Parijs door Costallat uitgegeven.

Hebben we iets gemist? Dat denk ik niet. Ik weet het, ik weet het, het hoeft niet altijd kaviaar te zijn, maar soms denk ik: laat maar. Maar van de andere kant: ook de middelmaat hebben we nodig, alleen dan kunnen we de grootsheid waarderen. Bovendien, als het zo sprankelend wordt uitgevoerd dan moeten we de musici dankbaar zijn dat ze iets voor ons hebben gevonden waar niemand nog iets van wist. En dat is heel erg veel waard.

Luigi Concone: Zes Preludes gevolgd door Zes Progressieve Sonates op. 2
Rachel Talitman (harp), Mavroudes Troullos (fagot)
Harp & Co CD5050-47

A fraternizing passion for music

Take an Israeli, a Frenchman and an Iranian born in Austria, put all them together on a stage in Aix-en-Provence with the scores of the Russian and Czech masters in front of them. They then record it live and the result is just about the best CD of the year 2019.


The Tchaikovsky and Dvorák piano trios recorded on 5 April 2018 are of course ‘gefundenes fressen’ for a lover of chamber music. After all, the opening bars of Tchaikovsky’s opus 50 alone will surely stay in your mind.

Whether this performance is better than that of the Beaux Arts Trio or the trio of Perlman/Ashkenazy/Harrell (to name but two)? No, I do not think so. But it is definitely more exciting. I don’t want to put the word refreshing in my mouth, but of course it is. What you hear here is the unpolished sound of a real live performance. You can hear the passion.


The three protagonists, Laham Shani (piano), Renaud Capuçon (violin) and Kian Soltani (cello) not only know how to bring to life the sad stories behind the notes, but they also make them more tangible. Intense. No, these performances will not leave you unmoved.

If the supporters of BDS (Boycott, Divestment, Sanctions) had their way, this CD would never have been recorded. The reason is simple: Lahav Shani, in everyday life chief conductor of the Rotterdam Philharmonic Orchestra and also a gifted pianist, is an Israeli. And those well-meaning pseudo do-gooders of course want none of that. Fortunately, there is still such a thing as music, where all people can actually become ‘brothers’ and where playing together is elevated to the highest level..



Tchaikovsky: Piano Trio in A, op. 50
Dvorák: Piano Trio No. 3 in F, op. 65
Lahav Shani (piano), Renaud Capuçon (violin), Kian Soltani (cello)
Warner 0190295525415

The Hague String Trio puts female composers in the spotlight. And in a most delightful way!

How many female composers do you know? Clara Schumann, Fanny Mendelssohn… and then? We have to  jump more than a hundred years to finally come across Bacewicz, Gubaidulina and Ustvolskaya. And because it has recently become quite a hip subject, Hanriette Bosmans has also been rediscovered.

© Sarah Wijzenbeek | The Hague String Trio


The Hague String Trio, an ensemble that had previously more than pleasantly surprised me with a plea for (mostly forgotten) works by ‘Entartete componisten’, has now recorded a CD that puts female composers at the center. Kudos to them! On their CD, titled Celebrating Women, they have recorded previously unrecorded string trios by female composers from the second half of the nineteenth and the first half of the twentieth century. All four composers are as different as can be. Not only do they come from four different countries (and three continents), but their cultural and social backgrounds could not be more diverse.



‘Not recorded before’ is a euphemism because actually none of the composers recorded are (well) known.

Dame Ethel Smyth

The only exception (I hope?) is Dame Ethel Smyth (1858-1944), whose name we still come across here and there. But the remaining three? Miriam Hyde? Emmy Frensel Wegener? Irene Britton Smith? Who were they?

Bertha Frensel Wegener-Koopman


Bertha Frensel Wegener-Koopman (1874 – 1953) was born in Bloemendaal. She studied piano and composition at the Amsterdam Conservatory. She often performed, as a pianist, until her marriage with John Frensel Wegener. But she continued to compose. Songs in particular, which were performed by Julia Culp and Jo Vincent, among others. Her Suite for violin, alto and cello from 1925 is wonderfully light-hearted and cheerful. Something that makes you happy. But don’t forget the serious undertone in the Andante. Something that really gives the composition more cachet.

Miriam Hyde


Australian Miriam Hyde (1913 -2005) was not only a composer, but also a pianist, music teacher and poet. She composed more than 150 works for various instruments (mainly piano) and orchestra, 50 songs, and she performed as a concert pianist with the greatest conductors of the time. She also published several books of poetry. Her string trio from 1932 is very melodious and at times very exciting. High-flyer? Not really, but wonderful to listen to.

Irene Britton Smith



And then we come to Irene Britton Smith (1907-1999). For me, she is a real discovery. This student of Nadia Boulanger and others was not only a composer, she was also a teacher. Britton Smith came from Chicago and had Afro-American, Crow and Cherokee roots.

About Irene Briton Smith



Miriam Hyde, Emmy Frensel-Wegener, Ethel Smyth and Irene Britton-Smith could not have wished for better ambassadors of their music than The Hague String Trio.
I so hope that this CD will be emulated and that female composers will be performed and recorded more often. Many of their compositions are real gems that do not deserve to be forgotten.


Der Luiten Lusthof. Israel Golani: In the Garden of Polyphony.

(Titel vrij naar Jacob van Eycks Der Fluyten Lusthof.)

Tekst: Neil van der Linden

Er zijn een paar perioden uit de geschiedenis van muziek waarvan iedereen weet dat die van cruciaal belang zijn geweest voor de evolutie van de muziek, maar waarvan de muziek zelf in de vergetelheid is geraakt. Bijvoorbeeld de Mannheimer school, met Johann Stamitz en volgelingen. Waar zou Haydn zijn geweest zonder hen, zou er een Haydn zijn geweest?

Verder de tweede helft van de zeventiende eeuw meteen na Monteverdi, de ‘tussenjaren’ van de barok.  En zo ook de periode waarover deze CD gaat, de overgang van Renaissance naar Barok, tweede helft zestiende eeuw. We kennen een paar componisten: Lassus, Victoria, Palestrina, Byrd, Sweelinck, en misschien Caccini en Peri. Maar in werkelijkheid golfde er een stortvloed van nieuwe muziek over Europa. Vanwege de opkomst van de burgerij en de afnemende macht van de adel werd de muziekbeoefening tegelijk breder en kleinschaliger, ze werd ‘gedemocratiseerd’.

De uitvoeringspraktijk verplaatste zich naar kleinschalige concerten, soms door slechts één instrumentalist, en burgers hadden geld en tijd om zich als amateur-muziekbeoefenaar te bekwamen. De luit en de gitaar waren daarbij ideaal vertolkingsmiddelen, want gemakkelijk mee te nemen en veel goedkoper dan klavecimbels, en nodigden toch uit om meerstemmige muziek te spelen, in tegenstelling tot strijk- en blaasinstrumenten. Er ontstond daardoor ook een enorme vraag naar speelbaar materiaal: nieuw geschreven muziek en bewerkingen van bestaande muziek.

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst en nieuwe drukprocédés voor muziek was ook de beschikbaarheid van bladmuziek ‘gedemocratiseerd’. De Parijzenaar Pierre Attaingnant (ca. 1494-1552) ontwikkelde een methode om de notaties in één drukgang te printen en verkreeg daarmee ongeveer het monopolie op muziekdrukken in Frankrijk. Vandaar dat sommige componisten uitweken naar Pierre Phalèse (ca.1510-1573) in Leuven. Op deze CD put de Nederlands-Israëlische luitist en gitarist Israel Golani onder meer uit hun beider baanbrekende uitgaven.

Tussen 1529 en 1578 werden aldus in Parijs, Leuven en later ook Lyon zo’n 44 luitboeken uitgegeven. Ze bevatten bewerkingen van chansons, dansstukken en werken waarin de componist meer academisch zijn gang kon gaan, vaak genaamd fantasieën.

Titel pagina Phalèse ‘Des chansons reduictz en tabulature de lut a deux, trois et quatre parties’, uitgegeven bij Phalèse, Leuven 1547

De chansons zijn bewerkingen van meerstemmige chansons uit de Frans-Vlaamse Renaissance-scholen en zijn vaak melancholisch van toon, met titels als ‘Pleurez mes yeux’ (Albert de Rippe), het openingsstuk van de CD, dat aan het eind in een versie van Guillaume Morlaye terugkeert, en verder ‘Il ne se trouve en amytié’ (Simon Gorlier), ‘De trop penser’ (Jean-Paul Paladin) en ‘Est il douleur cruelle’ (Morlaye). De ‘dansen’ (vermoedelijk net zomin als de dansen in Bachs cellosuiten bedoeld om daadwerkelijk op te dansen) zijn vrolijker van karakter. Net als Sweelincks gelijknamige stukken zijn de fantasieën bedoeld om te experimenteren met theoretisch vernuft.

Al deze muziek was hoogstwaarschijnlijk vooral bedoeld voor concerten binnen kleine kring of zelfs om in je eentje te spelen, stelt een artikel in het prachtig verzorgde tekstboekje. Denk aan de luitspeelsters, altijd zo te zien uit de gegoede burgerij, op schilderijen van Vermeer en Van Mieris, ook al dateren die van een eeuw later.

We mogen deze gegoede burgers in elk geval complimenteren met hun goede smaak. Het is allemaal ragfijne subtiele muziek, vernieuwend tot op de millimeter. Maar doordat de muziek relatief kleinschalig is, én technisch veeleisend, én omdat de luit niet een erg luid instrument is om mee te imponeren en de gitaar als gevolg van de opkomst van klavierinstrumenten, is deze muziek toch in de vergetelheid geraakt.

Sommige componisten op de CD zijn nog steeds bekend van hun vocale muziek: Janequin, Crecquillon en Sermisy. Maar namen als Morlaye, Gorlier en Paladin vinden we alleen nog maar op CDs van collega-luitisten.

Golani had al eerder een CD opgenomen met 17e-eeuwse Franse gitaarmuziek. Vier jaar geleden echter stuitte hij op een werk van voornoemde Albert de Rippe, een in Frankrijk populaire vroeg 16e-eeuwse luit-virtuoos van Italiaanse komaf. Het was een arrangement van het anonieme Franse vierstemmige chanson “Un jour le temps”, ook te vinden op deze CD.  

Hij raakte geïntrigeerd door de bijzondere harmonische progressies, ongebruikelijke dissonanten en de eisen die worden gespeeld aan speeltechniek in deze muziek. En door het feit dat de muziek bij de juiste aanpak zo mooi laat horen dat ze van de zangkunst afstamt. Golani bestudeerde dan ook de gezongen originelen van de chansons. In het boekje bij de CD staat een aantal teksten van de oorspronkelijke vocale versies afgedrukt.

Sommige stukken worden nu al onspeelbaar beschouwd vanwege de razend moeilijke vingerzettingen. En toch moeten zelfs goede amateurs dit repertoire indertijd hebben kunnen spelen. Het kan zijn dat de instrumenten toen iets anders waren gebouwd, stelt Golani. Of dat je de snaren op andere manieren moet afdempen dan tegenwoordig gebruikelijk is. Ik kan me bovendien voorstellen dat het is zoals met de Sequenza’s van Berio: die zijn vaak als ‘bijna onspeelbaar’ gecomponeerd, maar sommige uitvoerders van het eerste uur vertellen dat hun studenten nu veelal kunnen spelen waar hun docenten nog moesten smokkelen met noten. Golani haalt een vergelijking aan met de scene waarin Umma Thurmans personage in Quentin Tarentino’s ‘Kill Bill’, na verlamd te zijn geraakt, door wilskracht en concentratie voor het eerst een teen leert te bewegen.

In zijn tekst bij de CD vermeldt Golani nog een parallel tussen deze muziek en recente popcultuur, namelijk tussen de muziek van Guillaume Morlaye en een kenmerk van verschillende songs van zijn jeugdhelden het ‘progressive pop’ duo Eurythmics (Dave Stewart en Annie Lennox), namelijk het veelvuldig gebruik van de myxolodische toonreeks met zijn kenmerkende wisselingen tussen majeur en mineur. Golani schrijft toen al aangetrokken te zijn door de ambivalente die dat genereert, een ambivalentie die we terugvinden in Annie Lennox’ uiterlijk. (Over dat van Morlaye en überhaupt zijn leven weten we helaas niets tot vrijwel niets.)

Graindelavoix met een chanson van Guillaume Morlaye:

Israel Golani met een ‘Gaillarde’ van Morlaye

https://www.voordekunst.nl/projecten/12551-in-the-garden-of-polyphony

www.israelgolani.com

Israel Golani: In the Garden of Polyphony
Solairerecords 1010

Korngold and time

“Die Zeit, die ist ein sonderbar Ding […] sie ist um uns herum, sie ist auch in uns drinnen. (Hugo of Hoffmanstal)

Yes, time is really something special, it goes by whether you want it to or not, and resigning yourself to it is an art in itself. But sometimes time returns, often too late and usually in a dream. Or as a memory.


Think of Erich Wolfgang Korngold, a child prodigy who at the age of 20 was already world-famous and established as a composer. In 1934, he left for Hollywood to compose music for A Midsummer Night’s Dream. The film was a huge success and the management of Warner Bros. offered Korngold a really fantastic contract. Who thought at the time that it would save his life?

Korngold with his wife and children



In early 1938, he received a telegram asking if he could be back in Hollywood in ten days. Korngold considered it an omen: on the very last ship, on 29 January of that year, he left his beloved Vienna. And Europe.


(Original Caption) Erich Wolfgang Korngold, his son and his wife, pictured as they arrived in New York City, aboard the S.S. Normandie.


He was doing well in America and was very successful there, but he did not feel at home. His heart and soul remained in Vienna. In 1949 he travelled back to the city of his dreams, but nobody there knew him anymore. Forgotten. In just over ten years, he had become a nobody. Disillusioned, he returned to Hollywood, where he literally died of a broken heart seven years later.



Until the 1980s, he went from being a celebrated composer of countless operas, songs, concertos, symphonies, quartets and whatnot to a reviled ‘film composer’ of kitsch music.

Time… And suddenly people found out – or remembered – what a great composer he had been. Korngold was rediscovered. Today, his violin concerto is one of the most played (and recorded) violin concertos and his operas are on the bill in every opera house in the world. Rightly so, but too late for him.



Time… Just look at his string quartets. Korngold composed his second string quartet in 1933, when nothing was supposedly happening as yet, although you could already hear (and not even very far away) lightning and thunder and there were already some signs on the wall.

Korngold wrote his third string quartet twelve years later. Not only did a lot of time pass between the second and third string quartets, but a lot of things had also happened. Well, a few things…… Fascism, anti-Semitism, Kristallnacht, Anschluss, pogroms, the Second World War and the Shoah.

Time…. The second string quartet still has the schwung of the old Viennese tradition. A bit like a ‘Mozart-kugel’, or a ‘Sachertarte’. Delicious and irresistible. What a difference with the third! Korngold composed it in 1945 and you feel nostalgia and bitterness. And resignation.

Alma String Quartet



We have long known that the Alma Quartet has a great affinity with ‘Entartete composers’. Their recording of the quartets by Schulhoff is simply the best I have ever heard.

\



And now there is Korngold. Just as I expected: fascinating, breathtaking and speaking to your heart and soul. Virtuoso, perfect and emotional. Phenomenal, in other words. That is how I prefer to hear my Korngold.

But there is more to it. Again; time… The Almas recorded the string quartets ‘direct-to-disc’. Live and without edits. No modifications: directly onto the record (CD).


In the announcement: “Because in this old recording technique, there is no digital track between the microphone and the record, there can be no editing. What you get is studio quality, but the sensation of a live performance. To reinforce that feeling, the quartet decided to play two pieces by Erich Wolfgang Korngold in concert attire”.

The first quartet is still to come: I can hardly wait!


Erich Wolfgang Korngold
String Quartet No. 2 in E-flat, op. 26 – No. 3 in D, op. 34
Alma Quartet: Marc Daniël van Biemen, Benjamin Peled, Jeroen Woudstra, Clément Peigné
Challenge Classics CC72869



Live performance on NPO Radio 4 ‘Podium’ at Hilversum Mediapark on November 25th, 2021