cd/dvd recensies

Pelly’s Gouden Haan uit de Munt op dvd uitgebracht

Tekst: Peter Franken

Dit is Rimski Korsakovs laatste opera die stamt uit 1906, kort na de zeer onthutsende nederlaag van het Russische imperium tegen ‘upstart’ Japan. Het libretto van Vladimir Belski heeft een verhaal van Pushkin als uitgangspunt genomen, het bespotten van een heerser is van alle tijden. De première vond plaats in 1909, na de dood van de componist. Van een voorstelling uit 2006 in De Munt is een opname gemaakt die op dvd is verschenen. Het is een productie van Laurent Pelly.

Het verhaal gaat over Tsaar Dodon en zijn beide zonen. Ze maken zich zorgen over de oprukkende vijand en raadplegen een astroloog. Deze biedt Dodon een gouden haan aan die tijdig kraait als de vijand eraan komt, een soort lange afstand waarschuwingssysteem. Er moet wel iets tegenover staan natuurlijk: de astroloog mag later een wens doen. Na enige aandrang vertrekken Dodons zonen naar het front, de haan stelt dat men rustig kan gaan slapen. Maar niet lang daarna kraait de haan, gevaar dreigt alsnog en nu gaat ook Dodon naar het front, zij het in ontoereikende uitrusting.

Pavlo Hunka (Tsar Dodon), Alexey Dolgov (Guidon) and Konstantin Shushakov (Afron)

Aan het front treft Dodon zijn twee gesneuvelde zonen en een aantrekkelijke vrouw, de Tsaritsa van Shemakha, die zonder leger maar met behulp van haar schoonheid het land van de Tsaar wil veroveren. Ze weet Dodon gemakkelijk te verleiden, feitelijk raakt hij zozeer in haar ban dat hij alles wel voor haar wil doen. Teruggekeerd in de hoofdstad wordt hun bruiloft gevierd maar dan verschijnt de astroloog die zijn beloning komt opeisen. Hij wil die mooie bruid. Dodon laat als reactie op die onbeschaamdheid de astroloog doden en wordt vervolgens zelf door de haan gedood.

Feitelijk gaat het verhaal over de gouden haan, de Tsaritsa van Shemakha en de astroloog. Zij maken duidelijk hoe dom en ijdel de Tsaar is en stellen zijn onbekwaamheid als opperbevelhebber aan de kaak door hem te tonen als iemand die vertrouwt op een astroloog met een sprekend dier.

Pelly heeft er een voor hem kenmerkende luchtige enscenering van gemaakt. Omdat Tsaar Dodon het liefst alleen maar wil slapen wordt hij bij aanvang opgevoerd liggend in een groot bed, uiteraard in een pyjama waarin hij ook de rest van de tijd blijft rondlopen. Mannen in pyjama’s zien we vaker bij Pelly, denk aan zijn Liefde voor drie sinaasappelen.

Als de waarzegger een beloning in het vooruitzicht gesteld wil zien, eist hij dat deze volgens de wet moet worden vastgelegd. Dodon reageert verbaasd, de wet, dat is iets waar hij nog nooit van heeft gehoord. Zijn luimen en grillen zijn bepalend voor alles wat gebeurt in zijn rijk, voor zoiets kleinburgerlijks als wetten is geen plaats. Kortom, we zijn in Rusland.

Pavlo HPavlounka is een erg leuke goed zingende onbeholpen acterende Dodon. De enige met wie hij in zijn omgeving aardig overweg kan is de huishoudster Amelfa, prima gespeeld door Agnes Zwierko.

Aangekomen aan het front raakt hij in de ban van de Tsaritsa van Shemakha die hem achteloos meedeelt dat ze er onder haar kleren ook heel leuk uitziet. Dat werkt natuurlijk.

Venera Gimadieva zingt haar slepende lange monoloog op onberispelijke wijze, ook aardig om de tekst volgen en naar haar te kijken, ze zit mooi in die rol, prachtig gezongen.

Als het gerucht gaat dat Dodon met een nieuwe bruid in aantocht is, vertelt Amelfa het verzamelde volk dat hij vier koningen heeft verslagen: schoppen, harten, klaveren en ruiten. En dat hij zijn twee zoons heeft geëxecuteerd wegens verraad, het volk moet ook rekening houden met zijn straffe hand. Dan arriveren Dodon en zijn bruid in een groot bed dat op het onderstel van een tank is gemonteerd. Ze komen immers van het front. Maar door toedoen van de waarzegger en zijn onbeschaamde eis valt al gauw het doek over Dodon en zijn we terug bij het begin.

De gouden haan wordt ten tonele gevoerd als een mooi uitgedoste vogel, een verklede danseres. De rol wordt gezongen door Sheva Tehoval. Veel stelt het niet voor, iedere keer vrijwel hetzelfde zinnetje. Het dier staat vooral symbool voor de stupiditeit van de heerser en daarover kunnen we immers kort zijn?

De kostumering is goed getroffen, het decor is basaal maar toereikend. Behalve een bed in een rotsachtige open ruimte is er een staketsel dat Tsaritsa Shemakha’s tent moet verbeelden. Een beetje bewegen op een schommel is onderdeel van haar verleiding act, de kostumering doet de rest. De generaals en de twee zoons van Dodon zien er licht belachelijk uit, uniforms die net een beetje afwijken van het gangbare wat direct voor een ironische ondertoon zorgt. Het is Pelly ten voeten uit, een geslaagde productie.

Het orkest van De Munt staat onder de zeer bekwame leiding van Alain Altinoglu. Hij laat de opvallend lyrische muziek goed tot zijn recht komen.

Trailer van de productie

Interview met de dirigent en de regisseur:



https://www.youtube.com/watch?v=XeSdmZcO4vM

Fotocredits: © Matthias Baus

Fagot en harp: een gouden combi of…?

Laat ik maar meteen een ding zeggen: aan de musici ligt het niet. Zowel de Israëlische harpiste Rachel Talitman als de Grieks-Cypriotische fagottist Mavroudes Troullos zijn meer dan voortreffelijk. Echte vakmensen, virtuoos en inspirerend. Maar de muziek….

Laat ik het anders zeggen: ooit hadden we zoiets als huismuziek. Iets wat inmiddels vervangen is door house music (nomen omen?). Of zoiets. Niemand die nog luistert, het gaat om de alles verhullende herrie. Maar, als ik goed nadenk, is er eigenlijk iets veranderd, behalve de decibellen? Hebben de mensen van toen daadwerkelijk geluisterd? Ik weet het niet, ik was toen nog niet geboren.

Van de overleveringen en verhalen weet ik dat er ene Chopin was geweest die zijn pianostukjes ten gehore bracht. Er waren ook zangers die een mopje van Bellini zongen. Ik neem aan dat ook harp toen uitgebreid in the picture was. Maar van fagot weet ik niets. Mooi instrument, dat wel, maar wanneer hoor je die in de hoofdrol?

Een paar weken geleden werd er een cd ten doop gehouden met zes sonates voor harp en fagot van ene Luigi Concone. Niet alleen is de combinatie bijzonder, de componist zelf is het ook. Wat weten we van hem? Weinig, bitter weinig.

Hij werd ergens in de eerste helft van de negentiende eeuw in Turijn werd geboren, maar het gros van zijn leven woonde hij in Parijs. Daar werd ook het grootste deel van zijn composities bij de uitgever Richault gepubliceerd. Tijdje later deed ook de beroemde Italiaanse uitgevershuis Ricordi er ook aan mee. Rond 1900 werden zijn 30 ‘Progressieve Studies’ op. 26 in Parijs door Costallat uitgegeven.

Hebben we iets gemist? Dat denk ik niet. Ik weet het, ik weet het, het hoeft niet altijd kaviaar te zijn, maar soms denk ik: laat maar. Maar van de andere kant: ook de middelmaat hebben we nodig, alleen dan kunnen we de grootsheid waarderen. Bovendien, als het zo sprankelend wordt uitgevoerd dan moeten we de musici dankbaar zijn dat ze iets voor ons hebben gevonden waar niemand nog iets van wist. En dat is heel erg veel waard.

Luigi Concone: Zes Preludes gevolgd door Zes Progressieve Sonates op. 2
Rachel Talitman (harp), Mavroudes Troullos (fagot)
Harp & Co CD5050-47

Renata Scotto: a brief overview of her many roles

Renata Scotto, ‘la mia Divina Assoluta’, was born on 24 February 1934 in Savona. She made her opera debut at the age of eighteen as Violetta (La Traviata). Her ‘official’ debut was the next day in Milan. Shortly afterwards, she sang Madama Butterfly in Savona.

Because there was no chance to hear her in the Netherlands, I travelled with a few friends, they were also great fans, to Paris, where she gave a recital. It was sold out and I really only remember the huge queue in front of her dressing room: people wanted her autograph, they came with flowers, chocolates, gifts…. I had never seen anything like that in the Netherlands.

But the day finally came and she sang in Amsterdam! On 19 October 1996 she performed in the Netherlands for the first time since 1963. During the Amsterdam Saturday Matinee she sang before the interval Chausson’s  Poème de l’amour et la mer and after the interval Poulenc’s La voix humaine. She made a real performance out of it: there was a table with a telephone on it, and with the telephone cord she strangled herself at the end. Those who were there will never forget it.

This recording comes from Barcelona 1996:



During her long career, Scotto performed in operas written by 18 composers and her repertoire included some forty-five roles. And then there are the studio recordings. I cannot possibly discuss everything, so I will restrict myself to a few recordings.
The order is random.



LA WALLY


In 1953 she auditioned at La Scala for the role of Walter in Catalani’s La Wally with Renata Tebaldi and Mario del Monaco, amongst others. Giulini was to conduct. It is told that afterwards Victor de Sabata, one of the jury members, said: “Forget about the rest.”

La Wally premiered on December 7, 1953, and Scotto happily accepted fifteen curtain calls. Tebaldi and del Monaco got seven each.



LA SONNAMBULA



In Edinburgh, Milan’s La Scala staged Luchino Visconti’s production of La sonnambula, with Maria Callas as Amina. The production had been so successful that La Scala had decided to add another performance. But Callas was tired, and besides, she wanted to go to the party that Elsa Maxwell was giving for her in Venice. So she told the Scala people that she would definitely not be singing this. Nevertheless, La Scala announced the extra performance with Callas. And Callas refused. With only two days’ notice, Scotto took over the role of Amina and replaced Callas on 3 September 1957. The performance was a great success, and the 23-year-old Scotto became an international opera star overnight.

This recording with Alfredo Kraus is from 1961:




RIGOLETTO



My all-time favourite is a Ricordi recording from 1960 (now Sony 74321 68779 2), with Ettore Bastianini in the lead. Renata Scotto sings a girlishly naive Gilda, who is transformed into a mature woman through her love for the wrong man. She understands better than anyone that the whole business of revenge can lead nowhere and she sacrifices herself to stop all the bloodshed and hatred.

Bastianini and Scotto in the finale:




LA TRAVIATA




Renata Scotto has (or should I say had?) something that few other singers possessed: a perfect technique that enabled her to sprinkle her coloraturas like it was nothing at all. Her high notes sounded a bit steely but they were undeniably flawless. She possessed the gift of acting with her voice (and not only with her voice!), and because of her perfect articulation you could not only literally follow what she was singing, but also really understand it.

Her perhaps most beautiful (there are several recordings) Violetta she recorded in 1963 (DG 4350562), under the very exciting direction of Antonino Votto. Alfredo is sung by the sweet-voiced Gianni Raimondi, and Ettore Bastianini is a warm, indeed fatherly, Giorgio Germont.



And don’t think that in the old days, when everything was done by the book, the performances were static and boring! In 1973, La Scala was on tour in Japan, and there, in Tokyo, a legendary performance of La Traviata was recorded (VAI 4434).

The leading roles were played by the then still ‘curvy’ Scotto and 27-year-old (!) José Carreras. DVD does not mention the name of the director, perhaps there was none, and the singers (and the conductor) did it all themselves? Anyway, the result is really beautiful, moving and to the point. I am not going to say any more about it, because this recording is an absolute must for every opera lover.

Finale of the opera:




L’ELISIR D’AMORE


To the younger generation I would especially recommend the DVD with Renata Scotto, Carlo Bergonzi and Giuseppe Taddei (Hardy Classic Video HCD 4014). It is not only the beautiful voices of the past that impress (Scotto, Bergonzi, Taddei – who can still sing like them?), the eye is also given a lot to enjoy.

Do not think that they just enter the stage, sing an aria facing the audience and then take a bow. It is theatre pur sang and a better acting singer than Scotto has yet to be born.

Renata Scotto sings ‘Prendi, per me sei libero’:



TURANDOT



I can be very brief about this: there is no better Liu. Renata Scotto is a very fragile and moving Liu, which is in stark contrast to Corelli’s macho and seductive Calaf and Birgit Nilsson’s chilling Turandot.



MADAMA BUTTERFLY



For me an absolute ‘numero uno’ is the 1966 recording by EMI (now Warner 0190295735913) under Sir John Barbirolli. One might imagine a more lyrical or alternatively a more dramatic Cio Cio San; one with less metal in her voice or maybe one with a more childlike voice. But no other singer was able to grasp the complex nature of the girl so well and to characterise her change from a naive child into an adult woman, broken by immense grief, so impressively





LUCIA DI LAMMERMOOR



Renata Scotto never recorded the role in the studio. However, there are several pirate recordings of her in circulation, with Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi and Gianni Raimondi as Edgardo.

Of these four, the recording with Raimondi is dearest to me, not least because of the very energetic and dramatically balanced direction by Claudio Abbado. It was recorded at La Scala in December 1967 and it once appeared on Nuova Era (013.6320/21). Unfortunately, that recording is very difficult to obtain, but those who search….

Scotto’s interpretation of the tormented heroine is available on DVD (VAI 4418). The production was recorded in Tokyo in 1967. It circulated for years on pirate video, but since the sound and picture quality was particularly poor, the commercial release has made many opera lovers very happy. The sound is a little sharp, making Scotto’s high notes sound even more metallic than usual, but who cares?

Her interpretation is both vocally and scenically of an unprecedented high level. With a childishly surprised expression (my brother does this to me?) on her face, she agrees, albeit not without grumbling, to the forced marriage with Arturo (an Angelo Marchiandi who is hideous in every way).

Below, Scotto sings ‘Il dolce suono’. Try to follow her example!




LA BOHÈME



History was made with La Bohème from the Met in 1977 (DG 0734025): it was the very first direct transmission from the New York opera house on TV. The production was in the hands of Pier Luigi Pizzi, who at that time was not yet obsessed with excessive ballets and the colour red.

Although I was never a big fan of Pavarotti, I cannot deny that he produces a fresh sound here and that his high notes stand like a house. Acting was never his cup of tea, but here he does his best.

It becomes really exciting when Mimì enters: in 1977, Renata Scotto was at her unprecedented peak. She spins the most beautiful pianissimi and her legato and mezza voce are so beautiful they make you want to cry. The rest of the cast is no more than adequate, but the young James Levine conducts as if his life depended on it!

Scotto sings ‘Si mi chiamano Mimì’:



Musetta was not really a role with which we associate Scotto. Neither did she herself, but she accepted the challenge with both hands. In the Zefirelli Met production of 1982, she sang a Musetta to die for. Alongside the very moving José Carreras and Teresa Stratas, she was the undisputed star of this recording (DG 073 4539 9).

Scotto as Musetta:



LUISA MILLER



In 1979, Renata Scotto sang her first Luisa at the Metropolitan Opera and she did so with her usual devotion. But before she could start her first big aria, a ‘joker’ caused a scandal by shouting ‘brava Maria Callas’ at the top of his lungs.

Sherrill Milnes, here in the guise of Luisa’s father, took the emotional Scotto in his arms and so saved her concentration. And the performance. And the day.

All this was broadcast live on TV and thus it ended up on the pirate videos in circulation. I had been cherishing mine for years, and now the performance has been released on DVD by Deutsche Grammophon, with the necessary cuts, including that famous incident. A pity, but after all it is not about the incidents but about the opera and the performance. And there is absolutely nothing wrong with that.



In the video below, the main actors (Scotto, Domingo, Milnes and Levine) discuss Verdi’s opera and the 1979 production:




ANDREA CHENIÉR



My favourite CD recording was recorded by RCA (GD 82046) in 1976. The cast is delightful: Renata Scotto sings Maddalena, Plácido Domingo Cheniér, Sherrill Milnes is Gérard, and in the minor roles we hear Jean Kraft, Maria Ewing, Michel Sénéchal and Gwendolyn Killebrew, among others. James Levine, who conducts the National Philharmonic Orchestra, understands exactly what the opera is about. It is so beautiful that it will make you cry.

Scotto sings ‘La Mamma morta’:




MANON LESCAUUT



Here I can be very brief: buy the Menotti production with Renata Scotto and Plácido Domingo from the Metropolitan Opera (1980) and you are set for life. There is no other production that even comes close to it and I don’t expect that to happen any time soon. Scotto sings and acts Manon as no other has done before and together with Domingo she provides us with an evening of old-fashioned weeping. Menotti’s very realistic, true to life and oh so exciting production simply could not be any better. (DG 0734241)



IL TRITTICO



In November 1981, Scotto sang all three heroines at the Metropolitan Opera in New York, with Levine conducting. Once a pirate released it in its entirety and it was briefly on YouTune. Too briefly, unfortunately. It is possible, however, to find fragments of all three.

Il Tabarro



Suor Angelica:



Gianni Schicchi:


On CD, the recording under Maazel from 1977 is my first choice. Certainly because of Scotto’s Angelica, nobody comes close to that. Add to that Marylin Horne as her evil aunt and the young Cotrubas as the quick-witted sister Genovieffa. In Il Tabarro, too, it is Scotto who demands all the attention as Giorgetta, helped along by a very macho Domingo and Ingvar Wixell in one of his best roles.

https://open.spotify.com/album/4ZNfRJekmwwYCYf1kN7Yim?si=KMGmDc0xRf2pTxTWrbAp4A


LA GIOCONDA



But don’t forget La Gioconda from San Francisco 1979! For her interpretation of the role, Scotto received an Emmy award. It also meant a violent quarrel with Luciano Pavarotti, whom she did not even mention by name in her autobiography “More than a diva”. He became “A certain tenor”.


FRANCESCA DA RIMINI



And no one should miss Francesca da Rimini by Zandonai from the MET:








Pelléas et Mélisande in Zürich

Tekst: Peter Franken

Dit werk uit 1902 is de enige opera die Debussy (1862-1918) wist te voltooien. In 2016 bracht Opernhaus Zürich een nieuwe productie van ‘Pelléas’ die in 2019 op dvd is verschenen.

De keuze van Debussy voor het verhaal van Maurice Maeterlinck werd sterk bepaald door de afwezigheid van dramatiek, context en het naspelen van het ‘echte’ leven. Veel te gekunsteld allemaal, de toeschouwer zou door de summiere handeling en de veelal onderkoelde uitspraken van de protagonisten veel dieper kunnen doordringen in hun emoties.

Uit de dialogen maken we op dat het een sombere boel is op het kasteel waar Golaud zijn in het bos gevonden Mélisande naartoe heeft gebracht. Hoge bomen laten alleen in de zomer wat direct zonlicht toe, het leven wordt beheerst door het ziekbed van Pelléas’ vader en in de omgeving heerst hongersnood. Ingmar Bergman had er een mooie film van kunnen maken, wellicht nog beklemmender dan de opera, immers zonder zang. Mélisande voelt zich opgesloten in haar omgeving en in haar huwelijk met de oudere Golaud. ‘Je ne suis pas heureuse ici’ zingt ze in de tweede akte. Veel meer komen we over haar gevoelens niet aan de weet.

Pelléas probeert Mélisandes gezelschap aanvankelijk te mijden maar gaandeweg trekken ze steeds meer met elkaar op. Van een affaire is geen sprake maar de wederzijdse liefde groeit, zonder dat een van beiden dat wil toegeven. Pelléas besluit te vertrekken als hij er niet meer tegen kan. Een laatste ontmoeting met zijn schoonzus wordt hem fataal, zijn halfbroer steekt hem dood. Mélisande baart een dochter maar overlijdt kort daarna, vermoedelijk aan kraamvrouwenkoorts.

Dmitri Tcherniakov heeft in zijn productie voor Zürich uit 2016 de aan Maeterlinck ontleende middeleeuwse locaties gelaten voor wat ze zijn. Hij concentreert zich op het schimmige personage Mélisande en de impact die haar aanwezigheid heeft op de mensen om haar heen. Ze is emotioneel zeer sterk beschadigd en dat biedt de mogelijkheid er een psychiatrisch tintje aan te geven. In een prachtige modern vormgegeven hoge ruimte die zowel een woon- eetvertrek als een behandelkamer voorstelt ondergaat Mélisande haar therapie.

Toepasselijk staan er verschillende wit leren chaises longues als meubilair klaar zodat ook meerdere personen tegelijkertijd in dat proces betrokken kunnen worden. En dat gebeurt ook.

Golaud is psychiater en Mélisande zijn patiënt. Zo nu en dan activeert hij een in de wand gebouwd videoscherm en zien we opnames van eerdere sessies. Mélisande ondergaat daarin zo te zien aanvankelijk dwangverpleging. Die terugblikken moeten hem vermoedelijk sterken in de gedachte dat hij met Mélisande veel vooruitgang heeft geboekt ook al functioneert ze nog steeds in zeer beperkte mate, zowel verbaal als emotioneel.

De rest van de familie participeert in de sessies door met Mélisande alles na te spelen waarover in de opera wordt gerept. De locaties worden aan de verbeelding overgelaten, de gesprekken en in toenemende mate handtastelijkheden bepalen de voortgang.

Hoewel de indruk wordt gewekt dat alle betrokkenen een vergelijkbare scholing hebben gehad als Golaud en dus als zelfstandig hulpverlener kunnen optreden, vervaagt dit aspect feitelijk zodra Golaud er niet direct bij betrokken is. Dan zien we een disfunctionerende familie waarin de onduidelijk verwantschappen – Genevieve was de vrouw van Arkels oudste zoon en is na zijn dood met de jongste getrouwd – nog eens extra vertroebeld zijn door die inwonende patiënt die Golaud zozeer onder de huid is gekropen dat hij haar minnaar is geworden.

Jacques Imbrailo geeft fraai gestalte aan de rusteloze Pelléas. Zijn personage is tragisch, hij wordt geleefd. Zijn grootvader Arkel, mooie rol van Brindley Sherrat, verbiedt hem om een stervende vriend te bezoeken omdat hij zijn eigen langdurig zieke vader niet alleen mag laten. En hij wil de wijde wereld in om niet in de verleiding te komen zijn broer te bedriegen met die mooie onwereldse Mélisande die hem vanaf haar binnenkomst al fascineert. Ondanks zijn goede bedoelingen wordt hij gedood maar dat schijnt eigenlijk niemand van zijn familieleden echt te deren. Que sera, sera.

Kyle Ketelsen is een goede keuze als Golaud, groter en dominanter dan zijn jongere halfbroer en zeer geloofwaardig in zijn toenemende frustratie als duidelijk wordt dat Mélisande liever bij Pelléas is dan bij hem. Hij heeft haar dan wel een beetje op de rails gekregen maar door haar minnaar te worden is hij tegelijkertijd een herinnering aan het grote onheil dat ze was ontvlucht, zoiets in elk geval. Vocaal uitstekend verzorgd en binnen de bewegingsruimte die de rol biedt een geloofwaardige middelbare man die transformeert van een oprecht verliefde minnaar in een achterdochtige jaloerse potentaat die meer waarde lijkt te hechten aan de zekerheid dat zijn jonge vrouw hem niet heeft bedrogen, dan aan haar overleven. Als ze sterft moet hij tenminste een zuivere herinnering aan haar hebben.

De solist van de Tölzer Sängerknaben Damien Göritz is zeer goed opgewassen tegen de eisen die hem worden gesteld. Zijn partij is relatief eenvoudig maar hij moet die zingen terwijl zijn vader hem in toenemende mate ruw behandelt. Staat sterk in zijn schoenen die jongen.ne Naef is verantwoordelijk voor de moederlijke inbreng maar die beperkt zich hoofdzakelijk tot zingend toekijken.

Corinne Winters is een prachtige wereldvreemde Mélisande, oogt door haar zwarte sportkleding kleding een beetje jongensachtig en wil het liefste alleen maar met haar ‘broertje’ Pelléas spelen. Een soort terug naar vroeger, onschuldiger tijden. Van emotionele ontwikkeling is bij haar personage niet veel te merken, ze is een gevangen vogel zonder verleden en naar blijkt ook zonder toekomst. Tot het laatst probeert Golaud ‘de waarheid’ over haar omgang met Pelléas uit haar te kloppen, zonder resultaat. Grootvader Arkel ziet als enige een lichtpuntje: het nieuwe meisje zal Mélisandes plaats gaan innemen in de familie.

Uitstekend gezongen door Winters en overtuigend geacteerd. We zouden nog meer van haar horen in de jaren erna, denk aan Rachel, Halka, Jenufa, Katia, Giorgetta en Suor Angelica.

Maestro Alain Altinoglu heeft de muzikale leiding, groot compliment.

Trailer van de productie:


Voorstelling foto’s © Toni Suter    

A fraternizing passion for music

Take an Israeli, a Frenchman and an Iranian born in Austria, put all them together on a stage in Aix-en-Provence with the scores of the Russian and Czech masters in front of them. They then record it live and the result is just about the best CD of the year 2019.


The Tchaikovsky and Dvorák piano trios recorded on 5 April 2018 are of course ‘gefundenes fressen’ for a lover of chamber music. After all, the opening bars of Tchaikovsky’s opus 50 alone will surely stay in your mind.

Whether this performance is better than that of the Beaux Arts Trio or the trio of Perlman/Ashkenazy/Harrell (to name but two)? No, I do not think so. But it is definitely more exciting. I don’t want to put the word refreshing in my mouth, but of course it is. What you hear here is the unpolished sound of a real live performance. You can hear the passion.


The three protagonists, Laham Shani (piano), Renaud Capuçon (violin) and Kian Soltani (cello) not only know how to bring to life the sad stories behind the notes, but they also make them more tangible. Intense. No, these performances will not leave you unmoved.

If the supporters of BDS (Boycott, Divestment, Sanctions) had their way, this CD would never have been recorded. The reason is simple: Lahav Shani, in everyday life chief conductor of the Rotterdam Philharmonic Orchestra and also a gifted pianist, is an Israeli. And those well-meaning pseudo do-gooders of course want none of that. Fortunately, there is still such a thing as music, where all people can actually become ‘brothers’ and where playing together is elevated to the highest level..



Tchaikovsky: Piano Trio in A, op. 50
Dvorák: Piano Trio No. 3 in F, op. 65
Lahav Shani (piano), Renaud Capuçon (violin), Kian Soltani (cello)
Warner 0190295525415

De maagd van Orléans

Tekst: Peter Franken

Dit werk van Tsjaikovski had première in 1881 in het Mariinsky Theater en staat zodoende tussen Evgeni Onegin en Mazeppa. Het werk heeft niet het intieme van Onegin maar lijkt met zijn martiale scènes meer op Mazeppa, al zijn er wel momenten van kleinschalige lyriek in de twee liefdesduetten, tussen Charles VII en zijn vrouw Agnès Sorel en tussen Jeanne en Lionel. Verder klinkt er veel van de vijfde symfonie in de orkestratie door. Al met al is het werk volledig herkenbaar als een opera van Tsjaikovski.

Er is een opname gemaakt door een Britse crew onder leiding van Brian Large van een voorstelling in het Bolshoi, in 1993 dus artistiek nog geworteld in de Sovjet tijd. De betreffende dvd is echter zeer moeilijk te krijgen maar gelukkig staat de gehele voorstelling op YouTube zodat iedereen er toch kennis van kan nemen.

Het libretto volgt de geschiedenis van Jeanne d’Arc vrij nauwkeurig, zij het in gecomprimeerde vorm. Jeanne wijst een huwelijk met dorpsgenoot Raymond af omdat ze een hogere roeping heeft. Als er bericht komt dat Parijs in handen van de Engelsen in gevallen en Orléans zal worden belegerd, voorspelt ze tot verbijstering van alle aanwezigen en vooral haar vader dat de overwinning nabij is. Ze geeft gehoor aan wat de Heilige Maagd haar heeft ingefluisterd en trekt ten strijde.

In de tweede akte bevinden we ons aan het hof van Charles VII in Château de Chinon waar de vorst zich laat onderhouden door zijn mistrelen en een groep dansende pages, zigeuners en clowns. Hij is van de wereld vervreemd, leeft in volledige ontkenning en heeft alleen nog oog voor zijn vrouw Agnès. Na bericht van weer een nederlaag wil hij vluchten in zuidelijke richting, in elk geval de Loire over. Zijn belangrijkste adviseur Dunois wijst hem erop dat hij zelf de troepen moet gaan aanvoeren maar dat weigert Charles. God heeft het zo beschikt, hij zal berooid en zonder troon sterven.

Plotseling komt er bericht van een grote overwinning, natuurlijk door toedoen van Jeanne. Omdat ze weet te vertellen wat Charles in zijn gebeden heeft gezegd krijgt ze zijn vertrouwen, dit moet wel iemand zijn die directe lijn heeft met de Heilige Maagd.

In de derde akte stuit Jeanne op de Bourgondische edelman Lionel die aan de kant van de Engelsen strijdt. Ze weet hem te verslaan maar raakt zozeer in verwarring door zijn verschijning dat ze hem niet kan doden. Op zijn beurt raakt hij ook van haar onder de indruk. Eind van het liedje is dat hij overloopt naar het Franse kamp om bij Jeanne te kunnen  zijn. Deze beseft echter dat ze verliefd is geworden op die knappe man en zodoende de gelofte van absolute kuisheid heeft geschonden die haar in staat had gesteld onder de banier van Maria voor Frankrijk te strijden. Het is als bij het afknippen van Samsons haar, de ban is gebroken.

Als Charles haar wil huldigen met een altaar, ze is immers heilig in commissie, komt haar vader roet in het eten gooien. Hij wil haar ziel redden ook al kost dat Jeanne het leven, overtuigd als hij is dat zijn dochter niet heilig is maar in de ban van de duivel. Hij vraagt Jeanne antwoord te geven op de vraag of ze heilig en rein is om zo haar onschuld te bewijzen. Jeanne geeft geen antwoord omdat ze twijfelt aan haar eigen ‘reinheid’ nu ze zichzelf heeft gegeven aan een mens ook al is daar geen fysieke relatie aan te pas gekomen. Men keert zich tegen haar, vooral nadat er bliksem is ingeslagen.

In de vierde akte is Jeanne op de vlucht en treft in een bos haar geliefde Lionel. Kort daarna worden ze door Engelsen omsingeld. Lionel wordt gedood en Jeanne gevangen genomen. Het einde is de terechtstelling in Rouen waar Jeanne sterft op de brandstapel.

De productie uit het Bolshoi leunt sterk op het inzetten van een overdaad aan personeel. Voortdurend staan er grote koren paraat om zingend in te vallen, in fraaie eigentijdse uitgaanskledij. Bij elke nieuwe ontwikkeling wordt Jeanne omgeven door een groep in witte jurken geklede figuranten. Zo is er permanent een levend decor van tientallen medewerkers. Midden op het toneel is een kleine vierkante verhoging geplaatst waarop het merendeel van de feitelijke handeling zich afspeelt. Aan het einde wordt Jeanne met verhoging en al opgetakeld waarbij eronder een rode gloed en veel rook zichtbaar wordt, een ‘realistisch’ einde.

Anders dan de koren zijn de zangers allemaal gestoken in fraaie periode kostuums. Jeanne ziet er gewoon uit als herderinnetje en Charles is herkenbaar als koning. Jeannes vader oogt, speelt en zingt als een monnik uit een opera van Moessorgski, denk aan Varlaam als hij niet dronken is. Dit komt voor rekening van de bas Vyacheslav Pochapsky.

Charles VII wordt vertolkt door de tenor Oleg Kulko, vooral mooi om te horen in zijn liefdesduet met sopraan Maria Gavrilova als zijn vrouw Agnès Sorel. Bariton Mikhail Krutikov probeert als Dunois zijn koning enige realiteitszin bij te brengen. Als er voor hem is opgetreden wil hij iedereen als dank een gouden ketting geven. ‘Die zult u dan met uw eigen woorden meten rijgen, de schatkist is leeg.’ Overigens is het ballet van die pages, zigeuners en clowns gecoupeerd, alleen de minstrelen komen zingend aan bod.

Lionel, de would be minnaar van Jeanne, is een mooie rol van bariton Vladimir Redkin. En de titelrol wordt voorbeeldig vertolkt door sopraan Nina Rautio. Ze staat lange tijd op het toneel en heeft veel te zingen wat haar uitstekend afgaat, zeer goede beheersing van de partij. Regisseur Boris Pokrovsky laat haar wel erg zelfverzekerd overkomen in de eerste twee aktes, alsof ze de aanwezigheid de Heilige Maagd direct aan haar zijde ervaart. Het is het enige voorbeeld van specifieke personenregie dat ik in deze voorstelling heb kunnen ontwaren. De decors en kostuums zijn van Valery Levental. Alexander Lazarev heeft de muzikale leiding.

De Maagd van Orléans is een rariteit buiten Rusland en dat zal ook wel zo blijven. Muzikaal is deze opera beslist minder interessant dan Evgeni Onegin en Pique Dame en feitelijk geef ik ook aan Mazeppa de voorkeur boven dit werk. Niettemin toch wel prettig het nu eens gezien te hebben.

Zauber der Bohème or ‘dream couples’ in opera

©Marjan Kiepura

The term ‘dream couple’ has lost much of its original meaning. For, say it yourself: how many of these ‘dream couples’ did you see come and go without there being anything left of their idyll afterwards? Gheorghiu/Alagna ended in a very hostile divorce , Netrebko/Villazon only existed on paper and – who knows? – in the tenor’s dreams….



But it is not always just a beautiful fable, because once such a dream couple did exist in real life. Polish tenor Jan Kiepura and Hungarian soprano Martha Eggerth not only achieved their fairytale status of being made for each other, but they also remained there. And that both on the stage, on the movie screen and in real life.



In Géza Von Bolváry’s 1937 film, Zauber der Bohème, we are introduced to two young, would-be singers in love, whose lives are running parallel, both in real life and on the stage. Their fates are very similar to those of the fictional characters they perform on the stage, but here death is real and insurmountable: after her last notes, Denise/Mimi (Eggerth) dies in the arms of René/Rodolfo (Kiepura). Curtain!

Besides arias from Giacomo Puccini’s La Bohème, there are also two songs, written specially for the film by Robert Stolz and Ernst Marischka: ‘Ich liebe Dich!’ and ‘Weine nicht, bricht eine schöne Frau Dir das Herz’.

‘Ich liebe Dich’:




Jan Kiepura sings ‘Weine nicht, bricht eine schöne Frau Dir das Herz.’





The last scene from the film:




One handkerchief is not enough against all this emotional outpour, but you have to be able to cope with a very poor image and the quality of the sound is also quite bad. But honestly: who cares?

And here is the whole film, unfortunately without subtitles:




Postscript: in 1938 Marta Eggerth and Jan Kiepura, both Jews, fled Austria and Europe just in the nick of time. They took the ‘vanished’ Austria and the Viennese flair with them to New York.






“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter sings songs by ‘Theresienstadt composers

The songs Anne Sofie von Otter, assisted by baritone Christian Gerhaher, sings on the CD Terezín – Theresienstadt, released in 2008 on Deutsche Gramophon (DG 4776546), belong to a variety of music genres. They have one thing in common: all of them were composed in the Terezín concentration camp and their creators who were deported there were later murdered in Auschwitz.

The initiative came from von Otter herself: for the Holocaust commemoration in Stockholm she collected a wide selection of the ‘Terezín songs’ and compiled a recital of them.  This programme was then recorded for CD, ” because we must never forget. “

ILse Weber

It is a CD you really need to listen to from start to finish even though many of the songs come from the lighter genre. Most moving are the songs by Ilse Weber.

Try to keep a dry eye when listening to ‘Wiegala,’ the lullaby that Weber sang to the children in the gas chambers.

Or the terrifying words “I want to go home so badly” from Weber’s “Ich wandre durch Theresienstadt.”

Erwin Schulhoff

The beautiful violin solo sonata by Erwin Schulhoff does not really belong here, Schulhoff has never been to Terezín. He was arrested in Prague on 23 June 1941 and deported to the Würzburg concentration camp, where he died of tuberculosis in 1942. You can hear that Daniel Hope has been devoted to Schulhoff’s music for many years, as he interprets the work in an inimitable way.

Below Daniel Hope plays ‘Andante Cantabile’, the second movement of Schulhoff’s sonata. It is a recording from the CD ‘Forbidden Music’, released by Nimbus:

 

Ilse Weber, Hans Krása, Viktor Ullmann, Pavel Haas, Karel Svenk, Erwin Schulhoff
Terezín – Theresienstadt
Anne Sofie von Otter (mezzo-soprano), Christian Gerhaher (baritone), Daniel Hope (violin), Bengt Forsberg (piano), Bebe Risengf (accordion, guitar and double bass) and others.

Translated with www.DeepL.com/Translator

Metamorphoses as a symbol of transfiguration of the world, after the war


It was at the end of the Second World War that Richard Strauss composed his Metamorphoses for twenty-three strings. The piece, one of his last works, is based on mythological stories by Ovid, in which the creation and history of the world are based on Greek and Roman mythology.

It is generally believed that Strauss composed the work in response to the horrors of war while also mourning the destruction of Germany. And that it was a kind of elegy to the devastating bombing of Munich, especially the Munich Opera.
The final section entitled ‘In Memoriam’ could indicate that the piece was intended as a musical monument for culture in general, and German culture in particular, which is why some, including Matthijs Vermeulen, took the composition to be a lament for Hitler and for the downfall of the Nazi regime (source: Wikipedia). I can’t imagine it, but: who am I?

According to Richard Straus (and Beethoven) specialist Dr Jürgen May, it was Strauss’s way of expressing his sorrow for “more than three thousand years of the cultural development of mankind”.

In the composition, quotations from Beethoven’s Eroica and his Fifth Symphony can also be heard, as well as from Wagner’s Siegfried Idyll. That the work is rather sombre and very emotional is obvious. Especially the ‘In Memoriam’ will not leave you unmoved.


Richard Wilson The Destruction of the Children of Niobe 1760


“Childless she sat down dejectedly […] Yet she weeps, and […] she is carried away to her fatherland; there, set on a mountain top, she wears away, and even now tears flow from the marble” (source Latin and Greek, anonymous translation).

With the other works on the CD, from Schreker and Korngold, the feeling of desolation and abandonment is coninued.Franz_Schreker

Franz Schreker composed the Intermezzo, the oldest piece (and also the shortest) on the disc, in 1900. That was a long time before he would write his greatest works and his operas would be performed with enormous success in the biggest opera houses of, in particular, Austria and Germany. Yet, in the narcotic ‘Ferne Klang’, you can already hear Schreker’s musical characteristictics.

Korngold wrote his Symphonic Serenade shortly after the Second World War, when he had left Hollywood for a while to come to Vienna. He worked on it from 1947 and at the same time he also began what he thought would be his greatest work, the Symphony in F-sharp. John Wilson with his Sinfonietta London had already recorded this Symphony with stunning result. This CD is no less impressive.


Richard Strauss, Metamorphoses
Franz Schreker, Intermezzo op.8
Erich Wolfgand Korngold, Symphonic Serenade for Strings op.39
Sinfonia of London olv John Wilson
Chandos CHS

Palestrina van Pfitzner is een mooi alternatief voor Strauss

Tekst: Peter Franken

Pfitzner (1869-1949) schreef zes opera’s waarvan de vijfde hem blijvende bekendheid heeft opgeleverd. Zeer overtuigd van zijn eigen kunnen en prominentie zag hij zichzelf als de grootste Duitse componist van zijn tijd. Probleem was echter dat velen die kwalificatie eerder aan Richard Strauss, zijn vijf jaar oudere collega toedachten.

Die vijfde opera was Palestrina waaraan Pfitzner werkte tussen 1909 en 1915. Het werk had in 1917 in München première. In 2009 ging er een nieuwe productie van deze opera bij de Bayerische Staatsoper in de regie van Christian Stückl met decor en kostuums van Stefan Hageneier. Een opname is uitgebracht op Blu-ray.


Pfitzners magnum opus heeft eenzelfde lengte als bijvoorbeeld Die Walküre en dat is niet de enige reden dat de componist wel eens werd weggezet als een epigoon van de oude meester. Palestrina kent zeer veel lange dialogen en monologen die de luisteraar nolens volens doen denken aan Die Meistersinger von Nürnberg met de titelheld in de rol van Sachs. Voor andere personages met veel tekst blijven dan vergelijkingen met Beckmesser, David en Walther over.

Maar muzikaal doet Pfitzners idioom vooral denken aan Strauss, een overeenkomst waar geen van beide heren mee ingenomen zal zijn geweest. De dialogen tussen sopraan en mezzo in de eerste akte zijn je reinste Strauss, al krijg ik vooral associaties met Arabella en Zdenka, muziek van veel later datum dan Palestrina. Echter ook Der Rosenkavalier schemert hier en daar door als de ‘Meistersingers’ concurrentie krijgen van Ochs. Al met al is het prettige muziek om naar te luisteren al is de tekst nogal langdradig.

Pfitzners heeft duidelijk geen keuze kunnen maken waarover hij wilde schrijven. In eerste aanleg gaat het over de componist Palestrina die gedwongen wordt door de kardinaal Borromeo om een nieuwe mis te schrijven in het bestaande polyphone idioom. Dit om het tij te keren dat zijn oorsprong vond in het Concilie van Trente waarin al min of meer was besloten die nieuwlichterij in de ban te doen en terug te keren tot het Gregoriaans.

Pfitzner zelf zag met lede ogen de opmars van atonale muziek, hem een gruwel, om van serialisme niet te spreken. Het kon toch niet zo zijn dat componisten niet meer tonale muziek konden schrijven omdat het door de ‘modernen’ in de ban was gedaan? Palestrina’s keuze voor polyphonie is de pendant van Pfitzners keuze voor tonale muziek waarbij beiden in hun beleving tegen de stroom in moesten roeien.

Als Palestrina zich beroept op gebrek aan inspiratie, gevolg van het overlijden van zijn vrouw, stelt Borromeo dat hij gods stem niet meer hoort en laat hem wegens ketterij of een ander voorwendsel gevangen zetten, in de hoop hem zodoende tot componeren te dwingen.

Gelukkig hebben engelen de nacht ervoor snel even die mis op papier gezet en als Palestrina wakker wordt denkt hij al die bladmuziek zelf in een nachtje te hebben geschreven. Zijn zoontje Ighino en de leerling Silla weten bijtijds het manuscript in veiligheid te brengen voor Borromeo’s ordedienst de componist komt halen. Later blijkt dat Ighino de mis in handen heeft gespeeld van een afgezant van de paus en als die enthousiast is over deze nieuwe mis is de polyphonie ‘gered’.

Op zich is dat voldoende stof voor een complete opera maar Pfitzner heeft er een karikaturale beschouwing van het Concilie van Trente als tussenakte aan toegevoegd. Op zich bij vlagen onderhoudend met grote namen als Michael Volle en John Daszak als pauselijke legaten en een heel leger aan andere prelaten maar feitelijk niet meer dan een tussenspel.

Het kleinzielige verloop van de besprekingen wordt op de hak genomen, de tegenstellingen uitgelicht, maar de casus belli is uiteindelijk niet meer dan de muzikale stijl van de mis. De keizer en Borromeo willen polyphonie, de paus Gegoriaans. Palestrina moet door een meesterstuk de polyphonie redden en zowaar wordt zijn naam tweemaal genoemd in deze akte die meer dan een uur duurt. De sessie eindigt in een pandemonium.


De personages zijn overwegend wit geschminkt met als enige uitzondering Palestrina en de Spaanse dwarsligger graaf Luna, woordvoerder namens de koning. Belichting en kostuums worden gekenmerkt door felle kleuren: hard groen, magenta. Het decor kleurt mee door passende belichting. Al met al een leuk spektakel om naar te kijken al valt het niet mee om steeds bij de les te blijven.

Christopher Ventris is een solide Palestrina, Claudia Mahnke een prima Silla en Christiane Karg speelt en zingt Ighino als een liefhebbende dochter in plaats van zoontje. Het klinkt er niet minder mooi om.

Falk Struckmann geeft gestalte aan kardinaal Borromeo die zich later met Palestrina komt verzoenen. Zijn reputatie stond op het spel, dus moest hij wel hard zijn.

Simone Young heeft de muzikale leiding, mooie prestatie.

Trailer: