orkestraal/concerten

TOP TIEN van Neil van der Linden

1 Moby Dick, or, The Whale Een draaikolk van totaaltheater, – muziek, -beeldende kunst, – film waarin alle thema’s in Herman Melvilles klassieker uit de opkomende industriële maatschappij van de negentiende eeuw die nog steeds een rol spelen, uitbuiting, verpaupering en racisme, maar ook obsessiviteit en queer-erotiek aan bod komen. Muziek Caroline Shaw, Andrew Yee, Asma Maroof, regie Wu Tsang, tekst Sophia Al-Maria, dirigent Kevin Griffiths.

EMA8WG Extreme Close-Up Eye Of Baby Sperm Whale (Physeter Macrocephalus) Captive D1940

2 Widmann eclectische en toch geheel eigen Arche NTR ZaterdagMatinee totaaltheater en toch concertante op het podium van het Concertgebouw.

3 And here I am/a Lonely Woman van Huba de Graaff. Het unieke werk en leven van de Iraanse dichteres Foroukh Foroukhzad verklankt in punk-rock band stijl, verweven met met beelden uit Foroukhzads indringende experimentele film The House is Black over een lepra-oord.

4 NOMAD Sidi Larbi Cherkaoui eigenlijk al een voorstelling van drie jaar ervoor, maar door corona opgehouden. Ik heb nooit mooiere woestijnen, donderwolken, stortbuien en vloedgolven gezien op het toneel, realistisch en toch theatraal, in een meeslepende voorstelling over mensen op drift

5 Le Vin Herbé Ulrike Quade Capella Amsterdam Emio Greco. Frank Martins indringende versie van Tristan und Isolde, op het toneel zo eenzaam gemaakt als ze in Frank Martins opera zijn, midden in Corona tijd in verplicht halflege zalen, verbeeld als tragikomische poppenopera. Wanneer komt Ulrike Quade iets uitvoeren bij De Nationale Opera?

6 Ex aequo twee nieuwe Amerikaanse opera’s bij DNO, waartussen ik niet kan kiezen; gelukkig maar. Blue met muziek van Jeanine Tesori, libretto Tazewell Thompson, dirigent Kwamé Ryan. Barber meets Ellington meets Puccini meets Grant Still in een overtuigend verklankt en verbeeld eigentijds drama over raciale thema’s die niet alleen in de VS actueel zijn. En Denis en Katya, muziek Philip Venables, libretto en regie Ted Huffmann, over twee jeugdige Russen die na dood en verderf te hebben gezaaid zelf de dood verkiezen. Kwam bij toeval uit kort na de Russische inval in Oekraïne, en de somberte van het werk kreeg daardoor een huiveringwekkend actualiteit. Michael Wilmering en Inna Demenkova vulden met hun tweeën het hele immense toneel van de Stopera.

7 Een nog kleinere productie van DNO, Boekman Michiel de Regt, Erik van der Horst DNO, over de vooroorlogse socialistische wethouder cultuur Emanuel Boekman, die, zelf geboren in arme Joodse familie in de Pijp, in zijn functie bij de gemeente dagelijks van zijn huis in Zuid door de Waterloopleinbuurt naar het toenmalige gemeentehuis aan de OZ Voorburgwal fietste, en toen al de wens had Amsterdam van een operagebouw te voorzien. Alleen niet op de plek waar het nu staat, op de plaats van de oude Joodse buurt. Ik zal nooit meer vergeten dat onder elke stap die je in en rond het Stadhuis en het Operagebouw zet de tragische geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Amsterdam te vinden is.

Boekman, Nationale Opera, Spel en tekst: Harpert Michielsen, Muziek en Spel: Erik van der Horst, Regie: Michiel de Regt, Dramaturgie: Wout van Tongeren, Oorspronkelijke muziek (versie2021): Bart Sietsema

8 Der Ring Necati Öziri HF Een hilarische, maar tegelijkertijd oprecht betrokken kijk op Wagners Ring binnen de context van moderne sociale verhoudingen, man-vrouw, patriarchaat, matriarchaat en Wagners ideeën over een nationalistisch ‘wij’ en wie daar dan wel en niet bij mogen horen.

Ik had uit het Holland Festival ook Kein Licht op van teksten Elfriede Jelinek, muziek Philippe Manoury en regie Nicolas Stemann kunnen kiezen, voor mij het derde hoogtepunt van het afgelopen Holland festival.

9 Katia Kabanova Janacek NTR ZaterdagMatinee ook fraai semi-geënsceneerde uitvoering van het werk. Ik had ook L’Italiana in Algeri kunnen kiezen, idem uitgevoerd, maar Janacek is gewoon een stuk substantiëler. Of de Rheingold in authentieke bezetting. Ik vind een goede Wagner altijd geweldig, maar vond het concept voor een deel ook lood om oud ijzer; Boulez’ aanpak was verhelderender. Maar Die Walküre komt er ook aan en daar zal het idee zich echt kunnen bewijzen.

10 Königskinder Humperdinck DNO Half in de vergetelheid geraakt bijna-meesterwerk met een fascinerende ontstaansgeschiedenis en een fascinerend vervolg (Joods Duitsland ontmoet antisemitisch Duitsland), op een overtuigende manier afgestoft, in muzikale aanpak en enscenering.

Er was helaas geen plaats meer The Book of Water Michel van der Aa met Amsterdam Sinfonietta

en Het Barre Land van Sinfonietta/ISH, Layegh, Stravinsky, Berg, Džajkovski, Nyman, Dessner, Avison, Ronner, Karaindrou, Casals, Pärt, Say & Sylvestrov, allebei ook fraai.

Het kan zijn de ingrepen in of eigenlijk juist het weglaten uit Turandot in de productie van DNO de voorstelling in de herinnering zullen doen rijpen. In de nawerking overtuigt het idee dat de voorstelling moest stoppen waar Puccini moest stoppen meer en meer.

Ik heb CDs en concerten buiten beschouwing gelaten, anders had ik het zeker ook moeten hebben over de motetten van Vicente Lusitano op CD door het Marian Consort, kippenvel bij Graindelavoix en het Huelgas Ensemble in het Festival Oude Muziek, klankpracht en sensualiteit met Dallapicola, Respighi en Rick van Veldhuizen bij het KCO en het NedPho, en, een beetje in de lijn van het kerstverhaal zelf, is er ook geen plaats voor het verpletterende kerstconcert als drama met Vox Luminis in de Matinee.

Vroege Wagners: Der fliegende Holländer

Tekst: Peter Franken

Schlußszene aus “Der fliegende Holländer” von Richard Wagner. Bühnenbild der Uraufführung 1843 in Dresden. Reproduktionsholzschnitt
SLUB/Deutsche Fotothek; Deutsche Fotothek

In 1834 verschijnt een roman van Heinrich Heine getiteld Aus den Memoiren des Herrn von Schnabelewopski. Deze Poolse heer brengt een bezoek aan Nederland en woont in de schouwburg in Amsterdam een voorstelling bij van een toneelstuk: De vliegende Hollander.

Als Wagner in juli 1839 met zijn vrouw Minna aan boord van het kleine zeilschip Thetys uit Königsberg vertrekt met bestemming Londen, na overhaast per rijtuig te zijn gevlucht voor zijn schuldeisers in Riga, heeft hij van Heines verhaal reeds kennis genomen. Onderweg komt het schip in een storm terecht en moet toevlucht zoeken in het Noorse fjord Sandwike waarvan de naam letterlijk voorkomt in de Holländer die later zal ontstaan. Naar verluidt valt hier ook de herkomst van de naam Senta te traceren die doet denken aan de aanduiding voor dienstmeisje in het plaatselijk dialect: tjenta.

Het werk aan de Holländer vond hoofdzakelijk plaats in Parijs, waar Wagner zich na een kort verblijf in Londen had gevestigd in een poging daar naam te maken. Na de voltooiing van zijn grand opéra Rienzi die hij niet aan de Parijse Opéra opgevoerd kreeg, nam Wagner afscheid van dit genre en sloeg een geheel nieuwe weg in die uiteindelijk zou leiden tot doorgecomponeerde werken zonder showstoppers.

Bij Heine heette de vrouwelijke hoofdpersoon Katharina en het verhaal speelde zich af in Schotland. Wagner heeft hierop voortgeborduurd en gebruikte de namen Donald en Georg voor respectievelijk de latere Daland en Erik. Katharina is bij hem ook al in de Schotse versie Senta geworden. Deze vroege versie van de Holländer bereikte de bühne in Parijs al evenmin waarna Wagner de moed opgaf en terugkeerde naar Duitsland. Het werk beleefde zijn première op 2 januari 1843 in Dresden, slechts een paar maanden na Rienzi.

Het geloof in geesten en spoken is sterk afgenomen in de westerse wereld sinds het christendom daar vaste voet aan de grond kreeg. Een legende waarin ze voorkomen wordt in het algemeen slechts gezien als een verhaal dat men beslist niet letterlijk dient op te vatten. Op dat punt wringt het een beetje met het verhaal van de Holländer. Wagner blijft in dit werk dicht bij de werkelijke bestaande wereld: Noorse zeelieden, jagers, spinnende vrouwen. Je krijgt het idee dat je dat dorp gewoon in Baedeker kunt vinden. Maar toch gaat alles en iedereen mee in de bovennatuurlijke zaken die om de figuur van de Holländer hangen. De vraag is of dat wel zo vanzelfsprekend zou moeten zijn.

Het fenomeen ‘onbereikbare geliefde’ is algemeen bekend. Die onbereikbaarheid kan het gevolg zijn van een verschil in leeftijd, sociale status en zo meer. Maar ook van het feit dat de geliefde in kwestie niet meer is dan een fantasie, een hersenschim. Vergelijkenderwijs kan ook Senta’s preoccupatie met de Holländer worden opgevat als een haar normale leven overheersende aandacht voor een onbereikbaar persoon. Niet in de zin dat ze verliefd op hem is (het Eros aspect) maar eerder een combinatie van mededogen en opofferingsgezindheid (het Agape aspect). Ze heeft zich als het ware het probleem van die legendarische figuur eigen gemaakt en wil hem verlossen, al kost het haar het leven. Hoe armzaliger het leven dat iemand leidt, althans in de eigen perceptie, des te aantrekkelijker zal de gedachte van zulk een groots gebaar kunnen worden. Bij Senta is het vrijwel het enige dat nog telt. Tegelijkertijd houdt de dood ook een instant verlossing in uit haar eigen bestaan.

Harmonia Mundi heeft een liveopname van Der fliegende Holländer uit het Teatro Real in Madrid uitgebracht. De enscenering is van Àlex Ollé, Pablo Heras-Casado dirigeert. Het resultaat is verdienstelijk. Àlex Ollé, lid van het theatercollectief La Fura dels Baus, heeft zich in deze productie geheel geconcentreerd op het creëren van mooie, spectaculaire beelden en een goedverzorgde personenregie. Er is geen sprake van enig concept dat over de handeling is gelegd. Weliswaar komt er geen ruimte met spinnende vrouwen aan te pas, maar we zien overduidelijk een opera over zeelieden en vrouwen aan wal.

Links op het toneel staat een gebouw dat lijkt op een metalen scheepsromp. Langs een lange ladder dalen de Steuermann en zijn baas Daland af tot op het strand, met echt zand. Het schip van de Holländer is in de wat donkere filmbeelden niet te zien. Later wordt echter de indruk gewekt dat het dan opengewerkte deel van de scheepsromp dubbelt als verblijf voor beide scheepscrews. Tijdens het koor van de Noorse matrozen zijn hier fascinerende lichtbeelden te zien, met stroboscopische effecten. De Holländer is krijtwit, evenals zijn kleren. Ook de andere mannen lopen er een beetje mat gekleed bij. De vrouwen daarentegen zorgen voor kleur in het geheel.

Tijdens het koor ‘Summ und brumm’ zitten de dames op het strand wat onbestemde spulletjes te poetsen. Onduidelijk is wat hier wordt bedoeld. Zijn ze aan het strandjutten geweest? Tot en met de laatste scène zal de gehele handeling zich op het strand en een paar achterliggende ‘duinen’ afspelen. Schitterende lichteffecten maken van de laatste scène, waarin de Holländer achtervolgd door Senta de zee inloopt, tot een indrukwekkend beeld.

De rol van Daland wordt vertolkt door Kwangchul Youn. Daland krijgt van de Holländer een paar armbanden en een ketting (ja, echt waar) en mag vervolgens direct een hele tas vol kostbaarheden meenemen aan boord. Senta is verkocht met betaling vooraf. Uitstekend gezongen deze Daland en ook mooi geacteerd in ‘Mögst du mein Kind?’

 Opvallend goed gezongen is de Erik van Nikolai Schukoff. Hij is prima bij stem en hoeft nergens te forceren; hij zingt zijn personage als een ‘Lohengrin light’. Als jager komt hij op in passende kledij en draagt een geweer. Leuke details. Ook zijn collega-tenor Benjamin Bruns komt goed uit de verf. Hij weet zijn gefrustreerde Steuermann – thuiskomst gemist en dan ook nog eens opgezadeld worden met de nachtwacht – overtuigend gestalte te geven en zijn zang is dik in orde.

De twee hoofdrollen zijn in handen van Samuel Youn en Ingela Brimberg. De Senta van Brimberg is door Ollé tot in de kleinste details geregisseerd, met bijzonder mooi resultaat. Hoewel Brimberg in de lastige hoogste passages wel een klein beetje moet forceren (wie eigenlijk niet?) is haar uitvoering beslist top. Haar tegenspeler Youn zet een wat creepy Holländer neer en geeft haar in alle opzichten goed partij. Op de casting van de hoofdpersonen valt niets aan te merken.

Pablo Heras-Casado laat het orkest spelen alsof hij vooral wil vermijden dat iemand in de gaten krijgt dat dit een opera van Wagner is. Wellicht heeft hij iets gefantaseerd in de trant van ‘hoe zou de tweede opera die Beethoven nooit schreef geklonken hebben?’ Alles klinkt rustig en zacht, en in een zeer ingehouden tempo als iemand een lang verhaal aan het vertellen is.

Dat komt de verstaanbaarheid tijdens de lange monologen van Daland, Holländer, Steuermann en Erik zeer ten goede, maar maakt wel dat de opname wat uitloopt. Heras-Casado neemt bijna een kwartier extra ten opzichte van sommige van zijn collega’s. In ‘Mögst du mein Kind’ klinkt het orkest onbeschaamd romantisch, hoezo Wagner?

Pas tijdens de grote koorscène ‘Steuermann! Laß die Wacht’ en in de slotscène klinkt het orkest op wagneriaanse sterkte en wordt ook het tempo wat opgeschroefd. Dat gaat helaas ten koste van de kwaliteit van de bijdrage van het koor. Sowieso vormt het koor muzikaal het zwakke punt in de productie. De leden hebben moeite met de tekst en raffelen die af om het orkest bij te houden, struikelend over hun eigen woorden, zo lijkt het. Aan Ollé ligt het niet, het koor acteert uitstekend, en aan Heras-Casado eigenlijk ook niet. Koordirigent Andrés Máspero had er gewoon meer tijd voor moeten nemen (of krijgen).

Foto’s: ©J avier del Real / Teatro Real

José Carreras in just few of his many roles

Carreras in just few of his many roles

LA TRAVIATA

Tokyo 1973


And don’t think that in the old days, when everything was done by the book, the performances were static and boring! In 1973, La Scala was on tour in Japan, and there, in Tokyo, a legendary performance of La Traviata was recorded (VAI 4434).

The leading roles were played by the then still ‘curvy’ Scotto and 27-year-old (!) José Carreras. DVD does not mention the name of the director, perhaps there was none, and the singers (and the conductor) did it all themselves? Anyway, the result is really beautiful, moving and to the point. I am not going to say any more about it, because this recording is an absolute must for every opera lover.

Finale of the opera:

L’ELISIR D’AMORE 1976

My beloved CD recording is live and, to be honest, far from perfect (Legato Classics LCD 218-2). Yasuko Hayashi is only so-so as Adina, she is no more than average and the use of her voice is too heavy.

But the men! José Carreras is a dream of a Nemorino – silly and hopelessly in love. On him the potion is actually well spent, it really makes him happy and elated.

Geraint Evans is a delightful Dulcamara, more than a bit exaggerated, but entirely in the spirit of the character. Thomas Allen is a very potent Belcore and the Covent Garden orchestra and choir are very spiritually and engagingly conducted by John Pritchard.

The recording (London, 1976) sounds fine. As a bonus, we get a recital that Carreras gave at Carnegie Hall 30 November 1980, on which he also sings some lesser-known arias and songs, including parts from Leoncavallo’s Lady Chatterton and Rossini’s Pietra del Paragone.

SIMON BOCCANEGRA 1977

In 1971, Claudio Abbado conducted a magisterial and now legendary performance of Boccanegra at La Scala. It was directed by Giorgio Strehler and the beautiful sets were designed by Ezio Frigerio. In 1976, the production was shown at the ROH in Covent Garden. Unfortunately, no official (there are ‘pirates’ in circulation) video of it was made, but the full cast did fortunately go into the studio, and thus the ultimate ‘Simone’ was recorded in 1977 (DG 4497522).

Abbado treats the score with such love and such reverence as if it were the greatest masterpiece of all time, and under his hands it really does transform into a masterpiece without parallel. Such tension, and with all those different nuances! It is so, so beautiful, it will make you cry.
The casting, too, is the best ever. Piero Cappuccilli (Simon) and Nicolai Ghiaurov (Fiesco) are evenly matched. Both in their enmity and reconciliation, they are deeply human and always convincing, and in their final duet at the end of the opera, their voices melt together in an almost supernatural symbiosis:

Before that, they had already gone through every range of feeling and mood, from grievous to hurtful, and from loving to hating. Just hear Cappuccilli’s long-held ‘Maria’ at the end of the duet with his supposedly dead and now found daughter (‘Figlia! A tal nome palpito’).

José van Dam is an exquisitely vile Paolo and Mirella Freni and Jose Carreras are an ideal love couple. The young Carreras had a voice that seems just about created for the role of Adorno: lyrical with a touch of anger, underlining Gabriele’s brashness. Freni is more than just a naive girl; even in her love for Adorno, she shows herself to be a flesh-and-blood woman

HERODIADE 1984


 This recording also may only be obtained via a pirate (or You Tube), but then it is complete and moreover with (admittedly bad) images!


Dunja Vejzovic portrays a deliciously mean Hérodiade and Juan Pons is a somewhat youthful but otherwise fine Hérode. A few years later, he will become one of the best “Hérodes” and you can already hear and see that in this recording.

Montserrat Caballé is a fantastic Salomé, the voice alone makes you believe you are in heaven and José Carreras is very moving as a charismatic Jean.

Below, Carreras sings ‘Ne pouvant réprimer les élans’:



None of the protagonists is really idiomatic, but what a pleasure it is to watch a real Diva (and Divo)! They really don’t make them like that any more

The whole opera on you tube:

LA JUIVE

Vienna 1981

I have never been able to understand why José Carreras added the role of Éléazar to his repertoire. It did fit in with his desire to sing heavier, more dramatic roles. Roles that were one size too large for his beautiful, lyrical tenor. Which absolutely does not mean that he could not sing the role! He succeeded quite nicely and the result is more than worth listening to, but he doesn’t sound truly idiomatic.

In the live recording from Vienna 1981 Carreras also sounds too young (he was only thirty-five then!), something that is particularly noticeable in the Seider-evening scene. It is sung beautifully, but due to a lack of weight he tends to shout a bit.

José Carreras sings ‘Rachel, quand du Seigneur’.

Ilona Tokody is a Rachel of a Scotto-like intensity (what a pity she never sang the role onstage!) and Sona Ghazarian sings an excellent Eudoxie.

Studio recording 1989

La Juive, recorded by Philips in 1989, marked the first studio recording Carreras made after his illness. His voice was now less sweet and smooth than before, but sounded much more alive, which improved his interpretation of the role.

Julia Varady is a beautiful Rachel, perhaps one of the best ever and Eudoxie is in excellent hands with June Anderson.

Dalmacio Gonzales is a more than decent Léopold, in any case much better than Chris Merrit and the French-American-Portuguese conductor Antonio de Almeida shows he has a real affinity with the opera. (Philips 475 7629)

LA BOHEME

Metropolitan Opera New York 1982


Musetta was not really a role with which we associate Scotto. Neither did she herself, but she accepted the challenge with both hands. In the Zefirelli Met production of 1982, she sang a Musetta to die for. Alongside the very moving José Carreras and Teresa Stratas, she was the undisputed star of this recording (DG 073 4539 9).

TURANDOT 1983

Harold Prince, with no less than 21 Tony Awards to his name, one of the biggest (if not the biggest) musical producers/directors, tackled ‘Turandot’ (Arthaus Musik 107319) in 1983, with very impressive results. He created a world of illusion ruled by fear, where the inhabitants, dressed in dazzling costumes, hide themselves (and their true feelings) behind masks. Beautiful and terrifying at the same time.

Eva Marton sings a phenomenal Turandot and Katia Ricciarelli is a fragile, pitiful Liù. Her “Signore ascolta” spun out with the most beautiful pianissimi is heartbreaking.

And José Carreras… He makes me cry too, because at the age of 37 he had one of the most beautiful (lyrical) voices in the world. But Calaf was not his role. He sings it beautifully, but one hears him crossing his own boundaries. And yet …. His hopeless macho behaviour, which goes against all odds, not only fits the concept of the director, it also illustrates Calaf’s character perfectly. At least for me.

The orchestra from Vienna is conducted by Lorin Maazel. Not my favourite conductor, but in this case, I have no reason to complain.

Metamorphoses as a symbol of transfiguration of the world, after the war


It was at the end of the Second World War that Richard Strauss composed his Metamorphoses for twenty-three strings. The piece, one of his last works, is based on mythological stories by Ovid, in which the creation and history of the world are based on Greek and Roman mythology.

It is generally believed that Strauss composed the work in response to the horrors of war while also mourning the destruction of Germany. And that it was a kind of elegy to the devastating bombing of Munich, especially the Munich Opera.
The final section entitled ‘In Memoriam’ could indicate that the piece was intended as a musical monument for culture in general, and German culture in particular, which is why some, including Matthijs Vermeulen, took the composition to be a lament for Hitler and for the downfall of the Nazi regime (source: Wikipedia). I can’t imagine it, but: who am I?

According to Richard Straus (and Beethoven) specialist Dr Jürgen May, it was Strauss’s way of expressing his sorrow for “more than three thousand years of the cultural development of mankind”.

In the composition, quotations from Beethoven’s Eroica and his Fifth Symphony can also be heard, as well as from Wagner’s Siegfried Idyll. That the work is rather sombre and very emotional is obvious. Especially the ‘In Memoriam’ will not leave you unmoved.


Richard Wilson The Destruction of the Children of Niobe 1760


“Childless she sat down dejectedly […] Yet she weeps, and […] she is carried away to her fatherland; there, set on a mountain top, she wears away, and even now tears flow from the marble” (source Latin and Greek, anonymous translation).

With the other works on the CD, from Schreker and Korngold, the feeling of desolation and abandonment is coninued.Franz_Schreker

Franz Schreker composed the Intermezzo, the oldest piece (and also the shortest) on the disc, in 1900. That was a long time before he would write his greatest works and his operas would be performed with enormous success in the biggest opera houses of, in particular, Austria and Germany. Yet, in the narcotic ‘Ferne Klang’, you can already hear Schreker’s musical characteristictics.

Korngold wrote his Symphonic Serenade shortly after the Second World War, when he had left Hollywood for a while to come to Vienna. He worked on it from 1947 and at the same time he also began what he thought would be his greatest work, the Symphony in F-sharp. John Wilson with his Sinfonietta London had already recorded this Symphony with stunning result. This CD is no less impressive.


Richard Strauss, Metamorphoses
Franz Schreker, Intermezzo op.8
Erich Wolfgand Korngold, Symphonic Serenade for Strings op.39
Sinfonia of London olv John Wilson
Chandos CHS

Metamorfosen als symbool van transfiguratie van de wereld na de oorlog

Het was aan het einde van de Tweede Wereldoorlog dat Richard Strauss zijn Metamorphosen voor drieëntwintig strijkers componeerde. Het stuk, één van zijn laatste werken, is gebaseerd op mythologische verhalen van de Ovidius, waarin schepping en geschiedenis van de wereld gebaseerd zijn op de Griekse en Romeinse mythologie.

Het wordt algemeen aangenomen dat Strauss het werk componeerde als reactie op de verschrikkingen van de oorlog en rouw om de vernietiging van Duitsland. Dat het een soort van elegie was voor de verwoestende bombardementen op München, met name de Münchener Opera.

Het slotdeel getiteld ‘In Memoriam’ zou erop kunnen wijzen dat het stuk bedoeld was als een muzikaal monument voor cultuur in het algemeen, Duitse cultuur in het bijzonder, waardoor sommigen, o.a. Matthijs Vermeulen zagen de compositie als een klaagzang voor Hitler en de teloorgang van het naziregime (bron: Wikipedia). Ik kan het mij niet voorstellen, maar: wie ben ik?

Volgens Richard Straus (en Beethoven) specialist dr. Jürgen May was het Strauss’ manier om zijn treurnis voor “meer dan drieduizend jaar van de culturele ontwikkeling van de mensheid” te uiten

In de compositie zijn ook citaten uit Beethovens Eroica en diens vijfde symfonie waarneembaar, alsook uit Siegfried Idyll van Wagner. Dat het werk nogal somber en zeer ontroerend is, is nogal wiedes. Voornamelijk de ‘In memoriam’ laat je niet onberoerd.

“Kinderloos ging ze moedeloos neerzitten […] Toch huilt zij en […] is zij meegesleurd naar haar vaderland; daar, vastgehecht op de top van een berg, smelt zij weg, en ook nu nog laat het marmer tranen vloeien” (bron Latijn en Grieks, anonieme vertaling)

Met de daarop volgende werken van zowel Schreker en Korngold houd je het gevoel van troosteloosheid en verlatenheid aan.

Franz Schreker componeerde het Intermezzo, het oudste stuk (en ook de kortste) op de schijf, in 1900. Het was nog lang voor hij zijn grootste werken schreef en zijn opera’s, met enorme succes uitgevoerd werden in de grootste operahuizen van, met name, Oostenrijk en Duitsland. Toch hoor je er al in de narcotiserende ‘Ferne Klang’, Schrekers muziek zo eigen.

Zijn Symphonische Serenade schreef Korngold kort na de Tweede Wereldoorlog toen hij even Hollywood verliet en naar Wenen kwam. Hij werkte er aan vanaf 1947 en in dezelfde tijd begon hij ook aan wat hij dacht dat zijn grootste werk zou worden Symfonie in Fis. John Wilson met zijn Sinfonietta London heeft zich al eerder over de Symfonie ontfermd met een verbluffend resultaat. Deze cd doet daar niet voor onder.


Richard Strauss, Metamorphosen
Franz Schreker, Intermezzo op.8
Erich Wolfgand Korngold, Symphonic Serenade for Strings op.39
Sinfonia of London‎ olv John Wilson
Chandos CHSA5292 (SACD)




Suite for Orchestra by Weinberg is nothing less than a revelation

And once again, I was almost knocked out by an unknown work by Mieczyslaw Weinberg. Not so much by his seventeenth symphony, which I had not heard before: it is certainly beautiful but it not really surprising. But his Suite for Orchestra, from 1950, really is!

This work originated in the difficult fifties; difficult for Weinberg (and other Soviet composers), because in those years you could not so sure of what you were, or were not, allowed to put into your music, as anything at all might be turned against you.

Already in the first few seconds of the first movement, ‘Romance’, I was captivated by the unprecedented beauty of the melancholic sound of the trumpet, which in the second movement, ‘Humoresque’, makes way for a cheerful lightness. It is just like a bouncy dance, with a quotation or two from Mahler’s fourth symphony. Part three, ‘Waltz’, resembles the well-known waltz from the second Jazz Suite by Shostakovich.

The nineteen-minute Suite for Orchestra is nothing less than a revelation and the chances of it becoming a ‘hit’ are great. I am therefore very surprised that the work has remained hidden for so long: the recording by the Siberian State Symphony Orchestra has its world premiere here.

Symphony No. 17, nicknamed Memory, together with No. 18 (War, there is no world more cruel) and No. 19 (Bright May) forms a unity, a trilogy with the nickname ‘On the Treshhold of War’. Like the other two symphonies previously recorded by Naxos, this one too has ‘The Great Patriotic War’, or the Second World War, as its theme.

Whereas the eighteenth was based on a poem by Aleksandr Tvardovsky, number seventeen is based on a poem by Anna Achmatova:

‘Your power and freedom
But in the treasure-house of the people’s memory
There will always remain
The incinerated years of war’.



Like the works themselves, the performance by the Krasnoyarsk orchestra is miraculous. Conductor Vladimir Lande has already shown in the earlier recording how much affinity he has with Weinberg’s music, but here he surpasses himself.



MIECZYSLAW WEINBERG
Suite for Orchestra (1950),Symphony No.17 ‘Memory’, Op.137
Siberian State Symphony Orchestra (Krasnoyarsk) conducted by Vladimir Lande
Naxos 8573565

War… there is no word more cruel

Nieuwe uitgave Don Quixote door Harmonia Mundi

Tekst: Peter Franken

François-Xavier Roth dirigeert het Gürzenich Orchester Köln in twee werken van Richard Strauss die nadrukkelijk deel uitmaken van het erfgoed van dit orkest. Don Quixote beleefde hier in 1898 zijn Uraufführung, evenals een paar jaar eerder die van Till Eulenspiegels lustige Streiche. Roth sluit hiermee een trip down memory lane af. Eerder nam hij al de Derde en de Vijfde van Mahler op die onder leiding van de componist in 1902 respectievelijk 1904 hun premières beleefden bij dit orkest.

Beide stukken hebben de grillige avonturen van denkbeeldige helden als onderwerp, legendarische personages die in veel opzichten tot het genre van de schelmenroman gerekend kunnen worden.

Don Quixote is wel beschouwd een orkestsuite in 13 delen voor cello en altviool. Hiervoor zijn cellist Jean-Guihen Queyras en altvioliste Tabea Zimmermann aangetrokken. De cello vertegenwoordigt hierin bijna vanzelfsprekend de rol van de meester terwijl zijn knecht Sancho Panza tot leven wordt gebracht door de altviool, bijgestaan door een tuba en basklarinet om het onbeholpen karakter van deze sukkelige figuur te benadrukken.

Na de introductie passeren de belangrijkste episodes uit Cervantes’ roman de revue om te eindigen met de dood van de titelheld. Of was het misschien toch maar een kwade droom?

Till Eulenspiegel is een kort concertstuk zonder solist in de vorm van een rondo. Till wordt gekarakteriseerd door twee motieven. Het eerste bij wijze van introductie is een wat gehaast klinkende hoornsolo. Het tweede komt voor rekening van een ondeugend klinkende klarinet.

Ter aanvulling is nog de Romanze voor cello en orkest (TrV 118) uit 1883 toegevoegd waarmee de totale speelduur op 64 minuten wordt gebracht. Voor liefhebbers van Strauss een aanrader.

Richard Strauss: Don Quixote & Till Eulenspiegel
Tabea Zimmermann (viola), Jean-Guihen Queyras (cello),
Gürzenich-Orchester Köln olv François-Xavier Roth
Harmonia Mundi HMM902370

Erwin Schulhoff: genres and music crossing borders

Schulhoff box

“Music should primarily bring physical pleasure, even ecstasy, to the listener. It is not philosophy, its origin lies in ecstatic situations and its expression in rhythm”  Erwin Schulhoff wrote in 1919.

From his earliest youth, Schulhoff was fascinated by everything new. His music transcended borders and genres – sometimes even those of ‘good decency’. He was a man of extremes, heartily embracing dada and jazz, and he also had a particular liking for the grotesque. No wonder that the synthesis of jazz and classical music, of everything in fact, became for him not only a challenge, but ultimately his artistic credo.

Schulhoff Lockenhaus


My first acquaintance with the composer and his music was thirty years ago, at the Lockenhaus chamber music festival, led by Gidon Kremer. It was mainly his string sextet, with its strong Janaček influences, that made me gasp for air. Since that day I was hooked. It took a long time, but in the meantime Schulhoff has found his way to the concert stages and recording studios. Especially the latter, because he is still too rarely programmed at concerts.

Schulhoff etersen


My very first record encounter with the composer was the recording of his complete string quartets by the Petersen Quartet, in 1992. To my delight, the string quartets are also in the six-CD box set recently released by the Capriccio label. These are recordings of many of his works (dear Capriccio: there is more!) made by Deutschlandfunk Kultur between 1992 and 2007. Most of these recordings have already appeared on Capriccio (but also on other, often no longer existing labels).

The 2007 recording of the Double Concerto for flute and piano, with Dutch flutist Jacques Zoon as soloist, is new to me. And it is so beautiful! Also new to me is the recording of the Second and Fifth Symphonies, in which the Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks is conducted by the greatest advocate of ‘entartete composers’, James Conlon.



ERWIN SCHULHOFF
Symphonies no. 2 & 5, Piano Concerto op. 34, Concerto Doppio, Concert for string quartet and winds, String quartets no. 1 & 2, String sextet, Sonata for violin solo, Duo for violin and cello, Piano sonatas no. 1 & 3, Piano works
Jacques Zoon (flute); Frank-Immo Zichner, Margarete Babinsky (piano); Petersen Quartet; Leipzicher Streichquartett; Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks conducted by James Conlon; Deutscher Symphonie-Orchester Berlin conducted by Roland Kluttig
Capriccio C7297

War… there is no word more cruel

Weinberg 18

Mieczyslaw Weinberg, or at least his music, is making an accelerated catch-up. After years of being completely ignored, his works are being programmed more and more often, and one composition after another by the great master (for that is what he undoubtedly was,) is being recorded and released on CD.

Many of his compositions are strongly influenced by his teacher and intimate friend, Dmitri Shostakovich, but never before have I perceived this influence so strongly as in his trumpet concerto composed in 1966. Of course, this is also due to the choice of instrument. Like no other, the trumpet is perfectly suited to express irony, the favourite form of expression of both composers. No wonder that Shostakovich’s Concerto for Piano, Trumpet and Strings comes to mind.

The orchestration is also ‘des Sjostakovichs’: think of his Lady Macbeth of Mstsensk. The essential difference lies in its overall refinement and in the development and solution of the main theme. Where the teacher still set his own limit, the pupil takes it a step further, into the wide world.

Part two, Episodes, strongly reminds me of Ives and in the third part, the Fanfares, Weinberg explores atonality. In doing so, he freely makes use of improvisations and free jazz.

Andrew Balio is, I think (I do not know him), one of the greatest virtuosos among trumpet players. His melancholic sound in the second movement contrasts sharply with his fantastic improvisations in the third.

The 18th symphony is, as the title suggests, nothing less than a major indictment of war. Composed for the Soviet Union in the turbulent 1980s, it does not fail to impress with its unconventional division of the movements. It starts with an adagio and it also ends with an adagio; the pianissimo poem by Aleksandr Tvardovsky sung by the choir:

“War – there is no word more cruel.
War – there is no word more sad.
War – there is no word more holy
In the sorrow and the glory of these years.
There is and there could not be
Any other word on our lips.”

Very impressive.

Petje af voor Martha Argerich

Die Martha toch! Tachtig inmiddels maar stoppen? Ho maar. Integendeel, nog steeds maakt zij nieuwe opnamen en haar kennende verwacht ik dat zij binnenkort overal in de wereld de show gaat stelen met haar optredens. Zoals ook op de DG-cd waarop zij de ‘Fantasie voor piano en orkest’ van Debussy speelt. Zij heeft het werk niet eerder opgenomen, een primeur aldus.

Zij speelt op haar Martha’s: een beetje onstuimig, met veel kleurnuances en alle aandacht opeisend. De door Barenboim geleide Staatskappele Berlin wordt hier gedegradeerd door niet meer dan een fatsoenlijke begeleider van een ster. Wat ik niet erg vind.

In ‘La Mer’ is Barenboim mij een beetje kwijt. Gewend zoals ik ben aan meer impressionistische ‘penseeltekeningen’ word ik hier een beetje bang gemaakt door het geweld van de zee. Maar goed: dat kan, kwestie van interpretatie.

Wat de vioolsonate, gespeeld door Barenboims zoon Michael betreft, ik heb het al beter gehoord. Niet dat het slecht is, maar het mist de mystiek die ik zo in andere opnamen zo waardeer. Probeer maar Shlomo Mintz met Yefim Bronfman:


Kian Soltani kan mij ook niet helemaal overtuigen in de cellosonate. En aangezien het Barenboim is en niet Argerich die in beide werken de pianopartij speelt is de cd cover een beetje misleidend.

Claude Debussy
Fantaisie pour piano et orchestre L 73; Violin Sonata in G minor, L. 148; Cello Sonata in D Minor, L. 135; La Mer, L. 109
Martha Argerich en Daniel Barenboim (piano), Michael Barenboim (viool), Kian Soltani (cello)
Staatskapelle Berlin olv Daniel Barenboi
DG 74797990