Lennaert van Anken

De nieuwe opname van Il Tamerlano van Vivaldi is een aanwinst

Tekst: Lennaert van Anken

Antonio Vivaldi (1678 – 1741), vandaag de dag voornamelijk bekend van zijn setting van de Vier jaargetijden, was de meest succesvolle Italiaanse operacomponist van zijn tijd. Helaas worden zijn opera’s niet vaak gespeeld en grijpen operatheaters eerder terug op de opera’s van Haendel, zeker als ze een barokwerk op de planken willen brengen).

Bij DNO kregen we twee jaar terug nog een oratorium voorgeschoteld (Juditha triumphans, gepresenteerd als opera), maar dat was de eerste titel van deze swingende Venetiaan in het muziektheater en het zou me niets verbazen als de volgende Vivaldi pas over een 30 jaar of zoiets zal klinken aldaar. Wat mij betreft ten onrechte: zijn opera’s zijn voor mijn oren altijd een verrassing om te horen. Meer dan Haendel die ik vaak aan de saaie kant vind.

De opera Il Tamerlano is een vreemde eend in de bijt van het oeuvre van Vivaldi. Het is een pastiche (pasticcio), door Vivaldi geconstrueerd uit eerdere werken van hemzelf, daarbij tevens gebruik makend van aria’s van zijn tijdgenoten Broschi, Giacomelli en Hasse. De recitatieven waren allemaal nieuw en van de hand van Vivaldi zelf net als twee korte aria’s. Het samenstellen van een nieuwe opera uit eerder geschreven materiaal is een traditie die tot in de achttiende eeuw regelmatig voorkwam. Meestal kwamen pasticcio’s tot stand om tijd te winnen. Het was minder werk voor een componist en het leverde vaak dezelfde aandacht en inkomsten als een volwaardig nieuwe opera schrijven.

Zowel Vivaldi als Haendel hebben meerdere werken in dit genre op hun naam staan. Tamerlano kennen we ook als opera van Haendel. In de barok periode was het namelijk tevens gebruikelijk om een bestaand libretto te hanteren voor een nieuwe opera. Het libretto van de Venetiaanse graaf Agostino Piovene (1671 – onbekend) is voor het eerst in 1711 door Gasparini getoonzet tot een opera. In totaal volgenden nog meer dan 20 verschillende versies van de opera (waarvan Gasparini er nog twee zelf aanvulde nota bene). De versie van Vivaldi zag het levenslicht tijdens het carnaval van 1735, een jaar waarin hij nog drie andere opera’s afleverde aan de wereld.

Het libretto verhaalt over de Ottomaans-Turkse Sultan Bajazet (Bayezid I), die na een veldslag gevangen is genomen door de tartaar Tamerlano (Timoer Lenk). Tamerlano, die met Irene zou trouwen, heeft echter zijn oog laten vallen op de dochter van zijn rivaal (Asteria), die echter de geliefde is van de Griek Andronico. Met intriges lukt het Tamerlano bijna om Asteria voor zich te winnen en Adronico te laten geloven dat Asteria voor de Tartaar te kiezen, mede ook omdat ze vreest voor het leven van haar vader.

In een poging Tamerlano te vergiftigen, valt Asteria uit de gratie. De vergiftigingspoging wordt door Irene opgemerkt. Uiteindelijk pleegt Bajazet echter zelfmoord, wat de weg vrij maakt voor vergeving. Tamerlano trouwt met Irene, waarmee de weg vrij is voor Asteria om met Andronico te trouwen.

Het label Naïve is al 20 jaar bezig met het uitbrengen van het complete oeuvre van Vivaldi. De nieuwe opname van Il Tamerlano kwam dit jaar uit en was de negentiende opera titel in de serie. Inmiddels is de twintigste (Agrippo) ook alweer uitgebracht. Van de meeste opera’s uit de Vivaldi Naïve serie is het de eerste die er überhaupt te krijgen is, echter Virgin maakte reeds eerder een opname van deze opera, uitgebracht als Bajazet.

Hoewel de eerdere opname met klinkende namen als Ildebrando d’Arcangelo, David Daniels, Patrizia Ciofi, Vivica Genaux, Marijana Mijanovic en Elina Garanca mogelijk primair de voorkeur zal genieten, prefereer ik na meervoudig te beluisteren de nieuwste opname: die heeft namelijk als grote troef een meer inspirerende dirigent in de persoon van Ottavio Dantone. (Naive: OP7080) Hij laat het ensemble Accademia Bizantina fonkelen, de opname klinkt daardoor frisser en meer in balans dan de eerdere opname onder leiding van Fabio Biondi.

De zangers zijn stuk voor stuk minder bekend dan die op de Virgin opname. Bruno Taddia moet als Bajazet zeker ook zijn meerdere erkennen in D’Arcangelo, maar dat is wat mij betreft de enige rol die wat verbleekt op de nieuwe opname. Als Tamerlano horen wij de uitstekende nog redelijk onbekende countertenor Filippo Mineccia. De dames steken op verschillende vlakken uit op deze opname. De alt Delphine Galou laat Asteria gloeien, waar Mijanovic bij verbleekt. Het vocale vuurwerk komt van de vertolking van Irene door de mezzo-sopraan Sophie Rennert. Van haar zou ik graag meerdere opnames horen! De sopraan Marina de Liso fonkelt in de rol van Andronico.

Voor wie een start wil maken met het opbouwen van een Vivaldi opera collectie, zou deze opname niet mijn eerste aanrader zijn. Daarvoor zou ik eerder verwijzen naar bijvoorbeeld Orlando Furioso of La dida ninfa, maar voor wie graag een mooie opname van een Vivaldi opera toe wil voegen is deze Tamerlano een uitstekende aanwinst, die de oudere Bajazet-opname overschaduwt!


Le Timbre d’argent: de eerste opera van Saint-Saëns herontdekt

Tekst: Lennaert van Anken

 

 

Het is een enerverende tijd voor de verzadigde operaliefhebber. Ondanks dat het medium van de CD in populariteit aan het inboeten is, zijn er een aantal labels die zich hebben toegelegd op het uitbrengen van opera’s die minder bekend zijn bij het grote publiek. Naast de bekende voorbeelden van Opera Rara, Bon Giovanni, Dynamic en zelfs Naxos, specialiseert het label Palazzetto Bru Zane zich in de Franse opera. En dat doen ze met een enorme gedrevenheid. De eerste editie, toen reeds vormgegeven als boekje met hardcover, Amadis de Gaule (van JC Bach nota bene) is van 2012 en voor mij ligt alweer de 25ste titel in deze prachtige serie: Le timbre d’Argent van Camille Saint-Saëns.

De ontstaansgeschiedenis van Le Timbre d’Argent is turbulent te noemen. Het libretto – geschreven door het duo Jules Barbier en Michel Carré – ontsproot uit een toneelstuk dat ze reeds in 1852 hadden geschreven, volgend op hun Faust en Les Contes d’Hoffmann. Het libretto belandde na wat omzwervingen via o.a. Litolff en Halévy bij Camille Saint-Saëns, die zich als jonge succesvolle componist op het werk stortte in 1864.

De componist had echter geen geluk: door faillissementen, oorlogen en andersoortige belemmeringen werd het werk (dat inmiddels ook al een aantal keer gereviseerd was) pas in 1877 voor het eerst op de planken gebracht in het Théâtre de la Gaîté (hetzelfde jaar waarin zijn Samson et Dalila in première is gegaan). Saint-Saëns zou nog een aantal keer zijn tanden in het werk zetten voor latere uitvoeringen, waarvan de laatste in Brussel was in 1914. Daarna is het werk in de archieven terecht gekomen om in 2017 afgestoft en wel weer op de planken te staan in de Opéra Comique. De CD opname is volgend op deze uitvoeringen in de studio opgenomen.

Le Timbre d’Argent (de zilveren bel) verschaft de schilder Conrad een stortvloed aan goud door het laten klinken van de bel, in ruil waarvoor er iemand in zijn nabijheid abrupt sterven zal. Omdat hij arm is en desondanks indruk wil maken op een onbereikbare vrouw (Circé ook wel Fiammetta, een dansrol) kiest hij op instigatie van Spiridion (Mefisto-achtig personage) ervoor om de bel te laten klinken, zodat hij met het goud/geld indruk kan maken op haar. Het eerste slachtoffer blijkt de vader van zijn verloofde Hélène te zijn.

Uiteraard raakt het geld op, dus een nieuwe slag op de bel is onvermijdelijk. Het tweede slachtoffer blijkt Conrad’s beste vriend te zijn, Bénédict, net getrouwd met Rosa, de zus van Hélène. Bij een derde keer weet hij zich te vermannen en besluit hij alles op te biechten aan zijn aanstaande. Prompt wordt hij wakker. Alles bleek een droom te zijn. Hij vraagt Hélène ten huwelijk en berust zich in zijn lot met weinig geldelijke middelen.

Het overdadige libretto kent wat zijpaden. Vooral het karakter van Spiridion, die ook wedijverde met Conrad om de gunsten van de danseres, komt continu ten tonele. Deels als Mefisto, deels als rivaal van Conrad. In de proloog en de epiloog is dokter die de zorg heeft over Conrad.

Het libretto doet sterk denken aan het meesterwerk van Offenbach: Het hoofdpersonage is een kunstenaar die een onbereikbare vrouw najaagt en daarvoor bereid is alle mogelijke offers te doen. Het feit dat deze rol (Fiammetta) een dansrol is, draagt bij aan dat onbereikbare, wat ik het wel een vondst vind van de componist, maar voor de cd is dat uiteraard wat merkwaardig. Ook het personage van Spiridion is heel duidelijk sterk verwant met de schurken uit ‘Hoffmann’.

Dat ‘Hoffmann’ repertoire heeft gehouden en de opera van Saint-Saëns niet komt mijns inziens door het zwakkere libretto, maar ook de ervarenheid van Offenbach speelt een rol: Hoffmann was Offenbachs zwanenzang, terwijl Le Timbre D’Argent Saint-Saëns´ eerste opera was, geschreven in zijn dertigste levensjaar.

Dat het zijn opera-compositiedebuut was kun je ook wel horen. In lijn met het libretto is de muziek nog wat onsamenhangend. Maar de opera kent prachtige momenten. De lange ouverture, die luistert als een onbekend werk van Berlioz, biedt al een keur aan melodieën, is sprankelend en opverend. Verder kent het werk prachtige lyrische aria’s, buffo aria’s, mooie duetten, zelfs een ‘duet’ tussen Conrad en de danseres en prachtige koren. Van de ene mooie passage belanden we in de volgende.

Gelijk aan eerdere producties maakt Bru Zane gebruik van een aantal zangers die we vaker tegenkomen in hun serie. De hoofdrol wordt gezongen door de tenor Edgaras Montvidas. Zijn dramatische rondborstige stem is wat grofmazig, maar hij is beter op dreef dan op eerdere edities. De sopraan Hélène Guilmette (die de rol met haar eigen naam vertolkt) klinkt niet heel erg egaal en heeft wat moeite in de hoogte, maar zet uiteindelijk wel een prima vertolking neer.

De bariton Tassis Christoyannis (Spiridion) is uitstekend op dreef. Hij geeft meer kleur dan de andere twee hoofdrol protagonisten. Met soepel stemgebruik hoor je overduidelijk dat hij zeer veel plezier heeft in het zingen van deze veelzijdige rol.

In de bijrol van Bénédict soleert de tenor Yu Shao met verve. Met een soepele en stralende hoogte brengt hij zijn openingsaria die naar meer verlangt. Jodie Devos zingt de rol van zijn gemalin, Rosa. Ze heeft een prachtige lyrische sopraan, maar helaas is de rol van Rosa wel heel erg klein, zodat we daar niet veel van kunnen genieten.

Het geheel wordt uitstekend, met hart en ziel, begeleid door François-Xavier Roth. Zijn orkest, Les Siècles, speelt prachtig.