Gastcolumns

Prachtige zang in Der Schauspieldirektor

Tekst: Peter Franken

Het Orkest van de Achttiende Eeuw is momenteel op tournee met een pastiche van twee Mozart opera’s: de korte eenakter Der Schauspieldirektor en Die Zauberflöte. Aangezien het plannen van een volledige Toverfluit in deze tijd teveel risico inhield, heeft men zich beperkt tot de meest aansprekende aria’s uit Mozarts zwanenzang, aangevuld met het vaudeville niemendalletje over een theaterdirecteur die audities laat doen voor zijn gezelschap. Die opzet is tevens als aanleiding gebruikt om een reeks zangers die andere aria’s te laten zingen.

Roberta Alexander treedt op als Schauspieldirektorin en laat een reeks kandidaten opdraven om hun kunnen te tonen. Het geheel wordt aan elkaar gepraat om er een beetje eenheid in te krijgen. Ik woonde de voorstelling in De Doelen bij en was voorin de zaal gaan zitten. Naar verluidt was de verstaanbaarheid van de gesproken teksten, ondanks de versterking, nogal matig in andere theaters. Zelf heb ik zodoende in elk geval alles kunnen volgen en het moet me van het hart dat die anderen weinig hebben gemist. Het gesproken deel is van een niveau dat niet uitstijgt boven dat van een zelfgeschreven middelbare school voorstelling uit de jaren zestig, ik spreek uit ervaring. Maar lichaamstaal en stil spel van de zangers maakt zoveel goed dat je die teksten prima kan missen.

Jeroen de Vaal is als eerste aan de beurt en zingt Tamino’s aria ‘Dies Bildnis’. Of hij misschien ook iets in het Italiaans kan zingen? Zeker, dat kan hij en dan volgt de concertaria ‘Con osequio, con rispetto’. Jeroen is nerveus en heeft zijn vriendin meegebracht, die overigens nog nerveuzer lijkt dan hijzelf. Ze blijkt zelf ook aardig te kunnen zingen, wat een geluk. Ilse Eerens vertolkt vervolgens Pamina’s ‘Ach ich fühl’s’ en natuurlijk in het Italiaans ‘Chi sa, chi sa, qual sia’. Beide Italiaanse aria’s geven een mooi contrast met die gedragen Zauberflöte topstukken.

Zo gaat het spel verder. Henk Neven komt met ‘Der Vogelfänger bin ich ja’ en wordt in de wacht gezet, eerst Monostatos. Zodra Jan-Willem Schaafsma de gewraakte passage begint te zingen over de ‘zwarte man’ die in een ‘blanke omgeving’ niet aan de vrouw kan komen, natuurlijk ook nog eens omdat hij onderaan de sociale ladder staat in Sarastro’s paradijselijke maatschappij, tikt Alexander af. Schaafsma heeft echter een alternatieve tekst in het Nederlands achter de hand waarin het de buffo is die die nooit aan zijn trekken komt. Gelukkig heeft hij het off stage beter getroffen.

Berend Eijkhout komt op om te auditeren voor Sarastro maar in die vrouwonvriendelijke babbelaar heeft Alexander geen belangstelling. In plaats daarvan klinkt ‘Per questa bella mano’, een curieuze aria waarin de bas wordt begeleid door een contrabas, voorbeeldig gespeeld door Margaret Urquhart. Dat valt in de smaak en als dank mag Berend ook nog een meezinger ‘Ich möchte wohl der Kaiser sein’ ten gehore brengen, beetje alla turca waar alle zangers zich uiteindelijk in mengen en ook het orkest zich van zijn jolige kant laat zien.

Neven wurmt zich er tussen met ‘Ein Mädchen oder Weibchen’ en mag daarna nog samen met Eerens het duet ‘Bei Männern’ ten gehore brengen, waarbij de Vaal duidelijk jaloers is (stil spel!). Tenslotte komt Anne Sophie Petit met opgestoken zeil haar woede uiten omdat die hele Zauberflöte plotseling gecanceld blijkt te zijn, ja corona hè. ‘Der Holle Rache’ is hier wel op zijn plaats natuurlijk.

Na de pauze volgt de Duitse dans nr. 6, voluit alla turca ditmaal. En Katharine Dain die te laat is gekomen voor de audities zingt moederziel alleen dan maar de wonderschone aria ‘L’amero’ uit Il re pastore. Na weer wat amateurtoneel volgt tenslotte de complete Schauspieldirektor waarin Dain en Petit elkaar vocaal naar het leven staan. In ‘Ich bin die erste Sangerin’ probeert Jan-Willem Schaafsma de kijvende sopranen uit elkaar te houden. Dat lukt hem zowaar zonder gekrabd te worden.

Muzikaal is de pastiche een zeer geslaagde voorstelling. Je moet er vooral naar toe omdat er uitstekend wordt gezongen over de gehele linie. Door zangers er uit te lichten zou ik anderen te kort doen. Het orkest onder leiding van Kenneth Montgomery speelt als vanouds en gaat goed mee in de kleine muzikale grapjes die er zo nu en dan worden gemaakt. Al met al een vermakelijke avond.

Alle fotomateriaal : © Hans Heijmering

Het Nederlands Kamerkoor treedt op in het Amsterdam Dance Event.

Tekst Neil van der Linden

Ester, door het Nederlands Kamerkoor, muziek van David Lang en Shiva Feshareki,

Het Bijbelse verhaal van Ester was opgehangen aan een voorstelling die ging over vrouwen die, zoals het programmaboek een aantal malen verwoordt, ‘in hun kracht’ staan of stonden. In je kracht staan is moderne taal voor krachtig zelfbewust zijn en zelfvertrouwen hebben.

Componist David Langs vocale cyclus ‘the writings, met vooral veel virtuoze vrouwenstemmen, was gelardeerd met een Iraanse vrouwelijke elektronisch musicus/deejay, een Afro-Nederlandse actrice/dichteres, die een gemoderniseerde versie van het Ester verhaal voordroeg, en een videoprojectie met een Afro-Amerikaanse danseres. Het geheel vond plaats als onderdeel van het jaarlijkse ‘Amsterdam Dance Event 2021’, het grootste EDM-(Electronic Dance Music)-evenement ter wereld.

Toch was  ‘Dance Event’-publiek in de zaal; het grootste deel van het publiek leek de dansbare levensfases voorbij. Om mij heen hoorde ik mensen praten over een concert in het Orgelpark en niet over het nieuws dat die dag als onderdeel van het Amsterdam Dance Event een andere David, de Frans-Marokkaanse (Marokkaans-Sephardische) DJ David Guetta, voor de tweede keer op rij was verkozen tot beste deejay van de wereld, met op nummer twee en drie de Nederlanders Martin Garrix en Armin van Buuren.

Als het erom ging om nieuw publiek te winnen voor bepaalde genres was, slaagde het evenement andersom dan misschien beoogd, middels de introductie bij bepaalde publieksgroepen van moderne deejay-klanken waarmee men anders niet vaak in aanraking komt, dan een introductie bij regulier Dance Event-publiek van onberispelijke koormuziek, waarin het Nederlands Kamerkoor natuurlijk excelleert.

Normaliter houd ik niet zo van het moderne meerstemmige koor-genre, dat soms gevaarlijk dicht tegen new age en neo-spiritualiteit aanschuurt. De teksten van David Lang, ‘nuchtere’ dialoogfragmenten aan een Bergman film over relaties kunnen zijn ontleend, duwen de muziek echter in een andere richting. Het bijna speels over elkaar heen vlechten van de gezongen tekstflarden bracht ook een ritmisch effect met zich mee, en daarmee bleef de componist voldoende ver verwijderd van John Tavener of Arvo Pärt, of al Angelsaksische ‘religieus’ schrijvende componisten van nu die muziek maken die er in weerwil van het kitsch-gehalte helaas als koek ingaat.

David Lang was gelukkig toch net iets andere koek.Het Kamerkoor, strak gedirigeerd door Martina Batič, kon Langs complexe polyfone lijnen natuurlijk met virtuoos gemak aan. Maar zonder op de stoel van de bedenkers te willen gaan zitten, snakte ik af en toe naar een stuk oorspronkelijke polyfonie tussendoor uit de Renaissance, met ook lekkere scherpe complexe dissonanten, bijvoorbeeld iets van Isaac, Gombert of Morales en de ‘echte’, zestiende-eeuwse, John Taverner.

De muziek van Lang, die vaak blijft draaien om bepaalde akkoordblokken, wordt soms wel erg repetitief. Op zeker moment komen daar de elektronica van Shiva Feshareki bij, en dan ontstaat er evolutie.

De elektronica zijn erg fraai. Als men aan een deejay denkt, moest men in dit geval geen pompende bassen of zelfs maar ritmes verwachten. De metrum- en ritme-loze soundscapes bestaan uit zich opstapelende klankflarden, gedeeltelijk ‘samples’ (korte stukjes opname) of elektronische imitaties van koorgeluiden, misschien wel ontleend aan een opname van het Kamerkoor.

Terwijl behalve alle zangers en de dirigent keurig maar wel theatraal opgesteld zwart-witte kleding droegen had Shiva Feshareki een schitterende tot op de grond vallende kleurige jurk aan, waarmee je haar inclusief haar weelderige loshangende zwarte krullen zo op een oud-Perzisch bas-reliëf kunt indenken. Misschien verbeeldde zij een beetje de Ester in het verhaal van de voorstelling. Op zeker moment loopt zij rond en instrueert de zangers één voor éen om met een arm gekruist over de borst naar de schouder te gaan staan, misschien ook een beetje zoals personages op oud-Perzisch bas-reliëfs te zien zijn.

Hoe dan ook oogt dit scenisch concert fraai. De video met danseres BOSSLADY, verfilmd door filmmaker en visual artist Miriam Kruishoop, was op een scherm boven het koor te zien. BOSSLADY is de artiestennaam van Niaya Jones, en met haar dans verbeeldt zij hoe het is om op te groeien als jonge zwarte vrouw in een van de armste buurten van Los Angeles. Krachtige bewegingen, half een body-builder act, een beeld waaraan haar perfect gespierde lichaam bijdroeg.

Wel vroeg kon je je afvragen of dat niet uitdraagt dat dan vooral vrouwen die er volgens de normen des tijds goed uitzien meer privilege hebben dan anderen om conform de boodschap van de voorstelling ‘in hun kracht’ te staan. Maar mooi was de video wel, mooie danseres, mooi gedanst, mooi gefilmd, mooi geprojecteerd. En tussen de dansscenes door kon met een paar beweegbare projectoren het lichtbeeld per scene worden veranderd van strak licht op de zangers naar knipperende lichtstralen gericht op het plafond tijdens de elektronische passages.

Een andere ontdekking in deze context was dichter Lisette Ma Neza, die in fraaie poëtische strofen het Ester verhaal vertelde als introductie over vrouwen die zelfbewust zijn/waren. De voorgedragen versie van het Ester verhaal was voorzien van verwijzingen naar de moderne tijd. Dat ging overigens misschien niet altijd even goed. De figuur Haman uit het De Bijbelverhaal, die de Joodse gemeenschap in het Perzische rijk wilde uitroeien, was weggelaten – het plan werd nu aan de Perzische koning Ahasverus (Xerxes) zelf toegeschreven.

De Joodse Ester was diens tweede echtgenote, nadat hij aan haar voorgesteld door toedoen van haar neef Mordechai; Mordechai stond in hoog aanzien omdat die een aanslag op Ahasverus had helpen voorkomen. Desalniettemin riskeerde Mordechai de onmin van de koning door hem niet als god te erkennen, waarna Haman voorstelde alle Joden in Perzië uit te roeien. Koningin Ester redt dan de situatie door voor haar de Joodse gemeenschap op te komen.

Kennelijk om het verhaal voor beoogde publiek van nu begrijpelijker te maken werd deze aanvankelijke poging tot genocide vergeleken met het idee om bijvoorbeeld alle Groningers of alle mensen met groene ogen uit te moorden. Maar genocide is helaas minder absurd. Ook helpt een vergelijking tussen Ahasverus en Hitler een hedendaags publiek niet op de juiste manier om het verhaal beter te begrijpen. De historische Xerxes is trouwens de geschiedenis ingegaan als een relatief milde en verder wijze heerser.

Overigens vroeg ik mij af of het nou wel zo netjes was geweest van de Ester in het Bijbelverhaal om de tweede echtgenote van Ahasverus te willen worden nadat hij zijn eerste echtgenote de laan had uitgestuurd, en dan nog wel wegens een vergrijp vergelijkbaar met Mordechai’s ongehoorzaamheid; haar voorgangster had namelijk, toen de koning tijdens een staatsbanket dronken was geworden en haar aan het volk wilde laten zien, geweigerd ‘voor het aangezicht des konings, met de koninklijke kroon, om den volken en den vorsten haar schoonheid te tonen’, aldus de Statenbijbel.

Maar ja, ook Bijbelse figuren waren niet volmaakt. En de fraaie stem en voordracht van Lisette Ma Neza maken alles goed.

Ook al zal het ook tijdens de tournee verder door het land misschien moeilijk blijken de beoogde doelgroep van jongeren werkelijk te bereiken, als theatraal experiment is Ester in elk geval interessant.

Ester door het Nederland Kamerkoor.

David Lang the writings 
Shiva Feshareki DJ, electronics Nieuw werk
Miriam Kruishoop Living in America (video-installatie met danseres BOSSLADY)
Martina Batič dirigent
Lisette Ma Neza dichter

Gezien 13 oktober, Muziekgebouw aan t’ IJ.

Promotieclip:

Shiva Feshareki  op Youtube:

Op Soundcloud:

Lisette Ma Neza:

Nog concerten in Utrecht, Enschede, Rotterdam en Den Haag.

Foto Shiva Feshareki 

Fact Magazine (de blauwe)

Vinyl Factory (de witte)

Voorstellingsfoto’s Melle Meivogel.

Robert Wilson ensceneerde Turandot in Madrid

Tekst Peter Franken

De zeer specifieke stijl van Wilson is algemeen bekend onder operaliefhebbers. Dat betekent overigens wel dat al zijn producties nogal sterk op elkaar lijken, zoiets als bij Giancarlo del Monaco en Otto Schenk, maar dan precies tegenovergesteld. Wilson schuwt elke vorm van naturalisme, houdt zijn producties abstract en ingetogen waardoor ze doen denken aan aan het Japanse Noh theater, ook een kunstvorm met gestileerde gebaren waarin veel aan de verbeelding van de toeschouwer wordt overgelaten.

De productie van Turandot die in 2018 in première ging in Teatro Real Madrid is in alle opzichten een echte Wilson. Het toneelbeeld is sober en wordt vooral bepaald door de belichting en kostumering. Grote schuivende panelen voeren op de achtergrond een ballet uit waardoor steeds een ander beeld ontstaat. Het licht is vooral vele tinten blauw met alleen rood als Turandot verschijnt. Uitgerekend de ijsprinses die zichzelf niet menselijk noemt maar een dochter van de hemel krijgt de kleur van liefde. Zo weten we al direct hoe het gaat aflopen.

In de tweede akte lijken de spelers zich in een rechthoekig blauw vlak te bevinden. Het vergroot het effect van een reusachtige poppenkast dat aansluit bij de wijze waarop Wilson de drie ministers Ping, Pang en Pong ten tonele voert. Dat houdt het midden tussen mime en poppenspel met koddige gebaartjes, sprongetjes, draaien in de rondte en overdreven gelaatsuitdrukkingen.

Goed beschouwd heeft Wilson deze Turandot geënsceneerd als een oratorium. De zangers staat steeds naast elkaar met hun gezicht naar het publiek. Van interactie is geen sprake en men beperkt zich tot wat houterige gebaren, liefst synchroon.Toch is het fascinerend om naar te kijken dankzij de spanning die van de tekst uitgaat en het schitterende lichtpaleis waarin alles in vervat.

De kostuums zijn fantasie oosters chinees en een stel geharnaste figuranten lijkt zo te zijn weggelopen uit het terracottaleger in Xian. De leden van het koor zijn donker gekleed en zingen steeds in een weinig verlicht deel van het toneel. Alleen hun zang mag op de voorgrond treden, overigens Puccini’s enige opera waarin dat nadrukkelijk het geval is.

Yolanda Auyanet mag zich in de sympathie van het publiek verheugen als Liù, een geslaagd optreden. Andrea Mastroni is een adequate Timur. Raúl Giménez als Imperatore Altoum klinkt wat moeizaam.

Verrassend is de casting van de zestiger Gregory Kunde als een onherkenbare Calaf. Dat geldt overigens alle zangers, iedereen is wit geschminkt en helemaal ‘ingepakt’. Kunde is zonder meer voortreffelijk in deze veeleisende rol, echt een genoegen om hem weer eens te horen.

De titelrol is weggelegd voor Irene Theorin. Op zich kan ze de partij goed aan maar het klinkt mij wat te geknepen allemaal. Natuurlijk is het ook onmogelijke muziek, nergens eens een prettige melodische lijn, steeds maar die uithalen.

De overige rollen zijn adequaat bezet, met name de drie ministers die als enigen ook acterend het nodige te doen krijgen.

De instudering van het uitstekende zingende koor komt voor rekening van Andrés Maspero. Nicola Luisotti heeft de muzikale leiding.

Van twee voorstellingen in december 2018 is een opname gemaakt die door BelAir op Blu-ray is uitgebracht, zeer aanbevolen.

Mini disc

Upload: dystopisch Gesammtkunstwerk waarin twee mensen uiteengescheurd door technologie elkaar weer vinden.

Tekst: Neil van de Linden

Upload van Michel van de Aa laat een misschien niet eens zo verre toekomst zien waarin mensen hun geest, de files in hun hersenen, kunnen uploaden in een cloud. Het brein is het laatste analoge apparaat in een digitale wereld, aldus het libretto.

In een afgelegen kliniek kunnen menselijke breinen worden ‘overgezet’ van levend lichaam naar een digitale ‘upload’. Het proces verkeert nog in de experimentele fase. Alleen zeer rijken kunnen meedoen, op een paar mensen met bijzondere intelligentie, wiens brein van groot belang is om ‘eeuwig’ te laten voortbestaan, ook al kunnen ze de transformatie zelf niet betalen. In feite fungeren deze financieel minder bedeelden ook als proefkonijn. Vergelijk wat er nu gebeurt met de ruimtevaartvluchten van Elon Musk en Jeff Bezos, die naast multimiljonairs ook wel eens een werkstudent meenemen.

De kliniek heeft iets louche, de directie bestaat uit een jonge CEO en een psychiater die financieel goede zaken te doen. Juridisch is het uploaden nog niet goed afgedekt, in verband met de rechten van de nabestaanden, en het feit dat de deelnemers feitelijk een eind aan hun leven maken. De staf zelf lijkt voorlopig niet van plan het proces zelf te ondergaan.

Het lokkertje is dat je als digitale versie niet alleen fysieke pijn van het dagelijkse leven en het ouder worden wordt bespaard, maar dat je ook je beste herinneringen mag uitkiezen om mee te nemen, en je je teleurstellingen mag achterlaten. Ook dat blijkt echter nog niet goed uitgeëxperimenteerd.

Al die ideeën over wél-gedigitaliseerden en niet-gedigitaliseerden en de experimentele fase waarin dit alles zich bevindt doen onwillekeurig ook even denken aan het nu van de Corona-vaccinatie al stamt ‘Upload’ grotendeels van vóór Corona en lag het werk een tijd op de plank. Overigens rept de tekst aan het begin van een mensheid die zich door verregaande vaccinaties kan wapenen tegen allerlei ziekten.

De vader in Upload is één van de eerste gedigitaliseerden. Hij hoopte zo zijn ongelukkige levenservaringen achter zich te kunnen laten. Zijn dochter wist niets van zijn beslissing en probeert met hem te blijven communiceren, nu van zijn aanwezigheid alleen een schim op een beeldscherm over is gebleven. Ze is niet bereid haar vaders voorbeeld te volgen, want ze geeft er de voorkeur aan zowel de geneugten van het menselijke leven van vlees en bloed als de pijnen van het leven te blijven ondergaan, en meent ook dat lichaam en geest ondeelbaar zijn. Het gaat zelfs mis met de vader, uploads blijken wel degelijk levenspijn  mee te nemen. De vader vraagt eerst zijn dochter hier een eind aan maken, door zijn upload te deleten, maar de dochter overtuigt hem ervan toch verder te leven.

In het slot van de opera vinden ze elkaar, op een bijna Wagneriaanse wijze, een soort omgekeerde Wagneriaanse Erlösung: (spoiler alert!) over het publiek deelt een gigantisch doek neer (de Heilige Geest?), waarop naast elkaar de projecties van de gezichten van vader en dochter zijn te zien, de lippen bijna bij elkaar, in een aangrijpend slotduet. Bij Wagner gingen geliefden dan dood om in een hiernamaals verder te leven, Michel Van der Aa laat zijn protagonisten elkaar hervinden in een Twilight Zone, een geestestoestand tussen realiteit en fantasie.

Het idee dat je de geest van lichaam kunt scheiden stamt natuurlijk uit het hiernamaals-concept dat ten grondslag ligt aan de ons vertrouwde religies Jodendom, Christendom en Islam, versterkt door de invloed die Plato had op Christendom en Iselma. maar het zit ook in de reïncarnatie-godsdiensten, zoals Hindoeïsme. Het experiment van de kliniek gaat hier ook van uit, maar in werkelijkheid is er geen wetenschappelijk bewijs, en de opvattingen van de dochter komen meer overeen met de stand van de wetenschap. Michel van der Aa laat deze twee opvattingen prachtig schuren.

Er is nog meer actualiteit. Digitaliseren veronderstelt dat het ‘analoge’ lichaam na de upload wordt geëlimineerd (om doublures te voorkomen). Deze ‘hulp bij zelfdoding’ raakt ook aan de actualiteit van nu, gezien de heroplevende discussie rond ‘voltooid leven’: net dezer dagen is de voorzitter van de Coöperatie Laatse Wil opgepakt, en weer vrijgelaten; de kwestie kan de hernieuwde samenwerking tussen D66 en ChristenUnie nog lelijk opbreken – de ChristenUnie al heeft aangekondigd bedreiging van LHBTQI+-leerlingen op scholen ‘vrijheid van godsdienst’ te vinden.

Ik moet ook denken aan de film I care a lot die nu, ook vertraagd door vanwege Corona, in de bioscopen draait, over een ‘voogd’ die in samenwerking met een corrupte arts en vermogende bejaarden naar dure verzorgingstehuizen stuurt en ze samen met de directie financieel uitkleedt; de film heeft toevallig dezelfde surrealistisch-overdreven kleurstellingen als de gefilmde kliniek-interieurs  van Upload. De haarscherpe beelden doen ook aan die in Christopher Nolan’s Tenet denken, een film waarvan de plot ook gaat over gesleutel aan dimensies en tijd.

En Upload is inderdaad een science-fiction voorstelling. Meer nog dan aan Tenet doet de plot van Upload aan Nolan’s Interstellar, over een vader en een dochter die zich in verschillende dimensies bevinden en elkaar proberen te bereiken. Zij het dat bij Nolan de family values altijd simpel en sentimenteel zijn. Upload is vele malen subtieler.

Er is nog iets waarin Michel van der Aa Nolan overtreft. Beiden bedienen zich van elektronische muziek, die bij vlagen in klank met elkaar vergelijkbaar is: dezelfde soorten ruisgeluiden en aan de elektronische dansmuziek ontleende loopjes. Maar in Nolans films leidt dat via componisten Hans Zimmer in Interstellar, Inception en The Dark Knight en via Ludwig Göransson in Tenet al snel tot eentonige pompeusheid is het gebruik bij Van der Aa steeds vele malen subtieler.

Waarom dan niet een film gemaakt van Upload? Film is overal in de voorstelling aanwezig. En toch voegt het feit dat de twee zangers, Roderick Williams, de vader, en Julia Bullock, de dochter, live op het toneel staan, dat alle muziek, zowel de akoestische, gespeeld door het ensemble MusikFabrik, als ook de digitaal geproduceerde elektronische soundscapes op synthesiser, live worden geproduceerd, knap gecoördineerd door dirigent Otto Tausk, en dat de filmbeelden via verschuivende panelen en het grote doek boven het toneel live worden gemanipuleerd, voegt een aantal dimensies toe die dit tot muziektheater maken, in de ideale Gesammtkunstwerk zin.

Naast het Tristan und Isolde-waardige slotduet is te midden van al die technologie de ‘aria’ van de dochter ‘This is where we are now’ een dramatisch hoogtepunt, een waar moment van absolute schoonheid; we kennen Michel van der Aa’s vermogen om ijzingwekkende coloraturen te componeren, maar hoe hier Julia Bullock alleen op dat immense toneel, midden in een elektronische muziekorkaan en verpletterend mooie filmbeelden, haar desolaatheid uitzingt is ongeëvenaard.

‘This is where we are now’ door Julia Bullock

En wat de evolutie van de vader-dochter-verhoudingen opera betreft, loopt Update in zekere zin dus beter af dan Rigoletto, de Ring en Salome.

Upload van Michel van Aa, door De Nationale Opera in het Muziektheater Amsterdam.
De vader Roderick Williams.
De dochter: Julia Bullock.
Regie: Michel van der Aa

De MusikFabrik onder leiding van Otto Tausk met de Musikfabrik.
Decor en Licht: Theun Mosk
Foto’s: Marco Borggreve

Gezien: 1 oktobe 2021.

Schikaneder, Mozart en von Winter: Die Zauberflöte

Tekst Peter Franken

Zeker zo populair als Don Giovanni is Mozarts (voor)laatste opera, het Singspiel Die Zauberflöte uit 1791. Of is het vooral een opera van Emanuel Schikaneder? Ter vergelijking The Mikado en The pirates of Penzance: wie is hier de componist en wie schreef de tekst? Gilbert and Sullivan is hèt voorbeeld van een team waarin nu eens niet de componist als eerste wordt genoemd, maar de librettist.

Als we ons een beetje verdiepen in de carrière van Emanuel Schikaneder, schrijver, zanger en theatermaker, dan wordt duidelijk dat we hier niet van doen hebben met iemand die snel bereid was de tweede viool te spelen. In het project Die Zauberflöte zal hij zichzelf, als door de wol geverfde professional, zeker de eerste plek op het affiche hebben toegedacht: Schikaneder en Mozart. Maar ja, Mozarts muziek bleek tijdloos en Schikaneders wijze van theater maken was volledig verankerd in zijn eigen tijd en daardoor tijdgebonden.

In mijn beleving zou Mozart echter niet een blijvende reputatie als groot operacomponist hebben kunnen genieten als latere generaties zich zouden hebben gebaseerd op uitsluitend de muziek voor Die Zauberflöte. Het zwaartepunt in zijn oeuvre ligt duidelijk bij de Da Ponte cyclus, overigens ook een serie met een gedeeld credit!

Vrijwel elke muziekliefhebber heeft ooit Amadeus gezien. Een briljant toneelstuk van Peter Shaffer uit 1979, later met groot succes verfilmd. Uiteraard is het verhaal dat hierin wordt verteld op tal van punten historisch onjuist maar er is een bepaalde scène die bij mij is blijven hangen. Het is het moment waarop Mozart zijn nieuwste stuk Die Zauberflöte omschrijft als Vaudeville. Het gaat hier niet om een serieuze opera maar om een theaterstuk ‘voor het volk’ met als voornaamste oogmerk het verdienen van zoveel mogelijk geld.

Vaudeville is een vergeten genre dat op een onverwachte wijze een zekere comeback vierde in de jaren 1970-80: De Muppetshow. Voorop staat het iedere keer weer samenstellen van een gevarieerd programma van zang, dans, komische sketches, magie etc. Twee oude heren, Statler en Waldorf, geven commentaar op het gebodene vanuit hun loge en nemen daarbij geen blad voor de mond.

Bij het zien van Simon McBurney’s versie van Die Zauberflöte bij DNO, dacht ik bij mijzelf: ‘Dit is iets dat Schikaneder zeker goed zou zijn bevallen’. En vervolgens: ‘Wat zouden Statler en Waldorf bij bepaalde scènes voor commentaar hebben geleverd?

Trailer uit Amsterdam:

Het verhaal is een pastiche van voor het publiek in 1791 herkenbare personen, beelden en situaties. Zo verwijst de figuur van Monostatos naar Angelo Soliman, een voormalige negerslaaf die zich had opgewerkt tot lid van de keizerlijke entourage. De verwijzingen naar de vrijmetselarij passen in het tijdsbeeld waarin een zekere hang naar ‘het wonderbaarlijke’ in de mode was gekomen, mede als reactie op de Verlichting en daaruit voortvloeiende secularisering. Schikaneder en Mozart behoorden beiden tot deze ‘beweging’ zodat het voor de hand lag om daaruit te putten bij het optuigen van hun verhaal.

Waar graag naar wordt verwezen in dit verband is de rol van de vrijmetselarij als voorhoede in het streven naar andere regeringsvormen, waarin niet de absolute macht van een vorst maar het belang van het volk centraal staat. In die zin wordt dan de tegenstelling geduid tussen de Koningin van de Nacht, die staat voor de tot nu toe heersende duisternis, en Sarastro die de weg wijst naar een nieuwe lichtende toekomst: ‘Die Strahlen der Sonne vertreiben die Nacht’.  

Dat moge zo zijn maar waarom wordt diezelfde Sarastro dan opgevoerd als iemand die zich gedraagt als een fascistoïde etterbuil. Zo’n Sarastro als nieuwe leidsman leidt ons van de regen in de drup. Partij kiezen is bij Die Zauberflöte overigens net zo lastig als bij een bevriend echtpaar dat in scheiding ligt. Voor de pauze sta je helemaal aan de kant van de Koningin van de Nacht die haar dochter uit de klauwen van Sarastro probeert te reden. Na de pauze draaien de rollen om en is de moeder de echte booswicht.

Eigenlijk is het verhaal gewoon een fantasy, om in hedendaagse termen te spreken, waarin een komisch duo op zoek gaat naar iets of iemand. De zoektocht betreft hier een gegijzelde prinses, de opdrachtgever is een enge dame die angstaanjagend zingt. Het wat vulgaire aspect van de verwerkte humor vinden we in het gebruik van de ‘wapens’ die het duo in staat moeten stellen hun queeste tot een goed einde te brengen: een toverfluit plus een klokkenspel. Toen was het een succes om twee redenen, het verhaal en de muziek. De muziek spreekt grotendeels nog steeds aan, dankzij de stukken waarvan je de tekst gemakkelijk kunt negeren. De tekst is echter behoorlijk achterhaald en het stilzetten van de handeling door eindeloze monologen en dialogen is dodelijk voor de vlotte voortgang. De humor is niet op het niveau van onze tijd en mist elke vaart. Statler en Waldorf zouden daar niet bij gezwegen hebben. Maar kijken we terug naar de oorsprong, dan moet gezegd dat Schikaneder meer credit verdient dan hem nu wordt gegund. Schikaneder en Mozart, de voorlopers van Gilbert en Sullivan een eeuw later.

Na Mozarts dood heeft Schikaneder getracht het succes van Die Zauberflöte te rekken door er in 1798 een vervolg aan te geven, getiteld Das Labyrinth oder Der Kampf mit den Elementen. Het verhaal begint kort na het einde van Die Zauberflöte en schildert de weer oplaaiende strijd tussen Sarastro en de Koningin van de Nacht.

Verder worden Tamino en Pamina aan nieuwe beproevingen onderworpen. Vuur en Water hadden ze doorstaan, nu zijn Aarde en Lucht aan de beurt. Als klap op de vuurpijl wordt Pamina op haar huwelijksdag door haar moeder ontvoerd en als bruid aan Tipheus, de koning van Paphos, geschonken.

Ook Papageno en Papageno krijgen het zwaar te verduren. Ze worden door Monostatos gescheiden waarbij deze Papageno aan een Moorse vrouw probeert te koppelen om zodoende Papagena voor zichzelf te winnen. Uiteraard loopt alles uiteindelijk ‘goed’ af. De beide liefdesparen worden herenigd en de Koningin van de Nacht wordt met haar gevolg aan een rots geketend.

De muziek voor deze sequel werd voor Schikaneder geschreven door zijn vriend Peter von Winter, een inmiddels vergeten componist die naar verluidt zo’n veertig opera’s op zijn naam heeft staan. Het succes van Das Labyrinth bleef echter ver achter bij dat van Die Zauberflöte en het werk raakte volledig in de vergetelheid. Voor de Salzburger Festspiele van 2012 werd het ‘opgegraven’ en door Alexandra Liedtke geënsceneerd. Er is een opname van verschenen op Arthaus.

Een nagekomen Holland Festival voorstelling

Tekst: Neil van der Linden

Je zou kunnen denken dat voormalige Vliegveld Soesterberg nog open was, maar het is het normale luchtverkeer boven Nederland. Oorspronkelijk bedoeld voor het Holland Festival van afgelopen juni, werd ‘Dans la Forêt’ van Massimo Furlan en Claire Ribaupierre alsnog opvoert.

‘Dans la Forêt’ is wandeling door een donker bos, met een groep van zo’n twintig personen, op enige afstand achter elkaar, om het evenement zowel als individu als onderdeel van een groep te ervaren. Belsignalen uit, ook geen licht van telefoons. Zeven kilometer. Dat doe ik niet zo vaak, met als gevolg dat gedurende de eerste kilometer de vraag mij bezig hield of die wandelschoenen die ik al een tijd niet had gedragen nog steeds echt goed pasten en of ik niet al snel op de blaren zou lopen. Maar dat viel mee, al snel vergat je die voeten en kwam je lichaam in een trance.

Met elkaar praten was ook niet de bedoeling. Naast onze eigen voetstappen en onder onze voeten krakende takjes mochten we alleen naar de omgeving luisteren. In principe zouden we mogen hopen uilen of spechten, het geritsel van wegsnellende eekhorens en misschien zelfs het gedraaf van een ree te horen, maar totdat het ver weg op Schiphol blijkbaar sluitingstijd is domineren overvliegende straalvliegtuigen het geluidsbeeld.

Hoever weg zijn we van de luchthaven? Toch echt wel 50 kilometer. Ook een snelweg ergens in de omgeving doet zich gelden, en een enkele keer een politiesirene; toch niet vanwege ons? Bevinden we ons op verboden terrein?

Het evenement vond plaats in het Smithuyserbos, op de grens van de provincies Noord-Holland en Utrecht, niet ver van Kasteel Drakensteyn en dat wordt vermoedelijk goed bewaak: dus doen we iets illegaals? En hopelijk is onze tocht vlakbij dit deel van de Koninklijke domeinen goed afgestemd met het jachtseizoen. Allemaal beuzelarijen, die door je heen gaan voordat je besluit je gewoon over te geven aan de loop van de dingen. Bovendien verzekert het Holland Festival: ‘De ervaring die Furlan en De Ribaupierre met ‘Dans la forêt’ creëren is heel gecontroleerd en veilig, doordat de route bekend is en de wandeling in groepsverband en met een gids plaatsvindt.’ Het grootste ‘gevaar’ is een afstapje in een greppel van 30 cm, wat toch iets anders moet zijn dan een afdeling vanaf een Alp in Zwitserland, de thuishaven van de makers Furlan en De Ribaupierre.

De gids is de acteur, Jeroen de Man, die over het bos, de bomen en de dieren (inclusief ons zelf) vertelt. Bomen staan met elkaar in contact via wortelnetwerken en geursignalen, en met die netwerken en geursignalen ‘waarschuwen’ ze elkaar bijvoorbeeld als een ree aan een takje knaagt. Dat is bekende biologische materie, maar het is mooi om ons dit te realiseren midden in een donker bos. Terwijl wij proberen de rust in ons op te nemen, zijn om eens heen de planten wild aan het communiceren en zijn alle organismen, van de grootste reeën tot de kleinste mossen en micro-organismen verwoed bezig te overleven, geregeld op leven en dood. Ook al is dit een gecultiveerd bos (het dichtstbijzijnde originele oerbos is in Polen), toch voelt de wandeling aan als een tocht over een slingerweg door ongerepte natuur in oude tijden.

Op het landgoed zijn overigens sporen van een van de hessenwegen ontdekt, historische handelsroutes tussen Utrecht en Noord-Duitsland, toen het idee van wolven, territorium-verdedigende wilde zwijnen en struikrovers niet denkbeeldig was. Ik moest ook denken aan Philips de Goede, die in zijn laatste levensjaar, zo prachtig beschreven door Bart van Loo, een keer, geestelijk aftakelend, te paard door nachtelijke wouden rond Brussel rond draafde, op de vlucht voor werkelijke of denkbeeldig vijanden, en, anoniem, onderdak vond bij bewoners van een hutje.

Een mogelijk equivalent van zo’n hutje leek nu ook op te doemen tegen het einde van de wandeling. Op een verhoging in het landschap staat een raadselachtig bakstenen bouwwerk, ‘Wolfsdreuvik’, gebouwd in 1938 in opdracht van D.P.R.A. Bouvy, eigenaar van het bos. De één denkt aan de Efteling of Anton Pieck, maar vanwege de schuine muren en niet rechthoekige raamkozijnen had ik ook associaties met Antroposofie en Rudolf Steiner-architectuur. Die waren in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog in zwang bij onze gegoede intellectuele adel en patriciërs. Als bijna-apotheose van Dans la Forêt vond hier heen klank- en lichtspel plaats dat de sfeer van sprookjes van Grimm opriep, maar inderdaad ook wel de gedachte aan de Efteling.

Hoewel eigenlijk niet duidelijk werd waarom dit evenement alleen door Zwitsers bedacht had kunnen worden, hebben de twee makers een flinke staat van dienst. Massimo Furlan (1951) regisseur en performer en Claire de Ribaupierre (1968), antropologe, toneelschrijver en docent aan de theateracademie La Manufacture in Lausanne, zijn bekend om hun beeldend theater met minimale bewegingen, aaneenschakelingen van stillevens, waarin de toeschouwer de tijd om elk beeld op zich te laten inwerken en erover te fantaseren. In dit evenement waren de beelden het nachtelijke bos en de duisternis om ons heen.

De makers zoeken de grenzen van de theatrale wetten op, en werken graag in publieke ruimtes, in dit geval het bos, en met niet-professionele acteurs en performers, en dat waren bij deze gelegenheid wij, de wandelaars, de gids/verteller, maar vooral ook de bomen, de takken, de paden, en dat ene vuurvliegje, van alle dieren in het bos het enige dat zich liet zien; ook de wolf waarover de gids vertelde liet zich niet zien.

Maar, zoals de gids ons vertelde, terwijl ze ons in de gaten houden zorgen de dieren ervoor dat ze zijn waar wij niet zijn; zelfs onze stille omgang is een inbreuk op het gebruikelijke nachtleven in het bos. Dat was misschien een reden waarom het evenement niet plaats had in juni; het is dan nog steeds broedseizoen voor menig dier.

Concept: Massimo Furlan en Claire de Ribaupierre.
Gids: Jeroen De Man.
Foto’s: Pierre Nydeggar, Wilson Le Personnic en de stichting Smithuyserbos.

 

Otello van Rossini

Tekst: Peter Franken

Bij Otello denk vrijwel iedereen aan Verdi of aan Shakespeare, niet in eerste instantie aan Rossini. Opera Zürich kwam in 2012 met een nieuwe productie van Otello die in 2014 werd overgenomen door de Vlaamse Opera, waar ik de voorstelling in Antwerpen bezocht. Evenals Verdi’s Otello is Rossini’s werk gebaseerd op Shakespeare’s Othello, the Moor of Venice. Dit toneelstuk dateert van begin 17e eeuw en is door zijn thematiek nog steeds actueel of op zijn minst te actualiseren. Racisme, liefde, jaloezie, verraad, wraak en berouw bepalen de handeling. Francesco Maria Berio di Salsa schreef het libretto en de première vond plaats op 4 december 1816 in Napels.

Het enorme succes van de Otello van Verdi (en Boito!) heeft het stuk van Shakespeare vrijwel overvleugeld, om van Rossini’s werk maar te zwijgen. Daardoor zal menig operaliefhebber de wenkbrauwen vragend fronsen bij het prominente optreden van Desdemona’s vader Elmiro en van Rodrigo, de edelman waarvoor zij door hem bestemd is. Bij Verdi is deze rol een comprimario, bij Rossini een van de hoofdrollen. Cassio daarentegen ontbreekt in deze versie.

Afgezien van de wat onwennige personenbezetting is er ook een groot verschil in plaats van handeling. Waar Boito deze geheel verplaatste naar Cyprus blijven we bij Rossini bij de bron: Venetië. De gehele handeling speelt zich in het verloop van enkele dagen af in de Dogenstad. Als ‘MacGuffin’ heeft een onderschepte brief van Desdemona aan Otello met daarin een haarlok de plaats van het verloren zakdoekje ingenomen.

De eerste akte speelt zich grotendeels af in het Dogenpaleis waar Otello in triomf zijn opwachting komt maken. Iago en Rodrigo hebben hierover gemengde gevoelens, voortkomend uit afgunst en racisme. Zij zien Otello als een omhoog gevallen ‘man van kleur’ die maar het beste terug op zijn plaats gezet kan worden. Het duo spant samen om dit te realiseren. Otello heeft een geheime verhouding met Desdemona en wil met haar trouwen. Bij wijze van beloning vraagt hij de Doge (overigens Rodrigo’s vader) om toestemming voor dit huwelijk, zeer tegen de zin van Desdemona’s vader Elmiro die haar aan om politieke redenen aan Rodrigo wil koppelen.

In de tweede akte spint Iago zijn web, vergelijkbaar met wat we gewend zijn maar aanmerkelijk minder kwaadaardig dan bij Boito. Niettemin weet hij Otello te overtuigen van Desdemona’s ontrouw. In een scène waarin de gemoederen hoog oplopen vindt een confrontatie plaats van alle hoofdrolspelers: Otello, Iago, Rodrigo, Desdemona en Elmiro. Deze eindigt met de vervloeking van Desdemona door haar vader en een aankondiging van een duel tussen Rodrigo en Otello. Iago wrijft zich in zijn handen.

De derde akte bevat het bekende Wilgenlied en de dood van Desdemona en komt zodoende het meest overeen met Boito’s versie. Doordat Otello en Desdemona hier niet getrouwd zijn maar slechts een geheime affaire hebben, is er geen mogelijkheid het koppel een moment van intimiteit te gunnen. Feitelijk zien we hen pas samen als Otello aanstalten maakt haar te doden. Dat betekent overigens niet dat Desdemona’s rol hierdoor sterk is verkleind. Ze krijgt in de tweede akte alle kans om zich te laten gelden.

Geheel in lijn met Rossini’s andere Napolitaanse opera’s zijn de hoofdrollen geschreven voor tenor. Duetten tussen Iago en Rodrigo, Otello en Iago en Otello en Rodrigo klinken daardoor wat eenvormig. Komt bij de voorliefde van de componist om de stemmen zo veel mogelijk de hoogte in te laten gaan, wat er bij het afspelen van een cd van dit werk toe leidt dat ik soms de neiging krijg om naar het raam te lopen om te kijken of er ergens brand is.

De voorstelling van Opera Zürich kwam uit de koker van het befaamde duo Moshe Leiser en Patrice Caurier. Zij verplaatsten de handeling naar begin jaren 1960 wat zich voornamelijk liet zien in de aankleding en de opstandige houding van Desdemona naar haar vader. Daarnaast werden de racistische ondertonen van het verhaal wat zwaarder aangezet, soms iets te nadrukkelijk zoals het niet toelaten van een zwarte figurerende bediende in een feestruimte. De Dogenzaal, prachtig vormgegeven door decorontwerper Christian Fenouillat, vormde het decor voor de gehele eerste akte. Een wat verlopen kroeg waar Otello zich kwam bedrinken in de tweede akte zorgde voor het nodige contrast tussen high en low life. Als vervolgens Desdemona arriveert, klimt ze op een tafel, giet een flesje bier over zich uit en confronteert haar vader als een Dolle Mina avant la lettre.

In de laatste akte speelt Desdemona een plaat af op een prachtig tijdsbeeldbepalend grammofoontje. Op zo’n zelfde apparaat speelde ik eindeloos de Bohème highlights met Tebaldi en Bergonzi. Feest der herkenning! Nu was er het voorspel van het Wilgenlied te horen, soepel overgaand in de aria ‘Assisa a’piè’d’un salice’.

De Vlaamse Opera had een mooie cast weten te verzamelen. In de titelrol was Gregory Kunde te horen, reeds jaren bekend als Rossini-tenor bij uitstek. Zijn vertolking van de rol was virtuoos en robuust, bijna neigend naar een heldentenor. Zijn eerste grote aria ‘Ah si, per voi già sento’ had wel een open doekje verdiend maar daar liet de voortgang van de muziek onvoldoende ruimte voor.

Iago werd vertolkt door de tenor Robert McPherson. Zijn zang was uitstekend verzorgd en acterend wist hij veel uit zijn relatief bescheiden rol te halen. Hij is geen sociopaat zoals bij Verdi maar wel degelijk iemand die je behoorlijk weet te irriteren en dat lukte McPherson heel aardig.

Maxim Mironov wist zonder meer te overtuigen als Rodrigo, met name in zijn verbaal gevecht met Otello in de tweede akte. De bas Josef Wagner, eerder in Antwerpen te horen als Assur in Semiramide was een verdienstelijke Elmiro.

De jonge sopraan Carmen Romeu ontpopte zich als een ware ontdekking als Desdemona. Ze heeft een grote stem die prachtig klinkt. Ook haar acteerwerk was subliem, veranderend van een onzeker wat bedeesd meisje via een furie in het middendeel naar op het einde een berustende vrouw die er bijna vrede mee heeft te zullen sterven. Zet deze vrouw in een kroeg en je zult wat beleven.

Toch wel verrassend was het aantreden van de inmiddels overleden maestro Alberto Zedda, dé Rossini-specialist bij uitstek. Gezeten op de eerste rij kon ik deze hoogbejaarde veteraan op zo’n twee meter afstand aan het werk zien. Een en al energie en overtuiging die schitterend door het orkest werd opgepakt. Prachtig om die wisselwerking te zien en te horen.

Alle fotos © Vlaamse Opera / Annemie Augustijns).

van de productie in Zürich, met John Osborn en Cecilia Bartoli is een opname op BluRay uitgebracht .

Straat-acrobatiek choreograaf Marco Gerris en mime-regisseur Jakop Ahlbom sloegen de handen, voeten en hoofden ineen.

Tekst: Neil van der Linden

Twee jaar geleden ging ik voor Basia con Fuoco naar het prachtige Elements of Freestyle, een volmaakte etalage van ISH’ handelsmerken: halsbrekende en ademstokkende breakdance, in-line-skating (acrobatisch rolschaatsen), skateboarding, freestyle basketball (jongleren met tot wel vijf basketball ballen) BMX (‘Bike MotoCross’, jongleren op een terreinfiets) en freerunning (‘apenrotsen’ heette dat vroeger bij gym, aan de ‘rekken’ en op de ‘bok’, maar dan wel vijf keer zo hoog en over gebouwen heen, trapleuningen op en balkons af), allemaal erkende specialismen in de jongeren- ‘urban’ ‘street’ cultuur. Dat wil zeggen: eigenlijk is het handelsmerk van ISH en choreograaf Marco Gerris het telkens maar vinden van mensen die dat kunnen en met die mensen elke keer weer een samenhangende voorstelling maken.

Marco Gerris is zelf begonnen als theater-rollerskater en is in die hoedanigheid bijvoorbeeld ooit opgepikt door choreografe Krisztina de Châtel, ook al zo iemand die zonder haar basis uit het oog te verliezen van alles artistieks bij elkaar brengt/bracht. Daarna zijn Marco Gerris en zijn organisatie ISH samenwerkingen aangegaan met het Nationale Ballet en was er MonteverdISH, een majestueuze bewerking van Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppeia in samenwerking met Vocaal Lab van Romain Bischoff.

Nu is er Knock-out, een samenwerking met de Jakop Ahlbom Company, van de Zweeds-Nederlandse mime-regisseur Jakop Ahlbom, die absurdistisch ‘googel’-theater maakt, virtuoze verdwijntrucs en dergelijke, in scenario’s die intussen over de tragikomische kanten van het leven gaan, zoals in internationale successen als Horror en Lebensraum. Bij elkaar kon dat misschien nauwelijks in iets anders resulteren dan een parodie op film noir in combinatie met de esthetiek van de knokfilm.

In Knock-out zien we hoe de gokverslaafde Larry en zijn ontevreden vrouw Buffy worden gekidnapt. Larry’s steenrijke vader moet het losgeld brengen, maar onderweg naar de gijzelaars verschijnen er allerlei ongenode gasten. Er barst een spectaculair gevecht los waarin alle fysieke grenzen worden opgerekt: mensen hangen in de lucht, worden tegen muren geplet, uit elkaar getrokken en vechten daarna in volle vaart weer door.

En dan is er ook nog een geheimzinnige cowboy met een gitaar die alles aan elkaar zingt. Of eigenlijk niet aan elkaar zingt, want in de goede traditie van veel Country- and Western en Folk-singers tot en met de vroege Dylan kun je zijn zang een groot deel van de tijd nauwelijks verstaan en als je die wel verstaat lijkt er, in de traditie van Dylan, een groot deel van de tijd geen touw aan vast te knopen. En dat is natuurlijk bewust zo gedaan.

Intussen is deze Lonesome Cowboy een parodie op de archetypische permanente vreemdeling, de indringer tegen wil en dank, indringer uit de meest existentialistische film noir en Western-plots  – alleen is het in deze voorstelling natuurlijk een sul, die patience speelt terwijl om hem heen de goegemeente bezig is achter elkaar aan te rennen of over elkaar heen te rollen, en hoogstens de andere personages af en toe drank in schenkt, om dan weer onverstoorbaar een lied aan te heffen. Een prachtige rol van Leonard Lucieer, die gewoon ook mooi zingt en gitaar speelt.

Eerst lijkt het alsof het alleen maar slapstick wordt, maar juist als de trucs uit uit de disciplines van beide regisseurs op stoom komen ga je ook meevoelen met de personages, hoe (opzettelijk) karikaturaal ze ook zijn: de zielige echtgenoot die wordt bedrogen, de echtgenote die intussen echt weet wat ze wil, en die haar geheime minnaar op zijn nummer zet als zijn minder fraaie kanten naar boven komen.

Behalve de onverstaanbare cowboy-liedjes zijn er alleen losse flarden tekst te horen uit de geparodieerde film noir, Westerns en Amerikaanse en Aziatische knokfilms. Talloos zijn ook de verwijzingen naar het oeuvre van de regisseur die al die genres ook zo fraai parodieerde, Quentin Tarantino. Het koffertje waarin het losgeld zit en waaruit licht komt zit ook in Tarantino’s Pulp Fiction en komt oorspronkelijk uit Robert Aldrich’ Kiss Me Deadly en in vechtscènes doet de vrouw des huizes (Lisa Groothof) doet niet onder voor Umma Thurman in Tarantino’s Kill Bill.

Ook de moderne tijd is de voorstelling binnengedrongen, letterlijk, in de vorm van een pakketbezorger, die vervolgens (letterlijk) niet weg te slaan is, en als een golliwog-pop een grimas blijft opzetten, een briljante rol van Tyrone Menig, die daarmee intussen een prachtige satire op karikaturale zwarte rollen in cartoonfilms speelt. Ook blijkt Tyrone Menig een virtuoze vechtsporter blijkt te zijn, die intussen met behulp van breakdance.  freerunning en een knap staaltje zwaardvechten iedereen die hem het huis uit wil hebben van zich af weet te slaan. Als hij dan tenslotte het veld lijkt te hebben geruimd, belt hij even later aan als pizzabezorger en begint het spel overnieuw.

Er wordt vaak aangebeld in deze voorstelling. En hoewel de personages van alles te verbergen hebben doen ze elke keer keurig de deur open. Dit staat misschien voor de korte aandachtspanne van de moderne tijd, zoals we inderdaad te geneigd zijn op elke prikkel uit de buitenwereld (in de tegenwoordige tijd de aandacht opeisende sociale media) ingaan in plaats van ons te blijven concentreren op onze eigenlijke prioriteiten. Ook als die prioriteiten zoals in deze voorstelling zijn: echtgenoot of echtgenote bedriegen, geld afpersen en rivalen en concurrenten uit de weg ruimen.

Spectaculair zijn ook het decor en de techniek. Hoe groot de chaos schijnbaar ook wordt, alles is tot de in de puntjes uitgedacht. Zou trouwens niet anders kunnen, alles moet tot op de millimeter kloppen, anders gebeuren er ongelukken.

YouTube trailer:
https://www.youtube.com/watch?v=oBz

Knock-out, Jakop Ahlbom Company en ISH Dance Collective, gezien 15 september, DeLaMar theater Amsterdam.

Regie: Jakop Ahlbom
Choreografie: Marco Gerris
Fotograaf: Bart Grietens
Spel: Lisa Groothof, Patrick Karijowidjojo, Leonard Lucieer, Tyrone Menig, Freek Nieuwdorp, Arnold Put, Bodine Sutorius
Muziek live: Leonard Lucieer

Fotografie: Bart Grietens scènefotos, Leon Hendrickx publiciteitsfoto’s.

Knock-out, nog t/m 26 september in theater DeLaMar.

 Waarom wordt Maometto secondo niet vaker uitgevoerd?

Tekst Peter Franken

Deze opera had première in Napels in 1820 en markeert min of meer het einde van Rossini’s Napolitaanse periode. Voor Venetië presenteerde de componist in 1822 een omgewerkte versie die in 2005 in La Fenice te zien was. Een opname hiervan is uitgebracht op het label Dynamic. De regie, decors en kostuums zijn van Pier Luigi Pizzi.

Rossini nam de opera mee naar Parijs waar een Franse versie in 1826 werd gespeeld onder de titel Le siège de Corinthe. Anders dan de Italiaanse versies kon het werk hier wel op de goedkeuring van het publiek rekenen.

De titelheld Maometto secondo is de Turkse sultan die uiteindelijk er in slaagde Constantinopel in te nemen, nadat zijn voorgangers daar hun tanden op stuk hadden gebeten. Vervolgens gaat hij aan het veroveren in het Byzantijnse achterland en stuit daarbij op de Venetiaanse kolonie Negroponte, het eiland Euboea dat na het verdwijnen van het Latijnse rijk buiten de greep van het herrezen Byzantijnse rijk was gebleven.

De handeling draait om de val van de kolonie waarbij de gouverneur Erisso en zijn dochter Anna in handen van de Turken vallen. Toen Erisso enige tijd daarvoor een paar maanden op dienstreis naar Venetië was, had hij Anna in Corinthe achtergelaten waar ze de edelman Uberto had leren kennen. Als Erisso haar bij wijze van aanmoedigingspremie wil uithuwelijken aan zijn belangrijkste generaal Calbo, raakt ze geheel in de war en biecht op verliefd te zijn op deze Uberto. Maar Erisso meldt dat de goede man zich in zijn gevolg had bevonden, zodat de conclusie moet zijn dat Anna is bedrogen. Niet geheel onverwacht blijkt degene die zich voor Uberto uitgaf niemand minder te zijn dan Mahomet zelf. Hij was vermomd het terrein aan het verkennen en daarbij op Anna gestuit.

Ondanks dit bedrog houdt Anna nog steeds van hem en hij van haar, wil haar beslist niet opgeven, ook nu ze Erisso’s dochter blijkt te zijn. Dat leidt tot de nodige verwikkelingen, de ene nog onwaarschijnlijker dan de andere, waarbij uiteindelijk Maomettto wordt verslagen, de aftocht blaast en Anna met Calbo in de echt wordt verenigd. Het is een keuze natuurlijk, dat happy end. In de eerste versie was dat anders, Maometto wordt immers in werkelijkheid niet verslagen en binnen de kortste keren wordt heel Griekenland onder de voet gelopen.

Sobere decors en oriëntaalse kledij kenmerken het toneelbeeld. Pizzi heeft de regie beperkt opgevat, kan ook moeilijk anders in een opera waarin weinig meer gebeurt dan ‘praten’. Eindeloze monologen en dialogen, een enkel kwartet, daar vult Rossini de tijd mee. Muzikaal brengt hij niets nieuws, de componist herhaalt zichzelf tot in den treure. Het is echt een werk uit de Rossini productielijn, weer eentje af.

De titelrol wordt vertolkt door de bas Lorenzo Regazzo, zeer verdienstelijk. Zijn stemtype kondigt al aan dat hij geen kans maakt op het meisje. Zeker niet nu hij een contralto als tegenspeler heeft in de persoon van Calbo, vol overgave gezongen door Anna Rita Gemmabella. Calbo verdedigt Anna bij haar vader als ze gezwicht lijkt te zijn voor Maometto’s avances. Die geeft haar zelfs zijn zegelring om te voorkomen dat ze wordt lastig  gevallen in zijn afwezigheid. Anna maakt daar handig gebruik van om haar vader en Calbo te bevrijden. Calbo’s pleidooi is een moment waarop Gemmabella kan tonen wat ze waard is.

De sopraan Carmen Giannattasio neemt de rol van Anna op zich, die liever zichzelf doodsteekt dan toe te geven aan haar ongedoofde liefde voor ‘Uberto’. Uiteindelijk wordt er voor haar beslist en wordt ze door haar vader alsnog aan Calbo gekoppeld.

Giannattasio geeft een prachtige vertolking van deze belcanto partij, de zaak komt tot leven als zij mag zingen. Ze was in Amsterdam te beleven in een andere Rossini opera, als de galeriehoudster in Il viaggio a Reims.

Ook de inbreng van de ervaren Rossini tenor Maxim Mironov is uitstekend verzorgd. Ik zag hem in Luik in La donna del Lago en in Gent in Otello, allebei zeer geslaagde optredens. In deze opera geeft hij gestalte aan gouverneur Erisso die de dood verkiest boven overgave en zijn dochter ‘troost’ met een dolk zodat ze zich kan neersteken voor haar eer wordt geschonden. De muzikale leiding is in handen van Claudio Scimone.

De vermoeide Dood nieuw leven ingeblazen

Tekst: Neil van de Linden

Fritz Langs Der müde Tod uit 1921 stamt uit de tijd dat de filmkunst ongeveer per jaar sprongsgewijs verder evolueerde. In het jaar ervoor verschenen Das Kabinett des Dr Caligari en Der Golem, het jaar erna F.W. Murnaus Nosferatu. En van hetzelfde jaar als Der müde Tod is Zemlinsky’s Der Zwerg, nu te zien als een eerbetoon aan de filmkunst in de regie van Nanouk Leopold bij de Nationale Opera.

Fritz Lang, met een Joodse moeder die katholiek was geworden en door zijn ouders katholiek werd opgevoed, beschouwede zichzelf als atheïst maar vond religie wel een middel om ethisch inzicht te verwerven. Der müde Tod is ontegenzeglijk religieus geïnspireerd. De film gaat over een jong paar. Tijdens hun huwelijksreis ziet de vrouw haar echtgenoot weggevoerd worden door de Dood. Dit moet een verzinnebeelding zijn van de tol aan levens van vooral jonge mannen die de Eerste Wereldoorlog had geëist, waarop de Spaanse Griep toesloeg en nog meer levens had gekost.

Gesterkt door een tekst uit het Hooglied, waarin staat dat liefde zo sterk is als de dood, probeert ze zelfmoord te plegen, waarop de Dood klaar staat om ook haar op te halen. Maar in plaats daarvan smeekt ze hem haar echtgenoot terug te laten keren. De Dood, moe van al het leed dat hij aanricht, geeft haar drie kansen om haar echtgenoot te redden, in drie verhalen waarin ze moet proberen de Dood te slim af te zijn en die zich afspelen in de Arabische wereld, in Venetië tijdens het Carnaval en in het Chinese rijk. In elk van de situaties mislukt de poging, maar de Dood geeft haar nog een kans, als ze iemand bereid zou vinden te sterven in plaats van haar geliefde. Ook al zeggen ook de oudste stadsgenoten nog weinig om het leven te geven, niemand biedt zich aan en ook in een ziekenhuis vindt ze geen gehoor.

Dan breekt er brand uit in het ziekenhuis. De jonge vrouw helpt alle patiënten te ontkomen. Maar er is nog een baby achtergebleven in het brandende gebouw. Ze rent naar binnen en neemt het kind in haar armen. De Dood verschijnt weer en biedt haar de mogelijkheid om het leven van het kind in te ruilen voor dat van haar geliefde. Maar als ze buiten de moeder van het kind ziet huilen om het kind weigert ze het aanbod van de Dood en helpt het kind toch te redden. Zelf ontkomt ze niet op tijd aan de vlammen. Maar de Dood heeft dan gezien hoe groot en onbaatzuchtig de kracht van haar liefde is en besluit het jonge paar te laten terugkeren naar het leven – een moment waarbij ook de hedendaagse kijker een traantje wegpinkt bij deze film die ook voor het overige de gemoederen niet onberoerd laat.

 

Het is een ‘stille’ film (stomme film klinkt, ehh, stom) en klarinettist/saxofonist Steven Kamperman heeft er nieuwe muziek voor geschreven, die wordt uitgevoerd door het vocaal ensemble Wishful Singing. De leden bespelen ook blokfluit, cello en harmonium, met percussionist Modar Salama al gast-instrumentalist, waarbij zijn instrumentarium met name een grote rol speelt in de Oriëntaalse scenes, grote lijsttrommels bij de unieke Sufi-derwish-dansscene aan de Arabische scene en gongs en bellen aan het keizerlijke hof in China, maar ook belletjes tijdens een scene met kerklokken en een triangel in de episode waarin de Dood de notabelen van de stad ruim betaalt om er zijn intrek te mogen nemen. De live-muziek wordt aangevuld met vooraf opgenomen elektronische effecten tijdens de scenes in het rijk van de Dood.

Componist Steven Kamperman: “In de film neemt De Dood een deterministisch standpunt in, maar aan het eind blijkt er toch wel degelijk morele speelruimte te zijn. Ook in de muziek wil ik deze tegenstelling tussen bepalende structuur en vrijheid een rol laten spelen, bijvoorbeeld door het gebruik van tonale en ritmische structuren versus vrije harmonische liederen, strakke compositie versus geïmproviseerde variaties, en een van tevoren opgenomen onveranderlijke band versus een live uitgevoerd gedeelte met interpretatieruimte. Daarnaast speelt de tegenstelling in de film tussen het leven en het dodenrijk ook een centrale rol in de muziek: als akoestische, concrete harmonie en melodie versus elektronisch bewerkte abstracte sound.”

Ook de zang illustreert geregeld bepaalde handelingen op het doek, zoals stemgemurmel als we dorpelingen zien praten, feestmuziek tijdens het carnaval in Venetië. Maar ook hier geld dat de muziek niet puur muzikale illustratie van wordt van wat we in de film zien. Ook heel mooi werkt dat de poëtische Duitstalige tussentitels uit de film door de componist zijn gebruikt als tekst voor de zangpartijen, in het Duits, en het Duitse klankidioom draagt bij aan de sfeer van de film.

De combinatie met het harmonium maakt dat de gezongen muziek – gecomponeerd in een modern tonaal idioom en messcherp gezongen door Wishful Singing – soms herinnert aan het geluid van cabaret uit de jaren twintig en ook aan Kurt Weill, en op andere momenten bijdraagt aan de religieus-gewijde atmosfeer van het verhaal. De blokfluit en vlagen vocale polyfonie in Renaissance-muziek stijl versterken de ‘Dürer- en Gebroeders Grimm -atmosfeer’ en de Duits-Gotische wereld die Langs filmbeelden oproepen.

Der müde Tod, film van Fritz Lang uit 1921, in gerestaureerde versie, met nieuwe muziek van Steven Kamperman uitgevoerd door het ensemble Wishful Singing met Modar Salama, percussie.

Gezien 12/9 Eye zaal 1 Amsterdam.

Trailer voor de productie

Trailer voor de film

De hele film

De website van Wishful Singing

Home

Wikipedia over de film

https://en.wikipedia.org/wiki/Destiny_(1921_film)

De productie reist een tijd door het land.

https://www.wishfulsinging.nl/program/der-mude-tod/