Geen categorie

A Kékszakállú herceg vára. Oftewel: 2 x Bartóks ‘Blauwbaards burcht’

VALERY GERGIEV OP CD

Bluebaard Gergiev

Soms vraag ik mij af: is Blauwbaards Burcht een echte opera? Of eerder een dramatische symfonie? Een opname op LSO Live (LSO0685), in februari 2009 live geregistreerd in Barbican onder leiding van Valery Gergiev, klinkt eerder als een in donkere kleuren gestoken sprookje, met een onoverkomelijk droef, maar niet tragisch einde.

Het met symbolen overladen libretto heeft hier niets gruwelijks en is eerder melancholisch dan huiveringwekkend. De toon wordt al in de proloog gezet, hier prachtig (in het Engels) gedeclameerd door Willard White. Hij begint met ‘Once upon a time….’, en zijn mooie, warme bas maakt dat je, gelijk Judith, verliefd op hem wordt.

Elena Zhidkova, die op het laatste moment de ziek geworden Katarina Dalayman heeft vervangen is een echte ontdekking. Haar prachtige mezzo klinkt ongetwijfeld Slavisch, maar zonder de lelijke borsttonen. Gelaten laat ze zich door alle deuren heen leiden, meer een mysterieuze, in haar lot berustende Mélisande, dan een nieuwsgierige Judith.

Het Hongaars van beide zangers klinkt niet echt idiomatisch (Bartók had er niets op tegen dat zijn opera in andere talen werd uitgevoerd), maar ze gaan zo zorgvuldig met de tekst om dat het op de een of andere manier goed te volgen is, zelfs als je de taal niet kent.

Het London Symphony Orchestra onder leiding van Valery Gergiev klinkt opvallend lyrisch. Zo heb ik de opera nog niet eerder gehoord.


GEORG SOLTI OP FILM-DVD

Blauwbaard Sass dvd

Eind jaren zeventig, begin tachtig was Sylvia Sass één van de meest belovende jonge sopranen op het opera firmament. Ze zong in het ROH, in La Scala, in de MET ……

En toen was ze weg. Zomaar. Haar carrière heeft maar een paar jaar geduurd. Waarom het misging? Zoals gebruikelijk: te snel te zware rollen. Wat niet hielp, was haar Callas-imitatie, waardoor je soms de indruk kreeg met een gekloonde versie van La Divina te maken te hebben.

De rol van Judith nam ze in 1980 voor Decca op, met Kolos Kováts als de sonore Blauwbaard. Het London Philharmonic Orchestra stond onder de zeer spannende leiding van Georg Solti. Geen wonder, niemand kende zijn ‘Bartóks’ beter dan hij.

In 1981 werd de opname als een soundtrack gebruikt bij de film, die de Miklós Szinetár maakte voor de Hongaarse TV (Decca 0743254). De beelden zijn zonder meer mooi, een beetje aan de donkere kant, maar dat mag, het moet tenslotte eng blijven.

Sass ziet er prachtig uit, acteren kan ze ook als geen ander, maar haar hoogte is een beetje geknepen, gelukkig is er niets mis met haar laagte. Het kostuum van Kováts daarentegen kan me niet bekoren, die vind ik bespottelijk. Maar het geheel is beslist de moeite waard om te bekijken.

BOHUSLAV MARTINŮ: The Epic of Gilgamesh

 

Gilgamesh


The Epic of Gilgamesh
behoort tot Martinů’s beste, maar ook de meest gecompliceerde werken. Hij componeerde het in 1955, kort na zijn absolute meesterwerk, de drie ‘Fresco’s of Piero della Francesca’.

Martinu Gilgamesh tablet

Tablet V of the Epic of Gilgamesh. The Sulaymaniyah Museum, Iraq.

Het oeroude epos, ontstaan circa 2100 v.Ch. behoort tot de oudste literaire werken en wordt door de kenners vaak vergeleken met de Bijbel en het scheppingsverhaal. Het verhaalt van koning van Uruk, Gilgamesh die – even kort door de bocht – op zoek is naar de onsterfelijkheid.

Martinu Gilgamesh

Gilgamesj in gevecht met de ‘hemelstier’; terracotta reliëf bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel

Martinů’s oratorium is een groots werk, dat vanwege de zeer tot de verbeelding sprekende sfeertekening en het gebruik van – behalve het koor en de solisten – gesproken tekst vergeleken kan worden met ‘Le Roi David’ van Honegger.

In het tekstboekje staat dat het werk nu voor het eerst opgenomen werd in de originele taal waarin het werd gecomponeerd, het Engels, maar dat is niet helemaal waar. In 1995 al heeft het BBC Symphony Orchestra olv Jiří Bělohlávek een schitterende opname van ‘Gilgamesh’ gemaakt waarin de zangers weliswaar in het Tsjechisch zongen, maar de gesproken tekst werd door Jack Shepherd in het Engels voorgedragen.

 

 

 

 

De nieuwe opname haalt het orkestraal niveau van de BBC-opname niet helemaal, maar het verschil is eigenlijk minimaal. Alle vier de solisten zijn in ieder geval weergaloos en de voordracht van Simon Callow onweerstaanbaar.


BOHUSLAV MARTINŮ
The Epic of Gilgamesh

Lucy Crowe (sopraan), Andrew Staples (tenor), Derek Welton (bariton), Jan Martiník (bas), Simon Callow (spreker)
Prague Philharmonic Choir, Czech Philharmonic olv Manfred Honeck

Supraphon SU 4225-2 • 51‘

BARBARA HANNIGAN betovert in liederen van HENRI DUTILLEUX. Concertgebouw Amsterdam, oktober 2013

Dutilleux Hannigan

Barbara Hannigan met Henri Dutilleux © Jean-François Leclercq

Voor een vol Concertgebouw voerden Jaap van Zweden, Barbara Hannigan en het Radio Filharmonisch Orkest zaterdag 5 oktober 2013 een intrigerend programma op in de NTR ZaterdagMatinee. Met werken van Rimski-Korsakov, Dutilleux en Sjostakovitsj creëerden ze een onvergetelijke middag.

De zaal was vol. Echt vol. Er kon werkelijk niemand meer bij. Lag het aan het programma? Aan de dirigent? Of aan de soliste? Het feit: wie erbij was, mag zich gelukkig prijzen.

Henri Dutilleux behoort tot de componisten die je niet in een hokje kan plaatsen. Een twijfelaar die nooit precies wist of hij de juiste toon heeft gecreëerd en of hij er het juiste instrument voor heeft gebruikt. Hij sleutelde dan ook eindeloos aan zijn composities. Eén van de redenen dat zijn oeuvre zo klein is gebleven?

dutilleux--1024x768

Als één van de weinigen van zijn generatie heeft hij zich nooit aangetrokken gevoeld tot de ‘serialisme-mafia’ waardoor hij jarenlang genegeerd werd (tonaliteit was in de jaren vijftig en zestig taboe). Niet, dat zijn composities ouderwets klinken, want daar was hij te veel een innovateur voor. Hij ging uit van een klank, een melodie, een tune zo je wilt en daar borduurde hij op verder, gebruik makend van óók de atonaliteit. Waarom niet?

Zijn Correspondances componeerde hij in 2003 voor Dawn Upshaw en Simon Rattle. Sindsdien, twijfelaar als hij was, heeft hij het werk een paar keer gereviseerd en het een en ander aan de stem van Barbara Hannigan aangepast. Zij, op haar beurt, maakte er een beetje eigen versie van, maar dan niet zonder de volledige medewerking en instemming van de maestro zelf.

De cyclus bestaat uit zes liederen. ‘Gong’ en ‘Gong 2’ naar de gedichten van Rilke, ‘Kosmische dans’ op de tekst van Prithwindra Mukherjee en twee echte brieven: die van Solzjenitsyn aan zijn vrienden Rostropovitsj en Galina Vishnjevskaja en van Vincent van Gogh aan zijn broer Theo.

Kan je een schilderij vertalen naar de taal van de muziek? Afgezien van de ideeën van Scriabin: kan je een ‘sterrennacht’ met behulp van alleen noten schilderen? Dutilleux deed het. Met ogen dicht zag je het voor je: ‘als ik de sterren en het oneindige voel, daarboven, helder, is het leven zelfs bijna betoverend.’ (Vincent van Gogh aan Theo)
Merkwaardig genoeg moest ik aan ‘Roxane’s Lied’ uit Krol Roger van Szymanowski denken. Toeval? Wellicht. Schoonheid kent geen grenzen.

“Timbre dat niet meer door het gehoor meetbaar is. Alsof het geluid dat ons van alle kanten overtreft de rijp wordende ruimte was” (Rilke, vertaald door Michel Khalifa). Heeft Rilke ooit Barbara Hannigan gehoord? Ik ken waarachtig geen één hedendaagse artiest die zich met haar kan meten.

Fragment uit de Correspondances van Dutilleux door Barbara Hannigan, hier begeleid door  het Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle (opname uit juni 2013):

Het Dutilleux-gedeelte werd geprogrammeerd tussen de ouverture ‘Het Russische paasfeest’ van Rimski-Korsakov en de vijfde symfonie van Sjostakovitsj. Op het eerste gezicht leek dat een beetje op een ‘sandwich-formule’, maar dat was het in geen geval. Voor mij werkten de Dutilleux-liederen als een soort schakel tussen het romantische ‘Matjoeska Rassija’ en het grimmige Stalin-regime. En dat niet in de laatste plaats vanwege de brief van Solzjenitsyn.

Van Zweden weet als geen ander een eigen stempel op alles wat hij dirigeert te zetten. In combinatie met het Radio Filharmonisch Orkest wist hij een soort symbiose te bereiken die soms beangstigend werkte, zo nauw was het.

Ik vond het jammer dat hij in Rimski-Korsakovs ouverture iets te veel kracht gebruikte. Zijn tempo vond ik iets te snel, het duizelde mij een beetje, maar de vioolsolo aan het begin van de ouverture was meer dan adembenemend mooi, en ook de Russische sfeer wist hij goed te vatten.

Sjostakovitsj was niet minder dan perfect. Het Largo was zeer teer en de prachtige xylofoonsolo liet mij niet onberoerd.

Over de symfonie is het laatste woord nog niet gezegd. Sommigen zien er een knieval in voor het regime, anderen vinden er juist verwijzingen in dat het om satire gaat. Waar? Niet waar? Wie zal het zeggen? Het was in ieder geval mooi.

Alweer een Matinee om niet te vergeten!

Rimski-Korsakov, Dutilleux, Sjostakovitsj
Ouverture Russisch Paasfest opus 36, Correspondances, Vijfde symfonie
Barbara Hannigan (sopraan)
Radio Filharmonisch Orkest olv Jaap van Zweden

Bezocht op 5 oktober 2013 in Het Concertgebouw – Amsterdam.

Meer Barbara Hannigan:
PLI SELON PLI. Amsterdam 2011
LULU van Krzysztof Warlikowski. Brussel 2012
LET ME TELL YOU ZaterdagMatinee
Satie, Hannigan en de Leeuw

 

 

POLNISCHE HOCHZEIT van JOSEPH BEER

Beer Poster World Premiere Polnische

„In der Heimat blüh’n die Rosen – nicht für mich den Heimatlosen“ zingt graaf Boleslav in zijn eerste aria. Het had net zo goed uit de biografie van de componist kunnen komen.

Beer in 1925 Oeillet

Joseph Beer in 1925 © Oeillet

Joseph Beer werd in 1908 geboren in Lemberg (Lwów, Lviv), wat toen nog bij het Oostenrijks-Hongaarse rijk hoorde, maar tien jaar later één van de belangrijkste steden werd in het herrezen Polen. Beer studeerde in Wenen en na de anschluss vluchtte naar hij naar Frankrijk. Eerst naar Parijs waar hij, geholpen door de directeur van Théâtre du Châtelet zich in leven hield door de muziek voor de film Festival du Monde te componeren. Zijn poging om de US te bereiken mislukte: verder dan Nice kwam hij niet.

Beer hoto Papa Fausse Carte Identite

Valse identiteitscard van Joseph Beer

Tijdens zijn onderduikperiode componeerde hij er Stradella in Venice, een opera in veristische stijl (première Zurich 1949) die zijn laatste bleek te zijn.

Beer stradella

 

Robert McFarland zingt aria van Doge uit STRADELLA IN VENEDIG:

 

 

Beer met ouders enPhoto Papa and Family

Joseph Beer met zijn ouders, broer en zus

Na de oorlog bereikte hem het nieuws dat zijn ouders in Auschwitz waren vermoord. Ook zijn vriend, mentor en librettist van de Polnische Hochzeit, Fritz Löhner-Beda, heeft het kamp niet overleefd.

Beer Fritz Löhenr-Beda

Fritz Löhner-Beda

Begin jaren vijftig trouwde Beer met Hanna Königsberg, ook een Holocaust overlevende (Königsberg heeft als kind samen met haar ouders Duitsland ontvlucht). Samen met haar en hun twee dochters bleef hij in Nice – tot zijn dood in 1987.

Beer Photo Papa Maman ca. 1950

Joseph Beer met zijn vrouw Hanna Königsberg in Nice

Beer is nooit het droeve nieuws van het verlies van zijn familie te boven gekomen. Hij trok zich terug uit het publieke leven en stopte met componeren, daarvoor in de plaats stortte hij zich op zijn studie musicologie: in 1966 promoveerde hij op “Evolutie van de harmonische stijl van Scriabin”.

Beer Diplome de Doctorat

Polnische Hochzeit werd na de oorlog niet meer opgevoerd, Beer zelf wilde er geen toestemming voor geven. Naar het “waarom” kunnen we alleen maar gissen, maar blijkbaar was de confrontatie met de operette voor hem te pijnlijk. De operette met zijn onderwerp lag hem te veel aan het hart.

 

Maar zijn roots verloochende hij nooit. Volgens zijn dochter Béatrice voelde hij zich in eerste instantie een Jood, maar daarna meteen een Pool. Geen Oostenrijker, alsjeblieft. Maar ook geen Fransman. Hij woonde er bijna vijftig jaar en werd na de oorlog tot Franse staatsburger bevorderd, maar zijn hart bleef in Lwów, al heeft hij de stad nooit meer terug gezien. Hij sprak ook vloeiend Pools, wat zonder twijfel van belang was voor het leggen van de juiste accenten in zijn partituur.

Beer Polnische Hochzeit Poster World Premiere

Het is bijna niet te geloven, maar Beer componeerde Polnische Hochzeit in slechts drie weken. De première in 1937 in Zurich was een enorm succes. Het werd vertaald in acht talen en werd – behalve in nazi Duitsland –in veertig verschillende landen op de planken gebracht. Onder de titel Les Noces Polonaises zou de operette op 1 oktober 1939 worden opgevoerd in Théâtre du Châtelet. De hoofdrollen zouden gezongen worden door Jan Kiepura en Martha Eggerth, maar een maand daarvoor zijn de Nazi’s de tweede Wereldoorlog begonnen.

Beer cover


Polnische Hochzeit
is een heerlijke operette in de rijke Weense traditie. Je hoort er flarden van  Emmerich Kálmán en Paul Abraham (Victoria und ihr Husar!), maar de partituur is rijkelijk gelardeerd met Poolse volksdansen en Joodse volksmelodieën. Plus de in de tijd veel gebruikte jazzinvloeden: het duet ‘Katzenaugen’ is een onvervalste charleston.

Een operetteliefhebber ontdekt er alle noodzakelijke ingrediënten. De jeugdgeliefden Boleslav en Jadja komen elkaar weer tegen als Boleslav naar zijn vaderland terugkeert. Jadja is aan Boleslavs rijke oom Staschek beloofd, maar een slimme meid Suze  (zeg maar: een soort vrouwelijke Figaro) weet de boel tot het goede einde te brengen. Het verhaal heeft ook veel weg van Don Pasquale. Wat de Polnische Hochzeit anders maakt is het hoge patriottismegehalte: het verhaal speelt zich af in 1830, in de door Russen bezette Polen.

Nikolai Schukoff kom ik steeds vaker tegen bij de (vergeten) operettes en dat maakt me blij. Na Giuditta en Zigeunerbaron is het al zijn derde operette opname. Zijn stem is er zeer geschikt voor, veel beter dan voor Wagners die kleine littekens op zijn stem hebben achtergelaten. Erg is het niet: hij heeft gewoon wat tijd nodig om op te warmen (de opname is live). Al in de mazurka ‘Polenland mein heimatland’ is hij helemaal op dreef en laat een paar stralende hoge noten horen. Heel bijzonder is ook zijn gevoel voor het ritme, waarmee hij goed geholpen wordt door de dirigent Ulf Schirmer. En voor de smachtend gezongen hit die nog geen hit is, ‘Du bist meine grosse Liebe’, zou zelfs Gedda zich niet voor hoeven te schamen.

Teaser:

Martina Rüping is een heerlijke Jadja. Haar warme sopraan weet mij in het met melancholische ondertoon gezongen ‘Wenn die mädel zu mazurka gehen’ zeer te ontroeren. En wat een mooi nummer is het! Net als het duet ‘Herz an Herz’ (denk aan ‘Lippen Schweigen”) trouwens. Smullen!

Michael Kupfer-Radecky imponeert als graaf Staschek en Susanne Bernhard is een verrukkelijke Suze.

Béatrice Beer, dochter van de componist zingt ‘Wunderbare Traume’:

Joseph Beer
Polnische Hochzeit
Martina Rüping, Susanne Bernhard, Nikolai Schukoff, Michael Kupfer-Radecky, Mathias Hausmann e.a.
Chor des Staatstheater am Gärtnerplatz; Münchner Rundfunkorchester olv Ulf Schirmer
CPO 5550592


English translation: JOSEPH BEER: POLNISCHE HOCHZEIT.

SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

 

Gurre

Reproductie van de fascimile uitgave uit 1912

Voor mij behoren de Gurre-Lieder tot de één van de mooiste werken ooit gecomponeerd. Op het moment dat de muziek zachtjes begint te zwellen, voel ik mij in de zevende hemel. De muziek, gelijk een Dibbuk, neemt mij volledig in beslag en er is geen ontkomen meer aan.

Niet, dat ik het erg vind. Je volledig ergens ondergedompeld voelen, je ergens mee vereenzelvigen, dat geeft je een onwerkelijk gevoel van zweven. Een beetje eng, dat wel, maar (sorry voor de uitdrukking) ook een beetje zalvend. Liefde, moord, een immens verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat er in en is volledig in de muziek geïntegreerd.

De beroemde Weense criticus Julius Korngold noemde het werk ‘een bloeiende cactus”. Een mooie metafoor.

In ‘Seht die Sonne’, het laatste stuk van het werk, bereikt Schönberg iets werkelijk ongehoords, al weet hij het zelf (nog) niet: hij bouwt een brug tussen vroeger en nu. Denk aan het slot van Iris van Mascagni. En denk aan Schönbergs eigen meesterwerk, de na de oorlog gecomponeerde De overlevende uit Warschau.

Hieronder ‘Sehnt die Sonne’ in de uitvoering van het (hier niet besproken) Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle:

De première, op 23 februari 1913 in Wenen, werd gedirigeerd door Franz Schreker, er werkten toen 757 musici aan mee. De Nederlandse première onder leiding van Schönberg zelf vond plaats in maart 1921. Het idee om het werk scenisch uit te voeren is niet echt nieuw, het schijnt dat er al in 1927 plannen voor bestonden, maar Schönberg heeft zich er altijd tegen verzet.

Het is een cliché, weet ik, maar de Gurre-Lieder moet je tenminste één keer in je leven live hebben gehoord. Geen enkele opname, hoe geweldig ook, kan de overweldiging van het live concert evenaren.

 

LEOPOLD STOKOWSKI 1952

Gurre Stokowski

De allereerste commerciële opname stamt, voor zo ver ik weet, uit 1932. Het was niemand minder dan Leopold Stokowski, die op 8 april dat jaar de Amerikaanse première van het werk verzorgde. Het werd door RCA opgenomen en met een beetje zoeken is er wellicht aan te komen (al is het mij niet gelukt).

In 1961 nam Stokowski de Gurre-Lieder mee naar Edinburgh, waar hij een ware sensatie veroorzaakte. De uitvoering werd  door de radio opgenomen en later op Guild  (GHCD 2388/89) uitgebracht. Zijn affiniteit met het werk is duidelijk hoorbaar, het is alsof het zijn liefdeskind is: zijn benadering is strelend, aaiend, knuffelend, maar wel met terechte woede-uitbarstingen als het kind weerbarstig wil worden. Prachtig vind ik dat, echt prachtig.

Gré Brouwenstein is een goede Tove. Mooi van stem, al vind ik haar soms wat afstandelijk. James McCracken is een beetje zware Waldemar, maar nergens ontaardt hij in brullen, iets wat later veel van zijn opnamen ontsierde. Persoonlijk hoor ik liever een stem die wendbaarder is, maar de lyrische benadering van Stokowski slaat ook over op zijn solisten, dus ook op McCracken.

Het concert begint met de aankondiging van de omroeper van de BBC, waarna het ‘God save the Queen’ weerklinkt. Toch wel leuk en sfeerverhogend.

Hieronder de Prelude, gevolgd door het eerste lied van Waldemar (James McCracken):

 

 

SEIJI OZAWA 1979

Gurre Ozawa

In 1979 was Mc Cracken al lang over zijn top heen. Jammer, want het is de enige smet op de verder prachtige uitvoering door Seiji Ozawa (Philips 4125112).

De jonge Jessye Norman kon met haar stem werkelijk alle kanten op, en haar donkere sopraan met een enorme wijdte was zeer sensueel. Klein beetje dominant, dat wel, niet echt een onschuldige deerne, maar ik mag het wel.

Jessye Norman zingt “Du sendest mir einen Liebesblick” :

Tatjana Troyanos is een zeer het hart aansprekende Waldtaube. Het geheel is live opgenomen in het Boston Symphony Hall.


RICCARDO CHAILLY 1985

Gurre Chailly

De lezing van Riccardo Chailly (Decca 4737282) vind ik enigszins teleurstellend. Het is een “studio” opname (in 1985 opgenomen in Jesus-Christus-Kirche in Berlijn), maar het geluid komt op mijn speakers niet echt over. Ik vind Chailly ook een beetje “lawaaierig”, met weinig nuancen.

Siegfried Jerusalem klinkt gewoon Wagneriaans, en dat is, in dit geval, geen compliment. Ook Susan Dunn, in de tijd een Chailly protégee, vind ik niet adequaat, soms heb ik het gevoel dat zij niet weet wat zij zingt. Maar dan komt Brigitte Fassbaender (Tove) voorbij en weg zijn de twijfels!


 

 

ESA-PEKKA SALONEN 2009

gurre-salonen

In 2009 zorgde Esa-Pekka Salonen (SIGCD173) voor een ware sensatie met zijn uitvoering in het Royal Festival Hall in Londen. Terecht. De uitvoering is zeer zinderend en de solisten met de zowat mooiste Tove ooit, Soile Isokoski voorop, fantastisch.

Stig Andersen is zonder meer een goede Waldemar en Monica Groop een hartverscheurende Waldtaube. Helaas is de opname abominabel. De geluidsbalans is ver te zoeken, je volumeknopen moeten steeds versteld worden. Nou beschik ik niet over een SACD-speler, maar mijn boxen wisten zich er geen raad mee. Jammer.


 

 

MARKUS STENZ 2014

 gurre stenz

De in juni 2014 onder Markus Steinz voor Hyperion (CDA68081/2) opgenomen uitvoering, behoort volgens mij tot de besten die er zijn. Het Gürzenich-Orchester Köln voelt zich blijkbaar als een vis in het water in het laatromantische idioom en – versterkt door de zes verschillende koren – schuwen ze geen enkel middel om tot de luisteraar en zijn hart door te dringen. De ‘Zemlinsky-jaren’ van James Conlon zitten ze blijkbaar voorgoed in hun genen…..

De, op zich warme mezzo van Claudia Mahnke (Waldtaube) heeft helaas wel scherpe randjes. Voor mij had het wat lyrischer gemogen – minder Wagner en meer Zemlinsky, zeg maar – maar haar voordracht is meer dan indrukwekkend. Een echte stemactrice.

De Nederlandse sopraan Barbara Haveman is een zeer sensuele Tove, maar de beste van allemaal vind ik Brandon Jovanovich. Als Waldemar loopt hij tegen zijn grenzen aan, maar overschrijdt ze nergens. Zeer masculien en tegelijk zeer breekbaar. Voor mij is zijn vertolking meer dan sensationeel.

De bariton Johannes Martin Kränzle is een fantastische spreker. Zijn voordracht is gespeend van elk maniërisme, iets waaraan zich veel vertolkers van die rol (Sunnyi Melles in Amsterdam!) schuldig maken.

 

REINBERT DE LEEUW 2011

 

Gurre de leeuw

Dr Anton Philipszaal na afloop van de uitvoering van de Gurre-Lieder

Voordat ik mijn absolute favoriet onthul (er gaat niets boven spanning, niet waar?), even over de uitvoering van Reinbert de Leeuw, door de KRO op 26 maart 2011 opgenomen in de uitverkochte Dr Anton Philipszaal in Den Haag. Het orkest werd gehalveerd, er deden ‘maar’ 356 musici er aan mee. De solisten vielen mij niet mee, maar het blijft een document uit eigen bodem. Internet biedt genoeg (al of niet) piratenopnamen. Anders zoek het even op youtube.

Reinbert de Leeuw vertelt over de Gurre-lieder:

 

 

 

 

EN DE WINAAR IS:

RENÉ LEIBOWITZ 1953

 

Gurre-Leibowitz

René Leibowitz. Heeft u ooit van hem gehoord? In de jaren vijftig van de vorige eeuw behoorde hij tot de “ijzeren garde”van de beste dirigenten, die allemaal hun eigen stempel zetten op alles wat ze onderhanden namen. In 1953 dirigeerde hij de ‘Gurrelieder’ in Parijs. Toen ik de cd (Preiser 90575) in handen kreeg dacht ik: curieus, laat maar komen… Nou… een paar uur later wist ik het wel: beter, mooier, ontroerender bestaat niet, althans niet voor mij. Bij Leibowitz hoor je zelfs het klapwieken van de vleugels van de duif!

Richard Lewis zingt een Waldemar zoals ik hem altijd al wilde horen: gevoelig en sensibel. Ethel Semser (Tove) was goed bekend met het oeuvre van Schönberg, zij had al eerder ook zijn Pierrot Lunaire opgenomen.

Nell Tangemann (Waldtaube) blijft een grote onbekende, ondanks de rollen die zij gecreëerd heeft: Mother Goose bijvoorbeeld. Of Dinah in de wereldpremière van Trouble in Tahiti van Bernstein. Ook Ned Rorem heeft het een en ander voor haar gecomponeerd. Helaas bestaan er geen opnamen van, de ‘Gurrelieder’ kan je dan ook beschouwen als een document en een eerbeton aan de onbekende mezzosopraan die beter verdiende.

Een absolute must.


 BONUS

Een curiositeit: Schönberg dirigeert zijn “Lied der Waldtaube”, hier gezongen door Rose Bampton. De opname dateert uit 1934:

Gurre-Lieder scenisch, in de regie van Pierre Audi:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Amsterdamse Gurre-Lieder op dvd:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

IL TROVATORE in Amsterdam 2015

trovatore_a4-300dpi

Voor de deur naar de woonvertrekken van graaf Luna liggen een paar van zijn dienaren te slapen. “Wordt wakker”, roept Ferrando, Luna’s vazal en kapitein van zijn lijfwachten. “De graaf moet zijn bewakers waakzaam vinden; soms brengt hij hele nachten onder het balkon van zijn geliefde door”… Wat voor beeld doemt nu voor uw ogen?

Nee, dát beeld krijgt u niet te zien in Amsterdam. Want een opera moet altijd geïnterpreteerd worden. “Dat doet iedere regisseur”, aldus Àlex Ollé van La Fura dels Baus, de interpretator van Il trovatore bij De Nationale Opera. Dat hij wellicht een stap te ver gaat, daar is hij zich van bewust. Maar tegelijkertijd voelt hij dat hij met zijn herinterpretatie “dichter bij de intenties van Verdi is gekomen”. Wat Verdi zelf er van vindt, daar komen wij niet achter: voor zo ver ik weet werd het hem niet gevraagd.

Violeta Urmana (Azucena), Koor van De Nationale Opera

Violetta Urmana (Azucena) ©Ruth Walz

Ollé situeert de actie “ergens in Europa” tijdens de eerste Wereldoorlog, inclusief de loopgraven en gasmaskers. Arágon en de bergen van Biskaje zijn in geen velden of wegen te vinden en in plaats van brandstapel en het schavot krijgen we een ordinair  pistoolschot. Ik kan er maar geen logica in ontdekken. De hele oorlog is er met de haren bij gesleept: net zo goed kon Ollé het verhaal zich op Mars laten afspelen.

Scène uit 'Il trovatore' met solisten en Koor van De Nationale Opera

©Ruth Walz

De beelden vond ik bij vlagen mooi. Ollé liet de actie af en toe “bevriezen”, waardoor je het gevoel had van naar een “still” uit een oude zwart/wit film te kijken. De belichting kon mij ook bekoren, maar van mensen die dichtbij zaten vernam ik dat de lampen meedogenloos waren voor de ogen. Over de nonnen met gasmaskers op kan ik alleen maar zwijgen, absurdisme ten top.

trovatore

©Ruth Walz

Il Trovatore is een romantische opera bij uitstek. Het verhaal gaat dan ook over een vlammende liefde, alles verterende jaloezie en de zich al jarenlang slopende wraakgevoelens. Daar heeft Verdi zeer passionele muziek bij gecomponeerd die geen enkele verklaring behoeft. Men neme vijf beste zangers die er zijn en een zijn vak meer dan goed kennende dirigent, meer is er niet nodig. Wedden dat je dan subiet ook alle oorlogen vergeet?

(meer…)

VĚC MAKROPOULOS

 

makropulos-blu

Het eeuwige leven, willen we het stiekem niet allemaal? Zeker als je daarbij jong, mooi en gezond blijft? En al helemaal als je een operazangeres bent en al die honderden jaren van je leven je stem kan vervolmaken. Helaas is er ook een keerzijde: je wordt cynisch en niets boeit je meer, ook de seks niet. Immers: je hebt het allemaal al gezien?

Emilia Marty (of Elina Makropoulos, of Eugenia Montez, of één van de andere van haar vroegere alter egos) brengt opschudding in het leven van iedereen, maar zelf blijft ze er kalm onder. Ooit heeft ze liefgehad, maar ook dat is al meer dan honderd jaar geleden. Nu lijkt haar einde toch dichterbij te komen, dus moet ze het ooit door haar vader uitgevonden elixer terug zien te vinden. Maar misschien is de dood toch de oplossing?

 

makropo

Věc Macropulos (De zaak Makropoulos) van Janáček is een bijzondere opera, die veel stof levert om over na te denken. Een ‘gefundes fressen’ voor een regisseur, zou je zeggen, zeker ook omdat het libretto (Janáček zelf, naar het verhaal van Karel Čapek) werkelijk geniaal is en door de componist voorzien is van even geniale muziek.

Maar als je Christoph Marthaler heet, wil je het liefst een eigen stempel op de productie zetten en dat doet hij ook. De opera begint met een ‘stomme’ dialoog, die je middels ondertitels kan volgen. Nee, het staat niet in het libretto, maar de regisseur vond het blijkbaar spannend. Het heeft mij ook een paar uur gekost om erachter te komen dat het niet aan de dvd lag.

Of het een toegevoegde waarde heeft? Daar moet u zelf over oordelen. Voor mij hoeft het niet, de boodschap van de opera was zonder ook meer dan helder. Maar als je het eenmaal door hebt, is het ontegenzeggelijk spannend, al vraag ik mij af of het publiek links in de zaal iets kon zien, op de boventitels na.

Ik heb absoluut niets tegen modern theater, zeker niet als het goed en intelligent gedaan is. Als theater is de productie dan ook zeker boeiend. Maar Janáček is ver te zoeken, ook omdat het orkest weinig affiniteit met zijn merite heeft. Janáček is niet modern, meneer Salonen! Zelfs (of misschien juist?) in zijn gruwelijk omgekeerde sprookje ontbreekt het hem niet aan lyriek. En de accenten, de typische ‘Janáček-accenten’, die hoor ik ook nergens. Wat een misverstand!

makropolus-n

Er wordt ontegenzeggelijk goed tot zeer goed gezongen. Johan Reuter is een fantastische Prus en Raymond Very een zeer aandoenlijke Gregor. Angela Denoke is een rasartieste en al vind ik haar stem niet echt mooi, in haar rol is ze meer dan overtuigend.

De recensies waren bijna allemaal zeer lovend. Men prees het drama en de zangers. Zelfs Salonen werd bejubeld, dus het laatste oordeel is aan u. (Cmajor 709508)

Behind the scenes:

CD’S

makropolus

De 30 jaar oude klassieker onder leiding van Charles Mackerras klinkt nog steeds als een klok en is weinig voor verbetering vatbaar, helaas is hij niet (meer?) los verkrijgbaar. Decca heeft alle door Mackerras opgenomen opera’s van Janáček samengebundeld en in een 9 cd tellende box gestopt (4756872).  Op zich prima, zeker gezien de prijs, helaas krijgt u het libretto er niet bij. Maar de uitvoering is om te likkebaarden. Elisabeth Söderström is een voortreffelijke Emilia, Peter Dvorský een mooie Albert en Václáv Zítek een imponerende baron Prus.


makrol

In 2006 dirigeerde Mackerras de opera bij het English National Opera, in het Engels. De (live) opname verscheen op Chandos (CHAN 3138), en het is goed om het erbij te hebben. Cheryl Barker zingt een mooie, koele Emilia, misschien minder doorleefd dan Söderström, maar zeker niet minder sophisticated. En het Engels is een kwestie van wennen.