Peter Franken

De ‘Ausgrabungen van Kirsten Harms’: Marie Victoire in 2009

Tekst: Peter Franken


Kirsten Harms, Intendantin der Deutschen Oper Berlin 2004–2011, Foto: Bernd Uhlig

In de tijd dat Kirsten Harms intendant was van de Deutsche Oper Berlin stond er een kleine reeks ‘revolutie-opera’s’ op het programma te weten Andrea Chénier, Les dialogues des  Carmélites, Germania en Marie Victoire. De laatste twee worden gerekend tot Harms’ Ausgrabungen van vergeten werken.


                            Respighi: Foto: picture-alliance © Costa/Leemag

Marie Victoire van Ottorino Respighi (1879-1936) is een echte rariteit. Het werd gecomponeerd in de periode 1912-1914 maar beleefde pas op 27 januari 2004 in Rome zijn première. Het libretto van Edmond Guirod past helemaal in de reeks opera’s die de Franse Revolutie als achtergrond hebben zoals Chénier en Dialogues.

 De opera begint in 1793, vier jaar na het begin van de revolutie. Graaf Maurice de Lanjallay en zijn vrouw Marie wonen nog steeds in hun landhuis en zijn min of meer gevrijwaard gebleven van de gevolgen van de revolutie. Als Maurice elders verblijft om zijn vader bij te staan, wordt Marie gearresteerd, samen met de Chevalier Cloriviere, een jeugdvriend van het echtpaar Lanjallay. Zij worden ter dood veroordeeld door een revolutionair tribunaal. De nacht voor de executie bezwijkt Marie voor de avances van Cloriviere: echtelijke trouw lijkt plotseling zo futiel nu ze de dood in de ogen kijkt. Maar uitgerekend dan wordt Robespierre gedood en de Terreur beëindigd. Marie behoudt haar leven maar maakt zichzelf verwijten: ze is nu een gevallen vrouw.


                   © Barbara Aumuller

Zes jaar later woont gravin Lanjallay in Parijs. Ze noemt zichzelf nu Marie Victoire, heeft een zoontje uit de liefdesnacht met Cloriviere en drijft een hoedenwinkel. Plotseling duikt Marie’s dood gewaande echtgenoot Maurice op. Kort daarna is een explosie te horen: Cloriviere heeft een aanslag op Napoleon gepleegd, die echter is mislukt. Hij wil zich verbergen in Marie’s winkel en treft daar Maurice die hem wegstuurt. Vervolgens geeft deze zichzelf aan bij de politie. Voor het gerecht probeert Marie haar man ertoe te bewegen zijn valse bekentenis in te trekken. Ook vertelt ze hem over haar misstap. Hij vergeeft haar maar houdt verder zijn mond. Dan staat Cloriviere op uit het publiek en bekent schuldig te zijn aan de aanslag op de Eerste Consul. Onder het zingen van Marie Antoinettes lievelingsliedje ‘Il pleut, il pleut, bergère’ schiet hij zichzelf door het hoofd.

De hoofdrollen werden in Berlijn vertolk door de Amerikaanse sopraan Takesha Meshé Kizart als Marie, bariton Markus Brück als Maurice en de tenor Germán Villar als Cloriviere.

                                                      Takesha Meshe Kizart . ©Barbara Aumuller

De muzikale leiding was in handen van Michail Jurowski.

Trailer van de productie:

Op CPO is een opname verschenen van deze productie uit 2009:


De ‘Ausgrabungen’ van Kirsten Harms: Germania in 2006

Tekst: Peter Franken

 

Deze opera van Alberto Franchetti (1860-1942) ging op 15 maart 1902 in La Scala in première. Het libretto is van Luigi Ilica, bekend van de tekstboeken voor Andrea Chénier en Tosca. Beide libretti waren oorspronkelijk voor Franchetti bestemd maar kwamen uiteindelijk bij zijn collega’s Giordano en Puccini terecht.

 

Franchetti was afkomstig uit een zeer welgestelde bankiersfamilie en kon zich permitteren het componeren louter als hobby te bedrijven. In 1888 huurde zijn vader voor hem het theater in Reggio Emilia af voor de première van zijn zoons eerste opera: Asrael. In 1892 volgde Cristoforo Colombo en tien jaar later Germania, waarbij Toscanini dirigeerde en Caruso zong. Het werk had aanvankelijk veel succes en werd in alle grote huizen gespeeld. Na een jaar of twintig raakte het echter op de achtergrond en werd vrijwel volledig vergeten.

Hieronder: Caruso zingt ‘Studenti! Udite’

De Duitse versie die in Berlijn werd vertoond paste uitstekend in het rijtje ‘Ausgrabungen’ door de toenmalige intendant van DOB, Kirsten Harms. De opera begint in 1806 in de omgeving van Neurenberg. Een groep studenten houdt de uitgever Johann Philipp Palm verborgen voor de politie. Deze is naar hem op zoek, in opdracht van de Franse bezettingsmacht. Hij heeft een geschrift verspreid waarin de vernedering van Duitsland aan de kaak wordt gesteld en de Fransen alsmede de Duitse vorsten die hen steunen, scherp worden aangevallen. In een subplot wordt Palm verraden door een jongen die later amnestie krijgt als hij zich bij de vrijheidsstrijders voegt.

De studenten zoeken naar mogelijkheden om het land in opstand tegen de bezetters te brengen. Hun aanvoerder Karl Worms wil de vreedzame weg bewandelen, zijn vriend en tegenstrever Friedrich Löwe is voorstander van een gewelddadige aanpak. Het gaat echter niet alleen om de pen tegen het zwaard.

Wat de verhouding tussen beide mannen compliceert is het feit dat Worms tijdens de afwezigheid van Löwe een verhouding heeft gehad met diens verloofde Ricke. Worms bezweert de vertwijfelde Ricke hierover te zwijgen. Als de strijd losbarst komt het bericht dat Worms is gesneuveld, tot kortstondige opluchting van Ricke die haar innerlijke rust terug hoopt te vinden. Maar op de huwelijksdag van Löwe en Ricke duikt Worms plotseling op, weliswaar zwaargewond maar nog in leven. Als hij ziet dat zijn geliefde is getrouwd met zijn rivaal, gaat hij er vandoor. Ook Ricke neemt de benen met achterlating van een brief waarin ze de affaire opbiecht en om vergeving vraagt.

Jaren later treffen we de protagonisten opnieuw, deze keer in Königsberg. Men maakt zich op voor de strijd om Duitsland te bevrijden van Napoleon. Worms leeft nog steeds en Löwe daagt hem uit voor een duel. Een vooraanstaand revolutionair weet hen ervan te overtuigen hun energie te richten op het grotere belang: de vrijheidstijd. Onder het uitroepen van ‘leve de dood’ gaat de hele groep op pad. Bij de daarop volgende Volkerenslag in Leipzig sneuvelt Worms. Löwe is stervende als Ricke hem op het slagveld terugvindt. Zij gaat bij hem liggen om alsnog een huwelijksnacht met haar echtgenoot te beleven.

Ik bezocht een voorstelling van deze opera tijdens de Revolutions Wochen in 2006, waarin  ook Andrea Chenier en Marie Victoire waren geprogrammeerd.

Bariton Bruno Caproni gaf een goede vertolking van Worms, zijn tegenpool en rivaal in de liefde Löwe was in goed handen bij de tenor Carlo Ventre, sterk optreden. Het meisje ‘tussen hun twee vuren’ werd vertolkt door de dramatische sopraan Lise Lindstrom, bij vlagen zeer ontroerend.

Renato Palumbo had de muzikale leiding.

Trailer van de productie:

Van de voorstelling is een opname uitgebracht op dvd (Cappricio 93518)


 

 

 

De ‘Ausgrabungen’ van Kirsten Harms: Cassandra in 2007

Tekst: Peter Franken

                                                                     Vittorio Gnecchi

Deze minder bekende opera is geschreven door Italiaanse componist Vittorio Gnecchi (1876 – 1954). Hij kwam uit een rijke familie en was daardoor financieel niet afhankelijk van zijn composities. Op 25 jarige leeftijd componeerde hij dit werk op een libretto van de befaamde Luigi Illica. De opera werd uitgegeven door Ricordi waarna op 5 december 1905 in het Teatro Communale di Bologna de première plaatsvond onder Arturo Toscanini. Gelet op al die klinkende namen en de daardoor gegenereerde aandacht zou het niet vreemd zijn geweest als Cassandra op zijn minst een plekje op het tweede plan binnen het repertoire had verworven. Het mocht echter niet zo zijn.

Bij gelegenheid van de première in Italië in 1906 van Strauss’ opera Salome gaf Gnecchi, waarschijnlijk uit bewondering voor zijn oudere succesvolle collega, hem een piano uittreksel van Cassandra. Toen een paar jaar later zowel Cassandra als Elektra op het programma stonden in Dresden constateerde men in het programmaboek ‘opmerkelijke overeenkomsten’ tussen beide werken. Het begint al met de zeer karakteristieke opening van Elektra (drie tonen waardoor verderop de tekst Aga-mem-non wordt gedragen) die vrijwel gelijk is aan de eerste maten van Cassandra. De status van Strauss, die van gevestigd, beroemd, bejubeld componist, gaf vervolgens een vreemde wending aan het geheel. De onbekende Gnecchi werd van plagiaat beschuldigd, waarbij gemakshalve werd vergeten dat diens opera al vier jaar eerder tot uitvoering was gebracht. Het is nooit meer goed gekomen met het werk en goed beschouwd ook niet met de componist.

Het is goed mogelijk dat het publiek eventuele overeenkomsten op muzikaal gebied heeft uitvergroot doordat de onderwerpen van beide opera’s direct in elkaars verlengde liggen. Cassandra is gebaseerd op het eerste deel van de Oresteia van Aeschylus getiteld Agamemnon. In Elektra wordt de stof behandeld uit het tweede deel, de Offerplengsters. Het derde deel behandelt de verdere ‘trials and tribulations’ van Orestes op een wijze die overigens afwijkt van hetgeen Euripides beschrijft in zijn stukken Orest en Iphigineia in Tauris. De opera Orest van Manfred Trojahn (nomen est omen) over dit deel van de nasleep van de Trojaanse oorlog die bij DNO zijn wereldpremière beleefde, is overigens gebaseerd op het stuk van Euripides.

Na het vertrek van de Grieken richting Troje blijft de jonge koningin Klytämnestra alleen achter met haar nog kleine kinderen Elektra en Orestes. Ze begint een verhouding met Aegisthus, een neef van haar echtgenoot, deels uit wraak voor het feit dat Agamemnon hun dochter Iphigenia heeft geofferd en deels ongetwijfeld ook uit onvervuld sexueel verlangen. Dat laatste wordt althans gesuggereerd door het liefdesduet dat beiden ten gehore brengen aan het begin van de opera. In geen enkel opzicht worden de twee protagonisten hier neergezet als een hedonistisch koppel zoals in Elektra. Het valt de toeschouwer niet zwaar om enige sympathie voor hen op te vatten.

Als Agamemnon na tien jaar eindelijk thuiskomt heeft hij de Trojaanse prinses Cassandra in zijn gevolg. Zij is zijn bijslaap en volgens sommige bronnen heeft hij inmiddels ook al een tweeling bij haar, de jongens Teledamus en Pelops. Het is een lange reis van Troje naar Mycene! Cassandra waarschuwt Agamemnon dat hij vermoord zal worden en hij gelooft haar. Daarmee is de ban verbroken die veroorzaakte dat haar voorspellingen nooit voor waar zouden worden gehouden. De keerzijde is dat zij, als gevolg van Apollo’s vervloeking, nu zelf ook zal sterven. En zo gebeurt het: Agamemnon wordt door Klytämnestra vermoord terwijl Aegisthus Cassandra voor zijn rekening neemt. Stervend roept Cassandra: ‘Orestes, Orestes’ daarmee vooruitwijzend naar het vervolg waarin Klytämnestra de verandering zal ondergaan in een oudere vrouw die ‘keine gute Nächte’ heeft.

Een gecoupeerde versie van Cassandra werd enige tijd geleden toen Kirsten Harms nog Intendantin was bij de Deutsche Oper Berlin aldaar gespeeld als proloog van Elektra. Beide opera’s gebruikten hetzelfde decor, een door een halfronde hoge muur begrensde ruimte, met goud bekleed (immers Mycene) met de mogelijkheid zowel op de muur als beneden te verblijven.


© Deutsche Oper Berlin

De kostumering was modern met als meest opvallend detail Susan Anthony als een jeugdige Klytämnestra in een zwart cocktailjurkje op naaldhakken, die voortdurend een grote bijl losjes achter haar rug meedraagt alsof het een kledingsaccessoire is.


© Deutsche Oper Berlin

Gustavo Porta vertolkte Agamemnon en Malgorzata Walewska tekende voor de titelrol. Gelet op het feit dat Cassandra pas laat in de opera opkomt en Klytämnestra van begin tot eind een centrale rol in de handeling vervult, had laatstgenoemde eigenlijk beter de titelheldin kunnen zijn.

De muziek doet denken aan zowel Strauss als Puccini en werd onder leiding van Leopold Hager overtuigend ten gehore gebracht. Het geheel was een groot succes en in mijn beleving een prachtige aanvulling op Elektra.

https://www.onlinefilm.org/en_EN/film/43389

Van de opera is geen dvd beschikbaar, wel is er een cd met onder andere Alberto Cupido. Hoewel natuurlijk geen Strauss verdient Cassandra toch tenminste een plekje als voetnoot in de historie.


Carsens Mefistofele verdient een cultstatus

Tekst: Peter Franken

mefisto-dvd

De opera waar ik vorig jaar het meeste naar uitkeek was degene waar DNO in september het seizoen mee zou openen: Boito’s Mefistofele, een van mijn favorieten. In een nostalgische opwelling trok ik zodoende de opname met Samuel Ramey uit de kast, een bijna legendarische productie uit 1989.

Robert Carsen volg ik al sinds het begin van zijn Puccini cyclus in Antwerpen. Die startte met een productie van Manon Lescaut die Carsen voor Parijs had gemaakt, een kostuumdrama compleet met koets waaruit een stroom juwelen kwam toen Geronte haar vlucht wist te verijdelen. Daarna werden zijn producties steeds meer ingehouden, op het sobere af. Zozeer dat ik zijn Idomeneo kort geleden als voorbeeld gaf hoe op verantwoorde wijze nieuwe producties kunnen worden gebracht in de financieel moeilijke tijden die de opera, na het onder controle brengen van de corona pandemie, te wachten staan. Ik was helemaal vergeten hoe Carsens enscenering voor San Francisco er ook al weer uitzag. Het is moeilijk voorstelbaar dat hij 30 jaar voor die Idomeneo zoiets gemaakt kon hebben. Maar ik vond het geweldig. Natuurlijk zal decorontwerper Michael Levine hierin een grote rol hebben gespeeld temeer daar Carsen toen nog maar net kwam kijken. Hoe het ook zij, die twee hebben een waar operamonument gecreëerd en de opname met Samuel Ramey in de titelrol verdient wat mij betreft een cultstatus.

Op het toneel van de San Francisco Opera is een baroktheater nagebouwd, we zien loges in een hoefijzervorm en op meerdere verdiepingen. Die worden hoofdzakelijk gebruikt voor engelen om het gebeuren beneden te bekijken en zingend van commentaar te voorzien. Ze zijn gekleed in lange witte gewaden en geanonimiseerd door witte maskers die slechts de ogen, neus en mond onbedekt laten, een geïnverteerd coronamasker zogezegd. Allemaal dragen ze een gouden kroontje, ook Faust krijgt er na zijn verscheiden haastig eentje opgezet als hij door hen wordt afgevoerd

De zangers krijgen regelmatig een spot op zich gericht, alsof er een theatervoorstelling op het toneel aan de gang is. Het kinderkoor, de engelen die door Mefistofele geïrriteerd worden aangeduid als een zwerm bijen, zingt gewoon op het toneel

Het meest exuberant is de productie tijdens de dorpsscène waarin Pasen wordt gevierd. Het is een combinatie van carnaval met uitzinnige kostuums, een processie van heiligenbeelden en een pantomime van Adam en Eva die elkaar leren kennen in de bijbelse zin van het woord. Mefistofele duikt hier op als monnik, hoofd diep weggestoken in zijn kap. De scène waarin Faust het dorpsmeisje Margerita weet te verleiden is daarentegen heel simpel gehouden en speelt zich af om en uiteindelijk op een rond grasveldje dat als een draaimolen door een toneelknecht met een zwengel in beweging wordt gebracht.

De heksensabbat op de Brocken is vooral een fraai stukje koorwerk, veel zingen maar weinig liederlijkheid, het was natuurlijk bedoeld voor het Amerikaanse publiek. Margerita’s kerker is feitelijk een open ruimte maar oogt als een gothic nightmare.

In de antieke wereld verzucht Mefistofele (in de Engelese vertaling) ‘I’m out of my depth here’. Logisch want zijn personage is een uitvinding van het christendom en ten tijde van Helena bestond hij nog niet. Aardig detail dit.

Gabriela Benacková zingt zowel Margerita als Helena en oogt en klinkt in haar drie scènes totaal verschillend. Zo geeft zij zeer overtuigend invulling aan het onzekere verliefde dorpsmeisje, de ongelukkige jonge vrouw die in ontkenning verkeert, niet waar wil hebben dat zij twee moorden op haar geweten heeft, en tenslotte de zeer koninklijke Helena die door Faust wordt verrast met een roos.

Als Faust Margerita probeert mee te tronen uit haar kerker traineert ze de zaak en uiteindelijk zingen het aandoenlijke duetje ‘Lontano Lontano’. Dennis O’Neill moet vervolgens door Mefistofele worden meegesleurd als hij tenminste niet ook zijn hoofd wil verliezen. Het is een mooi moment dat echter de overgang naar de scène met Helena wat abrupt maakt. Maar ach, we maken Faust alleen maar mee in zijn omgang met een maagd en een godin. Mefistofele zal hem vast wel meer hebben laten beleven in de tussentijd waarbij hij vermoedelijk een spoor van geruïneerde levens heeft getrokken.

De Faust van O’Neill vind ik voortreffelijk maar uiteindelijk draait alles hier om de fenomenale Mefistofele van Samuel Ramey, de duivel in persoon. Met zijn voorkomen en bijpassend stemgeluid ga je gemakkelijk mee in zijn personage, zo overtuigend heb ik het nergens op het toneel gezien, viermaal in totaal.

Ik keek uit naar Tatjana Gürbaca’s lezing van dit werk omdat ik in het recente verleden al een aantal zeer geslaagde producties van deze uiterst sympathieke regisseur heb gezien. Eerst was er de teleurstelling dat ze had afgezegd voor de Ring in Bayreuth. En nu dit weer. Hopelijk komt deze coproductie met Parijs alsnog in een volgend seizoen naar Amsterdam.

De ‘Faust’ van Arrigo Boito: Mefistofele

Alfano’s Cyrano de Bergerac bekeken op dvd

Tekst: Peter Franken

In 1975 zag ik Edmond Rostands beroemde toneelstuk in de Rotterdamse Schouwburg. Het was een vrije productie met Guus Hermus in de titelrol en Jeroen Krabbé als de wat leeghoofdige Christian. Ko van Dijk speelde ook mee, ik geloof als Ko van Dijk zoals eigenlijk altijd. Ik herinner me vooral dat het een lange avond was, heel lang, met verschrikkelijk veel tekst.

Zo’n stuk omwerken tot een opera lijkt een project dat bijna tot mislukken gedoemd is. Librettist Henri Cain heeft de eindeloze monologen en dialogen flink gecoupeerd maar uiteindelijk is er toch een hoeveelheid tekst overgebleven die zeker de eerste helft van het werk een bijna declamatorisch karakter geeft. Goed beschouwd zat hij natuurlijk met een duivels dilemma. Er gebeurt eigenlijk heel weinig in Rostands toneelstuk, er wordt voornamelijk gepraat en opgeschept. Je zult daarvan een aanzienlijk deel intact moeten laten om het werk enigszins herkenbaar overeind te houden.

Franco Alfano is als componist bij velen vooral bekend als degene die een einde heeft gebreid aan Puccini’s onvoltooid gebleven Turandot. Dat is pech voor hem aangezien Toscanini maar een klein deel van zijn werk heeft benut waardoor zijn feitelijke inbreng nooit op zijn merites beoordeeld kon worden. Hoe het ook zij, Alfano componeerde een dozijn opera’s waarvan deze Cyrano degene is met de bekendste titel. Het werk ging in 1936 in première in Rome onder leiding van Tullio Serafin.

De productie van de Opéra National de Montpellier uit 2003 is een familieaangelegenheid. De enscenering en de decors komen voor rekening van David en Frédérico Alagna en Roberto zingt de titelrol. Het toneelbeeld oogt levensecht met achtereenvolgens een theater, een luxe bakkerij met prachtige taarten, een villa met balkon, een legerkamp en een kloostertuin. Ook de kostumering van Christian Gasc is tot in de puntjes verzorgd en ‘bad guy’ De Guiche verschijnt een aantal keren gezeten op een echt paard.

De proloog laat ons kennismaken met Cyrano en zijn entourage, maar vooral met zijn opschepperige gedrag. Het schermduel waarin hij ondertussen een gedicht bedenkt en declameert wordt al gauw net zo opwindend als een routine weerbericht. Alfano zet er een deuntje onder maar dat helpt niet echt en ook Alagna kan er niet meer van maken dan hem wordt geboden.

Het stuk leeft wat op als Roxane in beeld komt, het duet met Cyrano in de banketbakkerij. Maar de grote scène onder het balkon die erop volgt duurt gewoon te lang. Cyrano neemt het versieren van Roxane geheel en al van Christian over en gaat daar volledig in op. Hierin had Cain best wat meer kunnen schrappen. Overigens begin je je hier af te vragen hoe opmerkzaam die Roxane eigenlijk is. Het doet denken aan Lois Lane die er ook een eeuwigheid over leek te doen voor ze in de gaten kreeg dat Clark Kent en Superman een en dezelfde persoon waren.

Muzikaal zakt het in doordat Cyrano maar blijft declameren en Roxane daar maar niet genoeg van kan krijgen. Hetzelfde probleem kenmerkt aanvankelijk de scène in het legerkamp bij Arras. Gepraat en gepoch over Gascogne. Maar als Roxane verschijnt komt de opera muzikaal tot leven en krijgt Alfano’s werk eindelijk een niveau dat in de buurt komt van een tijdgenoot als Mascagni. Toch blijf ik me afvragen wat Puccini hiermee had kunnen doen.

Ook in de kloostertuin blijft Roxane blind voor haar omgeving. Cyrano zit stervend op een stoel op corona afstand, niet heel dichtbij maar ook niet ver weg, en zij zit een beetje te handwerken zonder hem een blik waardig te keuren. Pas al hij dood op de grond ligt durft ze hem even aan te raken.

Alagna werkt zich dapper door de score en zijn zang leeft op waar Alfano en Cain hem daartoe de mogelijkheid bieden. Toch blijft het een weinig aansprekende rol en dito uitvoering. Nathalie Manfrino als Roxane heeft de mooiste muziek, vooral in de scène in het legerkamp. Manfrino laat hier bijna een belcanto geluid horen, een verademing na al die declamaties. Richard Troxell is een aardige typecast als de lichtgewicht Christian, net zoals de jonge Jeroen Krabbé dat ooit was in Rotterdam. Hij heeft weinig te zingen en klinkt niet onaardig.

Het is een curiosum, deze opera en vooral ook deze productie. Aanbevolen voor wie eens met het werk wil kennis maken. Voor wie Alagna wil horen zingen zijn er betere mogelijkheden.

Het orkest mompelt meestentijds wat in de bak, laat zich slechts bij vlagen echt even horen. Marco Guidarini heeft de muzikale leiding (DG 47673965).

Moshinsky directs Grigorian in La Forza del destino

Text: Peter Franken

                                                             Gegam Grigorian as Don Alvaro

We will stay with Gegam Grigorian, who would have turned 70 on 29 January. In addition to the Russian repertoire, he also frequently sang the great Italian opera roles. One of those is Don Alvaro from Verdi’s La forza del destino. Grigorian sang this role in 1998 in a remarkable production of the Mariinsky Theatre under Valery Gergiev. The director this time was the renowned Elija Moshinsky who died on 14 January this year, six days after his 75th birthday.

                                                                Elijah Mochinsky

In this very fine production, Moshinsky limited himself to directing, nothing more, nothing less. The stage setting is a meticulously recreated copy by Andreas Roller of the original work by set designer Andrey Voitenko, who had been responsible for the stage set at the 1862 premiere of Forza in St. Petersburg. At the start of each scene, an image showing Roller’s work is briefly projected, immediately followed by the reconstructed version. It is very cleverly done and miraculously brings back to life the premiere of the very first version of the opera.

For the music the choice is also on the little-performed St. Petersburg version. In my opinion, the biggest difference with the later Milan version of 1869 lies in the much shorter overture. Here it ends very quickly, whereas the later version seems to drag on endlessly. Other changes pale into insignificance compared to the countless cuts that have plagued performances of Forza over the years.

Gergiev is presenting a complete original version and the result is astounding. The all-Russian cast, soloists, chorus and dancers, are magnificently dressed in costumes derived from the period in which the work was created. Although the story is set a 100 years earlier, (in the mid-18th century), it still  feels quite authentic to a contemporary audience.

A modern viewer will also be more alert to the racism that characterises the libretto of this opera. Don Alvaro is a half-breed, admittedly of Inka nobility, but still an indian. The furious way in which the Marquis of Calatrava and his son Don Carlo pour out their anger and indignation on Alvaro goes far beyond the classic case of ‘daughter elopes with a nobleman and we want our revenge.’ Here it is all about the alleged ‘pollution of the bloodline’; the ultimate affront to the Marquis and his hot-tempered son.

Prima donna Galina Gorchakova sings an almost spotless Donna Leonora. Her hesitations, fears, despair and agony are all perfectly dosed, and nowhere is her acting forced or overemphasised. She’s the whole package.

Marianna Tarasova is an, also outwardly, attractive Preziosilla. Her volume in the low register leaves something to be desired, but overall it is a fine performance. Tarasova’s acting is very strong; even had she not actually sung it, she would still have been able to recognisably perform the role.

Georgy Zastavny knows how to hold back as Fra Melitone; his monk is a somewhat frustrated, quick-tempered man who takes himself very seriously: Moshinsky clearly does not go for a buffo rendition. Melitone’s superior Padre Guardiano is in good hands with Sergei Alexashkin, a beautiful bass. A young Yevgeny Nikitin in the small role of the Alcalde is also quite pleasing.

Nikolai Putilin’s Don Carlo reminded me, particularly in the first two acts, of Detective Andy Sipowicz in the NYPD Blue series, a man with an extremely unreliable looking “ugly mug.” Also a matter of transference of course: Don Carlo does indeed lie about everything and anything. His make- up in the later acts is clearly different; now he is the revenge-seeking nobleman who has made the killing of his sister and her lover his life’s purpose. Putilin sings and acts a very convincing Don Carlo, someone you quickly come to dislike, and that is a compliment. His role fits perfectly in the line of ‘heroic baritones’ that Verdi has patented.

As so often with Verdi, the hero tenor does not get the girl, hardly even gets to sing a real duet with her and only meets his lost lover at the very end for a very brief moment of recognition and happiness. On the other hand, Don Alvaro does have very beautiful solos to sing, not as an intimate lover but more as a desperate romantic.

It is all made for Gegam Gregorian. It is the only recording I have of him singing in Italian and I can well imagine that in his glory years he took the international stage by storm. This Don Alvaro is absolutely top-notch; I am glad that, on the occasion of Grigorian’s seventieth birthday, I finally played that DVD again after at least 15 years.

Gergiev is the overall musical director and he turns it into a festive occasion. This recording comes six years after Pique Dame and it is clear that the overexploitation, that he subjected himself to during those few years, has aged him by 20 years. He has, of course, succeeded in his mission: to bring back the Mariinsky Theatre to the world stage.

Tribute to Gegam Grigorian.

Text: Peter Franken

 

Armenian tenor Gegam Grigorian died in 2016 shortly after his 65th birthday. Today he would have turned 70. For that reason, a memorial performance took place on 28 January in the Mariinsky Theatre where Grigorian achieved so many great successes under Gergiev in the 1990s. His now world-famous daughter Asmik sang the role of Lisa in Pique Dame, the opera in which her father so often starred as Herman.

For over 20 years, after travel restrictions were lifted due to the collapse of the Soviet Union, Grigorian had an unparalleled international career that took him to all the leading opera stages. He sang almost every major tenor role in the Russian repertoire, but also many others. His Italian repertoire included Radames, Renato, Don Carlo, Alfredo, Il Duca, Manrico, Otello, Pinkerton, Loris, Cavaradossi, Pollione, Count Almaviva, Maurizio, Canio and Turridu.

I am not sure that I have ever heard him sing live. In 1996, Gergiev came to The Hague with the Mariinsky for two performances of Prince Igor, a production that he had recorded for Philips. On this recording Grigorian sang Vladimir Igoryevich, but I cannot find out if he was actually present in The Hague. On other recordings that I possess, he sings Pierre Besuchow in War and Peace and Don Alvaro in La forza del Destino.

But in view of the choice that the Mariinsky made for the memorial concert, I thought it appropriate to take another look at the 1992 recording of Pique Dame. It is a live performance from the Mariinsky under a very young Valery Gergiev. The credits still refer to the Kirov Opera, as the performance took place shortly after the revolution.

pique-gergiev

Yuri Temirkanov’s production is extremely classical, both in terms of the costumes from the time of Catherine the Great and the manner of staging. Everything is done exactly as prescribed by the libretto, down to the smallest details. The cast is representative for the top quality that characterised the company in those days; there are the big names in all the leading roles.

There is the luxurious cast of Olga Borodina as Pauline and Sergei Leiferkus as Count Tomsky. Leiferkus is emphatically present; you can hardly ignore him because of his somewhat ‘over the top’ costume. His two arias about the three cards and the little birds that are allowed to sit on his branch are performed with humour and verve.  Ludmilla Filatova as the Countess is rather a caricature, especially when she is given a nightcap to wear. Vocally, her contribution is adequate. The same applies to Alexander Gergalov’s Prince Yeletsky who, all considered, has only one chance to make himself heard. His declaration of love is moving, but Lisa walks away without any perceptible reaction immediately after the last note.
Lisa is sung by Maria Gulegina, and she gives an excellent performance. In her big solo in the last act, she does have to force herself a bit, but that may be blamed on the composer rather than the soprano. I would have liked to hear Asmik in this role; if anyone can handle these passages well, it is she.

But the reason I am reviewing this DVD is, of course, the Herman of the company’s star tenor at the time, Gegam Grigorian. He is 42 years old and in very good shape, Hochform as they say in Germany. His simple black costume, a kind of uniform, makes him stand out from the other men, who look a bit like tropical ornamental birds in a cage. This makes him instantly recognizable as an outsider. For that matter, Lisa’s dress is also remarkably sober, so simple indeed that she also stands out from her own entourage and thus is immediately paired up visually with Herman.

 

Grigorian’s Herman gets more and more touching towards the end. First he leaves his troubled Lisa to her fate and then he enters the gaming room. His behaviour is that of someone almost haunted, he is no longer in control of himself. After his winning card, the seven, he sings ‘What is our life? A game’. He is about to make a fortune, but it does not really matter to him any more. The death scene at the end, where, with his last breath, he asks Prince Yeletsky for forgiveness, reminds me of Fedora in the opera of the same name that I saw in Stockholm with daughter Asmik in the leading role. Gegam once sang the role of Fedora’s lover Loris.

I am determined to see his Forza del Destino again, not only because Grigorian sings Don Alvaro, but also because of the director of this production: the recently deceased Elijah Moshinsky. Also someone who will be sorely missed.

Vivaldi’s Il Farnace uit Florence door Dynamic op dvd uitgebracht

Tekst: Peter Franken

 

Antonio Vivaldi schreef naar eigen zeggen meer dan 90 opera’s maar daar is minder dan de helft van bewaard gebleven. Verder is dat aantal natuurlijk wat overdreven omdat ‘nieuwe’ opera’s vaak een pastiche waren van bestaand materiaal. In 1727 ging Il Farnace in première en net als Wagner met zijn Tannhäuser bleef Vivaldi hieraan ‘sleutelen’. Voor het Carnaval van 1739 schreef hij een nieuwe versie, al de zesde, die in januari 1739 première had. Deze laatste versie is door Dynamic op dvd uitgebracht. Het betreft een live opname uit de Opera di Firenze.

Il Farnace is een koningsdrama dat past in de reeks opera’s die zijn gemaakt over Mitridates, de koning van Pontus, die lange tijd de Romeinen het hoofd wist te bieden. Pharnaces is zijn zoon en als Pompeus zijn rijk onder de voet dreigt te lopen geeft hij zijn vrouw Thamires opdracht om hun zoon te vermoorden zodat deze de Romeinen niet als trofee in handen kan vallen. Dat gedaan moet ze zelfmoord plegen, hijzelf ziet nog wel.

De plot draait verder om Berenice, koningin van Cappadocië en moeder van Thamires, Selinda, de zus van Pharnaces en twee veldheren uit de vijandelijke kampen, Aquilius en Gillades, die door Selinda tegen elkaar uit worden gespeeld. Uiteindelijk kiest Selinda voor Gillades, mits deze een zeer gevaarlijke opdracht voor haar uitvoert. Hij mag er over nadenken, Vivaldi heeft geen vervolg meer kunnen geven aan deze cliffhanger aangezien hij twee jaar later zou overlijden. Mij dunkt zou er vast nog wel een zevende versie in hebben gezeten. Wagner parafraserend: ‘Ik ben de wereld nog een Farnace verschuldigd’.

De productie van Marco Gandini is semi geënsceneerd, vermoedelijk omdat de zangers lang niet alle aria’s op hun repertoire hadden staan en de kans op een vervolg elders erg klein was. Hij heeft dat overigens heel goed opgelost door de solisten op kleine verrijdbare podia te plaatsen. Op zo’n podium staat een lessenaar en verder is het een compleet decorstuk, met tl balken en sfeerverlichting. Zodoende hoeft iemand niet voortdurend achter een immobiele lessenaar te staan maar wordt met podium en al in het centrum van de actie gereden.

Op de achtergrond staan grote stellages die verder geen functie hebben maar het toneel minder kaal maken. Verder natuurlijk de onvermijdelijke videobeelden, zeer groot geprojecteerd. Een enkele keer voegt dit wat toe, zoals wanneer Thamires zingt over de vrucht van haar baarmoeder die ze moet doden. Dan is er een baby op het scherm te zien, pregnante beelden. Uiteindelijk besluit ze dat de knop nu moet worden omgedraaid. Niet langer mag ze moeder zijn maar moet ze in de rol van echtgenote haar man gehoorzamen en hun zoontje vermoorden.

Berenice voelt ongebreidelde haat jegens Pharnaces, kwestie van oud zeer, en speelt een belangrijke rol in de verwikkelingen. Uiteindelijk leidt het allemaal tot niks, het einde is nogal onbestemd en niemand legt het loodje. Wel wordt er in eindeloos lijkende aria’s gezongen over wat er allemaal zou kunnen gebeuren en hoe vreselijk dat is.

Vrouwen in mannenrollen kunnen mij altijd moeilijk overtuigen van hun romantische gevoelen en andere emoties. Op dat punt hebben Thamires, mooi vertolkt door Sonia Prina en vooral Selinda, een prachtige Loriana Castellano het gemakkelijker.

Berenice is een glansrol van Delphine Galou die toont als een wraakzuchtige Klytemnestra maar zo mooi zingt dat je dat al snel vergeet. Het toenmalige publiek kon natuurlijk de subtiele verschillen in vertolkte emoties wel naar waarde schatten maar voor mij klinkt het toch allemaal vrijwel hetzelfde en moet ik het van de gelaatsuitdrukkingen en verdere lichaamstaal hebben.

De mannenrollen worden vertolkt door de sopraan Roberta Mameli (Gilade), de tenor Magnus Staveland (Aquilio) en de tenor Emanuele d’Aguanno (Pompeus). De titelrol is in handen van mezzo sopraan Mary-Ellen Nesi, een barokspecialist die grote delen van de rol zonder blad weet te zingen. Haar mooiste moment is de grote aria aan het slot ‘Gelido in ogni vena’ ofwel ‘ik voel mijn bloed als ijs door mijn aderen stromen’ waarin de vertwijfeld Pharnaces zichzelf de schuld geeft van de (vermeende?) dood van zijn zoontje. Het is een bekende concertaria die regelmatig te horen is. Een fraai muzikaal slot van een lang uitgevallen werk met een rommelig einde.

Frederico Maria Sardelli heeft de muzikale leiding. Het orkest is het Maggio Musicale Fiorentino.

Wolf-Ferrari eert Goldoni in La vedova scaltra  

Tekst: Peter Franken

In 2007 herdacht men in La Fenice het 300e geboortejaar van Carlo Goldoni met een reeks uitvoeringen van Ermanno Wolf-Ferrari’s opera La vedova scaltra.

De titel betekent zoveel als ‘De gewiekste weduwe’ en het libretto is losjes gebaseerd op een van Goldoni’s toneelstukken. Welke doet er nauwelijks toe, ze verlopen vrijwel allemaal volgens hetzelfde stramien.

Wolf-Ferrari (1876-1948) componeerde een reeks opera’s die doen denken aan wat in Duitsland een Spieloper wordt genoemd, maar dan zonder gesproken dialogen. Hoewel hij als operacomponist carrière maakte in een periode dat het Verismo opgeld deed, bleef Wolf-Ferrari aanvankelijk hangen in de keuze voor meer klassieke onderwerpen. Pas met Il segreto di Susanna uit 1909 betreedt de componist zijn eigen leefwereld.

Des te opmerkelijker is zijn keuze voor Goldoni als inspirator voor het uit 1930 daterende La vedova scaltra. Het kan zijn dat dit (mede) ingegeven werd door de wens in fascistisch Italië vooral geen golfjes in de culturele vijver te willen maken. Gewoon op zeker spelen en dat maakt zo’n Venetiaans verhaaltje natuurlijk tot een goede keuze.

Een rijke weduwe wordt aanbeden door vier gefortuneerde heren, afkomstig uit Engeland, Spanje, Frankrijk en Italië. Laatst genoemde trekt uiteraard aan het langste eind, waarom een buitenlander trouwen als je dicht bij huis kunt blijven? We zijn getuige van de standaard verwikkelingen: list en bedrog, verwisselingen, ruzies en overdreven gespeeld komisch gedoe.

Die vier nationaliteiten geven aanleiding tot gebruik van herkenbare clichés waarbij vooral de omlijsting van de Spaanse grande, Don Alvaro di Castiglia, het leukste uit de verf komt.

Het doet een beetje denken aan Il viaggio a Reims, ook een inhoudelijk niemendalletje met hoofdpersonen uit verschillende landen, dat het vooral moet hebben van de muziek. En het vele gepraat in La vedova zien we terug in Strauss’ Capriccio al heeft de inhoud daar wel iets meer betekenis.

Muzikaal is de opera een ratjetoe, sommige scènes doen sterk denken aan de periode waarin Goldoni het verhaal plaatste, zo rond 1780 vermoed ik. Op andere momenten is het puur belcanto en dan weer klinken er plotseling flarden muziek die eerder doen denken aan het werk van illustere tijdgenoten van Wolf-Ferrari. Al met al kan de muziek mij wel een tijdje blijven boeien, bij het verhaal haak ik echter al snel af. Dat men juist dit werk in 2007 heeft geprogrammeerd zal toch vooral van doen hebben gehad met de wens de plaatselijke coryfee Goldoni te eren. Zijn standbeeld staat in deze productie prominent midden op een pleintje waar het tweede deel van de opera zich afspeelt.

De kostuums zijn ‘ancien régime’ voor de dames en bij de heren vooral op het uitlichten van nationale clichés gericht. Zo komt de Spaanse entourage van Don Alvaro op als een soort stierenvechtersfestival, met bijpassende muziek. Hier klinkt Wolf-Ferrari als Zarzuela componist.

De hoofdrollen zijn uitstekend bezet. De gewiekste weduwe Rosaura die net haar stokoude man – hij was wel 70, confronterende mededeling – heeft begraven en nu rustig een paar maanden de tijd neemt om een vervanger uit te zoeken, wordt uitstekend vertolkt door de Noorse sopraan Anne-Liese Sollied. In de tweede akte schittert ze in een solostuk getiteld ‘Nella notturna selva’ over twee geliefden die van elkaar zijn gescheiden, Daphne en Amaryllis. Ze staat zeer lang op het toneel en toont permanent een hoog niveau, zeer goed optreden.

Haar sidekick is de bediende Marionette, een Française die zich erop beroept de dochter te zijn van de meid van de voedster van de koning. Three handshakes away from he throne so to speak. Ze heeft dan ook de nodige kapsones maar flirt graag met de boodschappers die de vier heren op haar patrones afsturen. Deze komische maar vocaal eveneens veel eisende rol is in goede handen bij de Italiaanse sopraan Elena Rossi.

De vier heren worden vertolkt door de bas Maurizio Muraro als Milord Runebif, de tenor Emanuel d’Aguanno als Monsieur Le Bleau, de tenor Mark Milhofer als Il Conte di Bosco Nero en de bas Ricardo Zanellatto als Don Alvaro di Castiglia. De bariton Alex Esposito zorgt voor een extra komische noot als de go-between Arlecchino, zonder wiens personage het natuurlijk geen echte Goldoni zou zijn.

Koor en orkest van La Fenice staan onder leiding van Karl Martin (Naxos 2110234-35)

Mahagonny uit de LA Opera is nog steeds de moeite waard

Tekst: Peter Franken

In maart stond Kurt Weils Mahagonny geprogrammeerd bij DNO maar de coronacrisis gooide roet in het eten. Voorlopig zal een uitvoering van deze productie uit Aix en Provence in regie van Ivo van Hove er wel niet van komen. Bij wijze van substituut belicht ik daarom een oude opname onder leiding van James Conlon. Het betreft de productie van John Doyle voor LA Opera in 2007, op dvd uitgebracht door EuroArts.

De opera Mahagonny heeft als voorloper het Mahagonny Songspiel, een concertante eenakter die in 1927 in première ging. Hieruit zijn de twee Engelstalige nummers afkomstig die ook buiten het werk grote bekendheid hebben gekregen: de ‘Benares Song’ en vooral de ‘Alabama Song’. In 1930 ging de ‘grote’ opera in première, afgezien van die twee songs geheel in het Duits op teksten van Berthold Brecht.

De productie in Los Angeles gebruikt Engels als voertaal en daarmee gaat veel van de sfeer verloren. Met name het topnummer ‘Denn wie man sich bettet, so liegt man‘ wordt in mijn beleving volledig onherkenbaar. Iedere liefhebber van Weil en Brecht kijkt uit naar de volgende tekst:
‘Meine Herren, meine Mutter prägte auf mich einst ein schlimmes Wort:
Ich würde enden im Schauhaus oder an einem noch schlimmern Ort.
Ja, so ein Wort, das ist leicht gesagt, aber ich sage euch: Daraus wird nichts!
Das könnt ihr nicht machen mit mir! Was aus mir noch wird, das werdet ihr schon sehen!
Ein Mensch ist kein Tier!
Denn wie man sich bettet, so liegt man, es deckt einen da keiner zu
Und wenn einer tritt, dann bin ich es, und wird einer getreten, dann bist’s du.

Audra McDonald heeft als operasopraan en toneelactrice geen enkele moeite met de vertolking van dit lied maar het doet me niets. De rauwe sfeer ontbreekt die de technisch onvolkomen interpretatie van Lotte Lenya kenmerkt. Net als de ‘Alabama Song’ moet ook dit nummer meer cabaretesk gebracht worden, vind ik. Denk aan Ute Lemper.

De decors van Mark Bailey en de kostuums van Ann Hould-Ward zijn inventief en goed verzorgd, ze sluiten uitstekend aan bij de inhoud van het stuk. Dat laatste geldt ook de casting van de voornaamste rollen. Zo wordt Fatty the Bookkeeper vertolkt door een zeer omvangrijke Robert Wörle en Trinity Moses door de zwaargewicht Donny Ray Albert.

Patti LuPone is op zich goed gecast als de Weduwe Begbick maar vertolkt de rol naar mijn smaak iets teveel als Norma Desmond in Sunset Boulevard. Haar bravoure is te gekunsteld, echte hardheid en sarcasme ontbreken. Hier was een ervaren Klytemnestra beter op haar plaats zijn geweest.

De tenor Anthony Dean Griffey is zeer goed op dreef als Jimmy Mahoney, hier Jimmy MacIntyre. Zijn vertolking van ‘When the sky turns brighter’ waarin hij de zon vraagt niet op te komen om zodoende de dag van zijn proces uit te stellen, is een hoogtepunt in Griffey’s optreden. Het nummer doet enigszins denken aan ‘E lucevan le stelle’ uit Tosca.

De hoer Jenny, hier alomtegenwoordig op het toneel, is in goede handen bij Audra McDonald. Ze is een absolute blikvanger, een effect dat nog wordt versterkt door haar ‘scanty costume’, en zet al haar acteertalent in om Jenny zoveel als mogelijk in de pas te laten lopen met wat men zich bij een ervaren professional in het Wilde Westen voorstelt. Maar betaalde liefde is geen liefde, ze laat Jim als een baksteen vallen en verklaart zich nader met ‘Meine Herren…. und wird einer getreten, dann bist’s du’.

Overigens is zij niet de enige. Jim heeft zich schuldig gemaakt aan de grootste misdaad die men in Mahagonny kan begaan: hij heeft geen geld en kan zijn whisky niet betalen. Daarvoor wordt hij ter dood veroordeeld, niemand springt voor hem in de bres.

Mahagonny is een politieke satire maar de inhoud is zo weinig eenduidig dat men er zeer verschillende interpretaties aan kan geven. De kritiek op de oppermacht van het geld in de maatschappij is echter duidelijk genoeg.

James Conlon heeft de muzikale leiding en is verantwoordelijk voor een muzikaal smetteloze vertolking van dit weinig gespeelde stuk, een opera die naar mijn smaak echter beter gespeeld kan worden als cabareteske musical. Alleen zo kan recht worden gedaan aan de tijd en sfeer waarin het stuk is ontstaan.