cd/dvd recensies

About Eisler, Brecht, exile and Hollywood



We live in very strange times. One composer after another emerges from oblivion and starts a (re)new(ed) march to victory. At least, if he (she) is lucky, because nothing is as short as the human memory and many of the ‘excavated’ composers are already covered in a thick layer of dust, after they have been performed and/or recorded only once (or maybe twice). For: “No day without Bach” and Beethoven’s piano concertos really do have to be recorded for the hundred millionth time.



Hanns Eisler has never _really_ been forgotten, which he owes in part to his friend and author of the texts for his songs and cantatas, Bertolt Brecht. In 1998, Decca’s ‘Entartete Musik’ series released its second CD of Eisler’s music: songs he composed during his exile in Hollywood.

Eisler was not alone in seeking refuge in the Mecca of film industry and trying his luck there, and he too has participated in a few films. His main occupation, however, was teaching, first in New York and Mexico and from 1942 at the University of Southern California.

Eisler and Brecht in Leipzig



In Hollywood, Eisler was united with Brecht and in May of that year he started working on the ‘Hollywood Songbook’. For most of the songs he composed between May ’42 and December ’43, he used poems that Brecht wrote during his stay in Scandinavia in the years 1938 – 1940 (the so-called ‘Steffinsche Sammlung’),

When Brecht temporarily stayed in New York, Eisler turned to other poets: Hölderlin, Pascal, Eichendorff, Goethe. There is an essential difference between the settings: the ‘Brecht Lieder’ are often bitter, aggressive, sometimes cabaretesque in nature; the others tend to be more melancholic, more melodious, more rooted in the tradition of the art of song.

Matthias Goerne, despite his young age (he was 31 at the time of the recording), was no longer an unknown quantity and already had a few recitals to his name. He has a wonderful timbre and sings with full understanding of the texts. Unfortunately, he is far too much like his illustrious predecessor (I will not name names) and that is a bit disturbing to me, although it may be a recommendation for someone else. Peanuts, actually, because as far as I know it’s the only recording of the complete ‘Hollywood Songbook’, so if you come across it: buy it!
He is accompanied by Eric Schneider in an exceptionally skilful way.





Hans Eisler
The Hollywood Songbook
Matthias Goerne (baritone)
Eric Schneider (piano)
Decca 460582-2



If you want to know what a jazzed-up ‘Hollywood Songbook’ sounds like, listen to Laurent Naouri. It’s quite fun to discover how very Weill-like Eisler sounds here. Listen to ‘Kalifornischer Herbst’, which could have come straight out of one of his ‘shows’.
It is a CD that is best listened to at night, with a glass of whisky.



Bridges
Hanns Eisler and Sergei Prokofiev
Hollywood Songbook (extracts) & Improvised Variations
Laurent Naouri (bass-baritone), Guillaume de Chassy (piano), Thomas Savy (clarinets) Arnault Cuisinier (double bass)
Alpha 210

Amerikaanse opera’s, deel 5: A Streetcar named Desire

Tekst: Peter Franken

Blanche staat onaangekondigd bij haar jongere zus Stella voor de deur, komt een tijdje bij haar logeren nu ze door haar werkgever met ziekteverlof is gestuurd. Blanche en Stella zijn zogeheten ‘southern belles’, jongedames die zijn grootgebracht in betrekkelijke welstand en met de goede manieren van vroeger. Het ouderlijk huis is een voormalige plantagewoning ergens in Mississippi.

Het succesvolle toneelstuk van Tennessee Williams uit 1948 werd al lange tijd gezien als een ‘American classic’ voor het een halve eeuw na de première concurrentie kreeg van een opera versie. De compositie van André Previn beleefde zijn première in 1998 in de San Francisco Opera onder de muzikale leiding van de componist. De rol van Blanche Dubois werd gecreëerd door Renée Fleming. Van de wereldpremière is een opname op dvd uitgebracht door Arthaus.

Elisabeth Futral (Stella) en Rodney Gilfrey (Stanley) © Larry Merkle

Stella is er vandoor gegaan naar New Orleans en is daar getrouwd met een ruig type, Stanley Kowalski, die het in de oorlog tot sergeant heeft gebracht en nu als fabrieksarbeider de kost verdient. Stella heeft zich zodoende van haar sociale achtergrond bevrijd, een omgeving waarin iemand als Stanley wordt gezien als een eigentijdse ‘caveman’. Maar hun relatie functioneert en ze hebben het eigenlijk wel prima zo.

Elisabeth Futral (Stella), Rodney Gilfrey (Stanley) en Renée Fleming (Blanche) © Larry Merkle

De komst van Blanche die nauwelijks kan geloven in wat voor hol haar zusje leeft en dan ook nog eens met zo’n aap van een kerel, zorgt al direct voor de nodige wrijving. Des te meer daar Blanche zich nog immer gedraagt als de southern belle die ieders aandacht opeist en bijna met eerbied behandeld wil worden. Maar we zien direct al dat ze drink, zoveel dat er duidelijk sprake is van een verslaving.

Gaandeweg komen we meer over Blanche aan de weet en tegen het einde is het plaatje compleet. Ze is als 16 jarige verliefd geworden op een jonge man en daar mee vandoor gegaan. Eenmaal getrouwd bleek hij een homo te zijn. Toen ze dat ontdekte en hem daarmee confronteerde, had hij zich door zijn hoofd geschoten. Sindsdien is ze ernstig getraumatiseerd.

Door het zedeloze gedrag van haar voorgeslacht is het familievermogen verdampt, alles is opgegaan aan de ‘liefde’ vertel ze. Begrafenissen van moeder, vader en tantes hebben ook veel geld gekost. Zodoende was het grote huis verbeurd verklaard, alles was weg. Ze had haar intrek genomen in een hotel met slechte reputatie en was daar uitgezet nadat ze niet alleen volwassen mannen met grote regelmaat had ontvangen maar tevens een minderjarige leerling. Daarop was ze ontslagen en min of meer het stadje uitgejaagd. Nu is ze in New Orleans met een hutkoffer vol oude chique kleren en wat resterende juwelen.

In het broeierig warme New Orleans werken Stanley en Blanche elkaar behoorlijk op de zenuwen in dat appartementje met twee kamers die slechts gescheiden zijn door een gordijntje. Komt bij dat Stella zwanger is en er binnenkort nog een tweede ‘onruststoker’ op komst is. Als na de zoveelste ruzie Stella naar het ziekenhuis moet vanwege de op handen zijnde bevalling en Stanley naar huis wordt gestuurd ‘om uit te rusten’, komt alles bij hem tot uitbarsting. Hij is dronken en Blanche is dat sowieso altijd al een beetje en de ergernis over Blanches manier van doen, frustratie vanwege zijn verstoorde seksleven, wederzijdse minachting, vinden een niet geheel onverwacht einde in een verkrachting, de ultieme uitlaatklep voor gevoelens van machteloosheid.

Als Blanche dit aan Stella vertelt gelooft ze haar niet, wil het niet geloven. Blanche leeft al zo compleet in een fantasiewereld dat elke informatie die ze geeft volledig onbetrouwbaar is. Dat geeft Blanche het laatste zetje, haar zus valt haar af, nu is er niemand meer in haar leven waar ze terecht kan. Behalve natuurlijk een fantasieminnaar die aanstonds voor de deur zal staan.

Een tijdlang heeft ze geprobeerd aan te pappen met Mitch, een van Stanley’s pokervrienden maar nadat door navraag in Blanches hometown de ware reden van haar vertrek aan het licht is gekomen, is dat op niks uitgelopen. Nu kijkt ze uit naar een nieuwe reddingsboei. Het slot van het verhaal is dat Stella haar laat opnemen in een inrichting. Gelukkig ziet de dokter die haar ophaalt eruit als een vriendelijke oudere man waarover ze kort daarvoor had gefantaseerd.

Het toneelbeeld is vermoedelijk een kopie van dat in de oorspronkelijke Broadway voorstelling. Er is geen moeite gedaan het ‘echt’ te laten lijken. Gewoon links een trappenhuis en daarnaast twee sjofel ingerichte kamers.

Bariton Rodney Gilfry is een prima keuze voor de rol van Stanley Kowalski. Hij oogt een beetje als de jonge Arnold Schwarzenegger. Qua zang is dit geen zware rol, vooral Sprechgesang.

De tenor Anthony Dean Griffey heeft als Mitch meer te zingen, zelfs een grote aria, maar hij is dan ook verliefd. Elisabeth Futral is aandoenlijk mooi als het jongere zusje Stella dat probeert de lieve vrede te bewaren. Ze heeft vrij veel te zingen en klinkt net zo prachtig als dat ze eruit ziet.

De hoofdrol wordt op werkelijk fenomenale wijze vertolkt door Renée Fleming. Ze heeft haar leeftijd mee, oogt gewoon ouder dan Futral waardoor ze er als het ware zo uitziet als dat ze zich voelt. Haar partij is erg lang en zwaar maar ze geeft geen krimp, schitterend verzorgd van begin tot einde. Ze acteert ingehouden, conform Blanches opvoeding en zingt haar lange lijnen zonder ergens het volume onnodig aan te zetten waardoor alles heel natuurlijk overkomt als een op muziek gezet menselijk drama. Blanche krijgt van Previn drie grote aria’s te zingen waarvan de laatste ‘I can smell the sea air’ overduidelijk een eerbetoon aan Richard Strauss is.

Previns muziek is tonaal en ligt gemakkelijk in het gehoor, symfonische filmmuziek, afgewisseld met flarden big band en als de emoties oplopen wat snerpende klanken van een saxofoon. En daarmee heeft hij de sfeer van William’s toneelstuk perfect weten te verklanken.

A streetcar named desire is een prachtige opera en met de vertolking door Renée Fleming van de gedoemde Blanche Dubois had de componist zich geen betere wereldpremière kunnen wensen.

de hele opera is hier te bekijken:
https://www.bilibili.com/video/BV15v41177RJ/

André Previns ‘A Streetcar named desire’ twintig jaar na de première

Daniel Barenboim and his very first steps to glory

After leaving the communist paradise in 1968, I found myself in a Valhalla with lots of temptations I could barely resist. I spent my entire scholarship on LPs in a music shop on the very first day. Among them were Beethoven’s complete piano sonatas, played by Daniel Barenboim.

I no longer have the records, so I don’t know if they were the same as the recordings from 1959 that I am listening to now, but I don’t think so. In 1959, Barenboim was only 17 years old and I doubt if he already had a recording contract at that time.

What is most striking about his playing is its youthful elan and a naturalness that only a very young genius may command. There is not a trace of doubt in his interpretations and his attack radiates grandeur.

Unintentionally, I am reminded of Pogorelic’s first recordings; Barenboim also pushes the limits, but he never oversteps them. Even though his tempi are sometimes dizzying, such as in the Rondo Allegro in ‘Patetique’. Talk about pathetic! The “Apassionata” also lives up to its name with Barenboim. Rarely does one hear the sonata played so compellingly, almost recklessly.

Even more interesting is the fourth CD with all kinds of pieces, starting with J.Ch. Bach and ending with Shostakovich. Here Kabalevsky’s piano sonatina is an even bigger rarity than the two little gems by Pergolesi. The contemplative second movement, the Andantino, might have been written by Satie, but make no mistake: with the presto, we end up in (somewhat) ‘Prokofiev-land’.

This CD was recorded in 1955, which means that the child Barenboim was not yet thirteen years old at the time. Insane.



It’s really a shame that the textbook barely contains any text, it doesn’t even say where the recordings took place and if they had been released before.




Beethoven Piano Sonatas Nos. 8, 14, 21, 23, 29, 32
JC Bach Piano Sonata in B flat major op. 17 No. 6
Pergolesi Piano Sonatas in B flat major & in G major
Mozart Variations KV 265
Mendelssohn Capriccio in F sharp minor op. 5
Brahms Intermezzo in C major op. 119 No. 3
Kabalevsky Sonatina for Piano op. 13 No. 1
Shostakovich Preludes Op. 34 No. 2
Profile PH

La Dolores  

La Dolores

I know Tomas Bretón as one of the best zarzuela composers and his La Verbena de la Paloma regularly ends up in my CD player. From La Dolores, I knew – until not so long ago – only one aria and a single duet, as those belong to my Domingo collection.

Plácido Domingo sings ‘Jota’ from La Dolores:



This CD was a very exciting and very pleasant first encounter with the complete work and I sat up straight at the very first notes. The beautiful colours that the orchestra here displayed could only be the work of an important maestro.

TjomasBr;eton



The prelude strongly reminded me of Cavalleria Rusticana, which was only reinforced by the choral part that followed. But just when I thought I had heard it all before (besides the already mentioned ‘Cavalleria’, I also thought I recognised ‘Carmen’), it took a totally different turn.

Yes, it is unmistakably Spanish and often I was also reminded of El Gato Montés by Manuel Penella Moreno, especially in the brilliant scenes preceding the bullfight. But what most surprised me: why was La Dolores not recorded earlier? The first performance in 1895 was a huge success and the opera was even filmed.

Manuel Lanza (no relation) has a beautiful baritone voice that reminded me strongly of Carlos Álvarez.

Tito Beltrán has recorded a few solo CDs since 1993, when he won the Cardiff Competition, and it felt good to hear him in a complete opera recording.

And Plácido Domingo is, as (almost) always, superior.



The main interest, however, lies in the music itself and it is to be hoped that the Decca recording from 1999 is still for sale, because I gave up hope of ever hearing it live a long time ago




Tomas Bretón
La Dolores
Elisabete Matos, Raquel Pierotti, Plácido Domingo, Tito Beltrán, Manuel Lanza, Stefano Palatchi
Cor del Gran Teatre del Liceu, Orquestra Simfònica de Barcelona i National de Catalunya olv Antoni Ros Marbà
Decca 4660612

L’Africaine. How loving Vasco da Gama proved fatal for an African queen

Settings for the 1865 premiere of a L’Africaine (press illustrations). The stage designs for Act I (Council Scene) and Act II (Dungeon Scene) were created by Auguste-Alfred Rubé and Philippe Chaperon; for Act III (Sea Scene and Shipwreck) and Act IV (Hindu Temple), by Charles-Antoine Cambon and Joseph-François-Désiré Thierry; for Scene 1 of Act V (Queen’s Garden, not shown), by Jean Baptiste Lavastre; and for Scene 2 of Act V (The Machineel Tree), by Edouard-Désiré-Joseph

SHIRLEY VERRETT

Shrirley Verrett (Selika)and Plácido Domingo (Vasco da Gama) in San Francisco


Vasco da Gama (yes, the Vasco da Gama) loves Inès, but when his own life is in danger, he takes refuge with the African queen, Sélika. Poor Sélika! She loves him wholeheartedly, but as soon as Inès reappears on the scene, she has to step asie. She does so literally; by smelling a poisonous flower.

Of course, much more happens in the opera, especially in the music. I wonder why it is that the opera is performed so little.
Is it due to the weak male lead, who mainly pursues fame? In any case, Meyerbeer gave him a magnificent aria, probably one of the most beautiful ever: ‘Pays merveilleux/Oh paradis’:



Domingo has always had faith in the opera and he has sung da Gama several times. It is also thanks to him that the opera experienced a minor revival in the 1970s.

There is a pirate recording on CD (Legato Classics LCD-116-3), starring Shirley Verrett and a truly brilliant Norman Mittlemann as Nélusco. It is from 1972, but there is no mention of where it was recorded. But since Verrett sang a series of performances that year, in San Francisco, it is actually quite clear.


The sound quality is poor, but not to worry: the opera was later also recorded for television, so that we can now enjoy it to the full on DVD (Arthaus Music 100217).



The truly wonderful production was created by Lotfi Mansouri (direction) and Wolfram and Amrei Skalicki (stage and costumes). Inès is sung by a (literally) beautiful, light coloratura soprano Ruth Ann Swenson and Justino Díaz does his best to convince us that he is scary. You should really watch it!



MONTSERRAT CABBALÉ



In 1977, the opera was recorded at the Teatre Liceu in Barcelona, again with Plácido Domingo as da Gama. But should I really recommend this recording? Probably not. Montserrat Caballé is a fine but unconvincing Sélika, Juan Pons has seen better days and Christine Weidinger is a merely decent Inez (Legato Classics LCD 208-2).



MARTINA ARROYO



In November 1977, L’Africaine was recorded live in Monaco with a fine Martina Arroyo in the leading role. The textbook says it is probably the most complete performance of the score ever recorded. Unfortunately, Giorgio Casellato-Lamberti is a weak Vasco da Gama, but Sherrill Milnes’ superb Nélusco makes up for a lot (Myto 3MCD 011.235).

Amerikaanse opera’s deel drie: Samuel Barber en Vanessa

Tekst: Peter Franken

In de zomer van 2018 stond Samuel Barbers opera Vanessa op het programma van het Glyndebourne Festival. Opus Arte heeft een registratie van de voorstelling op 14 augustus op Blu-ray uitgebracht. Het resultaat is ronduit sensationeel.

Vanessa speelt zich af op een kasteel in een noordelijk land begin twintigste eeuw en draait om drie vrouwen en een man. Vanessa leeft al twintig jaar in afzondering na te zijn verlaten door haar oudere minnaar Anatol. Over deze man is verder niets bekend, maar het is aannemelijk dat hij getrouwd was. Op het kasteel wonen verder Vanessa’s moeder, die niet met haar wenst te spreken, en de twintigjarige Erika, die zichzelf typeert als ‘her niece but most of the time her shadow’. Het vermoeden bestaat dat zij in werkelijkheid Vanessa’s dochter is, uit haar kortstondige relatie met Anatol.

Vanessa wacht al die tijd op de terugkeer van haar geliefde en probeert intussen de tijd stil te zetten door doeken over de spiegels te hangen. Zij wil beslist niet ouder worden en een vrouw met een dochter kan dat nu eenmaal niet ontkennen.

Als er bericht komt van Anatol, is alles in rep en roer. Maar de Anatol die verschijnt, blijkt de zoon van de inmiddels gestorven minnaar van Vanessa te zijn. Hij wilde met eigen ogen die vrouw aanschouwen die bij het noemen van haar naam de ogen van zijn vader deed oplichten en de lippen van zijn moeder verschroeide.

Vanessa maakt hem uit voor bedrieger en laat hem alleen achter met Erika. Hij verleidt haar nog diezelfde nacht en maakt haar zwanger. Golddigger die hij is, vraagt hij haar later ten huwelijk, maar zij wijst hem af. Hij wil haar geen eeuwigdurende liefde en trouw garanderen, want dat zijn toch slechts leugens. Zij begrijpt dat niet, ook al doordat ze haar hele leven nog niet onder de mensen is geweest.

Na de nodige verwikkelingen besluit Anatol met de veel oudere Vanessa te trouwen. Zij heeft zich verzoend met het feit dat haar Anatol dood is, maar weigert te accepteren dat ze twintig jaar voor niets op hem heeft gewacht. En ziedaar, hier is toch Anatol? Samen vertrekken ze naar Parijs met achterlating van Erika, die inmiddels een miskraam heeft gehad na een mislukte poging om zich te verdrinken. Nu is het haar beurt om te wachten en het afkeurende zwijgen van haar grootmoeder te ondergaan.

Barbers levenspartner Gian Carlo Menotti schreef het libretto. Daarmee is zijn naam voor mij verbonden met twee van de mooiste opera’s van na de oorlog: The Consul en Vanessa.
Vanessa ging in 1958 in première, maar dankzij Barbers tonale muziek klinkt het allemaal ouder en vertrouwder. Zo komen er de nodige populaire deuntjes in voor, lekker om gezellig mee te neuriën. Het dansnummer ‘Under the willow tree’ is een goed voorbeeld.

De productie in Glyndebourne maakt gebruik van een eenheidsdecor dat door ingenieuze belichting en het ten opzichte van elkaar draaien van de samenstellende delen elke keer weer een geheel ander beeld oplevert. De flashbacks die Vanessa ervaart worden in grijstonen belicht, waardoor ze goed te onderscheiden zijn van de actuele handeling. De eerste is het moment waarop ze bevalt – regisseur Keith Warner laat er geen twijfel over bestaan dat Erika gewoon Vanessa’s dochter is.

Hoewel de sociale verhoudingen goed overeenstemmen met de tijd waarin één en ander zich afspeelt, toont Ashley Martin-Davis in zijn kostumering een jarenvijftig beeld. Zo ziet de Franse mezzo Virginie Verrez als Erika eruit als een huiselijke versie van Grace Kelly. Rosalind Plowright krijgt een zwarte jurk aangemeten om haar vermoedelijke hoge leeftijd te accentueren.

Verrez steelt aanvankelijk de show. Ze is niet alleen erg mooi en jong, maar zingt ook voortreffelijk. En omdat ze direct al de aandacht op zichzelf kan vestigen met de showstopper ‘Why must the winter come so soon’ en vervolgens een korte affaire heeft met de net aangekomen Anatol, weet ze haar ‘tante’ tijdelijk naar het tweede plan te verwijzen.

De Vanessa van Emma Bell neemt echter al snel daarna de touwtjes in handen, te beginnen met de scène waarin ze thuiskomt na een schaatsuitje op het meer met Anatol. Dat er iets speelt tussen haar dochter en de nieuwe uitgave van haar minnaar, ontgaat haar volledig. Pas na Erika’s zelfmoordpoging begint ze iets te vermoeden. Bell zingt haar bij vlagen wat hysterische rol met overgave. Haar ‘Why did no one warn me’ aan het begin van de vierde akte maakt veel indruk.

De uit Litouwen afkomstige Edgaras Montvidas oogt iets te oud voor zijn rol, maar weet dat door zijn nonchalante manier van acteren goed te compenseren. Vocaal is zijn Anatol tot in de puntjes verzorgd.

De Amerikaanse veteraan Donnie Ray Albert brengt wat melancholie, maar tevens de nodige luchtigheid in het geheel als de oude familiearts, die natuurlijk ook Erika ter wereld heeft geholpen. Hij heeft een stem die je voortdurend laat uitkijken naar het moment dat hij ‘This is CNN’ zegt in plaats van zijn reguliere tekst.

Rosalynd Plowright is mede dankzij de afdeling kap en grime een mooie typecast als de oude barones, een soort eenpersoons Grieks koor dat commentaar levert, niet door te spreken, maar door een verbeten zwijgen.

De nog vrij jonge Tsjechische dirigent Jakub Hrůša geeft leiding aan het London Philharmonic Orchestra. Dirigent en orkest completeren vanuit de bak het gebeuren op het toneel tot een perfecte theatervoorstelling. Zeer aanbevolen, beter wordt het niet.


Dying with Dame Janet Baker

I must admit that I really don’t like Handel. But I am still going to recommend a CD that is almost half- filled with his arias. Is that possible? Yes, it is possible, because true beauty transcends all prejudices and preferences.

The short ‘O had I Jubal’s Lyre'(Joshua) is quickly forgotten at the first notes of ‘Che farò senza Euridice’.

Recording from Glyndebourne 2004:

Sung so beautifully and so longingly that one is not able to pay much attention to the following ‘Care selve’ (Atalanta). And with ‘Plaisir d’amour’, it is already certain that you will never want to part with this CD, and you just have to surrender yourself to the beauty of it all.

Janet Baker sings “Plaisir d’amour” (TV recital, 1982):



You swoon at ‘Amarilli mia bella’, because nobody on earth has sung it more beautifully. ‘Che puro Ciel’, makes your eyes fill up with tears and you know for sure that this must be the highlight of the CD. Because even more emotion, even more beauty… no, that cannot not possible. And then it comes: the lament of Dido from Dido & Aeneas by Purcell.

Janet Baker as Dido (1966 recording):




The young Baker (the recording is from 1962) turns you into her Belinda, her confidante. You see her lips tremble and you want to comfort her and tell her that it will all be all right, but it won’t be all right and you just die with her.



The legendary lady Janet Baker
Handel, Gluck, Mozart, Purcell. Martini, Giordani
Philips4751562


A literal black and white Carmen from 1915



Just like today’s movies, opera used to be public entertainment number one. And that for a long time. No wonder, then, that from the very beginning of cinema, much attention was paid to this already well known art form. Carmen, one of the most popular operas of the time, appealed particularly to the imagination and was filmed as early as 1912 with the prima ballerina of the Opéra Comique, Régina Badet, in the leading role.

Cecil B.DeMille with Geraldine Farrar




In 1915, Cecil B. DeMille filmed the opera again, this time with Geraldine Farrar as the man-eating gypsy. Now, Farrar was not only one of the greatest sopranos and MET legends of the early 20th century, her beautiful appearance and excessive acting talent also enabled her to build a career as a Hollywood actress.

The story was  substantially amended, making Carmen a thoroughly bad woman, possessing hardly any subtleties. Everything is black and white, just like the (silent) film itself, but that should not spoil the fun, because there is a lot to enjoy.

The film has been fully restored from DeMille’s personal copy, and the original score by Hugo Riesenfeld has been recreated by Gilian B. Anderson, who also conducts the London Symphonic Orchestra in the recorded soundtrack. As a bonus a few arias, sung by Farrar, have been edited in between scenes. For film and opera lovers alike, this is a veritable monum

De Amerikaanse opera’s deel 2: The Consul (Der Konsul) van Giancarlo Menotti

Tekst: Peter Franken

Gian Carlo Menotti’s vluchtelingendrama stond in het seizoen 2016/17 op het programma van het Theater Krefeld – Mönchen Gladbach. Hoewel geschreven eind jaren 1940 is het beklemmend actueel. De enscenering van Katja Bening is echter geheel conform Menotti’s eigen libretto en regie aanwijzingen, zonder een spoor van transpositie naar het heden. Deze integere benadering bleek zeer effectief.

Naar verluidt las Menotti in 1947 in de krant een berichtje over een Pools-joodse vrouw die op Ellis Island zelfmoord had gepleegd toen ze niet langer tegen de bureaucratische machine was opgewassen die haar de intocht in het beloofde land, de Verenigde Staten, versperde. Dit was aanleiding tot het schrijven van een libretto waarin ook eerdere persoonlijke ervaringen werden verwerkt. In een korte toelichting wordt gesteld: ‘De opera speelt ergens in Europa, maar de handeling is niet aan een bepaald land gebonden. Het is een aanklacht tegen tirannie, in elke vorm.’

Het verhaal draait om Magda Sorel, de vrouw van John Sorel die strijd voert tegen een repressief regiem. Als John moet vluchten naar het democratische buurland probeert zij via het consulaat van deze staat een visum te krijgen voor zichzelf en haar zoontje. Aangezien ze door de geheime politie in de gaten wordt gehouden en de benodigde papieren haar worden geweigerd, staat ze op het consulaat met lege handen. Haar openingszin luidt dan ook: ‘Is de consul te spreken?’

Tamelijk voorspelbaar lukt dat niet. De consul is druk bezet, is nooit te spreken. Een in het vak geharde secretaresse staat iedereen te woord en laat geen uitzonderingen toe. Papieren moeten worden ingevuld en als ergens niet aan de zeer precieze eisen wordt voldaan kan betrokkene gelijk weer de volgende dag terug komen.

Zo komt meneer Koffner al zo lang in het kantoor dat hij verzucht dat hij dat over een jaar nog steeds te horen zal krijgen. Diezelfde Koffner neemt een Italiaanse vrouw onder zijn hoede die de landstaal niet machtig is. Hij vertaalt voor haar en helpt bij het invullen van een formulier. Op voorhand nutteloos want eigen papieren heeft ze niet.

Verder is er een vrouw die haar dochter in het buitenland wil bezoeken. Haar kind is met een soldaat van het betreffende land meegegaan, is bevallen en vervolgens in de steek gelaten. Het gaat haar slecht en haar moeder moet dringend naar haar toe. Dat kan wel een half jaar duren, krijgt ze te horen. Moeilijk geval ook omdat ze drie jaar in een concentratiekamp heeft gezeten. Dat moet goed uitgezocht worden. Verder zijn er talloze gevallen die op de hare lijken: ‘Een naam is een nummer, een verhaal is een geval’. Waarop de wanhopige vrouw uitroept: ‘Moeten wij dan sterven omdat er teveel van ons zijn?’

Comic relief komt in de persoon van de illusionist Nika Magadoff die met allerlei trucs de secretaresse ervan probeert te overtuigen dat zijn status als artiest toch belangrijker is dan een paar papieren. Hij moet tot de conclusie komen dat ook een beroemdheid als hijzelf zijn eigen weg in het leven moet zien te vinden.

Ondertussen is Magda al een maand bezig door dagelijkse bezoeken voor elkaar te krijgen dat ze een onderhoud met de consul mag hebben. Als het voor de zoveelste keer wordt geweigerd gaat ze door het lint en houdt ze een tirade over de onmenselijkheid van het bureaucratische systeem dat papieren hoger aanslaat dan mensen:

To this we’ve come:
that man be born a stranger upon God’s earth,
that he be chosen without a chance for choice,
that he be hunted without the hope of refuge.’

Het is het dramatisch hoogtepunt van de opera.

To this we’ve come, gezongen door de eerste Magda Sorel, Patricia Neway:

Deze uitbarsting heeft tot gevolg dat de secretaresse besluit toch maar eens te kijken of de consul niet een momentje beschikbaar heeft. Hij heeft net een belangrijke gast op bezoek maar die staat op het punt te vertrekken. Als die gast de inspecteur van de geheime politie blijkt te zijn die Magda al geruime tijd onder druk zet, valt ze flauw. Daarna gaat het snel bergafwaarts tot Magda besluit zelfmoord te plegen. Inmiddels zijn haar moeder en zoontje overleden en is John gearresteerd. Als ze met haar hoofd in de oven zit, hallucineert ze en ziet alle spelers in het drama voorbijkomen. De doden wenken haar, kom naar ons toe.

Muzikaal leunt het werk sterk op Puccini en de filmmuziek van Korngold. Dramatische scènes doen sterk denken aan La fanciulla del West en de begeleidende muziek van de Italiaanse vrouw is puur Butterfly. Als Magda hallucineert over een toekomst zonder barrières klinkt er revolutionaire marsmuziek.

De voorstelling in Mönchchen Gladbach werd gezongen in het Duits, geheel conform de wens van Menotti om overal de landstaal te gebruiken. Het werk is dan ook al in ruim 20 talen vertaald. Het decor wisselde tussen het huis van de familie Sorel en het bureau van de consul. Wisselingen vonden plaats met gesloten doek waarbij soms verbindende muziek te horen was.

De hoofdrol was in handen van de Poolse sopraan Izabela Matula, een goede keuze. Ze excelleerde in de grote aria en voor het overige was haar spel zeer overtuigend. De rest van de cast was duidelijk van wat minder niveau maar voor een provinciaal theater alleszins toereikend.  De goed spelende Niederrheinische Sinfoniker stonden onder leiding van Diego Martín-Etxebarría.

In 1963 werd een enscenering van Der Konsul verfilmd voor televisie, een medium dat toen nog in zijn kinderschoenen stond. In 2010 is deze opname door Arthaus op dvd uitgebracht. De zwart wit beelden dragen sterk bij aan de beklemmende sfeer van de handeling en maken het tot een prachtig document uit de geschiedenis van verfilmde opera’s. Het werk is voor televisie geënsceneerd door Rudolph Carter.

Magda Sorel wordt schitterend vertolkt door Mekitta Muszely, je ontkomt er niet aan je geheel met haar problemen te vereenzelvigen. Eberhard Wächter neemt de rol van haar echtgenoot John Sorel voor zijn rekening. Gloria Lane is fenomenaal als de onbuigzame secretaresse die als een Cerberus iedereen bij haar chef vandaan houdt, ondoorgrondelijk vanachter haar zonnebril.  Willy Ferenz overtuigt als een ‘creepy’ agent van de veiligheidspolitie.  Franz-Bauer Theussl staat voor het Orkest van de Volksoper Wien.

 Holland Festival 1959 or La Divina in Amsterdam

1959 was a good Callas year. In January that year she first sang at Carnegie Hall, where she gave a concert performance of Il Pirata. It was a great triumph. This was followed by a few Medea’s(Cherubini) in London and a short tour in Spain and Germany.

And then the great moment arrived: her long-awaited performance in Amsterdam. Thousands of people gathered at Schiphol Airport to greet her.

Maria Callas arrives in the Netherlands in 1959. On the right: Peter Diamand, chairman of the Holland Festival.



The lights in the Hall were extinguished and all the spotlights were on her as she descended the Concertgebouw steps. Only the musicians of the Concertgebouw Orchestra had lights on their desks, which, according to witnesses, had wrapped the stage in a romantic atmosphere.



Callas was then technically at the height of her powers. She began with a tather cautiously sung ‘Tu che vedi il mio tormento’ from Spontini’s La vestale, but with ‘Surta è la notte’ from Verdi’s Ernani she already let go of all brakes.



The audience went wild with enthusiasm, which stimulated Callas to become even more intense and dramatic in her perfectly intoned reading of ‘Tu che le vanità ‘ (Don Carlo). She finished with the mad scene from Il Pirata, a true tour-de-force.

She gave every note a different colour, her pianissimo was breathtaking and the coloraturas optimal. A true Divina. If only I had been there then!



Spontini, Verdi, Bellini
Live in Amsterdam 1959
Maria Callas, Concertgebouw Orchestra conducted by Nicola Rescigno
EMI 5626832