kamermuziek/solorecitals

Chants Juifs, dertig jaar later


Toen deze cd op mijn ‘te doen’ stapel belandde, moest ik even mijn wenkbrauwen fronzen. Want: hè, hoezo nieuw? Deze cd heb ik al meer dan dertig jaar in mijn bezit? Toen het uitkwam was de opname echt iets uitzonderlijks, men werd er zich toen pas een beetje bewust van wat de fascisten en antisemieten hadden aangericht.

Dertig jaar oud dus. Maakt het uit? Ja en nee. Er zijn in die tijd meer opnamen uitgekomen met Joodse traditionele en liturgische muziek, maar de hernieuwde kennismaking met de celliste Sonia Wieder-Atherton en de pianiste Daria Hovora beviel mij zeer. Hun beider spel is emotioneel geladen, poëtisch en zeer aansprekend.

Aan de opname in 1989 is een bijzondere gebeurtenis voorafgegaan. De cineaste Chantal Akerman heeft een bijzonder document gefilmd, waar alle Joodse inwoners van Brooklyn aan mee mochten doen. Daar was de celliste ook bij betrokken en haar werd gevraagd om muziek bij de film te maken.

Aan het oorspronkelijke album zijn nu drie stukken van Ravel toegevoegd, in 2006 door het Sinfonia Varsovia olv János Fürst opgenomen en dat vind ik best jammer. De arrangementen van Maurice Delage doen afbreuk aan de poëtische en emotionele sfeer van de eerste 14 nummers. Het voelt alsof je na het nadromen wakker wordt geschud door keiharde heavy metal. Nou ja, niet echt want Delage stierf al in 1961, maar… moest het? Ook het geluid (of moet ik zeggen: de kleur?) van Athertons cello is veranderd, minder warm, afstandelijker.

De illustraties van Colette Brunschwig zijn zonder meer indrukwekkend maar ook angstaanjagend. Mijn advies: skip de laatste drie nummers en blijf dromen, daar zult u geen spijt van krijgen. Vandaar ook mijn hoge waardering.

CHANTS JUIFS
Sonia Wieder-Atherton (cello), Daria Hovora (piano)
Sinfonia Varsovia olv János Fürst
Alpha-Classics 666

Weinberg en Kremer: match made in heaven?

Gidon Kremer behoort niet tot de violisten die beroemd zijn geworden om hun zoete vioolklank, zoals Itzhak Perlman. Of Michael Rabin. Hij klinkt vaak krasserig en zijn spel is vaak feller dan fel. Het pakt niet altijd goed uit, maar in geval van Weinberg kun je je, denk ik, geen betere vertolker bedenken.

Kremer was één van de eersten die de muziek van Weinberg op de kaart heft gebracht en sindsdien is hij de grootste pleitbezorger van de componist. Aan hem danken we o.a. de onvergetelijke opname van Weinbergs kamersymfonieën en diens pianokwintet (nog niet in huis? Meteen bestellen! ECM 2538/39 4814604).

Zijn enige vioolconcert componeerde Weinberg in 1959 voor Leonid Kogan, maar de eerste uitvoering vond pas twee jaar later plaats. Kogan speelde en Rozjdestvenski dirigeerde. Er zijn maar bar weinig opnamen van het concert (die van Kogan is uit de catalogus) en ik zou hier graag een 10 voor hebben gegeven als ik de opname met Ilya Gringolts onder Jacek Kaspszyk niet kende (Warner 0825646224838). Die is net zo onstuimig, maar hij heeft meer aandacht voor het Joodse sentiment in deel twee.

Madara Pëtersone vergezelt Kremer in de uit 1960 stammende sonate voor twee violen. Het was opgedragen aan de zus van Emil Gilels. Pedersone’s vioolklank is meer dan symbiotisch met die van Kremer waardoor je op bepaald moment naar meer rust verlangt. Maar wie echt fenomenaal is, is de dirigent. Daniele Gatti snapt de muziek wel.

MIECZYSŁAW WEINBERG
Vioolconcert op. 67; Sonate voor twee violen op. 69
Gidon Kremer, Madara Petersone (viool), Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Daniele Gatti
Accentus ACC30518

Quartets of Pavel Haas by the Kocian Quartet: a must

Haas Kocian

Of all Leoš Janáček’s pupils, Pavel Haas (Brno 1899 – Auschwitz 1944) managed best to combine his teacher’s influence with his very own musical language.

Haas stil filmStill from the film ‘Der Fuehrer schenkt den Juden eine Stadt’. The man on the right is Pavel Haas, who is actually listening to his Study for Strings performed by the Ghetto Orchestra © United States Holocaust Museum
© United States Holocaust Memorial Museum, courtesy of Ivan Vojtech Fric

Haas was a big jazz fan and he also composed a lot of theatre and film music. The latter partly under the influence of his brother, a well-known film actor. His greatest love, however, was Moravian folk music.

The second string quartet, nicknamed ‘From the Monkey Mountains’, is an open declaration of love to Moravia. The music is programmatic, meaning that without using words, something (in this case the beauty of nature) is described in a narrative way.

Parts one and three are extremely melodious and agonizingly beautiful. In the second and fourth movements, a certain dissonance can be detected and they strongly remind me of Janáček’s Second String Quartet, composed three years later.

Haas originally composed the fourth movement for a jazz band, but the reviews of the premiere made him decide to change it. On these recordings, two percussionists were added to the string quartet. A masterstroke.

The third string quartet, already composed in 1938, was performed for the first time in January 1946, two years after the composer’s death.

Here is the string quartet in the version of the Pavel Haas Quartet:

The performance by the Kocian Quartet is very expressive, sparkling, and where necessary, wistful. This recording is almost twenty years old, but still unsurpassed. Not that they have much competition…….If only I could convince all chamber music lovers that they should buy this wonderful CD!

Haas stolperstein in Brno

                                                                                   Stolperstein for Pavel Haas in Brno

Pavel Haas
String quartets nrs. 1-3 (complete)
Kocian Quartet
Praga PRD 250 118

Liszt door Grosvenor: fabelachtig en virtuoos

Op zijn nieuwste, zevende opname al voor Decca heeft Benjamin Grosvenor zich over Liszt ontfermd. Dat hij niet over een nacht ijs gegaan vertelde hij openhartig in het interview dat hij gaf aan het New York Times. “I almost feel like you should know the notable recordings of a work like this” zei hij, waarbij hij doelde op de pianosonate. Zo bestudeerde hij zowat alle mogelijke uitvoeringen van het werk: Lupu, Cherkassky, Horowitz, noem maar op.

Of het ook van invloed is geweest op zijn eigen interpretatie? Ongetwijfeld. Wij, mensen, wij worden beïnvloed zelfs als we het niet merken. En toch is zijn lezing van de sonate volkomen eigen. Virtuoos, voornamelijk. Zo virtuoos dat ik in ademnood kwam door het luisteren alleen. Zijn techniek is fabelachtig. Wat ik nog meer bewonder is zijn, hoe moet ik het zeggen, acteervermogen? Acteren op de piano en spanning opbouwen met toetsen alleen tot je beschikking?

Van de andere stukken op de cd ben ik ietsjes minder gecharmeerd. Voornamelijk de drie Petrarca Sonetten uit het tweede boek van ‘Années de Pèlerinage’, die heb ik mooier en lyrischer gehoord: Arrau, Lazar Berman… Maar nog steeds niemand zich kan meten met de interpretatie van Michael Rudy. Volgens mij dan.


FRANZ  LISZT
Pianosonate in b klein, Berceuse, Années de Pèlerinage (Italie), Réminiscences de Norma, Ave Maria
Benjamin Grosvenor (piano)
Decca 4851450

String quartets by Weinberg played by the Arcadia Quartet: perfection at hand

He composed seventeen of them. Seventeen string quartets that just about mark his entire musical life. Mieczyslaw Weinberg, the composer who is finally being rescued from oblivion, albeit (too) late. And posthumously.

The best known of all his quartets is, I think, number eight. This does not surprise me because it is not only insanely emotional, but at the same time also restrained. It begins with an Adagio that you cannot escape. Very beautiful but also quite painful. The following Alegretto does not offer any solace either: it should be cheerful but it is not. Part three, Doppo piú lento is nothing but distressing. This music will not make you happy, but it gets under your skin and then never lets go. Weinberg composed it in 1959 and dedicated it to the Borodin Quartet.

Number two is an early piece; he wrote it in 1939, when he was still a conservatory student in Warsaw and he dedicated it to his mother and sister (neither of whom survived the war). He revised it in 1987. I would love to be able to compare both versions… maybe one day I will?

The Arcadia Quartet and Chandos have now embarked on a new project: they are going to record all of Weinberg’s string quartets, commendable. It is not the first time that all of Weinberg’s string quartets have been recorded though; the Danel Quartet preceded them. Something that escaped the press.

I myself don’t know this earlier recording, but I think it cannot possibly be better than this version. Because it is just perfect. The members of the string quartet, unknown to me until now, play lively and their commitment is palpable. Simply put: they play the stars from the sky.

Arcadia Quartet about Weinberg: “his music is like a glow of light surrounded by the darkness of the unknown […]. With every recording and every live performance of his music, we want to shed some light on this wide-ranging, profound phenomenon, which has been overlooked for so long, and we hope that in time Mieczyslaw Weinberg will take his rightful place in the history of music”.

I can only say ‘Amen’ to that and I just can’t wait for the sequel. Bravo Arcadians! And chapeau again to Chandos!



Mieczyslaw Weinberg
String quartets 2, 5 and 8
Arcadia Quartet
Chandos Chan 20158

Kim and Blechacz,  a mix of Polish melancholy and French elegance

blechacz kim

Polish master pianist Rafał Blechacz and Korean star violinist Bomsori Kim have recently formed a duo, at least on the stage. Their collaboration brought them to the Deutsche Grammophon studio, where they recorded a CD with Polish and French works for violin and piano.

The choice of these two countries is explained by the music of Frédéric Chopin, whose Nocturne No.20 in C minor, arranged by Nathan Milstein, is on the CD. Chopin, who lived half of his short life in France, symbolises – at least according to the compilers – the perfect symbiosis of Polish melancholy and French elegance. But whether this also applies to the other composers on the CD?

Oh well, it’s not really important since the music is so beautiful. Not that I have no comments. I find the piano too dominant and too loud, at least in Fauré. Blechacz is a more than excellent pianist, who is known for his poetic touch and that is precisely what is missing here!

But that could be due to the recording, because in Debussy the balance is restored and you can finally hear how really wonderful Kim’s performance is. Her bowing techniques are delicate and her delivery mysterious and mystical, and so is the sound of the pianist. Exactly as it should be.



FAURÉ, DEBUSSY, SZYMANOWSKI, CHOPIN
Rafał Blechacz (piano), Bomsori Kim (violin)
DG 48364671

Strijkkwartetten van Weinberg door het Arcadia Quartet: de perfectie nabij

Zeventien heeft hij er gecomponeerd. Zeventien strijkkwartetten die zowat zijn hele muzikale leven markeren. Mieczysław Weinberg, de componist die eindelijk uit de vergetelheid wordt gehaald, al is het (te) laat. En postuum.

Het bekendste van al zijn kwartetten is, denk ik, nummer acht. Daar verbaas ik mij niet over want het is zo waanzinnig emotioneel maar tegelijk ook ingehouden. Het begint met een Adagio waar je niet aan kunt ontsnappen. Heel erg mooi maar ook best pijnlijk. De daaropvolgende Alegretto biedt ook geen soelaas: het zou vrolijk moeten zijn maar is het niet. Deel drie, Doppo più lento is alleen maar schrijnend. Geen muziek waar je vrolijk van wordt maar het kruipt onder je huid en laat je nooit meer los. Weinberg componeerde het in 1959 en heeft het aan het Borodin Quartet opgedragen.

Nummer twee is een jeugdwerk, hij schreef het in 1939 toen hij nog conservatoriumstudent was in Warschau en droeg het op aan zijn moeder en zuster (geen van beiden hebben ze de oorlog overleefd). In 1987 heeft hij het gereviseerd. Ik zou graag beide versies naast elkaar kunnen leggen… wellicht lukt het ooit?

Het Arcadia Quartet en Chandos zijn nu aan een nieuw project begonnen: ze gaan alle strijkkwartetten van Weinberg opnemen, lovenswaardig. Het is niet de eerste keer dat alle strijkkwartetten van Weinberg worden opgenomen, het Danel Quartet ging ze voor. Iets wat aan de pers is ontsnapt.

Ook ik ken die uitvoering niet, maar ik denk niet dat het beter kon. Kan. Het is gewoon perfect. De leden van het mij tot nu toe onbekende strijkkwartet spelen levendig en hun betrokkenheid is voelbaar. Simpel gezegd: ze spelen de sterren naar beneden.

Arcadia Quartet over Weinberg: “zijn muziek is als een gloed van licht omgeven door de duisternis van het onbekende […]. Met elke opname en elke live-uitvoering van zijn muziek willen we wat licht laten schijnen op dit veelomvattende, diepgaande fenomeen, dat zo lang over het hoofd is gezien, en we hopen dat Mieczysław Weinberg mettertijd zijn rechtmatige plaats in de muziekgeschiedenis zal innemen”

Daar kan ik alleen maar ‘Amen’ op zeggen en kan gewoon niet wachten op het vervolg. Bravo Arcadiërs! En Chapeau alweer Chandos!


MIECZYSLAW WEINBERG
Strijkkwartetten 2, 5 en 8
Arcadia Quartet
Chandos Chan 20158

Knock-out geslagen door het eerste solo album van Nuala McKenna

De in 1993 geboren Duits-Ierse celliste Nuala McKenna groeide op in een muzikale familie. Op haar vierde begon ze met pianolessen. Cello kwam toen zij acht was. Zij was twaalf toen ze toegelaten werd aan het conservatorium van Lübeck, waarna zij (o.a.) bij Jean-Guilhen Queyras en Ivan Monighetti studeerde, wat haar liefde voor modern (en solo) kan verklaren.


                                                                     © Hans van der Woerd

In haar eigen woorden: “Wanneer ik de vraag krijg bij aankomst van een concert wat ik nodig heb op het podium, zijn de mensen altijd verrast als ik zeg: ‘alleen een stoel graag’.
Door de jaren heen heb ik een grote liefde ontwikkeld voor het solorepertoire voor cello waarmee ik ook veel over mezelf heb geleerd. Deze opname is het resultaat van alle processen die ik doorlopen heb om me met deze muziek te verbinden “ (bron: voordekunst).

Haar techniek is onberispelijk, maar techniek alleen is te weinig om te (blijven) boeien, zeker als je, als enige partner je cello hebt. Nou: zelden zat ik zo aan mijn stoel gekluisterd als nu, bij het beluisteren van deze cd. Ongelooflijk spannend vanaf het eerste moment. En de spanning vervaagde niet en was tot de laatste noot ijzingwekkend, bijna thrillerachtig voelbaar.

Ik weet niet of ik de sonate van Kodály ooit beter gespeeld heb gehoord en ik heb er toch best veel gehoord. Ook in Ligeti toont zij zich een meester van het instrument. In Britten heeft zij wat meer concurrentie (Rostropovitsj, bij voorbeeld, voor wie Britten zijn stukken heeft geschreven), maar ook in Britten is haar lezing gewoon ongeëvenaard.

Nuala McKenna heeft mij met haar spel knock-out geslagen en als ik eerlijk mag zijn, deze knock-out voelt meer dan lekker. Ook de opname is subliem. Zeer aanbevolen!


Cellosolowerken van Zoltá Kodály, György Ligeti en Banjamin Britten
Nuala McKenna (cello)
Cobra Records 0078

Isata Kanneh-Mason honours Clara Schumann

Schumann Isata

To me, ‘diversity’ is just a buzzword that has nothing to do with reality. But because it is almost obligatory now and quotas still have to be met, the classical music business too has had to conform. And I am not talking here about opera characters like Aida or Otello, who contrarily need to be ‘decolorized.’ That is why orchestras and record companies are almost desperately looking for people of colour.

Now don’t understand me wrong: I think diversity is a good thing and I applaud it wholeheartedly, but on one condition: there must be quality! And the quality of the English pianist Isata Kanneh-Mason is high, very high. She is the eldest of the seven Kanneh-Mason children. They are all musicians: four of her siblings study at The Royal Academy of Music, where 22-year-old Isata herself still takes lessons. Her cellist brother Sheku has already preceded her in fame.

Clara Wieck-Schumann was a child prodigy who grew into a piano virtuoso. The fact that she also composed was ignored for a long time: as a mother of eight she was expected to look after them, as well as take care of her famous husband.
On her first CD recording, Isata Kanneh-Mason plays the works that dominated almost all of Clara’s life. She begins, for instance, with the piano concerto that Clara composed when she was just thirteen years old. She played the premiere when she was sixteen, on which occasion Mendelssohn conducted.

Isata Kanneh-Mason plays it with virtuosity and makes the most of it: which is not very much, actually. That is not a bad thing, because when played this way, the concerto is lifted to higher realms. She is excellently accompanied by the Liverpool Orchestra. However, I like the violin romances best, they were composed for Joseph Joachim. Together with violinist Elena Urioste, Kanneh-Mason provides us with an unforgettable experience. Top!


Coherentie in verscheidenheid: Thomas Beijer speelt Ravel, Escher en Martin

Tekst: Willem Boone

Hoe klinkt ‘music for the mourning spirit’? Ingetogen en introvert of juist dramatisch en donker? Dat vraag je je af bij de cd van de Nederlandse pianist Thomas Beijer met deze titel. Je probeert dan als luisteraar te achterhalen of dit leitmotiv voor alle drie de vertegenwoordigde componisten in gelijke mate opgaat.

Allereerst valt op dat twee van de composities tijdens een wereldoorlog geschreven zijn: Le tombeau de Couperin in 1916 en de Arcana Suite in 1944. Laatstgenoemde suite en de 8 Préludes van Martin zijn overwegend donker van karakter, voor de muziek van Ravel geldt dat juist in deze stukken helemaal niet.

De korte Prélude van Ravel vormt een subtiele opmaat voor de suite Le tombeau de Couperin, waarin de componist in tegenstelling tot wat men zou verwachten geen hommage brengt aan François Couperin le Grand, maar meer aan Franse barokcomponisten in het algemeen. Een ‘tombeau’ was in de zeventiende eeuw een populair muzikaal eerbetoon aan een bewonderd persoon. Ravel gaf dit genre aan het begin van de twintigste eeuw een eigentijdse twist mee in de vorm van een achtvoudige hommage: aan de Franse barokmuziek in het algemeen en verder droeg hij ieder deel op aan een gesneuvelde vriend (de Rigaudon droeg hij aan twee broers op).

Hoewel de componist de verschrikkingen van de oorlog van dichtbij had meegemaakt, zijn de stukken vooral elegant en lichtvoetig van karakter.  Zoals Beijer in de tekst in het cd-boekje schrijft, werd Ravel gekritiseerd voor het feit dat de muzikale grafstenen voor zijn gestorven vrienden meer ‘frivool’ dan ernstig en contemplatief klonken. Hij weersprak dit als volgt: “De doden zijn al verdrietig genoeg in hun eeuwige stilte.” Toch hebben bepaalde delen als de Fugue door de lange lijnen ook iets ‘eeuwigs’ in zich en dat geldt in nog sterkere mate voor de dromerige Rigaudon, een statige dans.

Thomas Beijer © Smon van Boxtel

Beijer schrijft in zijn toelichting dat deze suite tot de bekendste stukken uit de pianoliteratuur behoort, maar toch is het jammer dat het zo weinig gespeeld wordt. Ik kan me maar twee live uitvoeringen herinneren: Sokolov en Chamayou.  Ook Thomas Beijer gooit hoge ogen en doet met zijn subtiele uitvoering alle recht aan Ravels muziek, ook in de afsluitende, virtuoze Toccata.

Van een heel ander kaliber is de Arcana Suite van Rudolf Escher. Ik herken niet helemaal wat Beijer in zijn toelichting schrijft over genoemde suite: “De muziek is inderdaad ‘Ravelliaans’ met een heldere Franse textuur, maar met zijn geheel eigen kleuren.”  Dat die kleuren overwegend zeer donker zijn komt wel duidelijk naar voren.

Dat is al direct het geval in de Préludio, in de Toccata komt daar nog rusteloosheid bij en dezelfde drive als in de Toccata van Ravel.  De Ciaconna klinkt tegelijk dreigend en ingetogen en in de Finale is de muziek precies zoals Escher voorschrijft: ‘tumultuoso & violenza’. Het blijft eeuwig zonde dat de Serie Meesterpianisten opgeheven is, want daarin zou Beijer niet alleen in het voorjaar van 2021 zijn debuut maken, maar daarbij zou hij ook deze suite gespeeld hebben.

De laatste composities zijn de 8 Préludes van Frank Martin, die hij opdroeg aan Dinu Lipatti maar die ze helaas nooit meer heeft kunnen uitvoeren.  Genoemde préludes zijn niet tijdens de oorlog geschreven (1947/48), maar ze zijn wel donker van aard, vooral nr 7. In de nrs 2 en 3 valt meermaals het belang van de bassen op en het vluchtige, ongrijpbare karakter van nrs 4,5, 7 en 8 roepen herinneringen op aan de Visions fugitives van Prokofieff.

De muziek van Escher en Martin verdient het om vaker gespeeld te worden (en zeker zo goed als hier het geval is!) en dat maakt het programma van deze cd tot een coherent geheel!


Gutman Records CD 171