Peter Franken

Jakob Lenz van Wolfgang Rihm uitgebracht op dvd

Tekst: Peter Franken

 

In maart 2015 was Jakob Lenz te zien in de De Munt in een productie van Andrea Breth. De voorstelling werd verfilmd door Myriam Hoyer en de opname is in 2019 door Alpha Classics op dvd uitgebracht.

Wolfgang Rihm is een icoon van de hedendaagse muziek en met Jakob Lenz voegde hij in 1979 een tweede opera toe aan zijn alreeds omvangrijke oeuvre, kort na Die Hamletmaschine uit 1977. In deze productie wordt de titelrol vertolkt door bariton Georg Nigl, ook iemand met een grote staat van dienst in het moderne repertoire.

Jakob Lenz is een historische figuur. Hij was bevriend met Goethe en werd verliefd op diens vroegere geliefde Frederieke. Met haar werd het niets en dat was vermoedelijk wat de onder de oppervlakte aanwezige krankzinnigheid van Lenz naar boven bracht. De opera volgt de protagonist in zijn afglijden naar totale waanzin, steeds op zoek naar Frederieke die hij in een bloedstillende scène ook in een dood kind meent te herkennen.

Sta op en wandel, gebiedt hij haar. En als dat geen effect heeft komt niet geheel onverwacht de klacht dat zijn god hem heeft verlaten. Een zeskoppig koortje dat de stemmen laat klinken die Lenz in zijn hoofd hoort, moedigt hem aan te sterven. Dat is de enige manier om die dode Frederieke terug te vinden. Ze zetten in de stijl van het voorafgaande een houten kruis tegen zijn rug.

Behalve dat koortje zijn er nog twee personages die zich met Lenz bezighouden. Dominee Oberlin die hem in huis opneemt in de naïeve veronderstelling hem met wat stichtende praat wel weer op het padje terug te kunnen brengen en een wat vage figuur genaamd Kaufmann die een kennis is van Lenz. Als tegen het eind Lenz in een kennelijk door hem kapotgeslagen kamer door beide heren wordt bezocht, treffen ze hem besmeurd met zijn eigen uitwerpselen in volslagen reddeloosheid aan. Ze hijsen hem in een dwangbuis en laten hem alleen achter. Niks meer aan te doen.

Alle drie personages zijn historische figuren die leefden tweede helft 18e eeuw. Het verhaal van Lenz is opgetekend door Oberlin en door Georg Büchner in 1836 verwerkt in zijn novelle Lenz. In vergelijking met dit verhaal is Woyzeck een blijspel.

Het toneelbeeld is donker waardoor details moeilijk te onderscheiden zijn. Een opengewerkte doos op het toneel beschrijft het nog het beste. De kostuums schwanken wat tussen periode en eigentijds. De dramaturgie van Sergio Morabito stelt het incasseringsvermogen van de kijker behoorlijk op de proef.

Nigl geeft zichzelf volledig tijdens zijn optreden dat ruim een uur duurt. Hij is de perfecte keuze voor deze loodzware rol, indrukwekkend. Zijn tegenspelers bariton Henry Waddington als Oberlin en tenor John Graham-Hall als Kaufmann bieden goed tegenspel.

Franck Ollu geeft leiding aan een klein ensemble dat afkomstig is uit het symfonie orkest van de Munt. De twaalf musici bespelen celli, hout, koper en slagwerk. Ook is er een klavecimbel te horen. Muzikaal vergt het werk geen al te grote inspanning om te volgen, de handeling des te meer. Voor liefhebbers van modern repertoire een aanrader.

Léonore ou l’amour conjugal op dvd uitgebracht door Naxos

Tekst: Peter Franken

 

News from the Naxos Music Group – November 2018

Pierre Gaveaux (1761-1825) schreef in de periode die volgde op La Terreur de opera Léonore op een libretto van Jean-Nicolas Bouilly (1763-1842). Het werk is vandaag de dag vrijwel vergeten maar de titel komt elke operaliefhebber natuurlijk direct bekend voor. Beethoven baseerde zijn Fidelio op dit werk en de overeenkomsten zijn treffend.

Léonore ging in 1798 in première en werd goed ontvangen. Het verhaal over machtsmisbruik door een meedogenloze heerser en de moed van een vrouw die haar eigen leven in de waagschaal stelt om haar man van een zekere dood te redden, sprak veel mensen aan. Natuurlijk wordt de indruk gewekt dat de kritiek is gericht op het ‘Ancien Régime’ maar de uitwassen van Robespierre en consorten lagen nog te vers in ieders geheugen om de handeling daarvan los te kunnen zien.

Gaveaux was behalve componist ook zanger. Zo zong hij de rol van Iason bij de première van Cherubini’s Médée in 1797 en natuurlijk de rol van Florestan in zijn eigen Léonore. Het muzikale idioom van dit werk doet enigszins denken aan dat van Cherubini en Spontini, de vlaggendragers van de Frans postrevolutionaire stijl, en daar was Gaveau natuurlijk zeer mee vertrouwd geraakt. Dit is met name het geval voor de hoofdrollen Florestan en Fidelio en het koor van de gevangenen. De wat meer karikaturale karakters Marceline, Jacquino, Roc en Pizare leunen nog sterk op de typologie van de oude tijden. Vrij simpele gezongen mededelingen met veel herhalingen, duidelijk een licht komisch effect beogend.

De Naxos opname betreft een voorstelling van de Opera Lafayette uit 2017. Dit is een Amerikaans gezelschap dat gespecialiseerd is in het Franse repertoire en speelt op periode instrumenten. Op ad hoc basis worden solisten aangetrokken, de vaste kern wordt gevormd door het orkest. De enscenering is sober maar doeltreffend. Een stel grote kozijnen die kunnen draaien in een raamwerk, kleinere zetstukken, goed gekozen rekwisieten en een effectieve belichting roepen achtereenvolgens het huis van Roc en zijn dochter Marceline en de kerker van Florestan op. Er tussenin vult het achtkoppige gevangenenkoor nog zes minuten het toneel.

Sopraan Pascale Beaudin zet een alleraardigste Marceline neer. Wat ze te zingen heeft is niet erg verheffend maar met leuk acteerwerk weet ze er wel een aardig onderonsje met Jacquino van te maken. Haar personage is op zijn best in de relatie met Fidelio, met hem trouwen is haar doel en Beaudin zat alles op alles om iedereen te overtuigen van de oprechtheid van dat voornemen. Tenor Keven Geddes hobbelt er wat achteraan als Jacquino, aardig gezongen en natuurlijk goed voor een vleugje tragikomedie.

De bas Tomislav Lavoie als Roc en zijn chef de bariton Dominique Côté als Pizare zijn weinig opvallend, adequate casting. Mooi werk van het gevangenenkoor, je hoort er onwillekeurig Beethovens versie door heen.

Sopraan Kimy Mc Laren als Léonore a.k.a. Fidelio weet volledig te overtuigen. Haar partij zit volledig in de nieuwe stijl die tegen de eeuwwisseling in ontwikkeling was gekomen en dat maakt haar personage ook muzikaal erg interessant. Hetzelfde valt te zeggen over de Florestan van tenor Jean Michel Richer als vind ik zijn partij wel wat pathetisch klinken. Een aspect overigens dat me ook in Beethovens versie nogal stoort. Tegen het einde maakt Dom Fernand nog even zijn opwachting in de persoon van bas bariton Alexandre Sylvestre. Ik noem hem voor de volledigheid, hij zorgt voor het eind goed al goed aspect.

Ryan Brown heeft de muzikale leiding en heeft daarbij veel aandacht voor de individuele solisten in zijn orkest. Brown laat het geheel goed verzorgd klinken al moet ik stellen dat er in de ouverture en de eerste akte voor hen niet zoveel eer valt te behalen. Pas in de tweede akte als we afdalen in de kerker mag het orkest een eigen stem laten klinken, heel omineus natuurlijk.

De opera duurt ongeveer 80 minuten en is een must voor iedereen die nu eens wil weten waar Beethoven zijn idee vandaan heeft gehaald. Dit is de enige echte voorloper van zijn Fidelio.

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtube.com/embed/SEtf1mkGfZQ&#8221; frameborder=”0″ allow=”accelerometer; autoplay

Daniela Dessi’s Fedora uitgebracht op Blu-ray

Tekst: Peter Franken

https://media.s-bol.com/gvYzZK6M2q9/550x776.jpg

Dynamic heeft een opname van Fedora uitgebracht, afkomstig uit het Teatro Carlo Felice in Genua. Het koppel Dessi Armiliato vertolkt de hoofdrollen.

Umberto Giordano componeerde Fedora in 1898, ruim een jaar na zijn grote succes Andrea Chenier. Het libretto van de hand van Arturo Colautti is gebaseerd op het toneelstuk Fédora van Victorien Sardou, de toneelschrijver die in 1887 al eens succes had met La Tosca, in 1900 op het operatoneel gebracht door Puccini. Beide stukken draaien om een verliefde vrouw die ongewild haar geliefde in levensgevaar brengt.

Prinses Fedora is een rijke Russische weduwe die op het punt staat in het huwelijk te treden met graaf Vladimir Andrejevich, een losbol die haar bedriegt met een andere vrouw. Als zij hem de avond voor het huwelijk komt opzoeken in zijn woning, is hij afwezig. Kort daarna wordt hij echter zwaargewond binnengebracht en overlijdt nog diezelfde nacht. Zij zweert hem te zullen wreken.

Graaf Loris Ipanov wordt direct verdacht van de moord op Fedora’s aanstaande en hij vlucht naar Parijs. Fedora betrekt daar een woning en als belangrijk persoon binnen de Russische expat community kost het haar weinig moeite hem in te palmen. Voor ze de Russische geheime politie op hem afstuurt wil ze echter zekerheid hebben of hij werkelijk de gezochte moordenaar is.

In een emotioneel gesprek verklaart Loris haar zijn liefde, die zij afwijst. Zijn repliek is dat de liefde zelf haar verbiedt om te weigeren: ‘Amor ti vieta’. Deze korte aria is het enige gedeelte van de opera dat grote bekendheid geniet. Caruso zong het bij de première op 17 november 1898.

 

Omdat Loris niet ontkent Andrejevich te hebben gedood geeft Fedora hem aan bij de autoriteiten in Rusland. Haar brief gaat nog dezelfde avond mee met een gereedliggend schip. Als Loris haar de volgende dag confronteert met bewijzen dat Andrejevich haar bedroog, en wel met Loris’ eigen geliefde, krijgt Fedora direct spijt van haar poging tot wraakneming. Loris had Andrerjevich betrapt, deze had op hem geschoten waarop Loris het vuur had beantwoord. Complicatie is verder dat Fedora inmiddels verliefd is geworden op Loris en hem uit handen van de politie wil houden.

Het verliefde stel vlucht naar Zwitserland en alles gaat goed tot Fedora te horen krijgt dat de broer van Loris is opgepakt op verdenking van medeplichtigheid aan wat men voor een politieke moord houdt. Hij is in zijn cel overleden waarop zijn moeder is gestorven aan een hartaanval. Daarmee is Fedora indirect verantwoordelijk voor twee doden in Loris’ familie.

Als deze bericht krijgt dat de brief van een vrouw deze gebeurtenissen heeft veroorzaakt, zweert hij zich op haar te zullen wreken. Fedora maakt zich na enige aarzeling bekend als degene die hij zoekt maar ondanks haar smeekbeden weigert hij haar te vergeven. Ze pleegt zelfmoord door gif in te nemen, Loris vertwijfeld achterlatend.

De enscenering van Rosetta Cucchi volgt het libretto heel keurig, bijna als een kostuumdrama. Maar ze heeft de verleiding niet kunnen weerstaan een component uit eigen koker aan het geheel toe te voegen. In een hoekje op het toneel zien we een oude man: Loris Ipanov als grijsaard. Hij bladert wat in een fotoalbum en zit verder rustig wat te suffen. Op een groot achterdoek worden beelden geprojecteerd die vermoedelijk zijn herinneringen tonen. Aanvankelijk vage oorlogsbeelden, later beelden en geluiden van een revolutie. Zijn leven gaat verder als Fedora dood is en er staat hem nog heel wat te wachten. Niet alleen hem, de gehele adellijke bovenlaag die tijdens de handeling nog zo vast in het zadel meende te zitten.

Daria Kovalenko blinkt uit als party animal Olga, de jeugdige vriendin van Fedora. Een leeghoofd natuurlijk maar wel leuk om naar te kijken.

Alfonso Antoniozzi geeft een prima vertolking van de diplomaat De Siriex. Zijn intermezzo waarin hij het karakter van Russsische vrouwen bezingt is een echte showstopper, dit tot ongenoegen van Olga die zich even buiten het centrum van de belangstelling geplaatst ziet.

Fabio Armiliato zet een goede Loris neer, degelijk maar niet heel bijzonder. Vreemd genoeg klinkt zijn ‘Amor ti vieta’ alsof hij plotseling in een tunnel zingt, veel galm en erg luid. Het is natuurlijk de signature tune van de opera maar dat hoeft niet te worden benadrukt door het nog eens extra te versterken.

Daniela Dessi is een mooie Fedora. Enerzijds is ze iets te oud voor de rol, anderzijds behandelt ze Loris letterlijk en figuurlijk alsof ze zijn plaatsvervangende moeder is. Al met al een mooi optreden met een aandoenlijke sterfscène aan het einde. Ik betrapte mezelf erop daar net als die oude Loris naar te kijken met kennis van hoe het allemaal verder gaat. Ruim een jaar na deze opname zou Dessi overlijden en de scène waarin ze sterft in de armen van haar partner, Loris/Armiliato, komt zodoende extra wrang over. Daar staat tegenover dat deze opname onbedoeld een mooi laatste eerbewijs aan Daniela Dessi is geworden, een prachtige zangeres die node gemist wordt.

Dirigent Valerio Galli heeft de muzikale leiding. Goed spel van het orkest van Teatro Carlo Felice. Het is pas de tweede opname op dvd van dit werk, Freni en Domingo gingen Dessi en Armiliato voor (voor de recensie klik hier: Umberto Giordano en zijn Fedora.) Bekijk ze allebei, zou ik zeggen, veel kans dat het werk in de buurt te zien zal zijn de komende jaren is er niet.

 Asmik Grigorian als Fedora: verismo op zijn best.

Kosky’s Orphée aux enfers uit Salzburg op BluRay uitgebracht

Tekst: Peter Franken

 

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/714Ebn1FTVL._SL1200_.jpg

 

Dit werk staat te boek als de eerste operette, in 1858 een nieuw genre binnen het muziektheater. Barrie Kosky haalde in zijn productie voor de Salzburger Festspiele alles uit de kast om er een overdonderend festijn van te maken. Recent is door Unitel hiervan een opname op BluRay uitgebracht.

De Festpiele van 2019 stonden ten dele in het teken van de ‘antieken’ met werken als Idomeneo, Medea en Oedipe. Tegenover deze klassieke tragedies werd een luchtige komedie geplaatst waarin de Griekse mythologie een geheel andere rol speelt. In Offenbachs Orphée aux enfers wordt het gekoesterde beeld van de godenwereld op de Olympus volledig op zijn kop gezet. Aanleiding is de komst van Euridice, ja die van Orpheus.

Offenbach hanteert in zijn Olympische zedenschets de Romeinse variant van de mythologie, met Jupiter, Juno, Pluton, Diana en Venus. Pluton heeft vermomd als herder al enige tijd een verhouding met Euridice, die dringend van haar man af wil. Hij is haar ook liever kwijt dan rijk maar een echtscheiding zou de carrière van deze begaafde violist en conservatorium docent ernstig schaden. Het door Offenbach ten tonele gevoerde hinderlijke personage ‘L’opinion publique’ wrijft hem dat nadrukkelijk in.

Als Pluton zijn nieuwe aanwinst meevoert naar de onderwereld, is Orpheus blij en opgelucht maar zijn euforie is van korte duur. De publieke opinie dwingt hem om de schijn op te houden en zijn vrouw uit de onderwereld terug te halen. Op de Olympus is inmiddels het gerucht doorgedrongen dat een mooie vrouw door een god is ontvoerd. Dat moet worden rechtgezet, ook de goden dienen de schijn op te houden van een perfecte harmonie en een stabiel liefdevol huwelijk, Jupiter en Juno voorop.

Na enige verwikkelingen volgt het verhaal de mythologie: Orpheus voorop, Euridice er achteraan met ‘De publieke opinie’ in hun kielzog om een oogje in het zeil te houden. Dan springt Euridice naar voren en pakt Orpheus’ viool af. In een reflex draait hij zich om. Jupiter ziet zijn kans schoon om deze mooie meid – die hij vermomd als vlieg inmiddels al zeer goed heeft leren kennen – voor altijd bij zich te houden maar Euridice geeft aan dat ze perse een Bacchhante wil zijn en niet het liefje van Pluton of Jupiter. Dat hiermee de mythologie moet worden herschreven deert haar niet, los het maar op jullie.

Barrie Kosky heeft als intendant van de Komische Oper Berlin een grote reputatie opgebouwd met het produceren van theatrale spektakelstukken. Met name operettes en musicals worden door hem van een variété component voorzien. Hiertoe heeft Kosky een twaalfkoppige groep dansers en danseressen geformeerd die al bijna tien jaar in dezelfde samenstelling ten tonele wordt gevoerd. Hun optreden is vooral exuberant en getuigt van enorm technisch kunnen. Uiteraard brengen ze hier ook de ‘galop infernal’ beter bekend als de cancan, een dans die zijn oorsprong vindt in deze operette en nadien een geheel eigen leven is gaan leiden.

De wat melige Franse humor die vooral de dialogen de toegevoegde waarde van een reclameblok kan geven, zijn hier sterk ingekort en gemoderniseerd. Om spreken in het Frans, voor de internationale cast een struikelblok, te vermijden, komen alle teksten in het Duits gesproken voor rekening van een moderator, het personage John Styx, waarbij de bijbehorende personages playbacken. De acteur Max Hopp verzorgt daarnaast ook allerhande toneelgeluiden zoals de trippelende pasjes van Orpheus en de libidineuze verzuchtingen van Euridice, Pluton en Jupiter. In zijn perfectie doet Hopp meermalen aan Victor Borge denken. Styx is zo nu en dan in split screen te zien om het komische aspect van zijn rol nog eens uit te lichten.

Orpheus is bij Offenbach feitelijk een bijrol. Als hij op de Olympus – tegen zijn zin – zijn verhaal komt doen zingt hij Glucks’ ‘J’ai perdu mon Euridice’ waarop alle aanwezige godinnen onmiddellijk invallen met het vervolg.

Euridice daarentegen is nadrukkelijk aanwezig ‘op aarde’ en in de onderwereld. Alleen in de scène op de Olympus ontbreekt ze, opgesloten in Plutons harem, voor haar een reden om snel op zoek te gaan naar een andere minnaar, die zich zoals gezegd aandient in de persoon van oppergod Jupiter.

Marcel Beekman excelleert als manipulerende Pluton, zeer geslaagd optreden van deze veelzijdige karakter tenor. Joel Prieto is een leuke Orphée die behalve zingen vooral zogenaamd viool moet spelen, tot afgrijzen van Euridice die het een straf vindt om dit te moeten aanhoren. Anne Sofie von Otter geeft gestalte aan ‘De publieke opinie’ die Orphée overal op de voet volgt. De regie zet haar neer als type protestantse domineesvrouw, uit Zweden, leuk gevonden.

Martin Winkler steelt bij wijlen de show als Jupiter, vooral in de scène dat hij als vlieg in Euridice’s kamer binnendringt en bijna door haar wordt overweldigd. Zozeer heeft Pluton haar al die tijd verwaarloosd, any man will do, even a big fly with golden wings. Euridice wordt vertolkt door de coloratuursopraan Kathryn Lewek die de rol werkelijk alles geeft wat ze eruit kan halen. Kosky komt met een sterk ‘seksualisierte’ bewerking van een op zich al vrij losbollige operette en de dik opgelegde erotiek komt vooral voor rekening van de prima donna. Lewek weet daar goed raad mee en heeft er duidelijk lol in.

De Wiener Philharmoniker kan men natuurlijk alles laten spelen, dus ook de muzikale ondersteuning van een theaterstuk waarin voortdurend de hel losbreekt. Onder leiding van Enrique Mazzola kwijt het orkest zich prima van deze taak, ongetwijfeld zo nu en dan met een glimlach. Vanuit de bak wordt overigens door Rainer Honeck een prima vioolsolo ten gehore gebracht die echter door Euridice niet op zijn artistieke waarde wordt ingeschat. Ze pakt Orpheus zijn viool af en slaat hem op de rand van haar bed in stukken. Gelukkig heeft hij er nog een stuk of dertig in de klerenkast liggen.

Fotomateriaal: Monika Rittershaus © Salzburger Festspiele

 

 

John Daszak excelleert als Aschenbach in Venetië

Tekst: Peter Franken

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/61V5k%2B7bbVL._SL1200_.jpg

Naxos heeft de productie die Willy Decker in 2014 van Death in Venice maakte voor Teatro Real uitgebracht op dvd en BluRay. John Daszak schittert in de rol van Gustav von Aschenbach en krijgt geweldig tegenspel van Leigh Melrose als zijn nemesis.

Death in Venice uit 1973 is Brittens laatste opera. Hij baseerde dit werk op de novelle Der Tod in Venedig van Thomas Mann, naar eigen zeggen dus nadrukkelijk niet op Visconti’s film Death in Venice uit 1971. Kort geleden heb ik mij nog eens door die novelle geworsteld, Mann leest niet echt gemakkelijk weg in het Duits, en heb kunnen vaststellen dat de opera zeer dicht bij het originele verhaal blijft.

Aschenbach is in zijn leven op een dood spoor geraakt, hij kan niet meer vertrouwen op zijn talent altijd te kunnen schrijven wat hij wil en als hij dat wil. Een toevallige ontmoeting met een vreemdeling, vermoedelijk iemand op reis, brengt hem ertoe naar Venetië te gaan, daar waar hij zich in het verleden altijd zo goed voelde. In de novelle vindt die ontmoeting plaats bij een kerkhof, een duidelijke voorbode van wat komen gaat. Het zal Aschenbachs laatste reis worden.

De vreemde gondelier die hem in zijn zwarte boot tegen zijn zin over de lagune helemaal naar het Lido voert, vertegenwoordig de veerman die hem naar het dodenrijk zal brengen. De gondel als drijvende doodskist. Zo ver is het nog niet maar in de laatste scène zien we de gondelier terug als schim, waarna Aschenbach sterft.

Bariton Leigh Melrose is onnavolgbaar als steeds weer een nieuw personage dat Aschenbach zijn wil weet op te leggen. Behalve de reiziger en de gondelier zijn dat onder meer de hotel barbier, de aanvoerder van de troupe kommedianten en de god Dionysos waarvan overigens alleen de stem wordt gehoord.

Willy Deckers enscenering weet volledig recht te doen aan het libretto van Myfanwy Piper, vooral dankzij de inbreng van Wolfgang Gussmann die tekende voor de ingenieuze decors en de schitterende periode kostuums, het laatste samen met Susanna Mendoza. Het geheel roept een getrouw beeld op van een welgesteld internationaal gezelschap een paar jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De belichting van Hans Toelstede completeert het fraai ogende toneelbeeld.

Daszak is vrijwel onherkenbaar met een zwarte pruik en baard, en gaat geheel op in zijn wat stijve oudere personage dat tegen zijn wil verliefd wordt op een jongen, gewoon omdat hij zo mooi is. Na zich aanvankelijk daartegen verzet te hebben geeft hij toe, zijn Dionysische kant wint het van de Apollinische. Zodoende blijft hij in Venetië, ook al wordt hem dringend geadviseerd de door een cholera epidemie getroffen stad te verlaten voordat er een lock down in werking treedt. Het is allemaal verrassend actueel.

De partituur blinkt niet uit in lyriek en de orkestbegeleiding is sober. Daszak zingt vooral declamatorische recitatieven die zich nauwelijks onderscheiden van de stukken die aria’s genoemd kunnen worden. Dat maakt het des te belangrijker nauwlettend de tekst te volgen en de opname biedt daartoe ondertitels in verschillende talen. De Engelse tekst meelezen werkt natuurlijk het beste. Melrose put zich uit in overdreven acteerwerk en Sprechgesang, wat eenvoudiger allemaal maar sterk bepalend voor de sfeer.

De zevende scène getiteld ‘the voice of Apollo’ biedt ruim baan aan Tadzio en een danser die voor Aschenbach dubbelt terwijl deze dommelt in een leunstoel. Tadzio verschijnt zoals Aschenbach van hem droomt, volledig naakt. Decker laat er geen twijfel over bestaan hoe de vork in de steel zit. Tadzio’s vrienden vormen een grote groep, ook allemaal dansers, die nogal ruw met de teergebouwde jongen omspringen. Omdat dit aspect kennelijk al duidelijk genoeg is getoond, laat Decker ‘Prügel scène’ waarin Jaschiu zijn vriend Tadzio onnodig grof behandelt na een stoeipartijtje gewoon weg aan het einde. In plaats daarvan zien we de oude Aschenbach, bijna als een clown geschminkt door de barbier om hem jong te doen lijken, in een ligstoel naar de horizon kijken totdat de gondelier hem komt halen om de Styx over te steken.

Over de gehele linie is deze productie goed bezet, het is absoluut top wat Decker en zijn team, waaronder ook dramaturg Klaus Bertisch, van dit werk hebben weten te maken. Een absolute aanrader.

Death in Venice: een autobiografisch testament?

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 3: Death in Venice

Ermonela Jaho blaast Eyre’s Traviata nieuw leven in

Tekst: Peter Franken

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/61XGFpPpwlL._SL1200_.jpg

Opus Arte heeft recent een opname uitgebracht van La Traviata met Ermonela Jaho in de titelrol. Het betreft de productie die Richard Eyre in 1994 maakte voor de Royal Opera. Jaho overtuigt en Domingo als papa Germont maakt het allemaal extra de moeite waard.

Het voordeel van een klassiek kostuumdrama in een relatief eenvoudig decor is natuurlijk dat deze een lange levensduur gegund kan zijn zonder al teveel opslagkosten. Heel wat anders dan geldverslindende producties met high tech decors die hooguit tien voorstellingen overleven. Zelfs een reprise komt er dan vaak niet van omdat men de decors nergens kwijt kon. Nu er over de hele linie bezuinigd zal moeten worden in de nabije toekomst, is die vorm van kapitaalvernietiging zo goed als passé. Een productie als die van Eyre laat zien dat er een uitstekend alternatief bestaat.

Een salon met rood pluche, een ronde zitbank, gasten in avondkleding, Violetta in een witte jurk, eenvoudig en doeltreffend allemaal. Jaho is geknipt voor deze rol, ze oogt als een neurastenisch archetype en hoeft zodoende nauwelijks te acteren. Haar ‘è strano’ brengt ze als een levensechte monologue intérieur om vervolgens met ‘sempre libera’ soepel over te schakelen naar haar publieke personage.

In de tweede akte zitten we in een eenvoudige huiskamer, duidelijk op het platteland. Prachtig is de scène waarin Domingo als papa Germont het pleit zo goed als gewonnen heeft en Violetta op het punt staat te berusten. Zij lijkt te breken en hij pakt een zakdoek om een traan weg te pinken. Beiden doen iets dat ze niet willen, gewoon omdat ‘de buren’ dat van hen eisen. Domingo is prima op dreef tijdens de avond waarop deze opname werd gemaakt, overigens ook live te zien in de bioscoop vorig jaar. Natuurlijk heeft hij ook de juiste leeftijd voor deze rol, wat hem een prima typecast maakt.

In het tweede deel van de akte is Jaho al nauwelijks meer dan een hoopje ellende, de overstap naar haar doodstrijd in akte 3 heb ik zelden kleiner gezien. Een met bloed bevlekt kussen in haar bed laat niets aan de verbeelding over. Jaho zingt als een gewond dier tijdens haar laatste levensuren, echt belcanto is het beslist niet overal, maar het effect is zeer overtuigend. Als je bij het bekijken van je zoveelste Traviata toch weer ontroerd wordt, dan is dat een goed teken. Natuurlijk is Jaho zeer bedreven in dit soort scènes, getuige ook de keren dat ik haar meemaakte als Cio Cio San en Suor Angelica.

Hieronder Ermonela Jaho zingt ‘Addio, del passato’:

Charles Castronovo biedt uitstekend weerwerk als Alfredo. De ontwikkeling van zijn personage is lang niet zo nadrukkelijk als van Violetta maar hij weet dat goed te compenseren met naturel acteerwerk en uitstekend verzorgde zang. Niet geheel toevallig was hij in 2019 winnaar van de Opera Award ‘Singer of the year’. Ik keek er naar uit hem in september bij DNO op het toneel te zien als Faust in Mefistofele maar dat gaat helaas niet door. Misschien ooit nog eens in een later seizoen.

Hieronder: Plácido Domingo en Charles Castronovo in ‘Di Provenza il mar, il suol’

Van de reeks uit 1994 is indertijd een dvd verschenen, naar verluidt op aandringen van Georg Solti die zijn nieuwe ontdekking Angela Gheorghiu onder de aandacht van een groot publiek wilde brengen. Nu dus Ermonela Jaho, de nieuwe ster van ROH. De naam van de dirigent is ditmaal iets minder aansprekend maar Antonello Manacorda levert met zijn orkest uitstekend werk af. (Opus Arte OA1292D)

Claus Guth houdt Rodelinda interessant

Tekst: Peter Franken

Rodelinda

 Als enige barokopera brengt DNO dit seizoen Rodelinda, een werk uit Händels middenperiode. Het vertoont alle kenmerken van diens oeuvre: meerdere aria’s voor alle solisten, veel herhalingen en zodoende een enorme lengte. Zonder een pakkende enscenering wordt het al gauw langdradig en op dat punt schiet regisseur Claus Guth de componist te hulp met alle middelen die hem ten dienste staan, waaronder fraaie kostuums en een uitgekiend decor, beiden van de hand van Christian Schmidt.

Rodelinda Guth

Claus Guth © Opera online

Het verhaal begint met de broedermoord van Bertarido op Gundeberto om zodoende koning der Longobarden te worden. Hij wordt echter verdreven door een van zijn vazallen, Grimoaldo, die daarbij hulp kreeg van Bertarido’s zuster Eduige. Bertarido heeft zijn toevlucht genomen tot het rijk der Hunnen en van daar komt een bericht dat hij is overleden.

rodelinda-dena-s_2020_119

©  Monika Rittershaus/DNO

Grimoaldo maakt vervolgens Bertarido’s weduwe Rodelinda het hof maar zij wijst hem af. Pas nadat de intrigant Garibaldo zogenaamd namens zijn meester dreigt haar zoon Flavio te zullen ombrengen stemt Rodelinda toe. Ze ontpopt zich echter als een horror bruid door van haar aanstaande te eisen dat hij eigenhandig haar zoontje wurgt als voorwaarde voor een huwelijk. Op die wijze verliest hij zijn eer en toont hij zich aan de wereld als een nietsontziende tiran.

Rodelinda speelt hoog spel maar ze gokt erop dat Grimoaldo teerhartiger is dan hij zich doet voorkomen. Het is echter moeilijk voorstelbaar dat Flavio dit doorziet. Inmiddels is de doodgewaande Bertarido terug van weggeweest en beginnen de verwikkelingen pas goed. Uiteindelijk valt er maar een enkele dode, de laaghartige Garibaldo. Verder is het eind goed, al goed. Behalve voor Flavio want die zit de rest van zijn leven bij de psychiater.

rodelinda-dena-s_2020_043

©  Monika Rittershaus/DNO

Guth heeft de rol van de jonge Flavio enorm opgewaardeerd. Gespeeld door de ‘vertically challenged’ acteur Fabián Augusto Gómez is hij vrijwel permanent op het toneel aanwezig met stil spel, fysiek reagerend op de gebeurtenissen, zich uitend in de vorm van tekeningen die her en der worden geprojecteerd. Bij de psychiater zal hij wel poppen aangereikt krijgen om scènes na te spelen, slechts een wonder krijgt dat kind nog aan het praten. Net als de gehele opera wordt Flavio’s optreden van verloop van tijd nogal herhalend, maar hij brengt wel leven in de brouwerij.

Rodelinda psych

©  Monika Rittershaus/DNO

Gespeeld werd in een opengewerkte villa op een draaitoneel. De slaapkamer van Rodelinda bleek bij voortduring een belangrijke bestemming en ensemblescènes speelden zich veelal af in de eetkamer. Bij wijlen deed dit denken aan het disfunctionerende gezelschap uit Luis Buñuel’s Le charme discret de la bourgeoisie. Het meest pakkende moment kwam toen Rodelinda haar absurde eis op tafel legde en haar aanstaande toevoegde: ‘als jij mijn man bent en ik jouw vrouw, dan trouw ik met de wraak en jij met de dood’. Tegelijkertijd zorgde haar aria voor enig comic relief door de wijze waarop ze haar tegenstanders te lijf ging met delen van een eigenhandig in stukken gescheurde kreeft.

Rodelinda - De Nationale Opera © Monika Rittershaus_2020_002

©  Monika Rittershaus/DNO

Tot mijn grote opluchting bleek Händel de rol van Grimoaldo te hebben geschreven voor tenor. Ook de slechterik Garibaldo is een echte man, een volwaardige rol voor bas met meerdere aria’s. Zodoende waren er slechts twee countertenoren in de cast, Bertarido en zijn helper Unulfo. De Zwitserse tenor Bernard Richter zette zowel in zijn spel als zang een goed verzorgde Grimoaldo neer. Van meet af aan weet hij door zijn gedrag twijfels te wekken of hij wel erg geschikt is voor een leven als tiran, en hij eindigt dan ook met een verzuchting dat hij maar liever een herder was geweest. Uiteraard is dat ook weer een lange aria.

De Italiaanse bas Luca Tittoto gaf fraai gestalte aan de gewetenloze Garibaldo, mooi gezongen en met verholen humor geacteerd. De Amerikaanse counter Lawrence Zazzo nam Unolfo voor zijn rekening en wist deze bijfiguur redelijk onder de aandacht te brengen.

De grote ster was natuurlijk Bejun Mehta als Bertarido. Zijn personage is een schwankend type waar je als toeschouwer maar weinig sympathie voor kan opbrengen. Dat maakt het voor zijn vertolker extra lastig maar Mehta wist die hindernis prima te overwinnen. Ik ben niet gek op dit stemtype maar als alle countertenoren zouden zingen als Bejun Mehta ligt er in de toekomst wellicht een herwaardering in het verschiet.

rodelinda-dena-s_2020_050

©  Monika Rittershaus/DNO

De rol van Rodelinda’s schoonzus Eduige werd uitstekend vertolkt door de Servische mezzo Katarina Bradić. Aanvankelijk klonk ze wat dunnetjes maar dat werd allengs beter. Acterend was ze zeer overtuigend, duidelijk de bitch van dienst.

Rodelinda Flavio

©  Monika Rittershaus/DNO

Daar kon Rodelinda niet gemakkelijk tegenop zoals in het ‘zwarte zwaan tegen witte zwaan duet’ duidelijk werd. Maar allengs wist de arme weduwe zich op te werken tot bovenliggende partij. De Britse sopraan Lucy Crowe bleek een uitstekende keuze voor de titelheldin. Bij aanvang meende ik een heel lichte rasp in haar stem te bespeuren, denk aan Hildegard Behrens maar dan veel minder, die echter spoedig verdween. Kennelijk een stem om eerst even mee vertrouwd te raken.

rodelinda-dena-s_2020_074

©  Monika Rittershaus/DNO

In dit werk beperkt het orkest zich hoofdzakelijk tot bijna onopvallend begeleiden, pas tegen het einde mogen de blazers zich eens even uitleven, en in die situatie is een pitband als Concerto Köln natuurlijk een uitgesproken luxe bezetting. De algehele muzikale leiding was in handen van Riccardo Minasi.

Al met al een goede voorstelling van een werk waar wel een uurtje in geknipt had mogen worden. Na afloop mocht ik die constatering zelfs van verklaarde Händel adepten vernemen. De lengte is voor mij als ervaren Wagneriaan geen probleem, wel het gemis aan variatie. Maar uiteraard is dat een persoonlijke voorkeur.

Trailer van de productie:

Boeiende Akhnaten in de serie Live from the Met

Tekst: Peter Franken

akhnaten3

© Karen Almond / Met Opera

In 2016 ging bij ENO een nieuwe productie van Akhnaten in première in een enscenering van Phelim McDermott, die na enige omzwervingen in 2019 de Metropolitan Opera wist te bereiken en recent in de bioscoop te zien was in de serie Live from The Met.

Akhnaten is Glass’ derde opera na Einstein on the beach en Satyagraha. Met dit werk is Glass  geëvolueerd tot postminimalist. Harmonie en melodie spelen in vergelijking met die eerdere werken een grotere rol, wat Akhnaten een meer herkenbaar operakarakter geeft. Daar komt bij dat hij een compleet symfonisch orkest gebruikt – weliswaar zonder violen, maar wel met alle andere strijkers – waardoor een vol klinkende begeleiding mogelijk wordt.

Akhnaten is gebaseerd op een historische figuur, de Egyptische farao die beter bekend is onder de naam Echnaton. Van deze heerser bestond tot voor kort een betrekkelijk romantisch beeld. Hij zou een utopist zijn geweest die in de veertiende eeuw voor onze jaartelling een geheel nieuw begin had proberen te maken op politiek, cultureel, maatschappelijk en religieus gebied. Echnaton verplaatste de hoofdstad van Thebe (aan de Nijl) naar een enige honderden kilometers noordelijk daarvan gelegen plek (nabij het huidige Minia) waar in korte tijd een compleet nieuwe stad uit de grond werd gestampt.

De overblijfselen van dit Tell el Amarna spreken zeer tot de verbeelding, maar zijn objectief gezien een bezoek nauwelijks waard. Echnatons opvolgers hebben er alles aan gedaan om zijn herinnering uit te wissen.

Glass schreef zijn opera in een tijd dat dit romantische beeld nog opgeld deed. Vandaag de dag ziet men Echnaton meer als een farao die een politieke strijd voerde met de heersende priesterklasse rond de god Amon. Door daar de zonnegod Aton tegenover te stellen probeerde hij dit blok aan zijn politieke been kwijt te raken. Neveneffect was het begin van een cultus rond Aton, die later op last van de farao tot de enig ware god geproclameerd werd. Hiermee deed religieuze onderdrukking vermoedelijk voor het eerst in de geschiedenis van de mens zijn intrede.

Akhnaten-foto-Karen-Almond-Met-Opera-768x580

© Karen Almond / Met Opera

Akhnaten laat de regeerperiode van Echnaton zien in een aantal losse scènes, beginnend met de begrafenis van zijn voorganger Amenhotep III. In een volgende scène kondigt de nieuwe farao in aanwezigheid van zijn vrouw, de beroemde Nefertiti, en zijn moeder Tye het begin van een nieuw tijdperk aan. Vervolgens wordt de sluiting van de tempel van Amon uitgebeeld en daarna de inhuldiging van de nieuwe stad. We maken een sprongetje in de tijd (de totale regeerperiode van Echnaton bedroeg slechts zeventien jaar) en zien de koninklijke familie in isolement, vervreemd van de onderdanen. Na een opstand wordt de farao gedood en zijn familie verdreven.

Om de gang van zaken een beetje begrijpelijk te maken, is het personage Amenhotep als verteller ingezet. Deze draagt in het Engels teksten voor die zijn ontleend aan originele documenten uit de betreffende periode. Voor het overige gebruikt het werk de oude talen Egyptisch, Akkadisch en bijbels-Hebreeuws.

akhnaten-break-1600x685_

© Karen Almond / Met Opera

McDermott’s productie bleek een groot opgezet geheel met talloze figuranten waaronder een twaalftal jongleurs die eindeloos met ballen in de weer waren. Alleen in de tweede akte hadden ze een functie in de handeling toen ze jonglerend met kegels als het ware betrokken werden bij de implementatie van Akhnatens revolutie. Zeer veel aandacht voor de kostuums, veel Egyptische accenten zonder in etnografische flauwekul te belanden.

Counter tenor Anthony Roth Costanzo gaf een prachtige vertolking van de gedoemde Akhnaten, de farao die door zijn opvolgers als het ware uit de geschiedenis is gewist maar via een omweg middels de ontdekking van het graf van zijn zoon Toetanchamon een revival beleefde. Zijn belangrijkste moment kwam in de vierde scène van de tweede akte, waar hij de hymne aan de god Aton ten gehore bracht. Anders dan de overige zangteksten was de taal hier die van het publiek: Engels. Deze originele tekst van Echnaton is het kernpunt van de gehele geschiedenis en het hoogtepunt van de opera.

Akhnateng-jnai-bridges-slide-5PND-mobileMasterAt3x

In her dressing room at the Metropolitan Opera, the mezzo-soprano J’Nai Bridges adds the finishing touch to her first costume for her role as Nefertiti in Philip Glass’s 1983 opera “Akhnaten.”Credit…Matthew Novak

Zijn vrouw, de beroemde Nefertiti, was in handen van J’Nai Bridges. Feitelijk komen alleen de farao en de verteller solo aan het woord, de rest zingt in kleine koortjes. Individuele prestaties zijn daardoor lastig te beoordelen.

Akhnaten James

© Karen Almond / Met Opera

Het personage Amenhotep kwam voor rekening van de acteur Zachary James, een boomlange man die behalve opera ook de spreekrol van Lurch in The Adams Family op zijn cv heeft staan. Na de moord op zijn zoon nam hij diens lichaam in zijn armen bij het uitspreken van zijn afsluitende tekst, een mooi moment.

De muzikale leiding was in de zekere handen van Karen Kamensek, een Glass specialist.

Die Walküre is een tijdloos monument voor Audi

Tekst: Peter Franken

De Nationale Opera herhaalt voor de laatste keer Pierre Audi’s bijna legendarische productie van Die Walküre. Voor een uitverkocht huis vierde de voorstelling zaterdag zijn première. Jubel alom voor de sterke cast, het NedPho o.l.v. Marc Albrecht en de zeer bijzondere enscenering.

diewalkure-den-thwalz0087

Foto: Copyright (c) DNO 2019

Deze Walküre ging oorspronkelijk in het seizoen 1997-98 in première en wel op 31 januari. Hierna was de productie nog in vijf volgende seizoenen te zien. Nu gaat Die Walküre voor de zevende en tevens allerlaatste keer. De decors worden na afloop van de geheel uitverkochte reeks vernietigd. Bijna 22 jaar is een lange levensduur maar eigenlijk kan Audi’s meesterstuk nog jaren mee. Niet alleen dat, Wagner trekt bijna als enige componist volle zalen in Amsterdam. Tannhäuser was vorig seizoen ook gewoon uitverkocht, dat lukt zelfs niet met Cav-Pal.

Ik heb al heel wat verschillende Ringproducties gezien en zodoende ook de nodige Walküres. De enige die een beetje in de buurt komt van het werk van Audi en decorontwerper George Tsypin is die uit de Karajan Ring voor Salzburg in 1967. Een reconstructie ervan is in 2017 uitgebracht op BluRay en daarop is een halfrond toneel met een brede catwalk te zien dat wellicht als inspiratiebron heeft gediend. Verder is ook die enscenering ontdaan van elke maatschappelijke of politieke connotatie waardoor het er allesbehalve gedateerd uitziet.

diewalkure-den-thwalz0028

Foto: Copyright (c) DNO 2019

De volstrekt tijdloze Audi Ring, en dus specifiek ook Die Walküre, zou wellicht ook vijftig jaar na dato gereconstrueerd kunnen worden, in 2048. Zal ik wel niet meer meemaken.

De opera wordt gebracht als Wagners werk ontdaan van etnografische flauwekul en onnodige rekwisieten. Het mythische verhaal is in alle opzichten leidend, van een eigen interpretatie is geen sprake en dat maakt het zo verfrissend na bijvoorbeeld een wangedrocht als dat van Frank Castorf in Bayreuth doorstaan te hebben.

Marc Albrecht gaf uitstekend leiding aan zijn orkest en een topcast. Het was voor het eerst dat er bij Die Walküre een andere dirigent voor het NedPho stond nadat Hartmut Haenchen alle voorgaande voorstellingen voor zijn rekening had genomen. Weliswaar geen Ring voor Albrecht maar tenminste nog een Walküre voor hij vertrekt. Hij had er duidelijk plezier in, het was dan ook een topavond.

DIE WALKÜRE

Foto: Copyright (c) DNO 2019

De acht Walküren die de derde akte zo prachtig komen opluisteren weerden zich voortreffelijk. Een mooi ensemble, prima samenspel en met schijnbaar gemak gezongen.

diewalkure-den-thwalz0002

Foto: Copyright (c) DNO 2019

Stephen Milling zette een zeer opvallende Hunding neer. Ditmaal geen barse overheersende potentaat maar een man die zijn ongenode gast met superieure arrogantie tegemoet treedt. Hij intimideert niet maar kleineert. In het vervolg laat hij duidelijk blijken de ‘moral highground’ te bezetten, immers hij respecteert het gastrecht terwijl hij die ongewapende man ook gelijk om had kunnen leggen. Ik vond het moeilijk deze keer partij tegen Hunding te kiezen, meestal bijna een automatisme. Milling zong een enkele passage fluisterend, ja, een Hunding die fluistert! Uiteraard gaf hij op andere momenten zijn stem veel volume, maar alles perfect gedoseerd. Met zijn verzorgde mimiek en prachtige bas presenteerde Milling zich als de ideale bad guy in de handeling.

diewalkure-den-hwalz0033

Foto: Copyright (c) DNO 2019

Ook een beetje een bad ‘guy’ is Fricka die alles voor Wotan verstehrt. Okka von der Damerau pakte haar gemaal op overtuigende wijze aan, toen ze met hem klaar was had hij meer weg van een leeggelopen ballon dan van een oppergod. ‘Nur eines will ich noch, das Ende’ zal hij kort daarna verzuchten als hij in conclaaf is met Brünnhilde. Von der Damerau gaf een fraaie interpretatie van de verwaarloosde vrouw die zogenaamd opkomt voor een hoger doel maar feitelijk haar man gewoon een hak wil zetten: ‘Wider deine Kraft führt’ ich wohl Krieg, doch Siegmund verfiel mir als Knecht!‘ Een zoon verwekken bij een mens, dat was voor Fricka de limit. Siegmund moet sterven om haar eer te wreken. Prachtig gezongen hoewel iets meer variatie in het stemvolume op zijn plaats was geweest.

diewalkure-den-thwalz0095

Foto: Copyright (c) DNO 2019

De Siegmund van Michael König was een aangename verrassing. König heeft een grote staat van dienst met onder meer de titelrol in Tannhäuser en Lohengrin. Hij zong Siegmund al eens eerder in Toulouse. Tegen het einde van de eerste akte moest hij een beetje gaan doseren om het einde ongeschonden te halen maar over het geheel genomen leverde hij een mooie prestatie. Goed gezongen en prima geacteerd.

diewalkure-den-hwalz0060
Foto: Copyright (c) DNO 2019

Ian Paterson had eveneens wat kleine stemproblemen. Tegen het einde van de derde akte had hij te kampen met een lichte schorheid maar daar wist hij soepel doorheen te zingen. Paterson is inmiddels een ervaren Wotan die met zijn personage kan lezen en schrijven. Een uitstekende keuze voor deze cast. Jammer dat hij bij de laatste herneming van de complete Ring in 2014 nog niet zo ver was.

DIE WALKÜRE
Foto: Copyright (c) DNO 2019

Martina Serafin debuteerde in de titelrol. Met Die Walküre wordt immers Brünnhilde bedoeld? Op mij maakte ze geen enkel moment de indruk deze veeleisende rol voor het eerst te zingen. Het is zoals Paterson in een interview opmerkte: ‘je repeteert niet tot je het goed doet, je repeteert net zo lang tot je het niet meer fout kunt doen.’ En dat traject had Serafin duidelijk doorlopen. De lastige opkomst met de hojotoho’s doorstond ze met speels gemak en daarna leek alles vanzelf te gaan. Heel mooi haar samenspel met vader Wotan die ondanks haar smeken en pleiten haar uiteindelijk toch verstoot. In Götterdämmerung zal ze het hem betaald zetten!

diewalkure-Eva

Foto: Copyright (c) DNO 2019

Natuurlijk ging de meeste aandacht uit naar de Sieglinde van homegirl Eva-Maria Westbroek. Sieglinde kwam eindelijk thuis na haar glansrol over de hele wereld te hebben gezongen. En het was het wachten waard geweest, zo bleek direct. Westbroek deed exact wat we van haar verwachtten, ze gaf ons een ideale Sieglinde. In die rol zit zoveel, het is nauwelijks bij te houden. Sieglinde is de archetypische gekochte bruid, na haar huwelijk een stuk huisraad, opgesloten in haar eigen woonomgeving. Verweesd en verhandeld, en dan plotseling ligt er iemand bij de haard die iets in haar oproept, herkenning? In elk geval de vage hoop dat ze met hem een middel in handen heeft van Hunding los te komen.

Na een kort moment van extatisch geluk slaat de schaamte en vertwijfeling toe. De dood lonkt maar moet het afleggen tegen de vreugde van een zwangerschap. Siegmund leeft in haar voort. Deze rollercoaster moet zowel zingend als acterend over het voetlicht worden gebracht en Westbroek slaagde daar buitengewoon in. Sieglinde lijkt haar lijfstuk te zijn geworden en we mogen ons gelukkig prijzen haar in deze rol in eigen land te kunnen beleven.

Al met al een geweldige Wagneravond, en dat zo kort na die fantastische Tannhäuser. Gaan we de rij af dan voorspel ik dat hierna Der fliegende Holländer wel eens aan de beurt zou kunnen komen.

Wagner: Die Walküre
Michael König (Siegmund), Stephen Milling (Hunding), Iain Paterson (Wotan), Eva-Maria Westbroek (Sieglinde), Martina Serafin (Brünnhilde), Okka von der Damerau (Fricka), Dorothea Herbert (Gerhilde), An de Ridder (Ortlinde), Kai Rüütel (Waltraute), Julia Faylenbogen (Schwertleite), Christiane Kohl (Helmwige), Bettina Ranch (Siegrune), Eva Kroon (Grimgerde), Iris van Wijnen (Rossweise)
Nederlands Philharmonisch Orkest
Dirigent: Marc Albrecht
Regie: Pierre Audi

Gezien: 16 november 2019

Foto’s: © Ruth Walz/DNO

 www.operaballet.nl

Eva-Maria Westbroek en haar Sieglinde’s

Over drie vrij nieuwe ‘Ringen’ en een Walküre uit de archieven

 

Opera Odessa brengt klassieke Trovatore

Tekst: Peter Franken

 

SAG_2998-1

Inmiddels geen nieuwkomer meer op de Nederlandse podia, Opera Odessa. Na korte tournees met Turandot, Pique Dame en Madame Butterfly treedt het gezelschap dezer dagen op in Nederland met een klassiek vormgegeven productie van Il Trovatore.

Il trovatore is in muzikaal opzicht een van Verdi’s populairste werken maar op het toneel wil het werk wel eens wat ongeloofwaardig overkomen. Ik ben een verklaard tegenstander van opera in concertvorm maar ben bijna geneigd voor dit werk een uitzondering te maken. Gewoon het verhaal volgen betekent onwaarschijnlijke wendingen zonder commentaar voor lief nemen.

In dat opzicht is Il trovatore toch wel een vreemde eend in de bijt als we kijken naar Verdi’s werken uit de periode 1849 – 1853. Hij schreef daarin vijf opera’s in evenzo vele jaren: Luisa Miller, Stiffelio, Rigoletto, Il trovatore en La traviata. Zowel muzikaal als inhoudelijk zie ik Il trovatore in deze reeks als een stap terug, een rommelig libretto dat nauwelijks enige betrokkenheid bij de bordkartonnen personages weet te genereren en daar overheen vooral spectaculaire muziek die naar mijn smaak te veel op effectbejag is gericht.

Een team onder leiding van regisseur Thilo Reinhardt brengt het werk in een naturalistische setting waarbij omwille van de eenvoud het verschil tussen binnen- en buitenruimte zo min mogelijk wordt benadrukt. Soldaten zijn voorzien van uniformen, degens en kurassen. Zigeuners lopen in kleurrijke kledij, slapende mannen maken snurkende geluiden. In het zigeunerkoor ‘Chi del gitano i giorni abbella’ waarin ze blèren dat er altijd troost is in de vorm van een zigeunerinnetje zijn het twee vrouwen die een zwaard smeden op een heus aambeeld terwijl de mannen hun ochtendkater aan het verwerken zijn. Na elke scène gaat het doek even dicht voor een decorwisseling, bewerkelijk doordat er relatief veel rekwisieten worden gebruikt.

In de kleinere rollen viel de bijdrage van Kateryna Lian op. Zij zette een mooie Ines neer, de vertrouweling van Leonora. Ook de Ferrando van Viktor Schevchenko kwam goed uit de verf. Zijn grote aria ‘Di due figli vivea padre beato’ waarin hij de voorgeschiedenis van het verhaal samenvat, werd met veel overtuiging gebracht, zozeer dat zijn mannen zich vervolgens schrik lieten aanjagen door een onverwacht geluid.

SAG_3298

Roman Strachov nam de rol van de spreekwoordelijke bariton voor zijn rekening die tussen de tenor en de sopraan in staat. Zijn Conte di Luna is een personage dat afwisselend ten prooi valt aan jaloezie, woede, wraakgevoelens en verbittering. Luna is geen moment gelukkig en dat liet Strachov zowel zingend als acterend redelijk tot uiting komen.

De lage mezzo Tatiana Spasskaya wist overtuigend in de huid te kruipen van de zigeunerin Azucena. Stimmlich kon ze me aanvankelijk niet erg bekoren. Haar grote vertelling ‘Condotta ell’era in ceppi’ klonk erg ongepolijst. In haar latere bijdragen was Spasskaya veel prettiger om naar te luisteren. Haar bereik bleek groot genoeg om ook de hoogste passages aan te kunnen en acterend stal ze de show. Ondanks haar onwaarschijnlijke verleden (wie gooit nu zijn eigen kind per abuis in het vuur?) wist ze zich te presenteren als het meest geloofwaardige personage.

Leonora was toevertrouwd aan Julia Tereshuk. Vocaal kan ze de rol prima aan maar toch vertoonde ze onnodig veel risicomijdend gedrag, met name bij het attaqueren van sommige hoge passages. Daarbij zette ze een keel op, om vervolgens in een volgende, vergelijkbare passage, mezzo forte te zingen. En bij de hoogste noten koos ze wat erg snel voor een lager alternatief. Verder niets dan lof voor deze Julia, ze was van begin tot einde een vast baken in deze roller coaster met als hoogtepunt een fraaie vertolking van Leonora’s topnummer ‘D’amor sull’ali rosee’.

Eduard Martyniuk nam de titelrol voor zijn rekening. Manrico heeft de bravoure van een man die in ‘alles’ uitblinkt, van minstreel tot vechtersbaas. Logisch dat Leonora voor hèm valt en niet voor zijn veel saaiere broer. Martinyuk wist dit vrij aardig over het voetlicht te brengen, al nam hij opvallend weinig risico in de lastige passages. Hij ging zoals verwacht direct los in ‘Di quella pira’ maar bleef bewust hangen onder de hoge C. Goede tenor maar niet de ster van de show.

SAG_3107

Il trovatore speelt zich af tijdens een burgeroorlog en Reinhardt laat dat zien zonder die context tot de kern van het stuk te verheffen. We zien een groepje nonnen die gewonden mannen verplegen en de suggestie wordt gewekt dat op de achtergrond een operatie wordt uitgevoerd. Gevechtshandelingen, plundering en wangedrag blijven buiten beeld. Des te meer valt de vrij expliciete suggestie van marteling op die Azucena ten deel valt als ze door Luna’s mannen is gevangen genomen.

Al met al is deze productie een vrij goed gelukte poging om dit rommelige werk dat het vooral van de muziek moet hebben librettogetrouw ten tonele te voeren. Dat op zich is een compliment waard. Ik kijk uit naar de volgende bijdrage van dit sympathiek gezelschap uit de fraaie stad Odessa, met zijn prachtige theater.

Bezocht op 14 oktober 2019

IL TROVATORE. Discografie

Il trovatore van Dmitri Tcherniakov, naar de opera van Verdi

IL TROVATORE in Amsterdam 2015

‘O tu, Palermo, terra adorata, De’ miei verdi anni – riso d’amor’. Ter nagedachtenis van Marcello Giordani