concerten & recitals

Drie nieuwe Nederlandse composities in één weekeinde, van Aart Strootman, Robin de Raaff en Hawar Tawfiq

Tekst: Neil van der Linden

 

30 appearances out of darkness

Van 30 appearances out of darkness door choreograaf Arno Schuitemaker, componist/gitarist Aart Strootman en lichtontwerper Jean Kalman in het Transformatorhuis op het Westergasterrein zag ik de laatste try-out, onder vermelding dat het eigenlijk niet de bedoeling was om hierover te schrijven. Maar de enige officiële voorstelling in het Holland Festival zou samenvallen met de uitvoering Circulus/Coro in de Gashouder ertegenover, dus ik besloot toch maar een paar opmerkingen te noteren over de voorstelling, die niet alleen wat betreft het visueel gebruikmaken van twee van de fraaiste ruimtes van het Westergasterrein  maar ook qua te verwachten gebruik van akoestische mogelijkheden van die ruimtes zou aansluiten op de uitvoering van Robin de Raaffs Circulus en Luciano Berio’s Coro.

30 appearances out of darkness begint in duisternis. We horen een continu industrieel geluid waarin langzamerhand ritmische impulsen te ontwaren zijn. Langzamerhand verschijnen tussen neerhangende zwarte schermen lichtbanen waarin contouren opdoemen van naakte lichamen. De bewegingen van de lichamen worden steeds gecoördineerder totdat ze een synchroon geheel vormden. Intussen evolueert de muziek in een grote machtige Xenakis-achtige cluster.

De dansers verdwijnen weer. Vervolgens horen we een menselijke solostem in een mooie folklore-achtige melodie. Die wordt gevolgd door nog meer stemmen, het geheel uitmondend in een grote canon, waarbij de dansers, nu gekleed, in meer licht verschijnen. Vervolgens valt de massa opnieuw uiteen; het lijkt op de geschiedenis van de Babylonische spraakverwarring, toen de mensheid in een gecoördineerde poging tot een symbiose te komen door de jaloerse God uiteen werd gedreven.

Het proces herhaalt zich in het derde deel maar nu op muziek die nog weer een stap dichter bij onze Westerse melodische traditie staat, in minimal patronen verlopende op gitaar gespeelde toonladders, die steeds verder verweven raken dwingende ritmische patronen. Totdat alles in één donkerslag stopt.

Bij het fraaie gebruik van licht en schaduw in de vormgeving moest ik terugdenken aan de voorstellingen van choreograaf Koert Stuyf uit de hoogtijdagen van het Shaffy theater en aan de vroege decorontwerpen van Bart Stuyf voor Dansgroep Krisztina de Châtel en daarmee plaatst deze voorstelling zich in een mooie Nederlandse traditie, nu met gebruikmaking van licht- en geluidstechniek die toen niet voor mogelijk werden gehouden.

Circulus en Coro

Bij de uitvoering van Robin de Raaffs tweede pianoconcert Circulus, gevolgd door Luciano Berio’s Coro in de Gashouder werden de akoestische en visuele mogelijkheden van de Gashouder benut.

Het orkest stond breed opgesteld in het midden, met tribunes met publiek eromheen. Ik had een plaats achter het orkest waardoor ik tijdens het pianoconcert  solist Ralph van Raat in de verte zag, maar ik had dan wel weer goed zicht op twee afzonderlijke slagwerkers achter de dirigent. Bezwaarlijk was mijn plaatsing zeker niet. De pianopartij bestaat voor een groot deel uit klaterende ijle klanken uit de hoogste noten van de piano en die kwamen zo vanuit de verte aanrollend juist prachtig tot hun recht. De Raaff laat die pianoklanken samenvallen met uitgebreide hoge percussietonen van de vijf slagwerkers. Dat alles stortte zich als nu eens etherische, dan weer stormachtige cavalcades over het publiek uit, gesteund door wisselende lichtpatronen die tegen het dak van de gashouder werden geprojecteerd.

Als ik dit tweede pianoconcert via de CD-opname vergelijk met de De Raaffs eerste pianoconcert, een opname in 2001 gemaakt met Ralph van Raat, het Concertgebouworkest en Ed Spanjaard, lijkt het mij toe dat De Raaffs stijl ijler, diffuser is geworden, misschien omdat De Raaff de mogelijkheden van de Gashouder in gedachten hield. Maar het geheel lijkt ook uitgewogener, misschien omdat de componist minder de behoefte had om heel veel tegelijk zeggen willen zeggen.

Ook Prinses Beatrix bezocht de uitvoering. Ze sprak naar verluidt na afloop langdurig met de componist. Ik zou ook benieuwd zijn naar wat ze vond van het tweede stuk op het programma, Luciano Berio’s politiek zwaar beladen Coro uit 1976, een commentaar op extreemrechtse politieke invloeden in Italië en op extreemrechtse, door de CIA gesteunde coup in Chili van 1973, waarvoor Berio gebruik maakte van teksten van de Chileense dichter Pablo de Neruda.

Het is een werk waarvan het interessant is de context van zijn totstandkoming te weten maar dat door zijn ingenieuze muzikaliteit tijdloos is geworden. Het werk overdonderde. Het is geschreven voor veertig duo’s, ieder bestaande uit een zanger en een instrumentalist. Van afzonderlijke leden van het koor wordt een grote mate van vocale virtuositeit gevraagd en ze moeten ook wat volume betreft vaak op de top van hun kunnen zingen. Het Groot Omroepkoor kweet zich voorbeeldig van haar taak, met een keur aan prachtige solorollen voor sopranen en alten, en vlak voor mij een sterke lyrische tenor die was gekoppeld aan de tenorsaxofoon en schuin tegenover een bariton met een dramatische rol in combinatie met de trombone.

Matthias Pintscher is een uitermate trefzekere dirigent. Doordat ik zoals gezegd achter het orkest kon ik hem goed aan het werk zien. Beheerst maar tegelijkertijd inspirerend vuurde in beide stukken van deze avond hij de vele complex met elkaar verweven groepen musici aan, in Circulus onder meer de vijf slagwerkgroepen, waarvan twee achter hem opgesteld, en de pauken, plus de solist, in Coro de veertig maal twee afzonderlijke musici.

M.C. Escher’s Imagination

Er was nog meer nieuwe Nederlandse muziek dit weekeinde. Van de Nederlands Iraaks-Koerdische Hawar Tawfiq ging bij het Nederlands Philharmonisch Orkest ‘M.C. Escher’s Imagination’ in première, gecomponeerd in opdracht van het Concertgebouworkest en het Nederlands Philharmonisch Orkest.

In zekere zin sloot Tawfiqs compositie aan bij de twee uitvoeringen van de avond ervoor, in de zin dat ‘M.C. Escher’s Imagination’ sterk gebruik maakt van de ruimtelijke verdeling van instrumenten binnen het orkest én van zichzelf visueel sterk evocatief is.

Fraai kleurende klanken uit verschillende orkestgroepen nodigen uit om de wereld van Escher voor de geest te halen, vooral als je hem niet alleen als mathematicus beschouwt maar ook als een atmosferisch beeldend kunstenaar.

In de muziek zit zowel iets van de doem die uit sommige werken van Escher spreekt, en die te maken heeft met de periodes uit de Europese geschiedenis waarin Escher werkte, én van de speelsheid en de fantasie die we ook associëren met Escher.

Ik zou een regisseur van een gelaagde en poëtische film aanraden eens met Hawar Tawfiq te praten. De Russische dirigent Stanislav Kochanovsky bleek voldoende affiniteit met de partituur en met de klankmogelijkheden van de grote zaal van het Concertgebouw te hebben om al deze aspecten met het orkest te kunnen verklanken.

De rest van het concert bestond uit prima uitvoeringen van Rachmaninoffs eerste pianoconcert met Nikolaj Luganski en Shostakovich’ zesde symfonie.

Om het optreden van Luganski was het een en ander te doen omdat hij door sommigen wordt verdacht van al te grote verknochtheid met het Russische regime. Buiten het Concertgebouw had zich een menigte opgesteld die tegen het optreden protesteerde. Voorafgaand aan het concert las de directie van het orkest een verklaring voor waarin men stelde dat men zich van verschillende kanten had laten informeren en dat er al met al geen reden was geweest Luganski’s optreden te schrappen.

De twee uitvoeringen van het programma werden opgedragen aan het lijdende Oekraïense volk. Zelf had ik van te voren besloten dat ik naar het concert te gaan omdat ik het werk van Tawfiq wilde horen, overigens een vluchteling uit Irak met een familiegeschiedenis van gedwongen migratie, en ik had erop gehoopt dat het orkest niet aan de omstandigheden voorbij zou gaan, en dat ging het niet.

30 appearances out of darkness:
Choreografie Arno Schuitemaker, muziek Aart Strootman, licht Jean Kalman, dans Ivan Ugrin, Emilia Saavedra, Ahmed El Gendy, Jim Buskens, Rebecca Collins, Frederik Kaijser, Clotilde Cappelletti en Paolo Yao.
Transformatorhuis Westergasterrein Amsterdam 10 juni
Tournee door het land.

Circulus, tweede pianoconcert van Robin de Raaff en Coro van Luciano Berio
Ralph van Raat, Groot Omroepkoor, Radio Filharmonisch Orkest onder Matthias Pintscher
Gashouder Westergasterrein Amsterdam 10 juni

Hawar TawfiqHawar Tawfiq
Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Stanislav Kochanovsky
Concertgebouw Amsterdam, 11 juni.

Robin de Raaff, orkestwerken met onder meer eerste pianoconcert door
Ralph van Raat, Koninklijk Concertgebouw Orkest, Ed Spanjaard:

CD opname van Coro:


Goed Wikipedia artikel over Coro:
https://en.wikipedia.org/wiki/Coro_(Berio)

fotos 30 appearances out of darkness  © Bart Grietens, overige foto’s © Neil van der Linden

 Abstracte klank uit tijden van sociale onrust

Tekst: Neil van der Linden

Het woord ‘Kraanerg’ is een samenstelling van de Griekse woorden voor ‘volbrengen’ en ‘energie’. Componist Iannis Xenakis doelde met deze benaming naar verluidt op een persoonlijke strijd om obstakels te overwinnen, maar ook op de sociale onrust van de tijd waarin het werk ontstond, de tijd van de internationale studentenprotesten van 1968, het jaar waarin het werk tot stand kwam.

Xenakis; dan denken we aan heftig geschetter, harde dreunen. Inderdaad, die verwachtingen kwamen uit. En dat terwijl er geen slagwerk in ‘Kraanerg’ zit. Maar volume is er genoeg, gegenereerd door de 23 instrumentalisten, waaronder 6 koper- en 5 houtblazers, allemaal veelvuldig op topvolume spelend. Toch is ‘Kraanerg’ een werk vol subtiliteit, als je je laat meevoeren door de veelkleurige geluidslagen ervan, zoals die in het Concertgebouw klonken.

De live gespeelde delen van het werk worden afgewisseld door elektronische geluiden. Het zijn elektronische vervormde orkestklanken, terwijl er soms roepende mensenmassa’s uit lijken op te klinken. Dat laatste is het enige in de muziek dat mogelijk nog concreet zou kunnen verwijzen naar die studentenopstanden uit het jaar van ontstaan 1968 waaraan Xenakis wilde refereren. En gelukkig bleef dat commentaar grotendeels abstract, anders dan bij sommige ‘geëngageerde’ muziek van toen. Want anders dan bijvoorbeeld de muziek van onze nationale revolutie-opera ‘Reconstructie’ is wat van ‘Kraanerg’ overblijft tijdloze muziek geworden.

Het werk was indertijd bedacht voor een balletvoorstelling van Roland Petit, met decorontwerpen van niemand minder dan Victor Vasarely, bekend van als leidend kunstenaar in de abstracte Op Art stijl in de beeldende kunst. Die balletvoorstelling werd een mislukking, mede doordat Petit blijkbaar uiteindelijk geen raad wist met de muziek, en bijvoorbeeld een conventionele pauze had ingelast terwijl de muziek als één doorgaand geheel was gecomponeerd.

Xenakis’s muziek voor het ballet werd aanvankelijk vergeten, maar kwam vanaf de jaren terug in de belangstelling en er zijn ook relatief veel CD-opnamen van. Toch was deze uitvoering in de NTR Matinee de Nederlandse première. Jammer was dat het belang van deze inmiddels tijdloze muziek blijkbaar nog niet werd beseft door een breder publiek.

Het aanwezige publiek bestond grotendeels uit mensen die de leeftijd hadden om misschien rond 1968 ook revolutionaire student te zijn geweest. En dat publiek was razend enthousiast, en dat gewoon omdat het een erg goede uitvoering van een heel interessant werk was.Van muziek die misschien eerst ontoegankelijk lijkt maar vervolgens uitnodigt om je er geheel aan over te geven.

Waarom zaten er dus geen horden studenten van nu in de zaal, conservatoriumstudenten, maar ook kunsthistorici, architectuurstudenten, en ook techno-muziek liefhebbers, die de kans aangegrepen om zo een opus magnum van de vernieuwende muziek te ervaren? De toekomst van de muziek van toen kwam op een presenteerblad voorbij.

Klangforum Wien lieten geen gelegenheid voorbijgaan om de kleurenrijkdom van de partituur te laten horen. Dirigent Sylvain Cambreling is een expert in eigentijdse muziek, maar dirigeerde bij de Brusselse Muntopera tijdens het gloriedagen van intendant Gerard Mortier ook veel klassiek operarepertoire en haalde diepe dramatische lagen uit deze partituur tevoorschijn.

Het viel op wat een geweldig orkestrator Xenakis was. Als architect was hij assistent geweest van Le Corbusier, die hem het revolutionaire Philips paviljoen voor de Brusselse Wereldtentoonstelling uit 1958 laten ontwerpen. Maar intussen had hij zich ook aangemeld als leerling van Olivier Messiaen, en vestigde zich vervolgens definitief als componist. Toch liet de architectuur hem in veel opzichten niet los.

Opvallend was ook hoe mooi het architectonisch geconcipieerde elektronisch deel van ‘Kraanerg’ klonk, een vierkanaals-soundtrack. Uit de vier hoeken van de zaal klonken ruimtelijke effecten waarop Pink Floyd tot en met ‘techno’-deejays jaloers hadden kunnen zijn.

Misschien moet dit werk nog eens worden uitgevoerd met ligstoelen in de zaal en video-projecties rondom – misschien op basis van Vasarely’s ontwerpen voor de eerste uitvoeringen van ‘Kraanerg’, waarmee een moderne veejay dan aan de slag kan gaan.

Iannis Xenakis 1922-2001
‘Kraanerg’ – 1968/69,  integrale balletmuziek – Nederlandse première.
Voor ensemble en vierkanaalssoundtrack.
Klangforum Wien onder leiding van Sylvain Cambreling
Klankregie Peter Böhm, Florian Bogner
Geluidstechniek Koen Keevel – PME-tècnica Grou

Foto’s Concertgebouw © Neil van der Linden

Het concert is nog terug te beluisteren:

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/ntr-zaterdagmatinee/da170c51-2e3b-4883-8c31-5a45a4a7637f/2022-04-02-ntr-zaterdagmatinee-kraanerg-xenakis-ambitieuze-ballet

 Benjamin Grosvenor revitalizes Chopin

Benjamin Grosvenor: “The annoying thing about these times is that musicians are exposed to a lot of fixed traditions and views. I have to be aware of history, but it needs to be translated to the present”. He proves that this is possible with his recording of Chopin’s piano concertos.

The concertos are extremely popular: the catalogue lists dozens (if not more) of good and even excellent performances. Is there anything still lacking? Evidently. The young Englishman, who won the BBC Young Musician Competition in 2004 at the age of 11, shows that he is not very interested in technique as such- there is nothing wrong with that  –  but all the more in the story behind the notes.

I don’t know exactly how he does it, but his playing makes me feel as if I am hearing the concerts for the first time, while I actually know them by heart. He does not shy away from grand gestures, thank goodness!, and yet his playing has a chamber music-like quality. It is as if he feels- intuitively? – that even the most romantic music may be benefited by holding back, even if only now and then. I read somewhere that he shared his bedroom with his little brother with Down’s syndrome for a long time: could this make him extra sensitive? Pure speculation, of course.

The Royal Scottish National Orchestra under the baton of Elim Chan has a congenial feel for the pianist’s interpretation: together they form a unity that is watertight. The recording sounds excellent.



FRYDERYK CHOPIN
Piano Concertos
Benjamin Grosvenor (piano)
Royal Scottish National Orchestra conducted by Elim Chan
Decca 485036

De zee geeft, de zee neemt: alBahr, muzikale tradities rond de Middellandse Zee

Tekst: Neil van der Linden

Bahr is het Arabische woord voor zee. Het concertproject van Cappella Amsterdam onder deze naam, waarmee Cappella Amsterdam en solisten nu door het land reist, is opgedragen aan de Middellandse Zee, bij de Romeinen Mare Nostrum geheten, ‘onze zee’, het water dat in de loop van de geschiedenis zoveel culturen heeft verbonden, en gescheiden. De Middellandse Zee is ook een bakermat van vele muzikale culturen, van enkele van de oudst bekende, de Assyrische, de Egyptische en de Griekse, via de Joodse, de Christelijke en de Islamitische, tot hedendaagse, welke laatste op al deze culturen voortbouwt. Het was de bedoeling van de bedenkers van het programma, dirigent Leonard Evers aan te tonen dat het onderscheid tussen ‘Westerse’ en Noord-Afrikaanse/West-Aziatische muziek maar betrekkelijk is.

Het concert opende met een nieuwe compositie van Aftab Darvishi, een jonge in Den Haag en Amsterdam afgestudeerde Iraanse componiste die aan de weg timmert, ook bij het Kronos Kwartet, en die ook al eens in het Holland Festival furore maakte en met haar opera over de oermoeder van Turandot, de Iraanse mythische prinses Turan Dokht. Een mooi gelaagd polyfoon werk.

Anass Habib

Daarna zongen Anass Habib en later in het programma ook ud-speler Ahmed el Maai, beiden van Marokkaanse komaf, liederen uit de tiende en elfde-eeuwse Arabo-Andalusische traditie. Liederen van Ibn Khafaya (Alzira, Valencia, 1058-1139) en van prinses Wallada bint al-Mustakfi (Cordoba 994 tot 1091); Wallada was zo’n beetje de Moorse evenknie, maar dan een eeuw eerder van Hildegard von Bingen (1098 – 1179;  beiden bereikten dus een hoge leeftijd – maar misschien dankte Wallada haar nog hogere leeftijd aan het Mediterrane dieet).

Anass Habib en Leonard Evers

Anass Habib en Ahmed el Mooi begonnen hun optredens met een indrukwekkende lang aangehouden hoge noot, waarna ze prachtig ingehouden en gedragen de liederen voordroegen; je begrijpt waarom in de Arabische cultuur zingen en poëzie voordragen nauw verwante begrippen zijn. Je zou bijna denken aan een mogelijkheid om een duet tussen de zangers in te lassen. In hun opkomst vielen ook de aankleding en het licht op, ontworpen door choreograaf Peter Leung.

Vervolgens zong Cappella Amsterdam een aantal motet-achtige composities van de Turkse componist Ahmed Adnan Saygun (1907-1991) op Turkse poëzie. Strikt genomen klonk dit repertoire niet Mediterraans. Dirigent Leonard Evers pogingen aan te tonen dat het onderscheid tussen ‘Westerse’ en Noord-Afrikaanse/West-Aziatische muziek maar betrekkelijk is werd in deze neo-klassieke meerstemmig  stukken niet aangetoond. En als er al Oriëntaalse elementen in de muziek zitten werden die afgevlakt door de keurige Noordwest-Europese manier van zingen, in een naar mijn smaak wat te massale bezetting. Dat is iets dat zich in de rest van het concert vaker zou wreken.

Anas Habib zong ook een lied ‘La rosa enflorece’ uit de Sefardisch traditie, de traditie van de Joodse bevolking van Moors Spanje, die net als de Moslims gedurende de late middeleeuwen van het Iberisch schiereiland werd verdreven. Waarbij die liederen met de diaspora meereisden rond de hele Middellandse Zee, tot in Turkije en Egypte.

De Bosnische zangeres Amira Medunjanin vertolkte liederen uit haar eigen land, uit Servië en naar verluidt ook Griekenland (althans dat verzekerde mijn buurman mij, een gevluchte Syriër die via Griekenland naar Nederland was gekomen; hij vond het hele concert trouwens ‘amazing’). Eén van de liederen die ze zong was van de hand van de Servische componist  Marko Nešić (1873-1938). Aangezien we uit Amira Medunjanin’s voornaam kunnen afleiden dat ze van Moslim-Bosnische komaf is, kunnen we concluderen dat muziek zeker kloven overbrugt.

Rima Khcheich zong een aantal composities uit de Levant, onder meer een Libanees Christelijk lied en een bekend stuk van de populaire Egyptische componist Sayed Darwish (1892-1923), in arrangementen met begeleidend koor van saxofonist Maarten Ornstein. Ook Rima Khcheich voegde met haar volmaakte beheersing van de klassiek-Arabische melismen veel eigens toe. Ze is overigens al ruim twintig jaar kind aan huis in Nederland, sinds ze (mede door toedoen van ondergetekende trouwens) geregeld samenwerkt met het Yuri Honing Trio, met Tony Overwater en via Tony Overwater uiteindelijk met Maarten Ornstein.

Wel was er een probleem met de klankkleur van het geheel en dat zat mijns inziens bij de koorbegeleiding. Misschien was het jammer dat Cappella Amsterdam met zoveel leden zong. Drieëntwintig is een enorme hoeveelheid, waardoor iedere zanger zich moet inhouden en de koorklank vlak wordt. Een beetje ruimte nemen om te zingen met een korrel op stembanden, zoals Björn Schmelzer, de leider van het Belgische ensemble Graindelavoix, het uitdrukt (dat is de letterlijke betekenis van Graindelavoix), zou beter passen; maar meer individuele kleuring vergt meer intimiteit en dat gaat niet met zijn drieëntwintigen.

Neem een voorbeeld aan La Tempête onder Simon-Pierre Bestion, dat in het afgelopen festival Oude Muziek Schütz en Schein zong in het programma Larmes de Résurrection, met een Libanese voorzanger uit de Oosters-Orthodoxe kerk-traditie, en die ook prachtig Monteverdi’s Maria Vespers hebben opgenomen, waarin de Monteverdi stukken worden afgewisseld met interpretaties van polyfone volkszang uit het Mediterrane gebied. Daarbij vergeleken leek het koor nu vaak eerder in de weg te zitten. Zou een ensemble van vijf, zes zangers niet beter, helderder, persoonlijke hebben geklonken?

Eigenlijk kwam de volle omvang van het koor pas in het laatste programmaonderdeel, Planctus Cygni van Gerard Beljon (1952) écht tot zijn recht. Hier mocht voluit worden gezongen, en de wonderlijke muziek, afwisselend minimaal, afwisselend neo-klassiek, met fraaie verglijdende modulaties, kreeg met deze bezetting een bijna orkestrale kwaliteit.

Ik kan mij voorstellen dat de voorstelling groeit en dat mengvorm in de Grote Kerk in Alkmaar en de Nieuwe Kerk in Den Haag, waar de tour ook heen leidt, beter tot haar recht gaat komen. Maar ook daar zou het mooi zijn te werken aan de kleuring van het ensemble.

Gezien in De Meervaart, kleine zaal, 26 oktober.

Cappella Amsterdam onder Leonard Evers met Raphaela Danksagmüller duduk, fujara;  Ahmed el Maai ud en zang’ Anass Habib zang; Misagh Joolaee kamancheh;  Rima Khcheich zang; Beate Loonstra harp;  Amira Medunjanin zang, Laura Rodrigues Lopes, koorlid en solozang;  Claudio Spieler percussie. Peter Leung, scenografie.

Foto’s: Melle Meivogel.

.

Capella Sacelli Polyfonie aan de Kalverstraat

Tekst: Neil van der Linden

Er is een nieuw Nederlands zangkwartet dat zich richt op de Renaissance en Middeleeuwen, de Capella Sacelli. Althans over die muziek ging hun debuut afgelopen weekeinde in Utrecht en Amsterdam. Op een passende plek in Amsterdam, de Waalse Kerk aan de Oudezijds Achterburgwal zong het ensemble composities uit de Codex Occo uit begin zestiende eeuw en uit het Handschrift Amsterdam uit de eeuw ervoor.

Pierre de la Rue/Van Straeten Kortrijk 1450 – 1518, op een 19e eeuws fantasie-portret.

De Codex Occo is een verzameling composities van top-componisten uit die tijd, onder meer Josquin de Prez (2021 is zijn vijfhonderdste sterfjaar) en Pierre de la Rue. Deze fraai geïllustreerde bundel was vervaardigd in opdracht van een Amsterdamse koopman, Pompeius Occo, die aan de Kalverstraat woonde. Belangrijker was dat de muziek bedoeld was voor gebruik in de Heilige Stede, een kerk aan de Kalverstraat. Daar lag een hostie opgeslagen die verbonden was aan het Mirakel van Amsterdam, dat zich rond 16 maart 1345 rond die plek had afgespeeld.



De voormalige Heilige Stede/Nieuwezijds Kapel aan het Rokin, gravure door Jacob van Meurs,1663.

In het kort: de overlevering spreekt over een stervende man die de voor de stervende bedoelde gewijde hostie weer had uitgebraakt, tezamen met voedsel dat hij daarvoor nog had geheten. Het braaksel inclusief hostie werd conform de kerkelijke voorschriften in het haardvuur gedeponeerd. Toen men de volgende ochtend het haardvuur weer wilde opstoken, bleek de hostie ongeschonden in de as te liggen. Een vrouw bracht de miraculeuze hostie daarop naar de pastoor van de Sint-Nicolaaskerk (de huidige Oude Kerk), maar de volgende dag was de hostie op wonderlijke wijze weer terug in het huis van de overledene, aan de Kalverstraat. Dit zou zich twee keer herhaald hebben. Het werd geïnterpreteerd als een teken van God, waarop men daar een kapel bouwde, de Heilige Stede, waar de hostie werd bewaard, en de plek werd een bedevaartsoord.

Occo had zijn rijkversierde zangbundel besteld bij niemand minder dan Petrus Alamire. Alamire was naast muziekuitgever ook componist, diplomaat, spion en werkte in Mechelen aan het hof van de kunstminnende landvoogdes Margaretha van Oostenrijk, tante van Karel V.

Dat het in die tijd boven de rivieren stil was op het gebied van geavanceerde muziek is dus een misvatting. Weliswaar bracht Nederland boven de rivieren nauwelijks componisten voort die geschiedenis hebben geschreven, maar de polyfone muziekpraktijk bloeide er wel degelijk. Het Egidius Kwartet had zich al verdiept in de zogeheten Leidse Koorboeken al en de Capella Sacelli stortte zich nu op de Codex Occo.

Capella Sacelli bestaat, of bestond voor deze gelegenheid, uit vier mannelijke zangers en zet daarmee de traditie van het Hilliard Ensemble en de Capilla Flamenca voort: countertenor, tenor, bariton en bas, respectievelijk Tim Braithwaite, Guido Groenland, Jeroen Spitteler en Bram Trouwborst. En net als bij de Capilla Flamenca geregeld het geval was, stonden er nu ook Nederlandstalige stukken van de grote Vlaamse componisten op het repertoire. Bijvoorbeeld ‘Mijn herte altijt heeft verlanghen naar u die alderliefste mijn’, van Pierre de la Rue, de favoriete componist van Margaretha van Oostenrijk, én een deel uit een zogeheten parodiemis op dat lied, de Missa ‘Mijn herte altijt heeft verlanghen naar u die alderliefste mijn’, mogelijk van de hand van Mathieu Gascongne, een indertijd hoog aangeschreven componist, van wie helaas weinig muziek bewaard is gebleven.

Men mag dus aannemen dat Margaretha, als landvoogdes van de Nederlandsen de Nederlandse taal machtig was. Dat was niet helemaal vanzelfsprekend. Ze mag dan wel de dochter van Maria van Bourgondië zijn geweest, de enige erfgename van Karel de Stoute, die zoals bekend het Bourgondisch Rijk had verkwanseld. Maar ze was opgegroeid aan het Franse koningshof en aanvankelijk zelfs voorbestemd om echtgenote van de Franse koning te worden, totdat laatstgenoemde dat huwelijk afzegde (omdat hij besloot te trouwen met de hertogin van Bretagne, en Bretagne was misschien belangrijker om bij Frankrijk te voegen dan Bourgondië.)

Intussen mochten Nederland en België wel in hun handjes klappen met Margaretha als kunstminnende en voor het overige ook humanistische regentes, die de bijnaam ‘la bonne tante’ kreeg; ze was in alles eigenlijk beter dan neef Karel, terwijl ze er ook nog voor had gezorgd dat Karel werd gekozen tot ‘keizer van het Heilige Roomse Rijk’, ofwel Duitsland. De rest is vaderlandse geschiedenis.

Uit de Codex Occo zong Capella Sacelli ook delen uit een Missa pro Fidelibus Defunctis, ofwel een Requiem, van Antoin de Fevin. Het is fascinerend om te bedenken dat ook dit Requiem toen tussen de Kalverstraat en het Rokin heeft geklonken.

Van Josquin des Prez klonk het Sanctus uit diens Missa Pange Lingua, met als bijzonderheid dat een tweestemmige en een driestemmige passage in de Codex Occo afwijken van de gebruikelijke versies. Capella Sacelli zong deze Amsterdamse versies, die alleen in de Codex Occo voorkomen.

Op het programma stond ook echt Amsterdamse muziek, afkomstig uit het zogeheten ‘Amsterdam Handschrift’ (uit ca. 1480) met liederen die verband hielden met de zogeheten Moderne Devotie, een soort bijna pre-Protestantse beweging, ontstaan op het platteland in Overijssel, die kerkelijke versobering propageerde, en als je zou willen ‘democratisering’, van de kerk. Paradoxale is dat de Moderne Devotie de kerk juist wilde ontdoen van ‘semi-heidense’ aanbidding van fysieke objecten, zoals de aanbidding van het Mirakel. Uit dit handschrift zong het ensemble ‘Och nv mag ic wel trueren’, een sober lied over het sterven van Jezus, waarin zelfs Maria minder duidelijk wordt vereerd dan gebruikelijk was. Ensembleleider Jeroen Spitteler voorzag dit eenstemmige lied van een fraaie baslijn, een ‘organum’, en paste het lied op deze manier mooi in dit aan Amsterdamse polyfonie gewijde concert.

Capella Sacelli, Polyfonie aan de Kalverstraat, Waalse Kerk Amsterdam, 3 juli 2021

Als voorbeeld van een lied in oud-Nederlands van Alexander Agricola (Landman), het melancholische ‘In Myne Zyn’ over vergankelijkheid, door Capilla Flamenca.

Zingend naar de Apocalyps

Thomas Oliemans Bariton 2018Photo: Marco Borggreve

Thomas Oliemans Bariton 2018 Photo: Marco Borggreve

Het gebeurt zeer zelden dat een liedrecital zo slim, zo intelligent en zo spannend in elkaar wordt gezet als de voorstelling (want een voorstelling was het) waar Thomas Oliemans ons in de kleine zaal van het Concertgebouw kin maart 2012 op heeft getrakteerd.

Omdat alle voorspellingen (Nostradamus, de Maya’s en nog vele anderen) het jaar 2012 hadden aangewezen als het jaar waarin de wereld ten onder zou gaan, koos Thomas Oliemans voor het thema Apocalyps..

We zitten inmiddels in maart en tot nu toe valt het allemaal nog mee. We leven nog en de wereld draait nog steeds door. Als vanouds. Hier hoort een voorzichtig afkloppen op zijn plaats, want de daadwerkelijke dreiging is niet echt bezworen. Iran heeft de bom en (afkloppen!) het is niet uitgesloten dat ze hem ook gaan gebruiken.

De absolute dictators in Arabische landen hebben plaatsgemaakt voor de (toekomstige?) moslimregimes, Poetin is voor de volgende zes jaar ‘democratisch’ verkozen en Hongarije, Oekraïne en Belarus kennen fascistoïde regimes.

Maar genoeg over politiek. Wij gaan ons nu met het ‘kleine’, menselijke leed bezighouden, we gaan kopje onder, we gaan demonen bezweren en uiteindelijk gaan we sterven, om dan de rust in het ‘himmlische’ te kunnen vinden. We doen het zingend, met behulp van de mooiste gedichten en melodieën, aan de hand genomen door één van de mooiste lyrische baritonstemmen van vandaag.

Het programma bestond uit vijf onderdelen. Het eerste, ‘Omen’, begon met ‘Denn es gehet dem Menschen’ uit de Vier ernste Gesänge van Brahms. Het viel op hoe mooi het pianissimo van Oliemans is. Zeer teder en gevoelig, een prachtig contrast vormend met de ferme slotakkoorden van de piano.

In deel twee, ‘Visioenen’, was de op een opera-achtige manier gezongen ‘Gruppe aus dem Tartarus’ van Schubert een absoluut hoogtepunt, maar ook de met veel tekstbegrip gezongen liederen uit Jedermann van Frank Martin hebben mij bijzonder kunnen bekoren.

Bij deel drie, ‘Dansen op de vulkaan’, ontbraken er ook twee schlagers niet, van Franz Grothe en Michael Jary, beiden uit 1942. ‘Davon geht die Welt nicht unter’ van Jary werd in de oorlogsjaren (en ook daarna) wereldberoemd in de vertolking van Zarah Leander, de omstreden Zweedse actrice en zangeres. Niet iedere klassiek geschoolde zanger weet zich goed raad met dit repertoire, maar laat het aan Oliemans over, hij kan het. En hoe!

Hieronder: Zarah Leander zingt ‘Davon geht die Welt nicht unter’

Er klonken ook twee drinkliederen van Poulenc, waarvan één een beetje profetisch aandeed: ‘Chanson á boire’, over de koningen van Egypte en Syrië die zich lieten balsemen om zelfs na hun dood langer (eeuwig?) te blijven bestaan

Het ‘Vulkaan-gedeelte’ werd afgesloten met Deux mélodies hébraïques van Ravel, waarvan de zeer integer gezongen ‘Kaddisch’ mij tranen in de ogen bezorgde.

Deel vier, ‘Ist dies etwa der Tod’, besloot het programma voor de pauze, met behalve Schubert en Pfitzner ook de verrassing van de avond, twee pareltjes van Frank Bridge. Na de pauze waren wij, samen met Mahler (‘Das Himmlische Leben’ uit Des Knaben Wunderhorn) in de hemel beland en dat was dat.

Er was maar één toegift: ‘Traum durch die Dämmerung’ van Richard Strauss. Een dromerig lied, over liefde en bloemen en een langzame weg naar een ‘geliefde’, wat eigenlijk voor veel interpretaties vatbaar is. De vage grens tussen waken en sterven. Mooier kon niet.

Thomas Oliemans is een intelligente zanger. Maar wat net zo, of misschien nog belangrijker is: hij is een uitstekende zanger, met een prettig timbre, goede stemvoering, formidabele tekstbehandeling en met een zeer charismatische présence.

Al de liederen waren in zijn handen net kleine operaatjes, van ingetogen tot heftig, en van vrolijk (ja, zelfs bij Apocalyps kan men lachen) tot doodernstig. Bij hem niks geen roerloos staan in de buik van de vleugel: zijn handen en zijn hele lichaam deden eraan mee. Prachtig, indrukwekkend, spannend en… leuk.

Hij zong zonder blad, wat hem alle vrijheid gaf om met het publiek te communiceren, niet alleen met zijn gesticulatie maar ook – of moet ik zeggen voornamelijk – met zijn ogen.

De pianist, Malcolm Martineau, toonde zich een waardige partner van de zanger, maar van hem zijn wij ook niet anders gewend.

Een leuk wetenswaardigheidje: in de zaal was ook de weduwe van Frank Martin aanwezig, inmiddels 97 jaar. Zij vond het prachtig.

Zingend naar de Apocalyps: liederen van Schubert, Brahmsa, Mahler, Pfitzner, Martin, Bridge, Wolf, Ravel, Poulenc, Grothe en Jary
Thomas Oliemans (bariton) en Marcolm Martineau (piano)

Bezocht op 6 maart 2012 in het Concertgebouw – Amsterdam

Een openbare liefdesverklaring

love muziek pinterest

foto: Pinterest

De zomer is voorbij. Meestal het moment van bezinning, meer nog dan bij het aanbreken van het nieuwe jaar. Zeker voor een ‘cultuurganger’. Er wordt namelijk vaarwel gezegd aan zon, strand en het ‘dolce far niente’. Men bereidt zich voor op de opening van het seizoen, vol nieuwe muziek, fantastische concerten en de mogelijkheid om de tijdens de uitverkoop in Salzburg voor een habbekrats gekochte prachtjurken te etaleren.

Tenminste: zo was het vroeger, want zelfs de vier jaargetijden zijn niet meer wat ze geweest zijn. Dus niks geen vaarwel aan het strand, want de hele zomer regende het pijpenstelen. En de jurken kun je, als je geluk hebt, in een tweedehandswinkel verkopen, want aan gala doen wij, de Nederlandse klassieke muziekliefhebbers, niet. Dat laten wij aan de ‘proleten’ op de rode loper.

Maar ook het ‘dolce far niente’ gaat niet meer op, want hadden wij niet het Holland Festival, de Robeco Zomerconcerten, het Grachtenfestival, de Parade en weet ik wat dies meer? Lang leve de Hollandse zomer, ondanks de regen.

Maar de zomer is dus nu echt voorbij en het echte seizoen is begonnen. En eerlijk is eerlijk – beter kon het niet. Tenminste niet bij wat vroeger de ‘Matinee op Vrije Zaterdag’ heette. Vorige week knalde de boel met de geniale uitvoering van De vuurengel van Prokofjev. En gisteren werd ik – oude, nukkige knor – zowat tot tranen toe geroerd. Iets wat mij tegenwoordig toch nog maar zelden overkomt. Ik ben niet zo verliefderig. Vlinders in mijn buik? Mhaw… meestel ben ik er veel te nuchter voor. Zeker op mijn leeftijd. Te veel meegemaakt?

Nietsvermoedend ga ik naar het Concertgebouw. Het programma ziet er aardig uit, maar niet meer dan dat. Sibelius: leuk, maar verrassend? Eerste vioolconcerto van Szymanowski? Aardig, maar het haalt het niet bij het tweede. En kan een Hollandse violiste (mij alleen van naam bekend, SORRY!) hier iets mee?

Dan een opgedragen stuk van Richard Rijnvos (maar eens afwachten of het wat is) en als uitsmijter Wotans monoloog, gezongen door een bariton die het voor het eerst doet. Mijn verwachtingen zijn niet al te hoog gespannen en dan… Dan gebeurt hét.

Vandaar mijn persoonlijke en uiterst subjectieve liefdesverklaring:

1. Ik verklaar mijn liefde aan Sibelius en Szymanowski. Hun muziek brengt mij in andere sferen en doet mij de dagelijkse portie ellende vergeten. Al is het voor even.

Liefde Rijnvos

Richard Rijnvos © John Snijders

2. Ik verklaar mijn liefde aan Richard Rijnvos. Hoe hij, voortbordurend op de oude thema’s een totaal nieuwe muziek heeft weten te creëren, niet wars van (oprechte!) sentimenten, maar wel met nieuwe, verrassende wendingen… Muziek waar een mens zich eindelijk weer mens bij voelt, begrepen maar ook uitgedacht. Chapeau!

Liefde Segerstam

Leif Segerstam Photo: Seilo Ristimäki

3. Ik verklaar mijn liefde aan Leif Segerstam, de waanzinnig goede dirigent/componist, die het aandurft om de muziek zelf te laten spreken. Bij hem geen frapatsen, geen onnodige tempowisselingen, geen gekunsteldheid, geen ‘wat zullen we nou eens bedenken om het spannender te maken’-idioterieën. Bij hem is muziek puur. En daardoor weer eens spannend.

LIEFDE simonelamsma-otto-van-den-toorn-1280x608-

simonelamsma © otto van den toornn

4. Ik verklaar mijn liefde aan Simone Lamsma. Ik kan mij werkelijk niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo’n pure vioolklank heb gehoord. Heel erg ouderwets misschien, maar één waar mijn hart sneller van gaat kloppen en mijn keel zo dicht geknepen wordt dat ik mijn tranen voel vloeien. Simone: ga je ook Korngold spelen? Daar wil ik bij zijn!

liefde rombout ernest1140x500

Ernest Rombout © Concours de Genève

5. Ik verklaar mijn liefde aan Ernest Rombout, die van zijn hobo een hemels instrument wist te maken.

6. Ik verklaar mijn liefde aan Johan Reuter, die mij met zijn lezing van ’Leb’ wohl’ werkelijk op het puntje van mijn stoel liet belanden

7. En als laatste (but not least!) verklaar ik mijn liefde aan de Matinee op de vrije zaterdag/Vara Matinee/of hoe ze ook tegenwoordig mogen heten. ‘The place to be’ voor een echte muziekliefhebber.

Was getekend:
Basia Jaworski

Jean Sibelius: De thuisreis van Lemminkäinen; De Zwaan van Tuonela
Karol Szymanowski: Eerste vioolconcert
Richard Rijnvos: Riflesso sull’acqua
Richard Wagner: Leb Wohl (Wotans Abschied)
Simone Lamsma, viool; Ernest Rombout, hobo; Johan Reuter, bas-bariton;
Radio Filharmonisch Orkest olv Leif Segerstam

Gehoord op 11 september 2010

Duvel of Prosecco? Graindelavoix zingt Gesualdo in Utrecht

Tekst: Neil van der Linden

grende

Graindelavoix © Koen Broos

Ik weet nog dat ik overrompeld werd door de eerste CD van dit ensemble, Caput, uit 2006, met de Missa Caput van Ockeghem in een huiveringwekkende uitvoering, dat was toen de Fame CD-winkel nog in de Kalverstraat zat. Hier leken karakters uit een Brueghel-dorpsleven aan het zingen te zijn geslagen. Oud-Vlaamse boerenzang van ver voor de Beeldenstorm, huiveringwekkend geloei in een middeleeuwse Belgische basiliek. Maar als je goed luisterde hoorde je toch een feilloze techniek. Ook, dan waren het waarschijnlijk de beste en meest toegewijde zangers van een rijke Vlaamse stad die zo hadden geklonken, de meesterzangers van Mechelen, zoiets. Lange slepende uithalen en intonaties bewust niet precies op de toon ge-’pitcht’, met een korrel, (‘grain’), graantje, op de stembanden, korrelig.

Waar de meeste ensembles wel twee missen van Ockeghem en nog wat motetten op een CD stopten, volstond Graindelavoix met een enkele, helemaal uitgesponnen mis, met nog een handvol motetten en stukken Gregoriaans. Maar het paste allemaal wonderwel. En natuurlijk wisten deze ‘boerenzangers’ heel goed wat ze deden en wat ze wilden bereiken.

fomu19_Graindelavoix 1 (c) Marieke Wijntjes

©Marieke Wijntjes

Het concert duurde van acht tot bijna twaalf, twee voor twaalf om precies te zijn. Dat is niet kort, zij het dat er twee pauzes waren ingelast, ook om de zangers even op adem te laten komen. Gelukkig waren het korte pauzes, want al snel konden wij, het hele publiek, en, zo leek het, ook de zangers, er niet genoeg van krijgen.

Het vanuit Antwerpen begonnen ensemble exploreert onder leiding van oprichter, dirigent, musicoloog en antropoloog Björn Schmelzer al enige tijd repertoire van de vijftiende en zestiende eeuw. Het bouwt, zo klinkt het, voort op de benadering waar de Franse musicoloog Marcel Pérès en zijn gezelschap Organum ooit mee begonnen.

Het idee is dat je muziek waarvan we soms alleen wat gothische noten en wat beschrijvingen hebt, maar waarvan je weet dat die enorme impact heeft gehad, misschien goed kunt benaderen door eerst als het ware nog verder terug te gaan in de tijd, en dan vooruit te kijken. Dus je probeert te bedenken hoe de muziek klonk die ervoor kwam en ervan uit te gaan dat de componisten en uitvoerenden daarmee vertrouwd waren, in plaats van uit te gaan van het ons bekende dat erna kwam.

En die tijden ervoor, de ‘donkere’ Middeleeuwen en nog daarvoor, waren natuurlijk opwindende tijd. In Europa de opkomst en definitieve bevestiging van het Christendom, en aan de zuidkant van de Middellandse Zee, waar het Christendom vandaan kwam, vervolgens de opkomst van de Islam. En daar loopt dan steeds ook het Jodendom doorheen, dat in Islamitisch Spanje en vervolgens het Ottomaanse rijk tot bloei kwam, nadat het eerst door de Romeinen leek weggevaagd. Marcel Pérès en zijn Organum gingen terug tot de muziek zoals die in de vijfde-eeuwse kerk van Rome zou hebben kunnen klinken.

We weten dat de kerkvader St Augustinus, zelf een Berber, afkomstig uit wat nu Algerije is, elementen uit de toenmalige Noord-Afrikaanse muziek in de kerk van Rome introduceerde, omdat hij de bestaande Roomse praktijk zo saai vond. Pérès castte Byzantijnse en Libanese zangers in zijn ensemble. In plaats van zuiver meteen op de toon te zingen, zoals latere klassieke principes voorschrijven, behoort tot de versiertechniek dat je dan juist via een glissando of eigenlijk portamento omhoog of omlaag naar de toon toe zingt, zoals heden ten dage nog steeds de regel is in veel Arabische muziek, onder meer in de Libanese en Syrische kerkmuziek. Er was genoeg reden om van daaruit naar laat-Middeleeuwse en Renaissance-muziek te extrapoleren.

Organum kwam tot Josquin Desprez en Pierre de la Rue. Graindelavoix is nu tot Gesualdo gegaan. En ook Björn Schmelzer haalde Mediterraanse en Zuid-Europese specialisten in huis. Countertenor Razek-François Bitar komt uit Aleppo, en de Roemeens bas-bariton Adrian Sirbu is specialist in de Byzantijnse muziek. Laatstgenoemde nam een deel van de Gregoriaanse tussenzangen voor zijn rekening, en paste daarbij juist die prachtige Byzantijnse intonaties toe.

Kan dat allemaal met Gesualdo? Welnu, ervan afgezien dat je door die extrapolatiemethode misschien tot dit resultaat komt, en dat het resultaat hoe dan ook fascinerend klonk, kun je redeneren dat Napels lange tijd Spaans is geweest, en dat Napels’ muziek dus zeer zeker ook laat-Moorse invloeden heeft ondervonden. Terwijl Napels, een smeltkroes van de wijde omgeving, ook niet ver van Sicilië ligt, dat enige tijd Arabisch is geweest, en ja, het Arabische rijk heeft zich zelfs enige tijd tot de Zuidpunt van het Italiaanse vasteland uitgestrekt.

fomu19_Graindelavoix 2 (c) Marieke Wijntjes

©Marieke Wijntjes

Als ik wat ik deze avond hoorde vergelijk met wat ik op Spotify vind van gerenommeerde ensembles als de Tallis Scholars, het Hilliard Ensemble of Les Arts Florissants, vind ik de aanpak van Graindelavoix echt opwindender en inventiever. Grappig, maar misschien niet verbazingwekkend is dan dus dat een in Vlaanderen gelokaliseerd ensemble de meeste emotie brengt in deze muziek. In de twee pauzes zag ik om deze reden misschien dan ook meer mensen met een stevig bokaal Duvel of Affligem Blond rondlopen dan met prosecco, al dan niet spumante.

IMG_8448

© Neil van der Linden

Zoals ensembleleider en dirigent Björn Schmelzer in de toelichting opmerkt, het is toch al zo moeilijk het persoonlijk leven van Gesualdo te scheiden van de muziek. Iedereen, nou ja bijna iedereen, kent hem van de dubbele moord die hij pleegde, op zijn eerste echtgenote, die tevens zijn eerstelijns nicht was, en haar minnaar, ook hoge adel. De Gesualdo’s waren rijk en aangetrouwd aan een paus, dus er zal wel flink wat klassenjustitie zijn bedreven om hem dit te vergeven.

Gesualdo

Gesualdo bent the rules of harmony in extreme ways.
Illustration by Pierre Mornet

Er zijn hypotheses dat hij het zichzelf nooit heeft vergeven. Hij trouwde nog een keer, nu met Leonora de Este van de hertogenfamilie van Ferrara, maar hij leed steeds meer aan depressies.  Vandaar, zegt men, dat Gesualdo in het verhaal van de lijdensweek, vol verraad (Judas), verloochening (Petrus) en onverschilligheid (de discipelen die in slaap vielen terwijl Christus even de Hof van Ghetsemaneh in ging om in zijn laatste uren te bidden), mogelijkerwijs de ultieme weergave van zijn eigen levenservaringen aantrof.

Wel, dankzij zijn geprivilegieerde positie kon hij ook componeren. En hij kon het zich permitteren de werken in topuitvoeringen te laten uitvoeren. Naar het schijnt meestal voor zichzelf, maar wel met de beste beschikbare musici. Geld speelde geen rol. Toch is het de vraag of hij ooit een droomuitvoering als deze heeft gehoord.

In de langgerekte maar relatief smalle ruimte van de Utrechtse Janskerk wist het ensemble een indringende intimiteit te scheppen, door zich heen en weer door het langwerpige middenschip en koor van de basiliek te verplaatsen, zodat iedereen vroeg of laat het ensemble van vlakbij te horen kreeg, en op andere momenten verder af, waarbij je naast de klanken ook ruimte en tijd onderging. Gesualdo’s grillige telkens wisselende harmonieën, hoewel duizelingwekkend complex, werkten op zeker moment uniformerend, wat een trance teweegbracht.

De Tenebrae Responsoria, gepubliceerd in 1611, zijn zogenaamde Responsoria, wisselzangen, voor de Lijdensweek, met name Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Stylistisch zijn het madrigalen conform het populaire zanggenre uit die tijd, maar dan wel op religieuze en niet op wereldlijke teksten, waarvan Gesualdo ook reeksen componeerde. Hij gebruikte scherpe dissonanten, met name in de passage die te maken hebben met het lijden van Christus, de discipelen die hem waren vergeten en in slaap vielen en Petrus die hem verried.

Na een turbulente avond en nacht van al deze chromatische contrasten die soms niet eens tot een oplossing komen, werd de uitvoering besloten met Gesualdo’s zetting van het Miserere, Psalm 51 (psalm 50 in de Rooms-Katholieke Vulgaat), met zijn afwisselende eenstemmige en zwaar chromatische maar wel meer homofone akkoordstructuren in de meerstemmige passages. Je moet van slechte huize komen om de intensiteit van deze te bederven. Maar misschien heeft deze psalm in moderne tijden nooit zo emotioneel geklonken als aan het eind van deze marathon.

Graindelavoix zingt Gesualdo in Chapelle Corneille Rouen, februari 2018:

Of Gesualdo veel invloed heeft gehad in zijn tijd? Zijn muziek werd spoedig vergeten. Zijn levensverhaal bleef bekend, maar pas gedurende de afgelopen eeuw werd zijn muziek echt ontdekt. Zijn harmonische experimenten maakten Gesualdo tot een darling van modernistische componisten, van Stravinsky tot Nono en Rihm, en onze eigen Van Vlijmen en Boehmer. Graindelavoix (dat gelukkig tot nu toe nooit vreselijke dingen doet als ook Pärt uitvoeren) liet ons Gesualdo als een toenmalig uniek, vooruit- maar ook terug-blikkend kind van zijn tijd zien.

Ondanks dat Utrecht een verkeersluw centrum heeft, zoals dat heet, dankzij verkeersluw beleid, drong geregeld toch een rotherrie van buiten veroorzaakt door een beklagenswaardige sterveling in diens ongetempereerde automobiel, en de Janskerk ligt pal naast de straat. In feite lieten de contrasten met deze aardse euvelen het devote en etherische van de muziek des te meer tot uiting komen.

Graindelavoix, Gesualdo’s Lamentaties
Anne-Kathryn Olsen, Carine Tinney, Razek-François Bitar, Albert Riera, Andrés Miravete, Marius Peterson, Adrian Sîrbu, Arnout Malfliet, Björn Schmelzer

Gehoord op 30 augustus 2019, Janskerk, Utrecht.

Ramallah in Mokum.

Tekst: Neil van der Linden

palestine-youth-orchestra-fares-s.-mansour-1280-608-2

Palestine Youth Orchestra © Bryan MacCormack

Ik ga eerst even wat met vooroordelen spelen. Van de contrabassisten zijn er drie vrouwen, één met een hoofddoek, de andere twee niet. En ja, om de een of andere reden stonden de vrouwen geheel op links, de mannen op rechts, gescheiden dus; de Telegraaf of De Dagelijkse Standaard zouden daar van alles achter kunnen zoeken. Twee van de vijf slagwerkers waren vrouwen. Het koper bestond voor de helft uit vrouwen. De harpist was een vrouw ja. Het hout allemaal vrouwen. En de violen en altviolen tegen de helft vrouwen. In elk geval zijn vrouwen ruim vertegenwoordig in het Palestine Youth Orchestra, en ook in de vaak als minder vrouwelijk beschouwde orkestsegmenten.

Het orkest is het levenswerk van Suhail Khoury, één van de oprichters van het conservatorium van Ramallah. Ik was geregeld in de West Bank toen dit nog een beginnende muziekschool was. Dat was in de jaren van het optimisme over de situatie in de regio, ten tijde van de Oslo akkoorden. Het conservatorium werd al snel een toeleverancier van het door de Palestijnse politicoloog en pianist Edward Said, en dirigent en pianist Daniel Barenboim opgerichte West-Eastern Divan Orchestra. Na het overlijden van Said werd het omgedoopt tot Edward Said Academy, en bezocht Barenboim het geregeld.

Naast studenten en oud-studenten van de Edward Said Academy en Arabische musici uit Israël, onder meer Haifa en het Druzische dorp Maghar in het noorden, namen musici uit Jordanië met zijn grote Palestijnse gemeenschap, Egypte en Irak deel. Het orkest telt tegen de tachtig leden. De gemiddelde leeftijd is ongeveer 22 jaar.

PJO Vincent

Vincent de Kort © Concertgebouw

Dirigent Vincent de Kort heeft al een paar keer voor het Amman Symphony Orchestra gestaan, vandaaruit dat het gemakkelijk was ook musici uit Amman te rekruteren. Die eerste samenwerking was trouwens mede dankzij een regeling van het voormalige Muziek Centrum Nederland. Het optreden was het sluitstuk van een tournee door Scandinavië, Duitsland en Nederland. In Apeldoorn had men de dag ervoor gespeeld met het Nationaal Jeugdorkest onder Antony Hermus. Soliste was de Palestijnse zangeres Nai Barghouti, onlangs afgestudeerd aan het conservatorium Amsterdam, naar ik begreep met tienen, op dwarsfluit en in jazz-zang.

IMG_8344

© Neil vd Linden

Het repertoire, gegroepeerd rond De Liefde als thema, bestond uit stukken uit het Westerse romantische repertoire, Tchaikovski’s symfonisch gedicht Romeo en Julia, de Bacchanale uit Saint-Saëns’ Samson et Dalila, de ‘Liebestod’ uit Wagners Tristan und Isolde en de suite uit Bizets Carmen. Dan waren er twee orkestrale stukken uit het Midden-Oosten, Remembrance van Salvador Arnita en Palestinian Rhapsody van Faris Badarni.

In Tchaikovski, een sterke binnenkomer, viel meteen al de warme klank van de strijkers op, mooi aangevuld met de houtblazers. De opstelling, met zoals gezegd de contrabassen links en rechts, eerste violen vooraan links, tweede violen vooraan rechts, altviolen, cello’s en houtblazers gecentreerd rond het midden, werkte hier wonderwel. De opstelling is ontleend aan ‘authentieke’ orkesten als die van John Eliot Gardiner en William Christie, en naar ik begreep zet men in de Musikverein in Wenen de contrabassen ook op in deze ‘stereo’-configuratie.

Salvador Arnita (1914-1985) werd geboren in Jeruzalem, waar hij muziekdocent was en dirigent van het Jeruzalem Radio Orkest, tot hij in 1948 naar Libanon vluchtte. Daar leidde hij vervolgens de muziekafdeling van de American University. Verschillende orkestwerken in een romantisch idioom bezorgden hem de bijnaam de Brahms van Palestina, maar dit werk, met Midden-Oosterse percussie heeft een Orientaalse sfeer.

PJO nai-barghouti-mutaz-kawasmi

Nai Barghouti © mutaz-kawasmi

Nai Barghouti trad nu eerst op in twee liederen geschreven door leden van de Rahbani familie, ‘Saaltek habibi’ geschreven voor de grote zangeres Fairouz, door Assi en Mansour Rahbani, samen de beroemde Rahbani Brothers, en een stuk van Elias Rahbani, die eigenlijk altijd wat kitschachtiger componeerde. Saillant is dat beide liederen uit 1975 stammen, het jaar waarin de grote Libanese oorlog begon.

Nai Barghouti’s stem past goed bij het typische Libanese repertoire, dat lyrischer is dan de Egyptische zangstijl zoals groot gemaakt door de befaamde Umm Kulthum. Het onderscheid wordt bepaald door de religieuze achtergrond, de Libanese traditie komt voort uit de kerkzang en de Egyptische is verwant met de Quran-recitatie, die je in Westerse klassieke muziektermen als spinto in plaats van lyrisch kunt omschrijven.

In de context van dit concert, door een Palestijns orkest dat Europa bezoekt, is misschien moeilijk om wat dan ook toevallig te laten zijn, maar de keuze voor Saint-Saëns’ Bacchanale lijkt dat in elk geval niet. Het komt uit de opera (van een componist die trouwens geregeld in Egypte en Algerije verbleef en daar elementen uit Noord-Afrikaanse muziek oppikte) over een Bijbels-Israëlische leider die wordt verleid door een Filistijnse, die uiteindelijk zijn lot bezegelt (hoewel hij op het laatst nog wel even met zijn spierkracht één van hun ’heidense’ tempels omverduwt), dat kan niet echt toeval zijn. Maar daarnaast is het ook gewoon een fraaie muzikaal-Oriëntalistische dijenkletser, een mooie uitsmijter voor vóór de pauze.

De keuze voor Wagners ‘Liebestod’ meteen na de pauze vond ik minder gelukkig, niet zozeer vanwege de postume implicaties van Wagners gedachtengoed die door sommigen als minder passend worden ervaren in Midden-Oosterse context, al heeft onder meer Daniel Barenboim dat beeld bijgesteld. Nee, de Liebestod is gewoon een erg zwaar stuk, zeker te zwaar om als opwarmer na de pauze te dienen, en als je het zonder het Vorspiel speelt is het ook nog eens aan de korte kant om weer op gang te komen. Bovendien leunt het zwaar op de hoorns, en tsja, dat zijn moeilijke instrumenten, dus in die sectie was niet iedere muzikant even zeker van zijn of haar zaak, misschien juist door de druk die op hen werd uitgeoefend – ach ja, koper is in alle orkesten wel eens moeilijk. Ik zou bijvoorbeeld een Berlioz hebben gekozen, uit Romeo et Juliette of Les Troyens; het laatste zou ook mooi Mediterraans zijn geweest. Maar goed, een recensent moet niet op de stoel van het orkest gaan zitten.

De Palestijnse Rhapsodie van Faris Badarni daarentegen was echt een passend stuk. Orkestraal goed geschreven, door deze ook weer ongeveer 22-jarige componist. Hij komt uit Haifa, maar woont in München. Met succes werpt hij zich ook op als filmcomponist. Zijn veelzijdigheid is te horen in de muziek voor een klassieke tekenfilm, waarmee hij een prestigieuze Zwitserse prijs won:

Het volgende stuk zou Bizets suite uit Carmen zijn, en dat werd het ook, maar niet dan nadat het orkest met Nai Barghouti, zingend vanaf het balkon eerst een tahrir had uitgevoerd, een Oriëntaalse vocalise-improvisatie, die wonderwel overvloeide naar de eerste tonen van de prelude uit de eerste Carmen suite, waarvan de op Andalusische muziek geënte melodie natuurlijk aansloot op Nai Barghouti’s zanglijn. Ik zat er twee meter vandaan; kippenvel.

En toen was het officieel tijd voor het laatste stuk, weer een lied van de gebroeders Rahbani en ook bekend geworden door Fairouz: ‘Zaahrat al Madinat’ (Bloem der Steden). Dat komt van het album Al Quds fil Bal (Jeruzalem in mijn hart) uit 1967; het jaar van de Zesdaagse Oorlog. De tekst gaat over Jeruzalem als stad van de vrede, waarin moskeeën en kerken in harmonie bijeen staan (synagogen worden niet genoemd). Het lied was alom in het Midden-Oosten te horen na de Israëlische bombardementen op Libanon in 2006. In elk geval zong Nai Barghouti het voorbeeldig. Zelf houd ik niet zo van de wat martialer passages voor orkest uit het stuk. Er zijn zelfs passender stukken in het repertoire van Fairouz die gaan over ontheemding en verlatenheid, het prachtige melancholische Shady bijvoorbeeld.

PJO

© Vincent de Kort

Hoe het ook zij, de – uitverkochte – zaal reageerde uitzinnig op het hele concert. Nai gaf een toegift, een vocalise in scat-jazz stijl geïnspireerd door Bach. Daarna deed het orkest een ‘Dudamelletje’, Conga del Fuego van Arturo Marquez, vaak ook een uitsmijter als Gustavo Dudamel bij zijn thuishaven het Venezolaanse jeugdorkest dirigeert. Tot besluit werd de entrée van de toreadors uit Carmen herhaald, en toen kon de avond al helemaal niet meer stuk voor een luid meeklappend publiek.

IMG_8353

Een ontspannend ‘Havana’ na afloop © Neil vdLinden

Het Palestine Youth Orchestra onder leiding van Vincent de Kort met zang van Nai Barghouti, Concertgebouw Amsterdam 16 augustus 2019, in de Bankgiroloterij zomerconcerten.

Groot, groter, grootst. Antonio Pappano dirigeert de Grande messe des morts van Berlioz

Berlioz requiem cg

Indrukwekkend, ontzagwekkend, dramatisch. Het Grande messe des morts van Berlioz is dat allemaal. Groter dan groot, grootst. Overweldigend. Maar is het ook mooi? Ik heb er niets mee en als ik eerlijk mag zijn dan vind ik het werk gewoon bombastisch en megalomaan. Goed: er zijn momenten van verstilling en contemplatie, maar: te weinig, te schaars. Het ligt zonder meer aan mij, want veel van mijn collega’s beschouwen het werk als het beste requiem ooit gecomponeerd.

Berlioz componeerde zijn Dodenmis op verzoek van een Franse minister voor de herdenking van de soldaten die tijdens de Juli-revolutie van het jaar 1830 waren gesneuveld. Iets wat zonder meer een grote eer was voor de toen 33-jarige componist

Ik heb het werk, dat door veel mensen als Berlioz’ opus magnum wordt beschouwd nog nooit _live_ gehoord. Het staat ook niet al te vaak op het repertoire want het is geen sinecuur om de vereiste – ik citeer – “50 violen, 20 altviolen, 20 cello’s, 18 contrabassen, en een grote batterij hout- en koperblazers (met onder meer 12 hoorns en 8 fagotten. Daarnaast veel slagwerk (waaronder 10 spelers voor vier pauken) én vier extra koperensembles”. Tel nog 220 zangers er bij … Ik zei het al: megalomaan.

Dat was ook mijn voornaamste indruk na de – eerlijk is eerlijk – fantastische uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest, twee top koren en een zoetgevooisde top tenor onder leiding van één van ’s werelds beste dirigenten, Antonio Pappano. Ik werd er onder bedolven, onder de klankmassa, waar de samenhang voor mij moeilijk te doorgronden was.

Berlioz Sanctus

Niet, dat er geen momenten van bezinning in zitten. Zo werd ik zeer gegrepen door de het ‘Sanctus’, een van de weinig tere momenten die Berlioz in zijn werk heeft ingelast. En waarin de tenor evenzeer teer werd begeleid door zachte fluitklanken. Lang heeft het niet geduurd want al gauw kwamen de vrouwenstemmen en het ging weer donderen.

Berlioz Camarena

© Centre Stage Artist Management (CSAM)

De tenor van dienst was niemand minder dan de Mexicaanse startenor Javier Camarena. Iemand die ik alleen maar kende van de uitvoeringen van belcanto opera’s. Verrassend genoeg was hij hier uitstekend op zijn plaats, zijn waanzinnig mooi lyrisch geluid voelde als een balsem voor de door het lawaai aan flarden gescheurde ziel. Bij wijze van spreken dan. Verrassend genoeg wist hij ook nog eens boven het lawaai van het orkest en het koor uit te komen. Hulde!

Het Groot Omroepkoor en het Koor van de Accademia Nazionale di Santa Caecilia uit Rome waren een super de luxe mix. Het klonk alsof ze altijd al samen met elkaar hadden gezongen, zo homogeen en zo zuiver hadden ze geklonken. Petje af.

Berlioz Pappano-Musacchio-Ianniello-EMI-Classics

© Concertgebouw

Het moet gezegd: Antonio Pappano voelde zich in het werk als vis in het water. Het was duidelijk dat hij er feeling mee had en zo begeleidde hij het KCO naar ongekende hoogten. Ik vond het alleen best jammer dat de vier blaasbanda’s niet in de vier hoeken van de zaal stonden, zoals voorgeschreven. Wat voor mensen die op de balkon en op het podium zaten tot een raar balans had kunnen leiden. Gelukkig zat ik in de zaal.

De Grande messe des morts wordt zondagmiddag op Radio 4 uitgezonden.

Koninklijk Concertgebouworkest olv Antonio Pappano
Javier Camarena (tenor)
Groot Omroepkoor, Koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia (instudering: Ciro Visco)

Gehoord op 3 mei 2019 in het Concertgebouw in Amsterdam