discografieën

LES CONTES D’HOFFMANN van Offenbach door de ogen van Carsen, Py en Pelly

Hoffmann affiche

Scenes from the Paris premiere 10 februari 1881 © Wikipedia

ROBERT CARSEN

Hoffmann Carsen

Die Carsen toch! Iedere keer als ik denk, dat hij zichzelf heeft overtroffen, komt hij met weer een nieuwe productie die de vorige in de schaduw stelt.

Waar hij het vandaan haalt weet ik niet, maar het is allemaal zo verschrikkelijk geniaal. Logisch voornamelijk, en altijd consequent doorgevoerd. Ook bij de enscenering van Les Contes d’Hoffmann opgenomen bij Paris National Opera in 2002  (Arthaus Musik 107027).

Het geheel is opgebouwd als de repetities en de voorstelling van Don Giovanni, waarin alle dramatis personae een dubbele rol spelen: die van zichzelf en van de participanten van de opera in de opera. Alles ligt in de handen van de regisseur (de zeer kordate en imposant overheersende Bryn Terfel), die alle touwtjes in handen heeft en behendig alles en iedereen manipuleert – zowel op de bühne als achter de coulissen.

Carsen heeft iets met glamour en pracht en praal, geen wonder dat alle vrouwenfiguren, inclusief de Barbie-achtige Olympia (schitterende Désirée Rancatore) het meest op de oude filmdiva’s lijken. Alles is doorspekt met vele opera- en filmcitaten, inclusief het kitscherige einde.

Het zingen is fenomenaal. Neil Schicoff (Hoffmann) is geweldig goed bij stem, Zijn Hoffmann stijgt die van Domingo naar de kroon. Maar ook Ruth Ann Swenson (Antonia), Suzanne Mentzer  (Muse) en Béatrice Uria-Monzon (Giulietta) zijn fantastisch en eigenlijk iedereen maakt grote indruk met zijn/haar optreden.

Het Orchestre et Choers de l’Opera National de Paris stijgt onder leiding van Jesus Lopez-Cobos tot ongekende hoogten.

OLIVIER PY

Hoffmann Py

Kunst, seks en dood, daar gaat Les Contes d’Hoffmann over volgens de Franse regisseur Olivier Py. Dat voert hij zeer consequent door in zijn productie uit 2008, die met veel beroering in Genève in première ging en een jaar later op dvd verscheen bij BelAir (BAC 049).

De drie begrippen zijn met elkaar verstrengeld in de belichaming van het verlangen. Zo vormen ze een soort drie-eenheid die verscholen gaat achter het masker van een ‘vrouw’.

Daar is Py zeer consequent in. Vandaar dat alle vrouwen op de bühne er precies hetzelfde uitzien. Met hun zwarte pruik en overdreven make-up lijken ze sprekend op Liza Minelli in Cabaret.

Er zijn doodsmaskers, begrafenisondernemers en skeletten, er is veel (frontaal, m/v) naakt en echte orgiën, en Olympia lijkt net een opblaaspop uit de sekswinkels. Ik vind het fantastisch. Het klopt, het is logisch en bovendien ongemeen spannend.

Het zeer futuristisch aandoende decor van steeds wisselende stellages van staal, spiegels, glas en (voornamelijk) aan- en uitgaande lichtjes is zeer suggestief. Het werkt.

Daarbij is de cast zeer sterk. De Belgische tenor Marc Laho is een prachtige Hoffmann. Zijn stem heeft iets weg van Alfredo Kraus – een echte ‘leggiero’ maar dan met meer kracht. En met een perfecte uitspraak van het Frans.

De schurken zijn in goede handen van Nicolas Cavallier en dames Stella Doufexis, Patricia Petibon, Rachel Harnish en Maria Riccarda Wesseling zijn allen meer dan overtuigend. Een aanwinst.

 

LAURENT PELLY

HoffmannDVD Pelly

Laurent Pelly stelt zelden teleur. Zijn enscenering van Les Contes d’Hoffmann, op dvd uitgebracht door Erato (hope;ijk nog steeds verkrijgbaar), is daar weer bewijs van. En ook de zangers laten het niet afweten, met glansrollen voor Michael Spyres en Natalie Dessay.

Niet alle hedendaagse producties kun je ‘eurotrash’ noemen. Ik denk dat de meeste regisseurs zeer integer te werk gaan en de reden dat wij er niet zo veel over horen is heel simpel: zij veroorzaken geen schandalen en dat is voor de pers niet interessant genoeg.

Neem nou Laurent Pelly: wat hij ook onder handen neemt, het verandert in goud. Toegegeven, soms is het een beetje ‘namaakgoud’, maar toch. Zijn ensceneringen zijn intelligent en altijd trouw aan de muziek.

Zijn Les Contes d’Hoffmann  uit Barcelona, 2013, is een beetje surrealistisch en voelt als een boze droom. Iets waar ik mij zonder meer in kan vinden. Alleen al hoe hij de incarnatie van Muse in Niclausse verbeeldt is een opera-oscar waard.

Michael Spyres behoort tot de steeds groeiende groep jonge tenoren, die nu nog in het lyrische vak zitten, maar die al een belofte voor ‘dramatico’ in zich hebben. De rol van Hoffmann vereist kracht, maar moet zeer lyrisch gezongen worden, denk aan Domingo in zijn jonge jaren. Daar voldoet Spyers ruimschots aan.

Zijn interpretatie van ‘Kleinzach’ is wellicht de beste die ik in jaren heb gehoord: perfecte hoge noten, allemaal al punto en dat ook nog met begrip voor de tekst. En zijn Frans is niet minder dan perfect.

‘Légende de Kleinzack’ gezongen door Michael Spyres:

Ook Natalie Dessay, één van de favoriete zangeressen van Pelly is van de partij. Nu niet meer als Olympia, de rol waar zij een stempel op heeft gedrukt, maar als de zieke Antonia. Een creatie om nooit te vergeten.

De jonge Kathleen Kim is een overtuigende Olympia en Tatiana Pavlovskaya een zeer sensuele Giulietta.

Ik ben een groot bewonderaar van Laurent Naouri en ook hier stelt hij mij niet teleur. Met zijn paars gelakte nagels en een “gedegen” make-up zingt hij een duivel uit duizenden. Simpelweg geniaal.

Over Pelly en Offenbach gesproken: u kunt absoluut niet om zijn regies van de operettes van Offenbach heen. Virgin (51930196) heeft een paar jaar geleden een werkelijk briljante La Vie Parisienne (daar is Die Fledermaus losjes op gebaseerd, wist u?) uit Lyon uitgebracht:

En mocht u het nog niet in uw bezit hebben: La Belle Hèléne (met de werkelijk onweerstaanbare Felicity Lott in de hoofdrol), lange tijd niet verkrijgbaar, is eindelijk weer op de markt teruggebracht (Arthaus Musik 107000).

 

CHRISTOPH WILLIBALD GLUCK EN ZIJN IPHIGENIEËN

Iphigenie von Anselm Feuerbach

Iphigenie door Anselm Feurbach (1862)

Ik ben geen echte Gluck-fan – zijn opera’s zijn me vaak te statisch en te ‘klassiek’ van vorm. Soms bekruipt mij het idee dat bij hem de tijd even stil heeft gestaan. We hebben immers al Monteverdi en een beetje Mozart gehad?

Maar ik kan niet ontkennen dat hij een meester was in het scheppen van sfeer – meestal verstild, dat wel – die tot de diepste roerselen van je ziel kon reiken. Veel van zijn melodieën kunnen je ook niet onberoerd laten: denk alleen maar aan de twee overbekende aria’s uit Orfeo ed Euridice, daar komt een beetje gevoelsmens niet droog doorheen.

Glucks grootste verdienste was echter het wakker schudden van de ingeslapen Franse opera. Men kwam toen niet verder dan Lully en Rameau; voor de Fransen betekenden de opera’s van Gluck hun eerste revolutie.

Het ging natuurlijk niet van harte, maar ja, zo gaat dat met revoluties. Zelfs (of misschien juist?) de culturele. En de Fransen waren strijdvaardig en fel: was de oorlog tussen de Lully- en Rameau-aanhangers eindelijk geluwd, nu kwam het tot de uitbarsting tussen de aanhangers van Gluck en Niccola Piccinni.

Beide componisten hadden net een opera over Iphigeneia gecomponeerd en dat heeft de massa’s de straat op laten gaan (hier een zucht: ik zou er heel wat voor over hebben om dat soort straatrellen en demonstraties nog mee te kunnen maken, maar dit terzijde).

Iphigeneia en haar lotgevallen zijn de hoofdthema’s van twee opera’s van Gluck. Ik weet eigenlijk niet of ze inderdaad bedoeld waren als een tweeluik, maar logisch is het wel. Het ‘Aulide’-deel vertelt hoe ze bijna geofferd wordt aan Diana in de aanloop naar de Trojaanse oorlog. In deel twee leren we hoe het haar verder verging in het barbaarse Tauris.

De première van Iphigénie en Aulide in 1774 schijnt een fiasco te zijn geweest. Men schreef het op het conto van de bovengenoemde componistenstrijd, maar of het waar is?

Ik heb de opera maar één keer live gehoord en ik bezit er maar twee opnames van. Niet echt veel, nee. Maar ik moet ook eerlijk bekennen dat de muziek, afgezien van een paar aria’s (het lamento van Clytamnestra!), mij weinig bekoort.

IPHIGÉNIE EN AULIDE

Iphigenie en Aulide

 

JOHN ELLIOT GARDINER

 Iphigenie Gluck Gardiner

Veel keuze is er niet, maar is het eigenlijk erg? Met de lezing van John Eliot Gardiner haalt u alles in huis wat u nodig hebt. Zijn tempi zijn om te zoenen. Met een rustig begin van de ouverture (windstilte!) gaat Gardiner over tot een kleine woedeuitbarsting. Met het begin van de monoloog van de gekwelde Agamemnon (een fenomenale José van Dam, daar komt niemand in de buurt!) gaat hij over naar meer bedaardheid, maar je voelt de onderhuidse spanning.

Anne Sophie von Otter is een mooie Clytemnestre, maar ik mis de woede. Toch klopt het in de opvatting van Gardiner, waar alles ingetogen en klein wordt gehouden. Daar is de zeer kleine, heel erg meisjesachtige stem van Lynne Watson (Iphigénie) helemaal op zijn plaats. En daar past een lieve, weinig macho Achille van John Aller perfect bij.

De opera werd een tijd geleden heruitgebracht in een doosje met 4 cd’s, waar u behalve Iphigénie en Aulide ook Glucks onbekende werken La Rencontre imprévue ou Les Pèlerins de la Mecque en Don Juan ou Le Festin de pierre kon vinden (Erato 2564 69562-0). Helaas is het doosje ook al uit de handel…


 

KARL BÖHM

 Iphigenie Aulis Böhm

Karl Böhm dirigeert precies zoals we het van hem verwachten: breedvoetig, maar met flinke tempi. Het Wiener Philhamonieker klinkt zoals een groot orkest hoort te klinken. Met veel volume, maar ook met een scala aan nuancen.

Ik denk dat de opname een gruwel kan zijn voor de puristen, want er is niets, maar dan ook niets idiomatisch aan. Om te beginnen wordt er in het Duits gezongen. De stemmen zijn groot, soms best zwaar. Christa Ludwig (Iphigenie) is allang geen meisje meer en Achille is met een stem als een kanon (James King op zijn best) een krijger zonder weerga.

Walter Berry is een zeer ontroerende Agamemnon, maar wat de opname echt bijzonder maakt, is Inge Borkh’s Klytämnestra. Als je daar onberoerd onder blijft, heb je geen hart.

De opera is in 1962 live opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Orfeo d’Or 428962).

 

Hieronder zingt Inge Borkh ‘Du zum Tode bestimmt’:

 

 

IPHIGÉNIE EN TAURIDE

Iphigenie met Pylades en Orest

Iphigenie met Orest en Pylades  Angelika Kauffmann (1787)

De oorlog is inmiddels lang voorbij, haar vader en moeder zijn vermoord en ook haar zus Elektra is dood. Hier beleeft zij het weerzien met haar doodgewaande broer Orestes en wordt zij weer eens verliefd. Dat alles natuurlijk niet zonder allerlei verwikkelingen en al helemaal niet zonder goddelijk ingrijpen.

In tegenstelling tot Aulide ben ik werkelijk gek op Tauride. En ik ben niet de enige, niemand minder dan Schubert ging mij voor. Volgens één van zijn vrienden heeft hij ooit gezegd dat hij ‘totaal buiten zichzelf was door de impact die deze prachtige muziek op hem heeft gehad en verklaarde dat er niets mooiers in de wereld bestaat’.

En ‘wij’ zijn de enigen niet. Terwijl de officiële catalogus maar 3 (drie!) cd-opnamen van Aulide vermeldt, komt Tauride er met negen opnamen op cd en één op dvd veel beter af. En dan hebben we de piraten niet eens genoemd!

Waarom de ene Iphigénie wel en de andere niet? Zelf vind ik Tauride veel spannender dan de nogal statische Aulide. Er zit veel meer drama in en de muziek is zonder meer innovatief – je herkent meteen de weg naar Berlioz. Hiermee was Gluck een echte precursor.

Ook de karakters zijn beter uitgewerkt en de rol van Iphigénie was dramatisch genoeg om zulke uiteenlopende zangeressen als Maria Callas, Montserrat Caballé, Shirley Verett en Sena Jurinac, om een paar grootheden te noemen, aan te spreken. Allemaal hebben ze haar op de lessenaar gehad ….

 

JOHN ELLIOT GARDINER

Iphigenie Tauris Philips

Objectief gezien bent u net als bij Aulide bij Tauride het beste af bij Gardiner (Philips 478 1705). Thomas Allen is een mannelijke, maar zeer beheerste Oreste en John Aler is een zoetgevooisde Pylade. Mooi, maar zonder – hmmmm, hoe zal ik het netjes uitdrukken? – het mannelijke testosteron…

Diana Montague, een mezzo (!), heeft een pracht van een lyrische stem, licht en wendbaar. En René Massis is een voortreffelijke Thoas.

De opname is me zeer dierbaar, maar als ik eerlijk mag zijn: ik mis drama.


 

RICCARDO MUTI

iphigenie-en-tauride-muti-la-scala

Muti is, zoals altijd, bijzonder trouw aan de partituur en wat is het levendig! Zijn storm is inderdaad stormachtig, daar word je bijna duizelig van.

Carol Vaness is een Iphigénie naar zijn hand. Al meteen bij haar eerste aria gaat zij zo hysterisch te keer dat je meteen recht op je stoel gaat zitten. Je voelt op je klompen aan: het wordt een drama van jewelste. En je wordt niet teleurgesteld, want de spanning is om te snijden.

Carol Vaness sings  ‘Ô malheureuse Iphigénie!’

Ook Thomas Allen haalt hier echt uit. Bij Muti is hij veel minder beschaafd dan bij Gardiner, je kan zelfs angst in zijn stem horen. Ik mag het.

De opname heeft ook een extra troef – de rol van Pylade wordt gezongen door de veel te jong gestorven Gösta Winbergh (hij stierf in 2002 aan een hartaanval, nog geen 50 jaar oud). Een zanger die, zoals zijn landgenoot Gedda, werkelijk alles in zijn stem verenigde: de lyriek van Tagliavini, de elegantie van Kraus en de mannelijkheid van zijn andere landgenoot, Jussi Björling. Nog net met een been in Mozart, maar met het ander al voorzichtig Wagner aftastend. Daar wordt een mens droevig van.

De opname (Sony 52492) is live, wat behalve applaus en toneelgeluiden ook het gevoel ‘ik ben erbij’ meegeeft. Ik vind het prachtig, maar ik kan me voostellen dat de meeste mensen voor de veilige en betrouwbare Gardiner kiezen.

 



 

 

JOSEPH KEILBERTH

Iphigenie Tauris Keilberth

Over Nicolai Gedda gesproken: in de opname onder Joseph Keilberth uit 1956 (Capriccio 5005) zingt hij de rol van Pylades. De opvatting van de dirigent is zeer vooruitstrevend, zeker voor de tijd – het lijkt meer op Gardiner dan op Muti, al heeft hij ook wat van het hysterische van de laatste.

Hermann Prey doet mij een beetje aan Thomas Allen denken, zeker vanwege de lyriek, de lichte smacht en het onnadrukkelijk zingen. Echt woedend wordt hij niet, hij is meer van het treurende type.

Maar dan Gedda! Daar smelt niet alleen het hart van Iphigénie (een zeer elegante maar wel met schmalz zingende Hilde Zadek) van, daar gaat ook Diana humaan van worden. Geen wonder dat uw discografe een traantje moest wegpinken. Het geluid is een beetje dof, maar het went snel. En ja, het is in het Duits.

Zie ook:
ORESTEIA. A music Trilogy
Heftige vrouwen in heftige opera: 3 x Elektra van Richard Strauss
ELEKTRA aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker

Heftige vrouwen in heftige opera: 3 x Elektra van Richard Strauss

elektraheink

Ernestine Schumann-Heink as Klytämnestra at the January 25, 1909 Dresden premiere of Elektra, looking down on Annie Krull as Elektra

Met Elektra van Hugo von Hofmannsthal komen we de mythologische wereld binnen, maar dan wel gezien door de ogen van Sigmund Freud. Een wereld vol complexen, fobieën, angsten en dromen, die bovendien bevolkt is door hysterische vrouwen.

‘Studien über Hysterie’, een in 1895 verschenen boek van Siegmund Freud en Josef Bauer, had een bijzonder groot effect op veel artiesten en intellectuelen. Ook von Hofmannsthal werd er sterk door beïnvloed, en in zijn toneelstuk, dat zes jaar later in première ging, wordt Elektra’s zucht naar wraak een hysterische obsessie.

Richard Strauss, die net zijn Salome (gebaseerd op het toneelstuk van Oscar Wilde) had voltooid, zag in 1905 een voorstelling van Elektra in Berlijn. Net als bij Salome werd het stuk geregisseerd door Max Reinhardt, de meest voorname en vooruitstrevende theaterman in die tijd.

Strauss was zeer onder de indruk, en besloot van het stuk een opera te maken. In 1906 hebben de componist en de toneelschrijver elkaar ontmoet en verdere plannen gemaakt. Een historisch moment, dat tevens het begin van een zeer succesvolle samenwerking tussen beiden betekende.

 

Elektra strausshoffmansthal

Hugo von Hofmannsthal and Richard Strauss, c. 1915

Von Hofmannsthal vervaardigde een libretto zonder weerga, wellicht het beste in de hele operageschiedenis, waar Strauss een (con)geniale muziek bij componeerde. Door het gebruik van verschillende toonsoorten heeft hij een polytonale eenheid gecreëerd, waarin plaats is voor zowel de romantische als de dissonante klankwereld, en waarin hij duidelijk de grenzen van de tonaliteit aftast. Een mijlpaal aldus, waarna de componist in zijn latere werken naar de ‘beschaafde wereld’ van aangename klanken terugkeerde. De opera begint met vier fortissimo gespeelde noten, welke duidelijk staan voor “A-ga-mem-non” en welke een steeds terugkerend motief in de opera vormen.

Elektra is eigenlijk een vrouwenopera. De drie vrouwenfiguren – Elektra, Klytämnestra en Chrysothemis – zijn het middelpunt van de tragedie, waarin de mannen niets anders zijn dan een wraakwerktuig (Orest) of een passief subject van wraak (Aegisth).

Elektra beheerst het toneel letterlijk en figuurlijk – zij staat ook daadwerkelijk op het toneel vanaf het begin tot het eind. Zij ziet er totaal verwaarloosd uit – om wraak te kunnen nemen heeft zij haar vrouwelijkheid en seksualiteit opgeofferd. Zij voelt zich alleen, en door iedereen in de steek gelaten, het meeste nog door haar vermoorde vader.

Elektra Agamemnon_motif

Haar eerste woorden in de opera zijn dan ook: “Allein! Weh, ganz allein. Der Vater fort, hinabgescheucht in seine kalten Klüfte…Agamemnon! Agamemnon!” en dan komt de herkenningsmelodie (de vier beginnoten) weer terug.

Chrysothemis is Elektra’s tegenpool, zij wil gelukkig zijn, trouwen en kinderen krijgen, al die ‘vrouwelijke dingen’. Maar ook zij is een gevangene van de omstandigheden en ook zij kan er niet aan ontsnappen.

Op zoek naar een remedie durft zij zich zelfs zwak op te stellen en Elektra om hulp te vragen. De confrontatie tussen moeder en dochter vormt dan ook het hoogtepunt in de opera.

Alle drie de hoofdrollen zijn buitengewoon zwaar, ze vereisen van hun vertolksters de grootst mogelijke stemmen met een enorme kracht en doorzettingsvermogen. Daarbij moeten ze over een meer dan gemiddeld acteertalent en een formidabele bühne-presence beschikken.

Waar Salome een meisje van zestien met een stem van Isolde is, vraagt Elektra om een jong meisje met een stem van Brünhilde. En toch zijn er heel wat goede Elektra’s in de loop der jaren geweest en zelf ken ik geen slechte opname van het werk.

 

GÖTZ FRIEDERICH

Elektra Rysanek

Toen de film  van Götz Friederich in 1981 uitkwam (DG 0734095), veroorzaakte hij een ware sensatie en sloeg in als een bom. Zelf was ik toen ook geweldig onder de indruk, en de beelden van plassen bloed in de stromende regen projecteerden zich scherp op mijn netvlies.

Nu, 37 jaar later, doet de film behoorlijk gedateerd aan. Natuurlijk, het is nog steeds bijzonder spannend, en er wordt fenomenaal in gezongen en geacteerd, maar jammer genoeg wordt er niets aan de verbeelding overgelaten.

Friedrich onderschat zijn publiek en beeldt alles uit, ook scènes en handelingen die zich alleen in de hoofden van de protagonisten afspelen. Zo kunnen wij in retrospectief de moord op Agamemnon zien, waarna hij, met zijn bloedend hoofd pontificaal in beeld verschijnt zodra Elektra zijn naam noemt. Ook de moord op Klytämnestra en Aegisth wordt ons niet bespaard, en het bloed vloeit meer dan rijkelijk vanaf de muren.

In de beginscène wordt de arme vijfde maagd voor onze ogen doodgeslagen, en een paar naakte dames wassen zich met bloed van een offerdier, allemaal overbodige details, die heel wat plezier in het kijken ontnemen. Jammer, want er is niets mooier dan dankzij beelden, tekst en muziek een wereld op zich te scheppen die zowel gemeenschappelijk als individueel kan worden ervaren.

De bezetting van Orest door Dietrich Fischer-Dieskau kan me niet echt bekoren, zijn manier van zingen is te beschaafd en zijn witte kostuum ronduit bespottelijk.

Maar genoeg geklaagd, want eigenlijk is het een fabelachtige uitvoering. Leonie Rysanek (toen al behoorlijk over de vijftig) is een fantastische Elektra, een rol die zij nooit op toneel had uitgevoerd. Jarenlang zong zij Chrysothemis, om daarna, in de jaren negentig Klytämnestra op haar repertoire te nemen. Zij is niet alleen maar wraakzuchtig, maar ook zeer zichtbaar eenzaam.

Astrid Varnay, ooit zelf een Elektra van formaat, zet een gekwelde Klytämnestra neer en in de scène met haar dochter laat zij een heel gamma aan gevoelens voorbijgaan. Ligendza is, ook optisch, een mooie meisjesachtige Chrysotemis.

Böhm dirigeert langzamer dan op zijn eerdere opnamen, breder ook, wat ook te maken kan hebben met zijn hoge leeftijd. Ten tijde van de verfilming was hij bijna 87 jaar oud en hij overleed voordat de film klaar was.

Er hoort nog een tweede dvd bij, met een ruim 90 minuten durende documentaire over ‘the making of’.

 

HARRY KUPFER

Elektra Marton

De toneelproductie uit Wenen (Arthaus Musik 100 048) 1989 is meer dan bijzonder. De regie van Harry Kupfer is zeer aangrijpend en angstaanjagend, en al is hij zeer realistisch te werk gegaan, toch beperkt hij zich tot de aanwijzingen in het libretto.

Het geheel wordt gedomineerd door grijs in al zijn schakeringen en is bijzonder donker. De enige kleur in de voorstelling doemt op als Chrysotemis, bij haar hartenkreet dat zij wil leven en kinderen baren,  haar blouse openscheurt en een rood onderhemdje zichtbaar maakt.

Eva Marton is fysiek de mindere van Rysanek maar vocaal doet zij voor haar niet onder. Ook als actrice is zij buitengewoon overtuigend: ontroerend in haar verlangen naar haar vader, weerzinwekkend in haar minachting voor haar zus en angstaanjagend tijdens de confrontatie met haar moeder.

Cheryl Studer is een pracht van een Chrysothemis. Met haar ietwat zoetige, lyrische, maar toch nog bijzonder krachtige sopraan kan zij model staan voor een sterke karaktertekening: haar Chrysotemis is een in het leven teleurgesteld meisje met een sterk verlangen aan ontsnappen, maar zonder de daadkracht om het ook te bewerkstelligen.

Fenomenaal is ook Brigitte Fassbänder in haar portrettering van de geesteszieke, door nachtmerries en schuldgevoelens geplaagde koningin. Zowel de moeder als haar beide dochters kunnen zo op de bank bij Freud – over hysterische vrouwen gesproken!

Franz Grundheber is een voorbeeldige Orest en Claudio Abbado dirigeert met een intensiteit die grenst aan het onmogelijke.

SIR GEORG SOLTI

Elektra Solti

Van alle Elektra’s die op cd zijn verschenen, is de Decca-opname onder Sir Georg Solti (4173452) mij het dierbaarst. Solti zweept het orkest op en de nerveuze partituur groeit onder zijn handen uit tot een klankgordijn waar geen ontkomen aan is.

Birgit Nilsson’s vertolking van de titelrol is voorbeeldgevend en Regina Resnik is een overweldigende Klytämnestra. Ook geweldig zijn Marie Collier (Chrysothemis) en Tom Krause als Orest.


 

 

zie ook:
ELEKTRA aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker 

ORESTEIA. A music Trilogy

CHRISTOPH WILLIBALD GLUCK EN ZIJN IPHIGENIEËN

 

2 x ‘Gemaskerde moord’ op Plácido Domingo alias koning Gustaaf III

 

Assassination of King Gustav III of Sweden at a masked ball at the Royal Opera House in Stockholm, 1792

Assassination of King Gustav III of Sweden. Illustration for Weltgeschichte Fur Das Volk by Otto von Corvin and Wilhelm Held (Verlag und Druck von Otto Spamer, 1880).

Vrijheid van meningsuiting is een groot goed waar we trots op moeten zijn en dat we als een kostbaar bezit moeten koesteren. Zij is niet vanzelfsprekend en als we niet oppassen kunnen wij haar kwijtraken. Steeds vaker lees je over toenemende (zelf)censuur, films die niet gemaakt (vertoond) mogen worden, of kritische artikelen die de pers niet halen.

De censuur …. Daar kon Verdi ons heel wat over vertellen, want de censuur heeft het hem vaak behoorlijk moeilijk gemaakt.

Ook het libretto voor zijn opera over de Zweedse koning Gustaaf, die op een gemaskerd bal vermoord werd, moest eraan geloven. Noodgedwongen verhuisde Verdi de plaats van de handeling van Stockholm naar Boston, en van de koning maakte hij een Engelse gouverneur.

Gedreven door onze hang naar authenticiteit, voeren we sinds tientallen jaren de ‘oorspronkelijke’, Zweedse versie op, maar de laatste tijd bespeur ik een trend om het weer naar Boston te verplaatsen. Wellicht klinkt Boston en een gouverneur iets moderner in onze oren dan een koning, en past het zo beter bij een conceptuele regie? Wie zal het zeggen ….

Niet, dat het Verdi iets zou hebben uitgemaakt – tenslotte heeft hij, toen het al mogelijk was, het werk nooit gereviseerd. Al vind ik zelf de Zweedse versie iets logischer…..

LONDEN, 1975

Ballo Abbado Schenk ROH

De door Opus Arte (OA 1236D) uitgebrachte productie van het Royal Opera House stamt uit het begin van 1975. Het geluid is een beetje dof, maar dat vergeet je zodra je de prachtige stemmen van de zangers hoort.

Katia Ricciarelli is één van de meest ontroerende Amelia’s die ik ken. De klank die ze produceert is misschien niet echt ‘Verdiaans ‘, en wellicht is ze in die rol toch iets te licht (aan dat soort rollen heeft ze haar stem vroegtijdig kapot gezongen), maar de pianissimi die ze spint verdienen een schoonheidsprijs, en haar breekbaarheid is voelbaar.

Daar past de vriendelijk bezorgde, liefdevolle, maar ook speelse tenor van de jonge Plácido Domingo als een handschoen omheen. Piero Cappuccilli is een voortreffelijke Renato en Reri Grist een Oscar zoals ze ze tegenwoordig toch echt niet meer maken. Alleen al haar optreden is het aanschaffen van de dvd waard.

Claudio Abbado (wat was hij toen nog jong!) dirigeert licht en houdt de tempi sprankelend, met een bruisende orkestklank als gevolg.

De regie van Otto Schenk is doeltreffend. Conventioneel en toch verrassend. En als geen ander legt hij de komische aspecten van de opera bloot.

Trailer van de productie:

 

SALZBURG, 1990

Ballo Solti Schelsinger

15 jaar later was Domingo al een doorgewinterde Gustavo – zijn koning is inmiddels volwassen geworden, serieuzer, en al zegt hij de voorspellingen van Ulrica niet te geloven, toch zie je iets van een schrik in zijn ogen, het zou wel eens waar kunnen zijn ..

Daar hoort ook een rijpere Amelia bij. Geen dromerig meisje, maar een vrouw met intense verlangens. Daar voldoet Josephine Barstow zeer zeker aan. Zij is een verscheurde Amelia, vol liefde, verdriet, pijn en tranen. Bij ‘Ecco l’orrido campo’ is haar angst fysiek voelbaar en bij ‘Morrò’ denk je samen met haar te moeten sterven.

Leo Nucci schittert als Renato en Sumi Yo is een lichte, spring-in-het-veld Oscar.

De regie is in handen van de beroemde filmregisseur John Schlesinger. Het eindresultaat is verpletterend: overweldigende, natuurgetrouwe decors, prachtige kostuums en schitterende massascènes. Het schilderachtige beeld doet af en toe denken aan enorme tableau-vivants, en de personenregie is zoals je van een gerenommeerde regisseur zou verwachten – fenomenaal.

Aan het eind van de opera, als de stervende koning zijn laatste kracht verzamelt en naar adem happend afscheid neemt van zijn geliefde, zijn onderdanen en het vaderland, kan niemand vermoeden dat met zijn laatste ‘addio’ ook een heel tijdperk vaarwel wordt gezegd.

Het was de laatste productie van Herbert von Karajan in Salzburg. Hij overleed vlak voor de première in 1989 en werd vervangen door Solti, die ook de reprise van de opera in 1990 begeleid heeft (Arthaus Musik 109105)

Minidiscografie van IL VIAGGIO A REIMS

Viaggio Coronation_of_Charles_X_of_France_by_François_Gérard,_circa_1827

Coronation of Charles X of France by François Gérard, circa 1827

 

Of het ooit de bedoeling van Rossini was? Opvoeren en dan wegmikken?

Rossini beschouwde zijn opera Il viaggio a Reims als een gelegenheidsstuk, gemaakt voor de kroning van Charles de X in 1825. De opera werd voor het eerst uitgevoerd in Parijs, met Giuditta Pasta als Corinna. Het was een groot succes, maar al na drie voorstellingen trok de componist de stekker eruit

Veel van de muziek hergebruikte hij in Le Comte Ory, de rest verdween in verschillende laden in verschillende landen (hoe toepasselijk, vindt u niet?) en werd pas eind jaren zeventig van de vorige eeuw teruggevonden.

CLAUDIO ABBADO:
Pesaro 1984

Viaggia-DG

De eerste ‘moderne’ uitvoering van Il viaggio vond plaats in Pesaro, in 1984. Claudio Abbado dirigeerde een absolute sterrencast. Wie er voor deze gelegenheid bij elkaar werden gebracht… In alfabetische volgorde: Francisco Araiza, Lella Cuberli, Enzo Dara, Cecilia Gasdia, Eduardo Gimenez, William Matteuzzi, Leo Nucci, Ruggero Raimondi, Samuel Ramey, Katia Ricciarelli en Lucia Valentini Terrani.


Youtube biedt de hele opname uit Pesaro – met beeld! – aan:

En Berlijn 1992

Viaggio Sony

 

Acht jaar later dirigeerde Abbado de opera in Berlijn met grotendeels dezelfde zangers. Beide voorstellingen werden live opgenomen en beide zijn heel erg goed. Zelf prefereer ik Cheryl Studer (Madama Cortese) op Sony (53336) boven Katia Ricciarelli (DG 4777435), maar dat is volstrekt persoonlijk.


Encore uit Berlijn 1992:

BARCELONA 2003

Viaggio Barcelona

In 2003 werd in het Gran Teatre del Liceu in Barcelona een visueel zeer aantrekkelijke voorstelling van Il viaggio opgenomen (Arthouse Musik 107 135). De actie speelt zich af in een kuuroord aan het begin van de twintigste eeuw en de in badkleding gestoken gasten worden verwend door allerlei masseurs, verplegers en schoonheidsspecialisten. Iedereen draagt kleren met zijn of haar landskleuren en Corinna mag van de regisseur alle onderlinge problemen oplossen, gekleed in een EU-vlag. Voor de hand liggend? Zeker, maar ook zeer vermakelijk.

Het is alleen jammer dat er niet zo geweldig wordt gezongen. Op de oudgediende Enzo Dara (Il Barone di Trombonok) en Josep Bros (Belfiore) na is de cast matig, met als dieptepunt een totaal miscaste Maria Bayo (Madama Cortese) en Simón Orfila (Lord Sydney). De laatste ziet er zeer aantrekkelijk uit in zijn badpak, maar presteert het om amper een noot zuiver te zingen.

Hieronder een fragment:

PARIJS 2005

Viaggio Gergiev

Valery Gergiev associeert men niet gauw met de muziek van Rossini. Toch was hij het die in 2005 een zeer spectaculaire Il viaggio in het Théâtre du Châtelet dirigeerde, waarmee hij jonge Russische zangers aan het internationale publiek presenteerde.

Het orkest zit achter op de bühne en vormt zo samen met de dirigent een onderdeel van de wervelende show, die zich werkelijk overal afspeelt, zelfs tussen (en met) het publiek. Ook de rekwisieten en kleurrijke kostuums spelen een belangrijke rol en er is zelfs een echt paard.

De zangers zijn voornamelijk jong en op Daniil Shtoda (Count Libenskof) na onbekend. Het is duidelijk dat ze nog veel moeten leren, inclusief de juiste uitspraak, maar ze doen het heel erg leuk (Opus Arte OA 0967 D).

Hieronder een fragment: 

 

DER FLIEGENDE HOLLÄNDER op twee cd’s en twee dvd’s

Fliegende Hollander Dresden

Schlußszene aus “Der fliegende Holländer” von Richard Wagner. Bühnenbild der Uraufführung 1843 in Dresden. Reproduktionsholzschnitt
SLUB/Deutsche Fotothek; Deutsche Fotothek

 

 

CD’S

GIUSEPPE SINOPOLI 1998

Fliegende Hollander Sinopoli

Deze cd-opname uit 1998 (DG 4377782) is mij bijzonder dierbaar. Allereerst vanwege Cheryl Studer, toen wellicht de mooiste Senta die men zich kon voorstellen. Haar heerlijk lyrische sopraan met makkelijke en sensuele hoogte leek geschapen voor die rol.

De Holländer wordt hier gezongen door Bernd Weikl. Niet echt de jongste meer en dat hoor je, maar voor die rol zeer passend. Peter Seiffert is een pracht van Der Steuerman, en in de rol van Erik hoor je niemand minder dan Plácido Domingo, een luxe!

Maar het allermooist is het orkest: onder de werkelijk bezielde leiding van Giuseppe Sinopoli speelt het Orchester der Deutsche Oper Berlin sterren van de hemel.


ANDRIS NELSONS 2013

Fliegende Hollandedr Nelsons KCO

Na de semiconcertante uitvoeringen van Der Fliegende Holländer in het Amsterdamse Concertgebouw (24 en 26 mei 2013) waren de meningen van zowel de recensenten als het publiek dermate verdeeld dat het tot felle discussies op de operaforums heeft geleid. Het leek net oorlog.

De opera-uitvoering werd door het eigen label van het Concertgebouworkest vastgelegd en is inmiddels op de markt gebracht. Iedereen kan nu dus zijn eigen oordeel vormen. Nu is een opname, zelfs als het live is gerealiseerd niet te vergelijken met wat je in de zaal hoort, maar het resultaat is voor mij meer dan bevredigend.

Echt moeite heb ik alleen met Anja Kampe (Senta). Het ligt aan haar manier van zingen, met te weinig legato en te veel uithalen. Haar klank kan bij luidere passages onaangenaam scherp worden, iets wat haar ballade bij vlagen ontsiert. Als Senta hoor ik toch liever een stem die lichter en lyrischer is, minder scherp.

Christopher Ventris vind ik een mooie Erik. Hij benadert zijn rol vanuit het belcanto, vanzelfsprekend eigenlijk, zeker voor de vroege Wagner.

Kwangchul Youn is een beetje onstabiel als Daland, maar zijn interpretatie staat als een huis, daarvoor wil ik een min of meer wankele noot voor lief nemen. Hetzelfde geldt ook de oudgediende Terje Stensvold als de Hollander

Over het orkest kan ik kort zijn: adembenemend. Nelsons schuwt het overweldigende geluid niet (de ouverture!), maar weet het, waar nodig tot de mooiste pianissimi te dimmen. (RCO 14004 )


DVD

WOLFGANG SAWALLISCH 1975

Fliegende Hollander Sawallisch dvd

Eind jaren zeventig en tachtig, toen de opera nog (een beetje) een main stream was, werden veel opera’s ook voor de bioscoop of de tv opgenomen, als film dan.

Ook de door de Tsjechische regisseur Václav Kašlík in 1975 gemaakte verfilming is eigenlijk een speelfilm met muziek. Niets op tegen, zeker als het resultaat zo verbluffend is. Er valt veel te genieten van de opzienbarende stormscènes en de goed opgebouwde spanning. De regisseur volgt de aanwijzingen van Wagner nauwkeurig op, waardoor het zonder meer _ook_ ‘een goede kennismaking met …’ kan zijn.

De Zweedse Catarina Ligendza was in de jaren zeventig één van de grootste Wagner-zangeressen. Behalve de meer lyrische rollen zoals Senta, zong zij ook Isolde en dat deed zij zeer overtuigend. Ook Donald McIntyre was gepokt en gemazeld in het ‘Wagner-fach’, en alleen al voor die twee hoofdrolvertolkers is de dvd meer dan moeite van het aanschaffen waard.

Wolfgang Sawallisch was meer dan 20 jaar de vaste dirigent van het Bayerischer Staatsorchester, en dat hoor je: ze zijn als het ware met elkaar vergroeid.

De complete opname staat op You Tube:

CHRISTIAN TIELEMANN 2013

Fliegende Hollander Glogger Bayreuth

Allemaal weten wij waar Der Fliegende Holländer over gaat. Toch? De legende over de door de woeste zeeën dolende ziel op zoek naar verlossing is alom bekend. Er zijn boeken over geschreven, schilderijen over gemaakt, muziek over gecomponeerd… Ook de psychiaters hebben zich er mee bemoeid, want alles moet verklaarbaar zijn, dus ook de drang naar zelfopoffering.

Mis. Allemaal hadden en hebben wij het verkeerd begrepen. De woeste zeeën staan symbool voor “business as usual”, dus speelt de door  Jan Philipp Gloger productie van de Hollander (Bayreuth, 2013) zich in een soort door stratosferische lichten verlichte Wall Street met heren in driedelig grijs, met een boekhouder aan het ‘stuur’.

Tegenwoordig mag alles, zeker in Bayreuth, dus echt verbaasd ben ik niet. Ik zet alleen het beeld uit en luister verder naar wat een meer dan een fatsoenlijke uitvoering is van de eerste ‘volwassene’ opera van Wagner.

Ricarda Merbeth is een formidabele Senta, met een kanon van een stem en een vleugje metaal in haar topnoten, wat ik als zeer plezierig ervaar. Samuel Youn is een prima, al een beetje lichtgewicht Holländer, Tomislav Mužek een zeer betrokken Erik en Franz-Josef Selig een imponerende Daland.

Maar het meest werd ik getroffen door de jonge Benjamin Bruns (Steuermann), van hem gaan wij nog zeer zeker horen! (Opus Arte OA 1140D)

Een kort fragment:

BOHUSLAV MARTINŮ: The Greek Passion

Greek Passion martinu-600 Universal Edition Magazine

Ooit, jaren geleden al heb ik de goden (en de staf van DNO) gesmeekt om The Greek Passion van Bohuslav Martinů op de repertoirelijst te zetten. Tevergeefs. Terwijl het  geen nieuwe productie hoeft te zijn, integendeel zelfs! Er bestaat een prachtige enscenering gemaakt door David Pountney:

Het werd in 1999 in Bregenz oeruitgevoerd (het betrof hier de eerste versie van de opera), en ik raakte er een paar jaar later in Covent Garden erg door ontroerd.

In de door mij bezochte voorstelling werden de hoofdrollen vertolkt door Christopher Ventris als Manolios (Christus) en Douglas Nasrawi als Panait (Judas), en sindsdien hoop ik dat er ooit een DVD van wordt uitgebracht. Zo te zien tevergeefs…

 

Greek Passion Kazantzakis

Nikos Kazantzakis © Universal Edition Magazine

Het onderwerp: vluchtelingen, corruptie, religieuze fanatisme, humanisme en de zoektocht naar identificatie was, is en zal altijd actueel blijven. Bitter, tragisch, maar ook mooi en zeer humaan. Martinů schreef er zelf het libretto voor, naar de roman ‘Ο Χριστός ξανασταυρώνεται‘ (Christus werd weer gekruisigd) van Nikos Kazantzakis. Het boek (en de opera) vertelt een verhaal van de overlevenden van een Turks bloedbad die onderdak zoeken in een Grieks dorp waar de lokale bevolking bezig is met de voorbereidingen voor hun jaarlijkse ‘Passie-voorstellingen’.

Greek Passion film

Er bestaan twee versies van de opera. De oorspronkelijke versie werd in 1957 door de toenmalige directie van het Royal Opera Huis afgewezen. De door Martinů drastisch bewerkte partituur werd pas in 1961 in Zurich uitgevoerd, na de dood van de componist. Deze ‘herziening’ werd in 1981 door Supraphon opgenomen en in 1999 voor televisie verfilmd (Supraphon SU 7014-9).

Vooralsnog moeten we daar genoegen mee nemen, althans wat beeld betreft. Niet dat het slecht is, integendeel, want er valt waanzinnig veel te genieten, maar het is een film en de rollen worden gespeeld door professionele acteurs die werkelijk hun best doen om ons te doen geloven dat ze ook zingen.

De verfilming doet sterk aan Zeffirelli denken. Als u zijn Cavalleria Rusticana hebt gezien, dan weet u wat ik bedoel. Er zijn prachtige beelden van het dorre landschap en de hitte en droogte zijn haast voelbaar. De soundtrack komt van de opname door het Brno Philharmonic Orchestra onder leiding van Charles Mackerras (need I say more?) met o.a. John Tomlinson als de priester Grigoris, John Mitchinson als Manolios, Helen Field als Katerina en de solisten van het Welsh National Opera.

 

Greek Pasion Kaftan

Onlangs is er op Oehms (OC 967) de eerste, oorspronkelijke versie van de opera verschenen, live opgenomen in Graz in maart 2016. De uitvoering is zonder meer goed. De Zwitserse tenor Rolf Romei is een zeer ontroerende Manolios en Dshamilja Kaiser een overtuigende Katerina. Het Grazer Philharmonisches Orchester wordt zeer idiomatisch en zeer aansprekend gedirigeerd door Dirk Kaftan.


Naar de foto’s in het tekstboekje (en de fragmenten op You Tube) te oordelen was de productie ook prachtig om te zien. Waarom geen DVD?


spotify:album:4SlrWIoI0C20dOWHEA9Jis

Meer Martinů:
BOHUSLAV MARTINŮ: Madrigals
BOHUSLAV MARTINŮ: The Epic of Gilgamesh