Peter Franken

Iris uit Teatro Goldoni Livorno

TEKST: PETER FRANKEN

Iris was Mascagni’s zevende opera en stamt uit 1898. Ik hoorde dit werk in 2003 in de Matinee met Nelly Miricioiù die daarmee in de voetsporen trad van Magda Olivero 40 jaar eerder. Daarvan is een opname op cd uitgebracht waarop Olivero te horen is naast Renato Capecchi en Luigi Ottolini.

Iris uit Amsterdam 1963 met Magda Olivero:

Iris met Nelly Miricioiu, Amsterdam 2003

Een geënsceneerde uitvoering van Iris is er voor mij nooit van gekomen maar in 2017 was het werk te zien in Mascagni’s geboortestad Livorno. Een opname van de voorstelling op 16 december is uitgebracht op dvd.

Voor de voorstelling in Livorno heeft regisseur Hiroki Ihara zich omringd met een compleet Japans productieteam aangetrokken, zo lijkt het althans al je de namen leest. Het effect is duidelijk, waar mogelijk is een Japanse sfeer gecreëerd al komt het wel wat clichématig over als je het land een beetje kent uit eigen ervaring. Een prieeltje met Mount Fuji op de achtergrond, van die dingen. De kostumering oogt zeer authentiek waarbij duidelijk wordt getoond dat de handeling zich afspeelt op de grens van twee werelden: klassiek Japans waarin de westerse moderniteit al een beetje doordringt. Zo draagt de rijke ‘playboy’ Osaka een driedelig kostuum.

Mascagni schreef zijn muziek op een origineel libretto van Luigi Illica, dus geen bewerkt toneelstuk. Deze beoogde in te haken op de belangstelling voor het symbolisme dat in de opera vooral wordt geassocieerd met Debussy’s latere Pelléas et Mélisande. Niettemin hinkt het resultaat op twee gedachten, romantisch realisme in het handelen en vooral zingen van de would be minnaar Osaka en veel symboliek ontleend aan het Shintoïsme in de wereld van Iris. Ze is een heel jong meisje dat leeft met haar pop alsof het een levend wezen is en vereert de zon als een godheid.

Osaka heeft zijn blik op Iris laten vallen en wil haar hebben. De in de amusementswijk Yoshiwara actieve Kyoto kan dat wel voor hem regelen. Als Osaka op haar is uitgekeken kan hij Iris vervolgens aan zijn troep meiden toevoegen, feitelijk is hij gewoon een pooier. Opvallend overigens die twee namen, kennelijk wist Illica zo weinig over Japan dat hij zijn personages maar naar bekende steden noemde.

Om Iris uit huis te lokken, ze wordt zeer kort gehouden door haar blinde vader, zetten die twee een toneelstukje op voor de deur. Het is zogenaamd een reizend theatergroepje, aangevuld met een paar van Kyoto’s geisha’s. Het effect is een hybride van Il Pagliacci en Kabuki en als Iris eenmaal tussen de toeschouwers staat wordt ze ontvoerd en gedrogeerd. Voor haar vader laat Kyoto een briefje en wat geld achter, om aan te geven dat hij Iris eerlijk heeft gekocht.

Ze wordt wakker is de mooiste kamer van Kyoto’s etablissement en waant zich dood en dus in de hemel. De priester had verteld dat je daar alles zou kunnen wat op aarde niet lukte. Maar luit spelen gaat niet en schilderen evenmin. Dan komt Osaka binnen en Iris herkent zijn stem uit de theatershow waarin hij gemaskerd de zoon van de zonnegod Jor zong. Ze blijft echter in die droomwereld hangen als hij haar probeert te verleiden en na een uurtje geeft hij het op, dit is geen vrouw maar een pop. Al probeer je nog zo veel, tot haar kan je niet doordringen. De vergelijking met Mélisande dringt zich op, meer dan ‘Je ne suis pas heureuse’ krijgen haar mannen er niet uitgetrokken.

Лекция «Оперное творчество П. Масканьи» 2020, Борисоглебский район — дата и  место проведения, программа мероприятия.
Iris wordt vervloekt door haar vader © The Victrola book of the opera

Osaka haakt af, Kyoto mag haar houden en die zet Iris in een doorschijnend gewaad in een vitrine als nieuw uithangbord voor zijn bedrijf. Dan verschijnt haar vader die niet beter weet of ze zit daar uit vrije wil. Hij vervloekt haar en gooit kluiten modder in haar richting. Iris probeert in wanhoop vervolgens zelfmoord te plegen door in een afvalput te springen, ze komt letterlijk in de goot terecht. Daar beleeft ze een apotheose die eindigt met de stralen van de net opkomende zon.

De opera begint met een proloog waarin het koor een hymne aan de zon zingt: ‘Sin Io! Son Io la vita’. Dat is zo overdonderend dat het eerder op zijn plaats was geweest aan het einde, al laat Mascagni de melodie daar nog wel terugkomen. Daarna komen we muzikaal in rustiger vaarwater, nu spreekt vooral de handeling. Van overdreven oriëntaalse invloeden is geen sprake, het blijft herkenbaar als het werk van een Italiaanse componist die zijn best doet niet als in een geconditioneerde reflex terug te vallen in romantiek en realisme. Hoe het ook zij, het is een bijzonder werk dat beslist meer aandacht verdient, al was het maar om Mascagni van die ‘one time wonder’ reputatie af te helpen.

De titelrol wordt zeer aanvaardbaar vertolkt door sopraan Paoletta Marrucu, overigens de enige naam op het affiche die enige bekendheid geniet, bij mij althans. Marrucu klinkt hier en daar wat geknepen maar weet alle tonen precies te treffen, op zich al een prestatie want de zwaarte van haar partij liegt er niet om.

Tenor Paolo Antognetti klinkt onbekommerd Italiaans als Osaka, mooi gedaan. Bariton Carmine Monaco d’Ambrosia geeft prima gestalte aan de bad guy Kyoto, ach, hij doet gewoon zijn werk zullen we maar zeggen.

Het Orchestra Filharmonica Pucciniana staat onder leiding van Daniele Agiman. Heel toepasselijk natuurlijk dat de enige officiële opname van Iris uit Livorno komt, voor liefhebbers van Mascagni een must. De dvd is overigens wel moeilijk verkrijgbaar, gewoon proberen maar.

Paoletta Marrocu zingt ‘Ancora il triste sogno … ‘

Paoletta Marrocu zingt ‘Un dì, ero piccina’:

Paoletta Marrocu en Paolo Antognetti in ‘Ho fatto male a ridere’:

Fotocredits: © Augusto Bizzi, Livorno

File:Mascagni – Iris – Iris’ father curses her – The Victrola book of the opera.jpg

Herinneringen aan Maria Ewing

TEKST PETER FRANKEN

Zondag 9 januari overleed Maria Ewing. We deelden geboortejaar 1950 en zo’n detail brengt het allemaal wat dichter bij. Ik zag haar één keer live, als Elle in La voix humaine, een productie van de Reisopera in 2011.

Maria Ewing tijdens de repetitie van La voix humaine:

Mijn eerste kennismaking met Maria Ewing was in 1985 toen ik haar in een uitzending vanuit Glyndebourne zag als sigaar rokende Carmen, zeer overtuigend. Een vergelijkbaar personage zette ze neer in de productie van ROH die in 1991 door ArtHaus werd uitgebracht.

Deze productie van Nuria Espert is zeer klassiek en laat in de vierde akte zelfs twee picadores te paard op het toneel verschijnen. Dat laat onverlet dat het acteren van de protagonisten buitengewoon realistisch is, een klassieke enscenering hoeft niet betekenen dat er een ouderwetse voorstelling ten tonele wordt gevoerd, met zangers als houten klazen. De vonken vliegen er van af, met name door het fenomenale optreden van Ewing.

Maria Ewing als Carmen in Glyndebourne:

Haar Carmen is aanvankelijk nogal arrogant. Het stoort haar dat Don José haar gewoon geen blik waardig te gunt en dat na haar ‘Oiseau rebelle’. Zoiets kan ze niet over haar kant laten gaan, die man moet ze hebben. Als ze vraagt wat hij aan het doen is en als reactie krijgt dat hij met zijn insigne bezig was antwoordt ze ‘Vraiment’ op zo’n sarcastische manier dat het met José daarna onmogelijk nog goed kan komen.

Maria Ewing en Barry McCauleyL

Dat ze hem uit zijn ‘eigen leven’ weghaalt en zodoende zijn burgerlijke toekomst verpest, deert haar niet. Easy come, easy go, als hij lastig en jaloers wordt is het tijd om hem af te danken, hij moet maar zien wat er van hem terecht komt na zijn desertie uit het leger om harentwil en vooral ook door haar toedoen.

Eveneens uit de Royal Opera stamt een dvd met daarop Maria Ewing als een werkelijk uitnemende Salome in een volstrekt klassieke productie van Peter Hall. De opname is gemaakt in 1992. Hall volgt het libretto tot in de kleinste details, van de maan in de eerste scène tot het moment waarop Salome wordt doodgedrukt tussen de schilden van de paleiswachters.

En uiteraard zijn er zeven kledingstukken die tijdens de sluierdans worden afgeworpen, of eigenlijk vijf en twee echte sluiers. Ewing eindigt volledig naakt op het toneel, tot verrukking van Herodes die natuurlijk direct daarop in de tang genomen wordt.

Michael Devlin is zeer overtuigend als de profeet Jochanaan, goed gebouwde jong ogende man die slechts gekleed in een lendendoek de blikken van Salome op zich gericht weet en daarvan gruwt. Hoe meer ze zich aan hem probeert op te dringen, des te groter wordt zijn afkeer. Totdat hij plotseling uit een ander vaatje begint te tappen. Zij is nog niet verloren, moet de Mensenzoon opzoeken, zich voor zijn voeten werpen en om vergeving voor haar zonden vragen. Kan zijn dat de profeet dat echt meent, maar je ziet haar alleen maar denken aan wat ze hem eerder vroeg: ‘is die Mensenzoon net zo mooi als jij?’.

Kortom: hij ijlt en zij geilt, dat laatste heel duidelijk als ze wat op de grond ligt te kronkelen tijdens het orkestrale tussenspel voordat Herodes naar buiten komt. Narroboth kon het al lang niet meer aanzien en heeft zichzelf doodgestoken, goed gezongen door Robin Leggate, wel een beetje pathetisch geacteerd.

Herodes wordt redelijk goed vertolkt door Kenneth Riegel, al klinkt zijn Engels wel een beetje door in de Duitse zang. Gillian Night is adequaat als een licht hysterische Herodias. Terwijl die twee ruziën over de op handen zijnde dans trekt Ewing zich even terug om wat meer kleren aan te trekken, anders kan het helaas niet doorgaan. Ze beweegt heel behoorlijk, dansen is een groot woord, maar de spanning zit hem natuurlijk in de onderliggende erotiek die de kijker beleeft door de ogen van Herodes.

Muzikaal wordt de voorstelling gedragen door Michael Devlin maar vooral door Maria Ewing die er een absoluut topoptreden van maakt.

Een beetje gecensureerd:

Natuurlijk had ze toen de vocale mogelijkheden daarvoor maar die weet ze dan ook volledig te benutten, zonder waarneembaar te doseren om vooral het einde te kunnen halen.

Maria Ewing in de laatste scene  van Salome:

Haar vertolking van Sjostakovits’ Lady Macbeth heb ik op cd, heel jammer dat daar geen dvd van bestaat, had haar graag ook in die rol willen bewonderen. RIP Maria.

Gustav Mahler: Symfonie nr. 4 door het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink, met  Maria Ewing – sopraan, Jaap van Zweden – viool. Opname van de Kerstmatinee 1982:

Beatrice di Tenda

TEKST: PETER FRANKEN

Dit werk stamt uit 1833 en is Bellini’s voorlaatste opera. Bij de première werd het slecht ontvangen en die weinig geslaagde start is het nooit te boven gekomen, ingeklemd als het is tussen de succesnummers Norma en I Puritani.

Ik zag Beatrice di Tenda in 2007 in een zeer complete geënsceneerde voorstelling van de Rotterdamse Opera met Waldin Roes in de titelrol, een geslaagd optreden.

Opmerkelijk genoeg komen de hoofdfiguren in de handeling vrij goed overeen met hun historische voorbeelden. Beatrice leefde van 1372 tot 1418 in Lombardije. Ze was getrouwd met Faccino Cane, een condottiero in dienst van de Visconti’s. In hedendaagse termen zouden we hem een krijgsheer noemen en hij wist voor zichzelf een groot gebied en bijbehorend fortuin te veroveren ten koste van vooral het hertogdom Milaan.

Na zijn dood trouwde Beatrice met Filippo Maria Visconti, die kort daarvoor zijn vermoorde broer als hertog van Milaan was opgevolgd. Hij was door het wanbeheer van zijn broer min of meer genoodzaakt een politiek huwelijk te sluiten en Beatrice was in dat opzicht een goede partij aangezien ze land en goed van haar man had geërfd. Ze was echter zo’n twintig jaar ouder dan haar nieuwe echtgenoot en dat leidde ertoe dat hij al gauw weer van haar af wilde.

Na een kleine zes jaar was het zover. Beatrice had regelmatig gezelschap van haar favoriete troubadour en die aanleiding werd opgeklopt tot de beschuldiging van overspel. Voor een vrouw in de middeleeuwen stond daar al gauw de doodstraf op en zo geschiedde.

In de opera zien we dit verhaal terug waarbij de maîtresse van Filippo, Agnese del Maino, een belangrijke rol krijgt in de plot. Zij is verliefd op die troubadour, hier bij de naam van Orombello, maar die is al sinds hun kinderjaren verliefd op Beatrice. Hun ontmoeting is bijna een kopie van die tussen Eboli en Carlos. Agnese voelt zich in haar hemd gezet en zweert wraak. Ze steelt het dagboek van Beatrice en geeft dat aan Filippo die daarin voldoende bewijzen meent te vinden voor politieke en persoonlijke ontrouw. Later krijgt ze spijt als blijkt dat haar actie de dood van zowel Orombello als Beatrice tot gevolg heeft. Een aanbod van Filippo om de nieuwe hertogin te worden houdt ze daarom af.

In 2015 was ik in Catania en stond daar op een middag even voor het Teatro Massimo Bellini. Er was helaas niets te doen maar een bezoekje aan Bellini’s geboortehuis maakte dat wel aardig goed. In 2010 ging in dit theater een fraaie productie van Beatrice, zo blijkt uit een opname die door Dynamic is uitgebracht.

Beatrice wordt vertolkt door Dimitra Theodossiou, een Griekse sopraan die ik alleen ken van twee opnames uit de reek Tutto Verdi. Ze kan de partij redelijk goed aan maar moet nodeloos forceren als ze tegen beter weten in er een heel hoge noot uit wil persen. Een andere oplossing lag daar voor de hand.

Haar tegenspeelster is de heel mooie mezzo  José Maria Lo Monaco als Agnese, je begrijpt direct waarom Filippo zijn oude vrouw voor haar wil inruilen, zeker nu de zakelijke deal zijn beslag heeft gekregen. Mooi spel van Lo Monaco als haar wraak zich lijkt te gaan voltrekken, ze geniet zichtbaar van de ‘ontmaskering’ van Orombello en Beatrice en geeft Filippo in het voorbijgaan even een aai op de mouw om haar beschikbaarheid te tonen.

Filippo Maria Visconti wordt uitstekend vertolkt door Michele Kalmandi, prachtig invulling van zijn rol. Even aarzelt hij Beatrices doodvonnis te ondertekenen, hij heeft immers veel aan haar te danken ook al is hun huwelijk een schijnvertoning. Maar als het bericht komt dat haar vroegere onderdanen optrekken naar het hertogelijk paleis om haar te bevrijden, zet hij woedend alsnog zijn handtekening.

Alejandro Roy neemt de nogal onverantwoord handelende Orombello voor zijn rekening. Hij streeft naar beantwoorde liefde door het tonen van politieke loyaliteit en dat kost hen beiden de kop.

Het toneelbeeld van Henning Hermann Brockhaus en Giancarlo Colis is een reden op zich om deze opname goed te bekijken. Op het toneel staat een grote donkere stolp waarop zo nu en dan lichtbeelden worden geprojecteerd. Door de stolp op te halen wordt de buitenruimte zichtbaar waarin we onder meer Agnese een verleidelijk lied horen zingen waar Orombello op afkomt omdat hij denkt Beatrice daar te treffen.

Later is het toneel leeg op een grote kop van de overleden Faccino Cane na. Kort daarna wordt het door de mannen van Filippo omgeduwd, die tijd is voorbij. Ook de andere scènes krijgen een mooie achtergrond in de vorm van projecties en grote decorstukken. Als Beatrices einde nabij is zien we een sofa die het midden houdt tussen een bruidsbed en een doodsbaar. Op de achtergrond is de derde versie van Böcklins Toteninsel geprojecteerd, treffend beeld.

De dames van het koor, aangevuld met acht figurerende danseressen, zijn allen in tamelijk fel gekleurde loshangende jurken gestoken, ze zien er prachtig uit. De mannen gaan in smoking en tegen het einde zijn ook de vrouwen in stemmig donkere kostuums gekleed. Zodoende is er voortdurend veel te zien op het toneel zonder dat de aandacht teveel afleidt van de zang.

Antonio Pirolli heeft de muzikale leiding.
Een aanrader, ondanks de toch iets achterblijvende prima donna.

Top tien van Peter Franken 

Peter Franken:

“Mijn muzikale jaar werd gekenmerkt door de wensdroom dat ik weer gewoon live voorstellingen zou kunnen recenseren in plaats van dvd ‘s.”

Peters top tien in willekeurige orde:

The merchant of Venice

Een bijzondere opera met heikele thematiek van de vergeten 20e eeuwse Pools joodse componist André Tchaikovsky.

Zaza

Een aardige rariteit van Leoncavallo verrukkelijk vertolkt door Svetlana Aksenova die hier nu niet eens een lief teruggetrokken meisje speelt.

Träume

De debuut cd van Jenufa Gleich waarin ze nadrukkelijk haar visitekaartje afgeeft als toekomstige Brünnhilde.

Owen Wingrave

Owen Wingrave (TV Movie 2001) - IMDb

Gerald Finley excelleert als het personage dat Brittens pacifistische levensvisie volledig herkenbaar over het voetlicht brengt.

Mathis der Maler

Een prachtige opname van Hindemiths zelden opgevoerd meesterwerk over een verontrustend thema met de prachtige Manuela Uhl als Ursulu.

Tiefland

Verismo op z’n Duits van Eugen d’Albert in een sterke bezetting met Petra Maria Schnitzner als het groot geworden misbruikte weeskind Martha.

Ariane et Barble Bleu

Een mooie productie waarin de bevrijde vrouwen een verblijf bij Blauwbaard verkiezen boven de wereld die ze zijn ontwend. De ultieme Stockholm syndroom opera.

Heimwee naar Moll en Meier

Grote stemmen uit het recente verleden komen samen in een schitterende uitvoering van Parsifal

Dr Atomic

Een aansprekend voorbeeld van een eigentijds werk over een grote historische gebeurtenis.

Billy Budd

dvd_bri_billybudd

Een analyse van de driehoeksverhouding tussen Billy, Vere en Claggart naar aanleiding van de fraaie vertolking door Jacques Imbrailo.

The merchant of Venice: de opera

TEKST: PETER FRANKEN

Dit werk is de enige opera van André Tchaikowsky (1935-1982). De opera kreeg pas zijn eerste opvoering tijdens de Bregenzer Festspiele van 2013. We kunnen we ons gelukkig prijzen dat er uiteindelijk toch een wereldpremière heeft plaatsgevonden waarvan een opname op dvd is uitgebracht.

De keuze voor de stof is opmerkelijk: de componist was een Poolse jood die de oorlog wist te overleven en na zijn emigratie de Britse nationaliteit aannam. Het zal zijn grote waardering voor het werk van Shakespeare zijn geweest die hier de doorslag gaf, de joodse woekeraar Shylock zal voor hem toch een wat minder aantrekkelijk personage zijn geweest.

Het libretto van John O’Brien doet nadrukkelijk recht aan de relevante delen van het originele toneelstuk maar de meer komische passages zijn grotendeels weggelaten. We kijken niet naar een blijspel met liefdesperikelen waarin toevallig ook nog een jood belachelijk wordt gemaakt, het gaat hier primair om de onbeantwoorde liefde die Antonio voelt voor zijn vriend Bassanio en om de joodse bankier Shylock die zich talloze keren door Antonio vernederd heeft gevoeld.

Die grenzeloze hopeloze liefde brengt Antonio er toe om met inzet van zijn eigen leven borg te staan voor een lening die Bassanio wil afsluiten, uitgerekend om de door hem beminde Portia het hof te maken. Shylock ziet zijn kans schoon om nu eens die gehate Antonio te vernederen door hem te laten instemmen met die onzinnige voorwaarde dat hij hem een pond van zijn vlees moet afstaan als de lening niet binnen de gestelde termijn is terugbetaald. En dan komen Antonio’s schepen niet terug, naar later blijkt gewoon niet op tijd. Shylock houdt vast aan het contract, accepteert geen vervangende betaling, ook niet na aandringen van de hertog. ‘Jullie scholden mij uit voor hond zonder enige aanleiding, nu zal ik je laten zien dat die hond tanden heeft.’

De verbittering van Shylock is tussentijds nog toegenomen doordat zijn dochter Jessica er met de christen Lorenzo vandoor is gegaan, met medeneming van het grootste deel van zijn dukaten en juwelen. Hierom werd hij uitgelachen en ruw bespot door de omstanders toen hij thuis kwam in een leeg huis, een situatie die doet denken aan Rigoletto, ook iemand die een dochter gevangen hield voor de boze buiten wereld.

In de tweede akte bevinden we ons in Belmont waar would be echtgenoten moeten kiezen uit drie kisten, van goud, zilver en lood, met in één daarvan Portia’s portret.

Tijdens de rechtszaak toont Shylock zich onverbiddelijk. Bassanio en zijn wat losbollige vriend Gratiano, die inmiddels is getrouwd met Portia’s vriendin Nerissa, putten zich uit in hyperbolen. Ze zouden graag het leven van hun vrouwen opofferen om Antonio te redden. Probleem is dat die twee inmiddels in de rechtskamer aanwezig zijn, vermomd als geleerd jurist en zijn griffier. Portia mompelt dan ook zachtjes dat een dergelijke uitlating door hun vrouwen niet in dank wordt afgenomen. Nadat Portia door een list Shylock op de knieën heeft gekregen, alleen vlees en geen bloed, en exact een pond op straffe van Shylocks dood wegens moord, eist ze van Bassanio een beloning. Ze wil de ring die hij draagt, uitgerekend de ring die hij van haar heeft gekregen. De opgeluchte Antonio brengt hem er echter toe de ring toch te geven, een kunstje dat Nerissa ook met Gratiano uithaalt.

Het drama is ten einde maar het is een blijspel dus komt er nog een lachmoment. Als de mannen zich weer melden in Belmont zijn de twee vrouwen net op tijd terug om hen te laten smeken om vergeving als blijkt dat ze ringloos zijn gearriveerd. Hieraan voorafgaande is er een lang duet van Jessica en haar geliefde Lorenzo die ook in Belmont waren opgedoken na die schaking en op Portia’s landgoed mochten passen tijdens haar afwezigheid.

Het toneelbeeld in de productie van Keith Warner wordt tijdens de eerste akte bepaald door verrijdbare dikke wanden waarvan het oppervlak oogt als een verzameling bankkluizen. Alles draait hier om geld. De ontmoeting van Antonio en Shylock vindt plaats in een zaal die zoiets als de verzekeringskamer van lloyds Register moet voorstellen, met veel werknemers achter lessenaars. Iedereen in Edwardian style kleding, ook Shylock. Het is de tijd dat joden nog redelijk goed geassimileerd en geaccepteerd leken, uiteindelijk vooral doordat ze de spil waren van de financiële wereld. Ook in Venetië kon iemand als Shylock wel degelijk zijn recht claimen, zonder hem en zijn collega’s voer er immers geen schip uit?

Met klein spel wordt de afkeer van Antonio voor Shylock belicht, tussen hen beiden bestaat regelrechte vijandschap. Het zegt vooral iets over Antonio’s crush voor Bassanio dat deze ontmoeting überhaupt plaatsvindt.

De tweede akte is vaudeville in vergelijking met het voorafgaande. Daarna zien we een rechtskamer waarin Shylock zijn koffer uitpakt. Er komt een eenvoudige weegschaal tevoorschijn en een set chirurgisch gereedschap. Over en weer worden beledigingen uitgewisseld die de kloof tussen joden en christenen reflecteren.

De countertenor Christopher Ainsly vertolkt de rol van de relatieve outsider Antonio die uiteindelijk alleen achterblijft, een formele relatie zit er voor deze homofiele man niet in. Op zich prima gedaan maar ik hou niet van zo’n stem. Zijn directe tegenspeler Shylock krijgt een fenomenale vertolking door Adrian Eröd, perfecte type cast mede dankzij de nodige kap en grime. Hij gaat helemaal op in zijn rol en weet bij de toeschouwer lange tijd een zekere empathie te bewerkstelligen. Maar net als bij Medea gaat dat verloren zodra hij daadwerkelijk een moord wil plegen om zijn gram te halen.

Charles Workman neemt de rol van Bassanio op zich, doet me iets teveel denken aan zijn graaf Elemer in Arabella maar kan ermee door. Portia en Nerissa zijn in goede handen bij respectievelijk Magdalena Anna Hofmann en Verena Gunz. En Kathryn Lewek mag zich uitleven als de rebelse dochter Jessica. De overige rollen zijn adequaat bezet.

De muziek doet denken aan Alban Berg en Benjamin Britten al heb ik met name in de tweede akte vooral associaties met Prokofjev. Wat daar gebeurt is uiteraard in zijn ongerijmdheid te vergelijken met diens The love of three oranges en muzikaal klinkt het navenant.

De Wiener Symphoniker staan onder leiding van Erik Nielsen.

André  Tchaikovsky spelt Beethovens Piano Sonata No.31, Op.110 in A flat major:

Was Anna Nicole inspiratiebron voor Gürbaca’s Violetta?

TEKST: PETER FRANKEN

In 2011 ging een nieuwe opera van Mark-Antony Turnage (1960) in première bij de Royal Opera: Anna Nicole op een libretto van Richard Thomas. Net als bij Mozart en Da Ponte of Sullivan en Gilbert is het ook hier nauwelijks mogelijk de bijdrage van componist en tekstschrijver te scheiden.

Thomas is uitgegaan van het stormachtige leven van Anna Nicole Smith dat zich voornamelijk in de Verenigde Staten in de belangstelling van het grote publiek kon verheugen. Haar vroege dood door een ‘unintentional overdose’ riep al direct herinneringen op aan het tragische lot van Marilyn Monroe, een ander populair icoon dat korte tijd als een brandende fakkel enorm de aandacht trok om vervolgens als een waakvlam uit te gaan.

Thomas belicht een aantal scènes uit het leven van Anna Nicole te beginnen met haar jeugd in een of ander shithole in Texas als lid van een trailor trash gezin. Ze wordt als tiener zwanger, krijgt een zoon die door haar moeder wordt opgevoed en vertrekt naar Houston, de metropool van de Lone Star State. Daar komt haar carrière als lapdancer maar niet van de grond vanwege haar ‘breastproblem’. In dat beroep val je alleen maar op met tenminste cup E en ze laat zich door een siliconen specialist een nog grotere maat aansmeren. Think big, think F for fabulous. Bij vertrek krijgt ze pillen mee tegen de bijbehorende chronische rugpijn. Take two of these for the rest of your life. Het is het begin van een drugsverslaving die haar uiteindelijk een vroege dood zou bezorgen.

Maar dankzij die ‘fabulous tits’ weet ze wel een miljardair te scoren: J.Howard Marshall II. Die overlijdt echter al na een paar jaar, hij was ook al bijna 90 toen ze trouwden. En er is geen testament waarin haar de beloofde helft van zijn vermogen wordt nagelaten. En na tien jaar procederen is ze daar nog steeds geen stap verder mee gekomen, zo vertelt Anna aan Larry King als ze samen met haar lawyer Stern te gast is in diens show.

De opera gaat voorbij aan de episode als playmate en tv beroemdheid maar focust op de teloorgang die door Stern treffend wordt gekarakteriseerd als ‘the yardsale of your life’ waarin elk moment dat publiek zou kunnen trekken te gelde wordt gemaakt. Hij laat haar pijnkreten slaken voor betaal tv zogenaamd tijdens de weeën bij de geboorte van haar dochtertje, om gelijk maar het dieptepunt te memoreren. Als zoon Daniël een paar dagen na die geboorte overlijdt, eveneens aan een ‘unintentional overdose’ leidt dat feitelijk Anna’s dood in.

Zelfs wanneer je deze levensgeschiedenis ‘smaakvol’ in beeld zou brengen is de kwalificatie ‘ordinair’ al een eufemisme maar we zijn in Texas en dat maakt het natuurlijk nog een paar graden erger. In 2011 zou ik deze productie nog wel met een glimlacht hebben kunnen bekijken maar na de periode Trump en de definitieve teloorgang van het laatste restje respect dat ik voor ‘the American culture’ kon opbrengen is het niets minder dan een bezoeking. En doordat er zo goed wordt geacteerd is het helemaal niet meer om aan te zien. Zeer gemengde gevoelens derhalve.

In de eerste akte is een tweetal koren, vrouwen links, mannen rechts, prominent aanwezig om alles te becommentariëren. Anne’s moeder is de belangrijkste verteller, mooie rol van Susan Bickley en met al haar onvolkomenheden eigenlijk het sympathiekste personage. Stern komt te vroeg op, verkeerde akte, en wordt door het koor uitgemaakt voor een hele rits varianten op de duivel. ‘Anything else’ vraagt Gerald Finley sarcastisch. ‘Yoko Ono’ wordt er dan geroepen, een van de weinige subtiele grapjes te midden van Jerry Springer lowlife teksten. In vergelijking met deze productie is Bieito’s Mahagonny beslist smaakvol te noemen.

Party!

Turnage’s muziek leunt sterk op jazz. Er is niet voor niets een jazztrio aan het orkest toegevoegd onder aanvoering van drummer Peter Erskine. Verder klinkt het door die twee koren met hun strakke licht swingende tekstvoordracht regelmatig als een Broadway musical. Maar in de solo passages wordt duidelijk welke eisen er aan de zangers worden gesteld, geschoolde stemmen zijn absoluut noodzakelijk al is dat natuurlijk niet voor elk van de dertig rollen het geval.

Eva-Maria Westbroek is fenomenaal als Anna Nicole, vooral ook doordat ze haar personage acterend en soepel bewegend zo overtuigend weet te presenteren. Dat ze die rol goed zou kunnen zingen was iets waaraan niemand hoefde te twijfelen maar voor het overige doet ze nauwelijks onder voor een doorgewinterde Broadway artiest.

Finley kan prima uit de voeten als de gewiekste lawyer Stern en Alan Oke is zeer overtuigend als overjarige Marshall die na twee lange huwelijken gaat voor een derde, al was het maar om zijn kinderen te laten ‘dansen’ voor hun erfenis.

Aardige bijrol van Peter Hoare als Larry King die zogenaamde een verrassing heeft voor zijn gast: een rechtstreeks videoverbinding met haar honden, hier een stel bewegende poppen in Mickey Mouse stijl.

Anna Nicole Smith was na haar dood nog even ‘wereldnieuws’ maar inmiddels weet vrijwel niemand meer wie ze nu precies was. Na de reeks in Londen zijn er tot op heden dan ook maar weinig andere producties van dit werk geweest en ik verwacht niet dat daar veel verandering in zal komen. De opname die door Opus Arte op dvd is uitgebracht ervaar ik vooral al een bekrachtiging van het zeer negatieve beeld dat ik inmiddels van de Amerikaanse maatschappij heb gekregen.    

Trailer:

The making of:

     

                                                                                                                               

Petit bourgeois verismo recognisably displayed in Zazà

TEXT: PETER FRANKEN


Leoncavallo is often seen as a one-day-wonder: after his opera debut with I Pagliacci, he did not achieve any lasting success. And because of the content of that one-acter, Leoncavallo is of course easily dismissed as a verismo composer.



In his La Bohème from 1897, there is still some verismo, but Zazà, with which the composer was successful for a while after its premiere in 1900, is no more than a small middle-class drama. Albeit with a singer as instigator which makes it a bit bohemian and thus we are already moving towards the harsh reality of life. In 2020, the work was on the programme of Theater an der Wien and a DVD recording was made of it, with Svetlana Aksenova in the title role.



In the end, nothing terrible happens in Zazà, nobody dies and the main character does not succumb to heartbreak, at least on stage. She is the star of a small musical theatre in Saint Etienne and has set her sights set on Milio, an unremarkable businessman who likes to hang around the dressing room to get a flavour of the artistic life. Milio is not looking for an affair which only makes him more attractive to Zazà. During a scene in which she is alone with him for the first time, she sets off an assault in which she literally climbs the man.



The delightful Svetlana Aksenova shows a completely different side here than I was used to seeing. In Amsterdam, she played some modest sweet girls like Fevronja, Lisa and Elisabeth, but here she is a tigress on the warpath. She acts so naturally and moves so easily that it is fun to watch. Seductress and comedienne all in one and of course, in the meantime, she just keeps on singing.



Milio manages to prolong his presence in Saint Etienne for six months during which he has a stormy affair with Zazà. But he must return to his family in Paris and then emigrate to America. When Zazà is tipped off by her former lover and colleague Cascart that Milio is married, she hurries to Paris to try and disprove the story. Or to confirm it, but then of course with the expectation to hear that he has for a long time wanted to get rid of his wife and that he only loves her, Zazà. But, alas, things turn out differently.

She manages to get hold of the address and pays a visit, just as Milio’s wife is taking her husband to the station for a final business trip to Saint Etienne. But their daughter Totò is at home and by talking to her, Zazà realises that she is in the process of upsetting a happy marriage.


Nevertheless, on her return she tries to make Milio choose her after all, but when she announces that she has spoken to his wife and child and told them everything, Milio goes crazy. Zazà knows enough, her great love has chosen for his family, it is over. In a real verismo opera, this last scene would, of course, be accompanied by the necessary violence, with one of the two stabbing the other. But here we are dealing with bourgeois verismo and thus the drama is limited to distress and grief. It is quite exciting, by the way, and it is very intense.



The stage setting is simple, a few scantily furnished rooms on a revolving stage, that are supposed to represent the dressing room, the love nest and the living room of Milio’s Parisian flat. The costuming is fairly contemporary and Zazà in particular is given a series of beautiful dresses which, of course, always have to be taken off with the help of a man. She wants to be the centre of attention, as a singer on stage and as a woman behind the scenes. Lack of attention from her mother has scarred this fatherless girl for life.


Aksenova is on stage singing for about 100 minutes, an absolute marathon that she seems to be able to complete with ease. Not showing a trace of fatigue from beginning to end, she is in excellent voice and gives a wonderful interpretation of the title heroine.



Nikolai Schukoff has considerably less to sing as Milio, but he certainly makes his mark on the scenes in which he is present. His aria at the beginning of the third act is moving: ‘O mio piccolo tavolo….Mai più, Zazà’.



Christopher Maltman attracts attention with his interpretation of Cascart, beautifully acted and beautifully sung. For a moment, he is on stage together with Zazà when the audience asks for ‘The Kiss’ as an encore. It is a playful scene with a different musical idiom, sounding something like Léhar. In the rest of the opera, with some imagination, we can hear short fragments of Pagliacci and musical lines reminiscent of Leoncavallo’s Bohème. It is all very pleasant but the music does not stick.

This recording is not one of a forgotten masterpiece but rather it is a curiosity and as such highly recommended. And if not because of Leoncavallo, then definitely because of Aksenova’s interpretation!

My ‘old friend’ Stefan Soltesz is the musical director. I have sat in the audience countless times in Antwerp and Essen when he was conducting there. I always held him in high esteem and it is a pleasure to hear him again.

Photo’s © Monica Rittershaus

Interview with Svetlana Aksenova from 2016

Bellini’s I Capuleti e i Montecchi uit Zürich

TEKST: PETER FRANKEN

Het libretto van Felice Romani lijkt oppervlakkig op Shakespeare’s toneelstuk maar maakt gebruik van oudere bronnen. Zo zijn de Capuleti en de Montecchi rivaliserende politieke groeperingen in plaats van twee in aanzien gelijkwaardige families die gescheiden worden door een vete. De Capuleti staan voor de Guelfen, de Montecchi voor de Ghibellijnen. Giulietta is verloofd met Tebaldo maar in het geheim verliefd op Romeo, iemand uit het andere kamp. Om het ingewikkeld te maken heeft Romeo per ongeluk Giulietta’s broer vermoord tijdens een degengevecht waarna hij uit Verona is verbannen.

De gehele opera speelt zich af in en om het paleis van de Capuleti waarvan het familiehoofd de naam Capellio draagt. Bij aanvang zien we een spoedvergadering in de vroege ochtend. De Ghibellijnen onder aanvoering van de gehate Romeo bereiden een aanval voor. Romeo is al zo lang niet meer in de stad gezien dat niemand nog weet hoe hij eruit ziet. Dat hij toegang heeft gehad tot Giulietta kan alleen met hulp van binnenuit het geval zijn geweest. Daar speelt Lorenzo, de lijfarts van de familie, een grote rol.

Romeo komt naar Capellio’s paleis om over vrede te praten. Het moet nu maar eens afgelopen zijn met die eeuwige strijd, temeer daar hij er nu ook persoonlijk belang bij heeft. Hij komt echter als Romeo’s afgezant en niemand doorziet dit. Als hij vrede voorstelt onder voorwaarde dat de Ghibellijnen en Guelfen gelijke rechten krijgen in de stad en ter bezegeling daarvan Romeo met Giulietta mag trouwen, ontsteekt Capellio in grote woede. De moordenaar van zijn zoon als schoonzoon? Dat nooit. Sowieso heeft hij al een schoonzoon klaar staan in de persoon van Tebaldo die zwaar verliefd is op Giulietta. De ontmoeting eindigt met een ongeremde oproep tot nieuw geweld: dood aan de Ghibellijnen.

In de volgende scènes zien we Romeo via een geheime ingang in Giulietta’s slaapkamer doordringen. Hij ziet haar voor het eerst sinds lange tijd maar de liefde is allerminst gedoofd. Maar toch weigert ze met hem het paleis te ontvluchten. Letterlijk zegt ze dat ze wordt tegengehouden door een macht die sterker is dan de liefde. Dan gaat het om familie eer, loyaliteit, gehoorzaamheid aan de wet. Feitelijk is hier sprake van een meisje dat de facto gegijzeld is door haar vader en aan een Stockholm syndroom leidt. Die enorm sterk gevoelde dwang om aan al haar vaders wensen en vooral eisen te voldoen (zijn wil is haar wet) komt duidelijk naar voren als ze in een later stadium zijn begrip en vergeving vraagt voor de omgang met Romeo, en hij dat ondanks alle smeekbeden hardvochtig afwijst.

Lorenzo wil Giulietta te hulp komen door middel van een drank die haar schijndood zal maken waardoor het huwelijk met Tebaldo kan worden verijdeld. Hij zal Romeo op de hoogte stellen van deze situatie zodat die zijn geliefde kan ontvoeren zodra ze weer bij kennis is. Maar Capellio vertrouwt de lijfarts niet meer en geeft opdracht hem goed in de gaten te houden. Zodoende loopt alles anders met de bekende afloop. De dood van die twee wordt overigens al ruim tevoren getelegrafeerd als we de moeite nemen goed naar de tekst te kijken. Voortdurend spreekt Giulietta over de dood als haar enige uitweg, over dat een huwelijk met Tebaldo haar dood betekent enzovoort. Ook Romeo heeft maar weinig vertrouwen in een goede afloop tijdens zijn aardse leven. Hij ervaart de dood als zijn permanente metgezel, altijd nabij waar hij ook gaat. In dat opzicht vertoont het gebeuren veel overeenkomsten met de tweede akte van Tristan und Isolde.

Het componeren van dit werk uit 1830 was een haastklus voor Bellini en hij loste dit op door een tiental complete stukken uit zijn mislukte opera Zaira in omgewerkte vorm te gebruiken. Als we de muziek vergelijken met zijn latere werk dan valt op dat belcanto hier vooral de betekenis heeft van mooie zang, zonder die opgeklopte uithalen in de hoogte die zo kenmerkend zijn voor La Sonnambula en vooral I Puritani. Het valt te betreuren dat de componist niet verder is gegaan op deze weg maar zich heeft aangepast aan de kennelijke smaak van het publiek, met dank aan Rossini. Opmerkelijk is ook de keuze van een mezzo voor de rol van de minnaar, geen tenor-sopraan duetten hier. Tebaldo neemt in dat opzicht de honneurs waar en Capellio vervult de rol van de bariton die er een stokje voor steekt.

Uit Zürich komt een opname op dvd van een productie uit 2015 van Christof Loy. Op een draaitoneel zijn verschillende binnenruimtes van Capellio’s paleis te zien, waaronder Giulietta’s slaapkamer. Het idee van een opgesloten meisje dat geheel is overgeleverd aan de nukken en grillen van een overheersende vader – nergens een moeder met mitigerende invloed te bekennen – staat centraal in Loys benadering. Romeo is voortdurend vergezeld van een figurant: de Dood, wat sommige scènes extra beklemmend maakt.

De Guelfen zijn gestoken in avondkleding, de Ghibellijnen zien er uit als boeren en buitenlui. De vertrekken ogen sober, vergane glorie uit het interbellum. Opvallend is dat de Guelfen die als één man achter Capellio staan in hun afwijzing van de Ghibellijnen en die walgelijke Montecchi, nadrukkelijk pleiten voor een minder harde aanpak van Giulietta, zelfs Tebaldo staat allesbehalve op zijn strepen. Hij wil haar alleen trouwen als dat uit vrije wil is, van een gedwongen gesleep naar het spreekwoordelijke altaar wil hij niets weten. De muziek verloopt heel rustig en dat geeft de protagonisten alle gelegenheid hun teksten over het voetlicht te brengen. En die zijn een stuk interessanter dan in Gounods versie.

Joyce DiDonato schittert als Romeo, absoluut perfect, fantastisch optreden. Haar Giulietta is Olga Kutchynska die uitstekend partij weet te geven. Alexei Botnarciuc oogt als Capellio een beetje als Marlon Brando in The Godfather. Zijn zang is goed verzorgd, acterend tikje eenzijdig.

Mooie invulling van de rol van Giulietta’s officiële verloofde Tebaldo door tenor Benjamin Bernheim. Roberto Lorenzi is een sympathieke Lorenzo.

Fabio Luisi heeft de muzikale leiding.

Foto’s © Monika Rittershaus

discografie: Over Romeo en Julia van Bellini

Gürbaca’s Traviata is spijkerhard

TEKST: PETER FRANKEN

Tatjana Gürbaca is een begaafd regisseur die als geen ander haar visie op een opera tot uitdrukking weet te brengen. En na meerdere producties van haar gezien te hebben weet ik ook dat ze niet iemand is die ‘binnen de lijntjes kleurt’. Maar dat betekent geenszins dat ik die visie altijd in dank afneem en bij haar Traviata voor de Noorse Opera, hernomen voor DNO, is dat duidelijk het geval.

Gürbaca toont Violetta in de voorstelling die gisteren als matinee voor een uitgedund publiek in première ging als een vrouw die door zichzelf te verkopen een media persoonlijkheid is geworden in een tijd dat dit fenomeen zich nog grotendeels tot het roddelcircuit en de boulevardbladen beperkte. Niettemin ligt haar leven onder een vergrootglas en om dat aspect uit te lichten laat de regie het koor vrijwel permanent aanwezig zijn. Niet slechts waar het een voorgeschreven rol heeft zoals in de twee feestscènes, maar ook tijdens de meer intieme momenten. En het zijn beslist geen toeschouwers die zich onbetuigd laten, ze brengen hun eigen bedoening mee.

Gürbaca hanteert het koor als een ongetemde beestenboel om haar ‘stark seksualisierte’ visie op het hele gebeuren over het voetlicht te krijgen. Plat gezegd, het motto is ‘all you can fuck’. De kleinste aanleiding volstaat om elkaar uit te gaan kleden en natuurlijk ‘droog’ te neuken, immers ‘il y a des grenze’ zoals een oud-collega Frans placht op te merken als een leerling over de schreef dreigde te gaan.

MARK BIGGINS - conductor
Biggins © Anderas Grieger

Natuurlijk is Violetta gewoon een chique hoer zonder echt liefdesleven maar door een feestje en een orgie met elkaar te verwarren wordt dit aspect van haar leefomgeving wel erg fors aangezet en dat gaat ten koste van enige empathie die je voor de protagonisten zou kunnen ervaren. Overigens moet gezegd dat de wijze waarop het koor wordt geregisseerd en waarop het zich van zijn taak kwijt getuigt van enorm vakmanschap. Compliment voor de koorleden, hun dirigent Mark Biggins en vooral Gürbaca.

Gespeeld wordt op een kleine verhoging midden op het verder lege toneel. Het koor golft er grotendeels omheen wegens plaatsgebrek. In de laatste akte wordt twee derde van die verhoging weggehaald: Violetta’s leefomgeving is nu heel erg klein geworden en gelukkig betekent dat ook dat die voortdurende invasie van al die ‘clowns’ achterwege blijft. In haar doodsstrijd wordt de vrouw een beetje privacy gegund, maar vooral doordat niemand zich nog om haar lot bekommert. Ze is passé, haar ster is gedoofd. Dat werd al ruw ingewreven toen ze op Flora’s feest haar opwachting maakte met wat cadeautjes. Er werd ‘per ongeluk’ wijn over haar jurk gegooid, een taartje op haar uitgedrukt, geduwd en getrokken, uitgelachen. Ze was er vandoor gegaan als een verliefde tiener en had zodoende haar reputatie verpest, gewoon weer van onderop beginnen.

In de productie van Willy Decker valt Violetta ook vooral hoon ten deel in die scène maar hij laat iets aan de verbeelding van de toeschouwer over. Zo niet Tatjana Gürbaca, we krijgen alles uitgespeld. Zelfs als Germont zingt over zijn familie die Alfredo in de steek heeft gelaten krijgen we die lui te zien. Er wordt een eettafel met stoelen op de verhoging geplaatst en het gezinnetje zit aan de soep, compleet met de verloofde van Alfredo’s zusje, hier getoond als een wel heel jong kind.

Die kwam aan de hand van papa het toneel op waar het mannenkoor nieuwsgiering omheen dromt. Gelijk staat ze in het middelpunt en na enig crowdsurfing en aan- en uitkleden heeft zij Violetta’s kleren aan en loopt laatstgenoemde in een slecht vallend kinderjurkje. De mogelijke symboliek staat me zozeer tegen dat ik er niet verder op in ga.

En dan de zangers en de muziek. Die maakten heel veel goed deze middag. Opvallend was de invulling van Annina’s rol, vanaf het begin hoererend op het toneel aanwezig als cassière van haar madam die on the side wat bij verdiende. Ze was blij toen het uit was met Alfredo, een dweil van een vent die haar had beroofd van feestjes en extra inkomsten. En Inna Demenkova mocht aan het einde ook nog wat zingen. Flora kwam voor rekening van Maya Gour, met zo’n vriendin heb je geen vijanden meer nodig.

George Petean zong zijn Germont met veel overgave maar soms een tikje onzuiver. Hij kwam goed over als de man uit de provincie die in deze Parijse beestenboel niets te zoeken had.

Over de Alfredo van de Russische tenor Bogdan Volkov was ik beter te spreken, hij gaf werkelijk alles maar kon geen stempel op de gang van zaken drukken doordat hij zo nadrukkelijk werd getoond als outsider die geen moment serieus wordt genomen. En vermoedelijk ook niet echt door Violetta.

Gürbaca stelt dat Alfredo haar nieuwe project is, nu ze voelt niet lang meer te zullen leven probeert ze iets nieuws. Ze geeft zichzelf weg in plaats van zich te verkopen. Hij teert in zijn onnozelheid op haar kosten, als een gigolo.

Wat Alfredo aantrekkelijk maakte is dat hij als enige aandacht toont voor haar welbevinden, dat treft zelfs de meest geharde personen die al sinds jaar en dag in een gepantserde bubbel leven.

De Armeense sopraan Mané Galoyan bleek goed opgewassen tegen de eisen die de regie en de partituur aan haar stelden. Haar stem vertoonde in het begin nog een lichte schrilheid die gaandeweg geheel verdween. Ze is zeker in de hoogte hoewel ze in mijn beleving soms wel iets te sterk aanzette, temeer daar ze diezelfde noten een paar maten later gewoon ook heel zacht bleek te kunnen zingen. Met name in haar ‘Addio del passato’ was dit opvallend. Normaal gesproken is die scène en het daarop volgende verscheiden van de heldin een emotioneel moment. Dat heb ik deze keer volledig gemist, het liet me Siberisch. Maar dat lag zeker niet aan Galoyan, een groots optreden, heel mooi gedaan.

Andrea Battistoni leidde het goed spelende NedPho met groot enthousiasme, hoewel niet overal even subtiel. Zo werd het in elk geval in muzikaal opzicht een geslaagde middag.

Foto’s © Monika Rittershaus

Jenufa Gleich impresses with Wagner arias

TEKST: PETER FRANKEN


The American soprano Jenufa Gleich has recorded a CD with arias and songs by Richard Wagner. And they are the ones closest to the bel canto profession in which she was trained. Accompanied by the BBC National Orchestra of Wales, conducted by Fabrice Bollon, she here presents her calling card; the result is a beautiful album.

Not entirely unexpectedly, she opens with a great aria from Wagner’s first opera, Die Feen. In many ways, this work is an embryonic Wagner, a recognisable prelude to his later work, much more than Das Liebesverbot and Rienzi. But the composer made the same high demands on his protagonists that would characterise his later works. The prima donna in Die Feen, the fairy queen Ada, needs to be a dramatic soprano of the calibre of a Brünnhilde.

This has not stopped Gleich from including the very long ‘Weh’mir, so nah’ die fürchterliche Stunde’ in her programme and the result is astonishing. I have not often had the opportunity to listen to this spectacular piece; twice in the theatre and only once on CD, but her apparent ease and certainty in the difficult passages with often very high altitude, suggest that this soprano certainly does not have to shy away from parts like Brünnhilde.



And later we hear her in this role again. But first she performs the aria of Elisabeth who, after years of waiting for her beloved Tannhäuser, finds out that he is not among the group of pilgrims returning from Rome. Hope has turned to despair, the will to live is fading away. She prays to the Holy Virgin to accept her into heaven as an angel so that she can pray for Tannhäuser’s salvation: ‘Allmächt’ge Jungfrau’. It sounds touchingly beautiful and in fact I think Gleich is here at her best, of course this aria is also relatively close to her bel canto craft.

Earlier, Elisabeth was still full of hope, when she entered the singing hall after so many years: ‘Dich teure Halle’. This is a favourite of many sopranos who cautiously venture into the Wagnerian repertoire without wanting to go further than the romantic operas. Excellently sung, but perhaps a slightly too obvious choice. I would have preferred an aria by Isabella from Das Liebesverbot.

Via ‘Traf ihr, das Schiff’ or Senta’s Ballade from Der fliegende Holländer we arrive at the big surprise I mentioned earlier: Brünnhildes’ ultimate attempt to (just a little longer) keep the testosterone-fuelled Siegfried off her back. She is overcome by melancholy and fear of the unknown: the definitive break with her existence as a divine being. In ‘Ewig war ich, ewig bin ich’, the part that many also know as the instrumental ‘Siegfried Idyl’, Gleich frees herself from any last shred of doubt that the listener might have regarding her possibilities as a Wagnerian soprano in the great opera houses. The very high notes form a stumbling block for many aspiring sopranos but she takes them with such an apparent ease that,especially through repeated listening, you will be able to experience the performance in peace and quiet without any undue stress.

Up to now, Gleich’s experience with Wagner is rather limited with, among others, a performance as Dritte Norn under Jaap van Zweden in Hong Kong, also on CD. But Gleich is authentic Wagnerian material’, someone to look out for in the near future.



Last on the programme are the Wesendonck Lieder. A very refined interpretation, but one can hardly distinguish oneself with them. But with those earlier pieces one certainly can! This album is very worthy of a heartfelt commendation.