kamermuziek/solorecitals

Folklore als inspiratiebron

Onvoorstelbaar eigenlijk hoe veel geweldige musici ons klein landje telt! Pianisten, violisten, cellisten, zangers, harpisten…. Noem maar op. En dan heb ik het niet eens over de kamermuziekensembles. Alma Quartet, The Hague String Trio … allemaal wereldtop. Daar hoort ook het Delta Piano Trio bij.

De pianiste Vera Kooper, de violist Gerard Sponk en de celliste Irene Enzlin hebben elkaar in 2013 in Salzburg ontmoet, waar ze alle drie toen studeerden. Het klikte. Ze zaten op één lijn en dat niet alleen muzikaal, maar ook buiten de concertpodia en concertzalen. Vrienden voor het leven?

Origin is al de derde cd die ze samen hebben opgenomen, de eerste twee heb ik gemist, maar deze staat al een paar weken in mijn speler. Nou ja, op Spotify dan, want zo makkelijk. De titel slaat op de afkomst van de muziek waar de componisten uit putten: de onvervalste folklore als leidraad

In geval van Dvořák is het – min of meer  – voor de hand liggend: Dvořák ontwikkelde zijn eigen muzikale taal door de liefde voor de volksmuziek waar hij dan rijkelijk uit putte. Zijn ‘Dumky trio’ (even een digressie: ‘dumky’ is een meervoud van het woord ‘dumka’, wat dan ook een verkleinwoord is van ‘duma’, een droefgeestige Slavische volksballade) is het enige werk op de cd dat enige bekendheid kent. Of kende, want zo vaak wordt het tegenwoordig ook niet meer uitgevoerd

Pijnlijker wordt het als het over de twee overige componisten en hun op deze cd opgenomen werken gaat. Een beetje muziekliefhebber kent de naam van Frank Martin wel, maar wie wist dat hij ook een  Trio sur des mélodies populaires irlandaises heeft gecomponeerd? Wat had een in Nederland wonende Zwitser met Ierland? Ach… doet het er eigenlijk toe?


En dan komen we bij Tigran Mansurian, wellicht één van de belangrijkste Armeense componisten. Maar ook in zijn geval is het een beetje ingewikkeld. Hij werd in 1939 geboren in Beiroet, Libanon. Zijn familie verhuisde in 1947 naar Armenië. Zijn opleiding genoot hij in Jerevan. Zijn Vijf Bagatellen zijn al eerder opgenomen geweest en wat mij betreft nog niet vaak genoeg.

Delta Piano Trio: “Drie componisten, drie verschillende culturen en drie verschillende tijdperken, maar met één overeenkomst: een zoektocht naar de muzikale oorsprong”.

Is er iets wat ik er nog aan kan toevoegen? Ja. Niet alleen de muziek, ook de uitvoering is op het hoogste niveau. Laat dit pareltje u niet zomaar voorbij gaan


Frank Martin: Trio sur des mélodies populaires irlandaises
Tigran Manserian: Vijf Bagatellen voor pianotrio
Antonín Dvořák: Pianotrio nr. 4 in e, op. op (Dumky)
Delta Piano Trio
Challenge Classics CC72901

Open je oren voor strijkkwartetten van Walter Braunfels

De vraag waarom Braunfels zo verschrikkelijk is vergeten ga ik niet eens stellen. Dat het alles met de nazi’s en de Joden te maken had, dat weet iedereen immers wel. Hoop ik. Maar de oorlog is al zevenenzeventig jaar voorbij en Braunfels is al bijna zeventig jaar dood. En nog steeds is zijn naam niet daar, waar het hoort te zijn: op de belangrijkste concertpodia en operabühnes.

In de jaren negentig kon je nog van een kleine revival spreken: EMI bracht zijn mysteriespel Verkündigung uit en Decca nam zijn bekendste opera Die Vögel op. Die Vögel dook dan weer eens in Los Angeles op, waar James Conlon al jaren bezig is om de ‘Verboden componisten’ ruim podium te geven. In de letterlijk zin van het woord.

Désirée Rancatore zingt de Nachtegaal in Los Angeles Opera:

Tot 1933 behoorde Braunfels, samen met Richard Strauss, Zemlinsky, Korngold en Schreker tot de meest uitgevoerde hedendaagse  componisten.  In 1933 werd hij ontslagen van zijn post als directeur van de Muziek Academie in Keulen en nadat hij ‘entartet’ werd verklaard leefde Braunfels in totale afzondering in de omgeving  van de Bodensee (in zijn biografie wordt het mooi omschreven als ‘innerlijke emigratie’).

Na de oorlog ging Braunfels – op speciaal verzoek van de toenmalige kanselier Adenauer – naar Keulen terug. De aandacht die hij kreeg bleef bij een paar uitvoeringen van zijn werken. Gedesillusioneerd keerde hij terug naar de Bodensee.

Het medium kamermuziek was voor hem totaal nieuw. In de brieven uit die tijd toonde hij zich bijzonder gelukkig met het voor hem nieuw ontdekte idioom: ”Er is niets leukers, dan het werken aan een strijkkwartet” schreef  hij.

Voor zijn eerste kwartet, gecomponeerd in 1944 gebruikte hij Verkündigung als zijn voornaamste inspiratiebron en in alle vier de delen citeert hij er rijkelijk uit.

Het  tweede strijkkwartet is iets lichtvoetiger. De eerste twee delen zijn behoorlijk vrolijk en dansant, het vierde met zijn Oosteuropees-Joodse thema’s doet mij sterk aan Sjostakovitsj denken. Niet echt vernieuwend, maar buitengewoon leuk en inspirerend.

Er bestaat nog een derde strijkkwartet, geschreven in 1947. Die kwam ik alleen op YouTube tegen:

Ooit schreef ik dat Braunfels’ muziek twee keer is gestorven. De eerste keer toen zijn composities door de Nazi’s ‘entartet’(gedegenereerd) werden verklaard. En de tweede keer toen de naoorlogse muziekpausen alles wat tonaal was en naar romantiek riekte als ‘bedorven’ bestempelden. Inmiddels zijn we een paar jaar verder, hun esthetiek (of eigenlijk het gebrek er aan) is al lang in de stoffige archieven opgeborgen en Braunfels is niet zo onbekend meer. Dat hoop ik althans want echt uitgevoerd wordt hij nog maar zelden.

Gelukkig bestaan er nog labels zoals Capriccio, CPO en Oehms die ons met de o zo gruwelijk minder bekende of simpelweg vergeten schatten kennis laten maken.


String Quartets no 1 & 2
Auryn Quartet
CPO 999406-2 

Fagot en harp: een gouden combi of…?

Laat ik maar meteen een ding zeggen: aan de musici ligt het niet. Zowel de Israëlische harpiste Rachel Talitman als de Grieks-Cypriotische fagottist Mavroudes Troullos zijn meer dan voortreffelijk. Echte vakmensen, virtuoos en inspirerend. Maar de muziek….

Laat ik het anders zeggen: ooit hadden we zoiets als huismuziek. Iets wat inmiddels vervangen is door house music (nomen omen?). Of zoiets. Niemand die nog luistert, het gaat om de alles verhullende herrie. Maar, als ik goed nadenk, is er eigenlijk iets veranderd, behalve de decibellen? Hebben de mensen van toen daadwerkelijk geluisterd? Ik weet het niet, ik was toen nog niet geboren.

Van de overleveringen en verhalen weet ik dat er ene Chopin was geweest die zijn pianostukjes ten gehore bracht. Er waren ook zangers die een mopje van Bellini zongen. Ik neem aan dat ook harp toen uitgebreid in the picture was. Maar van fagot weet ik niets. Mooi instrument, dat wel, maar wanneer hoor je die in de hoofdrol?

Een paar weken geleden werd er een cd ten doop gehouden met zes sonates voor harp en fagot van ene Luigi Concone. Niet alleen is de combinatie bijzonder, de componist zelf is het ook. Wat weten we van hem? Weinig, bitter weinig.

Hij werd ergens in de eerste helft van de negentiende eeuw in Turijn werd geboren, maar het gros van zijn leven woonde hij in Parijs. Daar werd ook het grootste deel van zijn composities bij de uitgever Richault gepubliceerd. Tijdje later deed ook de beroemde Italiaanse uitgevershuis Ricordi er ook aan mee. Rond 1900 werden zijn 30 ‘Progressieve Studies’ op. 26 in Parijs door Costallat uitgegeven.

Hebben we iets gemist? Dat denk ik niet. Ik weet het, ik weet het, het hoeft niet altijd kaviaar te zijn, maar soms denk ik: laat maar. Maar van de andere kant: ook de middelmaat hebben we nodig, alleen dan kunnen we de grootsheid waarderen. Bovendien, als het zo sprankelend wordt uitgevoerd dan moeten we de musici dankbaar zijn dat ze iets voor ons hebben gevonden waar niemand nog iets van wist. En dat is heel erg veel waard.

Luigi Concone: Zes Preludes gevolgd door Zes Progressieve Sonates op. 2
Rachel Talitman (harp), Mavroudes Troullos (fagot)
Harp & Co CD5050-47

A fraternizing passion for music

Take an Israeli, a Frenchman and an Iranian born in Austria, put all them together on a stage in Aix-en-Provence with the scores of the Russian and Czech masters in front of them. They then record it live and the result is just about the best CD of the year 2019.


The Tchaikovsky and Dvorák piano trios recorded on 5 April 2018 are of course ‘gefundenes fressen’ for a lover of chamber music. After all, the opening bars of Tchaikovsky’s opus 50 alone will surely stay in your mind.

Whether this performance is better than that of the Beaux Arts Trio or the trio of Perlman/Ashkenazy/Harrell (to name but two)? No, I do not think so. But it is definitely more exciting. I don’t want to put the word refreshing in my mouth, but of course it is. What you hear here is the unpolished sound of a real live performance. You can hear the passion.


The three protagonists, Laham Shani (piano), Renaud Capuçon (violin) and Kian Soltani (cello) not only know how to bring to life the sad stories behind the notes, but they also make them more tangible. Intense. No, these performances will not leave you unmoved.

If the supporters of BDS (Boycott, Divestment, Sanctions) had their way, this CD would never have been recorded. The reason is simple: Lahav Shani, in everyday life chief conductor of the Rotterdam Philharmonic Orchestra and also a gifted pianist, is an Israeli. And those well-meaning pseudo do-gooders of course want none of that. Fortunately, there is still such a thing as music, where all people can actually become ‘brothers’ and where playing together is elevated to the highest level..



Tchaikovsky: Piano Trio in A, op. 50
Dvorák: Piano Trio No. 3 in F, op. 65
Lahav Shani (piano), Renaud Capuçon (violin), Kian Soltani (cello)
Warner 0190295525415

The Hague String Trio puts female composers in the spotlight. And in a most delightful way!

How many female composers do you know? Clara Schumann, Fanny Mendelssohn… and then? We have to  jump more than a hundred years to finally come across Bacewicz, Gubaidulina and Ustvolskaya. And because it has recently become quite a hip subject, Hanriette Bosmans has also been rediscovered.

© Sarah Wijzenbeek | The Hague String Trio


The Hague String Trio, an ensemble that had previously more than pleasantly surprised me with a plea for (mostly forgotten) works by ‘Entartete componisten’, has now recorded a CD that puts female composers at the center. Kudos to them! On their CD, titled Celebrating Women, they have recorded previously unrecorded string trios by female composers from the second half of the nineteenth and the first half of the twentieth century. All four composers are as different as can be. Not only do they come from four different countries (and three continents), but their cultural and social backgrounds could not be more diverse.


‘Not recorded before’ is a euphemism because actually none of the composers recorded are (well) known.

Dame Ethel Smyth

The only exception (I hope?) is Dame Ethel Smyth (1858-1944), whose name we still come across here and there. But the remaining three? Miriam Hyde? Emmy Frensel Wegener? Irene Britton Smith? Who were they?

Bertha Frensel Wegener-Koopman


Bertha Frensel Wegener-Koopman (1874 – 1953) was born in Bloemendaal. She studied piano and composition at the Amsterdam Conservatory. She often performed, as a pianist, until her marriage with John Frensel Wegener. But she continued to compose. Songs in particular, which were performed by Julia Culp and Jo Vincent, among others. Her Suite for violin, alto and cello from 1925 is wonderfully light-hearted and cheerful. Something that makes you happy. But don’t forget the serious undertone in the Andante. Something that really gives the composition more cachet.

Miriam Hyde


Australian Miriam Hyde (1913 -2005) was not only a composer, but also a pianist, music teacher and poet. She composed more than 150 works for various instruments (mainly piano) and orchestra, 50 songs, and she performed as a concert pianist with the greatest conductors of the time. She also published several books of poetry. Her string trio from 1932 is very melodious and at times very exciting. High-flyer? Not really, but wonderful to listen to

Irene Britton Smith



And then we come to Irene Britton Smith (1907-1999). For me, she is a real discovery. This student of Nadia Boulanger and others was not only a composer, she was also a teacher. Britton Smith came from Chicago and had Afro-American, Crow and Cherokee roots.

About Irene Briton Smith



Miriam Hyde, Emmy Frensel-Wegener, Ethel Smyth and Irene Britton-Smith could not have wished for better ambassadors of their music than The Hague String Trio.
I so hope that this CD will be emulated and that female composers will be performed and recorded more often. Many of their compositions are real gems that do not deserve to be forgotten.


Der Luiten Lusthof. Israel Golani: In the Garden of Polyphony.

(Titel vrij naar Jacob van Eycks Der Fluyten Lusthof.)

Tekst: Neil van der Linden

Er zijn een paar perioden uit de geschiedenis van muziek waarvan iedereen weet dat die van cruciaal belang zijn geweest voor de evolutie van de muziek, maar waarvan de muziek zelf in de vergetelheid is geraakt. Bijvoorbeeld de Mannheimer school, met Johann Stamitz en volgelingen. Waar zou Haydn zijn geweest zonder hen, zou er een Haydn zijn geweest?

Verder de tweede helft van de zeventiende eeuw meteen na Monteverdi, de ‘tussenjaren’ van de barok.  En zo ook de periode waarover deze CD gaat, de overgang van Renaissance naar Barok, tweede helft zestiende eeuw. We kennen een paar componisten: Lassus, Victoria, Palestrina, Byrd, Sweelinck, en misschien Caccini en Peri. Maar in werkelijkheid golfde er een stortvloed van nieuwe muziek over Europa. Vanwege de opkomst van de burgerij en de afnemende macht van de adel werd de muziekbeoefening tegelijk breder en kleinschaliger, ze werd ‘gedemocratiseerd’.

De uitvoeringspraktijk verplaatste zich naar kleinschalige concerten, soms door slechts één instrumentalist, en burgers hadden geld en tijd om zich als amateur-muziekbeoefenaar te bekwamen. De luit en de gitaar waren daarbij ideaal vertolkingsmiddelen, want gemakkelijk mee te nemen en veel goedkoper dan klavecimbels, en nodigden toch uit om meerstemmige muziek te spelen, in tegenstelling tot strijk- en blaasinstrumenten. Er ontstond daardoor ook een enorme vraag naar speelbaar materiaal: nieuw geschreven muziek en bewerkingen van bestaande muziek.

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst en nieuwe drukprocédés voor muziek was ook de beschikbaarheid van bladmuziek ‘gedemocratiseerd’. De Parijzenaar Pierre Attaingnant (ca. 1494-1552) ontwikkelde een methode om de notaties in één drukgang te printen en verkreeg daarmee ongeveer het monopolie op muziekdrukken in Frankrijk. Vandaar dat sommige componisten uitweken naar Pierre Phalèse (ca.1510-1573) in Leuven. Op deze CD put de Nederlands-Israëlische luitist en gitarist Israel Golani onder meer uit hun beider baanbrekende uitgaven.

Tussen 1529 en 1578 werden aldus in Parijs, Leuven en later ook Lyon zo’n 44 luitboeken uitgegeven. Ze bevatten bewerkingen van chansons, dansstukken en werken waarin de componist meer academisch zijn gang kon gaan, vaak genaamd fantasieën.

Titel pagina Phalèse ‘Des chansons reduictz en tabulature de lut a deux, trois et quatre parties’, uitgegeven bij Phalèse, Leuven 1547

De chansons zijn bewerkingen van meerstemmige chansons uit de Frans-Vlaamse Renaissance-scholen en zijn vaak melancholisch van toon, met titels als ‘Pleurez mes yeux’ (Albert de Rippe), het openingsstuk van de CD, dat aan het eind in een versie van Guillaume Morlaye terugkeert, en verder ‘Il ne se trouve en amytié’ (Simon Gorlier), ‘De trop penser’ (Jean-Paul Paladin) en ‘Est il douleur cruelle’ (Morlaye). De ‘dansen’ (vermoedelijk net zomin als de dansen in Bachs cellosuiten bedoeld om daadwerkelijk op te dansen) zijn vrolijker van karakter. Net als Sweelincks gelijknamige stukken zijn de fantasieën bedoeld om te experimenteren met theoretisch vernuft.

Al deze muziek was hoogstwaarschijnlijk vooral bedoeld voor concerten binnen kleine kring of zelfs om in je eentje te spelen, stelt een artikel in het prachtig verzorgde tekstboekje. Denk aan de luitspeelsters, altijd zo te zien uit de gegoede burgerij, op schilderijen van Vermeer en Van Mieris, ook al dateren die van een eeuw later.

We mogen deze gegoede burgers in elk geval complimenteren met hun goede smaak. Het is allemaal ragfijne subtiele muziek, vernieuwend tot op de millimeter. Maar doordat de muziek relatief kleinschalig is, én technisch veeleisend, én omdat de luit niet een erg luid instrument is om mee te imponeren en de gitaar als gevolg van de opkomst van klavierinstrumenten, is deze muziek toch in de vergetelheid geraakt.

Sommige componisten op de CD zijn nog steeds bekend van hun vocale muziek: Janequin, Crecquillon en Sermisy. Maar namen als Morlaye, Gorlier en Paladin vinden we alleen nog maar op CDs van collega-luitisten.

Golani had al eerder een CD opgenomen met 17e-eeuwse Franse gitaarmuziek. Vier jaar geleden echter stuitte hij op een werk van voornoemde Albert de Rippe, een in Frankrijk populaire vroeg 16e-eeuwse luit-virtuoos van Italiaanse komaf. Het was een arrangement van het anonieme Franse vierstemmige chanson “Un jour le temps”, ook te vinden op deze CD.  

Hij raakte geïntrigeerd door de bijzondere harmonische progressies, ongebruikelijke dissonanten en de eisen die worden gespeeld aan speeltechniek in deze muziek. En door het feit dat de muziek bij de juiste aanpak zo mooi laat horen dat ze van de zangkunst afstamt. Golani bestudeerde dan ook de gezongen originelen van de chansons. In het boekje bij de CD staat een aantal teksten van de oorspronkelijke vocale versies afgedrukt.

Sommige stukken worden nu al onspeelbaar beschouwd vanwege de razend moeilijke vingerzettingen. En toch moeten zelfs goede amateurs dit repertoire indertijd hebben kunnen spelen. Het kan zijn dat de instrumenten toen iets anders waren gebouwd, stelt Golani. Of dat je de snaren op andere manieren moet afdempen dan tegenwoordig gebruikelijk is. Ik kan me bovendien voorstellen dat het is zoals met de Sequenza’s van Berio: die zijn vaak als ‘bijna onspeelbaar’ gecomponeerd, maar sommige uitvoerders van het eerste uur vertellen dat hun studenten nu veelal kunnen spelen waar hun docenten nog moesten smokkelen met noten. Golani haalt een vergelijking aan met de scene waarin Umma Thurmans personage in Quentin Tarentino’s ‘Kill Bill’, na verlamd te zijn geraakt, door wilskracht en concentratie voor het eerst een teen leert te bewegen.

In zijn tekst bij de CD vermeldt Golani nog een parallel tussen deze muziek en recente popcultuur, namelijk tussen de muziek van Guillaume Morlaye en een kenmerk van verschillende songs van zijn jeugdhelden het ‘progressive pop’ duo Eurythmics (Dave Stewart en Annie Lennox), namelijk het veelvuldig gebruik van de myxolodische toonreeks met zijn kenmerkende wisselingen tussen majeur en mineur. Golani schrijft toen al aangetrokken te zijn door de ambivalente die dat genereert, een ambivalentie die we terugvinden in Annie Lennox’ uiterlijk. (Over dat van Morlaye en überhaupt zijn leven weten we helaas niets tot vrijwel niets.)

Graindelavoix met een chanson van Guillaume Morlaye:

Israel Golani met een ‘Gaillarde’ van Morlaye

https://www.voordekunst.nl/projecten/12551-in-the-garden-of-polyphony

www.israelgolani.com

Israel Golani: In the Garden of Polyphony
Solairerecords 1010

Korngold and time

“Die Zeit, die ist ein sonderbar Ding […] sie ist um uns herum, sie ist auch in uns drinnen. (Hugo of Hoffmanstal)

Yes, time is really something special, it goes by whether you want it to or not, and resigning yourself to it is an art in itself. But sometimes time returns, often too late and usually in a dream. Or as a memory.


Think of Erich Wolfgang Korngold, a child prodigy who at the age of 20 was already world-famous and established as a composer. In 1934, he left for Hollywood to compose music for A Midsummer Night’s Dream. The film was a huge success and the management of Warner Bros. offered Korngold a really fantastic contract. Who thought at the time that it would save his life?

Korngold with his wife and children



In early 1938, he received a telegram asking if he could be back in Hollywood in ten days. Korngold considered it an omen: on the very last ship, on 29 January of that year, he left his beloved Vienna. And Europe.


(Original Caption) Erich Wolfgang Korngold, his son and his wife, pictured as they arrived in New York City, aboard the S.S. Normandie.


He was doing well in America and was very successful there, but he did not feel at home. His heart and soul remained in Vienna. In 1949 he travelled back to the city of his dreams, but nobody there knew him anymore. Forgotten. In just over ten years, he had become a nobody. Disillusioned, he returned to Hollywood, where he literally died of a broken heart seven years later.



Until the 1980s, he went from being a celebrated composer of countless operas, songs, concertos, symphonies, quartets and whatnot to a reviled ‘film composer’ of kitsch music.

Time… And suddenly people found out – or remembered – what a great composer he had been. Korngold was rediscovered. Today, his violin concerto is one of the most played (and recorded) violin concertos and his operas are on the bill in every opera house in the world. Rightly so, but too late for him.



Time… Just look at his string quartets. Korngold composed his second string quartet in 1933, when nothing was supposedly happening as yet, although you could already hear (and not even very far away) lightning and thunder and there were already some signs on the wall.

Korngold wrote his third string quartet twelve years later. Not only did a lot of time pass between the second and third string quartets, but a lot of things had also happened. Well, a few things…… Fascism, anti-Semitism, Kristallnacht, Anschluss, pogroms, the Second World War and the Shoah.

Time…. The second string quartet still has the schwung of the old Viennese tradition. A bit like a ‘Mozart-kugel’, or a ‘Sachertarte’. Delicious and irresistible. What a difference with the third! Korngold composed it in 1945 and you feel nostalgia and bitterness. And resignation.

Alma String Quartet



We have long known that the Alma Quartet has a great affinity with ‘Entartete composers’. Their recording of the quartets by Schulhoff is simply the best I have ever heard.

\



And now there is Korngold. Just as I expected: fascinating, breathtaking and speaking to your heart and soul. Virtuoso, perfect and emotional. Phenomenal, in other words. That is how I prefer to hear my Korngold.

But there is more to it. Again; time… The Almas recorded the string quartets ‘direct-to-disc’. Live and without edits. No modifications: directly onto the record (CD).


In the announcement: “Because in this old recording technique, there is no digital track between the microphone and the record, there can be no editing. What you get is studio quality, but the sensation of a live performance. To reinforce that feeling, the quartet decided to play two pieces by Erich Wolfgang Korngold in concert attire”.

The first quartet is still to come: I can hardly wait!


Erich Wolfgang Korngold
String Quartet No. 2 in E-flat, op. 26 – No. 3 in D, op. 34
Alma Quartet: Marc Daniël van Biemen, Benjamin Peled, Jeroen Woudstra, Clément Peigné
Challenge Classics CC72869



Live performance on NPO Radio 4 ‘Podium’ at Hilversum Mediapark on November 25th, 2021





Korngold en de tijd

“Die Zeit, die ist ein sonderbar Ding […] sie ist um uns herum, sie ist auch in uns drinnen. (Hugo van Hoffmanstal)

Ja, de tijd is echt iets bijzonders, het gaat voorbij of je het wilt of niet en je je erbij neerleggen is een kunst op zich. Maar soms komt de tijd terug, vaak te laat en meestal als een droom. Of als een herinnering..

Denk aan Erich Wolfgang Korngold, een wonderkind die op zijn twintigste al wereldberoemd en gevestigd als componist was. In 1934 vertrok hij naar Hollywood om muziek te componeren voor A Midsummer Night’s Dream. De film werd het een groot succes en de directie van Warner Bros. bood Korngold een fantastisch contract aan. Wie dacht er toen aan dat het zijn leven zou redden?

Begin 1938 kreeg hij een telegram of hij binnen tien dagen in Hollywood terug kon zijn. Korngold beschouwde het als een omen: met het laatste schip verliet hij op 29 januari dat jaar zijn geliefde Wenen. En Europa. 

Hij had het goed in Amerika en was er zeer succesvol, maar hij voelde zich er niet thuis. Zijn hart en ziel waren in Wenen achtergebleven. In 1949 reisde hij terug naar de stad van zijn dromen, maar niemand kende hem er meer. Vergeten. In iets meer dan tien jaar tijd werd hij een nobody. Gedesillusioneerd keerde hij naar Hollywood terug, waar hij zeven jaar later letterlijk aan een gebroken hart overleed.

Tot en met de jaren tachtig van de vorige eeuw verwoordde hij van een gevierd componist van ettelijke opera’s, liederen, concerto’s, symfonieën, kwartetten, kwintetten en wat niet meer tot een verguisde ‘filmcomponist’ van kitschmuziek.

De tijd… En opeens kwam men erachter – of herinnerde men het zich weer – wat een geweldige componist hij toch was. Korngold werd herontdekt. Zijn vioolconcert behoort tegenwoordig tot de meest gespeelde (en opgenomen) vioolconcerten en zijn opera’s staan in alle operahuizen ter wereld op de rol. Terecht, maar voor hem te laat.

De tijd… Neem alleen maar zijn strijkkwartetten. Zijn tweede strijkkwartet componeerde Korngold in 1933, toen er zogenaamd nog niets aan de hand was, al hoorde je al (niet eens in de verte) onweren en donderen en er waren al tekenen aan de wand.

Zijn derde strijkkwartet schreef Korngold twaalf jaar later. Er is niet alleen veel tijd verlopen tussen het tweede en derde strijkkwartet maar er is ook het een en ander gebeurd. Nou ja, het een en ander…… Fascisme, antisemitisme, Kristallnacht, Anschluss, pogroms, tweede wereldoorlog en de Shoah.

De tijd…. Het tweede strijkkwartet bezit nog de schwung in de oude Weense traditie. Een beetje een ‘Mozart-kugel’, of een ‘Sachertarte’. Heerlijk en onweerstaanbaar. Wat een verschil met het derde! Korngold componeerde het in 1945 en je voelt nostalgie en verbittering. En berusting.

Dat het Alma Quartet grote affiniteit heeft met de ‘Entartete componisten’ dat weten we al lang. Hun opname van de kwartetten van Schulhoff is gewoon de beste wat ik ooit heb gehoord.

En nu dus Korngold. Net zoals ik verwachtte: fascinerend, adembenemend en tot je hart en ziel sprekend. Virtuoos, perfect en emotioneel. Fenomenaal, aldus. Zo hoor ik mijn Korngold het lief

Maar er is meer aan de hand. De tijd… De Alma’s hebben de strijkkwartetten ‘direct-to-disc’ opgenomen. Live en zonder edits. Geen montage: rechtstreeks op de plaat (cd)

https://www.facebook.com/watch/?v=1420722505056608

In de aankondiging: “Omdat in deze oude opnametechniek geen digitaal spoor zit tussen de microfoon en de plaat, kan er niet gemonteerd worden. Wat je krijgt is studiokwaliteit, maar de sensatie van een live-uitvoering. Om dat gevoel kracht bij te zetten, besloot het kwartet twee stukken van Erich Wolfgang Korngold in te spelen in concertkleding “


Live optreden bij NPO Radio 4 ‘Podium’ in november 2021

Het eerste kwartet hebben we nog te goed: kan niet wachten!

Erich Wolfgang Korngold
Strijkkwartet nr. 2 in Es, op. 26 – nr. 3 in D, op. 34
Alma Quartet: Marc Daniël van Biemen, Benjamin Peled, Jeroen Woudstra, Clément Peigné
Challenge Classics CC72869

‘Stolen melodies’ by Dick Kattenburg, as a kind of metaphor for his short life

Dick Kattenburg, painting Theo Kroeze 1916-1988


He was twenty-four. Twenty-four. That was all the Nazis allowed him. Who
knows what he would have been capable of? What operas could we have had
from him? Who knows, maybe he would have surpassed maybe he would have surpassed Wagner, the composer who
was not so keen on Jews? Or he might have gone in a totally different
direction and become a jazz giant?

Kattenburg: self portrait made in 1937


We will never know, because he only lived to be 24 and when the war
broke out he was not even 20 yet. But he had already made a name for himself
as a violinist. But also as a composer, because composing was his true love and something
he did on a daily base. Even while he was in hiding.

Kattenburg by GregorySinger



He had to move often because he was in danger of being betrayed, but he
continued to compose. How he was arrested is not entirely clear. Perhaps
during a raid? What we do know is that on 14 May 1944 he was put on a
transport to Auschwitz. A death certificate, dated 30 September 1944,
states that he died in Central Europe. That is all we have to go on.


At one time he also wanted to become a music teacher, as is shown by an
advertisement in Het Joodsche Weekblad (a publication of the Jewish
Council) of 7 September 1941, in which he offered himself as a teacher
of music theory and violin pedagogy. Only recently, he had successfully
passed the state examination of theory and violin with Willem Pijper,
which enabled him to establish himself as a teacher. He lived in
Naarden with his mother, his younger brother, his sister and her husband.

Kattenburg never denounced his Jewish background. He arranged a large
number of Hebrew melodies, which appeared in his manuscripts with titles
written in Hebrew and he also used dating according to the Jewish calendar. In
1942, the Star of David even appeared symbolically in his manuscripts.


Not long ago, a CD was released with Kattenburg’s “All that jazz”,
something we owe to a German piano duo, Friederike Haufe and Volker Ahmels.

The ‘Overture for two pianos’ from 1936 is the only work Kattenburg
wrote for two pianos (i.e. not for piano four hands). Tap dance’ also
dates from the same period and for this a tap dancer was actually needed to perform.



Kattenburg even made a very successful drawing of the tap dancer in the
manuscript. On this new album, Tonio Geugelin has been perfectly fitted
to this special role.

You really have to buy this CD. Please do. It is insanely good. And so incredibly
important!
That this CD has a short playing time, a little over 21 minutes is not
important. There is simply nothing more.

Friederike Haufe: “We wondered if it would be possible to market a CD of
such short duration, especially when most people want quantity next to
quality… but Donemus and Medien Kontor, labels we worked with, asked
us to leave it this way. So it has become a kind of metaphor for the
tragedy of his short life …



Stolen Melodies
Works for two pianos and piano four hands by Dick Kattenburg
Piano duo Friederike Haufe and Volker Ahmels (piano) with Tonio Geugelin
(tap dance)

More information:

https://www.klavierduo-haufe-ahmels.de/

This cd can be ordered here. You can also download the booklet here

https://www.medien-kontor-hamburg.de/cds/kattenburg.php

The Hague Stringtrio zet vrouwelijke componisten in the picture. En hoe!

Hoeveel vrouwelijke componisten kent u? Clara Schumann, Fanny Mendelssohn… en dan? We  maken een grote sprong van meer dan honderd jaar en dan komen we Bacewicz, Goebaidoelina en Oestvolskaya tegen. En omdat we de laatste tijd het een hip onderwerp vinden is ook Hanriette Bosmans herontdekt,


The Hague Stringtrio, een ensemble die mij eerder al meer dan prettig verrast had met een pleidooi voor (veelal vergeten) werken van ‘Entartete componisten’, heeft nu een cd opgenomen die vrouwelijk componisten in the picture zet. Hulde! Op hun cd met de titel Celebrating Women! hebben ze niet eerder opgenomen strijktrio’s van vrouwelijke componisten uit de tweede helft van de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw vastgelegd. Alle vier de componisten zijn zo verschillend als het maar kan. Ze komen niet alleen uit vier verschillende landen (en drie werelddelen), ook hun culturele en sociale achtergrond kan niet diverser zijn

Niet eerder opgenomen’ is een eufemisme want eigenlijk zijn geen van alle hier opgenomen componisten (goed) bekend.

Met als enige uitzondering (hoop ik?) Dame Ethel Smyth (1858-1944),  haar naam komen we nog her en der tegen. Maar de resterende drie? Miriam Hyde? Emmy Frensel Wegener? Irene Britton Smith? Wie waren zij?

Bertha Frensel Wegener-Koopman (1874 – 1953) werd geboren in Bloemendaal. Zij studeerde piano en compositie aan het Conservatorium van Amsterdam. Zij trad vaak op, als pianiste dan, tot haar huwelijk met John Frensel Wegener. Maar zij bleef componeren. Liederen voornamelijk, die o.a door Julia Culp en Jo Vincent werden uitgevoerd. Haar Suite voor viool, alt en cello uit 1925 is heerlijk luchtig en vrolijk. Iets wat je blij maakt. Maar vergeet de ernstige ondertoon in Andante niet. Iets wat de compositie toch echt meer cachet geeft.

Australische Miriam Hyde (1913 –2005) was behalve componiste ook pianiste, muziekpedagoge en dichteres. Zij componeerde meer dan 150 werken voor verschillende instrumenten (voornamelijk piano) en orkest, 50 liederen, en trad op als concertpianiste met de grootste dirigenten uit die tijd. Zij heeft ook ettelijke poëziebundels gepubliceerd. Haar strijktrio uit 1932 is zeer melodieus en bij vlagen goed spannend. Hoogvlieger? Niet echt, maar heerlijk om naar te luisteren

En dan komen we bij Irene Britton Smith (1907-1999). Voor mij is zij een echte ontdekking. Deze studente van o.a. Nadia Boulanger was niet alleen componiste, zij was ook onderwijzeres. Britton Smith kwam uit Chicago en had Afro-Amerikaanse, Crow en Cherokee roots.

Over Irene Briton Smith:

Miriam Hyde, Emmy Frensel-Wegener, Ethel Smyth en Irene Britton-Smith hadden zich geen betere ambassadeurs van hun muziek kunnen wensen dan The Hague String Trio.

Ik hoop zo dat deze CD een navolging krijgt en dat de vrouwelijke componisten steeds vaker uitgevoerd en opgenomen gaan worden. Het zijn veelal echte juweeltjes die de vergetelheid niet verdienen

Zie ook:
After the Darkne
ss