kamermuziek/solorecitals

Weergaloze Schubert door het Storioni Trio

Schubert Storioni

Kent u dit verschijnsel ook? U bent zo stapelgek op een muziekstuk geworden dat u maandenlang niets anders draait. Uw LP’s moet u een paar keer vervangen want van dat alsmaar draaien komen er krassen op. Het komt gelukkig allemaal goed want het werk wordt ook op cd uitgebracht en ….. en opeens krijgt u er genoeg van.

U stopt het in de kast en vergeet het. Tot u er onverwachts weer mee geconfronteerd wordt en denkt iets nieuws ontdekt te hebben. De muziek blijft weliswaar hetzelfde maar de uitvoering is dat niet, het kan dus ook aan de plotselinge ‘twist’ liggen dat je zo blij verrast wordt. En dan komt het gevoel van weleer terug. Het gevoel van gelukzaligheid, van hopeloze eenzaamheid, van tomeloze vreugde en hemelse schoonheid.

Dit overkwam mij toen ik de cd van het Storioni Trio, met pianotrio’s van Schubert, ging beluisteren. “We doen als trio een poging om één lichaam te vormen, met één hartslag en één ademritme”, zei Wouter Vossen ooit, naar wiens viool het ensemble is vernoemd.

Dat het ze gelukt is, daar is die prachtige cd uit 2007 het klinkende bewijs van. Het energieke begin van op.99 verandert in hun handen in een opgewekte wandeling door het bos, die in het tweede deel in een dromerig zeelandschap eindigt. De cello speelt er de rol van een ruisende zee, waarop een bootje (piano) dobbert, aangedreven door een briesje (viool).

Als één man lopen ze in de Allegro van op.100 hun onheil tegemoet in de Andante, om in het laatste deel een glaasje prosecco te heffen op het geslaagde avontuur. Daar doe ik aan mee, proost jongens en: bedankt!


Franz Schubert
Piano Trio No.1 in B flat, op. 99, D.898
Piano Trio No.2 in E flat, op. 100, D.929
Storioni Trio:
Bart van de Roer – piano
Wouter Vossen – viool (Laurentius Storioni, Cremona 1794)
Marc Vossen – cello (Giovanni Grancino, Milaan 1700)
PentaTone classics PTC 5186 050

 

DANIEL BARENBOIM: The First Steps To Glory

Barenboim first steps

Toen ik in 1968 het communistische paradijs achter mij liet kwam ik in een walhalla terecht waarvan ik de verleidingen amper kon weerstaan. Zo heb ik mijn studiebeurs de eerste dag al in een muziekwinkel aan LP’s uitgegeven. Daartussen zaten ook de complete pianosonates van Beethoven, gespeeld door Daniel Barenboim.

De platen heb ik niet meer, ik weet dus niet of het om dezelfde opnamen uit 1959 gaat als die ik nu aan het beluisteren ben, maar dat denk ik niet. In 1959 was Barenboim slechts 17 jaar oud en ik betwijfel of hij toen al in het bezit was van een platencontract.

Wat het meeste opvalt in zijn spel is het jeugdige elan en een soort vanzelfsprekendheid die alleen maar zeer jonge genieën bij zich dragen. In zijn interpretaties valt nergens een twijfel te bespeuren en zijn aanslag is groots.

Ongewild moet ik aan de eerste opnamen van Pogorelic denken, ook Barenboim zoekt de grenzen op, alleen overschrijdt hij ze nergens. Al zijn zijn tempi soms duizelingwekkend zoals in het Rondo Allegro in ‘Patetique’. Over pathetisch gesproken! Maar ook de ‘Apassionata’ doet bij Barenboim zijn naam eer aan. Zelden hoor je de sonate zo meeslepend gespeeld, roekeloos bijna.


Nog interessanter is de vierde cd met van alles en nog wat, beginnend met J.Ch.Bach en eindigend met Sjostakovitsj, waarbij de pianosonatine van Dmitri Kabalevsky een nog grotere rariteit is dan de twee kleine niemendalletjes van Pergolesi. Het mijmerende tweede deel, Andantino had zo uit de pen van Satie kunnen komen maar vergis je niet: met de presto belanden we in een (een beetje dan) ‘Prokofjeff-land’.

Deze cd is in 1955 opgenomen wat betekent dat het kind Barenboim toen nog geen dertien jaar oud was. Waanzinnig.

Het is echt jammer dat het tekstboekje amper tekst bevat, er staat niet eens bij waar de opnamen plaatsvonden en en waar ze al eerder werden uitgebracht.

Barenboim speelt de sonate van J.Ch.Bach:

Beethoven: Piano Sonatas Nos. 8, 14, 21, 23, 29, 32
JC Bach: Piano Sonata in B flat major op. 17 No. 6
Pergolesi: Piano Sonatas in B flat major & in G major
Mozart: Variations KV 265
Mendelssohn: Capriccio in F sharp minor op. 5
Brahms: Intermezzo in C major op. 119 No. 3
Kabalevsky: Sonatine for Piano op. 13 No. 1
Shostakovich: Preludes Op. 34 No. 2
Profil PH18038

Belcea Quartet en Piotr Anderszewski nemen hun eerste Sjostakovitsj op

 

belceakwartet-ronaldknapp-190215_072-1280x608-

Belcea Quartet © Ronald Knapp

Het was een jaar of achttien geleden, denk ik, dat ik voor het eerst kennis maakte met het toen nog zeer jonge Belcea Quartet. Ze hadden toen hun debuut in de Rising Stars-serie in de Kleine Zaal van het Concertgebouw gemaakt, op het programma stonden strijkkwartetten van Schubert en Thomas Adès. Ik kreeg toen ook de gelegenheid om met (de leden van) het kwartet uitgebreid te spreken.

Om elf uur ’s ochtends belde ik aan bij hotel Verdi in Amsterdam, waar het kwartet logeerde. De bedoeling was om samen met Corina Belcea en Krzysztof Chorzelski een hapje te gaan eten. En te praten, natuurlijk. Helaas, Corina was ziek geworden dus stelden zij voor om dan maar in de ontbijtzaal van het hotel te blijven.

Corina, fragiel en meisjesachtig, hevig hoestend, ziet er zo meelijwekkend uit, dat ik me afvraag hoe ze die avond nog kan spelen. En toch voert ze het gesprek, zoals ze ook het kwartet leidt – zeer kordaat en zelfverzekerd.

Belcea werd in 1975 in Roemenië geboren. Zij won een paar vioolconcoursen, o.a. die van Yehudi Menuhin, wat haar een studiebeurs voor de gelijknamige muziekschool in Londen had opgeleverd.

Waarom koos ze voor het kwartetspelen, en niet voor een solocarrière?
“In het Yehudi Menuhin muziekschool waar ik in 1991 begon te studeren was kamermuziek het belangrijkste punt op de agenda. Iedereen deed het, dus ik ook. En ik vond het fantastisch.”

“Toen ik in 1994 aan mijn opleiding aan het Royal College begon, besloot ik om samen met nog drie vrienden uit mijn schooltijd een strijkkwartet te beginnen. Na anderhalf jaar, exact een week voor een belangrijke competitie, is onze altviolist afgehaakt, had er geen zin meer in. Toen heb ik Krzysztof, die mijn beste vriend was gevraagd of hij die uitdaging aandurfde. Hij was toen een violist en had nog nooit een noot op de altviool gespeeld”

Duurde het lang om altviool te leren bespelen?
Chorzelski, lachend: ”Ik leer nog steeds!”

Op hun repertoire hebben ze veel moderne muziek staan. Niet dat ze zich daarin gaan specialiseren, maar op een concert willen ze tenminste één kwartet uit de twintigste eeuw spelen. En ze bestellen nieuwe werken, één per seizoen, die ze dan ook daadwerkelijk uitvoeren. Zo hebben ze in hun zesjarig bestaan vijf speciaal voor hun geschreven composities uitgevoerd, waaronder ook Two movements for String Quartet van Simenon ten Holt, die ze prachtig vinden. Zeer expressief.

En het kwartet van Thomas Adès, die ze later die avond zullen spelen?
“O, maar die is al tien jaar oud! Adès was toen nog maar 22 maar het werk is werkelijk ongekend goed en zo ontzettend mooi. Wij beschouwen het als één van de grootste werken uit het modern repertoire.”

“De componist zelf is ook een bijzonder iemand, zeer inspirerend. Een paar keer hebben we met hem gespeeld, en een tijdje terug hebben we samen het Pianokwintet van Schubert opgenomen (Warner ”.

Hun repertoire kiezen ze altijd gezamenlijk, ‘democratisch’.
“Wij zijn het bijna altijd met elkaar eens. Bovendien kunnen we iets, wat we niet mooi vinden, toch niet spelen”.

Waar houden ze het meest van?
“Schubert. Beethoven. Mozart. En Janaček.”

En Sjostakovitsj?
“Hmmm…  Laten we zeggen dat we er nog niet aan toe zijn”

Belcea Shostakovich

Het duurde een paar jaar maar inmiddels is ook Sjostakovitsj een goede bekende voor de Belcea’s geworden. In de voorgaande paar jaar hebben ze zowat al zijn strijkkwartetten live gespeeld maar zetten zijn werk nooit eerder op cd. En nu is het zo ver!

 

Voor de Belgische Alpha hebben ze het derde strijkkwartet en, versterkt door de Poolse pianist Piotr Anderszewski het pianokwintet opgenomen en het resultaat is zonder meer uitstekend maar met een paar kanttekeningen.

Het pianokwintet dateert uit 1940. De première, door het Beethoven Kwartet met componist zelf aan de vleugel werd door iedereen zeer enthousiast begroet. Het leverde Sjostakovitsj de Stalinprijs op, plus een aanzienlijk geldbedrag.

Hoe anders verliep het met het derde strijkkwartet! Ook hier werd de première door het Beethoven Kwartet verzorgd, in 1946. Het werk werd aanvankelijk door het Sovjetregime gecensureerd. De critici vonden de noot waarmee het stuk eindigt ‘dubbelzinnig’ en men heeft Sjostakovitsj er zelfs van beschuldigd dat hij er gecodeerde berichten tegen Stalin in had verstopt!

Shostakovich String Quartet no.3

De uitvoering door het Belcea Quartet is milder dan ik gewend ben. Het is niet zo dat de angel er uit is want het wrange is nog steeds prominent aanwezig. Maar nu kun je het een paar keer achter elkaar draaien zonder dat je oren er moe van worden. Bij wijze van spreken dan.

Ook het kwintet, toch één van de ‘zonnigste’ composities van Sjostakovitsj klinkt nog aangenamer dan doorgaans in mijn oren. Ontzettend mooi, dat wel, maar wat ik een beetje mis is de – bij Sjostakovitsj altijd aanwezige – ondertoon die het voor de luisteraar minder aangenaam maakt.

Peanuts eigenlijk. De vier strijkers en de pianist voelen elkaar goed aan waardoor het tot een prachtig, homogeen geheel wordt gesmeed. Zonder meer een aanwinst!


Mahler/Schönberg/Riehn: Das Lied von der Erde

Mahler das lies schonberg supraphon

In 1921 is Arnold Schönberg aan een kamermuziekversie van Das Lied von der Erde van Gustav Mahler begonnen. Hij reduceerde het orkest tot een tiental blazers en strijkers, aangevuld met piano, harmonium en percussie. Het tot zowat het skelet gestripte – wel mét eerbied voor alle noten! – werk is echter onvoltooid gebleven en pas in 1983 werd de bewerking door Rainer Riehn voltooid.

Ooit waren zulke bewerkingen nuttig en welkom, nu .. Ach.. ik vind het leuk om naar te luisteren. Mits de uitvoering goed is en hier heb ik toch mijn bedenkingen.

De musici zijn uitstekend. Het geheel klinkt mooi transparant en de dirigent Petr Altrichter houdt de touwtjes goed strak.Helaas zijn de solisten niet echt geweldig.

Richard Samek is een lichte lyrico die – vooralsnog – Alfredo tot zijn zwaarste rollen mag rekenen. Tegen Mahler, ook in een kleine bezetting is hij niet opgewassen en in ‘Das Trinklied von Jammer der Erde’ verzuipt hij in de noten. Het klinkt gewoon lelijk.

Dagmar Pecková was ooit een pracht van een mezzo, zij zingt dan ook met veel tekstbegrip, maar haar ruime vibrato is inmiddels behoorlijk storend geworden. Jammer.


Nee, als u toch voor de kamermuziek-versie opteert kies dan voor Philippe Herreweghe met Brigitte Remmert en Hans Peter Blochwitz (Harmonia Mundi 1951477)


GUSTAV MAHLER
Das Lied von der Erde
Dagmar Pecková (mezzo-soprano), Richard Samek (tenor)
Schoenberg Chamber Orchestra olv Petr Altrichter
Supraphon SU 4242-2

JOSEPH ACHRON. Muziek om verliefd op te worden

 

Achron in Petersburg

Joseph Achron in St. Petersburg.  © Courtesy of the Departement of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection

Arnold Schoenberg was er van overtuigd dat Joseph Achron de meest onderschatte onder de hedendaagse componisten was. Schönberg roemde zijn originaliteit, hij was er dan ook zeker van dat Achrons muziek een absolute eeuwigheidswaarde had. Toch is Joseph Achron niet echt beroemd geworden.

Achron Hebrew melody

De doorgewinterde vioolliefhebber kent ongetwijfeld  zijn ‘Hebrew Melody’,  een zeer geliefde toegift uit het repertoire van menig violist, te beginnen met Heifetz.

Het werk is geïnspireerd op een thema die Achron ooit in een synagoge in Warschau hoorde toen hij nog maar een kleine jongen was. Hij schreef het in 1911, het was één van zijn eerste composities en tevens zijn ‘kleur – bekennen’: Achron werd lid van de Vereniging voor de Joodse Muziek.

 

Achroon kind

Joseph Achron als kind in Warschau

Maar laten wij bij het begin beginnen.  Joseph Achron werd geboren in 1886 in het Russisch Imperium en stierf zevenenvijftig jaar later in Los Angeles. Zijn moeder was een verdienstelijke zangeres en zijn vader voorzanger die ook viool speelde. Van hem kreeg Joseph zijn eerste vioollessen maar spoedig werd zijn vader vervangen door echte leraren. Op zijn achtste trad hij voor het eerst op en op zijn achttiende had hij al enkele composities op zij naam staan.

Zijn loopbaan als componist begon echter pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw. In St. Petersburg sloot Achron zich aan bij de componisten die verenigd waren in de ‘Nieuwe Joodse School’. Een paar jaar later verhuisde hij naar Berlijn waar hij kennis maakte met de werken van de Franse impressionisten. Én met de Tweede Weense School.

In 1924 maakte hij reis van enkele maanden naar Palestina waar hij niet alleen optrad maar ook alle volksmuziek verzamelde die hij tegenkwam. De aantekeningen die hij toen maakte werden later in zijn composities gebruikt: zo zijn in zijn vioolconcert op. 30 enkele Jemenitische thema’s te bespeuren.

In 1925 vestigde hij zich in New York, waar hij kennis maakte met het Yiddisch Theater en waar hij  toneelmuziek voor verschillende producties componeerde. Onder ander voor Stempenyu, toneelstuk van Sholem Alejchem over een Joodse violist.

Stempenyu-Suite, hier gespeeld door Karen Bentley Pollick en Jascha Nemtsov:

 

In de jaren dertig verhuisde hij naar Hollywood waar hij in 1943 overleed.

Achron metKlemperer

Joseph Achron with Otto Klemperer (right). Klemperer conducted the premiers of Achron’s second and third violin concertos with the Los Angeles Philharmonic. © Courtesy of the Departement of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection

De muziek van Achron wacht nog steeds op haar revival al zijn er al ettelijke pogingen gedaan om haar aan de vergetelheid te onttrekken. Zo zijn er eind jaren negentig van de vorige eeuw twee cd’s uitgebracht met zijn compositie voor viool en piano. Hoe verschillend ook de interpretaties, beide zijn de moeite waard, al was het alleen maar vanwege de buitengewone kans om zijn composities te leren kennen. En waarderen.

 

Achron Miriam Kramer ASV

Op het label ASV horen wij Miriam Kramer, een jonge Engelse violiste, ooit uitgeroepen tot de ‘United Kingdom’s Performer of the Year’.  Haar cd begint met een ietwat aarzelende vertolking van de ‘Première Suite en Style Ancien’ uit 1906 (het betreft de wereldpremière), maar bij de vioolsonate op.29 wordt haar toon vaster en in ‘Children’s Suite’ kunnen wij al ongestoord genieten. Haar pianist, de Nederlander Simon Over, begeleidt haar uitstekend, en dat ik niet helemaal enthousiast kan worden ligt niet zozeer aan haar, als aan Hagai Shaham, de solist op de tweede cd (Joseph Achron: Music for Violin & Piano; Miriam Kramer, Simon Over; ASV CD QS 6235)

 

Achron Shaham Biddulph

Hagai Shaham (geen familie van Gil) is een Israëliër en stamt uit de school van de befaamde pedagoge, Ilona Feher. Zijn toon is warm en donker, hij speelt met bravoure en souplesse en – waar nodig – met een gezonde dosis schmalz. Het is schaamteloos genieten geblazen, van het begin tot het eind. Als je hier niet verliefd op wordt dan weet ik het niet..

De (vaste) begeleider van Shaham heet Arnon Erez en komt eveneens uit Israël. Het tekstboekje is tweetalig: Engels en Jiddisch (Stempenyu. The violin music of Joseph Achron; Hagai Shaham, Arnon Erez; Biddulph LAW 021)

Achron Shaham Hyperion

Vijftien jaar na hun Biddulph-opname hebben Hagai Shaham en Arnon Erez zich nog een keer over de muziek van Achron ontfermd. In 2012 hebben ze voor Hyperion Complete Suites voor viool en piano opgenomen, waaronder ook het Stempeny-Suite en uiteraard de Hebrew Melody  (Hyperion CDA67841)

 

 

Marie Elisabeth Hecker speelt Elgar

Elgar cello

Degene die verantwoordelijk is voor de hoesfoto zou eigenlijk voor de rechtbank gesleept moeten worden. Niet alleen vanwege het ‘plagiaat’ (de celliste Marie-Elisabeth Hecker is gestileerd naar de beroemde foto van Jacqueline du Pré), maar ook – of misschien voornamelijk – vanwege de schade die hij daarmee de celliste berokkent.

Want of ze het wil of niet ze wordt onmiddellijk aan de vergelijkings-tafel naast haar grote voorgangsters gelegd en probeer daar uit te ontsnappen! Tegen iconen valt niet te vechten en dat, terwijl Hecker genoeg heeft te vertellen! Of ze minder, beter of net zo goed speelt dan du Pré laat ik in het midden, het doet er niet toe, het is gewoon anders.

De klank van haar cello is wellicht scherper en minder warm dan die van du Pré maar haar puntige vertolking is niet alleen pittig maar ook zakelijk en daar is iets voor te zeggen.

In het zeer zelden gespeelde (waarom eigenlijk?) pianokwintet is Hecker zeer in haar element.  Het in de zomer van 1918 in Sussex gecomponeerde werk is zeer dramatisch en in zijn grootsheid klinkt het zeer orkestraal.  Hierin kan de celliste, bijgestaan door en viertal voortreffelijke musici werkelijk uitblinken.

Maar de echte hoofdrol wordt hier toebedeeld aan de fenomenaal spelende pianist Martin Helmchen.


EDWARD ELGAR
Cello concerto, Piano Quintet
Marie-Elisabeth Hecker (cello); Carolin Widmann, David McCarroll (viool); Pauline Sachse (altviool); Martin Helmchen (piano)
Antwerps Symphony Orchstra olv Edo de Waart
Alpha 283

 

THE GERSHWIN MOMENT

Gershwin Gerstein

Het is zo ontzettend virtuoos wat Kirill Gerstein doet! Het swingt met de hoogste snelheid de snelkookpan uit en dat is niet altijd even fijn. Gerstein neemt zulke duizelingwekkende tempi aan dat je de muziek achter de noten niet meer kunt herkennen. En dat is echt jammer want zodra hij een beetje gas terugneemt hoor je wat voor waanzinnig goede pianist hij is.

Kirill Gerstein in ‘I Got Rhythm’ (Earl Wild)

Het beste hoor je het in de pianosolostukken want ook het Concerto in F moet onder de waanzinnige tempi behoorlijk lijden. Had de dirigent niets te vertellen? Of was iedereen er te trots op dat ze met die snelheid zonder brokken bij het goede eind konden komen?

Rhapsody in Blue wordt hier gespeeld in de originele versie voor een jazzband uit 1924, altijd een pre.

De vocale bijdrage van Storm Large in Summertime kan mij niet echt bekoren, maar misschien heb ik te veel naar Ella Fitzgerald geluisterd? Hierin toont Gerstein zich een begenadigde improvisator, al moet ik zeggen dat het voor mij iets te gepolijst is.

Alle werken op deze cd zijn – op ‘Blame it on my youth’ en ‘Summertime’ na – live in Powell Hall in St. Louis in 2017 opgenomen. Goed idee trouwens om ‘Embrecable you’ als een echte uitsmijter aan het eind te programmeren.


GEORGE GERSHWIN
Rhapsody in Blue & Concerto in F
EARL WILD, OSCAR LEVANT
Gershwin transcripties
Kirill Gerstein (piano), St.Louis Symphony Orchestra olv David Robertson
Myrios Classics MYRO22– 73’