Gastcolumns

‘The American dream’ in suburbia: Bernsteins A quiet place

Tekst: Peter Franken

Opera Zuid bracht in het Leonard Bernstein Centennial Year een nieuwe productie van deze kameropera uit 1986. De voorstelling was meeslepend, vol vaak rauwe emoties en schitterend geënsceneerd. Goed beschouwd is A Quiet Place een stuk over ‘the American dream’ in suburbia. De film Pleasantville uit 1998 geeft hiervan een heel integer beeld. Meestal overheerst echter de schone schijn, zoals dat lekker zwaar aangezet wordt in een tv-show als Happy Days. Dat het onder de oppervlakte meer weghad van een sociaal labyrint, heeft John Updike later geschetst in zijn roman Couples.

Het o zo fantastische leven in een slaapstad wordt in de opera bezongen door een jazztrio dat op de meest onverwachte momenten opduikt, van onder het aanrecht, van achter een zijmuur of van uit de kelder in het kleine witte huisje waar de hoofdpersonen Sam en Dinah hun door Life Magazine vereeuwigde idylle beleven, compleet met chlorofyl tandpasta. Who wants more? Het zijn de naoorlogse jaren onder de presidenten Truman en Eisenhower, toen in Nederland ‘geluk nog heel gewoon was’.

In werkelijkheid maken Sam en Dinah alleen maar ruzie. Ze zijn na tien jaar huwelijk zozeer van elkaar vervreemd dat ze beiden veinzen een lunchafspraak met een ander te hebben als ze elkaar toevallig in de stad treffen. Zij komt van een bezoekje aan haar psychiater, hij is even weg van kantoor. Eigenlijk moeten ze allebei die middag naar een toneelstukje op de school van hun zoontje Junior, die daarin een belangrijke rol speelt. Maar Sam geeft de voorkeur aan de finale van een handbaltoernooi en Dinah gaat naar een film. .

Dit deel van de opera is overgenomen uit Bernsteins eenakter Trouble in Tahiti uit 1951. Het brengt Sams herinneringen tot leven in de dagen die volgen op de begrafenis van Dinah, die omgekomen is bij een auto-ongeluk. De titel refereert aan de film die Dinah die middag van Juniors toneelstuk heeft gezien. Een escapistisch geheel, dat door haar uitgebreid wordt verteld. De kernscène ‘Island Magic’ laat Bernstein klinken als een parodie op de populaire musical South Pacific.

Dinahs begrafenis is de aanleiding voor het samenkomen van de leden van het volledig ontwrichte gezin. Sam en Dinah zijn ondanks alles zo’n veertig jaar bij elkaar gebleven. Junior is naar Canada geëmigreerd om de dienstplicht te ontlopen tijdens de Vietnam-oorlog. Zijn jongere zus Dede is hem later nagereisd en getrouwd met Juniors homofiele partner François, zodat ze de aan een psychose lijdende Junior samen kunnen beschermen.

De emoties lopen hoog op. Ze zijn vaak nogal rauw. Verwijten vliegen over en weer, trauma’s komen naar boven. Junior heeft een dwangneurose die hem voortdurend alles laat rijmen en in twee grote bluesnummers (een soort rap avant la lettre) veegt hij de vloer aan met zijn vader en later ook met het beeld dat François heeft van de relatie die hij ooit met zijn jonge zusje had. De als Junior uitblinkende bariton Michael Wilmering gaf het alles wat hij had, waardoor deze topnummers in volle glorie over het voetlicht kwamen.

Het stuk komt wat traag op gang doordat de openingsscène in het uitvaartcentrum nogal veel bijfiguren kent, die allemaal hun zegje moeten doen. Hier hadden Wadsworth en Bernstein zich nog wat meer mogen beperken. Zodra Sams gezin centraal komt te staan, krijgt de handeling veel vaart en die blijft er tot het einde in, als na een kortstondige verzoening er door een kleinigheid toch weer een knetterende ruzie ontstaat, vooral door toedoen van Junior, die in een vlaag van razernij het losbladige dagboek van zijn moeder de lucht ingooit. Vrij snel keert de rust echter terug, omdat iedereen beseft dat het zo niet kan blijven gaan. Men moet proberen tot elkaar te komen. Het is het einde van de opera: all is quiet in het witte huisje van Sam en Dinah, de ‘quiet place’ uit de titel.

Orpha Phelan (regie) en Madeleine Boyd (scenografie & kostuums) hebben gekozen voor een eenheidsdecor waarin door middel van minimale wijzigingen een wisseling van plaats en tijd aanschouwelijk wordt gemaakt. Het werkt wonderwel, een mooi voorbeeld van hoe je met relatief beperkte middelen heel effectief te werk kunt gaan. Alles ziet er doordacht uit, de toeschouwer kan zich probleemloos verplaatsen in elke scènewisseling. Matthew Haskins heeft gezorgd voor een uitgekiende belichting en Lauren Poulton voor een fraai uitgewerkte choreografie. Hoe iedereen beweegt, mag gerust voorbeeldig worden genoemd.

Het jazztrio bestaande uit Veerle Sanders, Jeroen de Vaal en Rick Zwart (mezzo, tenor, bariton) wordt ook ingezet ter ondersteuning van de handeling. Zo houden de mannen een handdoek voor Young Sam, die zich uitkleedt terwijl hij in een opblaasbadje staat, nadat hij met zijn team de finale van de handbalwedstijd heeft gewonnen. Terwijl hij zingt over mannen die geboren zijn als winnaars, waar anderen gedoemd zijn hun hele leven verliezers te blijven, gebruikt hij beide mannen als kapstok, waarbij Veerle hem een douchebad geeft met behulp van een tuingieter. Om het tijdsbeeld nog eens extra kleur te geven, mag Veerle zich helemaal uitleven in een dansnummer gestoken in een Playboy Bunny-kostuum.

Het trio vormde een geweldige ondersteuning voor de handeling. Enerzijds zorgde het voor comic relief, anderzijds leverde het ironisch commentaar op het gebeuren. En steeds uitstekend gezongen en met perfect uitgevoerde bewegingen. De ménage à trois bestaande uit Junior, Dede en hun beider partner François leverde een topprestatie. Zowel de moeilijk te zingen delen – meer praten – als de lyrische momenten kwamen uitstekend uit de verf.

Dede werd fraai geportretteerd door sopraan Lisa Mostin, onzeker, kwetsbaar, maar ook blij haar vader eindelijk weer te zien, al was het dan bij de kist van haar moeder. ‘I’m so pleased we’ve met’ zingt ze haar vader toe, alsof hij nieuw voor haar is. In de tuin zingt ze aandoenlijk over de verwildering, alsof Dinah haar einde had zien aankomen en maar vast was gestopt met dat eindeloze onkruid wieden.

Tenor Enrico Casari gaf herkenbaar uitbeelding aan de relatieve buitenstaander die zijn schoonvader voor het eerst ziet en verzeild raakt in een situatie waarin hij Junior er niet van kan weerhouden Dinahs begrafenis op stelten te zetten.

Old Sam was in handen van de zeer ervaren bas-bariton Huub Claessens, die zijn reputatie alle eer aandeed. Zijn jongere tegenhanger werd vertolkt door bariton Sebastià Peris, die deze rol ook al zong in Trouble in Tahiti tijdens het Opera Forward festival van De Nationale Opera (DNO). Goed gezongen en prima geacteerd – een onprettige persoon, die Young Sam.

Sopraan Turiya Haudenhuyse gaf gestalte aan Dinah. Ze zong net als Peris die rol ook bij DNO. Haudenhuyse gaf een mooie vertolking van een ‘desperate housewife’ jarenvijftig stijl, vaste klant bij een ‘shrink’ en haar frustraties wegschrijvend in een dagboek.

Mede doordat het stuk een gebroken ontstaansgeschiedenis heeft, treden er nogal wat verschillen in het muzikale idioom op. Wat terug gaat op Trouble in Tahiti is jazzy, vaak melodieus, zoals in Candide en West Side Story. Ook de instrumentatie doet geregeld sterk aan Bernsteins grootste succesnummer denken. De mantel die eromheen is gelegd waardoor A Quiet Place is ontstaan, is dertig jaar later stand gekomen en dat is goed te horen. Toch ook hier herkenbaar idioom en jazzy momenten.

Dirigent Karel Deseure wist dit muzikale palet volop kleur te geven. Hij gaf uitstekend leiding aan de prachtig spelende philharmonie zuidnederland. Behind the scenes

Behind the scenes

Trailer

foto’s van de productie © Joost Milde

TROUBLE IN TAHITI: film van Tom Cairns

Dirigent valt met groot succes in bij eigen orkest

Tekst: Neil van der Linden

Antony Hermus viel in Nederland al jaren op door de resultaten die hij behaalde met het Noord-Nederlands orkest, inclusief het grootschalige repertoire. Maar in de Randstad viel hij een beetje uit de boot. Vanaf het aankomende seizoen is hij chef bij het Brusselse Belgisch Nationaal Orkest.

Hopelijk blijft hij in Brussel ook minder gangbaar repertoire dirigeren, zoals voor het label CPO opnamen met Duitse (!) orkesten van muziek van Diepenbrock en Wagenaar en met Duitse en Zweedse orkesten van de ook in Duitsland gemarginaliseerde componist Hausegger. Maar bij het Noord-Nederlands Orkest was hij ook uitstekend in het grootschalige bekendere repertoire, tot en met Mahler.

Doordat Hermus’ voorganger in Brussel plotseling afzegde kon/moest Hermus vervroegd aantreden, sterker nog, hij had twee dagen om voor een concert in Brussel in te vallen en vier om voor dit concert in Amsterdam, met telkens verschillend repertoire, waaronder in Brussel een nieuw geschreven werk. In Amsterdam bracht hij het er in elk geval uitstekend van af. En ik kan mij voorstellen dat dat ook in Brussel het geval was, ondanks het nieuwe werk. 

Eerst over het orkest maar. Alles klinkt mooier in het Concertgebouw, is de leuze. Het Brussels hout, dat beide eerste twee werken van de avond opende, klinkt in elk geval mooi. Het hele orkest blijkt zich er akoestisch prima thuis te voelen. België was een tijd lang een land met één, twee fantastisch operahuizen, maar orkestraal timmerde het niet erg aan de weg. Daar is de afgelopen jaren verandering in gekomen. En ze vergeten ook niet het rijke eigen repertoire, uit de Romantiek (waaronder Franck – die eigenlijk geboren werd toen België nog onder Nederland viel – tot en met Lekeu) en nieuw werk.

Vanavond staat wat solider repertoire op de lessenaar, dat overigens niet door Hermus gekozen zou zijn als hij niet had moeten invallen. Ik zou wel ook heel benieuwd zijn geweest naar de uitvoering twee dagen eerder van Korngolds vioolconcert in het Brusselse concert.

De uitvoeringen waren er hoe dan ook niet minder om. Het waren allemaal relatieve jeugdwerken. Van Tsjaikovski’s symfonische gedicht Romeo en Julia, verscheen in 1870, toen de componist nog geen dertig was. Maar hij sleutelde er nog tien jaar aan. Het werd hier gespeeld in de derde versie uit 1880. Het werk kreeg de juiste luciditeit mee, die de Tsjaikovski’s ontroerende weergave van Shakespeares liefdesdrama verhelderde, maar ook iets van de worsteling met de muzikale materie liet horen, en van de twijfels die de componist moet hebben gehad over zijn seksuele identiteit.

Het stuk stamt uit de periode  waarin zijn eigen huwelijk met Antonia Millikova en het mislukken daarvan plaats vonden. Het orkest verklankte dit alles prachtig coherent en Hermus leidde het met vurige energie door de verschillende lagen van de partituur heen. De intensiteit deed een toehoorder in de stoel vóór mij tegen de persoon naast hem devoot op het juiste moment in de partituur fluisteren ‘En nu zijn ze dood!’.

Liszt voltooide de eerste versie van zijn Tweede Pianoconcert toen hij 28 was, maar bracht nog twaalf jaar wijzigingen aan, en ook toen nog liet hij het bijvoorbeeld niet graag door leerlingen spelen. Ik vind Liszts beide pianoconcerten wat lomp, en misschien vindt Hermus dat ook, althans tijdens een praatje tijdens het installeren van het klavier wees hij op de eigenlijk enigszins banale mars die in de laatste kwart van het Tweede Pianoconcert opduikt.

Het is eigenlijk meer een symfonisch gedicht (Liszt zelf had het over een concerto symphonique), met een virtuoze pianopartij. En dat laatste was natuurlijk in vertrouwde handen bij de solist Alexandre Kantorow. Dit is nu al de tweede keer in korte tijd dat het Concertgebouw me een plaats gaf vanwaar ik goed van schuin-achter onder de handen van de pianist kon kijken, en bijvoorbeeld Kantorow in de soms bijkans laag grommende pianopartij in de weer kon zien. Je zou je kunnen indenken wat het resultaat zou zijn geweest al Liszt zich bij zijn leest had gehouden en dit werk als een stuk voor piano solo had geconcipieerd, met alle op zichzelf uitermate fraaie passage in de lagere registers van het instrument (‘concert voor twee linkerhanden’).

De kwalificatie van Kantorow als ‘reincarnatie van Liszt’ schijnt verzonnen te zijn door Fanfare Magazine (nomen est omen) en ik kan mij voorstellen dat Kantorow die benaming onderhand alleen maar als last ervaart. Misschien is het ook daarom dat hij nu een on-Lisztiaanse drie-dagen-niet-geschoren baard laat staan.

Na afloop in een gesprek met publiek vertelden de twee over hun in anderhalve dag gegroeide samenwerking. Het is een concert waarin de pianist ook vaak de leiding moet nemen, en het orkest er razendsnel aan moet lopen. Ook in moeilijke passages leidde Hermus het orkest schijnbaar moeiteloos door de gevarenzones heen.

Zoals ik tijdens dit Tweede Pianoconcert moet denken hoe het zou zijn geworden als Liszt er een solo pianostuk van had gemaakt, vroeg ik me onwillekeurig ook af wat er zou zijn gebeurd als hij het materiaal als in zijn het Tweede Boek van zijn Années de Pèlerinage, met name het Tweede Boek, dat ik veel hoger acht, zou hebben gebruikt voor een pianoconcert. En zie daar, als toegift speelde Kantorow, wonderschoon, een deel uit het Tweede Boek van Années de Pèlerinage. Alsof hij ook vond dat er nog iets had ontbroken.

Het concert sloot af met Mendelssohns  Italiaanse symfonie, voltooid toen de componist vierentwintig jaar oud was.  En hoewel Tsjaikofski en Liszt de eerste versies van hun Romeo en Julia resp. Tweede Pianoconcert ook hadden geschreven toen ze nog onder de dertig waren, maar er daarna lang aan bleven sleutelen, en hoewel Mendelssohn dat ook bleef doen, is de wereld in Mendelssohns geval de eerste versie blijven spelen. De muziekcriticus Edward Greenfield schreef: “A fascinating comment on the danger of second thoughts after white-hot inspiration”, ofwel zo zie je dat moet oppassen om in tweede instantie gaan twijfelen wat eerst meteen raak was.

En het is deze white-hot inspiratie waarmee Hermus en het orkest elkaar leken aan te vuren. Na het eerste deel was zelfs een Bravo-roepster, en ik denk niet dat dit een persoon was die het gebruik om niet tussen de delen te klappen niet kende. Het Bravo ontlokte desalniettemin een applaus aan een (misschien inderdaad niet geïnitieerd) deel van het publiek. Waarop Hermus enthousiast lachend de zaal toeknikte, misschien ook om de applaudiserenden niet het gevoel te geven dat ze een faux-pas begingen, maar ook als oprechte dank voor de begeestering in de zaal. Kijk, dat is nou professioneel, en aardig tegenover het publiek, en zijn gebaar werd door de zaal beloond met nog een applaus.

Het concert was uitverkocht, tot aan de achterste rijen op het balkon. Het was overigens ook buiten op het Museumplein op videoscherm te zien. De beelden daarvan zullen wel op Youtube terecht komen. Enthousiast aanbevolen.

Liszt pianoconcerten door Alexandre Kantorow met vader Jean-Jacques als dirigent en de Tapiolo Sinfonietta:

Recital met Brahms, Bartok, Liszt:

Hermus dirigeert Hausegger:

Diepenbrock:

Wagenaar:

Wagner, instrumentele delen in de bewerking van De Vlieger:

En Auber, La Muette de Portici, een werk dat hij nu als Nederlander in Brussel zeker nog eens moet proberen:

https://open.spotify.com/album/2NItVRl5ScpiP88dGzFYtB?si=HOnBWJRZQVCTKwHtp5E4Wg

Foto’s: © Neil van der Linden

Amerikaanse opera’s deel drie: Samuel Barber en Vanessa

Tekst: Peter Franken

In de zomer van 2018 stond Samuel Barbers opera Vanessa op het programma van het Glyndebourne Festival. Opus Arte heeft een registratie van de voorstelling op 14 augustus op Blu-ray uitgebracht. Het resultaat is ronduit sensationeel.

Vanessa speelt zich af op een kasteel in een noordelijk land begin twintigste eeuw en draait om drie vrouwen en een man. Vanessa leeft al twintig jaar in afzondering na te zijn verlaten door haar oudere minnaar Anatol. Over deze man is verder niets bekend, maar het is aannemelijk dat hij getrouwd was. Op het kasteel wonen verder Vanessa’s moeder, die niet met haar wenst te spreken, en de twintigjarige Erika, die zichzelf typeert als ‘her niece but most of the time her shadow’. Het vermoeden bestaat dat zij in werkelijkheid Vanessa’s dochter is, uit haar kortstondige relatie met Anatol.

Vanessa wacht al die tijd op de terugkeer van haar geliefde en probeert intussen de tijd stil te zetten door doeken over de spiegels te hangen. Zij wil beslist niet ouder worden en een vrouw met een dochter kan dat nu eenmaal niet ontkennen.

Als er bericht komt van Anatol, is alles in rep en roer. Maar de Anatol die verschijnt, blijkt de zoon van de inmiddels gestorven minnaar van Vanessa te zijn. Hij wilde met eigen ogen die vrouw aanschouwen die bij het noemen van haar naam de ogen van zijn vader deed oplichten en de lippen van zijn moeder verschroeide.

Vanessa maakt hem uit voor bedrieger en laat hem alleen achter met Erika. Hij verleidt haar nog diezelfde nacht en maakt haar zwanger. Golddigger die hij is, vraagt hij haar later ten huwelijk, maar zij wijst hem af. Hij wil haar geen eeuwigdurende liefde en trouw garanderen, want dat zijn toch slechts leugens. Zij begrijpt dat niet, ook al doordat ze haar hele leven nog niet onder de mensen is geweest.

Na de nodige verwikkelingen besluit Anatol met de veel oudere Vanessa te trouwen. Zij heeft zich verzoend met het feit dat haar Anatol dood is, maar weigert te accepteren dat ze twintig jaar voor niets op hem heeft gewacht. En ziedaar, hier is toch Anatol? Samen vertrekken ze naar Parijs met achterlating van Erika, die inmiddels een miskraam heeft gehad na een mislukte poging om zich te verdrinken. Nu is het haar beurt om te wachten en het afkeurende zwijgen van haar grootmoeder te ondergaan.

Barbers levenspartner Gian Carlo Menotti schreef het libretto. Daarmee is zijn naam voor mij verbonden met twee van de mooiste opera’s van na de oorlog: The Consul en Vanessa.
Vanessa ging in 1958 in première, maar dankzij Barbers tonale muziek klinkt het allemaal ouder en vertrouwder. Zo komen er de nodige populaire deuntjes in voor, lekker om gezellig mee te neuriën. Het dansnummer ‘Under the willow tree’ is een goed voorbeeld.

De productie in Glyndebourne maakt gebruik van een eenheidsdecor dat door ingenieuze belichting en het ten opzichte van elkaar draaien van de samenstellende delen elke keer weer een geheel ander beeld oplevert. De flashbacks die Vanessa ervaart worden in grijstonen belicht, waardoor ze goed te onderscheiden zijn van de actuele handeling. De eerste is het moment waarop ze bevalt – regisseur Keith Warner laat er geen twijfel over bestaan dat Erika gewoon Vanessa’s dochter is.

Hoewel de sociale verhoudingen goed overeenstemmen met de tijd waarin één en ander zich afspeelt, toont Ashley Martin-Davis in zijn kostumering een jarenvijftig beeld. Zo ziet de Franse mezzo Virginie Verrez als Erika eruit als een huiselijke versie van Grace Kelly. Rosalind Plowright krijgt een zwarte jurk aangemeten om haar vermoedelijke hoge leeftijd te accentueren.

Verrez steelt aanvankelijk de show. Ze is niet alleen erg mooi en jong, maar zingt ook voortreffelijk. En omdat ze direct al de aandacht op zichzelf kan vestigen met de showstopper ‘Why must the winter come so soon’ en vervolgens een korte affaire heeft met de net aangekomen Anatol, weet ze haar ‘tante’ tijdelijk naar het tweede plan te verwijzen.

De Vanessa van Emma Bell neemt echter al snel daarna de touwtjes in handen, te beginnen met de scène waarin ze thuiskomt na een schaatsuitje op het meer met Anatol. Dat er iets speelt tussen haar dochter en de nieuwe uitgave van haar minnaar, ontgaat haar volledig. Pas na Erika’s zelfmoordpoging begint ze iets te vermoeden. Bell zingt haar bij vlagen wat hysterische rol met overgave. Haar ‘Why did no one warn me’ aan het begin van de vierde akte maakt veel indruk.

De uit Litouwen afkomstige Edgaras Montvidas oogt iets te oud voor zijn rol, maar weet dat door zijn nonchalante manier van acteren goed te compenseren. Vocaal is zijn Anatol tot in de puntjes verzorgd.

De Amerikaanse veteraan Donnie Ray Albert brengt wat melancholie, maar tevens de nodige luchtigheid in het geheel als de oude familiearts, die natuurlijk ook Erika ter wereld heeft geholpen. Hij heeft een stem die je voortdurend laat uitkijken naar het moment dat hij ‘This is CNN’ zegt in plaats van zijn reguliere tekst.

Rosalynd Plowright is mede dankzij de afdeling kap en grime een mooie typecast als de oude barones, een soort eenpersoons Grieks koor dat commentaar levert, niet door te spreken, maar door een verbeten zwijgen.

De nog vrij jonge Tsjechische dirigent Jakub Hrůša geeft leiding aan het London Philharmonic Orchestra. Dirigent en orkest completeren vanuit de bak het gebeuren op het toneel tot een perfecte theatervoorstelling. Zeer aanbevolen, beter wordt het niet.


 Drama in de schuilkerk: Katia Ledoux en Lucie Horsch in de  Muziekhaven Zomerconcerten.

Tekst: Neil van der Linden

Wat een geweldig concert was dit! De Muziekhaven in Zaandam is een voormalige oud-katholieke ‘schuilkerk’; in Calvinistisch Nederland mochten andere geloofsgemeenschappen, op de Mennonieten na, hun geloof wel praktiseren, maar alleen in gebouwen die niet op kerken mochten lijken. Tijdens het concert van Katia Ledoux en Lucie Horsch bleek deze Zaandamse schuilkerk over de mooiste akoestiek te beschikken die je je kunt voorstellen.  

Katia Ledoux was de favoriet van de Nederlandse muziekpers tijdens het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch 2018. Eerder dit jaar was ze Proserpina in Manfred Trojahns Euridice en schitterde ze als Makuba in Anansi van Neo Muyanga en Maarten van Hinte.

Lucie Horsch is bekend als blokfluitist, maar is ook pianist, én inmiddels ook zangeres, en ze was gevraagd dit jaar de Zomerconcerten in de Muziekhaven te programmeren. Dit concert was eigenlijk ook een kleine opera of in elk geval muziekdrama.

Een selectie uit Schumanns Frauenliebe und Leben kreeg die door het weglaten van twee liederen waarin de vrouw (in de door een man geschreven tekst) zich al te serviel en stereotiep opstelt, ‘Süßer Freund, du blickest mich verwundert an’ en ‘An meinem Herzen, an meiner Brust’ extra dramatisch ontlading in ‘Nun hast du mir den ersten Schmerz getan’, het levenslied van alle slachtoffers in de liefde. Het vrolijkste vijfde lied uit de cyclus, ‘Helft mir, ihr Schwestern’, bleef bewaard voor de toegift.

Mijn favoriete uitvoering van Frauenliebe und Leben was altijd die van Margaret Price met James Lockart, en ik werd door met name Katia Ledoux op een prettige manier aan die favoriete versie herinnerd. Krachtig, rond, maar ondanks haar lagere mezzo-register was de uitvoering ook licht. Mede gesteund door de geborgen sfeer van de kerk leek Katia Ledoux regelrecht met de toeschouwer/luisteraar in dialoog te gaan.

Lucie Horsch was daarbij op de piano een gedienstig medium, al heeft Schumann de piano niet alleen als begeleiding bedacht, en ze nam de gelegenheid waar om in de vaak passages waarin de piano alleen speelt de lyriek te accentueren, met name in de slotpassage van ‘Nun hast du mir den ersten Schmerz getan’, dat bijna super-mini-opera is.

Als we door de keuze van deze gedichtencyclus van Adelbert von Chamisso Schumann min of meer van mansplaining willen beschuldigen is het goed om te bekenken dat ook Carl Loewe en Franz Lachner Chamisso’s gedichtencyclus op muziek hadden gezet.

Teksten van mannen over vrouwen in vergelijking van teksten van vrouwen en muziek van mannen over vrouwen versus muziek van vrouwen was de rode draad in dit concert.

Wagners Wesendonck Lieder stammen van achttien jaar na Frauenliebe und Leben. Deze keer waren de teksten geschreven door een vrouw, Mathilde Wesendonck, in de tijd dat zij en Wagner een verboden passie voor elkaar hadden. Net als voor Frauenliebe und Leben geldt voor de Wesendonck Lieder dat die door sopranen en mezzosopranen worden gezongen.  Ook hier bleek de lage maar ook voldoende lichte stem van Katia Ledoux zich uitstekend op zijn gemak te voelen.. En ook in deze cyclus speelde Horsch het drama in de laatste noten van het laatste lied helemaal uit.

In de volgende twee – minder bekende – liederen kon het duo helemaal losgaan om zo te zeggen, een lied van Pauline Viardot en een lied van Ethel Smythe.

Pauline Viardot-García, Spaans van geboorte, maar een wereldster tot in Rusland en Amerika, beschouwde zichzelf allereerst als zangeres en pianiste, en muziekleraar, en zei dat ze haar muziek voor haar leerlingen scheef. Maar wat een muziek! Het Lamento uit 1886, op tekst van Théophile Gautier, over een gestorven geliefde, is hartverscheurend en zo brachten Ledoux en Horsch het ook. De lage ligging van Ledoux bracht alle diepste lagen uit het lied naar voren.

Dit gold nog in het kwadraat voor Odelette van Ethel Smythe, waarmee we compositorisch de twintigste eeuw binnenstormden; een compositie vol wervelende tonaliteiten, in lijn met de dramatiek, op een gedicht van Henri de Régnier, over een falende liefde, uit 1907, geschreven drie jaar na haar bekendste werk, de opera The Wreckers. Compositorisch haalde Smythe in dit lied alles uit de kast, en dat deden Ledoux en Horsch in dit laatste dramatische onderdeel ook.

Odelette Ethel Smythe door Katia Ledoux uit 2017 Konzert und Symposium „Hinter den Spiegeln“ Clara Schumann (!) Saal:

In een versie voor sopraan en ensemble door Renate Eggebrecht:

Versie van Chausson op hetzelfde gedicht:

En een versie van Roussel:

Overigens is Ledoux in gesproken woord ook een geweldige entertainer. Tussen de programmaonderdelen gaf ze informatieve en geregeld heel geestige toelichtingen, ook als het erop volgende lied serieus van aard was; comic relief. Blijkbaar verraste ze met een deel van de informatie ook Horsch, die geregeld moest lachen.

Na Smythe volgde Fallin’ uit 2001 van Alicia Keys, die componeert én haar teksten schrijft, en in haar eigen versie de piano speelt.

Fallin’ Alicia Keys van Songs in A minor (Keys was toen nog geen eenentwintig jaar oud.):

De keuze voor ‘Helft mir, ihr Schwestern’ uit Frauenliebe und Leben als toegeeft bleek een speciale aanleiding te hebben. Over een week treedt Katia Ledoux’ in het huwelijk.

Carl Loewe Frauenliebe und Leben:

Franz Lachner Frauenliebe und Leben met Joan Sutherland:

Katia Ledoux in Den Bosch 2018 in de aria van Baba uit The Rake’s Progress, Stravinsky:

Olga’s Aria uit Eugen Onegin, Tschaikovsky:


Ich lade gern mir Gäste ein, Prinz Orlofsky in Die Fledermaus, Strauss:

 

Katia Ledoux to her younger self – DNO x Black Achievement Month oktober 2020:

Mon cœur s’ouvre à ta voix Samson et Dalila Saint-Saëns – Katia Ledoux and Djuwa Mroivili | Dutch National Opera 2022:

Muziekhaven Zomerconcerten dit jaar geprogrammeerd door Lucie Horsch: concert met Katia Ledoux, zang, en Lucie Horsch, piano, 14 juli Zaandam.
Foto’s © Neil van der Linden

De Amerikaanse opera’s deel 2: The Consul (Der Konsul) van Giancarlo Menotti

Tekst: Peter Franken

Gian Carlo Menotti’s vluchtelingendrama stond in het seizoen 2016/17 op het programma van het Theater Krefeld – Mönchen Gladbach. Hoewel geschreven eind jaren 1940 is het beklemmend actueel. De enscenering van Katja Bening is echter geheel conform Menotti’s eigen libretto en regie aanwijzingen, zonder een spoor van transpositie naar het heden. Deze integere benadering bleek zeer effectief.

Naar verluidt las Menotti in 1947 in de krant een berichtje over een Pools-joodse vrouw die op Ellis Island zelfmoord had gepleegd toen ze niet langer tegen de bureaucratische machine was opgewassen die haar de intocht in het beloofde land, de Verenigde Staten, versperde. Dit was aanleiding tot het schrijven van een libretto waarin ook eerdere persoonlijke ervaringen werden verwerkt. In een korte toelichting wordt gesteld: ‘De opera speelt ergens in Europa, maar de handeling is niet aan een bepaald land gebonden. Het is een aanklacht tegen tirannie, in elke vorm.’

Het verhaal draait om Magda Sorel, de vrouw van John Sorel die strijd voert tegen een repressief regiem. Als John moet vluchten naar het democratische buurland probeert zij via het consulaat van deze staat een visum te krijgen voor zichzelf en haar zoontje. Aangezien ze door de geheime politie in de gaten wordt gehouden en de benodigde papieren haar worden geweigerd, staat ze op het consulaat met lege handen. Haar openingszin luidt dan ook: ‘Is de consul te spreken?’

Tamelijk voorspelbaar lukt dat niet. De consul is druk bezet, is nooit te spreken. Een in het vak geharde secretaresse staat iedereen te woord en laat geen uitzonderingen toe. Papieren moeten worden ingevuld en als ergens niet aan de zeer precieze eisen wordt voldaan kan betrokkene gelijk weer de volgende dag terug komen.

Zo komt meneer Koffner al zo lang in het kantoor dat hij verzucht dat hij dat over een jaar nog steeds te horen zal krijgen. Diezelfde Koffner neemt een Italiaanse vrouw onder zijn hoede die de landstaal niet machtig is. Hij vertaalt voor haar en helpt bij het invullen van een formulier. Op voorhand nutteloos want eigen papieren heeft ze niet.

Verder is er een vrouw die haar dochter in het buitenland wil bezoeken. Haar kind is met een soldaat van het betreffende land meegegaan, is bevallen en vervolgens in de steek gelaten. Het gaat haar slecht en haar moeder moet dringend naar haar toe. Dat kan wel een half jaar duren, krijgt ze te horen. Moeilijk geval ook omdat ze drie jaar in een concentratiekamp heeft gezeten. Dat moet goed uitgezocht worden. Verder zijn er talloze gevallen die op de hare lijken: ‘Een naam is een nummer, een verhaal is een geval’. Waarop de wanhopige vrouw uitroept: ‘Moeten wij dan sterven omdat er teveel van ons zijn?’

Comic relief komt in de persoon van de illusionist Nika Magadoff die met allerlei trucs de secretaresse ervan probeert te overtuigen dat zijn status als artiest toch belangrijker is dan een paar papieren. Hij moet tot de conclusie komen dat ook een beroemdheid als hijzelf zijn eigen weg in het leven moet zien te vinden.

Ondertussen is Magda al een maand bezig door dagelijkse bezoeken voor elkaar te krijgen dat ze een onderhoud met de consul mag hebben. Als het voor de zoveelste keer wordt geweigerd gaat ze door het lint en houdt ze een tirade over de onmenselijkheid van het bureaucratische systeem dat papieren hoger aanslaat dan mensen:

To this we’ve come:
that man be born a stranger upon God’s earth,
that he be chosen without a chance for choice,
that he be hunted without the hope of refuge.’

Het is het dramatisch hoogtepunt van de opera.

To this we’ve come, gezongen door de eerste Magda Sorel, Patricia Neway:

Deze uitbarsting heeft tot gevolg dat de secretaresse besluit toch maar eens te kijken of de consul niet een momentje beschikbaar heeft. Hij heeft net een belangrijke gast op bezoek maar die staat op het punt te vertrekken. Als die gast de inspecteur van de geheime politie blijkt te zijn die Magda al geruime tijd onder druk zet, valt ze flauw. Daarna gaat het snel bergafwaarts tot Magda besluit zelfmoord te plegen. Inmiddels zijn haar moeder en zoontje overleden en is John gearresteerd. Als ze met haar hoofd in de oven zit, hallucineert ze en ziet alle spelers in het drama voorbijkomen. De doden wenken haar, kom naar ons toe.

Muzikaal leunt het werk sterk op Puccini en de filmmuziek van Korngold. Dramatische scènes doen sterk denken aan La fanciulla del West en de begeleidende muziek van de Italiaanse vrouw is puur Butterfly. Als Magda hallucineert over een toekomst zonder barrières klinkt er revolutionaire marsmuziek.

De voorstelling in Mönchchen Gladbach werd gezongen in het Duits, geheel conform de wens van Menotti om overal de landstaal te gebruiken. Het werk is dan ook al in ruim 20 talen vertaald. Het decor wisselde tussen het huis van de familie Sorel en het bureau van de consul. Wisselingen vonden plaats met gesloten doek waarbij soms verbindende muziek te horen was.

De hoofdrol was in handen van de Poolse sopraan Izabela Matula, een goede keuze. Ze excelleerde in de grote aria en voor het overige was haar spel zeer overtuigend. De rest van de cast was duidelijk van wat minder niveau maar voor een provinciaal theater alleszins toereikend.  De goed spelende Niederrheinische Sinfoniker stonden onder leiding van Diego Martín-Etxebarría.

In 1963 werd een enscenering van Der Konsul verfilmd voor televisie, een medium dat toen nog in zijn kinderschoenen stond. In 2010 is deze opname door Arthaus op dvd uitgebracht. De zwart wit beelden dragen sterk bij aan de beklemmende sfeer van de handeling en maken het tot een prachtig document uit de geschiedenis van verfilmde opera’s. Het werk is voor televisie geënsceneerd door Rudolph Carter.

Magda Sorel wordt schitterend vertolkt door Mekitta Muszely, je ontkomt er niet aan je geheel met haar problemen te vereenzelvigen. Eberhard Wächter neemt de rol van haar echtgenoot John Sorel voor zijn rekening. Gloria Lane is fenomenaal als de onbuigzame secretaresse die als een Cerberus iedereen bij haar chef vandaan houdt, ondoorgrondelijk vanachter haar zonnebril.  Willy Ferenz overtuigt als een ‘creepy’ agent van de veiligheidspolitie.  Franz-Bauer Theussl staat voor het Orkest van de Volksoper Wien.

Jonathan Fournel in Chopin en Brahms: gevoel en psychologisch inzicht

Tekst: Neil van der Linden

We hebben het nu al vaak gehoord: er schijnt een regel te zijn dat je met Brahms gewoonlijk geen grote pianoconcoursen wint, maar die regel werd vorig jaar geschonden toen de Franse pianist Jonathan Fournel het Brusselse Koningin Elisabethconcours won door in de voorrondes diens Handel-variaties te spelen en in de finale het Tweede Pianoconcert.

Geboren in 1993 in het provinciestadje Sarrebourg in Lotharingen, groeide hij op in een regio die historisch doordrenkt is van zowel Franse als Duitse cultuur. Zijn vader was muziekleraar en organist in Rooms-katholieke kerken, maar de regio heeft historisch ook een Protestantse aanwezigheid. Ga nog wat verder naar het zuiden en je komt bij de bakermat van Albert Schweitzer uit.

Fournel ging eerst studeren in Straatsburg en vervolgens over de grens met Duitsland in Saarbrücken. Hij studeerde af in Parijs en woont nu in Brussel. Misschien is het tekenend dat hij zoals Radio IV meldde de middag voor het concert zich inspeelde met pianomuziek van César Franck, en hopelijk komt hij daarmee binnenkort ook voor de dag.

Ik ben normaal niet eens zo weg van Brahms, maar zowel in het geval van Chopin als Brahms, en bijvoorbeeld ook Rachmaninov, ben ik in elk geval wél sterk geporteerd van hun sonates, misschien omdat die tot hun weerbarstigste oeuvre behoren.

Wat betreft zijn keuzes voor Brahms bij het Elisabeth concours verklaarde Fournel in een interview dat zijn lerares Gisèle Magnan hem op het hart had gedrukte om niet altijd meteen naar het technisch moeilijkste te grijpen, maar juist verdieping te zoeken in technisch eenvoudiger repertoire, zoals Mozart sonates. Aldus maakte hij tijdens het concours naast technisch kunnen ook indruk met diepgang en welsprekendheid.

Die hoorden we tijdens het concert in Amsterdam ook weer terug. Niet dat de gespeelde sonates van Chopin en Brahms geen gelegenheid gaven om te laten zien wat hij technisch kan, maar Fournel bood ook psychologisch inzicht. Er zitten maar negen jaar tussen de twee sonates en tussen Chopins nocturne uit 1846 en Brahms’ sonate uit 1853 nog minder. Maar in muziek van Chopin horen we een componist die wereldberoemd maar intussen ook al ernstig ziek was, terwijl de twintigjarige Brahms van zijn derde sonate zich nog moest bewijzen, maar al wel blaakte van energie en zelfvertrouwen.

Fournel zoekt in al deze werken de diepte op en spreekt in prachtig geformuleerde hoofd- en bijzinnen. In de Chopin-nocturne waarmee hij opende zagen we hem zelfs min of meer mee-mompelen met de noten, mee-stamelen misschien wel. Was dat omdat dit werk bij het verschijnen eigenlijk al als een blijk van zwakke gezondheid werd gezien? Hoewel het later werd geherwaardeerd. Fournel liet de nocturne na slechts enkele seconden adempauze overgaan in de Chopin-sonate. Waarbij het mompelen verdween; leek de pianist uit te drukken dat we inmiddels waren aanbeland bij een werk van een Chopin die nog even genoeg levenskracht wist te vinden om één van zijn muzikaal en technisch gecompliceerdste werken te schrijven?

Er was een enkel misslagje in het spel, opvallenderwijs juist meer in de serene nocturne en het nog relatief ingetogen begin van de sonate, maar dat bracht Fournel niet van de wijs. Het was eerder alsof hij zei nu denken jullie me nog te kunnen pakken, maar wacht maar af tot straks, als ik jullie bij de lurven ga grijpen.

Brahms’ derde sonate staat ook op de eerste CD die Fournel uitbracht. Die opname heb ik ook beluisterd. Live blijkt Fournel robuuster, met wat meer bravoure te werk te gaan dan op de CD. Daarop werkt hij bedachtzamer, filosofischer. Misschien is hij een pianist bij wie live een andere mengverhouding serotonine, adrenaline en endorfine ontstaat dan bij een opname onder studio-omstandigheden (al is de CD opgenomen in een concertzaal).

Eenzelfde verschil kun je horen in Brahms’ Handel-variaties die ook op de CD staan, als je die vergelijkt met de Youtube-opname van het werk zoals hij het, natuurlijk onder super-hoogspanning, uitvoerde tijdens het Elisabethconcours. Maar misschien is zijn interpretatie gewoon geëvolueerd sinds de opname, die overigens al stamt uit februari 2021, dus van vóórdat hij in mei 2021 het Elisabethconcours won; het label Alpha dat de CD uitbrengt had een vooruitziende blik.

Zien we een wonder geboren worden? Dat zou heel goed kunnen. Naast mij zat een enthousiaste bezoekster die vertelde dat ze moest denken aan het concert van Maurizio Pollini in 1970, ook hier in het Concertgebouw, en dat hoorde ik haar na afloop bij de signeersessie voor zijn CD de pianist zelf ook vertellen. En ja, tijdens het concert had ik ook al aan Pollini gedacht, omdat Fournel met repertoire begonnen is waarin Pollini zich indertijd ook al onderscheidde door rationeel inzicht en empathisch gevoel te combineren.

Er was een toegift, Jesu bleibet meine freude, in een piano arrangement van Wilhelm Kempff.  Tijdens de eerste noten ontlokte die een klein lachsalvo aan het publiek. Fournel liet de polyfonie uitkomen. Ik zat op een plaats vanwaar ik precies van onderen naar zijn handen kon kijken en je zag hoe hij de verschillende polyfone lijnen behandelde.

Link naar Fournels eerste cd met Brahms’ derde sonate en diens Handel-variaties:

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/zomeravondconcert/cf1a35ba-d85c-4f2d-ba29-4f5b6720f27d/2022-07-07-zomeravondconcert-vriendenloterij-zomerconcert

Link naar de tekst van het boekje bij Fournels CD-opname:

Handel variaties tijdens het Elisabethconcours:

Volgens sommigen behoort de eerst-bekende opname van Chopins derde sonate door Percy Grainger nog steeds tot de beste. Hierbij een link naar een verzameling opnamen van Grainger met ook Brahms’ derde sonate.:

https://open.spotify.com/album/6XSVHx24uyWkvzJ3lzr2xR?si=8GoJzoIxS1KrmSpeP7ZnpA

Gezien: Jonath Fournel, piano, Vriendenloterij Zomerconcert 7 juli, Concertgebouw Kleine Zaal.

Chopin – Nocturne in B (1846, uit ‘Deux nocturnes’, op. 62)
Chopin – Sonate nr 3 in b op. 58 (1844)
Brahms – Sonate nr 3 in f op. 5 (1853)
Bach – Jesu bleibet meine freude, arrangement Wilhelm Kempff

Foto’s: © Robin Ducancel, Republicain-lorrain, Res musica, Neil van der Linden

Malinese grootheid Oumou Sangaré in het Concertgebouw

Tekst: Neil van de Linden

Pentatonische melisma’s, enerverende duetten met de kora, een ferme op rock geënte ritme-sectie en gierende gitaarsolo’s. En dan het hele grote zaal-publiek van het Concertgebouw van de stoelen krijgen, en daarbij zelfs degenen die met haar mee wilden danse op het podium uitnodigen, dat lukte de Malinese superster Oumou Sangaré (1968, Bamako, Mali).

Sangaré werd in 1968 geboren als dochter van een zangeres Aminata Diakité en een vader die in 1970 een tweede vrouw nam en naar Ivoorkust verhuisde, Sangaré, haar moeder en broers en zussen achterlatend in de Malinese hoofdstad Bamako. Om haar moeder te helpen begon ze op straat te zingen en verliet daarvoor op jonge leeftijd de school. Op vijfjarige leeftijd won ze een kleuterzangwedstrijd, waarna ze mocht optreden voor een publiek van enkele duizenden in een stadion in Bamako. Op 16-jarige leeftijd ging ze op tournee met een percussiegroep, waarbij ze onder meer Nederland aandeed, ik denk in het RASA-circuit. Vervolgens begon ze aan een solocarrière. Tijdens het concert bedankte ze Nederland voor de nu bijna vier decennia waarin ze hier welkom was,

Nu is ze een wereldster, die in popfestivals als Roskilde maar ook in de Brusselse Muntopera optrad.  Ze is ambassadeur voor de FAO en commandeur in de Franse Ordre des Arts et des Lettres. Ze voert campagne tegen vrouwenbesnijdenis en polygamie. En ze zet zich in voor democratie in Afrika.

De lijn van het concert volgde haar recente album Timbuktu, waarop ze flink rockt, maar volgens de principes van de Wassoulou-muziek, een genre West-Afrikaanse populaire muziek vernoemd naar de streek Wassoulou op de grens van Mali, Ivoorkust en Guinee, waar ook Sangarés wortels liggen. De muziek wordt meestal uitgevoerd door vrouwen en de teksten gaan over vrouwenzaken en -problemen, zoals polygamie en vrouwenbesnijdenis.

Er was een divers publiek, in leeftijd en huidskleur. Er waren oudere, vooral, maar niet alleen witte bezoekers, vrouwen en mannen, deels met grijze haren – die Sangaré misschien al jaren volgen. Maar er waren ook veel jongeren, met name vrouwen, van verschillende huidskleur, een enkeling met hoofddoek, en het waren vooral vertegenwoordigers van die vrouwengemeenschappen die het podium beklommen als Sangaré ze uitnodigde om mee te komen dansen. De campagne om het Concertgebouwpubliek te verbreden lijkt gestaag te slagen.

Het is wonderlijk hoe veelzijdig de pentatoniek kan zijn gegeven de beperkte mogelijkheden, terwijl de meeste nummers in de Frygische modus staan, met de halve toonsafstanden ertussenuit, dus E-G-A-B-D-E. Door de dominantie van de toonsaftand E-G krijg je een ‘mineur’-effect, maar de reeks G-A-B-D geeft het geheel tegelijkertijd iets vrolijks. Melancholische dansbaarheid. ‘Pas tristesse,’ zei Sangaré in een song opgedragen aan de (niet zo florissante) politieke situatie in haar geboorteland en zette wat een spetterend dansnummer bleek te zijn in.

Oumou Sangarés laatste album

Op haar voorlaatste album Acoustic uit 2018 staan – zoals de naam aangeeft – mooie akoestische arrangementen

In 2017 bracht ze een album uit met onder meer een fraai nummer met de toen 78-jarige Nigeriaanse ster-drummer Tony Allen, bekend onder meer van de band van Nigeriaanse ster-zanger Fela Kuti

Sangarés eerste album uit 1990

Link naar haar album Worotan uit 1996, dat indertijd op Nonesuch uitkwam – wat aangeeft hoe snel haar ster toen ook buiten wereldmuziek-kringen rees

Oumou Sangaré, Concertgebouw Grote Zaal, 7 juli 2020.

Foto’s © Govert Driessen en Neil van der Linden.©

Amerikaanse opera’s. Deel 1:  Street Scene van Kurt Weill

Tekst: Peter Franken

Nadat hij Duitsland was ontvlucht verbleef Weill enige jaren in Parijs. De monoloog Die sieben Todsünde stamt uit deze periode. In 1935 vertrok Weill naar New York waar hij een studie maakte van de Amerikaanse populaire- en theatermuziek. Hij streefde in navolging van Gershwin naar het scheppen van een nieuw genre, American Opera, dat zowel artistiek als commercieel succesvol zou zijn.

Weill is er met zijn muzikale versie van het toneelstuk Streetscene van Elmer Rice meer dan in welk ander werk uit die periode in geslaagd een brug te slaan tussen het in zijn ogen springlevende Broadway en The Met die hij zeer waardeerde maar vooral als muziekmuseum.

Street Scene opende in 1947 op Broadway en kreeg daar 147 uitvoeringen in ruim vier maanden tijd. Daarna is het werk er nooit meer hernomen maar dat zal vooral zijn oorzaak hebben in het sterk naturalistische karakter van de inhoud: een liefdesdrama eindigend in een dubbele moord was wellicht toch niet zo geschikt voor de entertainment industry. Als toneelstuk trok het een ander publiek en was dat aspect van minder belang. In de opera waar men gewend was aan moord en doodslag was Street Scene feitelijk meer op zijn plaats: American Verismo.

Street Scene speelt zich af in een tijdsbestek van ongeveer 24 uur tijdens de late jaren ’20, maar duidelijk voor de beurskrach. De plaats van handeling is de straat voor een tweetal voordeuren in een blok huurkazernes in New York, upper lower east side of zoiets. Het gebeuren draait om een paar families die achter die twee voordeuren wonen, (boven)buren die elkaar bij gebrek aan iets anders vooral goed in de gaten houden en graag becommentariëren. Alles wat men te zien krijgt speelt zich af op de stoep en de straat, binnen of verder weg krijgt men verteld. Omdat iedereen graag op de stoep zit of uit het raam hangt blijft dat laatste tamelijk beperkt.

Links woont onder meer het kleine gezin van de oudere Jood Abraham Kaplan die nadrukkelijk sympathiseert met het communisme en de Russische revolutie. Dat brengt hem in conflict met zijn buurman Frank Maurant, een toneelknecht die de wereld het liefst precies zo wil houden als hij is, zowel maatschappelijk als in de privéverhoudingen. Hij is duidelijk emotioneel geblokkeerd en niet in staat zelfs maar eens een beetje vriendelijk te doen naar zijn gezin. Zijn vrouw lijdt daar al sinds het begin van hun huwelijk onder en is daardoor een gemakkelijk doelwit voor de melkboer Steve Sankey. Uiteraard wordt daar door de andere buurvrouwen al flink over geroddeld.

Abrahams zoon Sam studeert rechten en is al jaren verliefd op zijn buurmeisje Rose Maurant die op een makelaarskantoor werkt. Hij wil met haar dit leven in een achterstandswijk ontvluchten, ver weg naar een land aan de andere kant van de regenboog.

Een productie van Francesca Zambello voor Houston Grand Opera is in 1995 op dvd uitgebracht. De opname is gemaakt in Duitsland maar de cast is overwegend Amerikaans. Weills muziek klinkt zeer gevarieerd, het begin lijkt een direct vervolg op Porgy and Bess maar gaandeweg gaan we richting Puccini. Dat is vooral duidelijk waar de familie Maurant de handeling bepaalt.

Als Mrs. Maurant door haar man wordt betrapt met de melkboer schiet hij hen beiden dood. Zowel muzikaal als inhoudelijk maakt dit die liefdestragedie tot een pendant van Il tabarro. Max krijgt de gelegenheid een zeer lyrische aria ten beste te geven maar als een ander buurmeisje laat thuiskomt met haar vriendje laat Weil onbekommerd Count Basie muziek horen en dansen die twee de jitterbug, overigens het enige dansnummer.

Na de dood van haar moeder vertrekt Rose. Ze heeft ervaren dat liefde en iemands ‘bezit’ zijn niet goed samen gaan. De kooi waarin ze haar moeder heeft zien wegkwijnen wil ze hoe dan ook ontlopen. Sam is heartbroken zoals het betaamt in een romantische verhaal met slechte afloop.

Behalve die primaire verhaallijn is er natuurlijk ook het gewone dagelijks leven in de straat. De gemoedelijke Italiaan Fiorentino komt thuis met zes ijsje die hij uitdeelt. Daarna zingen ze een icecream sextet. En de familie Hildebrand komt opgetogen terug van een diploma-uitreiking van de School of Arts. De oudste dochter is met vlag en wimpel geslaagd en dat leidt tot een klein straatfeestje van alle aanwezigen. Helaas kan de alleenstaande moeder Hildebrand de huur al een tijdje niet betalen en de volgende ochtend worden ze op straat gezet. Terwijl de politie de dubbele moord in het gebouw onderzoekt worden er meubels op de stoep gezet alsof er niets aan de hand is.

Het eenvoudige leven van een groepje eenvoudige mensen met al hun verlangens en frustraties wordt heel fraai geportretteerd. Natuurlijk gebeurt er wel erg veel in dat etmaal maar dat doet niets af aan het levensechte karakter. Een zeer geslaagd werk deze Street Scene, en een eyeopener voor iedereen die Weill alleen maar kent van zijn carrière in Duitsland.

Ashley Putnam geeft een fraaie vertolking van de diep ongelukkige maar in vergelijking met haar roddelende buren zeer waardige Mrs. Maurant. Marc Embree zit de rol van de in zijn frustraties verstikte Frank Maurant als gegoten. Teri Hansen is als Rose de spreekwoordelijke ingénue, mooie vertolking. Haar pendant is Sam Kaplan, prima zang van Kip Wilborn. Goed spel in de overige rollen. De Staatsphilharmonie Rheinland Pfalz staat onder leiding van James Holmes.

Overigens is het met die American Opera uiteindelijk nooit echt iets geworden. Het uitventen van zo’n label louter en alleen omdat een bepaald werk door de Houston Grand Opera of vooral de San Francisco Opera wordt geprogrammeerd dient slechts de schone schijn. Niet dat dit erg is, er zijn voldoende volwaardige werken gecreëerd door Amerikaanse componisten die de status ‘opera’ in de klassieke betekenis volledig waardig zijn. Denk aan A streetcar named Desire, The consul, Vanessa, A quiet place, Moby Dick en Marnie. En Broadway is nog steeds gewoon een musical fabriek.

Hele  opera is hier te zien:

https://www.operaonvideo.com/street-scene-ludwigshafen-1995-putnam-embree-hansen/

Finale IVC Opera Oratorium: een impressie

Tekst: Peter Franken

Op zaterdag 2 juli vond de finale IVC 2022 plaats in Eindhoven. De namen van de verschillende prijswinnaars zijn inmiddels al de wereld overgegaan, wat volgt is een algemene impressie van de finale avond.

Zeer toepasselijk werd door de eerste kandidaat de avond geopend met Wagners ‘Dich, teure Halle, grüß ich wieder’ uit Tannhäuser. De Portugese sopraan Silvia Sequeira, overigens woonachtig in Maastricht waar ze aan het conservatorium studeerde, gaf een uitstekende vertolking van deze populaire aria.

Ik hoorde dit stuk al zo’n 15 keer live in een theater en Sequeira eindigde in mijn waardering minstens in de top tien. Ze heeft een grote stem en had geen enkele moeite zich ten opzichte van het orkest staande te houden. Uiteraard zegt dat ook iets over Wagner dirigent Hartmut Haenchen die nooit geneigd is om daar een wedstrijd van te maken. Sequeira heeft het duidelijk in zich uit te groeien tot een dramatische sopraan en wie weet ook in het Wagner-vak. Na afloop kreeg ze terecht de Wagnerprijs van Nederland uitgereikt, beschikbaar gesteld door de Wagnerstichting Nederland.

Dat niet alleen Wagner haar goed afgaat liet Sequeira vervolgens blijken in haar ontroerende vertolking van Puccini’s ‘Sola, perduta, abbandonata’ uit Manon Lescaut. Direct bij de eerste kandidaat had ik al de indruk naar de uiteindelijke winnaar te luisteren en het publiek was in meerderheid dezelfde mening toegedaan. Maar meer dan de Publieksprijs zat er verrassend genoeg niet in.

De Poolse bariton Szymon Raczkowski zong vervolgens ‘Bravo signore padrone’ uit Le Nozze di Figaro, een veilige keuze maar ook een beetje voorspelbaar. In Onegins aria ‘Vy mne pisali’ uit Tchaikovsky’s Evgeni Onegin vond ik hem vooral een aardige typecast, slanke jonge man van even twintig. Echt veel indruk wist hij niet op mij te maken en op de jury kennelijk evenmin.

Als kort intermezzo volgde een optreden van de Tsjechische mezzo Jolana Slavikova die in de halve finales was gestrand maar mocht meedingen naar de Van Riemsdijk prijs voor het prijslied ‘Vermeer’s Gold’ van componist Bart Visman. De tekst is van Marc Pantus en het lied kon naar keuze worden gezongen in de Nederlandse of Engelse versie. Slavikova koos voor Engels en bracht het tamelijk komische lied over een zanger die moet optreden maar zich afvraagt waarom eigenlijk, min of meer ‘straight’. Met begeleiding door een volledig orkest klonk het alsof het ergens was opgeduikeld in een onbekende ‘American Opera’. Ik was er zeer tevreden over, mooie vertolking, wellicht ook iets voor Olivia Vermeulen op een komende cd.

Daarna weer een reguliere finale kandidaat, de Poolse tenor Stanislaw Napierala. Hij bracht Donizetti’s ‘Una furtiva lagrima’ uit L’elisir d’amore en Mozarts ‘Dies Bildnis’ uit Die Zauberflöte ten gehore. Hij heeft een mooi timbre en goede beheersing in de hoogte maar ik was er allerminst van onder de indruk. Het klonk me te geforceerd allemaal, met diepe keelklanken die van elke klinker een ‘ohh’ leken te maken. Een taalcoach of logopedist lijkt me wenselijk voor deze tenor. Zoals te verwachten (?) was de jury een andere mening toegedaan en ging Napierala aan de haal met de tweede prijs, beschikbaar gesteld door het Staetshuys Fonds.

Evenmin finalist maar meedingend naar de Marianne Blok prijs voor de beste coloratuur sopraan was Xueli Zhou. In de halve finale had ze naar verluidt veel indruk gemaakt met een aria uit Lakmé en tijdens de finale pakte ze uit met Händels ‘Tornami a vagheggiar’ uit Alcina. Als enige overgebleven mededinger was het feitelijk het ‘ophalen’ van een reeds gewonnen prijs. Maar dat liet ze niet merken, gaf werkelijk alles inclusie een feilloze hoge F.

Mezzo Linsey Coppens was de laatste kandidaat voor de pauze. Met ‘Enfin, je suis ici’ uit de derde akte van Massenets Cendrillon kon ze haar technische vaardigheden prima uitdragen maar de keuze voor deze monoloog in de finale heeft me verrast. Het is zeker niet Massenets meest aansprekende muziek en moeilijk om daar indruk mee te maken. Coppens’ vertolking liet weinig te wensen over maar als op zichzelf staand stuk ‘werkte’ het bij mij niet, hoewel ik de opera al meermalen in het theater heb beleefd. Haar tweede bijdrage ‘Sein wir wieder gut’ uit Strauss’ Ariadne auf Naxos kwam goed over het voetlicht. Authentiek Strauss maar ik miste het opgewonden puberale gedrag van de jonge Komponist in de vertolking.

Na de pauze was het de beurt aan de Tsjechische mezzo Jolana Slavikova die het ‘Laudamus te’ uit Mozarts Große Messe en Nicklausse’s grote aria ‘C’est l’amour vainqueur’ uit de tweede akte van Offenbachs Les contes d’Hoffmann te gehore bracht. Vooral die Offenbach vond ik schitterend, een aria die maar al te vaak wordt gecoupeerd.


De grote winnaar, tevens met zijn 34 jaar de nestor van het gezelschap, maakte zijn opwachting met het gelegenheidsariaatje ‘Di rigori armato’ waarmee de Italiaanse zanger met nodige onderbrekingen door Ochs ‘auditeert’ tijdens de levée van de Marschallin in Der Rosenkavalier. Om nu juist met dit stukje muziek aan te komen waarin Strauss Italiaanse tenoren op de hak neemt, vind ik bedenkelijk. De Russische tenor Andrei Danilov speelde kennelijk op zeker. Hij is al een gevestigd artiest die regelmatig bij Deutsche Oper Berlin te horen is en kwam duidelijk om een prijs op zijn cv te krijgen voor het te laat was.

Zijn tweede bijdrage had muzikaal meer niveau, de vrij onbekende aria ‘Torna ai felici’ waarin Roberto terugkijkt op een gelukkiger verleden in Puccini’s Le Villi. Los van de repertoire keuze moet ik stellen dat Danilov een prachtige tenor is, mooi timbre, fonetisch goed klinkende uitspraak, heel vast in de hoogte en dientengevolge ook zeer zelfverzekerd. Zijn Puccini werd gezongen met ingehouden pathos, mooi passend bij de tekst van de aria. Danilov had de concurrentie aan het werk gezien en gehoord en heeft op basis daarvan vermoedelijk verwacht te zullen winnen zonder veel extra risico te nemen. Niettemin vind ik dat de Opera Prijs en de Grand Prix ’s Hertogenbosch niet naar iemand zouden moeten gaan die met Strauss Spielerei meent te moeten aankomen in de finale.

Linsey Coppens kwam nog even terug om het Prijslied in de Nederlandse versie te zingen en dat leverde haar de Van Riemsdijk Prijs op. Aardige vertolking maar minder pakkend dan in het Engels.

De enige Nederlandse kandidaat in de finale was Tinka Pypker die zich bekwaam door Mozarts ‘Ach, ich fühl’s’ wist te werken, Pamina’s klaagzang uit Die Zauberflöte. Het verstilde karakter van dit stuk maakte vervolgens plaats door een spetterende vertolking van Musetta’s ‘Quando m’en vo’ uit Puccini’s La bohème. Leuk geacteerd maar vooral zeer goed gezongen. Ze heeft een stralende stem die ze niet alleen flink kan aanzetten maar ook zacht kan laten klinken. Persoonlijk vind ik dat erg belangrijk. Ik had haar meer gegund dan een ‘prijsloze’ afloop.

Voor het ophalen van de ‘Jong talent prijs’ mocht de Oekraïense bariton Yurii Strakhov tussendoor nog ‘Lieben, Hassen, Hoffen, Zagen’ komen zingen, Harlequin’s aria uit Ariadne auf Naxos. Toen hij auditeerde voor deelname aan het IVC was hij pas 19 jaar, dus echt een jonkie.

De enige finalist voor Opera en Oratorium dit jaar kwam als laatste aan de beurt. De Tsjechische mezzo Bella Adamova was uiteraard al van de Oratorium Prijs verzekerd maar dong nog mee naar de Grote Prijs. Die zou echter naar Danilov gaan. Ze zong ‘Urlicht’ uit Mahlers ‘Des Knaben Wunderhorn’ en ‘Pie Jesu’ uit het Requiem van Maurice Duruflé. Mooie vertolkingen, ik was er van onder de indruk.


Nina van Essen in haar “Jeroen Bosch” jurken:

Te afsluiting van het muzikale deel, gepresenteerd door Nina van Essen die memoreerde dat ze in hetzelfde jaar was geboren als waarin de gast die ze aankondigde een van de IVC laureaten was, zong de Oekraïense sopraan Olga Pasichnyk een concertaria van Mozart en een tweetal stukken van eigen bodem: het lied ‘The mountain stands so high’ en het woordloze ‘Melodia’.

Groot compliment voor de philharmonie zuidnederland die onder leiding van Hartmut Haenchen zich in een paar dagen tijd voortreffelijk had weten voor te bereiden op deze finale. Zoveel verschillende stukken en stijlen, bepaald geen sinecure.

Tot slot een opmerking over de gekozen stukken. Een operaconcours waarin het grote repertoire vrijwel geheel ontbreekt stemt tot nadenken. Geen enkele aria van Verdi, een paar Mozarts en Puccini’s. Een winnaar die aankomt met een niet serieus bedoeld ariaatje van Strauss, een tweede prijs voor de tenor die ‘Una furtiva lagrima’ zingt, daarbij moet ik inderdaad een traan wegpinken. Niet uit ontroering maar meer uit droefenis. Het is te hopen dat de volgende editie wat meer te bieden zal hebben op dit gebied.

Wie het nog terug wil luisteren:

Alle prijswinnaars op een rijtje:

Grand Prix City of ’s-Hertogenbosch € 7,500
Winner: Andrei Danilov, tenor (Russia, 1988

Opera Prize€ 7,500
Winner: Andrei Danilov, tenor (Russia, 1988)

Toonkunst Oratorio Prize€ 7,500
Winner: Bella Adamova, Mezzo-soprano (Czech Republic, 1992)

Wagner Prize of the Netherlands€ 3,000 cash prize, plus€ 2,000 scholarship prize
Winner: Sílvia Sequeira, Soprano (Portugal, 1992)
The ‘Wagnergenootschap Nederland’ has consciously chosen to create a prize that will continue the education and further professional development of the winner. This amount can also be used to cover the costs of participation in masterclasses given by a Wagner specialist.

Staetshuys Fund Prize€ 3,500
Winner: Stanisław Napierała, Tenor (Poland, 1997)
Second Prize for a Finalist in either the Opera or Oratorio category.

Young Talent prize of the Province of North Brabant € 3,500
Winner: Yurii Strakhov, Baritone (Ukraine, 2002)
The Young Talent Prize of the Province of North Brabant is awarded to a singer under the age of 25. The winner will be determined in the Semi-finals.

Van Riemsdijk Prize€ 2.500
Winner: Linsey Coppens, Mezzo-soprano (Belgium, 1993)
Prize will be given to the participant who best performs the compulsory piece Vermeer’s Gold by composer Bart Visman and lyricist Marc Pantus.

Marianne Blok Prize € 2,000
Winner: Xueli Zhou, Soprano (China, 1992)
For the most musically gifted coloratura soprano. The winner may also be determined in the First Round or Semi-finals.

Edwin Rutten & Annett Andriesen Audience Prize € 1,500
Winner: Sílvia Sequeira, Soprano (Portugal, 1992)

Prize Association Friends of the IVC€ 1,500
Winner: Irene Hoogveld, soprano (Netherlands, 1992)

Press Prize€ 1,000
Winner: Andrei Danilov, tenor (Russia, 1988)

Junior Jury Prize€ 500
Winner: Bella Adamova, mezzo-soprano (Czech Republic, 1992)
Awarded by students in voice and music theatre.

De reprise van Les Huguenots in Brussel

Tekst: Ger Leppers

Voor de voorstellingen van Giacomo Meyerbeers ‘grand opéra’ Les Huguenots had de Brusselse Muntschouwburg een speelduur voorzien van niet minder dan vier uur en drie kwartier, en de aanvangstijd was daarom vastgesteld op 18 uur – een ongebruikelijk vroeg, ja bijna Wagneriaans tijdstip.

De door mij bijgewoonde uitvoering overtrof nog de verwachtingen van de organisatoren: op onze Expected Time of Arrival bleek dat we het hele laatste bedrijf nog te gaan hadden. Het was half twaalf ’s avonds toen we weer buiten stonden in de zoele Brusselse zomernacht. Toch: de lengte van de voorstelling was wat mij betreft geen enkel bezwaar, want al die tijd heb ik me werkelijk geen minuut verveeld, en het kwartier ovatie en applaus dat de musici na afloop ten deel viel kon er zonder bezwaar nog wel bij.

Niet alleen de tijdsduur was ‘grand’ bij deze ‘grand opéra’ uit 1836. Ook de bezetting was dat, met 27 solorollen en –rolletjes, een enorm koor, een uitgebreid orkest en een ballet. De uitgesponnen intrige, waarin de verwikkelingen elkaar na een wat langzaam begin in de eerste twee bedrijven met onverbiddelijke logica opvolgen en steeds rapper over elkaar heen buitelen, was door librettist Eugène Scribe – een ouwe rot in het vak – in elkaar gezet met de precisie van een Zwitsers horloge.

Wat de voorstelling nog een bijzondere lading gaf is het tegenwoordig weer zeer actuele onderwerp van de religieuze intolerantie. Les Huguenots is een liefdesdrama dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de Bartolomeusnacht van 23 op 24 augustus 1572, toen in Parijs ettelijke duizenden protestanten door katholieken zonder pardon werden afgeslacht.

Maar die hernieuwde actualiteit van het onderwerp is niet de enige goede reden om Les Huguenots onder het stof vandaan te halen. De muziek waarvan Giacomo Meyerbeer het verhaal voorzag is niet alleen effectief, contrasterend en efficiënt, maar vaak ook zeer geïnspireerd – zeker op de momenten waarop solisten of kleine ensembles uit het orkest de solisten begeleidden.


teaser van de repetities:

De dramaturgische dienst van De Munt presenteerde het werk met nadruk als een opera die bedoeld was voor een negentiende-eeuws bourgeois-publiek. En wat wil de bourgeois? Zoals bekend wil de bourgeois geëpateerd worden. Dat was in deze opulente en in dat opzicht aan de geest van het werk getrouwe productie aan alles af te zien: allereerst aan de even omvangrijke als voortreffelijke zangerscast (waarover later meer), maar ook aan de zeer weelderige aankleding, de zeer verzorgde, historiserende decors en aan de gedetailleerde en liefdevolle personenregie van sterregisseur Olivier Py.

Achter de scenes (de kostuums):

Het wekte daarom bij het zien van deze productie geen verwondering dat Les Huguenots in de negentiende eeuw meer dan duizend keer werd opgevoerd, noch dat de muziek van Meyerbeer in het algemeen toen zeer hoog werd aangeslagen. In een van de verhalen van Alphonse Daudet, zo herinner ik mij, zingt een echtpaar ’s avonds een duet uit Robert le Diable, zonder dat de schrijver zijn publiek hoeft uit te leggen dat het om een opera gaat en van welke componist het werk is.

Waarom is de muziek van Meyerbeer, met al haar kwaliteiten, dan toch in het vergeetboek beland? Ook op deze vraag gaf deze uitvoering in Brussel een antwoord.  Op een gegeven moment in het werk loopt er, in een Parijse straat, een nachtwaker rond, die de bewoners van de Franse hoofdstad laat weten dat niets de nachtelijke rust en orde verstoort en dat zij dus rustig kunnen slapen.

Wagner heeft bij het componeren van zijn Meistersinger von Nürnberg ongetwijfeld bij deze scène de mosterd gehaald, zo frappant zijn de overeenkomsten. Maar wat Wagners nachtwaker zingt is mooier en veel onvergetelijker dan de muziek die Meyerbeer voor de zijne schreef, en bovenal subtieler uitgewerkt: de nachtwaker uit de Meistersinger komt nog een tweede keer langs om de burgers gerust te stellen, terwijl, o ironie!, in de tijd die verloopt tussen die twee passages een grootscheeps straatgevecht heeft plaatsgevonden. Dat is vele malen effectiever en gelaagder dan het mooie maar op zichzelf staande, louter decoratieve moment in Meyerbeers opera.

Kortom, het betere betoont zich eens te meer de vijand van het goede. En dat verklaart, denk ik, waarom Meyerbeer, net als bijna al zijn tijdgenoten, in de aandacht van organisatoren en publiek lange tijd vrijwel was weggevaagd door de genieën Wagner en Verdi. Dat deze toch wat scheve verhouding door een productie als deze weer enigszins wordt rechtgetrokken is verheugend – en natuurlijk ook verrijkend voor onze algemene ontwikkeling..

Voor deze herneming van de jubelend ontvangen voorstellingenreeks uit 2011 had De Munt opnieuw alles uit de kast gehaald. De enorme vocale bezetting kende geen zwakke broeders of zusters. Het koor, in alle bedrijven prominent aanwezig, ‘overdekte zich met roem’, zoals de Fransen in zulke gevallen plegen te zeggen.

Uitschieters naar boven onder de solisten waren in het bijzonder de Marguerite de Valois
van Lenneke Ruiten – die een vlekkeloos Frans zong –  en de Valentine van Karine Deshayes, die beiden de vele strekkende kilometers gekwinkeleer die Meyerbeer voor hen in petto had moeiteloos inhoud en betekenis gaven, en die telkenmale met hun présence het toneel beheersten.

Van de heren bekoorden mij het meest de stemmen van Nicolas Cavallier en Alexander Vinogradov, die met veel autoriteit gestalte gaven aan stijfkoppige, ieder op zijn eigen manier verblinde mannen. De onbuigzaamheid droop van hun stembanden.

En natuurlijk was er tenor Enea Scala, die de slopende hoofdrol van Raoul meeslepend neerzette en aan het slot de koning van de applausmeters was. Na een avondlang voluit zingen had hij geen moeite met wat voor mij het verrassende hoogtepunt van deze opera was: wanneer de verwikkelingen elkaar steeds sneller opvolgen op weg naar een noodlottige ontknoping valt de handeling vlak voor het slot plotseling stil voor een heel lang, verzengend en prachtig liefdesduet tussen Raoul en Valentine, waarin de laatste uit liefde het noodlottige besluit neemt om van geloof te veranderen.

Op een schrijnende, zeer indringende manier wordt op dat moment nog éénmaal het persoonlijk geluk in contrast gesteld met de politiek-religieuze berekeningen die tot de slachting van de Bartolomeusnacht leidden. Het is een roerend hoogtepunt van een ellenlange opera die als in een zucht voorbij gaat, en die ons eraan herinnert dat het werk Giacomo Meyerbeer toch echt aanzienlijk veel meer is dan een historisch curiosum.

Les Huguenots, opéra en cinq actes
Muziek van Giacomo Meyerbeer
Libretto van Eugène Scribe en Emile Deschamps
Muzikale leiding:  Evelino Pidó; regie:  Olivier Py
Decors en kostuums: Pierre-André Weitz
Belichting: Bertrand Killy
Koorleider:  Emmanuel Trenque
Solisten: Lenneke Ruiten, Karine Deshayes, Ambroisine Bré, Enea Scala, Nicolas Cavallier, Yoann Dubruque, Alexander Vinogradov e.a.
Symfonieorkest en koor van De Munt (Konzertmeister Eric Robberecht)
Koorakademie van De Munt o.l.v; Benoït Giaux

Voorstelling bijgewoond op 29 juni 2022

Fotomateriaal: © Baus

De hele opera is ook op You Tube te vinden: