interviews

Annemarie Kremer: beroemdheid in het buitenland


buttrefly-kremer

In het najaar 2012 heeft de productie van Norma van Bellini door het Opera North in Leeds de Theatre Award voor ‘Achievement in Opera’ gewonnen. De hoofdrol in de alom geprezen productie van Christopher Alden werd gezongen door de Nederlandse sopraan, Annemarie Kremer. Gelijktijdig werd ze voor haar Norma-vertolking genomineerd voor de Opera-Oscar in Londen en voor ”Sängerin des Jahres’ in Opernwelt. Haar geweldige prestatie werd op alleen maar jubelende kritieken onthaald.

Georg Hall schreef in The Guardian: “Her ample, wide-ranging voice keeps faith with Bellini’s notes, maintaining dramatic intensity via seriousness of artistic purpose and commitment.”

Anthony Lias in ‘Opera Brittania’ ging nog een stapje verder en vroeg zich af : “Where has this Dutch soprano been hiding, why haven’t we heard of her before? Om zich daarna het meest voor de hand liggende antwoord te geven: “Well, presumably she’s been in the Netherlands honing her considerable talent”.

Wat Anthony Lias niet wist is dat er, behalve Opera Zuid, geen ander Nederlands operagezelschap iets voor Kremer heeft weten te betekenen. Maar in september 2015 was zij even in Nederland terug: bij de jarige Nederlandse Reisopera trad zij op in één van haar glansrollen: Cio Cio San in Madama Butterfly van Puccini.


Er was al een lange tijd sprake van dat ik iets bij de Reisopera ging doen. Eerst werd er van Manon Lescaut gesproken, maar dat kwam niet van de grond. Oorspronkelijk werd Billy Budd gepland, maar door omstandigheden kon het niet doorgaan. En ik had ook net een gecancelde productie en dus vrij …

”Ik kan je niet vertellen hoe blij ik ben om hier weer eens te mogen zingen. Het is werkelijk fantastisch dat al mijn vrienden, kennissen en familieleden die mij niet eerder hebben kunnen horen – niet iedereen kan zo makkelijk naar het buitenland – nu hun schade kunnen inhalen. Daar ben ik oprecht blij mee.”

De eerste keer dat wij elkaar spreken had zij net een paar dagen vrij die zij in haar huis in Zuid-Frankrijk doorbracht, in een dorpje van iets meer dan 5 km² in de Midi-Pyrenée die maar 142 inwoners telt.

”Wij wonen niet in het dorp maar erbuiten, op een berg en de dichtstbijzijnde buren wonen een paar kilometer verderop. Wij hebben 15 hectare eigen grond en ons huis is omringd door een glooiend landschap met bossen en weiden. En het licht is hier zo ontzettend mooi! Een echte idylle. Het is inmiddels 14 jaar geleden dat wij hier kwamen en er onmiddellijk op verliefd werden. Ik voel mij hier heel gelukkig, maar ik ben ook een meisje van het land.”

Kan je mij iets over de productie van Buttrefly vertellen?

” Verwacht geen Japanse folklore: de omgeving is niet echt als zodanig te herkennen. In de kostuums komt het Japanse een beetje terug, maar zonder de geijkte parasolletjes en waaiers. De ontwerpster heeft zich in de Japanse kledingtraditie verdiept: zo heeft zij ontdekt dat er ooit een gewoonte bestond om je in een soort matten te omwikkelen en zo je tegen regen, wind en zon te beschermen. Het moet nog uitgewerkt worden, want ik moet mij er natuurlijk in kunnen bewegen, kunnen knielen en gebaren maken. Vooralsnog heb ik alleen plaatjes van de ontwerpen gezien, maar ik was er zeer onder de indruk.”

Allemaal hebben we een goede tijd met Laurence Dale, onze regisseur. Hij staat personenregie voor en dat willen wij als cast ook graag. En ik heb alle vertrouwen in hem en onze cast.”

Mijn Pinkerton, Eric Fennell is bijna het prototype van een Pinkerton. Hij is Amerikaans en hij ziet er goed uit, daar kan je als jong meisje zeer zeker verliefd op worden. Ook de rol van Suzuki is perfect bezet. Zij wordt gezongen door Qiu Lin Zhang, een Chinese sopraan met een zeer grote stem. Zij is wat ouder waardoor het geloofwaardig wordt dat ze niet alleen mijn vertrouwelinge is, maar ook mijn beschermer. En onze stemmen klinken prachtig samen, een ware symbiose!

” Butterfly is een rol die zeer dicht bij mij staat. Ik heb haar zo vaak gezongen dat je gerust kunt stellen dat ik mij haar volledig eigen heb gemaakt. Zij is een zeer sterk persoon met een enorm vermogen tot liefhebben. Zij blijft altijd overeind, ongeacht de productie. Haar maak je niet kapot. Hoe vaak je de rol ook zingt: de emoties blijven vanzelf ontstaan. Je moet het wel doseren want met je keel vol tranen kan je niet zingen. Een regisseur zei ooit tegen mij: je moet tegen de emoties vechten en dat gevecht mag je wel laten zien, maar het is het publiek dat uiteindelijk ontroerd moet raken en huilen, niet jij.”

Trailer van de productie:

Annemarie Kremer staat bekend om haar vertolkingen van veristische rollen. Heeft zij daar een speciale binding mee

“Ik benader een operapersonage niet vanuit het belcanto of verismo maar gewoon als mens. Al mijn rollen speel ik op een zeer persoonlijke en lijfelijke manier, er moet niets tussen mij en het personage staan. Ik houd ontzettend veel van logica. Iedere rol benader ik minitieus op hoe de emoties verdeeld zijn, dat kunnen vijf verschillende emoties zijn binnen een frase van bij voorbeeld maar twee minuten: nu voel ik dit en daarna dat. Als je de emoties na elkaar speelt worden ze duidelijker voor het publiek, ipv een brei van emoties. 

Dat had ik sterk met Norma bij Opera North. Ik had de opera al eerder heb gezongen waardoor de rol al goed in mijn strot zat en dus hoefde ik nu niet alleen, bij wijze van spreken, op de coloraturen te letten, nu kon ik het me permitteren mij nog véél méér op het acteren concentreren. Ik had het geluk gehad dat ik met Christopher Alden kon werken, een waarlijk geweldige regisseur. Aan Norma heb ik mijn mooiste herinneringen overgehouden en je kan stellen dat Opera North mijn geliefde operahuis is. Ze zijn net een familie, je wordt aan alle kanten ondersteund. Ik verheug mij dan ook enorm op een weerzien: binnenkort ga ik er Maddalena in Andrea Chènier zingen.”

“Communicatie tussen regisseur en zanger vind ik cruciaal. Ik kan heel makkelijk en meegaand zijn als ik een regisseur vertrouw, maar stel ook wel duidelijke grenzen. Trouw aan de partituur en het libretto en de logica zijn voor mij een vereiste. Bovendien weiger ikhet (expliciete) geweld, zeker als het niet noodzakelijk is. Het is al erg genoeg dat het gebeurt, je hoeft het niet nog eens op het toneel laten zien!”

Haar roldebuut in de titelrol van Salome van Richard Strauss in 2011 in de Volksoper van Wenen, een rol die zij daarna herhaaldelijk zong (en nog steeds zingt) overal in de wereld werd een ware sensatie. GB Opera.it Magazine: “Ovation for the beautiful, talented and sensual Annemarie Kremer. Singled out by critics as the young new Dutch diva. La Kremer immediately shows absolute mastery of the scene and the musical score.”

Wat heb je met Strauss?

“Al snel kwam ik erachter dat Richard Strauss helemaal mijn componist is, zo invoelend en organisch als hij voor de stem heeft gecomponeerd. Dat was al zo toen ik vroeger zijn liederen zong en nu had ik het gevoel alsof hij Salome speciaal voor mij heeft geschreven!”

Wat zijn haar toekomstplannen? Wagner wellicht?

“Isolde is mij al een paar keer aangeboden en die wil ik ook graag doen, maar zeer zeker nog niet nu, daar wil ik nog een paar jaar mee wachten. In oktober ga ik wel Senta in ‘Der Fliegende Holländer’ zingen, in Rio de Janeiro. Het betreft een educatief project waar kinderen uit achterstandswijken bij betrokken zullen zijn.”

In January 2020 was het zo ver:


” In mei 2013 wacht mij een enorme uitdaging: ik zing Ursula in ‘Mathis der Maler’ van Hindemith aan de Semper Oper in Dresden.”

[

En in het seizoen 2016/17 zing ik in Buenos Aires Marie/Mariette in Korngold’s ‘Die Tote Stadt’

Opname uit 2017 in Wenen:

“Eén van mijn eerste bewuste, diep emotionele, muzikale ervaringen beleefde ik op mijn negende. Ik was toen met mijn moeder in Zelazowa Wola, het geboortedorp van Frédéric Chopin en mocht daar op een stralende zondagmorgen genieten van de mooiste nocturnes, walsen en sonates live gespeeld door de open tuindeuren van zijn geboortehuis. Het was alsof hij ons persoonlijk door de tijd heen toespeelde, die passie, die melancholie, maar ook die levensvreugde ik was compleet gegrepen! Meteen na thuiskomst mocht ik pianolessen nemen en studeerde in de jaren daarna vlijtig met de bedoeling om er mijn beroep van te maken en net zo te kunnen spelen.

Het is iets anders gelopen, want toen ik, als 17 jarige mijn natuurlijke opera-stemgeluid ontdekte was het ineens overduidelijk dat ik juist daarin al mijn passie, melancholie en levensvreugde kwijt zou kunnen en ik met de piano vooral een heel solide basis had gelegd voor mijn verdere muzikale leven. Jammer dat Chopin, die naast van de piano vooral van de sopraanstem hield, zich nooit geroepen heeft gevoeld een opera te componeren, ik had graag één van zijn heldinnen gezongen!

“Eén van mijn eerste bewuste, diep emotionele, muzikale ervaringen beleefde ik op mijn negende. Ik was toen met mijn moeder in Zelazowa Wola, het geboortedorp van Frédéric Chopin en mocht daar op een stralende zondagmorgen genieten van de mooiste nocturnes, walsen en sonates live gespeeld door de open tuindeuren van zijn geboortehuis. Het was alsof hij ons persoonlijk door de tijd heen toespeelde, die passie, die melancholie, maar ook die levensvreugde ik was compleet gegrepen! Meteen na thuiskomst mocht ik pianolessen nemen en studeerde in de jaren daarna vlijtig met de bedoeling om er mijn beroep van te maken en net zo te kunnen spelen.

Het is iets anders gelopen, want toen ik, als 17 jarige mijn natuurlijke opera-stemgeluid ontdekte was het ineens overduidelijk dat ik juist daarin al mijn passie, melancholie en levensvreugde kwijt zou kunnen en ik met de piano vooral een heel solide basis had gelegd voor mijn verdere muzikale leven. Jammer dat Chopin, die naast van de piano vooral van de sopraanstem hield, zich nooit geroepen heeft gevoeld een opera te componeren, ik had graag één van zijn heldinnen gezongen!”



Angela Gheorghiu: “I am a star. Always have been”

© Cosmin Gogu).

In 2004, I wrote an article about Angela Gheorghiu.  “I am a star. Always have been” she once said during an interview. And that was true, because back then she had everything that makes a contemporary opera singer a star. Young, slim and beautiful, with a more than average acting talent and, not unimportant in this profession, she could sing exceptionally well. Her voice, with its fast vibrato, could be placed somewhere between Cotrubas and Olivero, although it lacked the intensity of the latter. She was a real diva and she behaved like one.The literal translation of the word diva is ‘goddess’. Does she like being a diva?

© Jean-Marie Périer/Photo12


“Someone once called me that, and I do like it. It has everything to do with appearance, and besides, as a singer I cannot be a ‘normal person’. Without divas, music and theatre would not have got very far. People need divas, otherwise we would all be alike, like the communists, the very idea!”

Gheorghiu was born in Romania, a country from which more great singers have come. The aforementioned Cotrubas, for example, with whom she may very well be compared. Both singers have a similar ‘white lyricism’ and a slight mannerism in how they sing the words forward. Their roles also are more or less the same, although Cotrubas had never ventured to a Tosca or a Carmen, not even in the studio. Once Cotrubas was the best Adina (L’Elisir d’amore), Mimi (La Bohème) and Violetta (La Traviata) of her time and in all these roles, Gheorghiu was the uncrowned queen at the end of the nineties. She became world-famous thanks to her performance of Violetta at Covent Garden under Georg Solti. The performance was broadcast live on television by the BBC, which even turned its broadcasting schedule upside down for it.



It seems that she had once suffered from hunger, when she still lived in Romania. And that she had been heavily guarded during her first performance (with a choir, that is, but as a soloist) in Vienna, so that she would not have the chance to flee and seek political asylum. After the fall of communism, she was offered her first contract outside Romania: a television recital in Amsterdam. And she auditioned for Covent Garden. Her first major role there was Mimi in ‘La Bohème’, with Roberto Alagna as Rodolfo. Their love was not limited to the stage and Gheorghiu and Alagna (who had just lost his wife to a brain tumour and was left with a small daughter) got married.

La Bohéme © Phil Cooper


In 1998, she left her former company Decca and signed a contract with EMI, the record label that included Alagna among its exclusive artists. Very convenient, because it enabled her to record not only solo recitals, but also duets and many complete operas together with her husband ( they had now already been married for years). Many of those CDs received the most prestigious awards: Gramophone Award, Diapason d’Or, Deutsche Schalplatten-Preise. And in 2001 she was named the female ‘Artist of the Year’ at the Classical Brit Awards.



.
Gheorghiu is an easy prey for the  paparazzi in the world of opera. It seems that she has a make-up artist come to her for the photo shoots. And then she has someone to iron her clothes.
“But isn’t that professionalism? No one thinks it’s strange if models and actresses have a limousine and a make-up artist. Do I have to take the Underground in all weathers with my dresses? Has anyone ever seen Catherine Zeta-Jones do that?”

© Europost


She is a natural talent, but even a natural talent doesn’t go far without practice, practice, and more practice. She worked very hard on each role, and unlike many of her colleagues, she worked without a coach. And she worked like an actor: first she read and repeated the words, and only then did she start studying the score.

Her big dream at the time was to meet a composer who would write a beautiful role especially for her, she envisaged herself playing Jackie Kennedy, for example. But she remained sceptical, because the world has much changed and, according to her, contemporary composers know little about singers and the art of singing. So for her, no Schönberg, nor Berg.

She prefers to sing in Italian and French, but she does not rule out the possibility of singing of (light) Wagner roles in the future. She is also interested in jazz, for which she considers her voice well-suited. She will gladly add some jazz to her repertoire, although she is not a fan of crossovers.

Her heart still beats in Romanian. In ‘Desert Islands Discs’, the well-known Channel 4 programme on English radio, she once presented her choice of favourite music. Enescu, but also a few Romanian pop and folk songs. And a waltz by Chopin, but played by Dinu Lipatti.

Below, Angela Gheorghiu sings ‘Ciobanas cu trei sute de oí­’ in Amsterdam, 2013. She is accompanied by Het Gelders Orkest olv Ramon Tebar:

Interview with Svetlana Aksenova from 2016

Svetlana-Ignatovich-T-T-Fotografie-Toni-Suter-Tanja-Dorendorf
foto: Toni Suter/Tanja Dorendorf

Eight years ago she made her DNO debut as the girl Fevroniya in Rimsky-Korsakov’s The Legend of the Invisible City of Kitesh. Dmitri Chernyakov’s production won the 2013 International Opera Award for best new production of the year, and Aksenova’s performance was described as sensational. The critics praised her velvety tones and her endurance: in the more than four-hour opera she was on stage almost continuously. Eight years ago, she was still the ‘rising star’, but by now you can safely leave out the ‘rising’ in front of her name.

Marc Albrecht (conductor), Dmitri Tcherniakov (director/sets), Dmitri Tcherniakov/Elena Zaytseva (costumes), Gleb Filshtinsky (lighting design)
Svetlana Aksenova (Fevronja) Foto: Monika Rittershaus

How does she look back on her Amsterdam debut and on the production itself? And what does she think of Fevronija? To me, she (but also Emma and Liza) embodies the Russian soul: melancholic and often depressed and grieving.

“She’s pretty other-worldly, yes, but it’s a fairy tale. Whether I can find something of the proverbial ‘Russian soul’ in her? I don’t really know. The melancholy, the wistfulness, you can find it in her music. But she is also a kind of bright spot in all the sadness.”

“I found the role very challenging. Not only in terms of the notes themselves: the production itself was demanding. It was very heavy, especially physically. I was pregnant with my son at the time, so I had to push myself to the limit. Would I ever want to sing it in the old-fashioned setting? I never really thought about it. I found the Amsterdam production extremely fascinating.”

And Emma?
“Emma is so difficult! To be honest, I’m a bit scared of Emma: she’s so expressive!  Her performance is very short, no more than fifteen minutes, but those fifteen minutes are so terribly intense!”

What do you think: does Andrej (Chovanski) love Emma? After all, he is always looking for her? And: could Emma possibly feel something for him too?
“Are you kidding? Andrej has just killed her parents and then he is raping her! She despises him! Andrej is indeed fascinated by her, but he is obsessive. You can’t call that love, can you? Emma is different too, she is not Russian, she is German. And Lutheran.“

And Marfa? How do you see her? Does she really want to protect Emma? After all, she was Andrej’s mistress and she is still in love with him?
“Interesting question. I haven’t even thought about that. Rehearsals haven’t started yet……”

But what do you yourself think? “Marfa is radical. She’s in the cult…”

But is she in it because she believes in it? Aksenova is silent for a moment.
“Interesting question,” she repeats. “I think I’ll wait and see what the director does with it,
what he will make of it”.

“But: write it down, please: I love Mussorgsky and I have high expectations of the production. It also gives me the opportunity to spend some time together with my husband (the tenor Maksim Aksenov who sings the role of Andrej). We met nine years ago and have been married for five, but it is not often that we can really be together for a while. And: I’m looking forward to seeing the chorus of DNO again. They really are so, so, so fantastic!”

Chovanshchina: trailer – De Nationale Opera | Dutch National Opera:



“And I am really looking forward to Pique Dame. To be able to sing that very role with the Concertgebouw Orchestra and under Maris Jansons… It’s more than a privilege!”

You have sung the role of Liza (Pique Dame) before. Can you compare her to Tatyana
(Onjegin)?
“Liza I find a bit strange. She has an attractive and rich fiancé and yet she is attracted to the unworldly man. What should she do with it?”

 On my question of whether she sees her as a Gothic girl, she has to think for a moment. “Gothic? What do you mean by that? No, not that, but she is definitely strange. I don’t think she’s that pure and innocent. Really not. How else could she sing: in you alone I can confide what is etched into my soul, what I really feel……”

“Liza is so different from Tatyana! Tatyana is strong! She may live in her own fantasy world, but she is courageous! I admire her very much, also because I don’t know if I could have done it. Especially back then, in those days”.

Aksenova as Liza in 2011:


Svetlana Aksenova was born in St. Petersburg. She studied at the Rimsky-Korsakov Conservatory, after which she continued her studies in Italy with Renata Scotto.
“I was an apprentice of hers for three years. I was one of her ‘court pupils’ in her opera studio.
She taught me a lot. The most important thing was how to deal with the score. How you should move. She also always said: perfection does not exist”.

“As a child I always used to dream two different dreams: something for now (ice cream!) and something for later. For when I am big and famous. It was unrealistic maybe, but I was dreaming it anyway. I love coloratura sopranos, so I wished for roles like Lucia. Or Violetta. Sometimes I still envy my colleagues: I would really like to sing these roles, but I realise that they are not really for me.”
“I started out as a mezzo but now I’m a real spinto. Not really dramatic, but certainly not really lyrical and certainly not a coloratura.”

Aksenova as Butterfly in Oslo:


“The only really lyrical role I sang was Micaela in Carmen. It was a production by Calixto Bieito. I was a bit afraid of it, but it turned out to be a hundred per cent better than I expected. The collaboration was good. Then we did Britten’s War Requiem in Basel together and I thought that was fantastic. But then came Otello which was a real disaster. I could not understand the connection between the first, second and third acts. They were like three different characters… “

Aksenova as Desdemona:


“My dream roles? Something comical, please! I would like to be funny on stage! I have a talent for comedy, really! But it is so difficult in my type of voice. The only one I can hope for is Alice in Falstaff and that will come.

What else? I would really like to sing Salome in Herodiade by Massenet, the aria alone is so incredibly beautiful! Also Adriana Lecouvreur and Lady Macbeth of Mtsensk are high on my wish list. But my absolute dream role is Maria in Mazeppa by Tchaikovsky.”

“Nowadays I prepare my roles with the great Bulgarian mezzo Alexandrina Milcheva (a.o. Marfa in the Sony recording under Tchakarov). She is now 80 years old.”

Trailer of Pique Dame in Amsterdam:

Khatia Buniatishvili: the world’s most glamorous pianist?

khatia-buniatishvili-sony-music
Photo © EstherHaaase/Sony

She has been called the world’s most glamorous pianist and that may well be true. In today’s music world, it is not only talent and ability that counts. Even winning a prestigious competition does not automatically lead to a contract with a record company: if you really want to make it, you also have to be able to present yourself as attractive as possible on a cover.

© Esther Haase/Sony

Khatia Buniatishvili is busy. Performances, recordings, book signings, interviews, festivals and even TV appearances with talks about fashion and her choice of clothes: like everything about her, her dresses are special too.

Getting an interview is easier said than done, but after a lot of scheduling and rescheduling, I finally manage to get her on the phone. She apologises for postponing the appointment and I immediately forgive her: Buniatishvili is extremely kind.

Batumi is mentioned as her place of birth. An exotic name I know from a song from my childhood in Poland. A song, sung by a very popular girl group at the time, which after all these years still haunts me.

Would Buniatishvili know it? I sing it to her and she laughs. No, it means nothing to her. The name of the composer, Ajwazian, is also completely unknown to her. Moreover, she may have been born in Batumi, but in fact she is not really from there.

“I was born there, but that was no more than a coincidence. We are originally from Tbilisi and my father happened to be in Batoumi for his work. When I was two months old we moved back to Tbilisi. So actually I am from Tbilisi”.

p01br3xp
© BBC Music

It is more than striking how many new young musical talents come from Georgia. Pianists, violinists, singers… One Georgian name after another appears in large neon letters above the biggest concert stages and halls around the world. Buniathisvili may be part of a musical family, but how about the others? How does she explain the enormous success of Georgian musicians and singers? Is it something to do with training? Or just the upbringing? Are children there being fed something that makes them more receptive to music? Is there a special diet that makes Georgian children more gifted than those from, say, the Netherlands?

“Hahahaha! No, of course not. It is our folk music. Well, mainly. We have a huge and rich tradition of music making, it’s in us, in our genes. Georgia is a small country inhabited by different peoples, so we have a huge diversity in folk music. There is a song for everything: for love, war, struggle and victory. And for death. Really for everything.”

“Music is natural to us, playing and singing is innate in our people. What’s more, our country has an exceptionally good music education, we are spoon-fed anything that has to do with music, as it were.”

I tell her that I am particularly impressed with her penultimate album, Motherland. The pieces she plays there are less virtuoso than her usual repertoire. She also plays them very softly. And lovingly. The CD moves me very much.

But why is the album called Motherland? You would expect it to contain music by Georgian composers, but apart from When Almonds Blossomed by Giya Kanchelli and a folk song Vaguiorko ma, arranged by Buniatishvili herself, there is nothing Georgian to be discovered.

44f8c-khatia

“I dedicated the CD to my mother. I wanted to combine all styles, from baroque to (more) modern, to folk. In this way I wanted to declare my love to her, to let her know how much I love her. So the title refers to my mother, not to my country. I am really glad that you like the CD so much, it means that I have succeeded in communicating my emotions…”

“On the CD I also play a piece, Dumka by Dvorak, with my sister Gvantsa. She is a great pianist and I regret that we cannot play together more often. But we are making lots of plans. And soon we are going to record something together. I’m looking forward to that.”

“Why did I choose the piano and not another instrument? I didn’t.

People say I should have become a violinist because of my perfect pitch, but it was the piano that was meant for me. I didn’t make the choice. At least, not consciously. I didn’t choose the piano: the piano chose me.”

Is there still such a thing as the renowned ‘Russian piano school’?
For a moment there is silence and in the silence I can hear a question mark, so I repeat my question.

“No. I don’t think so. Everything has become international. Borders no longer exist or are blurred. Which gives you more opportunity to develop your own style, not bound by national borders. What is important for me is that I stay true to myself.”

“I am not a perfectionist, nor do I strive for that. Perfection takes the soul out of music. I am and will remain a flesh-and-blood human being, not some building material.”

“I also think it is important to enter into a kind of relationship with the composer. I find the thought that a composer made a certain piece especially for me very important and exciting, it also helps me. When I study a new piece – and by that I mean new to me – I try to avoid all other interpretations. I never listen to recordings then, because I want to make the score my own, all mine. I want to feel that I am the first.”

“My style can be described as a combination of extrovert and introvert. I love both equally and both are parts of me. Of me as a person and also of my way of making music. But it is, I think, also a female characteristic. Piano as a symbol of the loneliness that you can share with other people.”

Her interpretations are rather wild. Or, to put it kinder: energetic. Extraordinarily virtuoso too. Does she choose her repertoire from that category? How does she feel about the more subdued composers? Which does she prefer to play: solo recitals? Concerts? Chamber music?

“I like to play chamber music. Just like concerts and recitals, by the way.

Which of the three do I prefer? I couldn’t choose, but recitals are my favourite. With concerts you have to make a lot of compromises, it can’t be helped. The same with chamber music, because you also have to deal with your partner(s). But if it clicks, the result can be very satisfying.”

But what if you don’t agree with the conductor? I cite as an example the famous quarrel between Glenn Gould and Bernstein concerning the interpretation of Brahms’ piano concerto.

“I firmly believe that you can make compromises. That is what rehearsals are for, so that you can exchange ideas and if necessary meet each other halfway. But my thoughts, my ideas about a composition are sacred to me.”

Artists today are real globetrotters with many residences all over the world. Where does she feel at home?

“Everywhere actually. Georgia is very dear to me because that’s where my family lives, but Paris also feels like home, this is where I live.”

003c11d6


In February 2016, Sony released a solo album of hers, featuring works by Mussorgsky, Ravel and Stravinsky. And in May that same year, Buniatishvili performed at the Muziekgebouw aan ’t IJ.

Buniatishvili plays Mussorgsky at the Bimhuis in Amsterdam:


“I love Amsterdam. No, I don’t ride a bike. My parents never let me. I always had to be mindful of my hands, take care not to hurt them, so I didn’t learn. But I like to walk through the streets of the city for hours… it is so beautiful!

Semi interview met Angela Gheorghiu: “Ik ben een ster. Altijd al geweest”

In 2004 schreef ik een artikel over Angela Gheorghiu.  “Ik ben een ster. Altijd al geweest” zei zij ooit tijdens een interview. En dat was waar ook, want toen had zij alles wat een hedendaagse operazangeres tot een ster maakt. Jong, slank en mooi, met een meer dan gemiddelde acteertalent en, niet onbelangrijk in dit vak, zij kon buitengewoon mooi zingen. Haar stem, met zijn snelle vibrato, was ergens tussen Cotrubas en Olivero te plaatsen, al mistte ze de intensiteit van de laatste. Zij was een echte diva en daar gedroeg zij zich ook naar. De letterlijke vertaling ven het woord betekent ‘godin’ vindt ze het leuk om een diva te zijn?

© Jean-Marie Périer/Photo12

“Iemand noemde me ooit zo, en het bevalt me. Het heeft met de uitstraling te maken, bovendien kan ik als zangeres toch geen ‘normaal mens’ zijn. Zonder diva’s waren de muziek en het theater niet ver gekomen. Mensen hebben diva’s nodig, anders waren we allemaal gelijk zoals bij de communisten, het idee alleen al!”

Gheorghiu werd geboren in Roemenië, een land waar meer grote zangeressen vandaan komen. De bovengenoemde Cotrubas bijvoorbeeld, met wie ze heel goed vergeleken kan worden. Beide zangeressen beschikken over een soortgelijke ‘blanke lyriek’ en een lichtelijk maniërisme om woorden voor in de mond te zingen. Ook hun rollen zijn min of meer hetzelfde, al had Cotrubas zich nooit aan een Tosca of een Carmen gewaagd, zelfs niet in de studio. Ooit was Cotrubas de beste Adina (L’Elisir d’amore), Mimi (La Bohème) en Violetta (La Traviata) van haar tijd en van al die rollen was Gheorghiu eind jaren negentig de ongekroonde koningin. Wereldberoemd werd ze dankzij haar vertolking van Violetta in de Covent Garden onder leiding van Georg Solti. De voorstelling werd live op de televisie uitgezonden door de BBC, die er zelfs zijn zendschema voor overhoop gooide.

Het schijnt dat ze ooit honger had geleden, toen ze nog in Roemenië woonde. En dat ze zwaar bewaakt was tijdens haar eerste optreden (met een koor, dat wel, maar als soliste) in Wenen, opdat ze geen kans zou kunnen krijgen om te vluchten en het politieke asiel aan te vragen. Na de val van het communisme kreeg ze haar eerste contract buiten Roemenië aangeboden: een televisierecital in Amsterdam. En ze deed auditie voor de Covent Garden. Haar eerste grote rol daar was Mimi in ‘La Bohème’, met Roberto Alagna als Rodolfo. De liefde bleef niet beperkt tot de planken en Gheorghiu en Alagna (die net zijn vrouw aan een hersentumor had verloren en met een klein dochtertje achter bleef) gingen trouwen.

©©

La Bohéme © Phil Cooper

In 1998 verliet ze haar voormalige firma Decca en tekende ze een contract met EMI, het platenlabel dat onder haar exclusieve artiesten ook Alagna telde. Zeer handig, want daardoor kon ze niet alleen solo- maar ook duettenrecitals en veel integrale opera’s samen met haar (inmiddels al jaren toenmalige) man opnemen.  Talloze van die cd’s kregen de meest prestigieuze prijzen: Gramophone Award, Diapason d’Or, Deutsche Schalplatten-Preise. En in 2001 werd ze tijdens de Classical Brit Awards uitgeroepen tot de vrouwelijke ‘Artiest van het jaar’

.

Voor een beetje paparazzi in de operawereld is Gheorghiu een makkelijke prooi. He schijnt dat ze voor de fotosessies een grimeur laat komen. En iemand die haar kleren strijkt.

© Europost

“Maar dat is toch professionalisme? Niemand vindt het raar als fotomodellen en actrices over een limousine en een grimeur beschikken. Moet ik met mijn jurken de metro nemen door weer en wind? Heeft iemand ooit Catherine Zeta-Jones zoiets zien doen?”

Ze is een natuurtalent, maar zelfs een natuurtalent komt niet ver zonder oefenen, oefenen, en nog eens oefenen. Ze werkte heel hard aan iedere rol, en in tegenstelling tot veel collega’s werkte ze zonder coach. En ze ging te werk als een acteur: eerst lezen en herhalen de woorden en pas daarna begon ze met het bestuderen van de partituur.

Haar grote droom toen was om een componist te ontmoeten die speciaal voor haar een mooie rol zal schrijven, ze ziet zich bijvoorbeeld in een rol als Jackie Kennedy. Maar ze bleef sceptisch want de wereld is veranderd en de hedendaagse componisten weten volgens haar maar weinig van de zangers en de zangkunst af. Voor haar dus geen Schönberg noch Berg.

Het liefst zingt ze in het Italiaans en het Frans, maar sluit (lichte) Wagner rollen in de toekomst niet uit. Ook jazz heeft haar interesse, ze vindt haar stem er goed geschikt voor. Al te graag zal ze wat jazz op haar repertoire zetten, al is ze niet zo’n voorstander van cross-overs.

Haar hart klopt nog steeds in het Roemeens. In ‘Desert Islands Discs’, het bekende Channel 4 programma op de Engelse radio, presenteerde ze ooit haar keuze van haar favoriete muziek. Enescu, maar ook een paar Roemeense pop- en volksliedjes. En een wals van Chopin, maar wel gespeeld door Dinu Lipatti.

Hieronder zingt Angela Gheorghiu ‘Ciobanas cu trei sute de oí’ in Amsterdam 2013. Zij wordt begeleid door Het Gelders Orkest olv Ramon Tebar:

 

 

Love is in the air – an interview with John Osborn

Osborn Tapia

So you don’t believe in true love? Have you become a bit cynical because your heart has been broken too often, or have you seen too many marriages end in divorce? So fairy-tales are not real and your tears are flowing for La Bohème only??

I know a remedy: meet John Osborn and the love of his life, Lynette Tapia.
Their love blossoms and glows as if they have only just met and yet they have been together for many years! They also have a daughter, the now eighteen-year-old multi-talented Anna.

Osborn-en-Lynette-Tapia-2


I met them both on a horribly cold February day in 2013 with ice, snow and wind outside, but in the café Puccini where we met, my heart and soul were soon to be warmed.

Capriccio, DNO 2006
foto

The lovely Lynette Tapia with her beautiful green eyes and shiny black hair is a celebrated singer as well and sometimes she manages to sing with her husband. In September 2006, they had their Amsterdam debut together in Capricio by Richard Strauss, as the Italian singers.

OPERA CLASSICA

In October 2012, they both sang  in Verdi’s Rigoletto at Schloss Braunfels, a production of Opera Classica Europa, an organisation that presents operas at the most beautiful historical locations in Europe.



Osborn:
I love what Opera Classica Europa does and the way they do it. The location was enchanting, we were wearing real, historical costumes. Old-fashioned? Yes, definitely: old-fashioned beautiful. We didn’t have that much rehearsal time, but there was no need. There was nothing you really had to learn, everything being already in the music.

The role of the Duca is particularly suited to a high tenor. I have been a singer for 22 years. I am not a baritonal tenor but I can sing ever heavier roles. It depends on the location, of course, and it also matters who your conductor is, and whether he knows how to keep the orchestra in check. The music has been shifted to a higher pitch, the orchestras are playing louder, but you still have to rise above the orchestra and you have to be audible everywhere, even in the back rows. Add to that the fact that we tenors don’t sing in falsetto any more; today’s audience would not be appreciative.

I am from the generation that grew up with the three tenors, but a lot has changed since then. You can’t afford not to look good. Or not to be fit. When I was younger, I didn’t participate in sports and fitness, I thought it was a waste of time. But in a way, I think it is fair and good that we take care to look the part a bit more, for the public’s sake. Although it is still mainly (I hope?!) about the singing!

DIRECTORS

Directors? Are they really important?
Who ever heard of a director, say 50, 60 years ago? We knew who the singers were and that was all that mattered. The conductor, the orchestra, yes, but a director? We still speak of Tosca by Callas or Don Carlo by Corelli, but nowadays the name of the director is written in big, bold letters at the top of the poster, even before the composer! Many of the directors have also developed a somewhat perverse way of manipulating human feelings, which bothers me. Sometimes I think: do you really want to create something new? Then create something new! Write your own opera!

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)


I admire Pierre Audi very much and I really enjoy working with him. OK, after a few times you know the concept and you know it’s going to be very aesthetic, static too. But he has respect for the singers, we are more to him than just pawns in a game of chess.

Afbeeldingsresultaat voor Clari osborn"


I also have a great affinity with the work of Moshe Leiser and Patrice Caurier. I did Clari by Halèvy and Otello by Rossini with them, both in Zurich, and we had a lot of fun together. They work in a logical way and their productions are very well put together. Clari may have been updated, but everything is just right. The directors have a kind of sixth sense for what goes with the music, so their productions are very diverse.

CONDUCTORS

Who are the really good conductors? The generation that has almost died out: Nello Santi, Claudio Abbado. But that doesn’t mean they are over, those good old days! I like Yannick Nézet-Séguin immensely, he understands the French style like no other. Unfortunately I have only worked with him once, in 2008 in Salzburg. We did Romeo et Juliette together and the performance was unforgettable! He liked my ‘French way’ of singing so much that he even invited his parents to the performance. For me that was one of the greatest compliments ever!

Pierre Audi (director), Paolo Carignani (conductor), George Tsypin (sets), Andrea Schmidt-Futterer (costumes), Jean Kalman (lighting), Kim Brandstrup (choreography), Klaus Bertisch (dramaturgy)


At the time of our conversation, Osborn is singing Arnold in the DNO production of Guillaume Tell. He first performed this role in the 2007 – 2008 season with the Accademia di Santa Cecilia Orchestra in Rome. After that we could admire him in this role in the ZaterdagMatinee (December 2012) and the general press called the performance a ‘historical event’. And now finally on stage. The difference?

“I have indeed performed the opera concertante a few times, with more or less cuts, so each time it was quite exciting to think which version we would be doing next. At the Matinee, the score was almost complete. As a singer, I have learned to act with my voice, but if I can actually show my feelings on stage as well, not only through my singing but also by the way I move, then that adds an extra dimension.

Is there anything you would like to say to your Dutch audience?
“This is the sixth time I work in Amsterdam. I always love coming back to visit this beautiful city. The people are so kind and welcoming. All of the friends I’ve made from The Dutch National Opera, the members of the chorus, the musical staff, and the production staff have all been so supportive of me and the talents I’ve been given. I am so grateful for the opportunities to perform here, and I truly feel like Amsterdam has become a second home for me. I very much look forward to returning to this unique and wonderful place again in the near future. Sincerely, John Osborn’.

Lynette Tapia and John Osborn in “Parigi o cara” from La Traviata Live at Schloss Braunfels, august 12 2018 :

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtu



Photo’s: Hans Hijmering and Ruth Waltz

More John Osborn:

https://basiaconfuoco.com/2017/05/21/le-prophete-from-essen-english-translation/



Uit de archieven: twee interviews met Tania Kross

2005

In Enschede regent het pijpenstelen. Ik kom te laat, want hoe kon ik het weten, dat de Schouwburg meer dan één artiesteningang heeft? Tania Kross staat al op mij te wachten, en het eerste wat me opvalt is hoe mooi ze is. In haar witte rok en korenblauwe T-shirt is ze net een zonnestraal in die grijze omgeving.

Als je maar geen kou vat!-  zeg ik, schuldbewust.

“Ik word nooit ziek, ik mag niet ziek worden” lacht ze, en lachen kan ze als geen ander: ongegeneerd hard en aanstekelijk. We gaan een rustige broodjeszaak in, het is er tenminste droog en behaaglijk. Tien jaar is ze pas in Nederland, en er is al zoveel in haar leven veranderd.

Zeventien was ze, en ze wilde zingen. Dacht ze aan een carrière van een operazangeres?

“Ik denk dat iedereen het wel hoopt van zichzelf. Maar het belangrijkste voor mij os om alles wat ik doe, zo goed mogelijk doen. Ik wil goed zingen, maar ik blijf gewoon lekker mijzelf. Het eerste jaar in Nederland was een opeenhoping van zoveel indrukken. Naar zangles gaan was toen even belangrijk als het uitzoeken waar de supermarkt is, want je weet niets, alles is even nieuw.”

“Mijn zanglerares vroeg me, of ik wist wat ik eigenlijk wilde. Zij was de eerste persoon die mij dat vroeg, en toen realiseerde ik me dat als ik iets heel erg graag wil, dat ik er dan hard voor werken. En vanaf die dag ben ik als een gek gaan werken”

In Nederland had ze veel kansen gekregen: Zaterdag Matinee, de Reisopera, binnenkort Lola in Cavaleria Rusticana bij DNO. Zelf blijft ze er kalm bij, want “Nederland is zo klein en dan val je toch snel op als je goed zingt”.

Haar ambities pasten altijd in een driejarenplan. Van: “over drie jaar wil ik het Deutekom concours doen. En toen ik het gedaan had, dacht ik: nu wil ik over drie jaar Cardiff doen.”

Cardiff … daar heeft ze altijd van gedroomd, vanaf het eerste jaar dat ze het op de TV zag. Heeft het meedoen aan het concours haar veranderd?

“Zeker. Daar sta je op het toneel voor mensen, die jou nog nooit hebben gezien, ze weten niet wie je bent, en dan moet je in één aria indruk maken. En dan word je je er bewuster van dat het niet uitmaakt of je een concours goed zingt, want je moet altijd en overal goed zingen”.

Een echt voorbeeld had ze niet. Als ze iets in het Frans moet zingen grijpt ze naar opnamen van Janet Baker, voor de grote Händel rollen kijkt ze eerst hoe Anne Sophie van Otter het doet, en voor Rossini luistert ze eerst naar Cecilia Bartoli. Allemaal hedendaagse zangeressen, want ja, ze werken met hedendaagse dirigenten en je kijkt niet om. Ze bewondert Giulietta Simionato, vindt het waanzinnig mooi wat ze deed, maar tegenwoordig moet het toch anders

Tania zwijgt even en dan zegt ze dat er toch nog één speciaal iemand is: Cathy Berberian.

“Zij was iemand, die van alles heeft geprobeerd met haar stem. Ontzettend veelzijdig, ze zong van alles, van Purcell tot The Beatles. Ik vind dat jonge zangers een scala moeten hebben aan mogelijkheden, je moet zoveel mogelijk eruit zien te halen. Een spinto sopraan ben ik niet, maar ik wil evenzogoed barok, als romantiek en moderne muziek zingen”

Haar eerste operaproductie was Cherubino in Le Nozze di Figaro. De eigenzinnige regisseur heeft een suïcidaal knaapje van hem gemaakt die door iedereen op de bühne wordt betast en zelfs verkracht werd door Figaro. Hoe ging ze er mee om?

“Je vindt een weg. Op een bepaald moment denk je: we doen het even, en …kom maar! Je doet gewoon je best”

Met veel plezier kijkt ze terug naar de rol van Sesto (Giulio Cesare) in de regie van Herbert Wernicke. “Dat was één en al feest!.

Zij is een mooie, zeer feminiene vrouw maar als een mezzo zingt ze veel ‘hosenrollen’. Moeilijk?

“Wel nee! Dan krijg ik een ‘boezempresser’ en word ik platgedrukt! In een mannenrol heb ik gewoon een mannelijke uitstraling. Als ik een broek aan heb en een andere pruik, dan ga ik zelfs anders lopen. En dan vind ik de vrouwen prachtig en kijk ik in hun decolleté. Ik weet natuurlijk wat mannen doen en ik doe ze na”.

Haar droomrol, die ze volgens haar driejarenplan wilt zingen?

“Rosina (Il barbiere di Sevilla), maar die heb ik al gedaan!” lacht ze.

En de volgende? Even is het stil.

“Ik wil het Frans romantisch repertoire doen. Dus de Carmen en de Charlotte (Werther). Ik heb al een paar Carmens gedaan, maar dit waren natuurlijk probeersels, ik wilde gewoon uitzoeken of Carmen iets voor mij was. En o ja, die is het wel!”.

Onlangs heeft Tania Kross een exclusief contract met Universal Music getekend. Op haar debuut-cd staan liederen van Zuid-Amerikaanse en Spaanse componisten. Wiens idee was het?

“Peter van der Heyden (Universal) heeft mijn agent benaderd, we hebben elkaar ontmoet, en toen kwam ik met een hele lijst van dingen, die ik mooi vind. Montsalvatge had ik al op mijn repertoire staan, en omdat ik van dat gebied kom besloten we dit als een rode draad te nemen.

“Het concept is dan: ik kom uit Curaçao en ik functioneer in de westerse klassieke muziek Prudencia, Clemencia en Oswin “Chin” Behilia zijn Antilliaanse componisten. ‘Suni’ is een heel erg bekend lied, het is een lied van mijn generatie”.

De cd eindigt met de liederen van Lecuona, waarom eigenlijk?

“Curaçao heeft altijd een speciale band met Cuba gehad. Heel veel Curaçaoënaars gingen, toen op het eiland geen werk was, naar Cuba om suikerriet te snijden en op plantages te werken. Daar is zoveel overeenkomst in de muziek, in de taal en manier van leven. Ik kon dus niet een cd met dit thema te maken zonder Cuba daarop te hebben, want het hoort daar gewoon bij”


2006

Sinds ons eerst interview ruim een jaar geleden is er veel gebeurd. Zo debuteerde zij bij DNO als Lola in Mascagni’s Cavalleria Rusticana en organiseerde haar eerste Festival, Krossin’ Gouda. Haar eerste cd leverde haar de Edison Klassiek Publieksprijs en vóór zij voor een week naar Curaçao vloog om een beetje uit te rusten dook zij de studio in om haar tweede cd,‘Arie Antiche’, op te nemen. Tijd dus voor een nieuw gesprek.

Zij logeert bij goede vrienden in hun monumentale grachtenpand, het is haar pied-à-terre geworden voor de keren dat zij in Nederland verblijft. Ik bel aan en daar staat ze dan, mooier dan ooit, in een prachtige jurk en op hooggehakte slippers. Zwierig en elegant leidt zij mij een pracht van een kamer binnen. Met een kan thee (zij is een beetje uitgedroogd, want de vlucht was lang en zij mocht niet eens een flesje water meenemen naar de cabine) nestelt zij zich op de bank.

Tania Kross, Marietta Petkova – Arie Antiche (2005, CD) - Discogs

“Waarom Arie Antiche? Mijn eerste cd was een soort introductie: dit is Tania, met een heel apart repertoire. Op mijn tweede cd wou ik heel duidelijk laten zien wat ik kan, wat is mijn stemgebruik, wat hebben al die jaren harde studie opgeleverd. Mijn vak is coloratuur-mezzo, maar de meeste mensen horen het niet genoeg. Eerst dachten wij aan de Spaanse barok, maar algauw verwisselden we het idee voor de Arie Antiche”.

De aria’s uit de verzameling Arie Antiche stammen uit de zeventiendeen achttiende eeuw, maar pas in de negentiende eeuw werden ze door Alessandro Parisotii samengebundeld. Een romantische kijk op de barok, is dat wat haar aantrekkelijk leek?

“Ja, want dit laat duidelijk de schoonheid van de stem horen. Door zijn arrangementen laat Parisotti zien wat zijn visie op die muziek was, dat pak ik op en daarop voortbordurend leg ik er mijn eigen visie op.”

Op haar nieuwe cd wordt Tania op de piano begeleid door Marietta Petkova. Zij kenden elkaar eerder niet, hoe is die samenwerking verlopen?

“Marietta is een concertpianiste, het was een gok: het kon totaal floppen, maar goddank klikte het geweldig. Ik genoot zeer van hoe zij met de muziek bezig was, ik vond haar aanpak zo verfrissend. Zelf ben ik vrij dominant bij wat ik muzikaal wil doen: als Tania rechts wil dan gaan wij met zijn allen …. Maar met haar had ik meteen het gevoel van: kijk wat wij samen kunnen doen, het was een ‘samendans’. Zij is heel perfectionistisch in wat zij wil, en dat stimuleert en het is fijn om  samen te werken met mensen die beter zijn want die trekken je naar boven”.

Gaat zij nu wat meer oude muziek zingen?

“Nee. Ik vind het prachtig, en het is ook gezond voor de stem, maar ik wil zoveel mogelijk mezelf blijven, en me nergens op vastpinnen”

 

Piotr Beczala: I feel at home everywhere now

Beczala Halka
“Werther” at the Grand Theatre Liceu in Barcelona © Operawire

After a carefully built career of 25 years at smaller opera houses, Piotr Beczala has been at the absolute top for many years now.  Here is a ten years old conversation with the Polish tenor: about saying no, his love for operetta and about everything else.

Beczala Das-Land-des-Lächelns-foto-T-T-Fotografie-Toni-Suter-1

                                                Piotr Beczala in Das Land des Lächelns. (© T + T Fotografie / Toni Suter)

It is not that the tenors (and not just the tenors!) suddenly fall out of the sky, even if it sometimes looks like it. A voice has to grow, mature, gain experience, build repertoire. Slowly, slowly… only then will you get there. And – more importantly – you stay there.

No one is more aware of this than Piotr Beczala. “You have to be patient, don’t rush things and don’t take on roles that don’t suit you”, he says. “I used to be a notorious ‘no-sayer’. It’s almost unbelievable what kind of roles were offered to me, roles that I couldn’t sing at all, especially then. But I always stuck to my guns, because I didn’t want to be only a one-day wonder”.

“Now, after more than twenty years of carefully building my career, I can do a lot more. My voice has developed and it has become bigger and darker, my technique is solid and my confidence has grown, so now I can concentrate much more on my acting. I can sing most of the roles that I am now offered, so most of the time I don’t have to say no anymore. Casting directors and intendants know very well what I will or won’t accept, so I get less and less of the crazier proposals. And to those I’ll just say no again”.

Tauber

Beczala-Tauber

Beczała was a was an ‘insider tip’ for a long time. His professional career started in 1992 in Linz, but he was really discovered in 1997 in Zurich, the opera house that apparently has a good nose for spotting tenors (Jonas Kaufmann and Pavol Breslik are also from there).

Before he made his debut in the biggest and most important opera houses in the world, he also sang in Amsterdam. Three times no less: in Król Roger by Szymanowski, Yevgeny Onegin by Tchaikovsky and La Bohème by Puccini.

Below Beczala sings aria by Pasterz from Król Roger. The sound comes from the Naxos recording by Jacek Kaspszyk

Beczala has somewhat “pre-war” looks and he has more than a little talent for acting, which is not unimportant these days. Nevertheless, the contracts with record companies did not quickly materialize, which was probably a good thing for him. It enabled him to develop into what he has now become: one of the best lyrical tenors in the world, and that without any need of loud advertising campaigns. Deutsche Grammophon couldn’t get around him anymore and Beczala signed an exclusive contract with the company in the autumn of 2012.

Beczala-Stefanie-Starz
Beczala bij de ondertekening van zijn contract met Deutsche Grammophon (foto: StefanieStarz)

Beczala’s somewhat old-fashioned timbre is reminiscent of a Wunderlich, Gedda or even Kiepura. What he also has in common with these predecessors is his fondness for operetta, a genre he loves and loves to sing.

It is therefore not surprising that his first solo recital with DG, Mein ganzes Herz, includes an operetta programme.

“DG gave me the green light for my own choice of orchestra and conductor. I immediately thought of the young Polish conductor Łukasz Borowicz, with whom I previously recorded a CD of Slavonic opera arias (Orfeo C814 101). As far as the orchestra was concerned, my choice was immediately clear: it had to be the Royal Philharmonic!

“The programme is simple: operetta! From Lehár and Kalmán to Robert Stoltz and Carl Bohm. Modern technology is also used, so in addition to today’s real guests such as Anna Netrebko, Avi Avital and the Berlin Comedian Harmonists, Richard Tauber himself is making an appearance! I’m going to sing a duet with him! If that is not something special…”

Lohengrin

Beczala Lohengrin

With Christian Thielemann I sang songs by Strauss and in Santa Monica I gave a recital with, among others, Schumann and Karłowicz, an unusual but beautiful and logical combination”.

Piotr Beczała & Helmut Deutsch (piano) in ‘”Skąd pierwsze gwiazdy”‘ (hence the first stars) by Mieczyslaw Karlowicz:

“Now is also the time to expand my repertoire. By 2015 I will try out heavier roles.

Below: trailer of ‘Lohengrin’ from Dresden, with Anna Netrebko, Piotr Beczala & Christian Thielemann.

And here ‘E lucevan le stelle’ (Tosca) – encore in the Wienner Staatsoper 10.02.2019

Conductors

Piotr Beczala & Nello Santi: Un ballo di Maschera in Opernhaus Zurich

What other maestros, besides Thielemann and Borowicz, would Beczala like to work with? “For me, the very best is Nello Santi. Absolutely. But I also love Marco Armiliato. Or is that because his brother is an opera singer? That may be it, but I don’t know for sure…”

There are also the conductors that make Beczala less happy. “I don’t want to work with conductors that have no respect for singers and don’t know how to deal with singers. I don’t want to name names, but most of them come from early music. Which certainly does not mean that all early music conductors are no good”.

What is his experience with singers who have started conducting, such as Plácido Domingo? “Domingo has the flaw that he lives in the present, in the now. How shall I explain that… Consider the difference between a ‘vocal conductor’ and a ‘normal’ conductor as the difference between a pianist and an organist. A pianist thinks about the sound as it is there now, an organist thinks ahead, about the resonance of the sound that is to come”.

DIRECTORS (and his famous ‘black book’)

beczala boheme

                                                             Beczala als Rodolfo in Salzburg

“I have nothing against updating, as long as it is recognizable. I am not against modern, but I am against stupid, foolish, far-fetched! I do indeed have a ‘black book’ with the names of directors with whom I never (ever) want to work”.

“I am lucky to be able to accept or refuse things, but many of my (starting) colleagues do not have that privilege. Some think, that once they get into a high-profile production, they will make it big, but that’s not how it works. In our profession you háve to have the musicality and the dedication. Directors often think they are God, but they are not, you must not surrender to them, but adhere only to the genius of the composers”.

“Which director do I admire the most? Franco Zefirelli, without a doubt. Zefirelli is more than a director, he is a monument, you may consider him to be our cultural heritage. His productions were (and still are!) always fantastic, they should be cherished. It was a feast for me to work with him, it gives the person inside the singer immense pleasure.

I also have a weakness and great admiration for Guy Joosten. His Romeo et Juliette in the New York Metropolitan was really beautiful, we, the singers, also enjoyed it immensely.”

HOME

Beczala-Met

When you travel so much and stay in so many different cities, do you still feel like you’re ‘home’ anywhere? “We feel at home everywhere now “, laughs Beczala. “Though Kasia, my wife, loves New York the most of all.”

“Our real home is in the mountains, in Poland, but we are there for no more than two weeks a year. Fortunately, I now have apartments in the cities where I perform most often: Vienna, Zurich and New York. They are nice and familiar. Your own bed, your own bathroom and your own wine: it helps!

On my: “can we expect you in Amsterdam too” comes a deep sigh. But then there is an answer: “Who knows? I would love to perform in the Saturday Matinee”.

Piotr Beczala and his new heroes

Frank Van Laecke: The Wizzard van Gent

van Laecke

Laat ik het maar voorzichtig formuleren: je hebt regisseurs en je hebt regisseurs. Het is niet noodzakelijk hetzelfde beroep, al zijn de meningen verdeeld. Film, theater, opera, musical, circus, revue, ballet: het zijn allemaal genres die elkaar wellicht kunnen ondersteunen, maar ook dodelijk kunnen bijten. Toneelwetten gelden meestal niet voor de cinema; opera heeft ook zijn eigen taal, muziek en zingen. Voornamelijk.

Na de ‘revolutie’ in de toneelwereld, pakweg 50 jaar geleden, moest ook de opera op de schop en de term regietheater werd geïntroduceerd. Er kwam een hele nieuwe generatie operaregisseurs met wortels in de toneelwereld die aan het ‘vernieuwen’ sloegen, vaak met dubieuze resultaten. Want: alles moest anders en alles mocht, als het maar choquerend genoeg was.

Maar ze bestaan nog steeds, de echte regisseurs die hun beroep serieus nemen en doen, wat van ze verwacht wordt: regisseren. Niet alleen zijn ze intelligent en bekwaam, maar ze dragen het genre een warm hart toe. Zij houden oprecht van de opera. Dat doet Frank Van Laecke, voor mij één van de beste operaregisseurs van nu.

Het eerste wat ik van hem zag was Die Entführung aus dem Serail (Robeco 2009). Niet mijn geliefde opera, toch heb ik schaamteloos genoten. Het was zowat de mooiste, leukste, spectaculairste, intelligentste (verzin ter plekke nog een paar superlatieven) ‘Entführung’ dat ik ooit in mijn leven heb meegemaakt.

van laecke faust

Faust © Opera Zuid

Zijn Faust bij Opera Zuid vond ik adembenemend. Van Laecke heeft het een en ander ingekort, waardoor de voorstelling aan vaart heeft gewonnen. En het met veel symboliek overladen einde zorgde voor kippenvel en brok in de keel.

Ook zijn Manon Lescaut (Robeco 2011) heeft mij niet onberoerd gelaten en zijn Madama Butterfly voor Opera Zuid werd door het Operamagazine uitverkoren als de opera van het jaar 2012. Terecht: met een zeer sfeervolle set en een uitstekend uitgewerkte personenregie wist Van Laecke een hartverscheurend drama te creëren, met een finale om niet meer te vergeten.

van Laecken Madama-Butterfly-Opera-Zuid-2

Soojin Moon als Madama Butterfly (foto: Opera Zuid).

Maar Van Laecke beperkt zich niet tot de opera alleen, hij regisseert eigenlijk alles. Toneel, musicals, circus, ballet….. En alsof het nog niet genoeg is, schrijft hij ook boeken.

van Laecke boek

© Kristof Ghyselinck

– Je wordt ‘The Wizzard’ genoemd. Ben je een tovenaar? Een duivelskunstenaar? Beide?

Lachend: “Dat wordt inderdaad vaak over mij geschreven, en daar voel ik mij vereerd door. Dat komt natuurlijk omdat ik met zo veel dingen bezig ben, ik ben niet in één la te stoppen, dat wil ik ook niet. Ik ontsnap aan het hokjes denken, wellicht is dat de reden?”

– Heb je dan wel een geliefd genre? Componist?

“Genre? Opera!!!!!!!! Zonder meer. Componist? Moeilijk. Puccini raakt mij meteen, ook Verdi. Maar ik raak altijd verliefd op waar ik op dat moment mee bezig ben. Onlangs, toen ik Peter Grimes deed, werd ik tot over mijn oren verliefd op de muziek van Britten”

– Hoe kom je bij de opera?

“Ik kom uit een eenvoudig milieu, ben geboren in een arbeiderswijk van Gent en mijn ouders waren gewone werkmensen. Maar zij hadden twee abonnementen, één op het toneel en één op de opera, de goedkoopste plaatsen, helemaal boven. Ik was vier toen zij mij voor het eerst meenamen. Het allereerste wat ik zag was Der Zarewitsch, dan La Boheme.

– Soms maak je radicale kortingen in de opera: Walpurgisnacht in Faust, Madrigalen in Manon  …. Doe je het omwille van de dramatiek?

“Ja. Als ik denk dat het dramaturgisch stil blijft staan dan durf ik er in te knippen, maar je moet natuurlijk niet bang zijn voor stiltes. Ik bereid mij altijd goed voor, anders zou het niet van respect getuigen. Ik heb mijn boek altijd bij mij, maar ik ken elke noot, elke woord en ook zonder het boek kan ik de hele voorstelling maken. En ik laat de dingen ook gewoon gebeuren, ik moet de zangers los kunnen laten. “

“Wat ik altijd meteen vertel: deze zaal, de repetitiezaal is vanaf nu voor ons de veiligste plek ter wereld, hier mogen wij ook fouten maken. Ik draag de zangers een warm hart toe, vanaf nu zijn ze mijn familie. Zij vinden dat er altijd een goede sfeer heerst tijdens de repetities, maar dat is ook wederzijds. Het is mijn job om geduld te hebben en om ze te helpen waar mogelijk. Dat beroep kan je niet voor 50 % doen.”

“Leugen, liegen, dat is wat wij, kunstenaars doen. We moeten de schijn oproepen en de mensen laten geloven in wat zij meemaken. Ik probeer het verhaal te vertellen van mijn ziel en ik ga altijd van de muziek uit, waarbij het respect voor de componist de vereiste is! Ik vraag mij dan ook altijd af: wat doet het laatste akkoord in de zaal, hoe komt het over, daarvandaan bouw ik mijn einde. Het is mij niet om het effect te doen. Ik lees de laatste akkoorden en dan weet ik wat mij te doen staat. Ik haat onrechtvaardigheid en leegheid.”

– Hoe is de samenwerking met Opera Zuid ontstaan?

“Ik heb Miranda van Kralingen leren kennen toen iSk een musical was aan het regisseren. Zij heeft mij voor een drietal producties gevraagd. De eerste zou Tsaar Saltan zijn, maar toen kon ik niet, dus het werd Faust, daarna Butterfly en nu La Traviata.”

“La Traviata is een bijzondere opera, ik heb het al vaker gedaan, maar nog steeds doet het iets met mij, met mijn emoties. Het is tijdloos, zo wil ik het dan ook houden. Het speelt zich tussen leven en dood af, in een soort schemerzone. En het gaat om de schone schijn. Je krijgt een parketvloer van de oude danszaal, het wordt een soort ‘danse macabre’. “

– Je zei ooit: “Stilstaan is achteruitgaan”. En: “Hoe ouder ik word hoe gulziger ik ben. Ik wil alles gegeten en gedronken hebben in mijn leven”

“ Dat heeft natuurlijk met het ouder worden te maken. Hoe ouder je wordt hoe bewuster je bent van je eindigheid. Als je jong bent besef je het nog niet, althans niet ten volle. Vandaar dat ik er nog alles uit wil halen! Na twee dagen vakantie begint het mij te jeuken, te kribbelen. Ik schrijf altijd, maar dan wil ik ook echt aan de slag!”

 

Rolando Villazon: reminders of a great promise

Villazon-DW-Kultur-Erfurt-jpg

© dpa/DPA/Martin Schutt

No one loved him as much as I did, when I heard him for the first time. His Don Carlo with Dutch National Opera in Amsterdam really had the WOW factor. No less. I interviewed him twice and both times he impressed by his intelligence and common sense.

Alas, it has not lasted long. The cause? Too much, too arduous, too fast? There was talk of ‘personal problems’. He had to undergo a procedure, a growth on his vocal cords. His career came to a halt a few times. He does still sing but I can no longer like it.

This interview dates from June 2004 and was made during the rehearsal of Don Carlo.

Villazon carlo

©foto Hans van den Bogaard

The jubilant press releases taught me that Rolando Villazon was a real discovery. Opera Magazines even spoke of a ‘second Domingo’ which a very critical friend of mine in London, whom had heard him sing in Les Contes d’Hoffmann, could confirm.

Villazon Erato

I was very enthousiast about his first cd with Italian opera-arias ( Erato 5456262), which explains why I felt honoured to meet him, even before his Amsterdam debut as Don Carlo.


I was allowed to talk to the tenor as the first of a long line of interviewers, a luxury, even allowing me to watch the last part of the rehearsal. Well, you should know that I’m quiet experienced opera goer, but this was truly sensational, even for me. I was awestruck, but fortunately Villazon turned out to be a great raconteur.

Rolando Villazón (Don Carlo) Dwayne Croft (Rodrigo) in Amsterdam:

It is hot that evening but that does not seem to bother him and even before the ordered water has arrived, he’s already told me about his life in Paris with his wife Lucia a psychotherapist (no she does not practice on me, ha, ha, ha), and his two sons: Dario and Matteo.

How does it feel to be a star? Were you expecting to be as successful as you are?

“Expecting…not really, you don’t expect it to happen but one hopes it does. My wife recently asked me how it feels to get all this attention all of a sudden. And I said: it feels like flying, it’s like wow but dizzying at the same time. I’m afraid to fall during my flight and thus failing  to fulfill my mission as an opera singer and an artist. She answered: don’t be scared, I’m here and I’ll catch you if you fall.”

His voice was discovered when he was 18 years old, but he was doubtful, there were so many things to do in life. Reading psychology for instance. The priesthood. He was still young and life was so confusing. He felt just like Stephen Dedalus from ‘A portret of an artist as a young man’, who thought of becoming a Jesuit priest, whilst all he wanted to do was write. And Villazon wanted to sing, that’s what he loved more than anything.

He would lock himself up in his room at the age of twelve to sing Mexican songs and musicals. When he’d bought Perhaps love, an LP with duets by Domingo and John Denver, he was sold. He bought all Domingo’s records, be it with cross-overs, because opera was unknown to him at that time. Domingo was his idol and master. they’ve become great friends meanwhile and Villazon considers it a great honour knowing that Domingo is keeping a close watch over his career.

“When I was in Berlin doing Lélisir dámore Domingo was there for Pique Dame. I went to all his rehearsals and could not have asked for a better education. His intensity, his involvement his whole being; teaches me.  I flew to Washington just to see him rehearse Le Cid.

Does he think his career will evolve like Domingo’s?

“Not for the moment. Domingo is a legend and I am me. I love to take risks, hence Hoffmann, Carlos and soon my first Don Jose. But other than that I’ll just sing lyric parts. It is too soon for me to go for the dramatic parts.”

Villazon cd

In 2007 Villazon recorded his first solo recital for DG. He did not take the easy route. He chose arias he had never sung before and will probably never sing again. Not only because they are too heavy for him but also because they are seldom performed, at least most of them. That adds great value to this cd, because be fair, did you ever hear of Maristella by Pietri?


English translation: Annelies Hes