Peter Franken

Opera Odessa brengt klassieke Trovatore

Tekst: Peter Franken

 

SAG_2998-1

Inmiddels geen nieuwkomer meer op de Nederlandse podia, Opera Odessa. Na korte tournees met Turandot, Pique Dame en Madame Butterfly treedt het gezelschap dezer dagen op in Nederland met een klassiek vormgegeven productie van Il Trovatore.

Il trovatore is in muzikaal opzicht een van Verdi’s populairste werken maar op het toneel wil het werk wel eens wat ongeloofwaardig overkomen. Ik ben een verklaard tegenstander van opera in concertvorm maar ben bijna geneigd voor dit werk een uitzondering te maken. Gewoon het verhaal volgen betekent onwaarschijnlijke wendingen zonder commentaar voor lief nemen.

In dat opzicht is Il trovatore toch wel een vreemde eend in de bijt als we kijken naar Verdi’s werken uit de periode 1849 – 1853. Hij schreef daarin vijf opera’s in evenzo vele jaren: Luisa Miller, Stiffelio, Rigoletto, Il trovatore en La traviata. Zowel muzikaal als inhoudelijk zie ik Il trovatore in deze reeks als een stap terug, een rommelig libretto dat nauwelijks enige betrokkenheid bij de bordkartonnen personages weet te genereren en daar overheen vooral spectaculaire muziek die naar mijn smaak te veel op effectbejag is gericht.

Een team onder leiding van regisseur Thilo Reinhardt brengt het werk in een naturalistische setting waarbij omwille van de eenvoud het verschil tussen binnen- en buitenruimte zo min mogelijk wordt benadrukt. Soldaten zijn voorzien van uniformen, degens en kurassen. Zigeuners lopen in kleurrijke kledij, slapende mannen maken snurkende geluiden. In het zigeunerkoor ‘Chi del gitano i giorni abbella’ waarin ze blèren dat er altijd troost is in de vorm van een zigeunerinnetje zijn het twee vrouwen die een zwaard smeden op een heus aambeeld terwijl de mannen hun ochtendkater aan het verwerken zijn. Na elke scène gaat het doek even dicht voor een decorwisseling, bewerkelijk doordat er relatief veel rekwisieten worden gebruikt.

In de kleinere rollen viel de bijdrage van Kateryna Lian op. Zij zette een mooie Ines neer, de vertrouweling van Leonora. Ook de Ferrando van Viktor Schevchenko kwam goed uit de verf. Zijn grote aria ‘Di due figli vivea padre beato’ waarin hij de voorgeschiedenis van het verhaal samenvat, werd met veel overtuiging gebracht, zozeer dat zijn mannen zich vervolgens schrik lieten aanjagen door een onverwacht geluid.

SAG_3298

Roman Strachov nam de rol van de spreekwoordelijke bariton voor zijn rekening die tussen de tenor en de sopraan in staat. Zijn Conte di Luna is een personage dat afwisselend ten prooi valt aan jaloezie, woede, wraakgevoelens en verbittering. Luna is geen moment gelukkig en dat liet Strachov zowel zingend als acterend redelijk tot uiting komen.

De lage mezzo Tatiana Spasskaya wist overtuigend in de huid te kruipen van de zigeunerin Azucena. Stimmlich kon ze me aanvankelijk niet erg bekoren. Haar grote vertelling ‘Condotta ell’era in ceppi’ klonk erg ongepolijst. In haar latere bijdragen was Spasskaya veel prettiger om naar te luisteren. Haar bereik bleek groot genoeg om ook de hoogste passages aan te kunnen en acterend stal ze de show. Ondanks haar onwaarschijnlijke verleden (wie gooit nu zijn eigen kind per abuis in het vuur?) wist ze zich te presenteren als het meest geloofwaardige personage.

Leonora was toevertrouwd aan Julia Tereshuk. Vocaal kan ze de rol prima aan maar toch vertoonde ze onnodig veel risicomijdend gedrag, met name bij het attaqueren van sommige hoge passages. Daarbij zette ze een keel op, om vervolgens in een volgende, vergelijkbare passage, mezzo forte te zingen. En bij de hoogste noten koos ze wat erg snel voor een lager alternatief. Verder niets dan lof voor deze Julia, ze was van begin tot einde een vast baken in deze roller coaster met als hoogtepunt een fraaie vertolking van Leonora’s topnummer ‘D’amor sull’ali rosee’.

Eduard Martyniuk nam de titelrol voor zijn rekening. Manrico heeft de bravoure van een man die in ‘alles’ uitblinkt, van minstreel tot vechtersbaas. Logisch dat Leonora voor hèm valt en niet voor zijn veel saaiere broer. Martinyuk wist dit vrij aardig over het voetlicht te brengen, al nam hij opvallend weinig risico in de lastige passages. Hij ging zoals verwacht direct los in ‘Di quella pira’ maar bleef bewust hangen onder de hoge C. Goede tenor maar niet de ster van de show.

SAG_3107

Il trovatore speelt zich af tijdens een burgeroorlog en Reinhardt laat dat zien zonder die context tot de kern van het stuk te verheffen. We zien een groepje nonnen die gewonden mannen verplegen en de suggestie wordt gewekt dat op de achtergrond een operatie wordt uitgevoerd. Gevechtshandelingen, plundering en wangedrag blijven buiten beeld. Des te meer valt de vrij expliciete suggestie van marteling op die Azucena ten deel valt als ze door Luna’s mannen is gevangen genomen.

Al met al is deze productie een vrij goed gelukte poging om dit rommelige werk dat het vooral van de muziek moet hebben librettogetrouw ten tonele te voeren. Dat op zich is een compliment waard. Ik kijk uit naar de volgende bijdrage van dit sympathiek gezelschap uit de fraaie stad Odessa, met zijn prachtige theater.

Bezocht op 14 oktober 2019

IL TROVATORE. Discografie

Il trovatore van Dmitri Tcherniakov, naar de opera van Verdi

IL TROVATORE in Amsterdam 2015

‘O tu, Palermo, terra adorata, De’ miei verdi anni – riso d’amor’. Ter nagedachtenis van Marcello Giordani

Advertenties

DNO herneemt bijna vergeten Cosi fan tutte

Tekst: Peter Franken

92.cosifantuttecd-ogaard1079

© Hans van den Bogaard

Temptation Island avant la lettre, zo probeert DNO Mozarts liefdesexperiment onder de aandacht van een jong publiek te brengen. Op zich goed gevonden, zo lijkt het, maar de oude productie uit 2006 oogt te gedateerd om die claim geloofwaardig te maken. Muzikaal was de première een succes maar het duurde allemaal wat lang.

In 2006 stond er een complete Da Ponte cyclus op het programma bij DNO in de regie van het duo Jossi Wieler en Sergio Morabito. De kritiek was niet van de lucht, met name het Beddenpaleis (Don Giovanni) moest het ontgelden, maar ook de Autosalon (Le nozze di Figaro) kon op veel commentaar rekenen. Inmiddels zijn beide werken al eens geprogrammeerd in nieuwe producties, voor hun herneming hoefde niet langer gevreesd te worden. De Jeugdherberg (Cosi fan tutte) kwam er nog het beste vanaf en deze productie uit 2006, eerder hernomen in 2009, staat nu weer op het programma.

82.cosifantutte-d-ogaard1165

© Hans van den Bogaard

Het decor van Barbara Ehnes suggereert een jeugdherberg, met tieners en adolescenten die duidelijk tot een bepaalde groep horen, gelet op hun padvinderachtige uniformen. We zijn aan het strand, er ligt wat zand rondom het draaitoneel en jongelui in weinig eigentijdse kleding draaien wat om elkaar heen. Het doet onwillekeurig denken aan Sommerferien aan de Oost Zee kust onder auspiciën van de Freie Deutsche Jugend. Dat Ferrando blauwe sokken draagt is wellicht een hint in de richting van deze FdJ, ook wel Blauwhemden genaamd.

81.cosifantutte-d-ogaard0974

©Hans van den Bogaard

Met Don Alfonso als een jeugdleider en Despina plotseling even in de rol van keukenprinses die de geüniformeerde jongelui van soep voorziet, is een pseudo eigentijdse setting gecreëerd. De rest van de ongerijmde handeling krijgt daarin zonder veel frictie een plaats, zolang je de gezongen teksten grotendeels voor kennisgeving aanneemt. Waar het om draait is het thema trouw in de liefde en de kern van Cosi – ‘zo doen zij allen’ – wordt veelal opgevat als een wel erg generaliserende negatieve kijk op vrouwen in het algemeen. Maar op die manier over mannen praten is bijna een cliché, getuige Despina’s ‘van mannen trouw verwachten, laat me niet lachen’. Er is veeleer sprake van een repliek op die gemeenplaats, vrouwen zijn heus niet zoveel anders dan mannen als het om de liefde gaat.

De natuur maakt voor de twee overmoedige jongens Ferrando en Guglielmo geen uitzondering en mede dank zij intensieve brainwashing door Alfonso en Despina gaan beide tienermeisjes voor de bijl. Goed, een dag is wel erg ongeloofwaardig, maar met een week was de uitkomst van de strijd (in liefde en oorlog….) tamelijk voorspelbaar geweest. Die meiden hebben zich kranig geweerd maar waren niet bestand tegen een lawine van list, bedrog en hormonale opwinding.

95.cosifantuttecd-ogaard0996

© Hans van den Bogaard

De productie als geheel kan er mee door, maar een topper zal het nooit worden. Ook de personenregie van de figurerende koorleden draagt niet echt bij aan het succes. Verder zijn er te vaak dode momenten waarin iemand zich omkleedt, nadenkt of stilletjes zit te flirten. Zoiets is dodelijk voor de vaart en dat kan deze uitgesponnen voorstelling niet hebben. Een Cosi met een zuivere speelduur van 200 minuten is te lang. Het is ironisch dat een Wagneriaan zich daarover beklaagt, maar punt is dat er gewoon te weinig gebeurt om het zo te rekken.

De langste opname onder Böhm duurt 165 minuten en dat verschil komt niet alleen voor rekening van de daarin gecoupeerde tweede aria van Ferrando. Dirigent Ivor Bolton neemt gewoon overal ruim de tijd. Onder zijn leiding laat het Nederlands Kamerorkest mooie klanken horen al vielen er wel de nodige missers in de hoornsoli te noteren. Wat de voorstelling ondanks alle gebreken tot een succes maakt is de zang.

Thomas Oliemans is als Don Alfonso een wat jonge ‘levenswijze’ vriend, iets te baritonaal wellicht maar uitstekend vertolkt. Zijn compagnon in de ad hoc firma list en bedrog is in handen van de sopraan Sophia Burgos die een sexy Despina neerzet, met passend bijdehand gedrag.

Het geplaagde viertal dat aan een experiment wordt onderworpen was uitstekend gecast. De bariton Davide Luciano als Guglielmo was voor mij de beste man van het veld, hij beviel me net iets meer dan zijn vriend Ferrando, de tenor Sebastian Kohlhep. Al heb ik na afloop geluiden gehoord die precies het tegenovergestelde suggereerden. Opvallend was dat Ferrando twee arias’s te zingen kreeg, zijn ‘Ah, lo veggio’ kwam mij in het geheel niet bekend voor, wordt kennelijk vrijwel altijd gecoupeeerd.

De mezzo Angela Brower, bijna een sopraan, zette een leuke Dorabella neer, goed gezongen en uitstekend geacteerd. Zij is minder naïef dan haar zuster, neigt in de richting van Despina waardoor ze in de handeling meer en meer een tussenpositie gaat innemen naarmate ‘the plot thickens’. Anet Fritsch tenslotte was een ideale Fiordiligi, zowel qua voorkomen als qua stem. Haar vertolking van de twee grote aria’s, de muzikale hoogtepunten van dit werk, was uitstekend verzorgd.

93.cosifantuttecd-ogaard1085

© Hans van den Bogaard

Terugkomend op de poging van DNO om deze productie te slijten als een leuke binnenkomer voor een jeugdig publiek: een in totaal vier uur durende voorstelling met schier eindeloze aria’s, tenenkrommende teksten en een plot die vandaag de dag in minder dan een uur verteld zou worden, is geen geschikt uithangbord voor deze doelgroep. En een gitaar spelende hippie op het toneel helpt ook echt niet, das war einmal.

Thomas Oliemans over zijn rol als Don Alfonso:

Bezocht op 3 oktober 2019

Cosi fan tutte: zo doen ze het allemaal (maar sommigen doen het gewoon beter)

Johan Simons brengt een goed doordachte Don Carlos

Tekst Peter Franken

Carlos

Opera Vlaanderen opent het seizoen met een nieuwe productie van Don Carlos. Het is al de derde sinds de heroprichting van het instituut dertig jaar geleden. Gekozen is voor de Franse versie, de Grand Opéra die Verdi schreef voor de Parijse Opéra.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Don Carlos waarin de titelheld een onmogelijke strijd voert om erkenning en liefde en wordt vermorzeld door een totalitaire christelijk politieke maatschappij.

Carlos Schille

Dat tijdsbeeld is vermoedelijk voor Schiller de aanleiding geweest de Infante tot de held van zijn toneelstuk Don Karlos, Infant von Spanien te maken. Het stuk dateert van 1787 en het strenge oordeel dat erin wordt geveld over de rol van de Kerk en de Inquisitie, in al zijn afstotelijkheid ten tonele gevoerd door de Grootinquisiteur, moet de latere Franse revolutionairen hebben aangesproken. Zozeer dat Schiller in 1792 het ereburgerschap van de Franse Republiek kreeg toegekend. Met enige fantasie kan in het personage Posa, de enige niet historische figuur in het drama, het alter ego van Schiller worden gezien.

https://mariaberini.files.wordpress.com/2018/03/siglo-xvi-5.jpg?w=1140

Een kleine eeuw later pakt Verdi de door Schiller geromantiseerde geschiedenis op en zijn librettisten werken het stuk om tot een klassieke Grand Opéra, in vijf aktes en een groot ballet. Verdi benadrukt dat er niets historisch is aan de inhoud van het werk, maar dat is toch te gemakkelijk. Zeker voor een Nederlander die van jongs af aan vertrouwd is met de figuur van Philips II, de grote boeman uit de Tachtigjarige Oorlog, blijft het moeilijk om in Verdi’s opera in het geheel geen ‘echte geschiedenis’ te willen zien.

Johan Simons komt ons in dit opzicht volledig tegemoet door een zeer goed doordachte poging te wagen de frictie tussen feiten en fantasie te verminderen. Hiertoe plaatst hij Carlos nog nadrukkelijker in het centrum dan het libretto aangeeft. We zien de 23-jarige Carlos in zijn stervensuur, opgesloten in een kamer in het paleis, waar hij verbannen uit de wereld mag leven of sterven, feitelijk doet dat er voor zijn vader Philips niet meer toe. De Infante was te gevaarlijk geworden en moest onschadelijk worden gemaakt.

Het cliché wil dat iemand in zijn laatste ogenblikken zijn leven aan zich voorbij ziet trekken. Hier gebeurt iets dergelijks met dien verstande dat we de voorbije gebeurtenissen te zien krijgen zoals ze door Carlos zijn gefantaseerd. Het is onduidelijk wat er mis was met deze jongeman maar hij functioneerde aan het hof op geen enkele wijze, zo wil men. Misschien was hij wel een fysiek gehandicapte borderliner met ADHD die er verder niet uitzag. Bedenk maar wat. Ongeschikt voor het hofleven, niet uit te huwelijken, een potentiële ramp als troonopvolger.

Carlos Elisabeth

Mary Elizabeth Willems (Elisabeth) en Leonardo Capalbo (Carlos)  (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns

Niettemin was er een match voor hem geregeld met de dochter van de Franse koning, Elisabeth van Valois. Dat was iets om naar uit te kijken voor deze 14-jarige puber. Maar dan gaat dit niet door en komt de eveneens 14-jarige Elisabeth naar het Spaanse hof als de nieuwe echtgenote van zijn 32-jarige vader Philips. Goed beschouwd was dit een royaal gebaar van de Spaanse koning naar zijn Franse collega. Voor Carlos is het een streep door de rekening en hij begint te fantaseren hoe het zou zijn geweest als Elisabeth en hij elkaar in Frankrijk hadden ontmoet. Het is te vergelijken met de jongensdroom over een onbereikbare liefde die veroverd kan worden door haar uit een brandend pand te redden.

De voorstelling begint in het klooster van San Yuste met de verschijning van Karel V. We beleven dit in de gefantaseerde herinnering van Carlos, gelegen op een bed. Alles wat volgt vindt plaats in diezelfde ruimte, feitelijk is het een Kammerstück. Na het bezoek van Posa volgt in de tweede scène een flashback naar Fontainebleau, de ontmoeting met Elisabeth en het moment dat de twee jonge tieners ter plekke verliefd werden. Dat dit korte moment van geluk nooit heeft bestaan, is voor Carlos niet aan de orde. Denk aan de ‘brandend pand’ metafoor. Zij hield van hem en is altijd van hem blijven houden, vandaar al die latere verwikkelingen.

In zijn op maat geslepen herinnering offert Carlos zich op en vertrekt om het volk van Vlaanderen te bevrijden van het juk van zijn vader en de Inquisitie. Maar hij, de held van het moment, wordt ook daarin de voet dwars gezet. Philips eist een dubbel offer, zowel Carlos als Elisabeth zullen moeten sterven. Dat is de prijs voor hun liefde. Gesproken als een echte puber, toch? Zo brengt Simons de twee werelden heel dicht bij elkaar en krijgt de toeschouwer iets mee van wat vermoedelijk de ware tragiek van de Infante is geweest.

Carlos Antwerpen

Auto da fe  (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns

The chorus puts the ‘grand’ in the Grand Opéra, las ik ergens. En de decors en het ballet vormen de visuele component. Simons’s productie voldoet zodoende niet aan de formele eisen om bestempeld te kunnen worden als een Grand Opéra. De decors van Hans Op de Beeck zijn grotendeels zeer ingenieuze videoprojecties. Het koor bevindt zich meestentijds achter het projectiedoek en is in de handeling gereduceerd tot statisch element dat de handeling becommentarieert. Het is een keuze die mede wordt bepaald door de situering van alle gebeurtenissen in de ruimte waarin Carlos is opgesloten. Hij regisseert daarin letterlijk alles, sleept bijvoorbeeld een voor een de op de grond liggende Vlaamse smekelingen het toneel op voorafgaand aan de Auto da fe.

Voor een ballet is in dit Kammerstück sowieso geen rol weggelegd. De beelden op het doek zijn gestileerd en doen vagelijk denken aan het werk van Giorgio de Chirico. De kostumering van Greta Goiris is fantasierijk met middeleeuwse accenten gekoppeld aan modieuze jaren ’50 stijlfiguren. Met name bij de aankleding van het koor heeft ze zich helemaal uitgeleefd. Bij de protagonisten gaat het er veel ingetogener aan toe. Zo loopt Elisabeth de hele voorstelling in een turquoise broekpak, op zich heel geschikt voor de scène in Fontainebleau maar weinig koninklijk. Anderzijds kan het natuurlijk duiden op de wijze waarop Carlos haar in zijn fantasie in dat liefdesmoment heeft gefixeerd.

Overigens is er zeer weinig gecoupeerd, de speeltijd van 210 minuten spreekt in dit opzicht duidelijke taal. Wat Simons brengt is een uitstekende lezing van dit grootse werk, een van Verdi’s meest aansprekende opera’s. Muzikaal was het zeer goed verzorgd. Alejo Pérez, de nieuwe chefdirigent van Opera Vlaanderen, had de zaken goed in de hand en liet het orkest tonen wat het waard is. Verder hield hij goed rekening met de zangers, ze hoefden niet tegen het geluid vanuit de bak op te boksen.

Niettemin waren de twee heren Carlos en Posa in de eerste scène onnodig luid, bijna schreeuwerig bezig, alsof het een wedstrijd was. In hun andere duetten hielden ze zich veel meer in. Leonardo Capalbo gaf overigens een uitstekende invulling aan de titelrol. Er werd een heleboel van hem gevergd doordat hij naast veel zingen ook zijn eigen fantasieën moest regisseren. Bariton Kartal Karagedik, eerder in Vlaanderen te gast in de titelrol van Le Duc d’Albe, was een prettig klinkende Posa.

Carlos drie

Leonardo Capalbo (Carlos), Andreas Bauer Kanabas (Philips), Kartal Karagedik (Posa)

Andreas Bauer Kanabas wist mij geheel te overtuigen als Philips II. Met name zijn topstuk, de monoloog ‘Elle ne m’aime pas’, was van grote klasse. Het verbale gevecht met Grootinquisiteur Roberto Scandiuzzi was een hoogtepunt in de voorstelling. Hier kijken we in de beerput van de samenleving ten tijde van de godsdienstterreur, feitelijk het historisch hart van de opera. Werner van Mechelen nam de rol van Karel V voor zijn rekening, goed gezongen.

Carlos Eboli

Raehann Bryce-Davis (Eboli)  (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns  (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns

En dan de beide dames. Eboli werd door de flamboyante mezzo Raehann Bryce-Davis neergezet als een hete bliksem met ‘maniertjes’. Acterend goed geslaagd en uitstekend gezongen. Mary Elizabeth Willems was een heel mooie Elisabeth. Technisch zeer goed verzorgd optreden, mooie klank hoewel hier en daar een tikje schel. Al met al een prima keuze voor deze rol.

Trailer van de productie:

Deze Don Carlos is een absolute aanrader. Weliswaar niet de originele Grand Opéra maar wel een hele grote opera. Er volgen nog 11 voorstellingen in Antwerpen en Gent.

Bezocht op 22 september 2019

DON CARLO(S). Een poging tot discografie

DON CARLOS in Antwerpen 2010

Castellucci’s Salome from Salzburg released on DVD and Blu-ray

Salome Asmik coverBy Peter Franken

Romeo Castelluci’s production of Salome was a remarkable success at the Salzburg Festival in 2018. Not least because of the phenomenal interpretation of the title role by Asmik Grigorian. The premiere was broadcast live on TV and, supplemented with material recorded during two subsequent performances, recently released on DVD and Blu-ray. Last summer, the production was repeated three times, again with great success, after which the visitors could have their previously purchased copies signed by Frau Grigorian.

A production by Romeo Castelluci is in fact a Gesamtkunstwerk. He directs and designs the costumes and the scenery. Only for the choreography does he allow someone else into his world. Castellucci is said to be not so much a director of persons as one who stages the entire space. His Salome therefore does not lend itself very well to wide-ranging interpretations, but can best be experienced as it is.

The broad, shallow stage of the Felsenreitschule is used in its entirety. The arches in the back wall have been closed, so that the audience is looking at a closed, greyish back wall, which contributes to the oppressive atmosphere. The stage is empty, with the exception of a number of gold-coloured objects, which sometimes play a role in the action, sometimes not.

The floor is shiny gold, making the light reflect in such a way that the players seem to be standing behind a transparent curtain. This is a small disadvantage of a recording in HD, the public in the auditorium did not notice it, as I know from my own experience. A large opening in the floor gives access to the cistern where Jochanaan is kept prisoner.

The costumes are fairly uniform: men in dark suits with faces partially painted in red. It is difficult to distinguish between the different characters; all of them are merely secondary figures in the drama that takes place between the three protagonists. Herodias, with green makeup, is also emphatically kept in the background.

Salome appears in a white dress holding a royal white cloak with a crown in her hand.  A red spot suggests that she is menstruating, emphasizing that although she is unmarried, she has more than reached the age of marriage. Moreover, this makes her extra untouchable for the prophet; she is in all respects an impure woman. When Narroboth gives in and has the Prophet brought up, he remains largely shrouded in darkness. We only see a black shadow. Salome speaks to him, he answers and curses her.

So far, the libretto is followed fairly closely. But after Jochanaan has retreated to his dungeon, the action takes a remarkable turn. During the overwhelming musical interlude, Salome lies on her back and performs a complex, erotically tinted ballet with her legs. Cindy van Acker’s choreography is sublime and the mastery with which Grigorian performs this ballet is phenomenal. The eroticism of course relates to the excitement generated by the encounter with the prophet. He grossly rejected her and even cursed her, an entirely new experience for this luxurious creature. At the same time, a horse wanders around the cistern, a reference to the fascination of young girls with large animals. A bit of a cliché, but very effective.

Sallome asmik-grigorian-r-castellucci-rezisuotoje-salomejoje-5b6078eedf35d

Salzburgerfestspiele © ruth waltz

On the front curtain the text “Te Saxo Loquuator” was written, meaning “what the stones may say to you”. Castellucci uses this reference to the supposed strenghth and power of stones to give a different meaning to Salome’s dance. At the beginning she is hidden from view by a group of extras and suddenly appears lying almost naked in a fetal position on a golden block, on which SAXO is written in large letters.

During the musical intermezzo, a large block slowly descends from above and threatens to crush her. Instead, however, Salome is enveloped by the descending block, hidden from view. She has turned to stone, a gem, but still. The enormity of what she intends to do has made her an undead in advance.

Dramaturge Piesandra di Matteo gives the following explanation:  „In ihrer Eigenschaft als Objekt verweigert sich die Figur“, so erlischt der Trieb, wodurch sich neues Potenzial erschließt.“  Be that as it may, the above mentioned ‘ballet’ clearly ends with the suggestion of an orgasm, so ‘Trieb’ will play less of a role by now. There is no longer any question of revenge sex with the head, it is now about the revenge of ‘a woman scorned’.

Opera singer Grigorian performs during a dress rehearsal of Richard Strauss' opera "Salome" in Salzburg

Opera singer Asmik Grigorian performs as Salome during a dress rehearsal of Richard Strauss’ opera “Salome” in Salzburg, Austria July 24, 2018. Picture taken July 24, 2018. REUTERS/Leonhard Foeger

While Herod wringing his hands tries to get Salome to change her mind, she bathes in a large puddle of milk. He gives in, but instead of Jochanaan’s head Salome does not unexpectedly first receive a horse’s head and only later the body of the dead prophet. Salome’s final monologue is directed at Jochanaan’s torso. She also briefly puts the horse’s head on it. Finally she goes down into a second cistern and we only see her head when Herod gives the order to kill her.

Salome really is an orgy of sound and visuals, an overwhelming theatre play. And it only really comes into its own when there is a Salome on stage who is in charge of everything and everyone, including the huge orchestra, no matter how loud they play. This makes Asmik Grigorian the ideal Salome. She has a large voice, with which she is able to cut through the orchestra at any moment, without forcing it for a single moment. A Salome should have everything: an Isolde, but also a Chrysothemis and a Zdenka. With her clear, agile voice, Grigorian can convincingly perform these different types. What makes her a unique interpreter of the famous title character, however, is her ability to make singing and acting an organic whole.

John Daszak is vocally a strong Herod, but cannot make much of an impression: it’s all about Salome here. Even Jochanaan remains, literally, in her shadow. Bass-baritone Gabor Bretz is above all a strongly singing shadow. The only time he appears is when he is sprayed clean with a garden hose by a couple of helpers.

The Vienna Philharmonic Orchestra, the house orchestra of the Salzburger Festspiele, under the direction of Franz Welser-Möst, provides a hugely successful musical support, claiming the leading role here and there during the interludes.

This recording by (C-major 801704) is an absolute must for lovers of this masterpiece by Richard Strauss.

Trailer of the production:

Asmik Grigorian, John Daszak, Anna Maria Chiuri, Gábor Bretz, Julian Prégardien
Vienna Philharmonic Orchestra conducted by Franz Welser-Möst
Directed by: Romeo Castelluci

In Dutch:
Castellucci’s Salome op dvd en Bluray uitgebracht

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Castellucci’s Salome op dvd en Bluray uitgebracht

Tekst: Peter Franken

Salome Asmik cover

Romeo Castelluci’s productie van Salome was een opzienbarend succes tijdens de Salzburger Festspiele van 2018. Niet in de laatste plaats vanwege de fenomenale vertolking van de titelrol door Asmik Grigorian. De première werd live uitgezonden op tv en, aangevuld met materiaal dat werd opgenomen tijdens twee volgende voorstellingen, recent uitgebracht op dvd en Bluray. Afgelopen zomer werd de productie voor drie voorstellingen hernomen, wederom met groot succes, waarbij de bezoekers na afloop hun tevoren aangeschafte exemplaar door Frau Grigorian konden laten signeren.

Een productie van Romeo Castelluci is feitelijk een totaalkunstwerk. Hij voert de regie en ontwerpt de kostuums en het decor. Alleen voor de choreografie laat hij iemand anders toe in zijn wereld. Van Castellucci wordt wel gezegd dat hij niet zozeer personen regisseert als wel de totale ruimte ensceneert. Zijn Salome leent zich zodoende niet erg voor wijdlopige interpretaties, maar kan het beste gewoon ondergaan worden.

Het brede, ondiepe toneel van de Felsenreitschule wordt in zijn geheel benut. De bogen in de achterwand zijn dichtgemaakt, waardoor het publiek naar een gesloten, grijsgrauwe achterwand zit te kijken, wat bijdraagt aan een sfeer van beklemming. Het toneel is leeg, op een aantal goudkleurige objecten na, die soms wel, soms niet een rol in de handeling spelen.

De vloer is goud glimmend waardoor het licht zodanig reflecteert dat de spelers achter een doorzichtig gordijn lijken te staan. Dat is een klein nadeel van een opname in HD, het publiek in de zaal merkt daar niets van, zo weet ik uit eigen ervaring. Een grote opening in de vloer geeft toegang tot de cisterne waarin Jochanaan zich bevindt.

De kostuums zijn tamelijk eenvormig: mannen in donkere pakken met gedeeltelijk rood geschminkte gezichten. Het is moeilijk de verschillende personages te onderscheiden; allen zijn slechts bijfiguren in het drama dat zich voltrekt tussen de drie protagonisten. Ook Herodias, met groene schmink, wordt nadrukkelijk op de achtergrond gehouden.

Salome komt op in witte jurk met in haar hand een koninklijke witte mantel met een kroontje.  Een rode vlek suggereert dat ze menstrueert, waarmee wordt benadrukt dat ze weliswaar ongetrouwd is, maar de huwelijkse leeftijd ruimschoots heeft bereikt. Bovendien maakt dit haar extra onaanraakbaar voor de profeet; ze is in alle opzichten een onreine vrouw. Als Narroboth toegeeft en de profeet naar boven laat halen, blijft deze grotendeels in het duister gehuld. We zien slechts een zwarte schim. Salome spreekt hem toe, hij antwoordt en vervloekt haar.

Tot zover wordt het libretto vrij nauwkeurig gevolgd. Maar nadat Jochanaan zich weer in zijn kerker heeft teruggetrokken, neemt de handeling een opmerkelijke wending.Tijdens het overdonderende muzikaal tussenspel ligt Salome op haar rug en voert een complex, erotische getint ballet uit met haar benen. De choreografie van Cindy van Acker is subliem en de beheersing waarmee Grigorian dit ballet uitvoert is fenomenaal. De erotiek heeft uiteraard betrekking op de opwinding die de ontmoeting met de profeet heeft teweeggebracht. Hij heeft haar op grove wijze afgewezen en zelfs vervloekt, een geheel nieuwe ervaring voor dit luxe wezentje. Tegelijkertijd loopt er een paard rond in de cisterne, een verwijzing naar de fascinatie van jonge meisjes met grote dieren. Wel een beetje clichématig, maar heel effectief.

Sallome asmik-grigorian-r-castellucci-rezisuotoje-salomejoje-5b6078eedf35d

Salzburgerfestspiele © ruth waltz

Op het voordoek was bij aanvang te lezen: “Te Saxo Loquuator”, wat zoveel betekent als “wat de stenen je kunnen zeggen”. Castellucci gebruikt die verwijzing naar de veronderstelde kracht en macht van stenen om Salome’s dans een andere betekenis te geven. Ze wordt tijdens het begin hiervan aan het zicht onttrokken door een groep figuranten en blijkt dan plotseling vrijwel naakt in de foetushouding op een goudkleurig blok te liggen, waarop in grote letters SAXO staat.

Tijdens het muzikale intermezzo daalt langzaam een groot blok van boven neer en dreigt haar te verpletteren. In plaats daarvan wordt Salome echter door het neerkomende blok omhuld, aan het gezicht onttrokken. Ze is tot steen geworden, weliswaar een edelsteen, maar toch. De enormiteit van wat ze zich heeft voorgenomen, heeft haar op voorhand tot een ondode gemaakt.

Dramaturge Piesandra di Matteo geeft de volgende verklaring: „In ihrer Eigenschaft als Objekt verweigert sich die Figur“, so erlischt der Trieb, wodurch sich neues Potenzial erschließt.“ Hoe het ook zij, het boven genoemde ‘ballet’ eindigt duidelijk met de suggestie van een orgasme, dus ‘Trieb’ zal inmiddels minder een rol spelen. Van wraakseks met het hoofd is niet langer sprake, het gaat nu om de wraak van ‘a woman scorned’.

Opera singer Grigorian performs during a dress rehearsal of Richard Strauss' opera "Salome" in Salzburg

Salzburgergfestspiele © ruth waltz

Terwijl Herodes handenwringend probeert Salome op andere gedachten te brengen, baddert zij wat in een grote plas melk. Hij geeft toe, maar in plaats van het hoofd van Jochanaan ontvangt Salome niet geheel onverwacht eerst een paardenhoofd en pas later het lijf van de gedode profeet. Haar slotmonoloog richt Salome tot Jochanaans romp. Ze zet er ook nog even het paardenhoofd op. Ten slotte laat ze zich afzakken in een tweede cisterne en zien we nog slechts haar hoofd als Herodes het bevel geeft haar te doden.

Feitelijk is Salome een orgie van geluid en visuele ervaring, een overweldigend theaterstuk. En dat komt pas echt goed tot zijn recht als er een Salome op het toneel staat die alles en iedereen de baas is, ook het enorme orkest, hoe luid ze ook spelen. Dat maakt Asmik Grigorian tot de ideale Salome. Ze heeft een grote stem, waarmee ze op elk moment door het orkest heen weet te snijden, zonder dat het ook maar een moment geforceerd klinkt. Een Salome moet alles in huis hebben: een Isolde, maar ook een Chrysothemis en een Zdenka. Met haar heldere, wendbare stem kan Grigorian die verschillende types overtuigend ten gehore brengen. Wat haar echter tot een unieke vertolker van de beroemde titelfiguur maakt, is haar vermogen zingen en acteren tot een organisch geheel te maken.

John Daszak is vocaal een sterke Herodes, maar kan verder weinig indruk maken: alles draait hier om Salome. Zelfs Jochanaan blijft, ook letterlijk, in haar schaduw. Bas-bariton Gabor Bretz is vooral een sterk zingende schim. De enige keer dat hij goed in beeld komt, is als hij door een stel hulpkrachten met een tuinslang wordt schoongespoten.

De Wiener Philharmoniker, het huisorkest van de Salzburger Festspiele, zorgt onder leiding van Franz Welser-Möst voor een zeer geslaagde muzikale ondersteuning, hier en daar de hoofdrol opeisend tijdens de tussenspelen.

Deze opname door (C-major 801704) is een absolute aanrader voor liefhebbers van dit topwerk van Richard Strauss.

Trailer van de productie:

Asmik Grigorian, John Daszak, Anna Maria Chiuri, Gábor Bretz, Julian Prégardien
Wiener Philharmoniker olv Franz Welser-Möst
Regie: Romeo Castelluci

Mooie Butterfly van Opera Odessa in het Zuiderstrandtheater

Tekst: Peter Franken

SAG_4141 butterfly

In de schaduw van de reeks voorstellingen in Amsterdam maakt Opera Odessa een mini tournee met Madame Butterfly langs drie Nederlandse theaters. De reeks werd afgesloten met een geslaagde uitvoering in Scheveningen.

De Opera van Odessa is inmiddels geen onbekende meer in het circuit van rondreizende buitenlandse gezelschappen. De afgelopen seizoenen vielen er al geslaagde uitvoeringen te noteren van Turandot en Pique Dame. De getoonde ensceneringen houden het midden tussen kostuumdrama en eigentijds theater, zo ook deze Butterfly.

Regisseur Anatol Preissler en zijn belichter David Albert hadden zich duidelijk laten inspireren door de klassieke productie van Robert Wilson, zij het dat de belichting hier zo nu en dan een beetje zwaar werd aangezet. Dan weer baadde het toneel in paars licht om een ogenblik later groen of blauw te zijn. Het lichtontwerp was inventief maar trad als theatraal middel teveel op de voorgrond in mijn beleving.

SAG_4085 - butterfly

Op het toneel een eenvoudige balkenconstructie die effectief een huisje wist te suggereren. Door middel van goed uitgevoerde bewegingen met schuifwanden werd een geloofwaardig Japans onderkomen gecreëerd. Kostuums waren daarmee in overeenstemming met een speciale vermelding voor de boze oom Bonzo die bij opkomst een schrikeffect teweeg wist te brengen.

Het libretto werd keurig gevolgd. Toeschouwers die vroeg waren gearriveerd konden het van scène tot scène als het ware meelezen in het zeer uitgebreide programmablad. Een service die zeer welkom is voor diegenen die minder goed thuis zijn in het repertoire en daarom zeker navolging verdient.

Wat me ook al in Londen overkwam enige tijd geleden gebeurde nu weer. Een deel van het publiek had zich zozeer met het droeve lot van de arme Cio-Cio-San vereenzelvigd dat de zanger die Pinkerton vertolkte na afloop behalve applaus ook enig boegeroep in ontvangst mocht nemen. Aan zijn zang heeft het niet gelegen, Eduard Martyniuk had een prima avond. Hij heeft een mooie slanke stem die goed samenging met die van zijn tegenspeelster. Wel vond ik dat de regie hem wat minder langdurig naar het publiek had mogen laten zingen, gefixeerd met de benen enigszins gespreid, nog net niet in de houding.

Victor Mitiushkin was zeer geloofwaardig als de Amerikaanse consul die het naderend onheil al van verre ziet aankomen maar niet in staat is het tijdig af te wenden. Pinkertons uit jeugdig bravoure voortkomend bedrog straalt in negatieve zin af op zijn oudere landgenoot en met zijn vertolking wist deze Sharpless dat goed over het voetlicht te brengen.

SAG_4108 - butterfly

Pavlo Smyrnov slaagde er in zijn huwelijksmakelaar Goro de vereiste kruiperige gladheid mee te geven en Bogdan Panchenko was heel aardig als de rijke sukkel Yamadori. De overige bijrollen waren adequaat bezet, ook van Kate Pinkerton (Taisia Safranskaya).

Zeker in de tweede en derde akte gaat de aandacht vooral uit naar de vrouwen. Het lawaai en gekijf, de vervloeking en de loze beloften van Pinkerton, het is allemaal verstomd. De focus ligt geheel en al op het persoonlijke drama van Cio-Cio-San dat zijn onvermijdelijke einde zal krijgen in haar zelfmoord. De voorstelling bereikte na de pauze een hoog niveau doordat de titelhelding volledig opgewassen bleek tegen haar taak de dramatiek die dit werk tot zo’n ongekend fenomeen maakt, tot uitdrukking te brengen.

SAG_4211 butterfky

Ondersteund door een prachtige Suzuki, een fraaie rol van de uitstekend zingende Kateryna Lian, wist Hanna Litvinova een zeer aanraakbare Butterfly neer te zetten. Dus niet afstandelijk, gestileerd met geabstraheerde gevoelens, maar een levensechte jonge vrouw die zich vastklampt aan de illusie dat haar geliefde zal terugkeren. Het is het kleine vlot dat haar moet redden van de emotionele verdrinkingsdood. Litvinova klonk bij opkomst niet geheel zoals ik zou wensen maar zeer snel werd dat beter. In haar duet met Pinkerton was ze al goed op dreef maar zeker na de pauze was ze absoluut top. Een schitterende Butterfly.

De muzikale leiding was in handen van Igor Chernetski. Hij liet het overigens goed spelende orkest van de Opera Odessa aanvankelijk wat gejaagd klinken, bijna schichtig. Dat zit hem ook wel een beetje in de partituur natuurlijk, maar het had toch wel iets welluidender gekund. Dat werd snel beter en zeker tijdens het tussenspel dat de overgang van de tweede naar de derde akte markeert was duidelijk te horen hoeveel kwaliteit er in de orkestbak zat.

De tournees van dit gezelschap zijn kort doordat men vooral in België optreedt maar Opera Odessa is zeker de moeite waard om de komende seizoen goed in de gaten te houden.

Bezocht op 15 mei in het Zuiderstrandtheater.

Madama Butterfly: drie (cd) opnamen waar ik niet zonder kan

Love without sensuality is not love. A few thoughts about Tannhäuser

Tannhäuser_en_el_Venusberg,_por_John_Collier

In the Venusburg (Tannhauser), 1901 (oil on canvas) by John Collier

Text: Peter Franken

Wagner’s opera Tannhäuser und der Sängerkrieg auf Wartburg premiered on 19 October 1845 in Dresden. The composer had been working on the opera since 1842 and was actually never able to complete it to his own satisfaction. Shortly before his death in 1883 Wagner admitted that he owed the world another Tannhäuser.

Tannhauser premiere dreseden

In 1875 he had conducted a performance in Vienna himself, which had not entirely been to his liking. That performance included the virtuoso music for the violins composed for Paris, making it in fact a Viennese version of the work.

Performance practices

Tannhauser Paris

The fact that Wagner continued to tinker with the score for a large part of his life was mainly caused by performance practices. He was never really satisfied with how the work was played, mainly because singers could not cope with their role but also because of the lack of quality of the performing orchestras. In 1860 a revised edition of the score appeared. A year later the ill-fated performances in Paris took place. Here Wagner had the overture lead directly into a stormy scene in the Venusberg, the bacchanale. The performances in Paris were sung in French. What is now known as the ‘Pariser Fassung’ is a retranslation into German.

Because the singer who was cast as Walther von der Vogelweide proved to have insufficient qualities, his contribution to the singing contest had to be cut. That omission defines the later performance practices of the Paris version and it is a serious loss. A ‘schwärmerisch’ type like Walther, who sings about the pure wells of love that one can only sip from, adds much to the contrast between Tannhäuser and his fellow singers. Now he only has Wolfram as an opponent, Biterolf’s contribution is of a very different nature, which calls for violence.

All in all, there are 36 variants in the score that can be identified, all of which stem from the problems Wagner encountered in making his opera ‘performable.’ Continuing to speak of a Dresden and a Paris version is outdated as there are many more. Nevertheless, in general one sticks to these two main versions because of the recognisability, mainly found in the overture and the subsequent bacchanale. However, it is not unusual to play a hybrid of both versions, for example by having Walther sing his aria in what otherwise is the Paris version.

The story

Tannhäuser’s time in a den of sensual pleasures sends him on a pilgrimage to redeem his soul.
Wikimedia Commons

As usual, Wagner wrote the libretto himself. In it he combined the legend of the Minnesänger Tannhaüser with the legendary singing contest at the Wartburg. The work deals with the disruption of a rigid, introverted environment by the arrival of an uninhibited outsider.

In this social environment, people do not know how to deal well with sexuality and eroticism, which has led to the glorification of spiritual love. Minnesänger Tannhaüser, however, has had very different experiences at the well, the Venus cave. Spiritual love is like infertile earth: no flowers grow in it. Love without sensuality is not love.

Tannhäuser

Tannhäuser_1845

Joseph Tichatschek (Tannhäuser) and Wilhelmine Schröder-Devrient (Venus); premiere in 1845

From the story it can be concluded that Heinrich Tannhaüser is a Minnesänger who previously lived at the court of the Landgrave of Thuringia. At some point the straitjacket of this court life must have become too tight and he left, without anyone knowing where.

It is clear that he is very much missed, especially by Elisabeth, the niece of the landgrave. And by his colleagues, who may have lost a competitor but cannot take advantage of it because Elisabeth has decided to no longer attend singing competitions. Competitions, therefore,  have largely petered out.

At the start of the opera Tannhaüser has been with the goddess of love Venus and her servants for quite some time. In terms of eroticism and sex, our hero does not lack anything, in fact, he gets overfed with it. And of course too much is not good: ‘all sex and no play makes Heinrich a dull boy.’

Tannhauser-et-Venus-par-Otto-Knille-1873-©-Nationalgalerie-der-Staatlichen-Museen-zu-Berlin

Tannhäuser et Vénus, par Otto Knille, 1873 © Nationalgalerie der Staatlichen Museen zu Berlin

Venus loses her temper when he tactfully tells her that he wants to go out into the open air again. What on earth does he want there, in that chilly, rigid environment in which people are permanently working as robots to protect the supposed salvation of their souls? He hadn’t fled all this for nothing, had he Heinrich, the free bird? But it doesn’t help, Tannhaüser is not only bored but afraid of his place in the afterlife as well. Venus mocks him for this but she cannot hold on to him.

Once in the open field, the Minnesänger meets his former colleagues, who lead him along to Wartburg with the main argument that Elisabeth is waiting for him there. For them he functions as a kind of job guarantee.

Wolfram

Wolfram von Eschenbach is the singer who is closest to Tannhaüser. Wolfram clearly has his eyes on Elisabeth, but she lives with the idealised memory of Tannhaüser and has no eye for other men. By confronting Elisabeth with his rival and thus making him an average person again, he hopes to increase his own chances with her.

He brings Tannhaüser to Elisabeth when she is swooning in the Great Hall of Song (Dich, teure Halle, grüß’ ich wieder) and remains in the background to keep an eye on their encounter. Although these two almost immediately recognise love in each other’s eyes, Wolfram does not have to worry, Tannhaüser manages to make himself spectacularly impossible before the eyes of the entire court. But contrary to expectations, Elisabeth continues to cherish him and only allows Wolfram in her vicinity as a ‘good friend.’ What remains for him is a ‘Will and Grace relationship.’

Hermann Prey as Wolfram:

Elisabeth

tannhauser-elisabeth-2011 Camilla Nylund

Camilla Nylund as Elisabeth in 2011

At court, this seemingly chaste lady is the figurehead of spiritual love, the first prize for him who can best pretend to sincerely believe in it. Wolfram and Walther von der Vogelweide strive to express their claims as well as possible during the singing contest. But she only has eyes for her secret love Heinrich. All she has to do is let him win the contest and he belongs to her. If only he doesn’t do anything stupid…..

It is clear that Elisabeth is not infertile earth under her stiff appearance. She does want flowers to bloom: ‘all song and no sex makes Elisabeth a dull girl.’

But expressing this openly takes her effort, actually she is just a little shy, nothing more.

Inspired by his stay with Venus and challenged by Wolfram and Walther, Tannhaüser gives his all. Everything and everyone falls over him, his life is in danger. And it is Elisabeth who saves him. It is unnecessary to talk about this in such important terms as sacrifice and Erlösung, she just loves him and does not let him fall.

Below ‘Dich, teure Halle,’ sung by Leonie Rysanek:

The pilgrims

Bayreuth, Festspiele, "Tannhäuser", Schluss

Scherl: Von den Bayreuther Festspielen 1930. Tannhäuser Schlusszene.

The pilgrim’s chorus is one of the most famous melodies of the opera. These people play an important role in the background. They pass the Wartburg at the time of Heinrich’s discomfiture and he is pressed to go with them to Rome to ask forgiveness for his sins. And these sins are great by church standards: he has had extramarital sex and prides himself on it. That is tantamount to ignoring social codes and his presence is therefore perceived as a threat to society. From a social point of view, he is a wrong-way driver, someone who flouts the rules and thereby endangers others.

When the pilgrims return, Tannhaüser does not appear to be amongst them to Elisabeth’s despair. His absence from the group indicates that he was not absolved by the Pope. And that means that he will remain an outcast at court. The latter is Elisabeth’s final blow, she can no longer take it and dies.

Venus

Tannhäuser appears and tells the bewildered Wolfram the story of his failed pilgrimage. He wants to return to Venus since life in this form has nothing more to offer him and there is little point in hoping for a heavenly afterlife. Venus hears of this and sees her prediction confirmed. She had told him so. What should a man do with Mary if he can be with Venus, forever? She seductively sings to him: ‘Willkommen ungetreuer Mann.’

Tannhaueser The_Redemption_of_Tannhauser_1890

At the very last minute, Wolfram managed to save him for an  ecclesiastical life. He points out Elisabeth to him, praying in heaven for the salvation of his soul. In the end, Venus cannot compete with that. Her Dionysian world is defeated by the Apollonian world of medieval Christianity.

Translated with http://www.DeepL.com/Tran