orkestraal/concerten

FLORENT SCHMITT: Suites from ‘Antoine et Cléopâtre’ & Symphony No.2

Schmitt Suites

Ik weet het, ik weet het: de schepper is zijn werk niet en de mooiste creaties zijn ook aan het  verdorven brein ontsproten… maar soms is het zo moeilijk.

Neem bij voorbeeld de Franse componist Florent Schmitt. In de jaren dertig van de vorige eeuw ontpopte hij zich als een antisemiet en een groot bewonderaar van Hitler, tijdens de oorlog collaboreerde hij met het Vichy-regime.

 

Schmitt foto

Florent Schmitt © Past Daily

Maar ik vind zijn muziek heel erg mooi, al haalt hij het niveau van zijn tijdgenoten en medeoprichters van Cociété musicale indépendante, Ravel, Fauré, Vuillemoz en Koechlin niet. In 1900 won hij Prix de Rome en tijdens zijn verblijf in Rome componeerde hij veel van zijn mooiste werken, waaronder Psaume XLVII en La tragédie de Salomé.


Kort na de première in 1920 van zijn avondvullend ballet Antoine et Cléopâtre haalde Schmitt twee suites er uit, maar echt repertoire houden deden ze niet. Zijn tweede symfonie componeerde hij toen hij al 87 was. Het is een aardig stuk muziek, best plezierig om naar te luisteren, maar echt beklijven doet het niet.

Het ligt niet aan de uitvoering: Sakari Oramo haalt uit het BBC Symphony Orchestra werkelijk alles wat er uit te halen is. De ietwat bedwelmende sfeer komt goed over en maakt dat je je in de klank kan onderdompelen. Wat zonder meer ook aan de onvoorstelbaar goede opname ligt, die is meer dan subliem. Wat een geluid!


FLORENT SCHMITT
Suites from ‘Antoine et Cléopâtre’
Symphony No.2
BBC Symphony Orchestra olv Sakari Oramo
Chandos CHSA 5200

Meer WALTER BRAUNFELS op Capriccio. En op CPO.

Braunfels Concert Overture

Braunfels’ muziek is twee keer gestorven. De eerste keer toen zijn composities door de Nazi’s ‘entartet’(gedegenereerd) werden verklaard. En de tweede keer toen de naoorlogse muziekpausen alles wat tonaal was en naar romantiek riekte als ‘bedorven’ hebben bestempeld. Hun esthetiek (of eigenlijk het gebrek er aan) is al lang in de stoffige archieven opgeborgen maar de muziek van Braunfels (én Zemlinsky, én Korngold, én Schreker) wordt nog steeds te weinig uitgevoerd.

Superblij ben ik dus met de Braunfels-cyclus van de Duitse label Capriccio: inmiddels zijn we bij deel vier beland. Het is niet zo dat we nu de verloren gewaande meesterwerken gaan ontdekken, maar: moet dat? Ook de middelmaat – mits goed en geloofwaardig uitgevoerd verdient een plaats op de podia.

In de ‘Zwei Hölderlin-Gesänge’ hoor je Braunfels op zijn best. Hij had iets met de menselijke stem, niet voor niets zijn zijn opera’s en liederen zo fascinerend! De liederen worden goed gezongen door Paul-Armin Edelmann, toch betrap ik mij op de gedachte dat er misschien wat meer uit te halen valt. Edelmann beschikt over een mooie, warme bariton met een zeer aangenaam timbre, maar zijn interpretatie mist iets wezenlijks.

Hij wordt ook niet echt geholpen door het orkest, van de dirigent straalt weinig inspiratie af. Daar gaat ook de Schottische Fantasie voor altviool onder gebukt. Barbara Buntrock speelt prima, dat wel, maar ook zij lijkt weinig bezield.

 


Carnival Ouvertüre op.22, Zwei Hölderlin-Gesänge op.27, Schottische Phantasie op.47, Präludium und Fuge op.36
Barbara Butrock (altviool), Paul-Armin Edelmann (bariton)
Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Phalz olv Gregor Bühl
Capriccio C5308

 

Braunfels Auryn

Nadat hij ‘entartet’ werd verklaard leefde Braunfels in totale afzondering in de omgeving  van de Bodensee. Zijn beide strijkkwartetten zijn daar ontstaan.

Het medium kamermuziek was voor hem totaal nieuw. In de brieven uit die tijd toonde hij zich bijzonder gelukkig met het voor hem nieuw ontdekte idioom: ”Er is niets leukers, dan het werken aan een strijkkwartet” schreef  hij.

Voor zijn eerste kwartet gebruikte hij Verkündigung als zijn voornaamste inspiratiebron en in alle vier de delen citeert hij er rijkelijk uit.

Het  tweede strijkkwartet is iets lichtvoetiger. De eerste twee delen zijn behoorlijk vrolijk en dansant, het vierde met zijn Oosteuropees-Joodse thema’s doet mij sterk aan Sjostakovitsj denken. Niet echt vernieuwend, maar buitengewoon leuk en inspirerend.

 


Walter Braunfels
String Quartets no 1 & 2
Auryn Quartet
CPO 999406-2

Meer Braunfels:
WALTER BRAUNFELS. Liederen, deel 1
VERKÜNDIGUNG

 

Mariss Jansons dirigeert MAHLER 5

Mahler 5 Jansons

Ik ken geen land dat een grotere Mahler-traditie heeft dan Nederland. Wellicht is dat ook de reden dat er elke nieuwe chef-dirigent van het KCO aan zijn eigen Mahler-cyclus begint?

Mariss Jansons deed het in zijn Amsterdamse periode en nu hij zijn tijd voornamelijk in München doorbrengt doet hij het ook met zij Bayerische omroeporkest.

Maar ook voor de Müncheners is Mahler geen terra incognita: al in de jaren zestig hebben ze al zijn symfonieën opgenomen onder hun toenmalige chefdirigent Rafael Kubelik. Op papier ziet de uitgave er dus veelbelovend uit, maar van het resultaat gaat mijn hart niet sneller lopen.

Ik sta open voor allerlei interpretaties en laat mij graag overtuigen maar van de dirigent verlang ik dat hij minstens de tempo aanduidingen van de componist respecteert.

De beroemde Adagietto hoort ‘Sehr langsam’ gespeeld te worden, maar dat doet Jansons niet. Net zo min als de Trauermarsch (In gemessen Schrift. Streng. Wie ein Kondukt)! Vergelijk zijn tempi maar eens met die van Bernstein of mijn absolute favoriet, Eliahu Inbal!

Niet dat Jansons aan het sprinten is, dat ook weer niet, maar opeens moet ik aan de andere vijfde symfonie denken, die van Beethoven. Geen goed teken.

Bij de Rondo-Finale (tempo aanduiding: Allegro) aangekomen heeft de dirigent zijn trein al gehaald en doet hij er twee en een halve minuut langer over dan Bernstein en zelfs drie dan Bruno Walter!

Hoezeer ik Jansons ook niet bewonder: deze cd ga ik niet koesteren.


GUSTAV MAHLER
Symphony nr.5
Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks olv Mariss Jansons
BR Klassik 900150 • 74’

Meer Mahler door Mariss Jansons:

MAHLER 8 van Mariss Jansons

MAHLER 4 Jansons

 

Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz speelt VAUGHAN WILLIAMS

Vaughan Williams Steffens

Ralph Vaughan Williams mag dan één van de belangrijkste Britse componisten uit het begin van de twintigste eeuw zijn geweest, zijn muziek is buiten zijn geboorteland niet heel erg populair. Daar komt nog bij dat de meesten van de vele opnamen met zijn composities werden gemaakt door Engelse (of Amerikaanse) orkesten en dirigenten.

Dat het zo is, is verklaarbaar: Vaughan Williams – en zijn meest naaste collega en vriend Gustav Holst hebben er alles aan gedaan om hun muziek vrijwaren van Duitse invloeden en echte ‘Britse muziek’ te creëren.

Vaghan Williams werd sterk beïnvloed door de muziek uit de zestiende eeuw (Thomas Tallis was de grootste favoriet), daarbij heeft hij rijkelijk uit de Engelse volksmuziek geput en (her)gebruikte hij liederen en dansen van het platteland. En jazeker: dat het hem gelukt is is nogal wiedes, zijn muziek ís anders. Zelf vind ik het prachtig, maar menig – zeker Duits georiënteerde – muziekliefhebber haalt er zijn neus voor op.

Een opname gemaakt door een Duits orkest en gedirigeerd door een Duitse dirigent behoort dan ook tot rariteiten. Maar ook aan muzikale rariteiten geen gebrek op deze cd want de meeste van de door Capriccio opgenomen werken hoor je eigenlijk zelden of nooit.

De aanpak van de Duitsers vind ik buitengewoon fraai. Je hoort nog steeds dat het niet anders dan Engels kan zijn, maar ergens in de verte doemt ook Dvořak op. Dat hoor ik voornamelijk in de ouverture van de opera The Poisoned Kiss, een heerlijk zes minuten durend werkje uit 1927.

Maar het mooist vind ik Fantasia on Sussex Folk Tunes, een onvervalste celloconcerto, meesterlijk en zeer aanstekelijk gespeeld door Martin Rummel. Wist u trouwens, dat het niemand minder was dan Pablo Casals die het werk in 1930 voor het eerst heeft uitgevoerd?


RALPH VAUGHAN-WILLIAMS
The Poisened Kiss; Fantasia on Sussex Folk Tunes; In The Fen Country; Three Portraits from “The England of Elisabeth”
Martin Rummel (cello)
Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz olv Karl-Heinz Steffens
Capriccio C5314 • 70’

Alexei Ogrintchouk speelt RICHARD STRAUSS

Strauss

Richard Strauss was nog maar zeventien jaar oud toen hij zijn Serenade voor dertien blazers componeerde, en dat hoor je. Het werk is nogal classicistisch van stijl, alsof Mozart zelf om de hoek keek en de jongen af en toe wat noten influisterde.

De serenade is een (heerlijk) niemendalletje, maar vergis je niet! Het mocht dan wel makkelijk in het gehoor liggen maar om het goed te kunnen spelen heb je eersteklas musici nodig. Laat het maar aan de blazers van het Koninklijk Concertgebouworkest over en je krijgt een verbluffend resultaat.

De sonatine met een leuke bijnaam ‘Fröhliche Werkstatt’ stamt uit 1945. In de vijfenzestig jaar tussen de twee composities is meer gebeurd dan één mensenleven kan bevatten. Denk alleen aan de twee wereldoorlogen, waarvan de tweede Strauss de componist persoonlijk heeft geraakt en ook zijn reputatie heeft aangetast. Niet dat je het in die Sonatine kunt horen, hoor! Zelf vind ik het werk best aan de zonnige en vrolijke kant.

 

Strauss john-de-lancie

John de Lancie

Het hoboconcert is een verhaal apart. Strauss componeerde het op verzoek van John de Lancie, een Amerikaanse militair, in het civiele leven hoboïst in het Pitsburgh Symphony Orchestra die na de oorlog in Duitsland was gelegerd en Strauss geregeld thuis heeft bezocht

Alexei Ogrintchouk, de van oorsprong Russische solohoboïst van het Koninklijk Concertgebouworkest behoort tegenwoordig tot de grootste elite hobospelers. Zijn toon lijkt van fluweel, zo zacht en zo lief klinkt dat.

De Letse dirigent Andris Nelsons was, voordat hij aan zijn studie directie begon solotrompettist in het orkest van de opera Riga. Zijn ‘blaasverleden’ verloochent zich niet, zoveel affiniteit met de musici en door hen gespeelde werken hoor je niet vaak.

Het is mijn muziek niet, maar als het toch moet, dan graag zo uitgevoerd!


RICHARD STRAUSS
Oboe Concerto; Wind Serenade; Wind Sonatine No.2
Alexei Ogrintchouk (hobo)
Royal Concertgebuw Orchestra olv Andris Nelsons
BIS 2163  • 74’

MAX BRUCH: Violin Concerto No.2

Bruch Liebeck

Waarom wordt het tweede vioolconcert van Bruch zo zelden uitgevoerd? Waarom is het toch altijd nummer één dat geprogrammeerd en opgenomen wordt terwijl nummer twee minstens zo mooi is? Het is zo verschrikkelijk onterecht!

Dat zijn opus 44 in d-klein onder het enorme succes van zijn opus 26 in g-klein zal lijden, dat realiseerde Bruch zich ook. Niet voor niets verzuchtte hij dat hij eigenlijk de uitvoeringen van zijn nummer één zou willen verbieden!

Verbieden is dan misschien al te radicaal, het is dan ook niet mogelijk en ook niet wenselijk, maar als we nou eens met de heren en dames concertprogrammeurs zouden afspreken om vaker nummer twee op de affiches te zetten?

Dat het concerto uit 1890 een ‘echte Bruch’ is,  dat hoor je bij de eerste maat al: taaam ta taam…. Die zit. Goed, je komt geen verrassingen tegen, maar dat hoeft ook niet. Er is helemaal niets op tegen om je aan mooie deuntjes, harmonische akkoorden en een orkest in vol ornaat te laven. Romantiek is geen scheldwoord.

Is het tweede concert nog enigszins bekend, de andere stukken op deze cd zijn dat niet. Zelf werd ik bijzonder getroffen door de ontroerende schoonheid van het twee jaar later gecomponeerde In Memoriam. “Een lamentatie, een instrumentale elegie”, heeft Bruch zijn compositie genoemd, maar ontkende verder dat het werk aan een persoon of een gebeurtenis uit het verleden werd opgedragen. En wie zijn wij om hem niet te geloven?

Ik kan mij geen beter pleidooi voor al dat moois voorstellen dan die van de jonge Engelse violist Jack Liebeck.  Dat zijn naam nieuw voor mij is verbaast mij zeer: violisten van zijn kaliber zijn dun gezaaid.

Liebecks viool (een Guadagnini uit 1785) zingt, fluistert en gromt waar nodig. Zijn fluwelen toon en zijn fenomenale strijkvoering doen mij aan die van Perlman denken. Virtuoos en zeer liefdevol. Het verwondert mij dan ook niet dat Liebeck, net als Perlman, naast zijn vele concertoptredens ook solistische bijdragen heeft geleverd aan filmscores, waaronder ‘Jane Eyre’ en ‘Anna Kerenina’.

Voor Hyperion heeft Liebeck al eerder het eerste en het derde vioolconcert van Bruch opgenomen, beiden heb ik meteen besteld.

Mensen: koop de cd en laat je ontroeren!

MAX BRUCH
Violin Concerto No.2 in D minor Op 44, Konzertstück in F sharp minor op. 84, In Memoriam in C sharp minor, Adagio appassionato in F mineur op.57
Jack Liebeck, viool
BBC Scottish Symphony Orchestra olv Martyn Brabbyns
Hyperion CDA68055 • 67’

DAS LIED VON DER ERDE door Jonas Kaufmann

 

Mahler Kaufmmann

Soms zouden zelfs de grootste zangers tegen zichzelf beschermd moeten worden. Hoe groot de drang, behoefte of dwang ook niet is: sommige dingen kun je beter niet doen, zeker als het twijfelachtige resultaat bij voorbaat al vaststaat. Jonas Kaufmann is een wereldtenor en zijn ongewone talent staat buiten kijf, maar zelfs de voetbal spelende supergoden kunnen de plank volledig misslaan bij kampioenschappen ballroomdansen.

In het boekje vertelt Kaufmann van zijn fascinatie voor Das Lied von der Erde en zijn bewondering voor Fritz Wunderlich die het werk, samen met Christa Ludwig voor Otto Klemperer had opgenomen. Dat wilde Kaufmann ook en vroeg zich af of het niet mogelijk voor hem was om alle liederen zelf te zingen. Was er niemand die hem kon vertellen dat hij het beter kon laten? Mahler componeerde het Das Lied von der Erde met twee stemmen in zijn gedachten: die van de tenor en de alt en dat deed hij niet zonder reden!

Maar er is meer waarom ik zeer ongelukkig ben met deze opname. Al in ‘Das Trinklied vom Jammer der Erde’ komt Kaufmann in ademnood en overschreeuwt zichzelf.

Bij het ‘Afscheid’ aangekomen heeft hij hoorbaar geen kracht meer en zijn zingen lijkt meer op het croonen. Het Wiener Philharmoniker klinkt onder leiding van Jonathan Nott routineus en vlak.


GUSTAV MAHLER
Das Lied von der Erde
Jonas Kaufmann (tenor)
Wiener Philharmoniker olv Jonathan Nott
Sony 8985389832 • 60’