interviews

Michael Tilson Thomas: in interpretation there is no absolute truth

MTT_bykristenloken-1903-660

Michael Tilson Thomas © Kristen Loke

The Amstel Hotel is totally unsuitable for a good conversation, especially with a musician. The ‘Muzak’ in the background is annoyingly present and the search for a decent space takes up a lot of time. Michael Tilson Thomas – tall, slim, dressed in black jeans and a checkered jacket – doesn’t seem to be bothered by it.

Two days earlier he conducted an extremely exciting concert in the Amsterdam Concertgebouw with music by Berg, Mahler and Brahms. Looking back at the concert I ask him if he did not feel the Brahms started a little too fast?
“Well, no.”

And was the order of the composers: Berg, Mahler, Brahms not a bit strange?
“Sometimes I do it the other way around”

https://basiaconfuoco.files.wordpress.com/2019/07/mtt-nbessie.jpg

Bessie Thomashefsky

So there I am! Fortunately, Tilson Thomas is able to laugh at my stupid questions and I decide to start with his ‘roots.’ Boris Thomashefsky, Michael’s grandfather was THE man behind the Jewish theatre. He wrote the lyrics, composed the music and performed it together with his wife Bessie, one of the greatest tragediennes of her time: she was the first Salome in America, in Yiddish!

Boris Tomashevsky & Yiddish Theatre – BBC Broadway Musicals: A Jewish Legacy (2013):

Der Yeshiva Bokher Kadisch ( Boris Thomashevsky – Louis Friedsell ):

Michael Tilson Thomas was born in Hollywood where his father found work in the film industry. Father Ted Thomashefsky worked a lot with Orson Welles and with Marc Blitzstein, Michael’s cousin. In order to avoid going through life as the ‘son of’ he changed his name to Thomas.

His theatrical background would have meant a certain predisposition for music theatre, but with the exception of a few concert performances he has not (yet) conducted an opera. And all this while he considers Puccini to be one of the greatest composers. Why?

Tilson Thomas explains this by the insufficient preparation time at most opera companies. To the six weeks of rehearsals in Amsterdam I mention, he has a rebuttal: they are rehearsals for the director who works with the ‘actors’, not for the conductor, singers and musicians.

It is really a pity, because he loves opera and he loves working with singers. This is how he works with musicians as well – looking for character, for expression, for colours. Breathing in music means nothing more than the music itself, and that is something you learn best from singers. Working with an orchestra is the same for a conductor as working with actors for a director.

MTT francisco-symphony-orchestra-michael-tilson-thomas-bill-swerbenski-1280-608

San Francisco Symphony Orchestra © Bill Swerbenski

For Tilson Thomas, communicating with the audience is the most important thing. In Davies Symphony Hall (THE house of the San Francisco Symphony Orchestra) he often rehearses from the hall. If the music is complicated, he calls in an assistant, but he himself, seated on a high chair, leads the orchestra from where the audience sits: only there can he hear what it will actually sound like.

He conducts a lot more than we can imagine, with the Russians, Mahler, modern Americans and the Impressionists as his guides. Is there something he doesn’t do?

“Bruckner. Of his symphonies only numbers 6, 8 and 9 are on my repertoire and for the time being I don’t feel like doing the other ones as well. Bach’s ‘Matthaeus Passion’? Why? It is music that I think should be performed like chamber music, in a small, intimate hall and I work with large orchestras.”

“What do I do if there is a difference of opinion between me and the soloist about tempi or interpretation? I listen to the other person. There are no absolute truths in interpretations. And (smiling): I can usually choose the soloist myself.”

Michael Tilson Thomas on music and emotions through the ages:

http://www.thomashefsky.org/

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Advertenties

Michael Tilson Thomas: in de interpretaties bestaan er geen absolute waarheden

MTT_bykristenloken-1903-660

Michael Tilson Thomas © Kristen Loke

Het Amstel Hotel is totaal ongeschikt voor een goed gesprek, zeker niet met een musicus. De ‘muzak’ op de achtergrond is zeer irritant aanwezig en het zoeken naar een beetje fatsoenlijke ruimte neemt veel tijd in beslag. Michael Tilson Thomas – lang, slank, gekleed in een zwarte spijkerbroek en een geruit jasje – lijkt zich er niet aan te storen.

Twee dagen eerder dirigeerde hij in het Amsterdamse Concertgebouw een buitengewoon spannend concert met op de lessenaar muziek van Berg, Mahler en Brahms. Terugblikkend op het concert vraag ik hem of hij niet bang was dat Brahms iets te snel begon?

“Nou, nee.”

En was de volgorde van de componisten: Berg, Mahler, Brahms niet een beetje vreemd?

“Soms doe ik het andersom”

MTT NBessie

Bessie Thomashefsky

Daar zit ik dan. Gelukkig kan Tilson Thomas om mijn stomme vragen lachen en ik besluit om dan met zijn ‘roots’ te beginnen. Boris Thomashefsky, Michaels grootvader was dé man achter het Joodse theater. Hij schreef de teksten, componeerde de muziek en acteerde er samen met zijn vrouw Bessie, één van de grootste tragédiennes van haar tijd: zij was de eerste Salomé in Amerika, in het Jiddisch!

Boris Tomashevsky & Yiddish Theatre – BBC Broadway Musicals: A Jewish Legacy (2013)

Der Yeshiva Bokher Kadisch ( Boris Thomashevsky – Louis Friedsell )

Michael Tilson Thomas werd geboren in Hollywood waar zijn vader werk vond in de filmindustrie. Vader Ted Thomashefsky werkte veel met Orson Welles en met Marc Blitzstein, Michaels neef. Om niet als de ‘zoon van’ door het leven te gaan veranderde hij zijn naam in Thomas.

De theatrale achtergrond zou een zekere predispositie voor het muziektheater betekenen, maar op een paar concertuitvoeringen na dirigeerde hij (nog) geen opera. En dat, terwijl hij Puccini tot één van de grootste componisten rekent. Waarom?

Tilson Thomas verklaart het door onvoldoende voorbereidingstijd bij de meeste operagezelschappen en op de door mij genoemde zes weken repetities in Amsterdam heeft hij een weerwoord: het zijn repetities voor de regisseur die met de ‘acteurs’ werkt, niet voor de dirigent, zangers en musici.

En het is echt jammer, want hij houdt van de opera en hij is dol op het werken met de zangers. Zo werkt hij ook met de musici – op zoek naar het karakter, naar de uitdrukking, naar de kleuren. Het ademen in de muziek betekent niets anders, dan de muziek zelf en dat leer je het beste van de zangers. Werken met een orkest is voor een dirigent hetzelfde als het werken met de acteurs voor de regisseur.

MTT francisco-symphony-orchestra-michael-tilson-thomas-bill-swerbenski-1280-608

San Francisco Symphony Orchestra © Bill Swerbenski

Voor Tilson Thomas is de communicatie met het publiek het belangrijkste. In Davies Symphony Hall (dé plek van het San Francisco Symphony Orchestra) repeteert hij vaak vanuit de zaal. Mocht de muziek ingewikkeld zijn, dan schakelt hij een assistent in, maar zelf, gezeten op een hoge stoel, leidt hij het orkest vanaf de plaats van het publiek: alleen daar kan hij horen hoe het in werkelijkheid zal klinken.

Hij dirigeert veel, meer dan wij ons kunnen voorstellen, met als leidraad de Russen, Mahler, moderne Amerikanen, de impressionisten. Is er iets, wat hij niet doet?

“Bruckner. Van zijn symfonieën heb ik alleen nummers 6, 8 en 9 op het repertoire en voorlopig voel ik er niets voor om ook de andere te doen. Bachs ‘Matthaeus Passion’? Waarom? Het is muziek, die volgens mij kameraal uitgevoerd moet worden, in een kleine, intieme zaal en ik werk met grote orkesten.”

“Wat doe ik als er een meningsverschil is tussen mij en de solist over de tempi of de interpretatie? Ik luister naar de ander. Er bestaan geen absolute waarheden in de interpretaties. En (glimlachend): ik kan meestal zelf de solist bepalen.”

Michael Tilson Thomas over muziek en emoties door de eeuwen heen:

http://www.thomashefsky.org/

Een voortreffelijke West Side Story door Michael Tilson Thomas

In conversation with Marilyn Horne

Horne

It’s so simple: you dial a phone number. A dark, warm, sweet voice answers the call with: “Hello, with Marilyn”. And gone are the nerves. We talk much longer than the half hour time limit I’ve got. And there is plenty of laughter.

On 16 January 2003 she turned seventy and at the same time she celebrated her official debut fifty years ago. To mark the occasion, she released a CD, which she compiled herself. ” Have you heard it yet?” she asks. ” I’ m quite proud of it. It contains both studio and live recordings. All chosen by myself”.

Horne cd 70

“Seventy, my God, where did the time go? I made my debut in opera when I was twenty years old, but I sang my entire life. I actually made my debut when I was two years old, so I’ve been singing for almost 50 years. My father was a semi-professional singer, a tenor with a beautiful voice. He was my first teacher, my mentor. I started singing lessons when I was 5 years old, something I won’t recommend to anyone. Too early.”

When she was twenty her father died. And she left for Europe. Was there any connection?
“Pure coincidence. My European plans were already fixed for some time. He developed an acute form of leukaemia, and at that time you died of it quickly. He was diagnosed on Sunday and was already dead on Wednesday. But I was on my way to Europe. With a Dutch ship by the way, which was called ‘Maasdam’.”

HorneNorma

Marylin Horne started out as a soprano and then became one of the greatest mezzo’s in history.
“Young girls don’t have low notes, and I was a young girl. As I got older, I was asked more and more if I was sure that I was a soprano, well, I was sure of that. In the Gelsenkirchen opera I sang heavy soprano roles, like Minnie in La Fanciulla del West. And Marie in Wozzeck, a role that brought me fame and happiness. I sang it in Covent Garden, and later in Los Angeles. Luckily there are pirate recordings so I can listen to them now. I am very grateful to the ‘pirates’ because I never recorded my own performances. And it’s live. When you’ re an opera singer, you sing opera live, on stage.”

Marilyn Horne sings Marie in Wozzeck in a pirate recording from 1966:

Her repertoire is huge: from Gesualdo to contemporary music, opera, songs and musicals.

“And film” she adds. “In fact, I sang everything that was possible. I was a kind of chameleon, able to change the necessary colours. Looking back at my career, I wonder: why was I in such a hurry? I strongly advise my students against that.”

More good advice?
“Work on your technique, that’s the most important thing”.

Did she have an example? An idol?
“In my childhood Lily Pons. Especially in her aria from Lakmé. And in my puberty, Renata Tebaldi. Still, by the way.”

Does she have an explanation for the immense popularity of opera in recent years?
“Yes, I do! The subtitles!”

The subtitles?
“Absolutely! Listen, a few days ago I was in the MET, for La Bohème. I myself once sang both Mimi and Musetta and now for the first time I could follow what the others had to say”.

Marilyn Horne sings Musetta in 1962:

She laughs and starts coughing. She didn’t catch a cold, did she?
“A little bit. But I do take care of myself. And in a moment I get in a cab and drive to the pool, because I’m addicted to aquarobics”.

Will she ever come to the Netherlands again?
“I’d love to, because it’s been so long! I don’t even remember when it was last! But you have to be asked for that first, don’t you?”

Marilyn Horne sings ‘Somewhere’ from Bernstein’s West Side Story:

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Rolando Villazon: herinneringen aan een grote belofte

Villazon-DW-Kultur-Erfurt-jpg

© dpa/DPA/Martin Schutt

Niemand was zo gek op hem zoals ik, toen ik hem voor het eerst hoorde. Zijn Don Carlo bij De Nationale Opera in Amsterdam in 2004 was van een ‘WOW!’ gehalte. Niet minder. Ik heb hem twee keer geïnterviewd en beide keren was ik onder de indruk van zijn intelligentie en gezond verstand. Helaas. Lang heeft het niet geduurd. De oorzaak? Te veel, te zwaar, te snel? ER werd gefluisterd over problemen in de ‘privésfeer’. Hij moest onder het mes, had een bobbel op zijn stembanden. Een paar keer had hij keer carrièrestop. Hij zingt nog steeds, hoor, maar ik kan het maar niet (meer) mooi vinden.

Deze interview is gemaakt tijdens de Don Carlo- repetities in juni 2004

Villazon carlo

©foto Hans van den Bogaard

Dat Rolando Villazon een echte ontdekking was wist ik al uit de juichende persberichten. In de operatijdschriften was zelfs sprake van een ‘tweede Domingo’ wat een zeer kritische vriend uit Londen die hem in Les Contes d’Hoffmann had gehoord bevestigde. Ikzelf was zeer enthousiast over zijn eerste cd met Italiaanse opera-aria’s (Erato 5456262), vandaar dat ik het een eer vond om hem te kunnen ontmoeten, nog voor zijn Amsterdams debuut als Don Carlo.

Villazon Erato


Ik mocht de tenor spreken als eerste van een ware stoet aan interviewers, een weelde. Ook, omdat ik nog een staartje van de repetitie mocht meemaken. Nu moet u weten dat ik al heel wat gewend ben en het een en ander op operagebied heb meegemaakt, maar dit was een ware sensatie. Ik werd er sprakeloos van, gelukkig bleek Villazon een begenadigd verteller.

Rolando Villazón (Don Carlo) Dwayne Croft (Rodrigo) in Amsterdam:

Het is heet die avond, maar daar heeft hij geen last van en nog voordat het bestelde water is gearriveerd, vertelt hij dat hij in Parijs woont, met zijn vrouw Lucia die psychoanalytica is (“nee, ze oefent niet op mij, ha, ha, ha”), en zijn twee zoontjes: Dario en Matteo.

Hoe voelt het om een ster te zijn? Verwachtte hij het succes dat hem ten deel viel?
“Verwachten..  nou nee, je verwacht het niet, al hoop je dat het gaat gebeuren. Mijn vrouw vroeg me onlangs nog hoe ik me voel met al die aandacht die ik opeens krijg. En ik zei: het voelt als vliegen. Het is van ‘o wow’ maar tegelijk ook duizelingwekkend. En ik ben bang om tijdens de vlucht te vallen en mijn missie als een operazanger, een kunstenaar niet te kunnen volmaken. En toen zei ze: wees niet bang, ik ben hier en als je valt, ga ik je vangen”.

Zijn stem werd ontdekt toen hij 18 jaar oud was, maar hij twijfelde, hij wou nog zoveel doen in zijn leven. Psychologie studeren, bijvoorbeeld. Of een priester worden. Hij was nog jong en het leven was zo verwarrend. Hij voelde zich net als Stephen Dedalus uit ‘Een portret van een kunstenaar als jongeman’, die dacht dat hij een jezuïet wilde worden, terwijl hij alleen maar wilde schrijven. En Villazon wilde zingen, daar hield hij het meeste van.

Op zijn twaalfde al sloot hij zich in zijn kamer op en zong: Mexicaanse liedjes, musicals. En toen hij Perhaps love kocht, een LP met duetten die Domingo met John Denver had ingezongen, was het raak. Hij kocht alle platen van Domingo, met cross-overs, dat wel, want toen wist hij nog niets van de opera af. Domingo was zijn idool en leermeester. Inmiddels zijn ze goede vrienden geworden en het is voor hem een grote eer dat Domingo zijn carrière nauwlettend volgt.

“Toen ik in Berlijn was voor L’elisir d’amore stond Domingo in Pique Dame. Ik ging naar elke repetitie van hem, een betere leerschool bestaat niet. Zijn intensiteit en zijn betrokkenheid, zijn alles eigenlijk: daar leer ik van. Ik ben ook speciaal naar Washington gevlogen om zijn repetities van Le Cid bij te wonen”.

Denkt hij dat zijn carrière zich in dezelfde richting als die van Domingo zal ontwikkelen?
“Vooralsnog niet. Domingo is een legende en ik ben ik. Ik hou ervan om risico’s te nemen, vandaar die Hoffmann, Carlos, en binnenkort mijn eerste Don José. Maar daarna zing ik alleen maar lyrische rollen. Het is voor mij te vroeg om in dramatische rollen te stappen”.

Villazon cd

In 2007 had Villazon zijn eerste solorecital voor DG opgenomen. Hij heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt. Voor zijn cd-debuut koos hij aria’s van opera’s die hij nog nooit had gezongen en die hij vrij zeker ook nooit gaat zingen. Niet alleen omdat ze te zwaar zijn voor hem maar ook omdat ze zelden nog opgevoerd worden, de meeste althans. En daar schuilt ook de grootste waarde van deze cd, want zeg maar zelf: heeft u ooit van Maristella van Pietri gehoord?

Cielo e mar
Aria’s van Ponchielli, Cilea, Mercadante, Boito, Pietri, Gomes, Verdi en Donizetti
Orchestra Sinfonica di Milano Giuseppe Verdi olv Daniele Callegari
DG 4777593


Karol Rathaus herontdekt

IDENTITEIT

RathausJune041byPiano-1

Karol Rathaus, circa 1952 (from Rathaus’ family archive)

Zijn fascinerende muziek in zijn geheel vond weinig weerklank. Hij voelde zich miskend, was eigenlijk nergens thuis en ook in het landschap van muzikale stijlen raakte hij tussen wal en schip. Nu zijn pianowerken van Rathaus voor het eerst op cd verschenen

Rathaus cd

Wat weten we van Karol Rathaus (1895–1954)? Hij werd geboren in 1895 in Ternopol, een stad dat nu in West Oekraïne ligt maar toen een onderdeel was van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Bij hem thuis werd er Pools gesproken, maar zijn opleiding volgde hij in het Duits, een taal die hij beter beheerste dan de ‘native speakers’. Hij studeerde in Wenen, emigreerde in 1926 naar Berlijn, in 1932 naar Frankrijk en daarvandaan naar de Verenigde Staten. Geen wonder dat zijn eerste biograaf zich openlijk afvroeg of Karol Rathaus, een Poolse, Oostenrijkse of Amerikaanse componist was. Hij baseerde zich niet alleen op zijn levensloop maar ook op de brieven die Rathaus schreef aan zijn vrienden, waarin hij vertelde dat hij het moeilijk vond zich aan zijn nieuwe landen aan te passen en vaak in een identiteitscrisis belandde. Zijn composities werden amper opgevoerd, iets waar hij zeer verbitterd over was.

Rathaus

In 1950 schreef Rathaus aan dirigent Jascha Horestein: “Mijn probleem is dat van de genegeerde, eigengereide componist. Mijn naam is bekend, maar niemand voert mijn werken uit. Ik heb geen ambassades, geen consulaten die achter me staan, geen propagandamachine en in het land waar ik heel gelukkig leef, word ik beschouwd als een buitenlander. “

Jascha Horenstein dirigeert Rathaus. Deel 1:

Vierde deel:

ENTARTETE MUSIK

Dat Rathaus zo in vergetelheid is geraakt is niet alleen de schuld van de Nazi’s. Michael Haas, de voormalige producent van de ‘Entartete Musik’-serie van Decca, één van de eersten die een cd met werken van Rathaus heeft opgenomen, met o.a. zijn ballet Der Letzte Pierrot, had hiervoor een duidelijke verklaring: “De jonge generatie componisten bleef na de oorlog met schuldgevoelens zitten. Het mocht nooit meer gebeuren, dus hebben zij daar een remedie voor gevonden. Er moest gewerkt worden aan het bouwen van objectieve muziek, gespeend van ieder sentiment en onderworpen aan strenge regels. Muziek moest universeel worden. Het serialisme werd geboren. In Darmstadt werd afgerekend met het verleden, dus ook met componisten uit de jaren dertig”.

Dance from Uriel Acosta  from 1930, played by Orquesta Filarmonica Cuidad de Mexico conducted by Jascha Horenstein (live, Mexico City, 28 March 1951). The orchestra on this recording included Sally van den Berg (oboe) and Louis Salomons (bassoon), who played in the Concertgebouw before the war:

LIFE CHANGING EXPERIENCE

Rathaus Wnukowski

Daniel Wnukowski, photo by Claudia Zadory

Het is door Michael Haas dat de jonge Canadese pianist Daniel Wnukowski in aanraking kwam met de muziek van ‘Entartete componisten’ (Haas spreekt liever van ‘Forbidden composers’). Hoe het allemaal begon?

Wnukowski: “Haas bracht mij in contact met een zeer bijzondere man, de componist Walter Arlen. Arlen was op zoek naar een pianist die voor hem zijn piano- vocale en kamermuziekwerken kon opnemen. Het eerste deel van zijn project nam hij op met de Oostenrijkse pianist Danny Driver, die wegens andere verplichtingen niet meer beschikbaar was. In oktober namen we de cd op en ik kan alleen maar zeggen dat de ontmoeting met die fascinerende man voor mij een ‘levens veranderende ervaring’ was.”

Wnukowski speelt ‘Der Letzte Pierrot’:

“Ik ben Joods. Mijn familie van zowel mijn moeders als vaderskant komt oorspronkelijk uit Lublin (Polen). Het is de ouders van mijn vader gelukt om in 1945 naar Canada te vluchten. Tot hun negentigste wilden ze nooit over hun oorlogservaringen spreken, zij wilden mijn vader een ‘normale’ Noord-Amerikaanse opvoeding geven. Mijn andere grootouders bleven na de oorlog in Polen waar ze hun Joodse identiteit krampachtig verzwegen. Het was een taboe. Tot 1968, toen als gevolg van een antisemitische campagne de meeste nog in Polen levende Joden gedwongen werden om het land te verlaten. Mijn moeder was toen 17. Mijn Joodse identiteit speelt een grote rol in mijn leven. Het is een drijvende kracht achter mijn loopbaan van een concertpianist en ik doe mijn best om de verhalen over de overlevenden van de Holocaust levend te houden. “

Voor zo ver ik weet is deze cd de allereerste opname van pianowerken van Rathaus. Al deze composities werden geschreven tussen 1924 en 1931. Behalve de Fünf Klavierstücke, de tweede pianosonate en drie Mazurka’s staan er ook – door de componist zelf voor de piano gearrangeerde – twee fragmenten uit het ballet Der Letzte Pierrot en drie stukken uit de filmmuziek uit Der Mörder Dimitri Karamasoff. Het zijn fascinerende werken met zeer geprononceerde ritmes. Harmonisch, maar wel met nodige dissonanten. Oneerbiedig gezegd: Bartók meets Szymanowski. Nee, Rathaus is noch Pools, noch Oostenrijks, noch Amerikaans. Zijn muziek is uniek, anders, gewoon… Rathaus.


Karol Rathaus
5 Klavierstücke. Piano Sonata No. 2. 3 Mazurkas. 3 Stücke aus dem ballet “Der letzte Pierrot.” 3 Excerpts from the Film Music for “The Murderer Dimitri Karamazov”
Daniel Wnukowski, piano
Toccata Classics TOCC 0451

in English:

Discovering Karol Rathaus

In gesprek met Marilyn Horne

Horne

Het is zo simpel: je draait een telefoonnummer. Er wordt opgenomen en een donkere, warme, lieve stem zegt: “hallo, met Marilyn”. En weg zijn de zenuwen. We praten veel langer dan het toegestane half uur. En er wordt veel gelachen.

Op 16 januari 2003 werd zij zeventig en tegelijkertijd vierde ze haar officiële debuut, vijftig jaar geleden. Om het te vieren kwam er een cd uit, die zij zelf heeft samengesteld. “Had je het al gehoord?” vraagt ze. “Want ik ben er best trots op. Er staan zowel studio als live opnamen op. Allemaal zelf gekozen”.

Horne cd 70

“Zeventig, mijn god, waar is de tijd gebleven? Mijn debuut in de opera maakte ik toen ik twintig jaar oud was, maar ik heb mijn hele leven gezongen. En in feite debuteerde ik toen ik twee jaar oud was, dus ik zing al bijna 70 jaar. Mijn vader was een semiprofessionele zanger, een tenor met een prachtige stem. Hij was mijn eerste leraar, mijn mentor. Ik begon met de zanglessen toen ik 5 jaar oud was, iets, wat ik overigens niemand zal aanbevelen. Te vroeg.”

Toen ze twintig was stierf haar vader. En zij vertrok naar Europa. Was er enig verband?

“Puur toeval. Mijn Europese plannen stonden al een tijd vast. Hij kreeg een acute vorm van leukemie, en in die tijd stierf je er snel aan. Zondag kreeg hij de diagnose en woensdag was hij al dood. Maar ja, ik was al onderweg naar Europa. Met een Nederlands schip overigens, dat ‘Maasdam’ heette”.

HorneNorma

Marylin Horne is als sopraan begonnen om daarna één van de grootste mezzo’s uit de geschiedenis te worden.
“Jonge meisjes hebben geen lage noten, en ik was een jong meisje. Toen ik ouder werd, werd me steeds vaker gevraagd of ik er zeker van ben, dat ik een sopraan ben, Nou, daar was ik dus zeker van. In de opera van Gelsenkirchen zong ik zware sopraanrollen, zoals Minnie in La Fanciulla del West. En Marie in Wozzeck, een rol die mij roem en geluk heeft gebracht. Ik zong het in de Covent Garden, en daarna in Los Angeles. Gelukkig bestaan er piratenopnamen van en zo kan ik er weer naar luisteren. Ik ben de ‘piraten’ dus bijzonder dankbaar want zelf nam ik mijn optredens nooit op. En het is live en als je een operazanger bent dan doe je de opera live, op de bühne.”

Marilyn Horne zingt Marie in Wozzeck in een piratenopname uit1966:

Haar repertoire is immens: van Gesualdo tot de modernen, opera, liederen, musicals.
“En film” voegt ze eraan toe. “In feite zong ik alles wat mogelijk was. Ik was een soort kameleon, was in staat de benodigde kleuren te veranderen. Nu ik terugkijk naar mijn carrière vraag ik me af: waarom was ik zo gehaast? Dat raad ik mijn studenten absoluut af.”

Meer goede adviezen?
“Werk aan je techniek, dat is het allerbelangrijkste”.

Had ze een voorbeeld? Een idool?
“In mijn kinderjaren Lily Pons. En dan voornamelijk in haar aria uit Lakmé. En in mijn puberteit Renata Tebaldi. Nog steeds trouwens.”

Heeft ze een verklaring voor de immense populariteit van de opera in de laatste jaren?
“Ja zeker! De boventitels!”

De boventitels?
“Absoluut! Luister, een paar dagen geleden was ik in de MET, naar La Bohéme. Zelf heb ik ooit zowel Mimi als Musetta gezongen en nu kon ik voor het eerst volgen wat de anderen te zeggen hadden”.

Marilyn Horne zingt Musetta in 1962:

Ze lacht en begin te hoesten. Ze is toch niet verkouden geworden?
“Een beetje wel. Maar ik let wel goed op mezelf. En zo meteen stap ik in de taxi en rijd naar het zwembad, want ik ben verslaafd aan aquarobics”.

Komt ze ooit nog naar Nederland?
“Zou ik best willen, want het is al zolang geleden! Ik weet niet eens meer wanneer het voor het laatst was! Maar ja, daar moet je eerst voor gevraagd worden, nietwaar?”

Marilyn Horne zingt ‘Somewhere’ uit Bernsteins West Side Story

Piotr Beczala: thuis ben ik inmiddels overal

Beczala Halka

Na een zorgvuldig opgebouwde carrière van meer dan 25 jaar bij kleinere operahuizen staat Piotr Beczala inmiddels al vele jaren aan de absolute top. Een vijf jaar oud gesprek met de Poolse tenor, over nee zeggen, zijn liefde voor operette en over eigenlijk van alles

Beczala Das-Land-des-Lächelns-foto-T-T-Fotografie-Toni-Suter-1

Piotr Beczala in Das Land des Lächelns. (© T + T Fotografie / Toni Suter)

Het is niet zo dat de tenoren (en niet alleen de tenoren!) plotseling uit de hemel vallen, al lijkt het er soms wel op. Een stem moet groeien, rijpen, ervaring opdoen, repertoire opbouwen. Slowly, slowly… alleen dan kom je er. En – nog belangrijker – je blijft er.

Niemand die daar beter van doordrongen is dan Piotr Beczala. “Je moet geduld hebben, dingen niet overhaasten en geen rollen aannemen die niet bij je passen”, zegt hij. “Vroeger was ik een notoire ‘nee-zegger’. Het is bijna niet te geloven wat voor rollen mij wel eens werden aangeboden, rollen die ik absoluut niet kon zingen, zeker toen niet. Maar ik stond stevig in mijn schoenen. Ik wilde geen eendagsvlieg zijn.”

“Nu, na een jarenlange carrière, kan en ken ik veel meer. Mijn stem heeft zich ontwikkeld en is groter en donkerder geworden, mijn techniek is solide en mijn zekerheid is gegroeid, waardoor ik mij nu veel meer op het acteren kan concentreren. De meeste rollen die mij nu aangeboden worden, kan ik zingen, dus steeds minder vaak hoef ik nee te zeggen. Casting directors en intendanten weten heel goed wat ik wel of niet zal aannemen, zodoende krijg ik ook steeds minder krankzinnige voorstellen. En mochten ze er toch mee aankomen, dan zeg ik gewoon weer nee.”

Tauber

Beczala-Tauber

Beczała was lange tijd een ‘geheimtip’. Zijn professionele carrière begon in 1997 in Linz, maar echt ontdekt werd hij in Zürich, het operahuis dat blijkbaar een goede neus heeft voor tenoren (ook Jonas Kaufmann en Pavol Breslik komen daar vandaan).

Voordat hij zijn debuut maakte in de grootste en belangrijkste operahuizen ter wereld, zong hij ook in Amsterdam. Drie keer maar liefst: in Król Roger van Szymanowski, Jevgeni Onjegin van Tsjaikovski en La Bohème van Puccini.

Hieronder zingt Beczala aria van Pasterz uit Król Roger. Het geluid komt uit de Naxos opname olv Jacek Kaspszyk, de beelden zijn uit Amsterdam , oktober 2000

Beczala heeft een wat vooroorlogse look en beschikt over een meer dan gewoon acteertalent, wat tegenwoordig niet onbelangrijk is. Toch bleven de contracten met platenfirma’s uit, wat misschien ook wel goed voor hem was. Zo kon hij zich zonder lawaaierige reclamecampagnes ontwikkelen tot wat hij is geworden: één van de beste lyrische tenors ter wereld. Ook Deutsche Grammophon kon niet langer meer om hem heen en Beczala tekende in het najaar van 2012 een exclusief contract bij de firma.

Beczala-Stefanie-Starz

Beczala bij de ondertekening van zijn contract met Deutsche Grammophon (foto: Stefanie Starz)

Beczala’s ietwat ouderwetse timbre doet denken aan een Wunderlich, Gedda of zelfs Kiepura. Wat hij verder met die voorgangers gemeen heeft, is zijn voorliefde voor operette, een genre dat hij een warm hart toedraagt en dat hij vaak en graag zingt.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat zijn eerste solorecital bij DG, Mein ganzes Herz, een operetteprogramma bevat

“Van DG kreeg ik groen licht voor mijn eigen keuze van het orkest en de dirigent. Ik dacht onmiddellijk aan de jonge Poolse dirigent Łukasz Borowicz, met wie ik eerder een cd met Slavische opera-aria’s heb opgenomen (Orfeo C814 101). Ook wat het orkest betreft stond mijn keuze meteen vast: het moest het Royal Philharmonic zijn!”

“Het programma is simpel: operette! Van Lehár en Kalmán tot Robert Stoltz en Carl Bohm. Er wordt ook moderne technologie toegepast, dus behalve echte gasten van nu, zoals Anna Netrebko, Avi Avital en de Berlin Comedian Harmonists, komt ook Richard Tauber zelf langs. Met hem ga ik een duet zingen! Als dat niet bijzonder is…”

Lohengrin

Beczala Lohengrin

Beczala wil niet de geschiedenis ingaan als de operettezanger. “Ik houd van operette, maar ik ben een operazanger en ik wil ook meer doen met de liederen. Voorlopig ben ik dat aan het aftasten.

Hieronder zingt Piotr Beczala ‘Daleko zostal caly swiat’ van Karol Szymanowski:

Met Christian Thielemann heb ik liederen van Strauss gezongen en in Santa Monica heb ik een recital gegeven met onder anderen Schumann en Karłowicz, een ongebruikelijke maar mooie en logische combinatie.”

Piotr Beczala en Helmut Deutsch in ‘Pamietam ciche, jasne, zlote dnie’ van Mieczyslaw Karlowicz:

“Het is nu ook de tijd om mijn repertoire te gaan uitbreiden. Tegen 2015 ga ik zwaardere rollen uitproberen.

Hieronder: trailer van Lohengrin uit Dresden, met Anna Netrebko, Piotr Beczala & Christian Thielemann

En hier ‘E lucevan le stelle’ (Tosca) – encore in de Wienner Staatsoper 10.02.2019

Dirigenten

Piotr Beczala & Nello Santi: Un ballo di Maschera in Opernhaus Zürich

Met welke maestro’s Beczala, naast Thielemann en Borowicz, nog meer graag samenwerkt? “De allerbeste is voor mij Nello Santi. Absoluut. Maar ik houd ook van Marco Armiliato. Of dat komt doordat zijn broer een operazanger is? Het kan. Maar of het echt zo is…”

Er zijn ook dirigenten waar Beczala minder blij van wordt. “Ik wil niet meer werken met dirigenten die geen respect hebben voor zangers en niet weten hoe ze met zangers moeten omgaan. Ik noem geen namen, maar de meesten komen uit de oude muziek. Wat absoluut niet betekent dat álle oudemuziekdirigenten niet deugen.”

Wat zijn ervaring is met zangers die zijn gaan dirigeren, zoals Plácido Domingo? “Domingo heeft het euvel dat hij in het heden leeft, in de tegenwoordige tijd. Hoe zal ik dat uitleggen… Beschouw het verschil tussen een ‘zangerdirigent’ en een ‘gewone’ dirigent als het verschil tussen een pianist en een organist. Een pianist denkt aan de klank die nu klinkt, een organist denkt vooruit, aan de resonans van de klank die komen gaat.”

 

REGISSEURS (en zijn beroemd ‘zwartboekje’)

beczala boheme

Beczala als Rodolfo in Dalzburg

“Ik heb helemaal niets tegen updaten, als het maar herkenbaar wordt. Ik ben dan ook niet tegen modern, maar wel tegen dom, tegen idioot, tegen vergezocht! Ik heb inderdaad een ‘zwartboekje’ met de namen van regisseurs met wie ik nooit (meer) samen wil werken.”

“Ik heb het geluk dat ik dingen kan aannemen of weigeren, maar veel van mijn (beginnende) collega’s hebben het privilege niet. Soms denken ze dat als ze in een spraakmakende productie staan ze het dan gaan maken, maar zo werkt dat niet. In ons beroep moet je het van de muzikaliteit en de toewijding hebben. De regisseurs denken vaak dat ze God zijn, maar dat zijn ze niet, je moet je je niet aan hen overleveren maar aan de genius van de componisten.”

“Welke regisseur ik het meeste bewonder? Franco Zefirelli, zonder meer. Zefirelli is meer dan een regisseur, hij is een monument, je kan hem inmiddels als ons cultureel erfgoed beschouwen. Zijn producties waren (en zijn nog steeds!) immer fantastisch, ze moeten gekoesterd worden. Het was voor mij een feest om met hem te werken, het geeft een mens achter de zanger immens veel plezier.

Ik heb ook een bijzonder zwak en veel bewondering voor Guy Joosten. Zijn Romeo et Juliette in de Newyorkse Metropolitan was werkelijk prachtig, daar hebben wij, de zangers ook enorm van genoten.

THUIS

Beczala-Met

Als je zo veel reist en in zo veel verschillende steden verblijft, heb je dan nog het gevoel dat je ergens ‘thuis’ bent? “Thuis zijn wij inmiddels overal”, lacht Beczala. “Al houdt Kasia, mijn vrouw, het meeste van New York.”

“Ons echte thuis is in Kraków, in Polen, maar daar zijn we niet vaker dan twee weken per jaar. Gelukkig heb ik nu appartementen in steden waar ik het meeste optreed: Wenen, Zürich en New York. Dat is fijn en vertrouwd. Eigen bed, eigen toilet en eigen wijn: het helpt!

Op mijn: “kunnen wij je ook in Amsterdam verwachten” komt een diepe zucht. Maar dan komt er toch een antwoord: “Wie weet? Ik zou best graag in de ZaterdagMatinee willen optreden”.

Met dank aan Jenny Dorolores