Gastcolumns

I Vespri Siciliani oftewel de volksopstand die de weg naar onafhankelijkheid heeft geopend

Tekst: Peter Franken

Deze opera speelt zich af op Sicilië en voor een beter begrip van de inhoud is enige kennis van de regionale geschiedenis vereist. Sicilië maakte deel uit van het Romeinse Rijk en na de Romeinen kwamen de Vandalen gevolgd door de Ostrogoten, Byzantijnen en Arabieren. In de 11e eeuw werd het eiland veroverd door de Noormannen, feitelijk Vikingen, die een krachtig bewind wisten uit te oefenen. Spanjaarden uit Aragon, Fransen, Duitsers en later Spanjaarden van het huis Bourbon completeren de stoet. Het Franse bestuur was van korte duur. Het repressieve karakter van het régime leidde al na ongeveer twintig jaar tot een opstand waarbij alle Fransen werden verdreven of gedood. Op 31 maart 1282 sloeg de vlam in de pan nadat een Franse officier een Siciliaanse vrouw op weg naar het avondgebed zou hebben beledigd. De man werd in de kerk doodgestoken.

Pin su Librettos, programmas, partiture

Deze gebeurtenis is in Verdi’s Les vêpres Siciliennes verwerkt, beter bekend als I vespri Siciliani. Het was een opdrachtwerk van de Parijse Opéra waar het in 1855 in première ging. In zijn oorspronkelijke vorm is het een grand opéra in vijf aktes met een groot ballet.

Het Franse libretto is van Charles Duveyrier en Eugène Scribe naar hun werk Le duc d’Albe, de opera waaraan Donizetti in 1840 had gewerkt maar die om uiteenlopende redenen onvoltooid was gebleven.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Les Vêpres Siciliennes waarin Henri wordt vermorzeld tussen de intuïtieve liefde voor zijn vader Montfort en zijn afkeer voor de verpersoonlijking van de onderdrukking van het Siciliaanse volk, de Franse gouverneur Montfort. De overeenkomsten met Donizetti’s Le Duc d’Albe zijn heel duidelijk. Alleen de namen zijn veranderd.

In 1989 stond I vespri Siciliani op het programma van La Scala. In de hoofdrollen Giorgio Zancanaro als Monforte, Cheryl Studer als Elena en Ferruccio Furlanetto als Procida. Chris Merrit vertolkte de rol van Arrigo, de Italiaanse versie van Henri. Zoals gezegd wordt deze opera vrij zelden gespeeld, een lot dat het werk deelt met een reeks vroege Verdi’s. Maar voor een opera die vlak na Verdi’s succesnummer La traviata kwam is dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Toen ik na vele jaren de dvd van de opname uit 1989 nog eens afspeelde, werd me echter toch wel veel duidelijk. Alles wat La traviata na een moeilijke start tot een megasucces heeft gemaakt, ontbreekt in Vespri. La traviata is een aansprekende liefdesgeschiedenis met een schitterende rol voor de prima donna en een ontroerend duet van Violetta met Germont sr. De rol van Alfredo is routine Verdi, het gaat om de sopraan en de bariton. Verder is de opera heel compact, er staat geen noot teveel in.

In Vespri komt de liefdesgeschiedenis van Arrigo en Helena nauwelijks uit de verf. De scènes van Montfort worden nodeloos gerekt, zeker in de briefscène lijkt er geen einde aan te komen. Het ballet in de derde akte kan natuurlijk gemakkelijk worden geschrapt maar zelfs dan blijft er een onnodig lang werk over waarin de componist de protagonisten zich moeizaam laat voortslepen. Mijn conclusie is dan ook dat dit werk terecht wordt genegeerd, het is eerder een curiosum dan een aansprekende latere Verdi.

De enscenering in La Scala is basaal. Een plein met een blauwe achtergrond, de zee. Een kamer in het paleis van de gouverneur, een balzaal en een gevangenis waarin zich een beul meldt met een heuse grote hakbijl. De gebeurtenissen spelen zich af in de 13e eeuw maar de kostumering duidt op de periode waarin de opera is ontstaan. De Fransen zien er schitterend uit in hun uniformen waarin hemelsblauw is gecombineerd met roomwit. Elena loopt in een zwarte jurk, ze is in de rouw vanwege haar broer. Het volk is aanwezig in een ‘Cavalleria’ kostumering.

Men heeft in deze productie het ballet zeer serieus genomen. Het wordt in zijn volle lengte uitgevoerd en is aardig om te zien. Ook al wordt er uitstekend gedanst, het blijft natuurlijk een showstopper.

Zancanero laat een goede Montfort horen al heeft hij toch wel wat moeite de spanning vast te houden als Verdi hem langer laat zingen dan op dat moment wenselijk is. Chris Merritt biedt een uitstekende vertolking van de geplaagde Arrigo die echter te veel moet lamenteren over zijn genadeloze lot. Hoe goed hij ook zingt, zijn personage gaat irriteren.

Helena is in mijn beleving een van de minst aansprekende rollen die Verdi een prima donna heeft toebedacht.  Ze is feitelijk onnodig voor het verhaal. De roof van aanstaande bruiden door Franse soldaten is voldoende om de vlam in de pan te laten slaan.

Het loyaliteitsprobleem van Arrigo speelt tussen hem en Procida. Helena is er tussen gewurmd omdat Verdi anders zonder sopraan kwam te zitten. Dat gezegd hebbende moet ik vaststellen dat Cheryl Studer zich uitstekend weet te weren. De opname dateert uit haar ‘wonder years’ toen ze gezien werd als the voice of the century. Met name het bekende ‘Mercè, dilette amiche’ in de vijfde akte gaat haar heel goed af.

Ferrucio Furlanetto overtuigt als verpersoonlijking van het geschonden Siciliaanse zelfbeeld, een echte revolutionair. Sowieso is het altijd een genoegen deze man te horen zingen.

Riccardo Muti heeft de muzikale leiding. Het zal vooral aan hem te danken zijn dat deze productie er überhaupt is gekomen.


Discografie:

I vespri siciliani/Les vêpres siciliennes. Een beetje een discografie maar niet heus

In memoriam Christa Ludwig, Old Lady in Candide

Tekst: Peter Franken

Vrijwel iedereen in de operawereld heeft zo zijn favoriete herinneringen aan Christa Ludwig die vorige week overleed. In mijn geval zijn dat Aldagisa en Fricka. Maar een geheel andere kant van deze sympathieke mezzo krijgen we te zien in haar vertolking van Old Lady in Bernsteins Candide. In de opname die op dvd verscheen van de concertante uitvoering op 13 december 1989 geeft ze de gehele cast als comédienne het nakijken, met inbegrip van Lenny himself.

Van Candide kende ik tot voor kort eigenlijk alleen maar Cunegondes coloratuuraria ‘Glitter and be gay’ maar recent bekeek ik de gehele dvd. Iedereen heeft het geweldig naar de zin tijdens de voorstelling, dirigent Bernstein nog het meest. Hij zal opgelucht geweest zijn dat na 35 jaar zijn levenswerk nu eindelijk voltooid was. Hij overleed tien maanden later en gelet op de aard van zijn ziekte zal hem tijdens de opname al wel duidelijk zijn geweest dat zijn leven op een einde liep.

Profile in courage | The Economist

Lilian Hellman pikte Voltaires verhaal op naar aanleiding van het McCarthyism dat de US in de jaren ’50 teisterde en het nummer ‘What a day, what a day, for an Auto-da-fé’ over de Spaanse Inquisitie herinnert nog daaraan. In 1956 ging Candide op Broadway met Hellmans libretto. Hierna volgden versies in 1973, 1982 en uiteindelijk 1988 en toen zag de maestro dat het eindelijk goed was.

Voltaires idee dat deze wereld de beste was van alle mogelijke werelden kwam voort uit de gedacht dat indien er sprake was een schepper, dat de beste van alle mogelijke scheppers moest zijn. Zodoende is er voor alles een goede reden te geven, kwestie van het grote geheel voor ogen houden. Zelfs de slang heeft een positieve inbreng gehad, zonder welke de zondeval niet had kunnen plaatsvinden. En dan zou de mensheid ook niet van zonden verlost kunnen worden en dan waren we nog veel verder van huis geweest.

De verwoestende aardbeving die in 1755 Lissabon trof was voor Voltaire ‘the last straw’. De wereld en zijn bewoners vormden slechts een rampzalige vertoning. En om dat in te wrijven laat Voltaire in zijn schelmenroman Candide de meest vreselijke dingen gebeuren. Die worden echter zeer achteloos verteld. In Bernsteins Candide komt die achteloosheid vaak over als baldadige meligheid, zeg maar sophomoric humour. Maar het wordt gebracht als onderdeel van een flitsende komedie en ondersteund door onweerstaanbare muziek.

Moord en doodslag, verkrachting en geseling, verdrinking en wederopstanding, het volgt elkaar in hoog tempo op. Daarnaast kleinere steekjes zoals Cundegonde die in Parijstegelijkertijd de minnares is van een rijke Jood en de aartsbisschop, op dinsdag, donderdag en zaterdag respectievelijk woensdag, vrijdag en zondag.  Op maandag is ze vrij en beseft ze gedoemd te zijn tot sprankelen en blijheid. Na June Andersons vertolking van dit bravoure stuk gaat het dak eraf.

Zij krijgt al snel hierna gezelschap (en concurrentie) van Christa Ludwig in the Old Lady’s tango ‘I am easily assimilated’, een hilarisch nummer waarin Ludwig zich geheel en al uitleeft. An het begin van de tweede akte zingen beide dames het kostelijke duet ‘We are women’. Samen met de ouverture zijn dit in muzikaal opzicht de nummers die eruit springen.

Waarmee niet gezegd is dat Nicolai Gedda tekortschiet in zijn serenade ‘My love’ maar zijn muziek is gewoon minder interessant dan die van de beide dames.

Dat kan ook gezegd worden van Jerry Hadley die de titelrol vertolkt, uitstekend gezongen maar hij blijft een beetje een bijfiguur in een verhaal dat met al zijn krankzinnige wendingen vooral de aandacht doet uitgaan naar steeds weer nieuwe personages en situaties waardoor je de constante factor Candide bijna over het hoofd ziet.

Uiteindelijk komt Candide tot de conclusie dat de wereld niet helemaal goed of slecht is maar dat je er maar het beste van moet maken. En hij besluit met zijn Cunegonde ergens een boerderijtje te beginnen. Geen Hof van Eden, want daarin hoefden Adam en Eva niets te doen, maar een aards paradijsje waarin gewerkt moet worden om in leven te blijven.

Leornard Bernstein dirigeert zelf het London Symphony Orchestra & Chorus en staat daarnaast vooral te genieten van het optreden van zijn solisten, soms zelfs met de armen over elkaar of een beetje meeswingend. Uiteindelijk is het toch vooral zijn triomf.

Boris Godoenov met Gergiev in het Mariinsky

Tekst: Peter Fanken

Boris Tarkovski

Een productie van de Royal Opera met Robert Lloyd in de titelrol werd in 1990 in het Mariinsky uitgevoerd onder leiding van Gergiev. Ik bekeek een dvd van de opname van deze in alle opzichten zeer geslaagde voorstelling.

Regisseur Andrei Tarkovsky heeft in deze productie gekozen voor de complete versie in vier akten. Dat voegt beslist veel toe aan het werk. In de oorspronkelijke versie heeft Moessorgski een aantal scènes ingevoegd die de kennelijke bedoeling hebben het geheel wat op te fleuren. Zo is er het volksliedje dat wordt gezongen door de voedster van Boris’ dochter Xenia in de derde akte. De tweede akte laat hij beginnen met een vergelijkbaar liedje dat wordt gezongen door de herbergierster, voordat Varlaam, Missail en Grigori binnen komen vallen. Varlaam is het cliché van de sjacherende losbandige monnik en hij heft direct een dronkemanslied aan over de verovering van Kazan.

Die tweede akte had als enig doel de link te leggen tussen de jonge monnik Grigori en de pretendent Dmitri die tegen het einde zijn opwachting maakt. En verder natuurlijk het opfleuren van het werk door die liedjes. Maar met het toevoegen van een forse akte die zich afspeelt in Polen, verliest die tweede akte zijn betekenis. De toeschouwer wordt nu immers al uitvoerig meegenomen in de metamorfose van Grigori in Dmitri. Tegelijkertijd krijgt de rol van de pretendent meer inhoud. In plaats van een bordkartonnen personage in een bijrol, treedt hij nu meer op de voorgrond en krijgt ook meer te zingen. Marina vertolkt een grote rol voor mezzosopraan en maakt daarmee die liedjes zingende herbergierster en voedster volledig overbodig.

Het ware beter geweest als Moessorgski de gehele tweede akte had laten vervallen en ook de rol van de voedster en van Xenia had geschrapt. Dat gebral van Varlaam is sowieso een van de momenten die mij altijd storen in Russische opera’s.

Het toneelbeeld is tamelijk eenvoudig gehouden. Een licht oplopend breed plankier dat reliëf krijgt door een geaccentueerde verdeling in vierkanten. Zo nu en dan worden er rekwisieten bijgeplaatst of neergelegd zoals in geval van het grote kleed dat Boris’ rijk voorstelt en waar Fjodor met hem over spreekt. De kostumering is ronduit overweldigend, absoluut top en dat maakt het gebruik van zetstukken om een omgeving te definiëren bijna overbodig.

De Poolse akte spreekt me het meeste aan, het operahart in een zich voortslepend historisch drama. Sergei Leiferkus is geweldig op dreef als de manipulerende Jezuïet Rangoni. Hij vraagt Marina zonder veel omhalen om te hoereren voor het Rooms Katholieke geloof en als ze botweg weigert en hem wegstuurt, gooit hij het over een andere boeg. Haar gezicht is reeds vervormd door de komst van de duivel die op het punt staat in haar te varen of dreigementen van gelijke strekking. Dat werkt en ze stemt toe in het bewerken van Dmitri zodat hij zijn verliefdheid op het tweede plan zal plaatsen en zich zal richten op hogere doelen: de kroning van Marina tot tsarina en de vestiging van het rooms-katholicisme in een Pools-Litouwse vazalstaat zoals gepropageerd door Rangoni.

Marina bespeelt Dmitri in die scène werkelijk als een piano en krijgt de voormalige monnik geheel waar ze hem hebben wil. Olga Borodina haalt deze akte geheel naar zich toe, eerst in het verbale duel met Rangoni, vervolgens hetzelfde nog eens met Dmitri, een mooie rol van Alexei Steblianko. Dit vormt het hart van de opera en is in deze voorstelling een hoogtepunt dat slechts wordt geëvenaard door de scène waarin Boris sterft, een meesterstuk van Robert Lloyd.

Hoewel al een oude opname is deze productie zeker het aankijken en beluisteren waard. Als ik dat nog eens doe zal ik mijn eigen adviezen volgen en de tweede akte en het begin van de derde gewoon overslaan.

La Sonnambula uit de Met, een terugblik

Tekst: Peter Franken

Een jaar geleden stond La Sonnambula op het programma bij de Opéra de Wallonie in Luik. De Georgische sopraan Nino Machaidze zou de rol van Amina zingen, de Amerikaanse tenor  René Barbera die van Elvino. Uiteraard is dat hele belcantofeest niet doorgegaan en het is maar afwachten of dit werk in een van de komende seizoenen op het programma zal komen te staan.

Maar gelukkig kunnen we ons in de tussentijd troosten met een alleraardigste opname uit de Met, in 2009 live uitgezonden en op dvd uitgegeven door Decca. Het betreft een productie van Mary Zimmerman met Natalie Dessay in de titelrol. De Peruaanse tenor Juan Diego Florez zorgt als Elvino voor de stratosferische noten bij de mannen en de Italiaanse bas Michel Pertusi voor de lage.

Er gebeurt niet zo heel veel in deze opera, echt belcanto zullen sommigen wellicht denken. Een flinterdun verhaaltje en vooral heel veel vocale acrobatiek. Dat klopt wel, in dat opzicht wijkt La Sonnambula sterk af van Norma met zijn dramatische handeling. Ook het orkest heeft hier weinig in te brengen. Hun bijdrage blijft grotendeels beperkt tot voortkabbelende huppelmuziek. Alles staat of valt met de zangers en het is aan de regie om ze niet helemaal aan hun lot over te laten.

La Sonnambula gaat over de vondeling Amina die het lieverdje van een Zwitsers dorp is. De jonge landeigenaar Elvino heeft zich niet laten afschrikken door Amina’s onbekende afkomst en haar ten huwelijk gevraagd. Dit tot chagrijn van zijn vroegere verloofde Lisa, de waardin van de herberg. Opkomst een onbekende man, de jaren eerder verdwenen graaf die al snel herkend wordt. Hij is aanvankelijk incognito en besluit een nachtje in Lisa’s herberg door te brengen, in afwachting van verdere ontwikkelingen. Zodra Lisa echter te horen krijgt dat ze de graaf in huis heeft, komt ze hem op zijn kamer bezoeken.

De graaf is nogal een charmeur, perfect geacteerd door Michele Pertusi, en dat heeft Amina ook al ondervonden toen hij zijn intrede deed. Elvino werd direct erg jaloers en ze kregen er zowaar een beetje ruzie over. Nu is de beurt aan Lisa die in haar tête à tête met de graaf wordt gestoord door een slaapwandelende Amina die zich in het bed van de graaf neervlijt en pas de volgende ochtend wakker wordt.

Drama alom, Elvino maakt het uit en staat op het punt met Lisa te trouwen als de graaf komt vertellen dat Amina onschuldig is en aan het slaapwandelen was. Niemand gelooft hem tot het arme kind in nachthemd over het besneeuwde dak aan komt schuifelen. En dan komt alles toch weer goed met Elvino.

Als je deze opera librettogetrouw wilt brengen, kom je bij een bergdorp terecht met spelers in klederdracht. Tijdens de eindeloze solo’s van Amina en in mindere mate Elvino hebben die lui niets te doen. Zimmerman heeft geprobeerd dit probleem te omzeilen door de handeling zich te laten afspelen in een grote repetitieruimte die op het toneel is nagebouwd, compleet met koffiehoek en watercooler. Iedereen draagt gewone dagelijkse kleren waarbij natuurlijk wel gezorgd is voor voldoende variatie. Elk koorlid is in dat opzicht uniek en herkenbaar.

Nu kan men ergens mee bezig zijn terwijl de solisten zingen: kleren en schoenen passen, een pruik uitkiezen. Ondertussen zijn de koorleden onderling met elkaar in gesprek, uiteraard onhoorbaar maar het is duidelijk dat er interacties plaatsvinden. Ook wordt er veel rondgelopen, bijvoorbeeld om even een bezem te gaan halen.

Pas tegen het einde blijkt dat het een gezelschap betreft dat wel degelijk een oer Zwitserse productie aan het voorbereiden was. Tijden hun verzoening worden Amina en Elvino even alleen gelaten en plotseling komen de anderen tevoorschijn in klederdracht en worden er zogenaamd folkloristische dansjes uitgevoerd. De toeschouwer ziet wat hij al die tijd heeft gemist en ik was Zimmerman er dankbaar voor.  

De bijrol van de afgewezen verloofde Lisa wordt heel aardig vertolkt door Jennifer Black. Afgezien van de aria ‘Lasciami de lieti auguri a voi son grata’ is haar rol vooral acterend van belang en dat doet ze heel subtiel en doeltreffend. Dat geldt ook het optreden van Michel Pertusi als Il conte. Fraai gezongen maar vooral leuk geacteerd, een echte charmeur in de 1e akte en de redder in nood in de 2e waarbij hij zich laat gelden als de autoriteit in het dorp. De regie pakt zijn mimiek goed op, zo nu en dan krijg je Pertusi in een heel korte close up te zien en dat werkt hilarisch.

Juan Diego Florez valt me een beetje tegen. Alle noten zijn er, hij beheerst zijn partij volledig. Maar hij is me te luid en in combinatie met de ‘metalen resonans’ in zijn stem vind ik dat onprettig. Met name als hij met een sprong de hoogte in moet, verdubbelt zijn stemvolume.  Verder acteert hij met te veel pathos, steeds ook met beide armen vooruit.

Natalie Dessay draagt zoals verwacht de voorstelling, niet alleen omdat ze het meeste zingen heeft maar vooral ook doordat ze bijna perfecte zang combineert met volstrekt natuurlijk ogend spel. Je leeft met het meisje mee dat voor een productie repeteert waarin ze Amina is en vergeet bijna dat je naar een actrice zit te kijken. Amina is een van Dessay’s paraderollen en deze dvd maakt eens te meer duidelijk waar dat door komt. Een mooiere Amina is nauwelijks denkbaar.

De overige rollen zijn heel behoorlijk bezet, het koor acteert overtuigend schijnbaar nonchalant en zingt prachtig.

De muzikale leiding is in handen van Evelino Pidó.

Edgar uit Turijn is nog steeds de enige op dvd

Tekst: Peter Franken

Voor velen begint de reeks Puccini opera’s pas met Manon Lescaut. Wat hij daarvoor componeerde heeft lang onder het stof gelegen en kan daar maar beter blijven, is de redenering. Dat is een lot dat die vroege werken delen met vergelijkbare opera’s van Strauss en Wagner. Daar beginnen we gemakshalve vaak te tellen bij Salome en Der fliegende Holländer.

Edgar was Puccini’s tweede opera, na de eenakter Le Villi. Het werk kende oorspronkelijk vier aktes maar werd na de première in 1889 veelal ingekort tot drie, waarbij uiteindelijk de partituur van de laatste akte geheel in de vergetelheid raakte. Deze dook pas een eeuw later weer op en met behulp hiervan werd het werk gereconstrueerd. In 2008 werd de gecompleteerde Edgar uitgevoerd in het Teatro Regio Torino met José Cura in de titelrol. De opname hiervan is tot op heden de enige die op dvd is uitgebracht.

Het verhaal draait om een man die voor de keuze staat tussen une femme fragile et une femme fatale, het dorpsmeisje Fidelia en de zigeunerin Tigrana. Laatstgenoemde is ooit als kind achtergelaten door een groep rondtrekkende zigeuners en als dochtertje van het gehele dorp door de gemeenschap grootgebracht. Maar eenmaal volwassen heeft ze zich ontpopt tot een vrijgevochten sensuele vrouw die het gehele dorp op zijn kop zet en daarbij nadrukkelijk blasfemie niet schuwt.

Voorspelbaar toont de regie haar als een aantrekkelijke donkerharige vrouw in een rode jurk. De wat timide Fidelia (blond en witte jurk) moet het tegen haar rivale afleggen. Na een enorme ruzie waarbij Edgar en Fidelia’s broer, de door Tigrana afgewezen Frank, elkaar met messen te lijf gaan, neemt Edgar met zijn zigeunerin de benen. Hij laat de door hem verafschuwde verstikkende dorpsgemeenschap voor altijd achter zich en om dat besluit te benadrukken steekt hij zijn voorvaderlijk huis in brand.

De tweede akte toont het hedonistische bestaan van Edgar met Tigrana waarbij die twee zich kennelijk de nodige rijkdom hebben verworven door langskomende reizigers te laten verdwijnen, roof dus. De regie voert Tigrana op als de Madam in een luxe bordeel waarin Edgar zich een poging tot een orgie van vijf meisjes laat welgevallen. Hij kan er echter geen interesse meer voor opbrengen, allemaal illusie en geen ware zuivere liefde zoals hij met Fidelia had kunnen beleven.

Tigrana maakt hem duidelijk dat dit is waar hij voor heeft getekend. Ze zal hem nooit laten gaan en al helemaal niet aan een ander laten. Een langstrekkende groep soldaten onder leiding van Frank biedt hem echter een ontsnappingsmogelijkheid. Uiteindelijk komt Edgar toch weer in zijn dorp terecht, staat op het punt alsnog met Fidelia te trouwen als Tigrana opduikt en de bruid neersteekt. De zigeunerin wordt gepakt en wacht executie door de beul.

Het is verleidelijk om de twee vrouwenrollen te vergelijken met Carmen en Michaëla. Maar gelet op het gebeuren in de tweede akte zie ik ook een duidelijke overeenkomst met Venus en Elisabeth. Net als Venus gaat Tigrana door roeien en ruiten om haar man bij zich te houden.

Opvallend is dat de handeling op een aantal punten afwijkt van latere Puccini’s. Zo is er een messengevecht op leven en dood en eindigt de rivaliteit tussen twee vrouwen in een koelbloedige moord. Het geeft Edgar duidelijk veristische tintjes, een aspect dat pas in Il tabarro zal terugkeren in zijn oeuvre. Tigrana is de enige grote rol voor een mezzosopraan in zijn werk. Tegelijkertijd is er ook al wel een andersoortige vergelijking te maken: Fidelia’s klaagzang in de vierde akte als ze haar grote liefde Edgar dood waant en zich opmaakt te sterven zodat ze hem in de hemel kan huwen, doet vocaal en in zijn dramatiek sterk denken aan Suor Angelica.

Hoe het ook zij, Edgar is met name de moeite van het bekijken en beluisteren waard voor diegenen die vertrouwd zijn met de opera’s die er nog op zouden volgen. Een soort speurtocht naar de Puccini die je al kent en tegelijkertijd het ondergaan van een veristisch werk met een op punten wat bizarre handeling.

José Cura excelleert als Edgar, hij zet alle zeilen bij om zijn toch wat bordkartonnen personage een zekere geloofwaardigheid te geven en slaagt daar vooral door zijn uitstekende zang vrij goed in. Fidelia is in goede handen bij Amarilli Nizza die een getrouw beeld geeft van het onschuldige meisje dat met bloesemtakjes probeert te concurreren met de rauwe seksualiteit van haar rivale. Bringing een knife to a gunfight. Haar grote solo in de vierde akte is vintage Puccini en wordt zeer ontroerend en muzikaal heel goed verzorgd gebracht.

De Russische mezzo Julia Gertseva weet moeiteloos te overtuigen als de verpersoonlijking van mannelijke fantasieën en is niet alleen een goede typecast als Tigrana maar geeft ook een prima vertolking van haar rol. Voor haar was het een uitstapje uit Carmen, een rol die haar op het lijf geschreven lijkt.

Yoram David heeft de muzikale leiding en zet daarmee een goed gelukte Edgar op de kaart.

De driehoeksverhouding tussen Billy Budd, Claggart en Vere

Een schitterend geënsceneerde naturalistische productie van Brittens zeeliedenopera uit Glyndebourne was voor Peter Franken aanleiding zich te verdiepen in wat er nu eigenlijk speelt tussen de drie hoofdpersonen. Het betreft de opname op Opus Arte uit 2010 met Jacques Imbrailo in de titelrol.

dvd_bri_billybudd

Dit mooie maar verontrustende werk zag ik een aantal malen in het theater en elke keer heb ik het verloop van het verhaal als onbevredigend ervaren. Een simpele tegenstelling als die tussen goed en kwaad spreekt me niet aan. Als je een personage neerzet als de duivel zelf hoef je natuurlijk niets uit te leggen, daar staat iemand op het toneel die het stichten van kwaad als enige bestaansdoel heeft. Hoezo uitleggen? Maar we kunnen het in elk geval eens proberen.

Billy Budd

Theodor Uppman, de eerste Billy

Ondanks dat hij een vondeling is heeft zijn omgeving hem kennelijk een redelijke start in het leven gegeven. Billy is een naïeve mooie sterke jongeman waar iedereen gemakkelijk mee weg lijkt te lopen. Binnen de kortste keren heeft hij aan boord de bijnaam Baby. Hij is ook bereid zijn schamele bezittingen te delen zoals uit de scène met de oude Dansker blijkt. Door de librettisten Forster en Crozier wordt hij neergezet als de verpersoonlijking van ‘het goede’ in de mens. En voor wie het nog niet heeft begrepen laat men hem ook naar de Indomitable overkomen vanaf een koopvaardijschip met de provocerende naam The rights of man. Als Billy zijn schip vaarwel toezingt en die naam noemt maakt hij zich ongewild verdacht. We zitten immers in 1797 op het hoogtepunt van de Eerste Coalitie Oorlog die op zee vooral tussen Frankrijk en Engeland wordt uitgevochten. De First Lieutenant geeft zijn Master at Arms onmiddellijk opdracht die nieuwe matroos in de gaten te houden.

John Claggart

John Mark Ainsley as Captain Vere, Jacques Imbrailo as Billy Budd and Phillip Ens as Claggart in the Glyndebourne production of Benjamin Britten’s “Billy Budd” directed by Michael Grandage and conducted by Mark Elder at Glyndebourne. (Photo by robbie jack/Corbis via Getty Images)

De Master at Arms van de Indomitable vormt de verbindende schakel tussen de officieren en de zeelui. Zijn macht is vrijwel onbeperkt en als die wordt gebruikt om strenge straffen op te leggen om kleinigheden, wekt dat kwaad bloed. Op de Indomitable hebben alle manschappen een hekel aan Claggart en ook de officieren mijden hem maar het liefst.

Claggart zingt in een lange monologue intérieur over zichzelf:
‘Would that I lived in my own world always, in that depravity to which I was born. 
There I found peace of a sort, there I established an order such as reigns in Hell.’

Hij wekt de indruk als het ware in een morele afgrond geboren te zijn, dus niet daar later in te zijn beland. Dat kan eigenlijk alleen maar duiden op homoseksualiteit, typisch een ‘afwijking’ waarvoor iemand in die tijd het etiket ‘depraved’ kreeg opgeplakt. Doordat Claggart zijn hele leven zich ten opzichte van andere mannen benadeeld en buitengesloten zal hebben gevoeld, zal hij zich in zijn eigen beperkte leefwereld sterk hebben gemaakt door alles en iedereen die daarin doordringt met de grond gelijk te maken. Het is zijn permanente wraak op zijn eigen gemankeerde bestaan.

En als daar plotseling zo’n knappe jongeman opduikt, werkt dat zeer ontregelend. Hij zingt:

‘The lights shines in the darkness comprehends it and suffers.
O beauty, o handsomeness, goodness!
Would that I had never seen you!
Having seen you, what choice remains to me?  
None, none! I’m doomed to annihilate you.’  
Alleen zo kan Claggart de rust en zekerheid in zijn eigen kleine universum herstellen.

Deze analyse zal niet iedereen kunnen overtuigen maar verdient mijns inziens de voorkeur boven de dooddoener Claggart is de duivel in persoon. Daarom nog een citaat:
“‘If love still lives and grows strong where I cannot enter,
what hope is there in my own dark world for me? 
No! I cannot believe it! That were torment to keen.’

Edward Fairfax Vere

Phillip Ens as Claggart, Jacques Imbrailo as Billy Budd and John Mark Ainsley as Captain Vere in the Glyndebourne production of benjamin Britten’s “Billy Budd” directed by michael Grandage and conducted by Mark Elder at Glyndebourne. (Photo by robbie jack/Corbis via Getty Images)

De kapitein van de Indomitable wordt door de crew op handen gedragen. Starry Vere noemen ze hem en iedereen is bereid voor hem door het vuur te gaan. Als Claggart bij hem komt en Billy van muiterij beschuldigt, vertrouwt Vere hem niet. Hij waarschuwt hem zelfs door erop te wijze dat valse beschuldigeigen met de dood worden bestraft.

Tegelijkertijd maakt hij zich wel degelijk zorgen over het gevaar van muiterij na het gebeuren op de Nore, the floating republic. Maar Billy kent hij inmiddels, prima jongen. Daarop stelt Claggart nogal uitdagend:
‘You do but note his outwards, the flower of masculine beauty and strength.’ 
Zinspeelt hij erop dat Vere een voorkeur heeft voor mooie jongens?

Hoewel Vere ervan overtuigd is dat Claggart liegt over Billy, laat hij die arme jongen toch zijn eigen kastanjes uit het vuur halen. Billy moet zichzelf maar verdedigen tegen die monsterlijke beschuldigingen en dan kan Vere in alle rust een besluit nemen. Hij ziet Claggart als het ware al aan de yard-arm hangen.

Maar doordat Billy zich in hoogste nood niet verbaal kan uiten als gevolg van zijn stotter en zijn vuist laat spreken, gaat die vlieger voor Vere niet op. Die laat Billy vervolgens als een hete aardappel vallen. Zijn officieren moeten rechtspreken en hun dringende verzoek om opheldering over de mogelijke beweegredenen van Claggart, wimpelt hij af.

Vere zou Billy vermoedelijk niet van de dood hebben kunnen redden, de Articles of War bieden geen enkele ruimte, maar hij doet zelfs geen enkele poging daartoe. Dat Billy hem prijst voor hij de dood ingaat zegt iets over zijn naïeve kijk op de wereld, Vere zou zich maar beter heel klein moeten maken in een hoekje.

Regisseur Michael Grandage speelt dit goed uit door Vere na het uitspreken van het doodvonnis helemaal buiten de handeling te plaatsen. En wat mij betreft heeft Vere alle reden in zijn latere leven op deze episode met een gevoel van schaamte terug te kijken.

Voorstelling

Alles is levensecht in deze productie, de contouren van een scheepsruim en dek, de kapiteinshut, de kostuums en de kanonnen. Erg confronterend wordt dit als op het toneel uitgerekend door Dansker de strop wordt gewikkeld, gewoon uit een willekeurig touw. En vervolgens houden Billy’s beste vrienden het touw vast waaraan hij komt te bungelen over de yard-arm. Ze zetten zich schrap als hij valt. Het is het meest aangrijpende moment van de hele voorstelling.

Muzikaal is het een topuitvoering met zoals gezegd Jacques Imbrailo als Billy. Vere wordt vertolkt door Joh Mark Ainsley en Claggart komt voor rekening van de zeer overtuigende Philip Ens. Mooie bijrol van Jeremy White als Dansker.

De muzikale leiding is in handen van Mark Elder.



Discografie:
Britten’s Billy Budd: brilliant music to a brilliant libretto

Jessye Norman als Sieglinde in Die Walküre

Tekst: Peter Franken

Vandaag, 30 maart, is het anderhalf jaar geleden dat Jessye Norman overleed. Een mooie aanleiding om terug te kijken op twee van haar grootste rollen in de Met. Gisteren Cassandre, vandaag Sieglinde.

Eind jaren ’80 begon de Metropolitan Opera aan een nieuwe Ring des Nibelungen, uiteraard eerst met vier op zichzelf staande delen. Otto Schenk was aangetrokken voor een productie die Wagners regieaanwijzingen zo veel als mogelijk zou volgen. Uiteraard was men daarvoor bij Schenk aan het goede adres. Dirigent James Levine had zijn Wagnersporen al verdiend met zijn langdurige Parsifal dirigaat in Bayreuth en zou na deze Ring in de Met de tetralogie vanaf 1994 tijdens de Festspiele dirigeren. Nog jaren sprak men in dit verband van de Levine Ring.

De première van de eerste cyclus vond plaats in 1989 en de opnames daarvan zijn later uitgebracht op dvd. Na Jeannine Altmeyer in 1986 was de rol van Sieglinde in Die Walküre deze keer toevertrouwd aan Jessye Norman en dat bleek een zeer gelukkige keuze.Voor Norman was dit overigens geen nieuwe rol, ze zong Sieglinde al in 1981 op een plaatopname onder Marek Janowski.

Om maar met de deur in huis te vallen, deze Walküre uit de Met is een van de beste live uitvoeringen die ik tot op heden gehoord heb en dat zijn er al heel wat. Dat is vooral te danken aan het werkelijk fenomenaal spelende orkest van de Met onder leiding van James Levine en aan de inbreng van Jessye Norman en James Morris.

Laatstgenoemde was pas begin 40 tijdens de opname maar door zijn rijzige gestalte en goede ‘kap en grime’ oogt hij zeer geloofwaardig als oppergod Wotan, daarbij enorm geholpen door zijn monumentale stemgeluid. Jaren later heb ik hem in deze rol eens meegemaakt in Luik waar hij in 2003 als Wotan insprong voor Jean-Philippe Lafont. Gezeten op de tweede rij een paar meter van het toneel maakte hij zoveel indruk op me dat ik de rest van deze voorstelling volledig ben vergeten.

De twee kleinere rollen van Hunding en Fricka zijn zeer luxe bezet met Kurt Moll en Christa Ludwig. Haar Fricka is indrukwekkend, evenaart mijn favoriete vertolking door Hanna Schwarz in Bayreuth. Moll krijgt van decorbouwer Günther Schneider-Siemssen nog enige hulp in de vorm van een soort diorama uit de negentiende eeuw dat Hundings Haus und Herd moet verbeelden, hij staat niet zomaar in de vrije ruimte te acteren. Ludwig heeft die steun niet in haar grote scène, staat bijna concertant te zingen, maar dat deert haar niet in het minst. Moll is natuurlijk altijd prachtig om te horen, I could bathe in that sound. En leuk om die uiterst beminnelijke man hier zo’n afstotend personage te zien spelen.

© Winnie Klotz / Metropolitan Opera

Maar de reden dat ik op deze oude opname terugkom is natuurlijk de Sieglinde van Jessye Norman. Haar stem was de eerste die ik ooit in deze rol hoorde en dat is sterk bepalend gebleken bij wat ik van een Sieglinde verwacht. Ook als ze hoog zingt lijkt het lager dan het is, haar diepe donkere stemgeluid is op dit punt een beetje misleidend. Aanvankelijk maakt ze haar stem wat klein, is natuurlijk ook de schuchtere vrouw tussen een overheersende echtgenoot en een jongere man die onverwachte en moeilijk te duiden emoties bij haar oproept. Maar vanaf ‘Siegmund, so nenn’ ich dich’ zingt ze voluit en blaast ze de toch tamelijk omvangrijke Gary Lakes bijna van het toneel.

Het einde van de eerste akte gaat alles in overdrive, opvallend gelet op de trage tempi die Levine verder aanhoudt, en bij het vallen van het doek explodeert de zaal en zat ik zeer geëmotioneerd op de bank. Na zoveel Walküres en ook talloze malen Norman in de bijbehorende cd opname te hebben beluisterd was dat toch wel een verrassend moment.

Finale van de tweede akte:

Het zelfde overkwam me einde tweede akte bij Morris’ gefluisterde ‘geh’ waarop Hunding dood neervalt. Kort daarvoor heeft de oppergod zijn stervende zoon nog even opgepakt en in de ogen gekeken. Als Siegmund echt dood is legt hij hem voorzichtig neer en spreekt Hunding toe. Vertel Fricka maar dat ze haar zin heeft gekregen, en nu wegwezen. Alleen als dode kan Hunding zich immers met Fricka verstaan.

Hildegard Behrens vind ik te breekbaar als Brünnhilde, zowel haar stem als in haar voorkomen en gedrag. Haar acht zusters vallen zonder meer tegen. De regie laat het tijdens de Walkürenritt afweten en stimmlich stelt het allemaal weinig voor. Dat blijkt eens te meer als Brünnhilde aankomt met Sieglinde. Laatstgenoemde verkeert in grote nood en moet worden gered omdat ze zwanger is. Als Norman begint te zingen ‘Nicht sehre dich Sorge um mich‘ is ze de enige vrouw tussen een groepje meisjes, girl scouts bijna.

Schenks productie oogt vreselijk gedateerd maar de voorstelling is muzikaal van een zo hoog niveau dat je blijft kijken ook als Sieglinde zich uit de voeten heeft gemaakt. Maar dan vooral vanwege Morris en het orkest van de Met.

Samen met haar Cassandre vormt deze Sieglinde een van de juwelen in Jessye Normans muzikale kroon. Wie weet waar ze thans verblijft. . In Ariadne auf Naxos zong ze ‘Es gibt ein Reich wo alles rein ist‘. Dat klinkt als een goede plek om tot rust te komen, in vrede.

Jessye Norman als Cassandre in Les Troyens

Tekst: Peter Franken

Morgen, 30 maart, is het anderhalf jaar geleden dat Jessye Norman overleed. Een mooie aanleiding om terug te kijken op twee van haar grootste rollen in de Met. Vandaag Cassandre, morgen volgt Sieglinde.

In 1983 debuteerde Norman in de Metropolitan Opera in de rol van Cassandre in Berlioz’ Les Troyens. Die voorstelling werd verfilmd en bij het zien ervan raak je gemakkelijk in de ban van deze ietwat hysterische zieneres die de verwoesting van Troje voorspelt maar door niemand geloofd wordt. Haar andere grote rollen in New York waren de titelrol in Strauss’ Ariadne auf Naxos en Sieglinde in Wagners Die Walküre.

Les Troyens had een schitterende cast waarvan behalve Norman ook Tatiana Troyanos als Dido en Placido Domingo als Énée deel uitmaakten. De eerste akte draait zoals verwacht helemaal om Norman die een werkelijk fenomenale vertolking geeft van de door haar vloek geteisterde Cassandre. Met name het grote duet met Chorèbe is adembenemend en vooral ook ontroerend door de subtiele begeleiding die Berlioz hiervoor heeft geschreven.

Ook in de volgende scènes zien we Cassandre als dominant personage terug, in steeds groter wordende vertwijfeling. Als Énée opkomt met de mededeling dat Lacoön is gedood door een zeeslang als kennelijke bestraffing voor het feit dat hij het door de Grieken als gift achtergelaten paard niet vertrouwt, geeft Cassandre het op, praat daarna alleen nog maar in zichzelf. Énée is ervan overtuigd dat Pallas Athena is beledigd omdat de Trojanen het Griekse afscheidsgeschenk niet willen accepteren. Hij dringt er op aan het paard snel de stad binnen te halen en dan breekt de hel los. Norman komt nog eens nadrukkelijk in beeld als ze de Trojaanse vrouwen voorhoudt dat zelfmoord beter is dan een leven als slavin van een van de Grieken. Ze geeft zelf het (goede) voorbeeld en de anderen volgen haar. Mooi in beeld gebracht is hier de aarzeling die sommige vrouwen laten zien.

Het optreden van Andromache, een zwijgende acteerrol, met haar zoontje vind ik ondanks Normans schitterende prestatie toch het meest ontroerende moment in de eerste akte. Hectors weduwe wordt gespeeld door Jane White die haar diepe rouw een koninklijke uitstraling weet te geven. Met de melancholieke klarinet erbij die haar tijdens de gehele scène begeleidt is het nauwelijks mogelijk hier je ogen droog te houden.

De muziek van Berlioz vertoont een aantal opvallende kenmerken. Solerende blazers markeren emotionele momenten, vaak is een harp te horen die een orkestpassage accentueert. Passages met tutti strijkers klinken opmerkelijk vol doordat Berlioz de houtblazers gelijk op met hen laat spelen. Het maakt zijn muziek uiterst herkenbaar maar natuurlijk ook wel een beetje voorspelbaar. Zo ook Les Troyens, het klinkt allemaal vertrouwd en bekend. Maar de opera is te lang om de aandacht volledig vast te houden. Het eerste deel, La prise de Troy, is compact en de handeling is vol dramatiek. Na anderhalf uur is Troje verwoest en Aeneas ontvlucht.

Jessye Norman als Cassandre


Het tweede deel, Les Troyens à Carthage, duurt twee en een half uur en dat is veel te lang voor een werk dat pas tegen het einde een dramatische wending krijgt. Monologen en duetten kabbelen eindeloos voort, balletten nemen veel tijd in beslag zonder iets aan de handeling toe te voegen. Zeelui zingen een lied vol heimwee, Iopas moet op commando van Dido ook nog een lied zingen, om haar op te vrolijken. Naar verluidt heeft Berlioz het originele werk al flink ingekort, hij had er zonder meer nog een uurtje extra uit kunnen halen.

De komst van Énée komt als geroepen voor Dido aangezien hij haar nog maar kort bestaande koninkrijkje, nauwelijks meer dan een nederzetting, redt uit de handen van de Nubische heerser Jarba. Dat is op zich natuurlijk al genoeg reden om hem op een voetstukje te plaatsen. Als Dido vervolgens hoort dat uitgerekend Andromache die als slavin door Phyrrus is meegevoerd naar Griekenland voor hem door de knieën is gegaan en met haar ontvoerder is getrouwd, begint Dido zich af te vragen of ze beslist trouw moet blijven aan haar overleden echtgenoot, zeker nu er zo’n geschikte opvolger aan haar hof verblijft en lijkt te treuzelen om verder te reizen. Dat verandert alles: Dido wil Énée koste wat het kost bij zich houden, de goden en geesten van dode Trojanen die Énée uit zijn slaap houden kunnen de boom in. Love trumps destiny vindt Dido.

Maar Énée vertrekt, hij volgt zijn bestemming die hem een grote strijd en een roemrijke dood voorspelt, na eerst natuurlijk een ‘nieuw Troje’ te hebben gesticht. Opmerkelijk genoeg verdwijnt hij direct achter de mythologische horizon. Verder dan een verhaal over zijn zoon die een nederzetting inItalië zou hebben gesticht, komen we niet. Over Énée heeft niemand het meer na zijn vetrek uit Carthago.

Tatiana Troyanos vind ik nogal vlak klinken gedurende de eerste twee uur van haar optreden. Vermoedelijk spaarde ze haar stem want in de laatste dramatische fase is ze nadrukkelijk een ander personage en ook een andere sopraan. Haar woede en vertwijfeling, haar zelfverkozen dood en vervloeking van Énée’s nageslacht doen je in een klap de voorafgaande twee uur vergeten.

Sterfscéne van Dido:

Placido Domingo is een uitstekende Énée maar feitelijk is dat een vrij saaie rol. Hij is verantwoordelijk voor die blunder met dat paard maar weet wel als enige zoon van Priamus de slachtpartij te ontkomen. Vervolgens zit hij in zo’n handenwringende situatie van ‘ga niet, ik moet’ en daarna verdwijnt hij in de vergetelheid.

Zoals te verwachten in een al wat oudere Met productie ziet alles er prachtig uit met overdadige kostuums en een mooi vormgegeven toneelbeeld. Maar uiteindelijk is de opname toch vooral de moeite waard vanwege het optreden van Jessye Norman.

Overigens pleegt Cassandra niet in alle mythen zelfmoord. In Agamemnon, het eerste deel van de Oresteia van Aeschylus, arriveert ze als Agamemnons slavin en bijslaap in Mycene waar ze door Aegisthus wordt vermoord. Klytämnestra neemt tegelijkertijd haar teruggekeerde echtgenoot voor haar rekening.

Bruid staat nog steeds te koop

Tekst: Peter Franken

Alles en iedereen stond vorig jaar klaar voor de première van Bruid te koop, de Nederlandse bewerking van Smetana’s Die verkaufte Braut waarmee de Reisopera vervolgens op tournee zou gaan. De lockdown die met onmiddellijke ingang van kracht werd, gooide roet in het eten. Maar gelukkig kon alles opgeschoven worden naar het najaar, op 3 oktober zou de voorstelling alsnog in première gaan. Daarna werd het stil rondom deze veelbelovende productie maar inmiddels staat er een nieuwe datum online. Op 2 april 2022 hoopt de Reisopera in het Wilminktheater de bruid alsnog verkocht te krijgen.

Intussen heb ik me vermaakt met een heel oude productie van Smetana’s bekendste opera met de Tsjechische sopraan Lucia Popp in de titelrol. Het betreft een productie van Otto Schenk voor de Wiener Staatsoper uit 1982. Met Siegfried Jerusalem als Hans, Heinz Zednik als zijn broer Wenzel en Karl Ridderbusch als Kezal de huwelijksmakelaar staat er zowaar bijna een complete Bayreuth bezetting op het toneel.

De enscenering is rechttoe rechtaan zoals we van Schenk gewend zijn. Het eenheidsdecor toont een dorpspleintje met een waterput, een paar muurtjes en een trapje naar een hoger gelegen deel. Verder wat seringen om de lente te suggereren. De kostuums doen nogal folkloristisch aan dus zullen wel in overeenstemming zijn met het Boheemse platteland.

Het verhaal is eenvoudig. Marie is verliefd op een jongeman die zomaar is aan komen lopen in het dorp, niemand kent hem. Haar vader heeft graag dat ze trouwt met de zoon van de rijke boer Micha en die wens is wederzijds. Maar de zoon is kwestie is een beetje dom of op zijn minst erg naïef en hij stottert waardoor hij erg verlegen is en zich liever niet vertoont voordat het huwelijk is geregeld.

Marie’s lover Hans is in werkelijkheid Micha’s oudste zoon die met onmin het ouderlijk huis heeft verlaten en dood wordt gewaand. Hij verkoopt Marie voor 300 gulden mits de huwelijksmakelaar in het contract de eis opneemt dat Marie uitsluitend met Micha’s zoon mag trouwen. Dankzij die voorwaarde kan hij na de nodige verwikkelingen zijn bruid opeisen. Vader Micha stemt er morrend in toe, kennelijk is er behoorlijk veel oud zeer tussen die twee.

De opera heeft een zeer sprankelend begin, de ouverture is een kunststukje en het orkest van de Staatsoper krijgt er mede dankzij dirigent Adam Fischer het publiek bijna mee op de banken. Het applaus duurt zo lang dat Fischer het orkest tweemaal moet laten opstaan, de stemming zit er al gelijk goed in.

De tekst is vaak nogal herhalend en goed beschouwd gebeurt er nogal weinig. Schenk doet zijn best dat met bijkomend toneel wat te verlevendigen maar wat mij betreft zitten er toch behoorlijk veel bijna dode momenten in de handeling. Na dat wervelende begin valt dat natuurlijk extra op. Uiteraard zingen Marie en Hans het mooie duet ‘Mit der Mutter sank ins Grabe’ maar het blijft toch een beetje statisch allemaal.

Gelukkig is er Karl Ridderbusch als huwelijksmakelaar die de rol zingt en acteert als een bas buffo. Daarbij zwaait hij geregeld met een paraplu voor bijkomend komisch effect. Goed beschouwd draagt zijn optreden de voorstelling tot de komst van Heinz Zednik als een werkelijk voortreffelijke Wenzel. Ik kende hem eigenlijk alleen als Loge en vooral Mime en zijn vertolking van Micha’s jongste zoon doet daar in de verte wel een beetje aan denken.

De manier waarop Marie deze verlegen Wenzel op het verkeerde been weet te zetten is kostelijk: ‘Ich weiß Euch einen lieben Schatz’. Daarna zijn we weer terug bij Hans en Kezal die zeer lang de tijd nemen om tot een bindende afspraak te komen. Als de dorpelingen te horen krijgen dat Hans zijn bruid heeft verkocht wordt hij van alle kanten belaagd, zozeer dat hij wegvlucht.

De handeling zakt nu wat in maar alles komt plotseling volop tot leven als het circus Springer verschijnt. Directeur Erich Kunz maakt van zijn toespraak tot het publiek een echte ‘Frosch act’ waarin de indruk wordt gewekt dat hij daadwerkelijk in de Staatsoper is. ‘Als u hier gisteren was gekomen had u mij niet gezien maar ‘Tristan en zijn solde’ of zoiets, maakt niet uit toch? Vervolgens wordt de intendant op de hak genomen en zo verder. Het circus geeft een paar voorproefjes van zijn vrij beperkte kunnen en het publiek komt al helemaal in de stemming voor de komende voorstelling.

De man in het berenpak is dronken maar de danseres Esmeralda weet Wenzel zover te krijgen dat hij die rol op zich neemt. Ze hoeft hem slechts haar eeuwige liefde als beloning in het vooruitzicht te stellen, een kleinigheid die haar gemakkelijk afgaat. In dat kostuum jaagt hij iedereen schrik aan totdat hij zijn hoofd toont: ‘Ich bin kein Bär, ich bin der Wenzel’. Zijn moeder boos en Marie’s keuze, welke van de twee zonen van Micha zal zij tot man nemen, wordt door zijn onbeholpen naïviteit wel erg eenvoudig gemaakt.

Jerusalem zingt een prima Hans maar zijn acteren vind ik nogal eendimensionaal. Hij komt niet veel verder dan smoelen trekken. Lucia Popp’s acteren is ook nogal voorspelbaar maar  veert helemaal op in het duet ‘Mein lieber Schatz, nun aufgepaßt’. Maar ja, ze dan is dan ook erg kwaad op dat moment.

Popp’s zang is om door een ringetje te halen, prachtige sopraan. Jammer voor haar dat er in het Duits wordt gezongen. Haar grote aria ‘Endlich allein!…Wie fremd und tot’ is natuurlijk haar topstuk en in samenspel met Fischer maakt ze er iets heel moois van. Popp zingt het als een monologue intérieur en dat impliceert dat ze zich niet merkbaar moet laten leiden door het orkest, ze is immers helemaal met zichzelf bezig? De vele tempowisselingen die Popp zich veroorlooft worden door Fischer werkelijk fantastisch opgevangen, daar moeten ze flink op gerepeteerd hebben.

Het is een gouwe ouwe deze opname maar zeker de moeite van het (opnieuw) bekijken waard. En nu maar rustig wachten tot 2 april 2022.

De complete opera is ook op YouTube te vinden:

Das Liebesverbot van Opera Zuid tot nader order uitgesteld

Tekst: Peter Franken

Dit seizoen stond Wagners tweede opera Das Liebesverbot op het programma van Opera Zuid. Zoals zoveel producties moest ook deze worden geschrapt. Wout Koeken vond het niet verantwoord aan de voorbereidingen te beginnen zolang de theaterdirecteuren nog geen voorstellingen konden boeken. Gelukkig hebben Wagnerliefhebbers en zij die domweg nieuwsgierig zijn naar dit jeugdwerk van Der Meister een alternatief. Kasper Holten regisseerde de opera namelijk voor Teatro Real.

Van de voorstelling in Madrid is een opname op BluRay uitgebracht en die geeft een uitstekende indruk van deze minst Wagneriaanse van alle Wagners. Aanleiding voor de coproductie met de Royal Opera en het Teatro Colon was het 400e sterfjaar van Shakespeare. Het accent ligt zodoende op diens Measure for measure en minder op een streven om Wagners tweede opera wat meer bekendheid te geven. Een echt serieuze poging in die richting is het dan ook niet geworden.

Wagner componeerde Das Liebesverbot toen hij begin 20 was. Het werk ging in 1836 in première in Maagdenburg onder leiding van de jonge componist zelf. Het werd een compleet fiasco en een tweede voorstelling is er tijdens Wagners leven nooit meer van gekomen. De complete titel van dit jeugdwerk luidt: Das Liebesverbot oder die Novize von Palermo. Het libretto is een bewerking door de componist van Leer om leer.

Das Liebesverbot doet denken aan het werk van Lortzing en von Flotow, maar dan met uitgesproken belcanto invloeden. Net als Martha is het een Spieloper zonder gesproken teksten. In zijn productie voor Teatro Real heeft regisseur Kasper Holten echter gekozen voor een andere insteek. Hij brengt het werk als een Gilbert and Sullivan operetta, met veel zwaar aangezette ‘humor’ en overdreven maniertjes.

Wagner verplaatste de handeling van Wenen naar Palermo maar volgt verder de grote lijn van Shakespeare’s stuk vrij getrouw. De Duitse stadhouder Friedrich, die bij afwezigheid van de Siciliaanse vorst tijdelijk het gezag uitoefent, wil de losbandigheid van zijn onderdanen aan banden leggen. Daarbij concentreert hij zich op seksuele ‘onregelmatigheden’ al dan niet het gevolg van alcoholgebruik. Door het aanstaande carnaval te verbieden hoopt hij aldus twee vliegen in één klap te slaan. In zijn ijver om het burgerlijk fatsoen in ere te herstellen gaat hij echter zo ver dat alle seksuele contacten buiten het huwelijk worden verboden met de ultieme sanctie: de doodstraf. De politie krijgt opdracht om maar direct de gehele rosse buurt van Palermo te ontruimen. Deze inbreuk op het vrije handelsverkeer valt niet in goede aarde en de bevolking protesteert dan ook luid.

Luzio ziet zijn vriend Claudio weggevoerd worden door de politie. Die gaat naar het gevang omdat hij een kind heeft verwekt bij een vrouw met wie hij niet is getrouwd. Overigens niet geheel zijn schuld aangezien haar ouders hebben geweigerd in te stemmen met een huwelijk. Hij vraagt Luzio om zijn zuster Isabella, als novice tot een klooster toegetreden, op de hoogte te brengen en te vragen of deze voor hem wil pleiten bij Friedrich. In het klooster praat Isabella met een andere novice, Mariana. Deze vertrouwt haar toe dat ze daar terecht is gekomen nadat haar minnaar en aanstaand echtgenoot, een hooggeplaatste figuur, haar heeft laten zitten. Uiteraard is dat niemand minder dan Friedrich zelf. Isabella is diep verontwaardigd, zowel over het gedrag van Friedrich als over het lot van haar broer, en onderneemt een reddingspoging. Daarbij maakt ze zoveel indruk op Friedrich dat deze voor haar charmes bezwijkt en belooft Claudio van de galg te redden. Ten prooi aan hormonale opwinding eist hij echter als tegenprestatie dat Isabella zich aan hem geeft, al is het maar voor een uurtje.

Wat volgt is een serie klassieke verwikkelingen met geheime rendez vous’, gemaskerde personen, verwisselingen en uiteindelijk een apotheose in de vorm van de terugkeer van de heersende vorst. En dat alles op muziek die hoegenaamd niet aan de latere Wagner doet denken. Luisterend krijg je bepaald niet het gevoel dat hier de toekomstige smid van de Ring aan het werk is.

Het decor van Steffen Aarfing is inventief en maakt snelle wisselingen mogelijk waarbij een rosse buurt in een oogwenk verandert in een klooster, rechtszaal of gevangenis. Hij was ook verantwoordelijk voor de kostumering en daar gaat het een beetje mis: carnaval speelt weliswaar een grote rol in het verhaal maar dat zou geen reden moeten zijn bijna de gehele cast er voortdurend bij te laten lopen alsof men naar een gekostumeerd bal gaat. Het acteren is al steeds ‘over the top’ en de kostumering versterkt die indruk waardoor het geheel dreigt af te glijden naar ‘leuk doen’.

De Duitse Wagnersopraan Manuela Uhl neemt de titelrol (Isabella, die Novize) voor haar rekening. Wat Holten haar aan gebaren heeft meegegeven is een tikje kinderachtig maar gelukkig weet ze de partij uitstekend te zingen.

Ook de twee overige vrouwenrollen zijn met María Miró (Mariana) en María Hinojosa (Dorella) goed bezet. Hinojosa excelleert in de scène waarin ze als animeermeisje Dorella de politiechef Brighella om haar vinger weet te winden. Een opmaat voor Isabella die dit vervolgens nog eens dunnetjes overdoet met Friedrich.

Cristopher Maltman speelt een aardige Friedrich maar zijn zang valt wat tegen. Alle mannen hebben overigens meer dan verwacht moeite met hun partij. Geforceerde uithalen zijn niet van de lucht, zowel bij Maltman als bij Ilker Argayürek (Claudio) en Peter Lodahl (Luzio). Een uitzondering is Ante Jerkunica die zonder hoorbare moeite gestalte geeft aan zijn bufforol van Brighella.

Koor en orkest van Teatro Real staan onder leiding van Ivor Bolton. Het orkest klink redelijk, het koor is goed. Al met al een aardig curiosum deze opname, maar nu vooral aanbevolen als pleister op de wonde van diegenen die hebben uitgekeken naar een nieuwe productie van Opera Zuid.

Trailer van de productie:

Alle foto’s (c) Teatro Real / Javier del Real