cd/dvd recensies

Strehlers Entführung uit La Scala uitgebracht op BluRay

 Tekst: Peter Franken

In 1965 stond Mozarts Singspiel Die Entführung aus dem Serail op het programma van de Salzburger Festspiele.Het betrof een productie van Giorgio Strehler en de 29-jarige Zubin Mehta had de muzikale leiding.

Strehler (Mitte) mit seinem Ausstatter Luciano Damiani (links) und Dirigent Zubin Mehta (foto archief Salzburger Festspiele)

Strehler overleed in 1997 en om hem te herdenken liet La Scala 20 jaar later zijn inmiddels legendarische Entführung herleven in een regie van Mattia Testi. Het geval wilde dat Luciano Damiani, van wiens hand het oorspronkelijke decor en de kostuums waren, in 2007 overleed zodat met deze revival tegelijkertijd diens tiende sterfjaar kon worden herdacht. De productie is nauwgezet gereconstrueerd en was zoals al vermeld in 2017 te zien in La Scala. Op CMajor is een opname op BluRay van een van de voorstellingen verschenen.

Strehler bracht het werk als theater binnen het theater. Op het toneel van La Scala is een kleiner toneel gebouwd, compleet met gekostumeerde toneelknecht die handmatig het doek open en dicht laat gaan. Het zodoende kleine toneel wordt verder geminimaliseerd door twee grote decorstukken links en rechts die het paleis van Selim moeten suggereren. De uitgespaarde opening biedt uitzicht op een wit met blauwe achtergrond, lucht en zee, waar zo nu en dan het silhouet van een langskomend schip te zien is.

 

Silhouet, dat is het toverwoord van Strehlers benadering. Hij laat het speelvlak niet geheel belichten maar houdt een strook geheel donker. Zodra een van de spelers een paar passen richting publiek doet komt deze in de onbelichte zone te staan. Met zorgvuldig ingestudeerde gebaren wordt vooral tijdens de aria’s op deze manier een fraai schimmenspel opgevoerd. Het idee is natuurlijk afkomstig van het theater met Wajangpoppen. Hoewel hiermee mooie beelden worden gecreëerd wordt de methodiek na verloop van tijd nogal voorspelbaar. Gecombineerd met de smalle toneelopening kreeg ik het gevoel naar een silhouetspel tussen de schuifdeuren te kijken.

De regie houdt de handeling zo luchtig mogelijk. Zo trippelt Osmin, fraai uitgedost in Turks folkloristisch kostuum, in de rondte terwijl hij tegelijkertijd de boeman probeert uit te hangen. Het levert aardige contrasten op. Ook de Janitsaren zorgen voor enig comic relief. Bassa Selim daarentegen is bloedserieus en tamelijk dreigend, het enige personage dat de toeschouwer bij de les houdt. Immers, we kijken naar een viertal mensen in gevangenschap dat in geval van een mislukte ontsnapping op onmiddellijke executie kan rekening.

Lenneke Ruiten geeft een fraaie zeer verzorgde uitvoering van de rol van Konstanze. Haar coloraturen zijn puntgaaf en het traject van zeer laag tot stratosferisch hoog doorloopt ze zonder dat er een hoorbare wisseling van register waarneembaar is. Acterend wordt er weinig van haar gevraagd, zelfs niet in ‘Martern aller Arten’ dat ze bijna als een concertaria naar het publiek moet zingen.

Sabine Devieilhe als Blonde is vooral acterend de moeite waard. Aardig om te zien hoe ze Osmin duidelijk maakt dat ze zijn ogen zal uitkrabben als hij haar te na komt, haar Blonde staat dan met uitgestoken ‘klauwhanden’ voor zijn gezicht. Vocaal weet ze op mij minder indruk te maken. De noten zijn er, keurig netjes geleverd allemaal, maar haar stem is nogal dun waardoor wat ze zingt te weinig indruk maakt.

Tobias Kehrer speelt zijn Osmin als een buffo en dat is aardig om te zien. Zijn zang is uitstekend. Dat geldt ook die van Maximilian Schmitt als zijn directe tegenstrever Pedrillo. De interactie tussen die twee houdt tijdens de wat trage momenten de aandacht vast.

Mauro Peter geeft een prima vertolking van Belmonte, overigens in mijn beleving de minst interessante figuur in het stuk. Hij is duidelijk geen partij voor de aartsvijand van zijn vader, Selim. De rol van Bassa is in handen gegeven van Cornelius Obonya die een wat schor stemgeluid paart aan duidelijk herkenbare onderhuidse dreiging in zijn uitspraken. Let niet op wat hij zegt, maar hoe hij het zegt, geen man om op zijn woord te vertrouwen. Dat maakt zijn plotselinge ommekeer aan het einde nogal geforceerd. Wat minder woede en dreiging en iets meer ironie in zijn monoloog ‘Ist es möglich?’ was hier op zijn plaats geweest.

De muzikale leiding is in handen van opnieuw Zubin Mehta, inmiddels 80 jaar oud, waarmee de cirkel gesloten wordt. Een prima uitvoering van een toch wel enigszins gedateerde productie.

De complete Entfurung uit Salzburg :

Trailer uit La Scala:

foto’s uit La Scala: © Brescia/Amisano – Teatro alla Scala)

Knock-out geslagen door het eerste solo album van Nuala McKenna

De in 1993 geboren Duits-Ierse celliste Nuala McKenna groeide op in een muzikale familie. Op haar vierde begon ze met pianolessen. Cello kwam toen zij acht was. Zij was twaalf toen ze toegelaten werd aan het conservatorium van Lübeck, waarna zij (o.a.) bij Jean-Guilhen Queyras en Ivan Monighetti studeerde, wat haar liefde voor modern (en solo) kan verklaren.


                                                                     © Hans van der Woerd

In haar eigen woorden: “Wanneer ik de vraag krijg bij aankomst van een concert wat ik nodig heb op het podium, zijn de mensen altijd verrast als ik zeg: ‘alleen een stoel graag’.
Door de jaren heen heb ik een grote liefde ontwikkeld voor het solorepertoire voor cello waarmee ik ook veel over mezelf heb geleerd. Deze opname is het resultaat van alle processen die ik doorlopen heb om me met deze muziek te verbinden “ (bron: voordekunst).

Haar techniek is onberispelijk, maar techniek alleen is te weinig om te (blijven) boeien, zeker als je, als enige partner je cello hebt. Nou: zelden zat ik zo aan mijn stoel gekluisterd als nu, bij het beluisteren van deze cd. Ongelooflijk spannend vanaf het eerste moment. En de spanning vervaagde niet en was tot de laatste noot ijzingwekkend, bijna thrillerachtig voelbaar.

Ik weet niet of ik de sonate van Kodály ooit beter gespeeld heb gehoord en ik heb er toch best veel gehoord. Ook in Ligeti toont zij zich een meester van het instrument. In Britten heeft zij wat meer concurrentie (Rostropovitsj, bij voorbeeld, voor wie Britten zijn stukken heeft geschreven), maar ook in Britten is haar lezing gewoon ongeëvenaard.

Nuala McKenna heeft mij met haar spel knock-out geslagen en als ik eerlijk mag zijn, deze knock-out voelt meer dan lekker. Ook de opname is subliem. Zeer aanbevolen!


Cellosolowerken van Zoltá Kodály, György Ligeti en Banjamin Britten
Nuala McKenna (cello)
Cobra Records 0078

The Divine Emma /Božská Ema …

emmy-destinn-the-greatest-czech-soprano-dv

Emílie Pavlína Věnceslava Kittlová (February 26, 1878 – January 28, 1930) or, as the world knows her: Emmy Destinn. She is considered to be one of the greatest sopranos of the first twenty years of the twentieth century. She celebrated triumphs in Berlin, Paris, London and New York, she performed with Enrico Caruso, who had once proposed to her, and together they sang the world premiere of La Fanciulla del West, an opera that Puccini had composed with her voice in mind.

Emmmy Fanciulla

In her homeland, Bohemia, she was mainly loved for her patriotism, which even earned her a three-year house arrest during the First World War. The Czech documentary about her life is both interesting and irritating.

Emmy Dinh

Interesting because it recounts many unknown facts about her life and it provides us with beautiful images, photos and film clips and special acoustic recordings (including a real rarity: the Czech national anthem, sung in Czech together with her, then, lover, the Algerian baritone, Dinh Gilly):

Irritating, because it is put together as a very old-fashioned, extremely sentimental filmic portrait, full of seagulls flying overhead, windblown cornfields, a recurring hourglass and larded with staged fictional images. And all that to the sounds of Chopin’s Nocturne.

But the worst thing is that they had Destinn’s voice replaced with that of Gabriela Beňačková! So a great singer is not even allowed on- screen, because the leading part is – of course – intended for a beautiful young lady.

And here the _real_ Emmy:

The Greatest Czech Soprano
Supraphon, SU7006-9

Barbers Vanessa from Glyndebourne: it doesn’t get any better than this

Vanessa dvd

We, European snobs, turn up our noses at American music. We find it all kitsch without really understanding it at all. What do we know about Samuel Barber and his partner Menotti, who also was a gifted composer, director and librettist? Little, I’m afraid. But how ‘American’ were they?  And what does that actually mean?

Vanessa, Samuel Barber’s first opera, hit like a bomb. The premiere at the Met on January 15, 1958 was a huge success. Newsweek reported that Barber’s performance was hailed with “an utter roar, usually reserved for prima donnas”. Dimitri Mitropoulos, who conducted the performance, remarked with great  enthusiasm, “At last, an American Grand Opera!”

But not so long after, the opera was labelled ‘un-American’. And that is a good point, for the libretto by Menotti, slightly based on the stories of Isak Denisen (Karen Blixen), is universal and of all times; and most reminiscent of  ‘Great Expectations’ by Charles Dickens.

After the premiere in 1958 (and the recording on RCA), Vanessa was locked up and almost forgotten. The reason? Ask the programmers, the managers, the musicologists, because I do not know. That the opera is still being staged, albeit sparsely, is thanks to Kiri te Kanawa who sang the role of Vanessa in Monte Carlo in 2001 and repeated it twice: in Washington and Los Angeles. That was a wake up call.

I cannot help but consider the production recorded for DVD at Glyndebourne in 2018 to be an absolute masterpiece. Keith Warner’s staging is very cinematic and it does the opera justice. You can really feel the cold and the frost and there are even a few snowflakes. Think of winter in Scandinavia. Of Strindberg. And of those emotions that remain hidden under a thick layer of ice…

Barber composed the role of Anatol for Nikolai Gedda. Edgaras Montvidas does not really come close to it. His beautiful, light tenor lacks sensuality, so it is not really plausible that he would break the hearts of no less than two women. Although… Vanessa has been waiting so long that she is ready for anything and Erika has never even met a man before. One thing is for sure: this Anatol is going to cause a lot of problems. Another thing is also for sure: this Anatol is going to make you hate him.

Erika is officially a cousin of Vanessa, but the good listener knows better and this production blatantly shows it. Erika is Vanessa’s daughter. That makes all relationships even more complicated – she is now also Anatol’s sister! – but at the same time also clearer. The French light mezzo Virginie Verrez is irresistible in the role. Her voice sounds youthful, curious and longing. Her ‘Must the winter come so soon’ already brings tears to my eyes. Towards the end, her voice becomes almost Vanessa-like in timbre. She closes the curtains, covers the mirrors and locks the doors. It is now her time to wait. Touching.

Vanessa is portrayed phenomenally by Emma Bell. Overemotional on the one hand, and yet pretty cool and calculating on the other. Something is not right there, you feel it, no, you know it. Bell does an excellent job of expressing that borderline-like quality. Both in her singing and in her acting.

Rosalind Plowright is peerless as the old baroness. She too, as are her daughter and granddaughter, is emotionally conflicted. Compassionate but up to a point: her principles win out over her feelings.

Donnie Ray Albert is irresistible as the old doctor. His ‘Under the linden tree’ is a real showstopper.

The London Philharmonic Orchestra, conducted by Jakub Hrusa, plays the stars from the sky. My God, what a conductor!

Barber: “Art is international, and if an opera is inspired, it needs no boundaries.” And that is so true here.

Emma Bell, Virginie Verrez , Edgaras Montvidas, Rosalind Plowright, Donnie Ray Albert, William Thomas, Romanas Kudriasovas
The Glyndebourne Chorus;  London Philharmonic Orchestra olv Jakub Hrusa
Regie: Keith Warner
Opus Arte OABD725

Carsens Mefistofele verdient een cultstatus

Tekst: Peter Franken

mefisto-dvd

De opera waar ik vorig jaar het meeste naar uitkeek was degene waar DNO in september het seizoen mee zou openen: Boito’s Mefistofele, een van mijn favorieten. In een nostalgische opwelling trok ik zodoende de opname met Samuel Ramey uit de kast, een bijna legendarische productie uit 1989.

Robert Carsen volg ik al sinds het begin van zijn Puccini cyclus in Antwerpen. Die startte met een productie van Manon Lescaut die Carsen voor Parijs had gemaakt, een kostuumdrama compleet met koets waaruit een stroom juwelen kwam toen Geronte haar vlucht wist te verijdelen. Daarna werden zijn producties steeds meer ingehouden, op het sobere af. Zozeer dat ik zijn Idomeneo kort geleden als voorbeeld gaf hoe op verantwoorde wijze nieuwe producties kunnen worden gebracht in de financieel moeilijke tijden die de opera, na het onder controle brengen van de corona pandemie, te wachten staan. Ik was helemaal vergeten hoe Carsens enscenering voor San Francisco er ook al weer uitzag. Het is moeilijk voorstelbaar dat hij 30 jaar voor die Idomeneo zoiets gemaakt kon hebben. Maar ik vond het geweldig. Natuurlijk zal decorontwerper Michael Levine hierin een grote rol hebben gespeeld temeer daar Carsen toen nog maar net kwam kijken. Hoe het ook zij, die twee hebben een waar operamonument gecreëerd en de opname met Samuel Ramey in de titelrol verdient wat mij betreft een cultstatus.

Op het toneel van de San Francisco Opera is een baroktheater nagebouwd, we zien loges in een hoefijzervorm en op meerdere verdiepingen. Die worden hoofdzakelijk gebruikt voor engelen om het gebeuren beneden te bekijken en zingend van commentaar te voorzien. Ze zijn gekleed in lange witte gewaden en geanonimiseerd door witte maskers die slechts de ogen, neus en mond onbedekt laten, een geïnverteerd coronamasker zogezegd. Allemaal dragen ze een gouden kroontje, ook Faust krijgt er na zijn verscheiden haastig eentje opgezet als hij door hen wordt afgevoerd

De zangers krijgen regelmatig een spot op zich gericht, alsof er een theatervoorstelling op het toneel aan de gang is. Het kinderkoor, de engelen die door Mefistofele geïrriteerd worden aangeduid als een zwerm bijen, zingt gewoon op het toneel

Het meest exuberant is de productie tijdens de dorpsscène waarin Pasen wordt gevierd. Het is een combinatie van carnaval met uitzinnige kostuums, een processie van heiligenbeelden en een pantomime van Adam en Eva die elkaar leren kennen in de bijbelse zin van het woord. Mefistofele duikt hier op als monnik, hoofd diep weggestoken in zijn kap. De scène waarin Faust het dorpsmeisje Margerita weet te verleiden is daarentegen heel simpel gehouden en speelt zich af om en uiteindelijk op een rond grasveldje dat als een draaimolen door een toneelknecht met een zwengel in beweging wordt gebracht.

De heksensabbat op de Brocken is vooral een fraai stukje koorwerk, veel zingen maar weinig liederlijkheid, het was natuurlijk bedoeld voor het Amerikaanse publiek. Margerita’s kerker is feitelijk een open ruimte maar oogt als een gothic nightmare.

In de antieke wereld verzucht Mefistofele (in de Engelese vertaling) ‘I’m out of my depth here’. Logisch want zijn personage is een uitvinding van het christendom en ten tijde van Helena bestond hij nog niet. Aardig detail dit.

Gabriela Benacková zingt zowel Margerita als Helena en oogt en klinkt in haar drie scènes totaal verschillend. Zo geeft zij zeer overtuigend invulling aan het onzekere verliefde dorpsmeisje, de ongelukkige jonge vrouw die in ontkenning verkeert, niet waar wil hebben dat zij twee moorden op haar geweten heeft, en tenslotte de zeer koninklijke Helena die door Faust wordt verrast met een roos.

Als Faust Margerita probeert mee te tronen uit haar kerker traineert ze de zaak en uiteindelijk zingen het aandoenlijke duetje ‘Lontano Lontano’. Dennis O’Neill moet vervolgens door Mefistofele worden meegesleurd als hij tenminste niet ook zijn hoofd wil verliezen. Het is een mooi moment dat echter de overgang naar de scène met Helena wat abrupt maakt. Maar ach, we maken Faust alleen maar mee in zijn omgang met een maagd en een godin. Mefistofele zal hem vast wel meer hebben laten beleven in de tussentijd waarbij hij vermoedelijk een spoor van geruïneerde levens heeft getrokken.

De Faust van O’Neill vind ik voortreffelijk maar uiteindelijk draait alles hier om de fenomenale Mefistofele van Samuel Ramey, de duivel in persoon. Met zijn voorkomen en bijpassend stemgeluid ga je gemakkelijk mee in zijn personage, zo overtuigend heb ik het nergens op het toneel gezien, viermaal in totaal.

Ik keek uit naar Tatjana Gürbaca’s lezing van dit werk omdat ik in het recente verleden al een aantal zeer geslaagde producties van deze uiterst sympathieke regisseur heb gezien. Eerst was er de teleurstelling dat ze had afgezegd voor de Ring in Bayreuth. En nu dit weer. Hopelijk komt deze coproductie met Parijs alsnog in een volgend seizoen naar Amsterdam.

De ‘Faust’ van Arrigo Boito: Mefistofele

Isata Kanneh-Mason honours Clara Schumann

Schumann Isata

To me, ‘diversity’ is just a buzzword that has nothing to do with reality. But because it is almost obligatory now and quotas still have to be met, the classical music business too has had to conform. And I am not talking here about opera characters like Aida or Otello, who contrarily need to be ‘decolorized.’ That is why orchestras and record companies are almost desperately looking for people of colour.

Now don’t understand me wrong: I think diversity is a good thing and I applaud it wholeheartedly, but on one condition: there must be quality! And the quality of the English pianist Isata Kanneh-Mason is high, very high. She is the eldest of the seven Kanneh-Mason children. They are all musicians: four of her siblings study at The Royal Academy of Music, where 22-year-old Isata herself still takes lessons. Her cellist brother Sheku has already preceded her in fame.

Clara Wieck-Schumann was a child prodigy who grew into a piano virtuoso. The fact that she also composed was ignored for a long time: as a mother of eight she was expected to look after them, as well as take care of her famous husband.
On her first CD recording, Isata Kanneh-Mason plays the works that dominated almost all of Clara’s life. She begins, for instance, with the piano concerto that Clara composed when she was just thirteen years old. She played the premiere when she was sixteen, on which occasion Mendelssohn conducted.

Isata Kanneh-Mason plays it with virtuosity and makes the most of it: which is not very much, actually. That is not a bad thing, because when played this way, the concerto is lifted to higher realms. She is excellently accompanied by the Liverpool Orchestra. However, I like the violin romances best, they were composed for Joseph Joachim. Together with violinist Elena Urioste, Kanneh-Mason provides us with an unforgettable experience. Top!


Alfano’s Cyrano de Bergerac bekeken op dvd

Tekst: Peter Franken

In 1975 zag ik Edmond Rostands beroemde toneelstuk in de Rotterdamse Schouwburg. Het was een vrije productie met Guus Hermus in de titelrol en Jeroen Krabbé als de wat leeghoofdige Christian. Ko van Dijk speelde ook mee, ik geloof als Ko van Dijk zoals eigenlijk altijd. Ik herinner me vooral dat het een lange avond was, heel lang, met verschrikkelijk veel tekst.

Zo’n stuk omwerken tot een opera lijkt een project dat bijna tot mislukken gedoemd is. Librettist Henri Cain heeft de eindeloze monologen en dialogen flink gecoupeerd maar uiteindelijk is er toch een hoeveelheid tekst overgebleven die zeker de eerste helft van het werk een bijna declamatorisch karakter geeft. Goed beschouwd zat hij natuurlijk met een duivels dilemma. Er gebeurt eigenlijk heel weinig in Rostands toneelstuk, er wordt voornamelijk gepraat en opgeschept. Je zult daarvan een aanzienlijk deel intact moeten laten om het werk enigszins herkenbaar overeind te houden.

Franco Alfano is als componist bij velen vooral bekend als degene die een einde heeft gebreid aan Puccini’s onvoltooid gebleven Turandot. Dat is pech voor hem aangezien Toscanini maar een klein deel van zijn werk heeft benut waardoor zijn feitelijke inbreng nooit op zijn merites beoordeeld kon worden. Hoe het ook zij, Alfano componeerde een dozijn opera’s waarvan deze Cyrano degene is met de bekendste titel. Het werk ging in 1936 in première in Rome onder leiding van Tullio Serafin.

De productie van de Opéra National de Montpellier uit 2003 is een familieaangelegenheid. De enscenering en de decors komen voor rekening van David en Frédérico Alagna en Roberto zingt de titelrol. Het toneelbeeld oogt levensecht met achtereenvolgens een theater, een luxe bakkerij met prachtige taarten, een villa met balkon, een legerkamp en een kloostertuin. Ook de kostumering van Christian Gasc is tot in de puntjes verzorgd en ‘bad guy’ De Guiche verschijnt een aantal keren gezeten op een echt paard.

De proloog laat ons kennismaken met Cyrano en zijn entourage, maar vooral met zijn opschepperige gedrag. Het schermduel waarin hij ondertussen een gedicht bedenkt en declameert wordt al gauw net zo opwindend als een routine weerbericht. Alfano zet er een deuntje onder maar dat helpt niet echt en ook Alagna kan er niet meer van maken dan hem wordt geboden.

Het stuk leeft wat op als Roxane in beeld komt, het duet met Cyrano in de banketbakkerij. Maar de grote scène onder het balkon die erop volgt duurt gewoon te lang. Cyrano neemt het versieren van Roxane geheel en al van Christian over en gaat daar volledig in op. Hierin had Cain best wat meer kunnen schrappen. Overigens begin je je hier af te vragen hoe opmerkzaam die Roxane eigenlijk is. Het doet denken aan Lois Lane die er ook een eeuwigheid over leek te doen voor ze in de gaten kreeg dat Clark Kent en Superman een en dezelfde persoon waren.

Muzikaal zakt het in doordat Cyrano maar blijft declameren en Roxane daar maar niet genoeg van kan krijgen. Hetzelfde probleem kenmerkt aanvankelijk de scène in het legerkamp bij Arras. Gepraat en gepoch over Gascogne. Maar als Roxane verschijnt komt de opera muzikaal tot leven en krijgt Alfano’s werk eindelijk een niveau dat in de buurt komt van een tijdgenoot als Mascagni. Toch blijf ik me afvragen wat Puccini hiermee had kunnen doen.

Ook in de kloostertuin blijft Roxane blind voor haar omgeving. Cyrano zit stervend op een stoel op corona afstand, niet heel dichtbij maar ook niet ver weg, en zij zit een beetje te handwerken zonder hem een blik waardig te keuren. Pas al hij dood op de grond ligt durft ze hem even aan te raken.

Alagna werkt zich dapper door de score en zijn zang leeft op waar Alfano en Cain hem daartoe de mogelijkheid bieden. Toch blijft het een weinig aansprekende rol en dito uitvoering. Nathalie Manfrino als Roxane heeft de mooiste muziek, vooral in de scène in het legerkamp. Manfrino laat hier bijna een belcanto geluid horen, een verademing na al die declamaties. Richard Troxell is een aardige typecast als de lichtgewicht Christian, net zoals de jonge Jeroen Krabbé dat ooit was in Rotterdam. Hij heeft weinig te zingen en klinkt niet onaardig.

Het is een curiosum, deze opera en vooral ook deze productie. Aanbevolen voor wie eens met het werk wil kennis maken. Voor wie Alagna wil horen zingen zijn er betere mogelijkheden.

Het orkest mompelt meestentijds wat in de bak, laat zich slechts bij vlagen echt even horen. Marco Guidarini heeft de muzikale leiding (DG 47673965).

Een eeuw liedkunst als EU avant la lettre

In deel vier van een overzicht wat ‘Een eeuw Liedkunst 1810–1910’ verdeeld naar decades moet worden, komen liederen aan bod die gecomponeerd zijn tussen 1840 en 1850. Daar men er zowat de beste liedzangers voor heeft geëngageerd die we tegenwoordig rijk zijn maakt het project tot één van de beste uitgaven op dat gebied, zeker van de laatste jaren.

Het programma is zeer gevarieerd en kent grenzen noch genres, en de emoties wisselen elkaar in rap tempo af. Zweden, Rusland, Frankrijk, Duitsland en Italië staan broederlijk naast elkaar, een soort EU avant la lettre waarin elk land zijn individuele karaktereigenschappen behoudt.

De zeer spannende en verrassende ‘reis’ begint in 1840 en dat betekent dat we met Liederkreis op. 24 van Schumann beginnen. De bitterzoete cyclus naar de gedichten van Heine behoort nog steeds tot de mooiste en de beste wat op het gebied van liedkunst is gecomponeerd.

De uitvoering door Florian Boesch is precies wat ik er van verwachtte. Minder lyrisch misschien dan van veel van zijn collega zangers maar zo ontzettend ingeleefd dat het zeer doet. In zijn interpretatie hoor je dat bitterzoete: het doet pijn maar het is ook dichterlijk en daardoor zeer indrukwekkend.

Anush Hovhannisyan en Alexey Gusev betoveren in de liederen die Dargomyzsky voor zijn studenten heeft geschreven en Ida Eveline Ränzlöv overtuigt in de niemendalletjes van Lindblad.

Malcolm Martineau aan wie we het project te danken hebben behoort al jaren tot de beste zangers- pianisten ter wereld. Moeiteloos weet hij de verschillende emoties over te brengen en het is ook zonder twijfel zijn verdienste dat de uitgave van de eerste tot de laatste noot extreem boeit.

Alle teksten zijn in de oorspronkelijke taal en in de Engelse vertaling afgedrukt en de introductie door professor Susan Youens is zeer interessant om te lezen. Koop de cd en laat je verrassen!

Decades. A Century of Song volume 4
Liederen van Schumann, Dargomyzsky, Donizetti, Franck, Geijer, Josephson, Lindblad, Mendelssohn
Anush Hovhannisyan (soprano), Ida Eveline Ränzlöv (mezzo-soprano), Nick Pritchard (tenor); Oliver Johnston (tenor), Florian Boesch (baritone), Alexey Gusev (baritone), Samuel Hasselhorn (baritone); Malcolm Martineau (piano); Vivat 119

 

 

 

Coherentie in verscheidenheid: Thomas Beijer speelt Ravel, Escher en Martin

Tekst: Willem Boone

Hoe klinkt ‘music for the mourning spirit’? Ingetogen en introvert of juist dramatisch en donker? Dat vraag je je af bij de cd van de Nederlandse pianist Thomas Beijer met deze titel. Je probeert dan als luisteraar te achterhalen of dit leitmotiv voor alle drie de vertegenwoordigde componisten in gelijke mate opgaat.

Allereerst valt op dat twee van de composities tijdens een wereldoorlog geschreven zijn: Le tombeau de Couperin in 1916 en de Arcana Suite in 1944. Laatstgenoemde suite en de 8 Préludes van Martin zijn overwegend donker van karakter, voor de muziek van Ravel geldt dat juist in deze stukken helemaal niet.

De korte Prélude van Ravel vormt een subtiele opmaat voor de suite Le tombeau de Couperin, waarin de componist in tegenstelling tot wat men zou verwachten geen hommage brengt aan François Couperin le Grand, maar meer aan Franse barokcomponisten in het algemeen. Een ‘tombeau’ was in de zeventiende eeuw een populair muzikaal eerbetoon aan een bewonderd persoon. Ravel gaf dit genre aan het begin van de twintigste eeuw een eigentijdse twist mee in de vorm van een achtvoudige hommage: aan de Franse barokmuziek in het algemeen en verder droeg hij ieder deel op aan een gesneuvelde vriend (de Rigaudon droeg hij aan twee broers op).

Hoewel de componist de verschrikkingen van de oorlog van dichtbij had meegemaakt, zijn de stukken vooral elegant en lichtvoetig van karakter.  Zoals Beijer in de tekst in het cd-boekje schrijft, werd Ravel gekritiseerd voor het feit dat de muzikale grafstenen voor zijn gestorven vrienden meer ‘frivool’ dan ernstig en contemplatief klonken. Hij weersprak dit als volgt: “De doden zijn al verdrietig genoeg in hun eeuwige stilte.” Toch hebben bepaalde delen als de Fugue door de lange lijnen ook iets ‘eeuwigs’ in zich en dat geldt in nog sterkere mate voor de dromerige Rigaudon, een statige dans.

Thomas Beijer © Smon van Boxtel

Beijer schrijft in zijn toelichting dat deze suite tot de bekendste stukken uit de pianoliteratuur behoort, maar toch is het jammer dat het zo weinig gespeeld wordt. Ik kan me maar twee live uitvoeringen herinneren: Sokolov en Chamayou.  Ook Thomas Beijer gooit hoge ogen en doet met zijn subtiele uitvoering alle recht aan Ravels muziek, ook in de afsluitende, virtuoze Toccata.

Van een heel ander kaliber is de Arcana Suite van Rudolf Escher. Ik herken niet helemaal wat Beijer in zijn toelichting schrijft over genoemde suite: “De muziek is inderdaad ‘Ravelliaans’ met een heldere Franse textuur, maar met zijn geheel eigen kleuren.”  Dat die kleuren overwegend zeer donker zijn komt wel duidelijk naar voren.

Dat is al direct het geval in de Préludio, in de Toccata komt daar nog rusteloosheid bij en dezelfde drive als in de Toccata van Ravel.  De Ciaconna klinkt tegelijk dreigend en ingetogen en in de Finale is de muziek precies zoals Escher voorschrijft: ‘tumultuoso & violenza’. Het blijft eeuwig zonde dat de Serie Meesterpianisten opgeheven is, want daarin zou Beijer niet alleen in het voorjaar van 2021 zijn debuut maken, maar daarbij zou hij ook deze suite gespeeld hebben.

De laatste composities zijn de 8 Préludes van Frank Martin, die hij opdroeg aan Dinu Lipatti maar die ze helaas nooit meer heeft kunnen uitvoeren.  Genoemde préludes zijn niet tijdens de oorlog geschreven (1947/48), maar ze zijn wel donker van aard, vooral nr 7. In de nrs 2 en 3 valt meermaals het belang van de bassen op en het vluchtige, ongrijpbare karakter van nrs 4,5, 7 en 8 roepen herinneringen op aan de Visions fugitives van Prokofieff.

De muziek van Escher en Martin verdient het om vaker gespeeld te worden (en zeker zo goed als hier het geval is!) en dat maakt het programma van deze cd tot een coherent geheel!


Gutman Records CD 171

I wonder as I wander: onbeschrijfelijk mooi maar …

De Britse bariton James Newby won de Kathleen Ferrier Award in 2016. Hij was toen maar 25, best jong voor een bariton. Maar er kwam nog meer. Hij ontving de Wigmore Hall/Independent Opera Voice Fellowship, kreeg de Richard Tauber Prize en… en… en… Het houdt niet op en dat maakt een mens natuurlijk nieuwsgierig.

Onlangs heeft BIS een cd opgenomen waarop Newby liederen van Beethoven, Britten, Schubert en Mahler zingt. Alles met een zeer aansprekelijke titel ‘I wonder as I wander’, iets wat eigenlijk niet goed in het Nederlands vertaald kan worden. Wat ook niet erg is want de titel dekt de lading niet en is duidelijk door een PR-bureau bedacht.

Ik las dat de leidraad van het recital het verlangen naar het elders willen zijn is, in de buurt van de verre geliefde. Het zal wel. En eerlijk gezegd maakt het mij niets uit, want de liederen die hij zingt zijn, allemaal, onbeschrijfelijk mooi. Allemaal. Waarbij ik mijn voorkeur voor Brittens bewerkingen van volksliedjes moet bekennen.

Britten ligt de jonge bariton ook het beste. Newby beschikt over een onwaarschijnlijk mooie stem waar je waarachtig verliefd op kunt worden en zijn voordracht is onberispelijk. Het is alleen zo jammer dat het allemaal zowat hetzelfde klinkt. Om te huilen zo mooi maar op den duur gewoon saai.

Joseph Middleton blijft een beetje op de achtergrond. Jammer, want hij een meer dan voortreffelijke begeleider.


Liederen van Beethoven, Schubert, Mahler en Britten
James Newby (bariton), Joseph Middleton (piano)
BIS 2475