discografieën

De strijd om Lucia di Lammermoor is nog niet gestreden

lucia-di-lammermoor-by-gaetano-donizetti-score-cover-first-edition-KFRB72


MARIA CALLAS, JOAN SUTTHERLAND, BEVERLY SILLS

Lucia di Lammermoor is altijd, misschien meer nog dan Norma, een strijdpunt geweest tussen de aanhangers van Maria Callas en Joan Sutherland. De prestaties van beide dames zijn inderdaad fantastisch en bovendien totaal verschillend. Welke van de twee moet u hebben? Niet makkelijk. Kwestie van smaak, zal ik zeggen?

 

https://static.lafeltrinelli.it/static/images-3/xxl/106/1413106.jpg

Joan Sutherland is ongekend virtuoos en haar coloraturen zo perfect dat het pijn doet. En toch blijf ik er onaangeroerd bij. Waarom? Wellicht omdat het te perfect is? Ik weet het niet. Het kan ook aan mij liggen.

 

Lucia Callas

Waar u ook voor kiest: u kunt echt niet zonder minstens één Callas. Probeer Naxos (8110131-32) met Giuseppe di Stefano en Titto Gobbi, onder Tulio Serafin, want al is Francesco Tagliavini (Warner Classics 2564634081) een veel mooiere Edgar, de rest van de cast (inclusief Callas zelf!) is hier veel sterker.


 

Lucia Sills

Zelf kies ik voor Beverly Sills (Westminster 4712502), zeker als we het over studio-opnames hebben. Haar portrettering verenigt het beste van beide diva’s: de virtuositeit, stemschoonheid en zuivere intonatie van la Stupenda en het grote acteren van la Divina. Niet echt een grote tragédienne (maar dat is Lucia ook niet), meer een passief kindmeisje dat het allemaal over zich heen laat komen. Ook de rest van de cast (Carlo Bergonzi, Piero Cappuccilli, Justino Diaz) is van zeer hoog niveau en Thomas Schippers dirigeert zeer ferm. Maar wat die opname werkelijk bijzonder maakt, is het gebruik van een glasharmonica in de waanzinscène, precies zoals Donizetti het oorspronkelijk had voorgeschreven.


RENATA SCOTTO

Lucia Scotto

Mijn geliefde Lucia, Renata Scotto, heeft de rol nooit in de studio opgenomen. Er zijn wel verschillende piratenopnames met haar in omloop, met als Edgardo onder andere Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi en Gianni Raimondi.

Van die vier is de opname met Raimondi me het dierbaarst, niet in de laatste plaats vanwege de zeer energieke en dramatisch evenwichtige directie van Claudio Abbado. Het werd opgenomen in La Scala in december 1967 en is ooit op Nuova Era (013.6320/21) verschenen. Helaas is die opname zeer moeilijk verkrijgbaar, maar wie zoekt….

Hieronder Gianni Raimondi en Giangiacomo Guelfi (Enrico) in Orrida è questa notte..

Scotto’s interpretatie van de gekwelde heldin is wel op dvd beschikbaar (VAI 4418). De productie is in 1967 in Tokio opgenomen. Het circuleerde jarenlang op piratenvideo, maar aangezien de geluids- en beeldkwaliteit bijzonder matig was, zijn er met de commerciële uitgave heel veel operaliefhebbers bijzonder blij gemaakt. Het geluid is een beetje scherp, waardoor Scotto’s hoge noten nog metaliger klinken dan normaal, maar: who cares?

Haar interpretatie is zowel zangtechnisch als scenisch van een ongekend hoog niveau. Met een kinderlijk verbaasde uitdrukking (mijn broer doet het mij aan?) op haar gezicht stemt ze in, al is het niet zonder morren, met het gedwongen huwelijk met Arturo (een in alle opzichten afgrijselijke Angelo Marchiandi).

Hieronder Scotto zingt ‘Il dolce suono’. Doe het haar na!

Na haar waanzinaria krijg je de neiging de stekker eruit te trekken, want alles wat erna gaat komen, kan niet anders dan als een koude douche werken. Maar daar vergis je je in. De twee aria’s van Edgardo, gezongen door Carlo Bergonzi, brengen je regelrecht de (zangers)hemel in.

Na afloop kan je niet anders dan huilen, want: waar zijn ze gebleven, de zangers van toen? Klein, lang, dik, mager, met of zonder het acteertalent… Geen van hen was een ballerina, maar zingen konden ze! En enkel door middel van hun stem konden ze alle gevoelens overbrengen waar je nu een heel ‘artistiek team’ voor nodig hebt. Ondanks de toen gebruikelijke coupures een absolute must.

Hieronder zingt Bergonzi ‘Fra poco a me ricovero’

PATRICIA CIOFI IN HET FRANS

Lucia Ciofi

In 1839 bewerkte Donizetti zijn opera voor Parijs en Lucia werd Lucie. Het is niet de alleen de taal die de beide versies onderscheidt, want Donizetti heeft zowel aan het libretto als aan de muziek behoorlijk gesleuteld. Zo werd Alisa (Lucia’s hofdame) uit de opera geknipt en is onze heldin als enige vrouw in een verder louter mannengezelschap gebleven, wat haar nog eenzamer en nog kwetsbaarder maakt.

Normanno heet nu Gilbert en zijn rol werd behoorlijk uitgebreid. Zijn valse spel en manipulaties maken van hem zowat een sleutelfiguur en hij groeit uit tot bijna Iago-achtige proporties. Ook Arturo is als Henri driedimensionaler geworden. En al mis ik ‘Regnava nel silenzio’ en scènes tussen Lucia en Raimondo, ik moet toegeven dat de Franse versie dramatisch veel beter in elkaar steekt.

In deze opname (ooit TDK, hopelijk nog te bestellen) is Patrizia Ciofi niet minder dan fenomenaal als een behoorlijk neurotische Lucie, Ludovic Tézier prachtig als een vileine Henri en Roberto Alagna helemaal in zijn element als Edgar. Het was (toen) één van zijn beste rollen.

Het regisseursduo Patrick Courier/Moshe Leiser stelt zelden teleur. Hun producties zijn altijd realistisch, ingebed in historische perspectief, maar met genoeg ‘knipoog’ naar het heden. Bovendien doen ze wat regisseurs voornamelijk horen te doen: zorgen voor een goede mise-en-scène en zangers in hun spel goed begeleiden om ze overtuigend te laten overkomen.

OVER DRIE LUCIA’S VAN DE LAATSTE TIJD

ANNA NETREBKO

Lucia Netrebko
Deutsche Grammophon bracht de Live in HD-uitzending van Lucia di Lammermoor die in 2009 door de Metropolitan Opera in New York werd uitgezonden uit op dvd en Blu-Ray (DG 0734545). Anna Netrebko zong de hoofdrol. Lucia vond ik nooit echt bij haar passen. Bovendien was ze in die tijd meer bezig zichzelf te etaleren dan dat ze zich om de zielenroerselen van de door haar gespeelde tragische heldin bekommerde.

Piotr Beczala, toen nog geen grote ster, was de lastminutevervanger voor de ziek geworden Rolando Villazón en het moet gezegd worden: samen met zijn landgenoot Mariusz Kwiecien (Enrico) stal hij de show. De regie van Mary Zimmermann is mooi om te zien, maar voegt eigenlijk niet veel toe. Voer voor de vele Netrebko-fans, maar voor de rest?

NATALIE DESSAY

Lucia Dessay

Het Mariinski Theater van Valery Gergiev heeft een Lucia di Lammermoor uit eigen huis op cd gezet (MARO 512). Natalie Dessay is een begenadigd artieste. Ze beschikt over een pracht van een stem met een ongekende hoogte, waarmee ze de moeilijkste coloraturen en fiorituren zingt alsof het niets is. Mooi is zij ook en ze kan waanzinnig goed acteren; het is altijd een plezier om haar in actie zien.

Maar niet al te grote stem kent echter ook zijn beperkingen. Scenisch weet ze die achter haar acteren te verbergen, maar zonder beeld wil er weleens iets misgaan. Dat hoor je ook op deze live-opname uit 2010. Haar coloraturen zijn perfect maar leeg; het heeft geen inhoud. Deze Lucia wordt gek zonder dat je weet waarom. Maar als ze eenmaal gek is, doet ze je duizelen.

Piotr Beczala is, zoals altijd, een fantastische Edgardo, maar ook alle andere zangers zijn prima. Allemaal beschikken ze over een individueel timbre, waardoor je in het zeer homogeen gezongen sextet ook afzonderlijke stemmen kan herkennen.

Valery Gergiev dirigeert energiek en zwiept het orkest op, wat soms resulteert in halsbrekende tempi. De ‘waanzinscène’ (met glasharmonica, bravo!) rekt hij juist uit


 

DIANA DAMRAU

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/71cVsKQYuIL._SX522_.jpg

Diana Damrau, één van ’s werelds beste en beroemdste sopranen, lijkt geknipt voor de rol van Lucia in Lucia di Lammermoor. Zij zong de partij al in 2008 in de New Yorkse Metropolitan Opera. Vijf jaar later verblijdde ze het duidelijk aan haar voeten liggende publiek in haar geboortestad München met haar vertolking. De concertante uitvoeringen werden live door Erato opgenomen en het resultaat valt mij tegen.

Niet dat er iets mis is met de coloraturen van Damrau. Die zijn nog steeds onberispelijk, maar in mijn oren zijn ze leeg, zonder inhoud. In haar waanzinscène lijkt ze meer op de mechanische pop Olympia uit Les contes d’Hoffmann dan op een gek geworden vrouw van vlees en bloed.

De mannenrollen zijn allemaal prima ingevuld. Joseph Calleja (Edgardo) zingt zijn rol soepel en met zo’n gemak dat ik aan de jonge Pavarotti moet denken. Ludovic Tézier en Nicolas Testé zijn misschien niet helemaal idiomatisch, maar op hun onberispelijke zang valt niet veel op te merken. Zelfs de kleine rol van Normanno wordt door een voortreffelijk zingende Andrew Lepri Meyer ingevuld.

De tempi van Jesús López-Cobos vind ik op zijn minst opmerkelijk. Dan wordt er gerend, dan staat de boel weer stil. Af en toe herken ik de muziek niet. Het lijkt alsof er nieuwe versieringen zijn aangebracht.

De opname zelf is eveneens onevenwichtig. Dat de opera niet in één keer op één avond is opgenomen is vanzelfsprekend, maar er werd ook het één en ander in de studio ‘verbeterd’ en dat is helaas hoorbaar.


Na al die jaren is mijn top drie nog steeds ongewijzigd:

1. Renata Scotto met Carlo Bergonzi, VAI 4418.

2. Beverly Sills met Bergonzi Westminster 4712502

3. Maria Callas. Ongeacht welke, eigenlijk

 

Advertenties

The final word on Turandot has not yet been spoken

https://c8.alamy.com/comp/C5WMNB/turandot-poster-for-the-1926-production-of-puccinis-opera-at-la-scala-C5WMNB.jpg

VIENNA 1983

Turandot Carreras

Harold Prince, with no less than 21 Tony Awards to his name, one of the biggest (if not the biggest) musical producers/directors, tackled ‘Turandot’ (Arthaus Musik 107319) in 1983, with very impressive results. He created a world of illusion ruled by fear, where the inhabitants, dressed in dazzling costumes, hide themselves (and their true feelings) behind masks. Beautiful and terrifying at the same time.

Eva Marton sings a phenomenal Turandot and Katia Ricciarelli is a fragile, pitiful Liù. Her “Signore ascolta” spun out with the most beautiful pianissimi is heartbreaking.

And José Carreras… He makes me cry too, because at the age of 37 he had one of the most beautiful (lyrical) voices in the world. But Calaf was not his role. He sings it beautifully, but one hears him crossing his own boundaries. And yet …. His hopeless macho behaviour, which goes against all odds, not only fits the concept of the director, it also illustrates Calaf’s character perfectly. At least for me.

The orchestra from Vienna is conducted by Lorin Maazel. Not my favourite conductor, but in this case, I have no reason to complain.

NEW YORK 1987

Turandot Domingo

There was a period when I thought I’d had enough of the larger than live productions by Franco Zefirelli. I only thought so, because now I yearn to see them again. All the more so because it was not just pomp and circumstance: Zefirelli was undeniably a very good personal director, with him the interaction between the characters was always perfectly timed as well.

Plácido Domingo is a different story. As many of you know (if not, you know it now) he is my absolute hero and idol, but he is so kind! And sweet! He sings the role better than Carreras (incidentally – neither gentlemen was a champion of high notes). His voice is bigger and stronger, but in terms of drawing a character Carreras wins.

Leona Mitchell (what happened to her?) is a very moving Liù. And her skin colour means you can feel for her as a slave (so not good enough for Calaf).

VALENCIA 2008

For lovers of fairy tales, stunningly beautiful and colourful costumes, overwhelming sets, and opera ‘as opera is supposed to be’: the production from Valencia, recorded in May 2008, will make your heart beat faster and even with your ears closed, you will enjoy it immensely.

The famous Chinese film director Chen Kaige (a.o. ‘Farewell to my Concubine’) pulls out all the stops and lets you gasp for breath from the very first moment. There is no lack of visual pleasure, which does not mean that it is musically not good.

Maria Guleghina is not the most subtle of contemporary sopranos. She always remains a bit unapproachable and cold, but she has a huge voice and her high notes are as solid as a rock: here we have the perfect interpreter of the title role. Marco Berti is the prototype of an ‘old-fashioned Italian tenor’: straightforward, little movement. However, his sound is also unmistakably ‘old-fashioned Italian’: grand, ringing, with a touch of Bergonzi in his timbre and a beautiful height.

Alexia Voulgaridou is a very moving Liù and the three ministers are extremely convincing.

The orchestra (Orquestra de la Comunitat Valenciana) under maestro Mehta does its best to sound as Chinese as possible, which they do wonderfully well (C Major BD 700404/DVD 700308).

ARENA DI VERONA 2010

Turandot Licitra dvd

I’m having a hard time with this. I watch and listen to Salvatore Licitra and cannot control my tears. He has never been my favourite tenor, but knowing  that you are watching and listening to what was probably his very last recording (in September 2011 he had a fatal accident on his native island, Sicily), makes judging, let alone ‘enjoying’ this very difficult.

Turandot Licitra

Salvatore Licitra courtesy of San Diego Opera

And what can I say about the production itself? It’s a good old Zefirelli, with all the frills, although he does change things a little here and there. But the atmosphere in Verona is to be jealous of, so beautiful.

The moon is lit and you imagine yourself in the middle of a fairy tale. The images are undeniably beautiful and it remains a fascinating spectacle, especially if you are sensitive to it.

And the execution? Maria Guleghina was the reigning Turandot at the time and she is doing very well, but she has also grown older and a certain routine has crept into her voice and her portrayal. I also hear a frayed edge in her heights.

Luiz-Ottavio Faria is a very moving Timur and Tamar Iveri a beautiful, if not really memorable Liu. Difficult (BelAir BAC066).

ROYAL OPERA HOUSE LONDON 2013

turandot Serban

Do you hate Calaf as much as I do? He has to be one of the most unsympathetic opera heroes: selfish, egocentric and keen on money and power, capable only of loving himself. Once started he can’t be stopped by anything or anyone: neither by the supplications of Liu and his father, nor by the wise words of Ping, Pang and Pong. The world to which he wants to belong is one of glitter and false appearances, where only the outside counts.

Or do you really think he is in love with Turandot?

Sometimes I suspect Puccini deliberately didn’t finish his opera. How do you create a happy ending to a fairy tale that is a series of tortures, murders and suicides?

Maybe I’m not the only one. Director Andrei Serban stops the opera for one long minute after Liu’s death, in which all actions freeze. I am very grateful to him for this, because Timur’s cry for help (“wake up Liu, it’s morning already”) resonates so strongly in your head.

The thirty-five year old production – which, after travelling half the world, returned to Covent Garden in 2013 – has lost none of its beauty and still fascinates from start to finish. The performance, with its beautiful choreography, is a feast for the eyes: dazzling and colourful, with a very dominant colour red.

Marco Berti is a fine although somewhat stately Calaf and Lise Lindstrom sings an absolutely convincing Turandot. Something I unfortunately can not say of Eri Nakamura (Liu).

The young Henrik Nánási has a long way to go before he can call himself a ‘Puccini conductor’. He still lacks a dose of healthy sentiment. But he is capable.

This is not the best performance of Turandot, but perhaps, at least to me, it is one of the most beautiful to watch.

Below is a trailer of the production:

AND ON CD

Turandot Cigna

For years the recording with Birgit Nilsson, led by Francesco Molinari-Pradelli (once EMI 7693272) was my absolute favorite. It couldn’t and can’t be better, basta. Until a while ago I re-listened an old CD with Gina Cigna (Naxos 8.110193-94) I had not heard in ages and now I am not so certain any longer.


Both Nilsson and Cigna have great voices with which they can easily handle the role, but Cigna has much more ‘italianitá’. On the other hand there is the icy chill in Nilsson’s timbre, which makes her a personification of the ice princess.

Franco Corelli and Francesco Merli are equally matched: macho and powerful. But Merli sounds a little more distant than the warmer and very seductive Corelli.

Turandot Scotto
Renata Scotto is a very fragile and moving Liu, but so is the young Magda Olivero. Difficult. The choice is yours. Although: who says you should choose?


ALFANO

Turandot Alfano en Puccini

Franco Alfano with Puccini

Finally, a few words about the ‘Alfano ending’. Twenty-five years ago (does time go so fast!?) it was performed at the Vlaamse Opera in Antwerp and since then I’ve become a real fan of it. It’s such a shame that it was never officially recorded!

The CD on which Josephine Barstow sings the original Alfano ending with Lando Bartolini (Decca 4302032) has unfortunately been out of print for years. It really deserves to be re-issued.

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

In Dutch:
Het laatste woord over Turandot is nog niet gezegd

Rosa Raisa: from the Bialystok ghetto to La Scala in Milan

Het laatste woord over Turandot is nog niet gezegd

https://c8.alamy.com/comp/C5WMNB/turandot-poster-for-the-1926-production-of-puccinis-opera-at-la-scala-C5WMNB.jpg

WENEN 1983

Turandot Carreras

Harold Prince, met maar liefst 21 Tony Awards op zijn naam één van de grootste (zo niet de grootste) producers/regisseurs van musicals, nam in 1983 ‘Turandot’ (Arthaus Musik 107319) onder handen, met een zeer indrukwekkend resultaat. Hij creëerde een door angst geregeerde schijnwereld, waar de in spetterende kostuums gestoken bewoners zich (en hun ware gevoelens) achter de maskers verschuilen. Schitterend en angstaanjagend tegelijk.

Eva Marton zingt een fenomenale Turandot en Katia Ricciarelli is een broze, meelijwekkende Liù. haar met de mooiste pianissimi uitgesponnen “Signore ascolta” is hartbrekend.

En José Carreras… Ook om hem moet ik huilen, want toen, op zijn 37e, beschikte hij over één van de mooiste (lyrische) stemmen ter wereld. Maar Calaf was zijn rol niet. Hij zingt hem werkelijk prachtig, maar men hoort hem zijn eigen grenzen overschrijden. En toch …. Zijn hopeloze machogedrag, dat tegen elk beter weten ingaat, klopt niet alleen met het regieconcept, het illustreert ook het best Calafs karakter. Althans voor mij

Het orkest uit Wenen staat onder leiding van Lorin Maazel. Niet mijn geliefde dirigent, maar hier heb ik geen reden om te klagen

NEW YORK 1987

Turandot Domingo

Er was een periode dat ik dacht, dat ik het helemaal heb gehad met de larger than live producties van Franco Zefirelli. Dacht ik, want nu kan ik er alleen maar smachtend naar terugverlangen. Des te meer dat het niet alleen maar pracht en praal was: Zefirelli was ontegenzegelijk een zeer goede personenregisseur de interactie was bij hem ook altijd perfect getimed.

Plácido Domingo is een verhaal apart. Zoals velen van u weten (zo niet, dan weet u het nu) is hij mijn absolute hero en idool, maar hij is zo vriendelijk! En lief! Hij zingt de rol beter dan Carreras (overigens – geen van beide heren was een kampioen van de hoge noten). Zijn stem is groter en sterker, maar qua karaktertekening wint Carreras het van hem.

Leona Mitchell (wat is er toch met haar gebeurd?) is een zeer ontroerende Liù. En haar huidskleur maakt dat je haar inderdaad als de slavin (dus niet goed genoeg voor Calaf) kan meebeleven.

VALENCIA 2008

 

Voor de liefhebbers van sprookjes, bedwelmend mooie en kleurrijke kostuums, overweldigende decors, en van opera ‘zoals opera hoort te zijn’: van de in mei 2008 opgenomen productie uit Valencia gaat je hart sneller kloppen en zelfs met je oren dicht ga je immens genieten.

De beroemde Chinese filmregisseur Chen Kaige (o.a. ‘Farewell to my Concubine’) trekt alle registers open en laat je, al vanaf het allereerste moment, naar adem happen. Aan visuele weldaad geen gebrek aldus, wat niet betekent dat het muzikaal niet goed is.

Maria Guleghina is niet de subtielste van de hedendaagse sopranen. Ze blijft altijd een beetje ongenaakbaar en onderkoeld, maar ze heeft een dijk van een stem en haar hoge noten staan als een huis: ziehier de perfecte vertolkster van de titelrol.

Marco Berti is het prototype van een ‘ouderwets Italiaanse tenor’: rechttoe rechtaan, weinig beweging. Zijn geluid is echter ook onmiskenbaar ‘ouderwets Italiaans’: groots, rinkelend, met een vleugje Bergonzi in zijn timbre en een prachtige hoogte.

Alexia Voulgaridou is een zeer ontroerende Liù en de drie ministers zijn buitengewoon overtuigend.

Het orkest (Orquestra de la Comunitat Valenciana) onder maestro Mehta doet zijn best om zo Chinees mogelijk te klinken, wat ze wonderwel lukt (C Major BD 700404/DVD 700308).

ARENA DI VERONA 2010

Turandot Licitra dvd

Hier heb ik het moeilijk mee. Ik kijk en luister naar Salvatore Licitra en kan mijn tranen niet bedwingen. Hij is nooit mijn geliefde tenor geweest, maar, met de wetenschap dat je kijkt en luistert naar wat waarschijnlijk zijn allerlaatste opname is geweest (in september 2011 kreeg hij een dodelijk ongeluk op zijn geboorte eiland, Sicilië), maakt het beoordelen, laat staan ‘genieten’ zeer lastig.

Turandot Licitra

Salvatore Licitra courtesy of San Diego Opera

En wat moet ik over de productie zelf vertellen? Het is een goede oude Zefirelli, met alles erop en eraan, al verandert hij her en der wat. Maar de sfeer in Verona is om jaloers op te zijn, zo mooi.

De maan is verlicht en je waant je midden in een sprookje. De beelden zijn ontegenzeggelijk prachtig en het blijft een fascinerend spektakel, zeker als je daar gevoelig voor bent.

En de uitvoering? Maria Guleghina was toen de allerheersende Turandot en zij doet het zonder meer goed, maar ook zij is een dagje ouder geworden en er is een soort routine in haar stem en voordracht geslopen. Ik hoor ook een rafelig randje in haar hoogte.

Luiz-Ottavio Faria is een zeer ontroerende Timur en Tamar Iveri een mooie, maar niet een echt memorabele Liu. Moeilijk (BelAir BAC066).

ROYAL OPERA HOUSE LONDON 2013

turandot Serban

Heeft u ook zo’n hekel aan Calaf? Voor mij behoort hij tot de meest onsympathieke operahelden: egoïstisch, egocentrisch en belust op geld en macht, in staat om alleen maar van zichzelf te houden. Eenmaal op drift kan hij door niets en niemand worden tegengehouden: noch door de smeekbeden van Liu en zijn vader, noch door de wijze woorden van Ping, Pang en Pong. De wereld waartoe hij wil behoren is er een van glitter en valse schijn, waar alleen maar de buitenkant telt.

Of denkt u werkelijk dat hij verliefd is op Turandot?

Soms verdenk ik Puccini ervan dat hij met opzet zijn opera niet had afgemaakt, want: hoe brouw je een happy end aan een sprookje dat een aaneenschakeling is van martelingen, moorden en zelfmoorden?

Wellicht ben ik de enige niet. Regisseur Andrei Serban laat de opera na de dood van Liu één lange minuut stoppen, waarin alle handelingen bevriezen. Daar ben ik hem bijzonder dankbaar voor, want de hartenkreet van Timur (“word wakker Liu, het is al ochtend”) echoot zo na in je hoofd.

De vijfendertig jaar oude productie – die, na de halve wereld te zijn afgereisd, in 2013 weer eens terugkeerde naar Covent Garden – heeft niets aan pracht verloren en boeit nog steeds van het begin tot het eind. De voorstelling is met zijn prachtige choreografie een lust voor het oog: wervelend en kleurrijk, met een zeer dominante kleur rood.

Marco Berti is een prima hoewel wat statige Calaf en Lise Lindstrom zingt een zonder meer overtuigende Turandot. Iets wat ik helaas niet kan zeggen van Eri Nakamura (Liu).

De jonge Henrik Nánási heeft zo te horen nog een lange weg te gaan voordat hij zich een ‘Puccini-dirigent’ mag noemen. Nu ontbreekt het hem (nog?) aan een dosis gezond sentiment. Maar kundig is hij wel.

Dit is niet de beste uitvoering van Turandot die er is, maar wellicht, voor mij althans, wel één van de mooiste om te zien.

Hieronder trailer van de productie:

EN OP CD

Turandot Cigna

Jarenlang was de opname met Birgit Nilsson, onder leiding van Francesco Molinari-Pradelli (ooit EMI 7693272) mijn absolute favoriet. Beter kon en kan niet, basta. Tot ik een poos geleden een heel erg lang niet meer beluisterde cd met Gina Cigna uit de kast trok (Naxos 8.110193-94) en nu weet ik het niet meer.


Zowel Nilsson als Cigna hebben een dijk van een stem waarmee ze makkelijk de rol aankunnen, maar Cigna beschikt over veel meer ‘italianitá’. Daartegenover staat de ijzige kilte in Nilssons timbre, waardoor ze een personificatie van de ijsprinses lijkt te zijn.

Franco Corelli en Francesco Merli zijn aan elkaar gewaagd: macho en krachtig. Maar Merli klinkt iets afstandelijker dan de warmere en zeer verleidelijke Corelli.

Turandot Scotto

Renata Scotto is een zeer broze en ontroerende Liu, maar dat is de jonge Magda Olivero ook.

Moeilijk. Aan u de keuze. Hoewel: wie zegt dat u moet kiezen?


ALFANO

Turandot Alfano en Puccini

Franco Alfano met Puccini

Tot slot nog een paar woorden over het ‘Alfano einde’. Een jaar of vijfentwintig geleden (gaat de tijd zo snel!?) werd het in de Vlaamse Opera in Antwerpen opgevoerd en sindsdien ben ik er een echte fan van geworden. Het is zo ontzettend jammer dat het nooit officieel is opgenomen!

Turandot Barstow

Ook de cd met Josephine Barstow, waarop zij met Lando Bartolini de originele Alfano-finale heeft opgenomen (Decca 4302032) is al jaren uit de handel. Het wordt tijd dat het hersteld gaat worden!

Turan Dokht toch, of toch Turandot?

Rosa Raisa: van het getto in Bialystok naar La Scala in Milaan

Britten’s Billy Budd: brilliant music to a brilliant libretto

1700602
Perfect goodness, does it have the right to exist? In his novel Billy Budd, Herman Melville set the absolute evil against the perfect goodness and made them perish both.

billy-melville

The story about the angelically beautiful, honest but oh so simple and naive Billy, that takes place on a ship with only men and between men, has of course always had a double meaning. Some things could only be implied. Maybe that was a good thing, because it produced some real masterpieces.

One of them was a film by Peter Ustinov starring Terence Stamp.

Below is a trailer of the film:

And one of the best, at least for me, operas of the twentieth century.

britten

For Benjamin Britten it was a rewarding theme. Elements such as the individual versus society, corruption, sadism, despair, a sense of responsibility and, of course, homo-eroticism were often used by him in his works. He was also able to include his pacifist ideas in them.

The story can be told quickly: Billy Budd is accused of treason by Claggart, the Master-at-Arms. He then strikes his accuser dead, and is sentenced to hang by Captain Vere. However, in the background, feelings of love, powerlessness and revenge play the real leading role.

For Claggart, the personification of evil, it is clear that he must destroy beauty, otherwise it will be his own downfall. “Having seen you, what choice remains to me? With hate and envy, I am stronger than love” he sings in his big, almost Iago-like aria ‘O beauty, o handsomeness, goodness’.

Captain Vere, aware of his true feelings for the young sailor, doesn’t have the courage to save his life. Only years later, looking back at the events of that time, he realizes that he should have acted differently.

WORLD PREMIERE 1951

billy-uppman

Billy Budd is a role that is traditionally played by a (very) attractive singer. He has to be, he is not called a ‘beauty’ and a ‘baby’ for nothing. He is almost always put on the stage partially or even completely shirtless – no wonder that almost all of the baritones that are labeled as the ‘hottest’ have the role on their repertoire nowadays.

Britten himself is not entirely blameless in this. His very first Billy, Theodor Uppman, was personally selected by him for his exceptionally attractive appearance. Not that he couldn’t sing, on the contrary! The American baritone had a very pleasant, warm timbre, in which naivety went hand in hand with hidden sex appeal.

The world premiere took place on December 1, 1951 in the ROH in Covent Garden and the recording of it has fortunately been preserved (VAIA 1034-3). It is particularly fascinating to hear the voices of the singers for whom the opera was originally created.

The role of Captain Vere was written for Britten’s partner, Peter Pears. Not the most beautiful tenor voice in the world, but one with character, body and great ability to express things. The role of Claggart was sung by a good (but no more than that) Frederic Dalberg and in the smaller roles of Mr. Redburn and Mr. Flint we hear the future greats: Geraint Evans and Michael Langdon. The sound quality is amazingly good.

In 1952 Billy Budd was recorded with Upmann in the lead role for television. There is a video recording of it:

In the sixties Britten adapted and made his opera tighter: he turned the four acts into two. The new version had its premiere in 1964, under Georg Solti.

BBC, 1966

billy-glossop

In 1966 the BBC recorded the work in their studios for TV and a while ago it was released on DVD (Decca 0743256). The role of Captain Verre was again sung by Peter Pears, now audibly older, but also more experienced. And he is helped by the images: his portrait of the desperate and guilty old captain is of an unprecedented intensity.

For the role of Billy a young English baritone, Peter Glossop, was asked – it has been said that Uppman had by now become visibly too old for the role. It is also said that Britten was considering asking Fischer-Dieskau for that role. I don’t know if it’s true (since Britten himself wanted a handsome young man for the role, the rumours seem to me to be no more than rumours), but imagine! I don’t even want to think about it!

Glossop is much rougher than all the other Billy’s I know, he is also on the robust side, but it’s nowhere disturbing. It’s hard to call him a ‘baby’, but he’s very attractive and he has the power to kill someone with a slap of his arm.

Michael London has been promoted from Mr. Flint to Claggart, a role that fits him like a glove. In the smaller roles we meet again singers of name: John Shirley Quirk (Mr. Redburn), Benjamin Luxon (Novice’s Friend) and as Novice a truly inimitable young Robert Tear.

The London Symphony Orchest is led by the ever-reliable Charles Mackerras.

It is filmed in black and white and the very realistic images make you feel as if you are in the middle of an old classic, which is of course true. It is a movie. It’s certainly fascinating and a must, but of course not comparable to a live performance in the theatre.

ENGLISH NATIONAL OPERA, 1988

billy-allen

It took almost 20 years before the next Billy presented himself, at least on an official document: in 1988 Tim Albery staged the opera at the ENO (Arthaus Musik 100 278).

The production is both visually and musically very strong. The production is tight and to the point, the images speak to the imagination and the libretto is followed very faithfully. Here no spectacular shots: it is also simply filmed in the house.

As for the performance … Well, the big word has to be said: it’s the best ever and I just can’t imagine that it will ever be matched again.

Thomas Allen is Billy. He has everything to make the role his own and he will probably be associated with it for eternity. He has the looks, he can act and he has a voice that makes you melt. His “Look! Through the port comes the moonshine astray” (he was the first to include the aria in his song recitals – now every baritone does it) can’t leave you unmoved.

Philip Langridge (Vere) convinces me even more than Peter Pears and Richard Van Allan seems like a devil in persona. The English National Opera Orchestra is outstandingly conducted by David Atherton.

Below Thomas Allen as Billy:

CHANDOS, 2000

billy-keenlyside

12 years later, in 2000, the opera was recorded “semi-live” for Chandos (CHAN 9826(3)). That is to say: it was recorded in the studio, but after a series of concert performances in the Barbican Hall.

Richard Hickox is an excellent conductor, but no match for Atherton or Mackerras. But the cast is again sublime and if I could take one opera CD to a deserted island then the chances are that it will be this Billy.

John Tomlinson is probably the strongest of all Claggarts ever, especially vocally. What a dominance and what an authority!  Philip Langridge repeats his brilliant Vere and Simon Keenlyside is, at least for me, one of the best Billys after Thomas Allen.

He is less naive than Allen, tougher than Uppman but much softer than Glossop. He is the goodness … So beautiful! Mark Padmore deserves a special mention as Novice.

Below Simon Keenlyside as Billy:

VIRGIN CLASSICS, 2008

billy-gunn

In 2008 the opera was recorded by VirginClassics (50999 5190393). The London Symphony Orchestra was conducted by Daniel Harding. Definitely good, but more beautiful than the recordings above? Well, no.

Here the role of Billy is sung by one of the greatest American ‘barihunks’ of the moment, Nathan Gunn. I’ve heard the singer live a couple of times and I know how charismatic he is, but I’d rather choose one of his colleagues. His Billy is too self-confident for me, too present too.

Gidon Saks has a great voice, but it’s not enough for Claggart. Besides, he sounds too young. And I can be brief about Ian Bostridge (Vere): mannered. Like everything he touches, his Vere is his narcissistic alter ego instead of a character from the story.

If the recording hadn’t come out on CD but on DVD, I probably would have liked it better, especially because of Nathan Gunn’s part, because optically he is really more than admirable.

Below Nathan Gunn as Billy:

GLYNDEBOURNE, 2010

dvd_bri_billybudd

In the production of Michael Grandage (Opus Arte OA 1051 D) recorded in Glyndebourne in June 2010, we are actually on the military vessel, in the middle of the sea. The time of action is also clear: the eighteenth century.

The costumes are very realistic and everything that happens on stage is also in the libretto. The decor is beautiful and leaves a overwhelming impression. Here one can only utter ‘oh’ and ‘ah.’ But it is not only the entourage that impresses. Michael Grandage, who makes his opera debut with this, creates an atmosphere that is psychologically quite charged. The tension is excruciating. I can’t stop talking about how he directs the characters either. You rarely experience such an intelligent production these days.

We witnessed Jacques Imbrailo’s phenomenal Billy in Amsterdam in March 2011, but here, also thanks to the close-ups, he impresses even more.

John Mark Ainsley is inimitably good as Vere and Philip Ens convince as the evil spirit Claggart. Ben Johnson is a very moving Novice and Jeremy White a more than excellent Dansker.

Below is Jacques Imbrailo as Billy:


the article in Dutch:
BILLY BUDD: geniale muziek bij een geniaal libretto

Interview with Sir Thomas Allen:
SIR THOMAS ALLEN

Billy Budd in Düssseldorf:
IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 2: BILLY BUDD

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Het een en ander over Die Frau ohne Schatten

frosch Amme_van_Alfred_Rollerkopie

Er wordt gezegd dat De vrouw zonder schaduw een soort remake van De Toverfluit is. Daar zit wat in, want ook in dit, zeer moralistisch sprookje worden de hoofdpersonen aan de verschrikkelijkste beproevingen onderworpen, die, mits goed doorstaan, een (beter) mens van je maken. Je kan er ook een ‘Pelleas-achtige’ symboliek in ontdekken, en ook Das Rheingold en Siegfried zijn nergens ver weg. Maar, simpel gezegd, is deze opera voornamelijk een soort apotheose van een met veel kinderen verrijkt huwelijksleven

‘FROSCH’, zoals de opera in de wandelgangen wordt genoemd, geldt als de moeilijkst te bezetten opera van Strauss – één van de redenen waarom hij bijna altijd wordt gecoupeerd. Jammer vind ik dat, des te meer daar er o.a. in het ‘melodrama’ (de uitbarsting van de Keizerin als ze zich realiseert dat de Keizer al bijna helemaal is versteend) wordt geknipt, en dat vind ik nou (samen met het begin van de derde acte) één van de spannendste en de meest dramatische momenten in de opera.

DVD’S
GEORG SOLTI, 1992

frosch martondvd3a

In 1992 dirigeerde Solti in Salzburg een helemaal complete uitvoering van het werk. De regie van Götz Friedrich werd toen bijzonder sterk gevonden, maar ik vind het niet helemaal bevredigend. De mise-en-scène is zonder meer voortreffelijk, maar in de personenregie schiet hij te kort, waardoor de zangers een beetje onbeholpen van hot naar her hollen.

Het mooi vormgegeven bühnebeeld is fraai met zeer minimalistische maar realistische decors, maar de kostuums zijn soms een beetje bizar. Er wordt veel gebruik gemaakt van stroboscoopverlichting, wat in combinatie met heftige muziekpassages nogal gewelddadig kan overkomen.

Cheryl Studer is een droom van een Keizerin. Haar stem, met een zeer herkenbaar timbre en prachtige hoogte, is zwevend, transparant bijna, onschuldig en erotisch tegelijk. Thomas Moser is een aantrekkelijke Keizer, wellicht een tikkeltje te licht voor zijn rol, wat hem af en toe ademnood en geperste noten bezorgt, maar hij zingt prima.

Robert Hale (Barak) was toen al uitgezongen, nog geen 50 jaar oud. Jammer, want zijn portrettering is zeer charismatisch. Eva Marton doet pijn aan je oren, maar is zo betrokken, dat je het haar vergeeft. Haar wanhoopsaria aan het begin van de derde akte is ontroerend en bezorgt je kippenvel.

De erepalm gaat echter naar Marjana Lipovšek, die een werkelijk fenomenale Amme neerzet. Wat die vrouw aan kleurnuancen tot haar beschikking heeft en hoe ze met haar (zeer warme) mezzo omgaat, grenst aan het onmogelijke. Daarbij is ze ook een begenadigd actrice, ik kon mijn ogen niet van haar afhouden. (Decca 0714259)

WOLFGANG SAWALLISCH, 1992

frosch die-frau-ohne-schatten-073408388

Een half jaar later werd FROSCH gepresenteerd in Japan. Het was de allereerste keer dat die opera daar werd uitgevoerd, en de verwachtingen waren dan ook hoog gespannen. De productie lag in handen van een algeheel Japans team aangevoerd door Ennosuke Ichikawa, een beroemd regisseur en toneelspeler van het Kabuki-theater.

Wat hij en zijn collega’s hebben bereikt is gewoon betoverend. FROSCH laat zich wonderbaarlijk vertalen naar de regels van Kabuki, sterker – daar wint hij aan geloofwaardigheid en spanning door. Lipovšek is hier nog gemener, nog kwaadaardiger dan bij Solti. Haar bewegingen zijn nu kleiner en meer ingetogen waardoor ze, merkwaardig genoeg, aan zeggingskracht winnen, en ze nog meer met haar stem kan doen.

Peter Seiffert is een excellente Keizer, zijn stem is rijk, elegant, warm, gevoelig en buigzaam, en al zijn hoge noten klinken als een klok. Jammer genoeg is de Keizerin niet van hetzelfde niveau. Luana DeVol intoneert ruim, haar sopraan klinkt schril en is totaal verstookt van lyriek (waarom hebben ze Studer niet meegenomen?), maar ze is een zeer overtuigende actrice.

Alan Titus en Janis Martin zijn misschien een tikkeltje minder intensief dan Hale en Marton bij Solti, maar hun stemmen klinken veel aangenamer. Acteren kunnen ze ook, en hoe! Bovendien oogt Martin zeer aantrekkelijk, hetgeen niet onbelangrijk is voor die rol. Het orkest olv van Sawallisch vind ik nog mooier dan bij Solti, sprookjesachtiger, doorzichtiger ook, en zwoeler …  Een waarlijk fenomenale productie. (Arthaus Musik 107245)

CD’S

KARL BÖHM 1955

frosch4011790668321

De allereerste registratie van de opera dateert uit 1955. Hij werd in Wenen live opgenomen, en is door het team van Orfeo verbazingwekkend goed opgepoetst.

Leonie Rysanek is de allerbeste Keizerin die ik ooit heb gehoord. Ze durft risico’s te nemen, en voert haar prachtige, lyrische sopraan tegen de grenzen van het onmogelijke. Met die rol heeft ze toen een norm gezet, waar niet makkelijk tegen op te boksen valt.

Hans Hopf (Keizer) heeft een soort “heroïsche” manier van zingen waar ik niet echt van houd, maar ik kan me voorstellen dat hij door veel liefhebbers als een ideaalbezetting wordt beschouwd. Kwestie van smaak, zou ik zeggen.

Elisabeth Höngen is een vileine Amme, en Christel Glotz een indrukwekkende, al niet altijd zuiver intonerende Färberin. Böhm dirigeert zeer liefdevol (Orfeo D’Or 668053)

HERBERT VON KARAJAN, 1964

frosch r-strauss-die-frau-ohne-schatten-0028945767828

In 1964, ter gelegenheid van 100ste geboortedag van Strauss, dirigeerde Karajan een zeer bevlogen FROSCH in de Wiener Staatsoper. De bezetting van de Färberin door Christa Ludwig is niet echt idiomatisch, maar ze haalt ze wel, haar hoge noten, en haar lezing van de rol is op zijn minst zeer indrukwekkend.

Qua stemschoonheid is Walter Berry (toen ook in het echt haar man) wellicht de mooiste Barak, helaas valt Jess Thomas (Keizer) me een beetje tegen. Leonie Rysanek herhaalt haar magnifieke lezing van de Keizerin, nog intenser, nog meer met de rol vergroeid.

De luxueuze bezetting van de kleine rollen door Fritz Wunderlich (de Jüngeling) en Lucia Popp (o.a. Falke), maakt de opname nog aantrekkelijker. Karajan dirigeert zoals we van hem gewend zijn – narcistisch maar o zo imponerend en met veel gevoel voor nuances. (DG 4576782)

GEORG SOLTI 1987-1990

frosch 28943624329

U kunt niet om Solti’s studioregistratie (hij heeft er drie jaar over gedaan, tussen 1987-1990) heen, alleen al omdat hij elke noot die door Strauss is geschreven, heeft opgenomen.

De bezetting van de Keizer door Plácido Domingo werd toen door de vele ‘puristen’ als een aanslag op het werk beschouwd. Onterecht. Zijn stem is in alle opzichten ideaal voor die rol en met zijn muzikaliteit, de kleuren in zijn stem en zijn meer dan gewone stemacteertalent zet hij een zeer humane en kwetsbare Keizer neer.

Julia Varady is, wat mij betreft, samen met Studer de beste Keizerin na Rysanek, wat een stem, en wat een voordracht! Hildegard Behrens is een verscheurde Färberin, haar volledige identificatie met de rol is grenzeloos. (Decca 4362432)


Madama Butterfly: drie (cd) opnamen waar ik niet zonder kan

Butterfly

Female Attendant Helps Madama Butterfly to Dress Giclee Print by C.d. Weldon | Art.com

Het leven van een operaliefhebber is incompleet zonder minstens één Madama Butterfly op de plank – tenzij u natuurlijk een Puccini-hater bent (ze bestaan echt!), maar in dit geval leest u het toch niet….

RENATA SCOTTO

Butterfly Scotto

Voor mij een absolute ‘numero uno’ is de in 1966 bij EMI (tegenwoordig Warner 0190295735913) verschenen opname onder Sir John Barbirolli. Renata Scotto bewonder ik niet alleen vanwege haar prachtige stem, maar ook (en misschien voornamelijk) vanwege haar totale identificatie met iedere rol die ze ooit gezongen heeft.

Begonnen als een lyrische coloratuursopraan, schitterde ze voornamelijk in opera’s van Bellini en Donizetti, om in de jaren zestig langzamerhand ook zwaardere rollen op haar repertoire te zetten. Madama Butterfly was er één van, en daarmee zette ze een standaard die nog steeds niet is geëvenaard.

Hieronder: privé opname van het liefdesduet met Renata Scotto en Giacomo Giacomini

Je kan je een lyrischer of juist een meer dramatische Cio Cio San indenken; eentje met minder metaal in haar stem of eentje met kinderlijker stem. Maar geen andere zangeres wist zo het complexe wezen van het meisje te doorgronden en haar verandering van een naïef kind in een volwassen, door immens verdriet gebroken vrouw zo te karakteriseren.

Hieronder: Scotto zing ‘Con onor muero’ in Arena di Verona in 1987

Vijftien is Cio Cio San als de opera begint en nog maar achttien bij haar tragische einde, maar in die drie jaar heeft zij een ontwikkeling doorgemaakt, waar een gewoon iemand een heel leven voor nodig heeft. En dat alles hoor ik in Scotto’s interpretatie.

Carlo Bergonzi is een prachtig gezongen, een ietwat afstandelijke Pinkerton en Rolando Panerai een zeer warme Sharpless.


CLARA PETRELLA

Butterfly Petralla

Op nummer twee op mijn lijstje staat een Italiaanse Rai-opname uit 1953 (Urania URN22.311) met in de hoofdrol Clara Petrella. Deze verschrikkelijk ondergewaardeerde sopraan is een zeer dramatische Butterfly, met een intensiteit die je bij het beluisteren gewoon pijn doet.

Feruccio Tagliavini roept met zijn zoete, lyrische stem een sfeer van liederen van Tosti op: dit is een Pinkerton om verliefd op te worden.


VICTORIA DE LOS ANGELES

Butterfly de los Angels

Op nummer drie ook een oudje: een in 1954 door EMI opgenomen en inmiddels op Regis (RRC 2070) heruitgebrachte opname met Victoria de los Angeles en Giuseppe di Stefano. De los Angeles is een Butterfly met een kinderlijke warmte, broos, breekbaar. Haar te kwetsen voelt alsof je de Madonna zelf gekwetst hebt. Daar past Giuseppe di Stefano met zijn zeer macho tenor wonderwel bij.


Is verismo dead? Part 1: Cavalleria Rusticana

cavalleria-rusticana-mascagni

La Morte de Verismo: Verismo is dead. In recent years, this heartfelt cry has been the subject of intense discussion on opera mailing lists, in opera groups on Facebook and during emotional conversations and discussions among many fans of the genre. But is it true? Is verismo dead?

People say verismo and think: Mascagni and Leoncavallo. Rightly so? Cavalleria Rusticana and certainly Pagliacci are among the most popular operas ever. The most tragic as well. But that is not only because of their content. They are about passion, love, jealousy, revenge and murder, but that and also the rough realism does not make them more violent than Carmen. And we have also experienced ‘ordinary people’ and ‘present time’ in operas before, in La Traviata for example.

No, what actually makes these operas so tragic is the fate of their creators. Both works caused a huge sensation and left their creators with a blockbuster they could never equal again. Not that they composed nothing else or that the quality of their later operas leaves much to be desired. On the contrary. La Bohème by Leoncavallo or L’Amico Fritz by Mascagni, for example, are true masterpieces.

The ‘why’ is difficult to answer, although many explanations have been given. Mascagni would not have remained true to his style and started to compose in the romantic style again. But that is not true: Cavalleria contains many passages that are just as lyrical as L’Amico Fritz, for example,  and Cavalleria is no more dramatic than lets say Iris.

pietro-miscagni-bbc-archives

Pietro Mascagni. Photo courtesy BBC archives

“Crowned before I became king”, Mascagni sarcastically remarked (‘Cavalleria’ was his first opera, composed when he was 26 years old), and that goes for Leoncavallo as well. Whatever the cause may be, both composers have, inseparably linked, gone down in history as composers of only one opera.

The same thing happened to their contemporaries and/or contemporaries of style (they preferred to call themselves ‘La Giovane Scuola’ – ‘The Young School’). The few people who have heard of Giordano, Catalani, Franchetti or Cilea probably cannot name more than one opera. Or even worse: one aria.

It is difficult to say what caused this, and is worth exploring, but the fact is that after the thirties and forties (and also the early fifties) the genre suddenly became ‘not done’. Intellectuals considered the genre as beneath themselves and the sobs in the aria ‘Vesti la giubba’ from Pagliacci became the example of bad taste.

Cavalleria Rusticana and Pagliacci have always remained popular with audiences, though. The real lovers have never taken any notice of this intellectual criticism (especially the eighties and nineties of the last century were ruthless for verismo).

CAVALLERIA RUSTICANA

mascagni

The premiere of Cavalleria Rusticana took place in 1890, three years after Otello and three years before Falstaff by Verdi. The leading roles were sung by Gemma Bellincioni as Santuzza and her husband Roberto Stagno as Turiddu.

cavalleria-bononcioni-met-man

Thanks to Edison and his invention we know how the first Santuzza sounded, because in 1903 Bellincioni recorded ‘Voi lo sapete, o mamma’  (SRO 818-2). What do we hear? Bellincioni has a light soprano, with an easy height, but with a dramatic core. It seems that she had had little success with the then standard repertoire, but her presence, her acting and interpretation made her very suitable for the new operas composed in the verist style.

Bellincioni sings ‘Voi lo sapete o mamma’:

How does a perfect Santuzza sound? You have to have power, that is clear. You also have to be able to act, especially with your voice, because few roles have so much duality in them: her eternal nagging gets on your nerves and you get tired of it, but at the same time she is pitiful and you have sympathy for her. As in real life, and that real life must also be reflected in the interpretation, which cannot be achieved by just singing beautifully.

That’s why the greatest singing actresses have recorded the best Santuzzas. You notice that too when looking at the list of Santuzzas: Giannina Arangi-Lombardi, Zinka Milanov, Carla Gavazzi, Eileen Farrell, Giulietta Simionato, Maria Callas, Elena Souliotis, Renata Tebaldi, Renata Scotto. And Lina Bruna Rasa of course, the beloved Santuzza of Mascagni.

cavallerie-bruna-rasa-cav

Milan 1940

In 1940 the 50th anniversary of Cavalleria was celebrated with special performances at La Scala, after which the whole cast went into the studio to make a recording of it. The line-up was the best possible, with next to Lina Bruna Rasa, Benjamino Gigli as Turiddu, Gino Becchi as Alfio and Giulietta Simionato as Mamma Lucia (strangely enough Simionato often sang the role of Santuzza afterwards).

cavalleria-1940

The first thing that stands out in Mascagni’s conducting is the emphasis he places on lyricism and a lilting tone , which makes the melodic lines stand out more clearly. On no other recording does the prelude sound so idyllic, and nothing better indicates the drama that is about to take place, which contrasts sharply with the Santuzza – Turiddu duet.  It makes the drama more poignant, more intense.

Gigli was one of the best Turiddu’s in history: seductive and frivolous, and (sorry, but it is true) only in Domingo did he get a worthy competitor. Because neither Giuseppe di Stefano (too light), nor Jussi Björling (too nice), nor Mario del Monaco (too roaring), nor José Carreras (although he comes close) could give Turiddu a hint of three-dimensionality.

Gigli as Turiddu. Recording from 1927:

At the time of the recording Bruna Rasa was 33 years old and since a few years she suffered from terrible depressions. The first symptoms of a mental illness had also manifested themselves and she had trouble remembering the text. Yet there was no question that anyone else would sing that role, and Mascagni helped her as much as he could.

Lina Bruna Raisa sings’ Voi la sapette o mamma’:

The original recording appeared on 2 CDs on EMI which were filled up with arias from other Mascagni operas sung by Gigli. Unfortunately on the re-release on Naxos (8110714-15) some orchestral preludes and intermezzi from different operas, all performed by the Berlin State Opera Orchestra conducted by Mascagni are added instead. Both EMI and Naxos start with a short speech by the composer.

Below the complete opera, conducted by the composer:

The Hague 1938

Afbeeldingsresultaat voor animal

Two years earlier, in 1938, the widow of Maurice De Hondt brought Mascagni and his opera to The Hague. The performance of 7 November was recorded live and was released on CD (Bongiovanni BG 1050-2 ).

The live recording sounds pretty good, especially for its age, and the stage sounds (including a very audible prompter) and the coughing audience are not really disturbing. The tempi are a bit faster than on the Naxos recording, but still a little on the slow side.

Cavalleria Bruna Raisa NL

The line-up is slightly less spectacular than two years later, but still very good. Antonio Melandri is a baritone Turiddu and Alfro Poli gives excellent shape to Alfio. Of course Mascagni had brought Bruna Rasa, and what she shows here surpasses everything: so intense, so desperate, so heartbreaking, like no other Santuzza ever sounded. Because of her interpretation alone, this special document is invaluable.

Franco Zefirelli

cavalleria-domingo

This part movie/part studio recording of Franco Zefirelli (DG 0734033) could have been the ultimate adaptation if it had not been for Elena Obraztsova who plays the role of Santuzza. That she is a bit older and unattractive – ok, that fits the story. But her voice is lumpy, sharp and her chest register is painful to the ears. She also suffers from over acting which makes her an extremely unsympathetic Santuzza.

One can’t blame Turiddu (Domingo at his best) for preferring to look at Lola (nice Axelle Gall). Just look at his eyes and his corners of the mouth, which speak volumes! For the rest nothing but praise for this recording, which (how could it be otherwise?) is coupled with ‘Pagliacci’, with again Domingo in top form and an excellently acted Nedda by Teresa Stratas.

In 1956 in the Rai studios one of the most beautiful Cavallerias was recorded, with Carla Gavazzi, Mario Ortica and Giuseppe Valdenga.

This recording can now be found on Youtube:

DOMENICO MONLEONE

cavalleria-monleone-portret

What many people don’t know: there are actually two (and even three if you include La Mala Pasqua by a certain Stanislao Gastaldon from 1888) Cavalleria Rusticana’s. Domenico Monleone (1875 – 1942), a composer not unknown  at the time, also used the story of Giovanni Verga for his one-acter, which his brother Giovanni converted into a libretto.

cavalleria-monleone-painting

Illustration Gamba Pipein. Courtesy Boston Public Library, Music Department

Sonzogno, Mascagni’s publisher, accused Monleone of plagiarism (and indeed: careful study shows that Monleone’s libretto is closer to Mascagni than to Verga’s original story), after which the opera was not performed anywhere for a long time.

Until 1907, when Maurice de Hondt brought Monleone to Amsterdam, where his opera had its belated premiere. Coupled with … yes! Cavalleria Rusticana.

Both works were directed by their composers: it apparently did not bother Mascagni that his colleague had ‘borrowed’ his libretto from him.

cavalleria-monleone

Il Mistero

cavalleria-il-mistero

Nevertheless, Monleone had to accept the court ruling, which meant that he had to find a new libretto for his music.

It was changed into Il Mistero, another story by Verga, and this time the author himself had helped Giovanni Monleone with the libretto.

Both operas with the same music but on two different libretto’s were released by Myto on CD’s (Cavalleria: 012.H063; Il Mistero: 033.H079). In both works the leading role (Santuzza/Nella) is sung by Lisa Houben, originally from the Netherlands.

Duet Santuzza/Turiddu, sung here by Denia Mazzola-Gavazzeni and Janez Lotric. Recording was made in Montpellier, in 2001:

An amusing video: eight times ‘A te la mala Pascua’:

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

In Dutch: IS VERISMO DOOD? Deel 1: Cavalleria Rusticana