Geen categorie

Turan Dokht toch, of toch Turandot?

Tekst: Neil van der Linden

turan-dokht-rodrick-estimada-2

De Iraanse componiste Aftab Darvishi en de Nederlandse regisseuse en in dit geval ook librettiste Miranda Lakerveld hebben een muziektheaterstuk geschreven, op kameroperaformaat, gebaseerd op het oerverhaal achter Turandot, in de operawereld vooral bekend van Puccini, maar ook van een opera en een suite van Busoni, en een ouverture van Von Weber.

Als toneelstuk is Turandot bekend van de 18e-eeuwse Italiaanse theatervernieuwer Gozzi, van Schiller en van Brecht. Gozzi liet het verhaal spelen in Perzië, conform vertalingen van Nizami’s teksten uit het Perzisch. Schiller transformeerde het verhaal naar China, en zo kwam het bij Puccini, Busoni en Brecht terecht, hoewel zelfs in Schillers tijd iemand Schiller’s chinoiserie weer terug transponeerde naar Perzië.

De eerste opgeschreven vorm van het verhaal komt uit Haft Pekar, ‘Zeven Kleuren’, van Nizami 1141–1209, die werd geboren in wat nu Azerbeidzjan heet. Die geboorteplaats leidde er toe dat ook Azerbeidzjan de auteur als nationale dichter opeist, ook al spreekt men er een andere taal, en dat Azerbeidzjan een eigen traditie heeft van muziek gebaseerd of Nizami’s Haft Pekar. Uzeyir Hajibeyov schiep een nationale opera-stijl, gebaseerd op een mengvorm van symfonische en lokale traditionele muziek, met onder meer werken gebaseerd op Nizami. Die opera’s worden nog voortdurend uitgevoerd. Een andere Azerbeidzjaanse componit, Gara Garayev, protégé van Shostakovitsj, schreef een geregeld uitgevoerd ballet op Haft Pekar.

Regisseuse Miranda Lakerveld heeft eerder Iraans ritueel theater onderzocht. Ze werkte ook eerder met componiste Aftab Darvishi samen, in de ‘Afro-Arabische barokopera’ Het Offer, een bewerking van het oratorium Jephte van Carissimi, met toevoegingen uit muziek uit gemeenschappen met verschillende migratieachtergronden in Amsterdam, die werd uitgevoerd in theaters in De Baarsjes en Bos en Lommer in Amsterdam.

Photo: Nichon Glerum

© Nichon Glerun

Turan Dokht betekent dochter van Turan, een algemene benaming in het Perzisch voor een prinses; Turan is een half-mythische Centraal-Aziatische rijk direct noordelijk van Iran, wat nu Kazachstan, Oezbekistan, Turkmenistan en Tadzjikistan is. Ik vraag me af of je kunt zeggen dat dat dit werk een ‘interculturele herschrijving’ van Puccini’s Turandot is, zoals het programmaboek vermeldt. Of als de makers dat inderdaad wilden, of dat nodig is. Deze Perzische of eigenlijk deels Centraal-Aziatische Turan Dokht heeft een eigen bestaansrecht, zij het met een knipoog naar Puccini’s opera, waarvan fragmenten worden gebruikt in de muziek, vooral tijdens de hoogtepunten van de amoureuze verwikkelingen.

Aftab Darvishi heeft aan het Haags conservatorium gestudeerd, onder meer bij Yannis Kyriakides, en in Amsterdam is ze afgestudeerd op filmmuziek. De muziek werkt vaak filmisch. Darvishi brengt ook elementen van de Iraanse eigentijdse klassieke muziek, die we in de buurt van eigentijdse Kaukasische en Russische muziek kunnen plaatsen. Dat is allemaal te horen en de muziek zou ook geschikt zijn voor een film. Naast de strijkers, blazers en piano worden voor een soort recitatieven een kemenche (Iraanse staande viool) en slagwerk gebruikt, en de kemenche speler zingt een deel van het verhaal, een rol die tussen die van een epische dichter-zanger uit de Perzische traditie en die van een recitatiefzanger uit een barok-oratorium inligt.

Photo: Nichon Glerum

© Nichon Glerun

De handeling wordt begeleid en vaak geleid door een drietal zingende actrices, Sarah Akbari, Niloofar Nedaei en Tahere Hezave (dezelfde die twee weken geleden in de Operadagen Rotterdam het fraaie Promethe/The Plague uitvoerden met muziek van de dirigent van deze voorstelling Navid Gohardi). Ze leiden de verhaallijn en zingen poëtische teksten over de zeven kleuren en de zeven planeten, in complexe polyfonieën die soms zijn ontleend aan Westerse klassieke harmonieën, soms aan Iraanse folklore.

Dit meerstemmig zingen is in Iran overigens soms een bittere noodzaak. Vrouwen mogen officieel niet solo zingen voor gemengd publiek. (Al wordt daar vaak de hand mee gelicht; Puccini’s Gianni Schicchi tot en met My Fair Lady zijn er onlangs uitgevoerd en ook Humperdincks Hänsel und Gretel. Truc was om in elk geval bij de première af en toe iemand mee te laten neuriën, dan kon zelfs de censuurcommissie, zelf bestaande uit bevriende musici, zeggen dat er niet solo werd gezongen; wel kostte dit op zeker moment toch de Minister van Cultuur – en ‘Islamic Guidance’ – zijn baan. Ook deze Turan Dokht is in Teheran opgevoerd.)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

©Nichon Glerun

De drie actrices fungeren als een koor uit een Griekse tragedie, maar ze hebben ook iets van schikgodinnen, of misschien wat dichter bij huis djinns. En ze zijn hofdames, vrouwelijke evenknieën van Ping, Pang en Pong, de drie ceremoniemeesters uit de opera van Puccini.

Photo: Nichon Glerum

© Nichon Glerun

Deze Turan Dokht is niet de ijsprinses van Puccini. Wel stelt ze ook hoge eisen aan wie haar benadert, en er wordt gerept van wat voor bloedigs kan gebeuren als huwelijkskandidaten een fout maken. De prinses werd in de Nederlandse première vertolkt door Ekaterina Leventhal, een imposante verschijning, in een soort Oezbeeks gewaad; wel, ze is van Oezbeekse afkomst is, en dus eigenlijk ‘Turaans’.

Photo: Nichon Glerum

© Nichon Glerun

De prins is Arash Roozbehi, een jonge Iraanse bariton die aan de Artez hogeschool heeft gestudeerd, en die er overtuigend uitziet als prins. Een beetje een onhandige prins, maar dat wekt juist de vertedering van de drie ‘schikgodinnen’ annex ‘hofdames’, die hem onmiddellijk onder hun hoede nemen en hem zelfs nog voordat hij Turan Dokht heeft gezien de antwoorden op de vragen die zij altijd stelt verklappen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

©Nichon Glerun

Als de ontmoeting met de prinses dan plaats vindt dreunt hij meteen alle antwoorden op voordat zij nog maar iets heeft kunnen vragen. Hij moet echter nog één raadsel oplossen, haar naam, en wel nadat ze de nacht samen hebben doorgebracht op twee meter van elkaar. Tijdens die nacht besluit zij dat zij hem zelf haar naam zal vertellen door middel van een kus die zij hem bij het krieken van de dag zal geven. Een interessante feministische interpretatie dus. De schikgodinnen/hofdames helpen de prins, en Turan Dokht besluit zelf het heft in handen te nemen en een eind te maken aan al het geheimzinnige gedoe. Goed en wel ontwaakt zingen ze samen nog een stukje Puccini. In het hele land is het feest, de musici op de Iraanse instrumenten spelen folkloristische dansmuziek en dan eindigt de opera.

Er mag nog apart iets worden gezegd over de bijzondere video-animaties, gemaakt door Siavash Naghshbandi, gebaseerd op zeven kleuren, waarin ook de zeven planeten worden verbeeld door middel van fraaie lichtprojecties, op de vloer en tegen de achterwand. Ook fragmenten van Perzische miniaturen worden gebruikt, vermoedelijk afkomstig uit geïllustreerde uitgaven van Nizami’s werk, en geometrische patronen zoals we die van de Perzische tapijtkunst kennen.

Compositie: Aftab Darvishi
libretto, regie: Miranda Lakerveld

zang:
Ekaterina Levental (Turan Dokht),
Arash Roozbehi (De onbekende prins),
Sarah Akbari, Niloofar Nedaei,Tahere Hezave

dirigent: Navid Gohari
video: Siavash Naghshbandi

Gezien 5 juni Muziekgebouw aan t IJ.

 

Advertenties

Sol Y Vida: Elīna Garanča goes south

Garanca sol y vida

Sol y vida (Zon en het leven) heet de nieuwste, zevende al soloalbum van Elīna Garanča voor DG. Een titel die de lading perfect dekt: de cd is een grote ode aan het goede leven en de lange, zonovergoten dagen.

Het is een verzameling van van alles wat een beetje op ‘Het Zuiden’ slaat, met een accent op Spanje. Vandaar dat we getrakteerd worden op de krakers als ‘Granada’ en  ‘No puede ser’. Maar ook de Italianen ontbreken niet: Torna a Surriento, Core ‘ngrato, Non ti scordar di me, Marechiare…

Ik moest er wel even aan wennen: de meeste door haar gezongen stukken behoren tot een tenoren-repertoire. Neem alleen maar ‘Non puede ser’ uit de zarzuela La tabernera del puerto van Pablo Sorrozábal, één van de bekendste Spanstallige tenoraria’s ooit. Het voelt alsof je de ‘Habanera’ door een Domingo hoort zingen. Niet dat het niet mag, integendeel, maar raar is het wel.

Garanča is een heerlijke zangeres, met een stem die ze bij vlagen lekker zwoel laat klinken. Op haar facebook schreef zij: ‘Sol y Vida’ is my musical tribute to the people who live under southern skies, and to the beauty and diversity of their ways of life. It’s the perfect music for hot summer nights with lots of sangria!”

En dat is precies wat het is. Heerlijk als achtergrond op uw zondagse barbecue met heel erg veel wijn.


Lara, Cardillo, Curtis, Tosti, Sorozábal e.a.
Elīna Garanča
Orquesta Filarmonica de Gran Canaria olv Karel Mark Chichon
DG 483621700289

Het leven is kort! Over La vida breve van Manuel de Falla

La Vida Breve

Hij heeft maar één opera geschreven, maar: wat voor één! La Vida Breve van Manuel de Falla verenigt alles waar een echte kunstliefhebber van kan dromen. Klassieke noten worden gecombineerd met rauwe gitaarklanken en flamenco gaat hand in hand met het Italiaanse verisme. Wat je krijgt is een Spaanse Cavalleria Rusticana, alleen de in de steek gelaten Santuzza heet nu Salud en zij is het die het verraad van haar geliefde met de dood moet bekopen.

Ik kende de opera van de oude opname onder Rafael Frühbeck de Burgos met Victoria de los Angeles als Salud. Een uitvoering de ik altijd als de ultieme vertolking van de opera heb beschouwd.


Daar brengt de nieuwe uitgave op Chandos niet echt verandering in mee. Toegegeven: geluidskwaliteit is waanzinnig goed, de gitarist (Vicente Coves) onnavolgbaar, de koren rauw en het orkest meer dan meeslepend. Maar …

Maar Salud is geen Santuzza. Salud zij is in feite een klein en broos meisje en de werkelijk fantastisch zingende Nancy Fabiola Herrera heeft te veel kracht in haar stem. Waardoor het kwetsbare naar de achtergrond verdwijnt.

Aquiles Machado is geen subtiele tenor, veel van wat hij zingt ontaardt in schreeuwerig ‘machismo’, maar in de rol van Paco is hij voortreffelijk op zijn plaats.


MANUEL DE FALLA
La Vida Breve
Nancy Fabiola Herrera, Aquiles Machado, Cristina Faus, José Antonio López, Raquel Lojendio, Josep Miquel Ramon
Vicente Coves (gitaar)
RTVE Symphony Chorus, BBC Philharmonic olv Juanjo Mena
Chandos CHAN 20032

A Quiet Place door Opera Zuid: productie van het jaar?

Door Peter Franken

 

QuietJM--20181105-2212

© Joost Milde

Goed beschouwd is A Quiet Place een stuk over The American Dream in suburbia. De film Pleasantville uit 1998 geeft hiervan een heel integer beeld. Meestal overheerst echter de schone schijn zoals dat lekker zwaar aangezet wordt in een tv show als Happy Days. Dat het onder de oppervlakte meer weghad van een sociaal labyrint heeft John Updike later geschetst in zijn roman Couples.

QuietJM--20181105-2023

© Joost Milde

Het o zo fantastische leven in een slaapstad wordt in de opera bezongen door een jazztrio dat op de meest onverwachte momenten opduikt, vanonder het aanrecht, vanachter een zijmuur of vanuit de kelder in het kleine witte huisje waar de hoofdpersonen Sam en Dinah hun door Life Magazine vereeuwigde idylle beleven, compleet met chlorofyl tandpasta. Who wants more? Het zijn de naoorlogse jaren onder de presidenten Truman en Eisenhower, toen in Nederland ‘Geluk nog heel gewoon was’.

In werkelijkheid maken Sam en Dinah alleen maar ruzie en zijn na tien jaar huwelijk zozeer van elkaar vervreemd dat ze allebei veinzen een lunchafspraak met een ander te hebben als ze elkaar toevallig in de stad treffen. Zij komt van een bezoekje aan haar psychiater, hij is even weg van kantoor waar hij net weer geweldig bezig is geweest, een echte winnaar. Eigenlijk moeten ze allebei die middag naar een toneelstukje op de school van hun zoontje Junior die daarin een belangrijke rol speelt. Maar Sam geeft de voorkeur aan de finale van een handbaltoernooi en Dinah gaat naar een film.

TROUBLE IN TAHITI: film van Tom Cairns

Dit deel van de opera is overgenomen uit Bernsteins eenakter uit 1951 Trouble in Tahiti. Het brengt Sams herinneringen tot leven in de dagen die volgen op de begrafenis van Dinah die omgekomen is bij een auto ongeluk. De titel refereert aan de film die Dinah die middag van Juniors toneelstuk heeft gezien. Een escapistisch geheel dat door haar uitgebreid wordt verteld. De kernscène ‘Island Magic’ laat Bernstein klinken als een parodie op de populaire musical South Pacific.

Dinah’s begrafenis is de aanleiding voor het samenkomen van de leden van het volledig ontwrichte gezin. Sam en Dinah zijn ondanks alles zo’n veertig jaar bij elkaar gebleven. Junior is naar Canada geëmigreerd om de dienstplicht te ontlopen tijdens de Vietnam oorlog. Zijn jongere zus Dede is hem later nagereisd en getrouwd met Juniors homofiele partner Francois, zodat ze de aan een psychose lijdende Junior samen kunnen beschermen.

QuietJM--20181105-1941

© Joost Milde

De emoties lopen hoog op, zijn vaak nogal rauw, het gaat er hard aan toe. Verwijten vliegen over en weer, trauma’s komen naar boven. Junior heeft een dwangneurose die hem voortdurend alles laat rijmen en in twee grote blues nummers, een soort rap avant la lettre, veegt hij de vloer aan met zijn vader en later ook met het beeld dat Francois heeft van de relatie die hij ooit met zijn jonge zusje had. De als Junior uitblinkende bariton Michael Wilmering gaf het alles wat hij had waardoor deze topnummers in volle glorie over het voetlicht kwamen.

QuietJM--20181106-3165

© Joost Milde

Het stuk komt wat traag op gang doordat de openingsscène in het uitvaartcentrum nogal veel bijfiguren kent die allemaal hun zegje moeten doen. Hier hadden Wadsworth en Bernstein zich nog wat meer mogen beperken. Zodra Sams gezin centraal komt te staan, krijgt de handeling veel vaart en die blijft er tot het einde in als na een kortstondige verzoening er door een kleinigheid toch weer een knetterende ruzie ontstaat, vooral door toedoen van Junior die in een vlaag van razernij het losbladige dagboek van zijn moeder de lucht ingooit. Vrij snel keert de rust echter terug omdat iedereen beseft dat het zo niet kan blijven gaan, men moet proberen tot elkaar te komen. Het is het einde van de opera: all is quiet in het witte huisje van Sam en Dinah, de ‘quiet place’ uit de titel.

Orpha Phelan (regie) en Madeleine Boyd (scenografie & kostuums) hebben gekozen voor een eenheidsdecor waarin door middel van minimale wijzigingen een wisseling van plaats en tijd aanschouwelijk wordt gemaakt. Het werkt wonderwel, een mooi voorbeeld van hoe je met relatief beperkte middelen heel effectief te werk kunt gaan. Alles ziet er doordacht uit, de toeschouwer kan zich probleemloos verplaatsen in elke scènewisseling. Matthew Haskins heeft gezorgd voor een uitgekiende belichting en Lauren Poulton voor een fraai uitgewerkte choreografie. Hoe iedereen beweegt mag gerust voorbeeldig worden genoemd.

Quiet jazzJM--20181105-2188

© Joost Milde

Het jazztrio bestaande uit Veerle Sanders, Jeroen de Vaal en Rick Zwart (mezzo, tenor, bariton) wordt ook ingezet ter ondersteuning van de handeling. Zo houden de mannen een handdoek voor Young Sam die zich uitkleedt terwijl hij in een opblaasbadje staat nadat hij met zijn team de finale van de handbalwedstijd heeft gewonnen. Terwijl hij zingt over mannen die geboren zijn als winnaars terwijl anderen gedoemd zijn hun hele leven verliezers te blijven, gebruikt hij beide mannen als kapstok terwijl Veerle hem een douchebad geeft met behulp van een tuingieter.

En om het tijdsbeeld nog eens extra kleur te geven mag Veerle zich helemaal uitleven in een dansnummer gestoken in een Playboy Bunny kostuum. Het trio vormde een geweldige ondersteuning voor de handeling, enerzijds zorgde het voor comic relief, anderzijds leverde het ironisch commentaar op het gebeuren. En steeds uitstekend gezongen en met perfect uitgevoerde bewegingen.

De ménage à trois bestaande uit Junior, Dede en hun beider partner Francois leverde een topprestatie. Zowel de moeilijk te zingen delen, meer praten, als de lyrische momenten kwamen uitstekend uit de verf. Tenor Enrico Casari gaf herkenbaar uitbeelding aan de relatieve buitenstaander die zijn schoonvader voor het eerst ziet en verzeild raakt in een situatie waarin hij Junior er niet van kan weerhouden Dinah’s begrafenis op stelten te zetten.

QuietJM--20181105-1662

© Joost Milde

Dede werd fraai geportretteerd door de sopraan Lisa Mostin, onzeker, kwetsbaar, maar ook blij haar vader eindelijk weer te zien, als was het dan bij de kist van haar moeder. ‘I’m so pleased we’ve met’ zingt zij haar vader toe, alsof hij nieuw voor haar is. In de tuin zingt ze aandoenlijk over de verwildering, alsof Dinah haar einde had zien aankomen en maar vast was gestopt met dat eindeloze onkruid wieden.

QuietJM--20181105-2043

© Joost Milde

Old Sam was in handen van de zeer ervaren bas-bariton Huub Claessens die zijn reputatie alle eer aandeed. Zijn jongere tegenhanger werd vertolkt door de bariton Sebastiàn Peris I Marco die deze rol dit jaar ook al zong in Trouble in Tahiti tijdens het Opera Forward festival van DNO. Goed gezongen en prima geacteerd: een onprettig persoon die Young Sam.

De sopraan Turiya Haudenhuyse gaf gestalte aan Dinah. Ze zong net als Peris die rol ook als bij DNO in Trouble in Tahiti. Haudenhuyse een mooie vertolking van een ‘desperate housewife’ jaren ’50 stijl, vaste klant bij een ‘shrink’ en haar frustraties wegschrijvend in een dagboek.

Mede doordat het stuk een gebroken ontstaansgeschiedenis heeft, treden er nogal wat verschillen in het muzikale idioom op. Wat terug gaat op Trouble in Tahiti is jazzy, vaak melodieus zoals in Candide en West Side Story. Ook de instrumentatie doet geregeld sterk aan Bernsteins grootste succesnummer denken. De mantel die eromheen is gelegd waardoor A Quiet Place is ontstaan, is dertig jaar later stand gekomen en dat is goed te horen. Toch ook hier herkenbaar idioom en jazzy momenten.

Dirigent Karel Deseure wist dit muzikale palet volop kleur te geven. Hij gaf uitstekend leiding aan de prachtig spelende philharmonie zuidnederland. Dat gezegd hebbend moet wel worden benadrukt dat het echte theatermuziek is. Het is minder geschikt om als op zichzelf staand stuk te beluisteren. Omgekeerd betekent dit dat hoge eisen worden gesteld aan de enscenering, die moet het tot een aansprekend geheel maken. Wel, dat is hier bijzonder goed gelukt. Deze Quiet Place is een fantastische productie, de voorstelling is er een met een gouden rand. Opera Zuid heeft hiermee een geweldige troefkaart in handen voor een succesvolle tournee langs de Nederlandse theaters met een uitstapje naar Luxemburg.

Bezocht op 9 november in Maastricht

Deze recensie verscheen eerder op https://www.operamagazine.nl/featured/46096/a-quiet-place-met-een-gouden-rand/

Voor Trouble in Tahiti zie:  TROUBLE IN TAHITI: film van Tom Cairns

 

A Kékszakállú herceg vára. Oftewel: 2 x Bartóks ‘Blauwbaards burcht’

VALERY GERGIEV OP CD

Bluebaard Gergiev

Soms vraag ik mij af: is Blauwbaards Burcht een echte opera? Of eerder een dramatische symfonie? Een opname op LSO Live (LSO0685), in februari 2009 live geregistreerd in Barbican onder leiding van Valery Gergiev, klinkt eerder als een in donkere kleuren gestoken sprookje, met een onoverkomelijk droef, maar niet tragisch einde.

Het met symbolen overladen libretto heeft hier niets gruwelijks en is eerder melancholisch dan huiveringwekkend. De toon wordt al in de proloog gezet, hier prachtig (in het Engels) gedeclameerd door Willard White. Hij begint met ‘Once upon a time….’, en zijn mooie, warme bas maakt dat je, gelijk Judith, verliefd op hem wordt.

Elena Zhidkova, die op het laatste moment de ziek geworden Katarina Dalayman heeft vervangen is een echte ontdekking. Haar prachtige mezzo klinkt ongetwijfeld Slavisch, maar zonder de lelijke borsttonen. Gelaten laat ze zich door alle deuren heen leiden, meer een mysterieuze, in haar lot berustende Mélisande, dan een nieuwsgierige Judith.

Het Hongaars van beide zangers klinkt niet echt idiomatisch (Bartók had er niets op tegen dat zijn opera in andere talen werd uitgevoerd), maar ze gaan zo zorgvuldig met de tekst om dat het op de een of andere manier goed te volgen is, zelfs als je de taal niet kent.

Het London Symphony Orchestra onder leiding van Valery Gergiev klinkt opvallend lyrisch. Zo heb ik de opera nog niet eerder gehoord.


GEORG SOLTI OP FILM-DVD

Blauwbaard Sass dvd

Eind jaren zeventig, begin tachtig was Sylvia Sass één van de meest belovende jonge sopranen op het opera firmament. Ze zong in het ROH, in La Scala, in de MET ……

En toen was ze weg. Zomaar. Haar carrière heeft maar een paar jaar geduurd. Waarom het misging? Zoals gebruikelijk: te snel te zware rollen. Wat niet hielp, was haar Callas-imitatie, waardoor je soms de indruk kreeg met een gekloonde versie van La Divina te maken te hebben.

De rol van Judith nam ze in 1980 voor Decca op, met Kolos Kováts als de sonore Blauwbaard. Het London Philharmonic Orchestra stond onder de zeer spannende leiding van Georg Solti. Geen wonder, niemand kende zijn ‘Bartóks’ beter dan hij.

In 1981 werd de opname als een soundtrack gebruikt bij de film, die de Miklós Szinetár maakte voor de Hongaarse TV (Decca 0743254). De beelden zijn zonder meer mooi, een beetje aan de donkere kant, maar dat mag, het moet tenslotte eng blijven.

Sass ziet er prachtig uit, acteren kan ze ook als geen ander, maar haar hoogte is een beetje geknepen, gelukkig is er niets mis met haar laagte. Het kostuum van Kováts daarentegen kan me niet bekoren, die vind ik bespottelijk. Maar het geheel is beslist de moeite waard om te bekijken.

POLNISCHE HOCHZEIT van JOSEPH BEER

Beer Poster World Premiere Polnische

„In der Heimat blüh’n die Rosen – nicht für mich den Heimatlosen“ zingt graaf Boleslav in zijn eerste aria. Het had net zo goed uit de biografie van de componist kunnen komen.

Beer in 1925 Oeillet

Joseph Beer in 1925 © Oeillet

Joseph Beer werd in 1908 geboren in Lemberg (Lwów, Lviv), wat toen nog bij het Oostenrijks-Hongaarse rijk hoorde, maar tien jaar later één van de belangrijkste steden werd in het herrezen Polen. Beer studeerde in Wenen en na de anschluss vluchtte naar hij naar Frankrijk. Eerst naar Parijs waar hij, geholpen door de directeur van Théâtre du Châtelet zich in leven hield door de muziek voor de film Festival du Monde te componeren. Zijn poging om de US te bereiken mislukte: verder dan Nice kwam hij niet.

Beer hoto Papa Fausse Carte Identite

Valse identiteitscard van Joseph Beer

Tijdens zijn onderduikperiode componeerde hij er Stradella in Venice, een opera in veristische stijl (première Zurich 1949) die zijn laatste bleek te zijn.

Beer stradella

 

Robert McFarland zingt aria van Doge uit STRADELLA IN VENEDIG:

 

 

Beer met ouders enPhoto Papa and Family

Joseph Beer met zijn ouders, broer en zus

Na de oorlog bereikte hem het nieuws dat zijn ouders in Auschwitz waren vermoord. Ook zijn vriend, mentor en librettist van de Polnische Hochzeit, Fritz Löhner-Beda, heeft het kamp niet overleefd.

Beer Fritz Löhenr-Beda

Fritz Löhner-Beda

Begin jaren vijftig trouwde Beer met Hanna Königsberg, ook een Holocaust overlevende (Königsberg heeft als kind samen met haar ouders Duitsland ontvlucht). Samen met haar en hun twee dochters bleef hij in Nice – tot zijn dood in 1987.

Beer Photo Papa Maman ca. 1950

Joseph Beer met zijn vrouw Hanna Königsberg in Nice

Beer is nooit het droeve nieuws van het verlies van zijn familie te boven gekomen. Hij trok zich terug uit het publieke leven en stopte met componeren, daarvoor in de plaats stortte hij zich op zijn studie musicologie: in 1966 promoveerde hij op “Evolutie van de harmonische stijl van Scriabin”.

Beer Diplome de Doctorat

Polnische Hochzeit werd na de oorlog niet meer opgevoerd, Beer zelf wilde er geen toestemming voor geven. Naar het “waarom” kunnen we alleen maar gissen, maar blijkbaar was de confrontatie met de operette voor hem te pijnlijk. De operette met zijn onderwerp lag hem te veel aan het hart.

 

Maar zijn roots verloochende hij nooit. Volgens zijn dochter Béatrice voelde hij zich in eerste instantie een Jood, maar daarna meteen een Pool. Geen Oostenrijker, alsjeblieft. Maar ook geen Fransman. Hij woonde er bijna vijftig jaar en werd na de oorlog tot Franse staatsburger bevorderd, maar zijn hart bleef in Lwów, al heeft hij de stad nooit meer terug gezien. Hij sprak ook vloeiend Pools, wat zonder twijfel van belang was voor het leggen van de juiste accenten in zijn partituur.

Beer Polnische Hochzeit Poster World Premiere

Het is bijna niet te geloven, maar Beer componeerde Polnische Hochzeit in slechts drie weken. De première in 1937 in Zurich was een enorm succes. Het werd vertaald in acht talen en werd – behalve in nazi Duitsland –in veertig verschillende landen op de planken gebracht. Onder de titel Les Noces Polonaises zou de operette op 1 oktober 1939 worden opgevoerd in Théâtre du Châtelet. De hoofdrollen zouden gezongen worden door Jan Kiepura en Martha Eggerth, maar een maand daarvoor zijn de Nazi’s de tweede Wereldoorlog begonnen.

Beer cover


Polnische Hochzeit
is een heerlijke operette in de rijke Weense traditie. Je hoort er flarden van  Emmerich Kálmán en Paul Abraham (Victoria und ihr Husar!), maar de partituur is rijkelijk gelardeerd met Poolse volksdansen en Joodse volksmelodieën. Plus de in de tijd veel gebruikte jazzinvloeden: het duet ‘Katzenaugen’ is een onvervalste charleston.

Een operetteliefhebber ontdekt er alle noodzakelijke ingrediënten. De jeugdgeliefden Boleslav en Jadja komen elkaar weer tegen als Boleslav naar zijn vaderland terugkeert. Jadja is aan Boleslavs rijke oom Staschek beloofd, maar een slimme meid Suze  (zeg maar: een soort vrouwelijke Figaro) weet de boel tot het goede einde te brengen. Het verhaal heeft ook veel weg van Don Pasquale. Wat de Polnische Hochzeit anders maakt is het hoge patriottismegehalte: het verhaal speelt zich af in 1830, in de door Russen bezette Polen.

Nikolai Schukoff kom ik steeds vaker tegen bij de (vergeten) operettes en dat maakt me blij. Na Giuditta en Zigeunerbaron is het al zijn derde operette opname. Zijn stem is er zeer geschikt voor, veel beter dan voor Wagners die kleine littekens op zijn stem hebben achtergelaten. Erg is het niet: hij heeft gewoon wat tijd nodig om op te warmen (de opname is live). Al in de mazurka ‘Polenland mein heimatland’ is hij helemaal op dreef en laat een paar stralende hoge noten horen. Heel bijzonder is ook zijn gevoel voor het ritme, waarmee hij goed geholpen wordt door de dirigent Ulf Schirmer. En voor de smachtend gezongen hit die nog geen hit is, ‘Du bist meine grosse Liebe’, zou zelfs Gedda zich niet voor hoeven te schamen.

Teaser:

Martina Rüping is een heerlijke Jadja. Haar warme sopraan weet mij in het met melancholische ondertoon gezongen ‘Wenn die mädel zu mazurka gehen’ zeer te ontroeren. En wat een mooi nummer is het! Net als het duet ‘Herz an Herz’ (denk aan ‘Lippen Schweigen”) trouwens. Smullen!

Michael Kupfer-Radecky imponeert als graaf Staschek en Susanne Bernhard is een verrukkelijke Suze.

Béatrice Beer, dochter van de componist zingt ‘Wunderbare Traume’:

Joseph Beer
Polnische Hochzeit
Martina Rüping, Susanne Bernhard, Nikolai Schukoff, Michael Kupfer-Radecky, Mathias Hausmann e.a.
Chor des Staatstheater am Gärtnerplatz; Münchner Rundfunkorchester olv Ulf Schirmer
CPO 5550592


English translation: JOSEPH BEER: POLNISCHE HOCHZEIT.

SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

 

Gurre

Reproductie van de fascimile uitgave uit 1912

Voor mij behoren de Gurre-Lieder tot de één van de mooiste werken ooit gecomponeerd. Op het moment dat de muziek zachtjes begint te zwellen, voel ik mij in de zevende hemel. De muziek, gelijk een Dibbuk, neemt mij volledig in beslag en er is geen ontkomen meer aan.

Niet, dat ik het erg vind. Je volledig ergens ondergedompeld voelen, je ergens mee vereenzelvigen, dat geeft je een onwerkelijk gevoel van zweven. Een beetje eng, dat wel, maar (sorry voor de uitdrukking) ook een beetje zalvend. Liefde, moord, een immens verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat er in en is volledig in de muziek geïntegreerd.

De beroemde Weense criticus Julius Korngold noemde het werk ‘een bloeiende cactus”. Een mooie metafoor.

In ‘Seht die Sonne’, het laatste stuk van het werk, bereikt Schönberg iets werkelijk ongehoords, al weet hij het zelf (nog) niet: hij bouwt een brug tussen vroeger en nu. Denk aan het slot van Iris van Mascagni. En denk aan Schönbergs eigen meesterwerk, de na de oorlog gecomponeerde De overlevende uit Warschau.

Hieronder ‘Sehnt die Sonne’ in de uitvoering van het (hier niet besproken) Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle:

De première, op 23 februari 1913 in Wenen, werd gedirigeerd door Franz Schreker, er werkten toen 757 musici aan mee. De Nederlandse première onder leiding van Schönberg zelf vond plaats in maart 1921. Het idee om het werk scenisch uit te voeren is niet echt nieuw, het schijnt dat er al in 1927 plannen voor bestonden, maar Schönberg heeft zich er altijd tegen verzet.

Het is een cliché, weet ik, maar de Gurre-Lieder moet je tenminste één keer in je leven live hebben gehoord. Geen enkele opname, hoe geweldig ook, kan de overweldiging van het live concert evenaren.

 

LEOPOLD STOKOWSKI 1952

Gurre Stokowski

De allereerste commerciële opname stamt, voor zo ver ik weet, uit 1932. Het was niemand minder dan Leopold Stokowski, die op 8 april dat jaar de Amerikaanse première van het werk verzorgde. Het werd door RCA opgenomen en met een beetje zoeken is er wellicht aan te komen (al is het mij niet gelukt).

In 1961 nam Stokowski de Gurre-Lieder mee naar Edinburgh, waar hij een ware sensatie veroorzaakte. De uitvoering werd  door de radio opgenomen en later op Guild  (GHCD 2388/89) uitgebracht. Zijn affiniteit met het werk is duidelijk hoorbaar, het is alsof het zijn liefdeskind is: zijn benadering is strelend, aaiend, knuffelend, maar wel met terechte woede-uitbarstingen als het kind weerbarstig wil worden. Prachtig vind ik dat, echt prachtig.

Gré Brouwenstein is een goede Tove. Mooi van stem, al vind ik haar soms wat afstandelijk. James McCracken is een beetje zware Waldemar, maar nergens ontaardt hij in brullen, iets wat later veel van zijn opnamen ontsierde. Persoonlijk hoor ik liever een stem die wendbaarder is, maar de lyrische benadering van Stokowski slaat ook over op zijn solisten, dus ook op McCracken.

Het concert begint met de aankondiging van de omroeper van de BBC, waarna het ‘God save the Queen’ weerklinkt. Toch wel leuk en sfeerverhogend.

Hieronder de Prelude, gevolgd door het eerste lied van Waldemar (James McCracken):

 

 

SEIJI OZAWA 1979

Gurre Ozawa

In 1979 was Mc Cracken al lang over zijn top heen. Jammer, want het is de enige smet op de verder prachtige uitvoering door Seiji Ozawa (Philips 4125112).

De jonge Jessye Norman kon met haar stem werkelijk alle kanten op, en haar donkere sopraan met een enorme wijdte was zeer sensueel. Klein beetje dominant, dat wel, niet echt een onschuldige deerne, maar ik mag het wel.

Jessye Norman zingt “Du sendest mir einen Liebesblick” :

Tatjana Troyanos is een zeer het hart aansprekende Waldtaube. Het geheel is live opgenomen in het Boston Symphony Hall.


RICCARDO CHAILLY 1985

Gurre Chailly

De lezing van Riccardo Chailly (Decca 4737282) vind ik enigszins teleurstellend. Het is een “studio” opname (in 1985 opgenomen in Jesus-Christus-Kirche in Berlijn), maar het geluid komt op mijn speakers niet echt over. Ik vind Chailly ook een beetje “lawaaierig”, met weinig nuancen.

Siegfried Jerusalem klinkt gewoon Wagneriaans, en dat is, in dit geval, geen compliment. Ook Susan Dunn, in de tijd een Chailly protégee, vind ik niet adequaat, soms heb ik het gevoel dat zij niet weet wat zij zingt. Maar dan komt Brigitte Fassbaender (Tove) voorbij en weg zijn de twijfels!


 

 

ESA-PEKKA SALONEN 2009

gurre-salonen

In 2009 zorgde Esa-Pekka Salonen (SIGCD173) voor een ware sensatie met zijn uitvoering in het Royal Festival Hall in Londen. Terecht. De uitvoering is zeer zinderend en de solisten met de zowat mooiste Tove ooit, Soile Isokoski voorop, fantastisch.

Stig Andersen is zonder meer een goede Waldemar en Monica Groop een hartverscheurende Waldtaube. Helaas is de opname abominabel. De geluidsbalans is ver te zoeken, je volumeknopen moeten steeds versteld worden. Nou beschik ik niet over een SACD-speler, maar mijn boxen wisten zich er geen raad mee. Jammer.


 

 

MARKUS STENZ 2014

 gurre stenz

De in juni 2014 onder Markus Steinz voor Hyperion (CDA68081/2) opgenomen uitvoering, behoort volgens mij tot de besten die er zijn. Het Gürzenich-Orchester Köln voelt zich blijkbaar als een vis in het water in het laatromantische idioom en – versterkt door de zes verschillende koren – schuwen ze geen enkel middel om tot de luisteraar en zijn hart door te dringen. De ‘Zemlinsky-jaren’ van James Conlon zitten ze blijkbaar voorgoed in hun genen…..

De, op zich warme mezzo van Claudia Mahnke (Waldtaube) heeft helaas wel scherpe randjes. Voor mij had het wat lyrischer gemogen – minder Wagner en meer Zemlinsky, zeg maar – maar haar voordracht is meer dan indrukwekkend. Een echte stemactrice.

De Nederlandse sopraan Barbara Haveman is een zeer sensuele Tove, maar de beste van allemaal vind ik Brandon Jovanovich. Als Waldemar loopt hij tegen zijn grenzen aan, maar overschrijdt ze nergens. Zeer masculien en tegelijk zeer breekbaar. Voor mij is zijn vertolking meer dan sensationeel.

De bariton Johannes Martin Kränzle is een fantastische spreker. Zijn voordracht is gespeend van elk maniërisme, iets waaraan zich veel vertolkers van die rol (Sunnyi Melles in Amsterdam!) schuldig maken.

 

REINBERT DE LEEUW 2011

 

Gurre de leeuw

Dr Anton Philipszaal na afloop van de uitvoering van de Gurre-Lieder

Voordat ik mijn absolute favoriet onthul (er gaat niets boven spanning, niet waar?), even over de uitvoering van Reinbert de Leeuw, door de KRO op 26 maart 2011 opgenomen in de uitverkochte Dr Anton Philipszaal in Den Haag. Het orkest werd gehalveerd, er deden ‘maar’ 356 musici er aan mee. De solisten vielen mij niet mee, maar het blijft een document uit eigen bodem. Internet biedt genoeg (al of niet) piratenopnamen. Anders zoek het even op youtube.

Reinbert de Leeuw vertelt over de Gurre-lieder:

 

 

 

 

EN DE WINAAR IS:

RENÉ LEIBOWITZ 1953

 

Gurre-Leibowitz

René Leibowitz. Heeft u ooit van hem gehoord? In de jaren vijftig van de vorige eeuw behoorde hij tot de “ijzeren garde”van de beste dirigenten, die allemaal hun eigen stempel zetten op alles wat ze onderhanden namen. In 1953 dirigeerde hij de ‘Gurrelieder’ in Parijs. Toen ik de cd (Preiser 90575) in handen kreeg dacht ik: curieus, laat maar komen… Nou… een paar uur later wist ik het wel: beter, mooier, ontroerender bestaat niet, althans niet voor mij. Bij Leibowitz hoor je zelfs het klapwieken van de vleugels van de duif!

Richard Lewis zingt een Waldemar zoals ik hem altijd al wilde horen: gevoelig en sensibel. Ethel Semser (Tove) was goed bekend met het oeuvre van Schönberg, zij had al eerder ook zijn Pierrot Lunaire opgenomen.

Nell Tangemann (Waldtaube) blijft een grote onbekende, ondanks de rollen die zij gecreëerd heeft: Mother Goose bijvoorbeeld. Of Dinah in de wereldpremière van Trouble in Tahiti van Bernstein. Ook Ned Rorem heeft het een en ander voor haar gecomponeerd. Helaas bestaan er geen opnamen van, de ‘Gurrelieder’ kan je dan ook beschouwen als een document en een eerbeton aan de onbekende mezzosopraan die beter verdiende.

Een absolute must.


 BONUS

Een curiositeit: Schönberg dirigeert zijn “Lied der Waldtaube”, hier gezongen door Rose Bampton. De opname dateert uit 1934:

Gurre-Lieder scenisch, in de regie van Pierre Audi:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Amsterdamse Gurre-Lieder op dvd:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd