Peter Franken

Il Corsaro is een onderschatte opera

Tekst: Peter Franken

In de reeks Tutto Verdi is een opname uitgebracht van een voorstelling door Teatro Regio di Parma van Verdi’s zeer weinig gespeelde opera Il corsaro. Het is een productie van Lamberto Puggelli die werd gespeeld in het kleine intieme Verdi theater van Busseto.

Il corsaro ontstond in dezelfde tijd als I masnadieri en het thema van een edelman die door het noodlot ertoe gebracht is een outlaw te worden zien we in beide werken. In Il corsaro gaat het om een piraat, in I masnadieri om een struikrover. Vergelijk ik beide werken met Ia battaglia di Legnano, eveneens vrijwel vergeten, dan gaat van dit drietal mijn voorkeur nadrukkelijk uit naar Il corsaro. Het verhaal is compact, de handeling beperkt en de opera zit vooral bomvol prachtige melodieën. Het werk staat garant voor een fijne ongecompliceerde Verdi avond.

De handeling draait om Corrado, piratenkapitein tegen wil en dank die het opneemt tegen de Pasha van Coron wiens wateren hij onveilig maakt voor de koopvaardij. In de eerste akte zien we hem roerend afscheid nemen van zijn geliefde Medora. Ze voorvoelt een slechte afloop en hoewel hij haar probeert op te beuren staan haar grote ‘romanza’ en hun duet bol van melancholie.

Romanza van Medora, hier gezongen door Katia Ricciarelli in 1976:

En door Daniela Dessì in 1980:

De piraten slagen erin het paleis van Pasha Seid binnen te dringen en staan op het punt de strijd in hun voordeel te beslechten. Helaas is er brand uitgebroken en de haremvrouwen roepen om hulp. De galante piraat aarzelt geen moment en redt de dames uit hun benarde situatie. Logisch natuurlijk: ‘was wohl dem Manne mächtiger dünk’ als Weibes Wonne und Wert?’ Maar daarmee geeft hij het initiatief uit handen, de piraten worden alsnog verslagen en Corrado gevangen genomen.

Gulnara, de favoriete haremdame van Seid, is echter dermate van Corrado onder de indruk geraakt, die man weet tenminste zijn prioriteiten te stellen, dat ze voor hem pleit bij Seid. Laat hem in leven, als gijzelaar is hij vast wel veel waard. Seid heeft haar door, ze moest niets van hem hebben en nu is ze helemaal weg van zijn grote vijand. Sterven zullen ze, allebei.

Gulnara koopt met haar juwelen het personeel om en wil Corrado bevrijden. Ze geeft hem een dolk om Seid in zijn slaap te doden, morgen doet hij immers hetzelfde met ons. De galante piraat vindt dat niet eervol en na lang heen en weer gepraat doet ze het maar zelf.

Intussen heeft Medora vergif ingenomen, haar Corrado is niet teruggekeerd van zijn overval op Seid en ze heeft de moed opgegeven. Als hij vervolgens toch ineens voor haar neus staat met Gulnara in zijn kielzog, is ze blij, verdrietig en argwanend. Met de verzekering dat Gulnara door haar geliefde is afgewezen sterft ze in vrede. In wanhoop stort hij zich vervolgens in zee.

Het kleine toneel in Busseto biedt geen plaats aan een groot decor maar met touwen, een mast en een zeil heeft decorbouwer Marco Capuana dat aardig weten op te lossen. Een ander ‘schip’ dubbelt als paleis met haremdames en locatie voor het grote gevecht, en vervolgens de plek waar Seid en zijn gevolg zich hebben teruggetrokken nu zijn onderkomen aan wal is afgebrand. Het oogt zeer geloofwaardig allemaal, eenvoud kan heel effectief zijn. De kostumering van Vera Marzot is goed gekozen, beetje clichématig waar het de Turken en hun vrouwen betreft maar over het geheel genomen prima gelukt.

Seid wordt gezongen door niemand minder dan bariton Luca Salsi, ook bekend door prachtige vertolkingen van zijn paraderol Simon Boccanegra. Hij steek hier in grote vorm en krijgt het publiek op de banken.

Ditmaal moet hij de piratenrol aan de tenor laten, een uitstekend optreden van Bruno Ribeiro. Onduidelijk is wat hem ertoe heeft gebracht om zeerover te worden, in elk geval draagt hij een groot leed met zich mee. Dat moet ook wel, anders had hij er na het overlijden van Medora niet zo gemakkelijk een einde aan gemaakt. Dit was een tegenslag te veel, daar hielp geen smoorverliefde Gulnara aan.

Coloratuursopraan Irina Lungu heeft opvallend genoeg net iets teveel moeite met haar coloraturen, alle noten zijn er maar het klinkt hier daar een tikje geforceerd en een beetje schel. Wat dat betreft was ze in Faust voor ROH in 2019 beter in vorm. Niettemin een mooi optreden.

Dat geldt ook de Gulnara van Silvia Dalla Benetta die vooral in haar grote scène met Corrado haar klasse toont. Wil hij Seid niet doden, hij de piraat, schrikt hij daar voor terug en moeten ze dan maar allebei sterven? Nee, dan doet ze het zelf wel. Haar zang weerspiegelt de enormiteit van het conflict en de afloop, indrukwekkend.

Koor en orkest van Teatro di Regio Parma staan onder leiding van Carlo Montanaro. Ze completeren het geheel, samen met de solisten maken ze er een mooie voorstellingen van, tevens een pleidooi voor een ten onrechte verwaarloosd werk. Laten we wel zijn, eigenlijk hebben alle opera’s van Verdi zozeer hun merites dat ze zonder uitzondering een plaats op het operapodium waard zijn.

De hele opera:

Jerry Hadley als Tom Rakewell in Salzburg

A wounded bird cannot sing

Tekst: Peter Franken

In 1996 ging een nieuwe productie van The Rake’s Progress tijdens de Salzburger Festspiele in de regie van Peter Mussbach. Sterk beeldbepalend waren echter de decors en kostuum van Jörg Immendorff, een (neo)expressionistische schilder en beeldhouwer die in Duitsland sinds de jaren ’60 voor veel ophef had weten te zorgen. Net als Karel Appels Zauberflöte is deze productie er vooral een van een beeldend kunstenaar. Een opname van de voorstelling is uitgebracht door Arthaus.

Alles is exuberant vormgegeven maar oogt als knutselwerk van een amateurvereniging. Zo komt Shadow aanrijden in een kleurrijk vliegtuigje van hout en papier. Ook andere decorstukken zien er uit alsof ze maar een paar uur dienst hoeven doen en in een bepaalde scène gaat er eentje volgens plan aan barrels.

Immendorff had een fascinatie met apen, beeldde zichzelf eens af als aap met een penseel in zijn hand. In Bremen staat zijn beeldengroep Affentheater, uiteraard een brons bestaande uit enkele apen.  Op het toneel zien we dit terug in de figuratie, als aap geklede personen hobbelen om Tom en Nick heen en helpen zo nu en dan een handje bij het verplaatsen van een decorstuk. In de Bedlam scène is het gehele Madmen koor in apenkostuum.

Het koor speelt een belangrijke rol in de handeling. In het bordeel van Mother Goose vertolkt het de Roaring Boys en Whores en de zangers komen terug als het publiek tijdens de veilingscène. Steeds zijn ze einheitlich gekostumeerd, geen spoor van individualisme.

Comic relief is er onder meer als Nick de machine demonstreert waarmee zogenaamd een steen in een brood wordt veranderd. Het brood vliegt eruit en wordt door dirigent Cambreling opgevangen en teruggegooid. En als veilingmeester Sellem met zijn hamer aangeeft dat een item is verkocht, slaat hij het betreffend stuk ermee in puin.

Naarmate de opera vordert komt Tom, gekleed in spijkerbroek en mouwloos shirt, steeds meer onder verf te zitten. Verder oogt hij in vergelijking met de anderen tamelijk normaal, hun uitmonstering grenst aan het groteske. Anne is de enige uitzondering, naturel in een gewone jurk. Het levert een fascinerend beeld op in vergelijking waarmee Appels toneelwerk nogal bezadigd overkomt. En dat zegt wel iets.

Mussbachs personenregie is zonder meer geweldig en dat maakt het geheel tot een topproductie. En dankzij solisten, koor en orkest wordt het uiteindelijk een fenomenale voorstelling.

Stravinsky’s muziek mag dan wel naar eigen zeggen vooral door Mozart zijn geïnspireerd, ik hoor er veel meer in. Meestentijds klink het als een musical uit de ontstaansperiode van het werk maar ook flarden die aan Sjostakovitsj en Poulenc doen denken passeren de revue. Maar de klavecimbel tijdens de recitatieven brengt je dan weer terug naar vroeger.

Jerry Hadley zie ik als een zanger die excelleerde in een bijzonder Zwischenfach: musical-opera tenor. En dat maakt hem tot een perfecte keuze voor de rol van Tom Rakewell. Zingend maar ook uiterst gemakkelijk acterend waan je hem bezig in een of ander theater op Broadway. Op afstand de beste Rake die ik live en via dvd heb beleefd. Het is goed dat eens te benadrukken gelet op het trieste einde van zijn carrière en leven na de bergen kritiek die hij te verwerken kreeg.

Dawn Upshaw heeft als Anne feitelijk de enige echte operarol en deze sympathieke sopraan weet daar goed raad mee. Uitstekende zang en een mooie typecast. Monte Pederson is vooral acterend zeer sterk als Nick Shadow en Jane Henschel doet als Baba the Turk wat er van haar verwacht mag worden.

Het koor is van de Staatsoper Wien en het orkest de Camerata Academica. Sylvain Cambreling heeft de muzikale leiding.

Begin van de opera:

Jerry Hadley zingt Tom Rakewell’s aria “Here I stand” :

Jerry Hadley over The Rake’s Progress in 1994

 Alzira: de meest onderschatte opera van Verdi?

Tekst: Peter Franken

Verdi’s achtste opera ging in première in 1845, een paar maanden na Giovanna d’Arco. Het was zijn vijfde opera in iets meer dan twee jaar en wordt veelal genoemd als kenmerkend voor Verdi’s jaren als ‘galeislaaf’. Allerwegen wordt het genoemd als verplicht werkstuk, gewoon om aan een wurgcontract te voldoen. De componist duidde het zelf als zijn minst geslaagde opera. Objectief beluisteren kan echter tot een milder oordeel leiden, al is het duidelijk een stap terug na bijvoorbeeld I due Foscari dat in alle opzichten op een veel hoger plan staat. Het predicaat ‘minst geslaagd’ zou Alzira mijn inziens in elk geval moeten delen met La battaglia di Legnano. Die andere buitenbeen Il Corsaro vind ik duidelijk beter dan deze twee.

Alzira wordt vrijwel nooit ergens opgevoerd, al helemaal niet in geënsceneerde vorm. Voor de reeks Tutto Verdi moest men dan ook zijn toevlucht nemen tot een concert om de verzameling compleet te krijgen. Het betreft een semi-geënsceneerde uitvoering tijdens het SüdtirolAlto Adige Festival in 2012 onder leiding van Gustav Kuhn.

Eugenia Tadolini, de eerste Alzira
© Josef Kriehuber

De zangers acteren basaal en zijn gekleed in concertkostumering. Decors en rekwisieten ontbreken maar, en dat is het belangrijkste, ook de lessenaars. Dichter bij een volwaardige productie is men niet kunnen geraken.

Het verhaal is een klassiek operadrama over een sopraan die haar geliefde moet verraden om zijn leven te redden. En zoals gebruikelijk is de prijs die ze moet betalen een huwelijk met de bariton, uiteraard de vijand van haar tenor.


Gevangneming van Atahualpa, op 16 november 1532 (John Everett Millais , 1845)

Het verhaal speelt zich af ten tijde van de Conquista van het Incarijk en Alzira is de geliefde van de lokale vorst Zamoro. Die is in handen gevallen van conquistador Gusman maar heeft weten te ontsnappen na ernstig te zijn gemarteld. Hij wordt door vriend en vijand dood gewaand maar verschijnt net op tijd om Gusmans vader van executie door een van zijn medestanders te redden.

Als Zamoro zijn Alzira komt bevrijden uit Gusmans paleisje wil die hem ter dood brengen. Zijn vader probeert hem hiervan te weerhouden, Zamoro had immers ook zijn leven gespaard. Maar Gusman is onverbiddelijk en schendt daarmee een eerder gesloten wapenstilstand tussen beide volken. Als er bericht komt van een naderend Inca leger laat hij Zamoro alsnog gaan om de zaak te sussen.

Dat is uitstel van executie, de Inca’s worden verslagen en als Zamoro ten tweede male het paleis binnendringt steekt hij Gusman direct neer. Genoeg gepraat, die Spanjaarden zijn niet te vertrouwen. Gusman schenkt hem stervend vergeving en wordt daar door de aanwezigen om geprezen, de christelijke moraal heeft gezegevierd. Dat Gusman zich uit jaloezie schandelijk heeft misdragen en zijn rivaal wilde doden om persoonlijke redenen, wordt gemakshalve onder tafel geveegd.

Gusmans vader Alvaro wordt adequaat vertolkt door de bas Francesco Facini. Gusman komt voor rekening van bariton Thomas Gazhelli die er zijn ziel en zaligheid inlegt. Mooi gezongen en overtuigend geacteerd, ook op een kaal toneel een geloofwaardige opera-schurk. Tenor Ferdinand von Bothmer is de beste man van het veld met zijn prachtige vertolking van Zamoro die door roeien en ruiten gaat om zijn geliefde Alzira te redden.

In die rol zien en horen we de Japanse sopraan Junko Saito. Ze is een mooie vrouw en dat bepaalt voor een belangrijk deel het succes van haar optreden. Je wordt door haar verschijning een beetje afgeleid van wat zwakkere momenten in haar zang. Saito heeft een fraaie stem maar heeft die niet altijd volledig onder controle. Zeker in haar grote aria aan het begin zitten er flinke uithalen in die vermoedelijk bedoeld zijn als coloraturen maar het effect hebben van onnodig gewapper. Maar over het geheel genomen komt ze tot een redelijk goede weergave van Alzira’s partij en weet ze haar personage zeer geloofwaardig neer te zetten.

Het Orchestra Haydn di Bolzano e Trento staat onder leiding van Gustav Kuhn.

De complete opname staat op You Tube:

Virginia Zeani (Alzira) en Cornell MacNeil (Gusmano) in de opname uit Rome in 1967:

Brett Dean’s Hamlet Live in HD

Tekst: Peter Franken

De Australische componist Brett Dean (1961) heeft zich gewaagd aan zo mogelijk Shakespeare’s beroemdste titel en zo bestaat er nu eindelijk een eigentijdse operaversie van dit toneelstuk, na die van Thomas uit 1868. Deze grand opéra moet de toeschouwer volledig uit het hoofd zetten maar de vergelijking met Shakespeare kan zonder meer worden gemaakt.

Samen met librettist Matthew Jocelyn heeft Dean het stuk teruggebracht tot 12 scènes waarin het taalgebruik zoveel als voor een hedendaags publiek mogelijk het origineel probeert te benaderen. Het resultaat is een boeiend stuk muziektheater, bij vlagen zelfs erg spannend ook al weet iedereen natuurlijk al wel hoe het gaat aflopen. De productie die vanuit de Met werd vertoond op 4 juni is een overname van Glyndebourne waar de opera in 2017 in première ging. De cast is grotendeels dezelfde gebleven met tenor Allan Clayton in de titelrol.

Trailer uit Glyndebourne;

Zijn Hamlet is van meet af aan een complete outsider, benadrukt door zijn afwijkende kleding. In de openingsscène zien we hem aan een banket met alle aanwezigen gekleed als ware het een feest in Monaco ten tijde van Rainier en Grace. Clayton loopt erbij alsof hij toevallig is komen binnenwandelen, geheel in het zwart met een korte overjas. En onmiddellijk gaat hij zingend en spelend in overdrive, bij vlagen zoals we dat kennen van iemand als Michael Wilmering. Hij schoffeert de binnenkomende Claudius en Gertrude, zijn stiefvader en moeder, en banjert over de gedekte tafel tot verbijstering van de gasten die eraan zijn gezeten.


De toon is volledig gezet, Hamlet is behoorlijk van het pad, zozeer dat zelfs het schuldige koningspaar zich niet goed kan voorstellen waar dat door komt. Immers, er gaan toch altijd vaders dood, zo werkt de natuur. En dat zijn moeder met haar zwager is getrouwd is slechts een oud bijbels gebruik, get over it.

In een volgende scène met zijn vriend Horatio, mooie rol van Jacques Imbrailo die hier vooral door zijn kapsel het evenbeeld van Britten lijkt, kalmeert Hamlet een beetje. Jocelyn laat hem hier als een soort terzijde een paar bekende citaten uit het toneelstuk debiteren, om er maar vanaf te zijn. Immers, het publiek verwacht toch ook een stukje authentiek Shakespeare.

Alan Clayton (Hamlet) zingt ‘To be or not to be’:

Het verschijnen van de geest van zijn vader is de opmaat voor de fatale afloop. Niet alleen is er nu sprake van onvermogen met de nieuwe situatie om te gaan, zijn geliefde moeder in bed met een ander dan zijn vader, alsof zijn eigen plek ingenomen. Maar ook de kennelijke moord die eraan vooraf ging, zijn moeder als medeschuldige, de roep om wraak.

Hamlet geraakt in een existentiële crisis waaruit hij zich aanvankelijk een weg probeert te banen ten koste van Ophelia. Ze was zijn vriendinnetje, later zijn partner. In haar waanzin aria windt Ophelia er geen doekjes om, ze deelden al langer het bed, alleen een huwelijk was er nog niet van gekomen. En nu stoot hij haar af: ga naar een nonnenklooster. Ik heb nooit van je gehouden. Het levert een prachtige scène op tussen die twee, waarin Brenda Rae zich niet onbetuigd liet als de verstoten geliefde.

De muziek is modern tonaal, doorontwikkeld Britten met een flinke dosis Adès. Ophelia krijgt natuurlijk een reeks stratosferische noten te zingen maar daar heeft Rae geen moeite mee. Verder is er echter van onnodig hoge noten geen sprake, de zangers kunnen op dat punt redelijk binnen hun comfortzone blijven.

Maar goed ook want acterend wordt er nogal wat van hen gevergd. Vooral voor Hamlet is het een tour de force, in 10 van de 12 scènes staat Clayton op het toneel. Door de close ups krijg je goed te zien wat hij allemaal in zijn spel legt, lijkt soms wel een zwijgende versie van iemand met Tourette.

Muzikaal is het erg gevarieerd, vaak dreigend maar soms ook onbekommerd vrolijk. Als het theatergezelschapje opkomt klinkt er accordeon muziek en dat wordt later in een andere scène nog eens herhaald. Door musici links en rechts op de balkons te plaatsen komen ontregelende klanken uit alle hoeken zo lijkt het. In de bioscoop was dat ook prima te horen.

Ongebruikelijke instrumenten zoals een tam tam, schuurpapier en een knikker in een kom werken vervreemdend. Evenals een achtkoppig koortje in de orkestbak dat een woordloze vocale bijdrage levert als waren het een extra instrument.

Jocelyn biedt veel ruimte aan de bijfiguren die in de Hamlet van Thomas geen plaats hebben gekregen. Zo is er een soort Jansen en Jansen act van Rosencrantz en Guildenstern, twee countertenors die bestudeerd asynchroon steeds hetzelfde willen zingen, leuke rollen van Aryeh Nussbaum Cohen en Christopher Lowrey. Verder William Burden als de van zichzelf vervulde Polonius wiens dood de fatale afloop inluidt.

David Butt Philip haalde werkelijk alle uit de rol van Laertes die Hamlets dood wenst om die van zijn vader en zuster Ophelia te wreken. Het leidde tot een bloedstollend degengevecht tussen die twee dat voor een leek niet van echt te onderscheiden was. Gevechtscoach Nicholas Hall moet er zijn handen vol aan hebben gehad.

John Relyea vertolkte zowel de geest van Hamlets vader als de leider van de toneeltroupe en de grafdelver. Vooral in die tweede rol vond ik hem uitblinken.

En het malafide koningskoppel kwam voor rekening van Rod Gilfry en Sarah Connolly. Gilfry was als Claudius op zijn best in de scène waarin hij samenzweert met Laertes en Connolly in de scène met Hamlet als hij haar confronteert met haar medeplichtigheid aan zijn vaders dood. In plaats van die man neer te steken wordt zoals bekend de meeluisterende Polonius het slachtoffer van Hamlets adrenaline stoot.

Regisseur Neil Armfield werd bijgestaan door Raph Meyers (decor), Alice Babidge (kostuums) en Jon Clark (licht). Maar een speciale vermelding verdient hier ‘movement director’ Denni Sayers voor de wijze waarop hij Hamlet als een bijna ongeleid projectiel liet rond stuiteren maar vooral voor de choreografie van Ophelia’s madscene. Fenomenaal wat hij met Brenda Rae ervan had weten te maken. Zij zong met het gemak van een Zerbinetta en bewoog als Rosalba Torres Guerrero, de danseres die door Warlikowski in meerdere opera’s werd gecast (The Bassarids, Lulu).

Brenda Rae (Ophelia) in haar ‘madscene’:

Het orkest van The Met leek zich goed thuis te voelen in Deans partituur, mede dankzij de prima leiding van dirigent Nicholas Carter. Het was een bijzondere avond.

Trailer:


_

Scènes uit Der Freischütz als boeiend metatheater

Tekst: Peter Franken

Na alle voorpubliciteit over Kirill Serebrennikovs nieuwe productie van Der Freischütz voor De Nationale Opera ging ik vrijdag met gemengde gevoelens naar de première, mede gevoed door mijn recente ervaring met Arabella in Essen. Maar zie, het viel alles mee en uiteindelijk bleek het gewoon een geweldig leuke voorstelling te zijn waarin zeer goed werd gezongen en geacteerd. Maar Der Freischütz, de oerduitse romantische opera van Weber, was het niet.

Heel lang geleden las ik This side of paradise van Scott Fitzgerald. Daarin vertelt de hoofdpersoon Amory Blaine over zijn ervaringen als undergraduate in Princeton. En over de jaarlijkse theatervoorstelling door tweedejaars, een revue of musical, gemakshalve elk jaar met dezelfde titel: Ha, ha Hortense. Het staat model voor wat we gemakshalve ‘sophomoric humour’ noemen. Veel cliche’s, gemakkelijke grappen die worden uitgemolken, een flinke dosis meligheid. Dat tekent zo ongeveer het format dat Serebrennikov heeft gekozen als omlijsting van de muzikale scènes uit Der Freischütz. Alle andere delen van de opera zijn geschrapt, de vaak langdradige dialogen zijn vervangen door nieuwe teksten waarin de zangers ‘zichzelf’ spelen, aan elkaar gepraat, gezongen en geacteerd door een veelzijdige moderator in de persoon van ‘The Red One’.

Dit personage, een glansrol van Odin Lund Biron, neemt de toeschouwer mee door de ouverture tot de opera zodat we weten waar die gezongen scènes aan ontleend zijn. Terwijl het orkest speelt zien we filmbeelden waarin de handeling kort wordt samengevat terwijl de zangers in kostuum het gebeuren zo’n beetje uitbeelden, geholpen door eenvoudige props zoals een pluche hertje en een vogel, type Steiff kinderspeelgoed. En natuurlijk een paar geweren.

Behalve koor- en solozang van Weber wordt er ook muziek te gehore gebracht die is ontleend aan de jazz musical The Black Rider van Tom Waits. Met zang van The Red One laat een combo van het Nationaal Jeugd Jazz Orkest een drietal nummers horen, leuke intermezzi die voorkómen dat het gebabbel ontaardt in een ‘zany evening’. De thematiek is vergelijkbaar, in beide stukken laat de hoofdpersoon zich door de duivel verleiden, vrijkogels waarmee je altijd raak schiet versus heroïne en in beide gevallen leidt het tot zijn ondergang. Tenzij het christendom intervenieert natuurlijk. Zo ook hier, waar op het laatst de Kluizenaar verschijnt om alles glad te strijken.

De teksten die de zangers mogen debiteren gaan grotendeels over bijgeloof en sommigen bevatten pseudo autobiografische elementen. Hilarisch wat Michael Wilmering vertelde over het effect dat een meisjeskoor op hem had als achttienjarige, en nog steeds overigens. Een wat gezochte wending in het concept is de rol van de dirigent die Samiel vertolkt, een zeer beperkte spreekrol. De dirigent als duivel, de persoon die zangers kan maken en breken. Het is een geforceerde poging om de macht van het totale operabedrijf in één persoon te concentreren waartegen de eenling natuurlijk machteloos staat. Laat die duivel maar zitten, denk ik dan. Sowieso doet het hele verhaal van Der Freischütz er toch al niet meer toe.

Dat het allemaal prima werkte was vooral te danken aan het optreden van Odin Lund Biron als The Red One. Hij hield de zaak bij elkaar en elke keer werd dan weer net op tijd muziek ten gehore gebracht, dat waar we uiteindelijk voor gekomen waren.

Direct aan het begin stal Michael Wilmering de show als rond stuiterend theaterdier in de rol van Kilian, de boer die jager Max de loef afsteekt tijdens een schietwedstrijdje. Zingen kan hij ook, en hoe. Jammer dat we niet meer van hem te horen kregen al kwam hij later nog wel terug als de vorst Ottokar.

Een andere dubbelrol was weggelegd voor Günther Groissböck die zowel de ‘ondode’ Kaspar als de Kluizenaar voor zijn rekening nam. Kaspar heeft niet al te veel te zingen en in de originele opera des te meer te spreken. Die spreekrol viel weg waardoor zijn personage erg op de achtergrond bleef en de complete rolwisseling aan het einde geen enkel probleem opleverde. Het deed me deugd deze sympathieke zanger eindelijk weer eens te horen, na zijn Gurnemanz in Bayreuth vier jaar geleden. Wotan heeft hij (voorlopig?) moeten laten schieten maar als Kaspar en de Kluizenaar liet hij blijken stimmlich volledig op zijn eerdere hoge niveau te kunnen presteren.

Tenor Benjamin Bruns werd als Max voortdurend in de zeik gezet, hij is de schlemiel van de avond. Daarmee stond hij voortdurend op achterstand en met zijn zang wist hij dat helaas niet volledig te compenseren.

En dan de dames, twee sopranen die elkaar in het omlijstende toneelstukje uiteraard het licht in de ogen niet gunnen. De Chinese sopraan Ying Fang was eerder te zien als Susanna in de corona proof Nozze di Figaro en maakte toen met haar zang al veel indruk op mij. Dat was vrijdag in haar vertolking van de stukken die Weber voor het personage Ännchen componeerde beslist niet anders. Ook acterend bleek ze erg wendbaar, vooral in samenspel met The Red One.

Agathe kwam voor rekening van Johanni van Oostrum die zich niet afleiden door het drum un dran en een prachtige vertolking gaf van haar partij. Vooral haar aria ‘Leise leise fromme Weise’ was van een grote schoonheid. Uiteindelijk was het vooral haar optreden en dat van ‘concurrente’ Fang die de voorstelling tot een soort opera avond wisten te maken.

Het koor van DNO presteerde zoals we dat van hen gewend zijn, gewoon uitstekend, en om het weinig serieuze karakter van hun inbreng te benadrukken mochten de zangers acterend volledig losgaan in het Jagerskoor, hilarisch, dat wel.

Dirigent Patrick Hahn kreeg naast zijn muzikale taak ook nog een paar korte teksten te spreken en leek verder zijn handen vol te hebben aan het leiden van e zangers. Hoewel zijn wel erg nadrukkelijke interactie met Groissböck vermoedelijk onderdeel van het spel zal zijn geweest.

Tijdens het Holland Festival zit gewoontegetrouw het KCO in de bak en eigenlijk vind ik dat een rol die het orkest niet echt past. Het is zoiets als een diva in het koor laten zingen. Gelukkig bleef er genoeg van Webers opera overeind om zich muzikaal te doen gelden en iemand die het met gesloten ogen beluisterde zal zeker een echte Freischütz ervaring hebben gehad, met dank aan maestro Hahn.

Blijft de vraag of Serebrennikov met deze productie een specifieke bedoeling had. Immers veel regisseurs willen het publiek een boodschap meegeven, het ergens mee confronteren, iets laten zien. Het publiek is immers doof en blind en ook anderszins niet te onderscheiden van Huxley’s epsilonmorons. Wel, die boodschap leek er niet te zijn, evenmin als in het jaarlijkse spektake Ha, ha Hortense.

Niettemin een boeiende avond en een enthousiast publiek. Het boegeroep bleef beperkt tot een paar toeschouwers op het rechterbalkon. Er volgen nog zeven voorstellingen, ga dat zien.

Trailer:

Fürst Ottokar + Kilian  Michael Wilmering
Kuno  James Platt
Agathe  Johanni van Oostrum
Ännchen  Ying Fang
Kaspar + Ein Eremit  Günther Groissböck
Max  Benjamin Bruns
Samiel  Patrick Hah
The Red One  Odin Lund Biron


Brautjungfern
Caroline Cartens*
Lisette Bolle*
Dana Ilia*
Tomoko Makuuchi

Koninklijk Concertgebouworkest olv Patrick Hahn

Muziek uit The Black Rider van Tom Waits
Just The Right BulletsG”nther
Flash Pan Hunter
I’ll Shoot The Moon


Foto’s © Bart Grietens

Bijzondere opera’s in Nordrhein Westfalen

Tekst: Peter Franken

In ons ‘buurland’ is altijd sprake van een uitgebreid aanbod aan opera’s, vooral dankzij het grote aantal theaters met elk een volwaardige programmering. In een rijtje na elkaar van Hagen in het oosten tot Bonn in het zuiden treffen we Dortmund, Wuppertal, Gelsenkirchen, Essen, Duisburg, Düsseldorf en Keulen. Met het oog op komend seizoen ben ik al die operahuizen eens afgegaan, op zoek naar weinig gespeelde werken die de toch wel lange rit vanuit de Randstad de moeite waard maken. Het resultaat mag er wezen.

Theater Hagen komt komend seizoen naast een aantal minder bekende muziektheaterstukken met Tri Sestry van Peter Eötvös in een regie van Friederike Blum. De première staat gepland voor 25 maart en daarna volgen er nog vier voorstellingen.

Tri Sestry van Peter Eötvös, opname uit Wenen 2016:

Dortmund brengt vanaf 6 november een nieuwe productie van Halevy’s grand opéra La Juive in de regie van Lorenzo Fiorini. Dit werk was hier in 1995 ook al eens te zien, een productie van de toenmalige intendant John Dew die aldaar een hele reeks Franse opera’s op het toneel bracht. Maar dat is lang geleden natuurlijk. En op 26 februari gaat Adams’ opera Nixon in China in première, een productie van Martin G. Berger. Ook de rest van het programma is interessant en ambitieus maar deze twee springen eruit.

Wuppertal biedt een solide programma maar zonder uitschieters voor wat betreft het klassieke repertoire. Dat geldt komend seizoen ook voor MiR Gelsenkirchen maar helemaal aan het einde van de speeltijd biedt het huis toch iets opmerkelijks. Dan zijn er drie voorstellingen van Verdi’s zelden gespeelde tweede opera Un giorno di Regno, een productie van Opernstudio NRW. Het betreft dus een studentenvoorstelling maar dat maakt het niet minder de moeite waard. Première op 3 juni.

Jose Carreras – Pietoso al lungo pianto…Deh, lasciate a un’alma amante (from Un giorno di regno by Giuseppe Verdi)

Het seizoen van het Aalto Theater in Essen komt nog volledig voor rekening van Hein Mulders die inmiddels intendant is van Oper Köln. Een opvallende titel in Essen is Lucrezia Borgia in een productie van Ben Bauer. Première op 26 november.

Deutsche Oper am Rhein brengt de premières van drie minder gespeelde werken, allemaal in speelstad Düsseldorf. Het programma in beide steden Duisburg en Düsseldorf is verder goed gevuld met aansprekende titels waaronder een herneming van Adriana Lecouvreur.

Magda Olivero zingt Adriana Lecouvreur in Amsterdam 1965

Op 3 december gaat Tsjaikovsky’s zelden gespeelde opera Die Jungfrau von Orléans in première in een enscenering van Elisabeth Stöppler. Vanaf 26 februari gaat Bellini’s La Sonnambula in een nieuwe productie van Johannes Erath en Massenets vroege werk Hérodiade heeft première op 27 mei, een nieuwe productie van Lorenzo Fioroni.

Montserrat Caballé zingt ‘Il est doux’ in Barcelona 1984:

Met Les Troyens van Hector Berlioz wordt op 24 september het seizoen in Keulen geopend, dat is tevens de enige echt opmerkelijke titel. Johannes Erath ensceneert.

Als laatste in de rij Oper Bonn. Ooit was dit de hoofdstedelijke opera met bijbehorende prestige subsidies. Maar het huis heeft het vertrek van de regering met alles drum un dran weten te overleven en komt regelmatig met bijzondere titels. Zo ging er in mei Ein Feldlager in Schlesien van Meyerbeer. En in het verleden heb ik er voorstellingen gezien van La Rondine, Lakmé, Thaïs, Guiglielmo Ratcliff en Der ferne Klang. Wel, het komend seizoen biedt maar liefst drie uitgesproken rariteiten.

Op 16 oktober is de première van Asraël, de eerste opera van Alberto Franchetti. Hij is vooral bekend door zijn latere werken Germania en Cristoforo Colombo. Net als voor Meyerbeers Feldlager maakt men in Bonn voor Asraël gebruik van orkestmateriaal dat speciaal voor deze productie is samengebracht. Voor een idee van het klankbeeld, de opera dateert uit 1888.

Op 12 maart komt de volgende rariteit: Giordano’s zesde opera Siberia uit 1903. Met zijn Fedora op zaterdag 14 januari live from The Met zullen er komend seizoen dus maar liefst twee werken van deze componist te zien zijn.


Trailer van Siberia uit Teatro del Maggio Musicale Fiorentino 2021:

Andrea Chénier stond dit seizoen overigens in Düsseldorf op het programma maar werd vervangen door Adriana Lecouvreur, liggen toch wel een beetje in elkaars verlengde. Voor wie die Adriana heeft gemist: komend seizoen wordt het werk hernomen en gaat het ook in Luik.

Ik memoreerde al dat in Bonn Der ferne Klang te zien was geweest. Nu komt men met een wel erg onbekend werk van Schreker, Der singende Teufel uit 1928. Zijn laatste opera Der Schmied von Gent was overigens in 2020 in Antwerpen te zien.

Daarmee spant Bonn wat mij betreft de kroon als het gaat om zelden gespeelde werken die zonder meer de moeite waard lijken om extra moeite voor te doen. Al is Bonn me inmiddels te ver voor een dagtrip, dat wordt overnachten.

Pelléas et Mélisande in Zürich

Tekst: Peter Franken

Dit werk uit 1902 is de enige opera die Debussy (1862-1918) wist te voltooien. In 2016 bracht Opernhaus Zürich een nieuwe productie van ‘Pelléas’ die in 2019 op dvd is verschenen.

De keuze van Debussy voor het verhaal van Maurice Maeterlinck werd sterk bepaald door de afwezigheid van dramatiek, context en het naspelen van het ‘echte’ leven. Veel te gekunsteld allemaal, de toeschouwer zou door de summiere handeling en de veelal onderkoelde uitspraken van de protagonisten veel dieper kunnen doordringen in hun emoties.

Uit de dialogen maken we op dat het een sombere boel is op het kasteel waar Golaud zijn in het bos gevonden Mélisande naartoe heeft gebracht. Hoge bomen laten alleen in de zomer wat direct zonlicht toe, het leven wordt beheerst door het ziekbed van Pelléas’ vader en in de omgeving heerst hongersnood. Ingmar Bergman had er een mooie film van kunnen maken, wellicht nog beklemmender dan de opera, immers zonder zang. Mélisande voelt zich opgesloten in haar omgeving en in haar huwelijk met de oudere Golaud. ‘Je ne suis pas heureuse ici’ zingt ze in de tweede akte. Veel meer komen we over haar gevoelens niet aan de weet.

Pelléas probeert Mélisandes gezelschap aanvankelijk te mijden maar gaandeweg trekken ze steeds meer met elkaar op. Van een affaire is geen sprake maar de wederzijdse liefde groeit, zonder dat een van beiden dat wil toegeven. Pelléas besluit te vertrekken als hij er niet meer tegen kan. Een laatste ontmoeting met zijn schoonzus wordt hem fataal, zijn halfbroer steekt hem dood. Mélisande baart een dochter maar overlijdt kort daarna, vermoedelijk aan kraamvrouwenkoorts.

Dmitri Tcherniakov heeft in zijn productie voor Zürich uit 2016 de aan Maeterlinck ontleende middeleeuwse locaties gelaten voor wat ze zijn. Hij concentreert zich op het schimmige personage Mélisande en de impact die haar aanwezigheid heeft op de mensen om haar heen. Ze is emotioneel zeer sterk beschadigd en dat biedt de mogelijkheid er een psychiatrisch tintje aan te geven. In een prachtige modern vormgegeven hoge ruimte die zowel een woon- eetvertrek als een behandelkamer voorstelt ondergaat Mélisande haar therapie.

Toepasselijk staan er verschillende wit leren chaises longues als meubilair klaar zodat ook meerdere personen tegelijkertijd in dat proces betrokken kunnen worden. En dat gebeurt ook.

Golaud is psychiater en Mélisande zijn patiënt. Zo nu en dan activeert hij een in de wand gebouwd videoscherm en zien we opnames van eerdere sessies. Mélisande ondergaat daarin zo te zien aanvankelijk dwangverpleging. Die terugblikken moeten hem vermoedelijk sterken in de gedachte dat hij met Mélisande veel vooruitgang heeft geboekt ook al functioneert ze nog steeds in zeer beperkte mate, zowel verbaal als emotioneel.

De rest van de familie participeert in de sessies door met Mélisande alles na te spelen waarover in de opera wordt gerept. De locaties worden aan de verbeelding overgelaten, de gesprekken en in toenemende mate handtastelijkheden bepalen de voortgang.

Hoewel de indruk wordt gewekt dat alle betrokkenen een vergelijkbare scholing hebben gehad als Golaud en dus als zelfstandig hulpverlener kunnen optreden, vervaagt dit aspect feitelijk zodra Golaud er niet direct bij betrokken is. Dan zien we een disfunctionerende familie waarin de onduidelijk verwantschappen – Genevieve was de vrouw van Arkels oudste zoon en is na zijn dood met de jongste getrouwd – nog eens extra vertroebeld zijn door die inwonende patiënt die Golaud zozeer onder de huid is gekropen dat hij haar minnaar is geworden.

Jacques Imbrailo geeft fraai gestalte aan de rusteloze Pelléas. Zijn personage is tragisch, hij wordt geleefd. Zijn grootvader Arkel, mooie rol van Brindley Sherrat, verbiedt hem om een stervende vriend te bezoeken omdat hij zijn eigen langdurig zieke vader niet alleen mag laten. En hij wil de wijde wereld in om niet in de verleiding te komen zijn broer te bedriegen met die mooie onwereldse Mélisande die hem vanaf haar binnenkomst al fascineert. Ondanks zijn goede bedoelingen wordt hij gedood maar dat schijnt eigenlijk niemand van zijn familieleden echt te deren. Que sera, sera.

Kyle Ketelsen is een goede keuze als Golaud, groter en dominanter dan zijn jongere halfbroer en zeer geloofwaardig in zijn toenemende frustratie als duidelijk wordt dat Mélisande liever bij Pelléas is dan bij hem. Hij heeft haar dan wel een beetje op de rails gekregen maar door haar minnaar te worden is hij tegelijkertijd een herinnering aan het grote onheil dat ze was ontvlucht, zoiets in elk geval. Vocaal uitstekend verzorgd en binnen de bewegingsruimte die de rol biedt een geloofwaardige middelbare man die transformeert van een oprecht verliefde minnaar in een achterdochtige jaloerse potentaat die meer waarde lijkt te hechten aan de zekerheid dat zijn jonge vrouw hem niet heeft bedrogen, dan aan haar overleven. Als ze sterft moet hij tenminste een zuivere herinnering aan haar hebben.

De solist van de Tölzer Sängerknaben Damien Göritz is zeer goed opgewassen tegen de eisen die hem worden gesteld. Zijn partij is relatief eenvoudig maar hij moet die zingen terwijl zijn vader hem in toenemende mate ruw behandelt. Staat sterk in zijn schoenen die jongen.ne Naef is verantwoordelijk voor de moederlijke inbreng maar die beperkt zich hoofdzakelijk tot zingend toekijken.

Corinne Winters is een prachtige wereldvreemde Mélisande, oogt door haar zwarte sportkleding kleding een beetje jongensachtig en wil het liefste alleen maar met haar ‘broertje’ Pelléas spelen. Een soort terug naar vroeger, onschuldiger tijden. Van emotionele ontwikkeling is bij haar personage niet veel te merken, ze is een gevangen vogel zonder verleden en naar blijkt ook zonder toekomst. Tot het laatst probeert Golaud ‘de waarheid’ over haar omgang met Pelléas uit haar te kloppen, zonder resultaat. Grootvader Arkel ziet als enige een lichtpuntje: het nieuwe meisje zal Mélisandes plaats gaan innemen in de familie.

Uitstekend gezongen door Winters en overtuigend geacteerd. We zouden nog meer van haar horen in de jaren erna, denk aan Rachel, Halka, Jenufa, Katia, Giorgetta en Suor Angelica.

Maestro Alain Altinoglu heeft de muzikale leiding, groot compliment.

Trailer van de productie:


Voorstelling foto’s © Toni Suter    

De maagd van Orléans

Tekst: Peter Franken

Dit werk van Tsjaikovski had première in 1881 in het Mariinsky Theater en staat zodoende tussen Evgeni Onegin en Mazeppa. Het werk heeft niet het intieme van Onegin maar lijkt met zijn martiale scènes meer op Mazeppa, al zijn er wel momenten van kleinschalige lyriek in de twee liefdesduetten, tussen Charles VII en zijn vrouw Agnès Sorel en tussen Jeanne en Lionel. Verder klinkt er veel van de vijfde symfonie in de orkestratie door. Al met al is het werk volledig herkenbaar als een opera van Tsjaikovski.

Er is een opname gemaakt door een Britse crew onder leiding van Brian Large van een voorstelling in het Bolshoi, in 1993 dus artistiek nog geworteld in de Sovjet tijd. De betreffende dvd is echter zeer moeilijk te krijgen maar gelukkig staat de gehele voorstelling op YouTube zodat iedereen er toch kennis van kan nemen.

Het libretto volgt de geschiedenis van Jeanne d’Arc vrij nauwkeurig, zij het in gecomprimeerde vorm. Jeanne wijst een huwelijk met dorpsgenoot Raymond af omdat ze een hogere roeping heeft. Als er bericht komt dat Parijs in handen van de Engelsen in gevallen en Orléans zal worden belegerd, voorspelt ze tot verbijstering van alle aanwezigen en vooral haar vader dat de overwinning nabij is. Ze geeft gehoor aan wat de Heilige Maagd haar heeft ingefluisterd en trekt ten strijde.

In de tweede akte bevinden we ons aan het hof van Charles VII in Château de Chinon waar de vorst zich laat onderhouden door zijn mistrelen en een groep dansende pages, zigeuners en clowns. Hij is van de wereld vervreemd, leeft in volledige ontkenning en heeft alleen nog oog voor zijn vrouw Agnès. Na bericht van weer een nederlaag wil hij vluchten in zuidelijke richting, in elk geval de Loire over. Zijn belangrijkste adviseur Dunois wijst hem erop dat hij zelf de troepen moet gaan aanvoeren maar dat weigert Charles. God heeft het zo beschikt, hij zal berooid en zonder troon sterven.

Plotseling komt er bericht van een grote overwinning, natuurlijk door toedoen van Jeanne. Omdat ze weet te vertellen wat Charles in zijn gebeden heeft gezegd krijgt ze zijn vertrouwen, dit moet wel iemand zijn die directe lijn heeft met de Heilige Maagd.

In de derde akte stuit Jeanne op de Bourgondische edelman Lionel die aan de kant van de Engelsen strijdt. Ze weet hem te verslaan maar raakt zozeer in verwarring door zijn verschijning dat ze hem niet kan doden. Op zijn beurt raakt hij ook van haar onder de indruk. Eind van het liedje is dat hij overloopt naar het Franse kamp om bij Jeanne te kunnen  zijn. Deze beseft echter dat ze verliefd is geworden op die knappe man en zodoende de gelofte van absolute kuisheid heeft geschonden die haar in staat had gesteld onder de banier van Maria voor Frankrijk te strijden. Het is als bij het afknippen van Samsons haar, de ban is gebroken.

Als Charles haar wil huldigen met een altaar, ze is immers heilig in commissie, komt haar vader roet in het eten gooien. Hij wil haar ziel redden ook al kost dat Jeanne het leven, overtuigd als hij is dat zijn dochter niet heilig is maar in de ban van de duivel. Hij vraagt Jeanne antwoord te geven op de vraag of ze heilig en rein is om zo haar onschuld te bewijzen. Jeanne geeft geen antwoord omdat ze twijfelt aan haar eigen ‘reinheid’ nu ze zichzelf heeft gegeven aan een mens ook al is daar geen fysieke relatie aan te pas gekomen. Men keert zich tegen haar, vooral nadat er bliksem is ingeslagen.

In de vierde akte is Jeanne op de vlucht en treft in een bos haar geliefde Lionel. Kort daarna worden ze door Engelsen omsingeld. Lionel wordt gedood en Jeanne gevangen genomen. Het einde is de terechtstelling in Rouen waar Jeanne sterft op de brandstapel.

De productie uit het Bolshoi leunt sterk op het inzetten van een overdaad aan personeel. Voortdurend staan er grote koren paraat om zingend in te vallen, in fraaie eigentijdse uitgaanskledij. Bij elke nieuwe ontwikkeling wordt Jeanne omgeven door een groep in witte jurken geklede figuranten. Zo is er permanent een levend decor van tientallen medewerkers. Midden op het toneel is een kleine vierkante verhoging geplaatst waarop het merendeel van de feitelijke handeling zich afspeelt. Aan het einde wordt Jeanne met verhoging en al opgetakeld waarbij eronder een rode gloed en veel rook zichtbaar wordt, een ‘realistisch’ einde.

Anders dan de koren zijn de zangers allemaal gestoken in fraaie periode kostuums. Jeanne ziet er gewoon uit als herderinnetje en Charles is herkenbaar als koning. Jeannes vader oogt, speelt en zingt als een monnik uit een opera van Moessorgski, denk aan Varlaam als hij niet dronken is. Dit komt voor rekening van de bas Vyacheslav Pochapsky.

Charles VII wordt vertolkt door de tenor Oleg Kulko, vooral mooi om te horen in zijn liefdesduet met sopraan Maria Gavrilova als zijn vrouw Agnès Sorel. Bariton Mikhail Krutikov probeert als Dunois zijn koning enige realiteitszin bij te brengen. Als er voor hem is opgetreden wil hij iedereen als dank een gouden ketting geven. ‘Die zult u dan met uw eigen woorden meten rijgen, de schatkist is leeg.’ Overigens is het ballet van die pages, zigeuners en clowns gecoupeerd, alleen de minstrelen komen zingend aan bod.

Lionel, de would be minnaar van Jeanne, is een mooie rol van bariton Vladimir Redkin. En de titelrol wordt voorbeeldig vertolkt door sopraan Nina Rautio. Ze staat lange tijd op het toneel en heeft veel te zingen wat haar uitstekend afgaat, zeer goede beheersing van de partij. Regisseur Boris Pokrovsky laat haar wel erg zelfverzekerd overkomen in de eerste twee aktes, alsof ze de aanwezigheid de Heilige Maagd direct aan haar zijde ervaart. Het is het enige voorbeeld van specifieke personenregie dat ik in deze voorstelling heb kunnen ontwaren. De decors en kostuums zijn van Valery Levental. Alexander Lazarev heeft de muzikale leiding.

De Maagd van Orléans is een rariteit buiten Rusland en dat zal ook wel zo blijven. Muzikaal is deze opera beslist minder interessant dan Evgeni Onegin en Pique Dame en feitelijk geef ik ook aan Mazeppa de voorkeur boven dit werk. Niettemin toch wel prettig het nu eens gezien te hebben.

Palestrina van Pfitzner is een mooi alternatief voor Strauss

Tekst: Peter Franken

Pfitzner (1869-1949) schreef zes opera’s waarvan de vijfde hem blijvende bekendheid heeft opgeleverd. Zeer overtuigd van zijn eigen kunnen en prominentie zag hij zichzelf als de grootste Duitse componist van zijn tijd. Probleem was echter dat velen die kwalificatie eerder aan Richard Strauss, zijn vijf jaar oudere collega toedachten.

Die vijfde opera was Palestrina waaraan Pfitzner werkte tussen 1909 en 1915. Het werk had in 1917 in München première. In 2009 ging er een nieuwe productie van deze opera bij de Bayerische Staatsoper in de regie van Christian Stückl met decor en kostuums van Stefan Hageneier. Een opname is uitgebracht op Blu-ray.


Pfitzners magnum opus heeft eenzelfde lengte als bijvoorbeeld Die Walküre en dat is niet de enige reden dat de componist wel eens werd weggezet als een epigoon van de oude meester. Palestrina kent zeer veel lange dialogen en monologen die de luisteraar nolens volens doen denken aan Die Meistersinger von Nürnberg met de titelheld in de rol van Sachs. Voor andere personages met veel tekst blijven dan vergelijkingen met Beckmesser, David en Walther over.

Maar muzikaal doet Pfitzners idioom vooral denken aan Strauss, een overeenkomst waar geen van beide heren mee ingenomen zal zijn geweest. De dialogen tussen sopraan en mezzo in de eerste akte zijn je reinste Strauss, al krijg ik vooral associaties met Arabella en Zdenka, muziek van veel later datum dan Palestrina. Echter ook Der Rosenkavalier schemert hier en daar door als de ‘Meistersingers’ concurrentie krijgen van Ochs. Al met al is het prettige muziek om naar te luisteren al is de tekst nogal langdradig.

Pfitzners heeft duidelijk geen keuze kunnen maken waarover hij wilde schrijven. In eerste aanleg gaat het over de componist Palestrina die gedwongen wordt door de kardinaal Borromeo om een nieuwe mis te schrijven in het bestaande polyphone idioom. Dit om het tij te keren dat zijn oorsprong vond in het Concilie van Trente waarin al min of meer was besloten die nieuwlichterij in de ban te doen en terug te keren tot het Gregoriaans.

Pfitzner zelf zag met lede ogen de opmars van atonale muziek, hem een gruwel, om van serialisme niet te spreken. Het kon toch niet zo zijn dat componisten niet meer tonale muziek konden schrijven omdat het door de ‘modernen’ in de ban was gedaan? Palestrina’s keuze voor polyphonie is de pendant van Pfitzners keuze voor tonale muziek waarbij beiden in hun beleving tegen de stroom in moesten roeien.

Als Palestrina zich beroept op gebrek aan inspiratie, gevolg van het overlijden van zijn vrouw, stelt Borromeo dat hij gods stem niet meer hoort en laat hem wegens ketterij of een ander voorwendsel gevangen zetten, in de hoop hem zodoende tot componeren te dwingen.

Gelukkig hebben engelen de nacht ervoor snel even die mis op papier gezet en als Palestrina wakker wordt denkt hij al die bladmuziek zelf in een nachtje te hebben geschreven. Zijn zoontje Ighino en de leerling Silla weten bijtijds het manuscript in veiligheid te brengen voor Borromeo’s ordedienst de componist komt halen. Later blijkt dat Ighino de mis in handen heeft gespeeld van een afgezant van de paus en als die enthousiast is over deze nieuwe mis is de polyphonie ‘gered’.

Op zich is dat voldoende stof voor een complete opera maar Pfitzner heeft er een karikaturale beschouwing van het Concilie van Trente als tussenakte aan toegevoegd. Op zich bij vlagen onderhoudend met grote namen als Michael Volle en John Daszak als pauselijke legaten en een heel leger aan andere prelaten maar feitelijk niet meer dan een tussenspel.

Het kleinzielige verloop van de besprekingen wordt op de hak genomen, de tegenstellingen uitgelicht, maar de casus belli is uiteindelijk niet meer dan de muzikale stijl van de mis. De keizer en Borromeo willen polyphonie, de paus Gegoriaans. Palestrina moet door een meesterstuk de polyphonie redden en zowaar wordt zijn naam tweemaal genoemd in deze akte die meer dan een uur duurt. De sessie eindigt in een pandemonium.


De personages zijn overwegend wit geschminkt met als enige uitzondering Palestrina en de Spaanse dwarsligger graaf Luna, woordvoerder namens de koning. Belichting en kostuums worden gekenmerkt door felle kleuren: hard groen, magenta. Het decor kleurt mee door passende belichting. Al met al een leuk spektakel om naar te kijken al valt het niet mee om steeds bij de les te blijven.

Christopher Ventris is een solide Palestrina, Claudia Mahnke een prima Silla en Christiane Karg speelt en zingt Ighino als een liefhebbende dochter in plaats van zoontje. Het klinkt er niet minder mooi om.

Falk Struckmann geeft gestalte aan kardinaal Borromeo die zich later met Palestrina komt verzoenen. Zijn reputatie stond op het spel, dus moest hij wel hard zijn.

Simone Young heeft de muzikale leiding, mooie prestatie.

Trailer:

Frank van Aken zingt de kluizenaar in Simplicius Simplissimus

Tekst: Peter Franken

In 2005 stond dit werk van Karl Amadeus Hartmann op het programma in Stuttgart. Een opname is op dvd uitgebracht door Arthaus.

Hartmann (1905-1963) was vóór 1933 nog maar weinig succesvol geweest. Hij probeerde zijn carrière onopvallend voort te zetten en daarbij zo min mogelijk contacten met de nieuwe muziekwereld te maken. Later verklaarde hij in ‘innere Emigration’ te zijn gegaan. Opvallend genoeg kreeg Hartmann betrekkelijk veel vrijheid om naar het buitenland te reizen om festivals te bezoeken en contact te maken met collega’s.

Herman scherchen

Ook de relatie met dirigent Hermann Scherchen werd nooit verbroken, de socialistische avant garde musicus die zich in Zwitserland had gevestigd. Via Scherchen probeerde de componist zijn bestaande werken in het buitenland uitgevoerd te krijgen maar die liet het vooral bij beloftes. Door een hartafwijking voor te wenden kon Hartmann zich aan militaire dienst onttrekken en na de oorlog maakte hij carrière als iemand die zich had verzet tegen het regime.

von Grimmelshausen

In 1934/35 componeerde Hartmann Simplicius Simplissimus, een operadrama met veel gesproken teksten op een libretto van Hermann Scherchen, Wolfgang Petzet en de componist naar de gelijknamige roman van Jakob von Grimmelhausen. Het betreft de jeugdjaren van Simplicius, aanvankelijk een onbenul, en speelt zich af tijdens de Dertigjarige Oorlog. Die lag al ver in het verleden dus dat was wel een geschikt onderwerp om impliciet de nodige kritiek op de actuele situatie in Duitsland te leveren.

Of Scherchen die veilig in Zwitserland zat de bedoeling had het werk buiten Duitsland uit te voeren, is niet bekend. Het bleef in elk geval in een la liggen en ging pas in 1948 in première. De muziek is niet opvallend modern en met de duidelijke anti oorlogsboodschap was de componist tot begin 1939 waarschijnlijk wel weggekomen bij Goebbels. Maar Hartmann gaf kennelijk de voorkeur aan zijn leven in de luwte.

Een spreker geeft bij aanvang uitleg over de context van het verhaal. In 1618 woonden er 12 miljoen mensen in Duitsland, in 1648 waren er nog maar 4 miljoen over. In die setting groeit de reine Tor Simplicius als eenzaam weeskind op. Hij moet bij een boer schapen hoeden en daarbij vooral blijven zingen om ‘de wolf’ af te schrikken. Vervolgens wordt hij door een huursoldaat (Landsknecht) meegenomen, nadat natuurlijk eerst de boer is omgebracht. De jongen wordt achtergelaten bij een kluizenaar (Einsiedel) die hem twee jaar onder zijn hoede neemt en wat kennis van het leven bijbrengt waaronder de christelijke grondbeginselen.

Maar dan besluit deze man dat hij geroepen is te sterven, hij graaft zijn eigen graf en draagt Simplicius op zijn lichaam te bedekken met de uitgeschepte aarde. De ‘wolf’ en deze grafscène kunnen worden opgevat als allegorie voor Hitler en de innere Emigration. Maar het komt natuurlijk wel gewoon uit de roman van Grimmelhausen.

De wijzer geworden jongen belandt daarna aan het hertogelijk hof waar hij iedereen belerend toespreekt en daarmee wegkomt doordat de machthebber hem tot hofnar benoemt. Als de oorlog ook het hof bereikt komt iedereen om het leven behalve Simplicius. In de roman staat hij nog maar aan het begin van zijn carrière als ronddolende avonturier maar daar hebben Scherchen en Hartmann geen boodschap aan. Zij hebben hun punt genoegzaam gemaakt, het nieuwe regime deugt niet en als er oorlog uitbreekt zijn we allemaal ten dode opgeschreven.

Het werk is een operadrama, toneel en opera ineen. Ook de leden van het orkest krijgen zinnen te declameren. Aan het einde van de eerste akte klinkt een orkestraal intermezzo waarin Bachs koraal ‘Nun ruhen alle Wälder’ te horen is, aangevuld met verwijzingen naar onder meer Stravinsky en Prokofjev. Een tweede intermezzo, de ‘Drei Tänze der Dame’ begin derde akte klinkt bijna ‘Heimatachtig’, opgewekte dansmuziek. Alles bijeen komt het weinig consistent over en op enig succes bij het publiek zou Hartmann in 1935 zeker niet hebben kunnen rekenen. Waarschijnlijk is dat de belangrijkste reden geweest om het ‘voor de bureaula’ te maken, niet de mogelijke afkeuring door de censuur.

De enscenering die Christof Nel voor Stuttgart verzorgde oogt tamelijk basaal, vooral ook door het simpele decor van Karl Kneidl. De kostumering van Silke Willrett is eenvoudig eigentijds.

De titelrol wordt zeer overtuigend vertolkt door mezzo Claudia Mahnke, zowel vocaal als fysiek een inspannende ervaring die ze uitstekend weet te doorstaan. Michael Ebbecke is een prima Landsknecht die helaas in de derde akte met een machinegeweer loopt te zeulen.

Mijn aandacht ging primair uit naar de bijdrage van Frank van Aken. De tweede akte draait vrijwel volledig om hem en zijn omgang met Simplicius. Zijn Einsiedel wordt getoond als een literator, hij zit voortdurend achter een typemachine als hij even niet hoeft te zingen. Vocaal is van Aken hier op zijn best, goede keuze om de rol hier met zo’n schitterende tenor te bezetten in plaats van een bariton wat soms ook gebeurt.

De overige rollen zijn adequaat bezet. We horen het Staatsorchester en het Staatsopernchor Stuttgart. Kwamé Ryan heeft de muzikale leiding.

https://arthaus-musik.com/en/dvd/music/opera/media/details/Simplicius_Simplicissimus.html

Fotomateriaal © A T Schaefer, Stuttgart