concerten & recitals

Duvel of Prosecco? Graindelavoix zingt Gesualdo in Utrecht

Tekst: Neil van der Linden

grende

Graindelavoix © Koen Broos

Ik weet nog dat ik overrompeld werd door de eerste CD van dit ensemble, Caput, uit 2006, met de Missa Caput van Ockeghem in een huiveringwekkende uitvoering, dat was toen de Fame CD-winkel nog in de Kalverstraat zat. Hier leken karakters uit een Brueghel-dorpsleven aan het zingen te zijn geslagen. Oud-Vlaamse boerenzang van ver voor de Beeldenstorm, huiveringwekkend geloei in een middeleeuwse Belgische basiliek. Maar als je goed luisterde hoorde je toch een feilloze techniek. Ook, dan waren het waarschijnlijk de beste en meest toegewijde zangers van een rijke Vlaamse stad die zo hadden geklonken, de meesterzangers van Mechelen, zoiets. Lange slepende uithalen en intonaties bewust niet precies op de toon ge-’pitcht’, met een korrel, (‘grain’), graantje, op de stembanden, korrelig.

Waar de meeste ensembles wel twee missen van Ockeghem en nog wat motetten op een CD stopten, volstond Graindelavoix met een enkele, helemaal uitgesponnen mis, met nog een handvol motetten en stukken Gregoriaans. Maar het paste allemaal wonderwel. En natuurlijk wisten deze ‘boerenzangers’ heel goed wat ze deden en wat ze wilden bereiken.

fomu19_Graindelavoix 1 (c) Marieke Wijntjes

©Marieke Wijntjes

Het concert duurde van acht tot bijna twaalf, twee voor twaalf om precies te zijn. Dat is niet kort, zij het dat er twee pauzes waren ingelast, ook om de zangers even op adem te laten komen. Gelukkig waren het korte pauzes, want al snel konden wij, het hele publiek, en, zo leek het, ook de zangers, er niet genoeg van krijgen.

Het vanuit Antwerpen begonnen ensemble exploreert onder leiding van oprichter, dirigent, musicoloog en antropoloog Björn Schmelzer al enige tijd repertoire van de vijftiende en zestiende eeuw. Het bouwt, zo klinkt het, voort op de benadering waar de Franse musicoloog Marcel Pérès en zijn gezelschap Organum ooit mee begonnen.

Het idee is dat je muziek waarvan we soms alleen wat gothische noten en wat beschrijvingen hebt, maar waarvan je weet dat die enorme impact heeft gehad, misschien goed kunt benaderen door eerst als het ware nog verder terug te gaan in de tijd, en dan vooruit te kijken. Dus je probeert te bedenken hoe de muziek klonk die ervoor kwam en ervan uit te gaan dat de componisten en uitvoerenden daarmee vertrouwd waren, in plaats van uit te gaan van het ons bekende dat erna kwam.

En die tijden ervoor, de ‘donkere’ Middeleeuwen en nog daarvoor, waren natuurlijk opwindende tijd. In Europa de opkomst en definitieve bevestiging van het Christendom, en aan de zuidkant van de Middellandse Zee, waar het Christendom vandaan kwam, vervolgens de opkomst van de Islam. En daar loopt dan steeds ook het Jodendom doorheen, dat in Islamitisch Spanje en vervolgens het Ottomaanse rijk tot bloei kwam, nadat het eerst door de Romeinen leek weggevaagd. Marcel Pérès en zijn Organum gingen terug tot de muziek zoals die in de vijfde-eeuwse kerk van Rome zou hebben kunnen klinken.

We weten dat de kerkvader St Augustinus, zelf een Berber, afkomstig uit wat nu Algerije is, elementen uit de toenmalige Noord-Afrikaanse muziek in de kerk van Rome introduceerde, omdat hij de bestaande Roomse praktijk zo saai vond. Pérès castte Byzantijnse en Libanese zangers in zijn ensemble. In plaats van zuiver meteen op de toon te zingen, zoals latere klassieke principes voorschrijven, behoort tot de versiertechniek dat je dan juist via een glissando of eigenlijk portamento omhoog of omlaag naar de toon toe zingt, zoals heden ten dage nog steeds de regel is in veel Arabische muziek, onder meer in de Libanese en Syrische kerkmuziek. Er was genoeg reden om van daaruit naar laat-Middeleeuwse en Renaissance-muziek te extrapoleren.

Organum kwam tot Josquin Desprez en Pierre de la Rue. Graindelavoix is nu tot Gesualdo gegaan. En ook Björn Schmelzer haalde Mediterraanse en Zuid-Europese specialisten in huis. Countertenor Razek-François Bitar komt uit Aleppo, en de Roemeens bas-bariton Adrian Sirbu is specialist in de Byzantijnse muziek. Laatstgenoemde nam een deel van de Gregoriaanse tussenzangen voor zijn rekening, en paste daarbij juist die prachtige Byzantijnse intonaties toe.

Kan dat allemaal met Gesualdo? Welnu, ervan afgezien dat je door die extrapolatiemethode misschien tot dit resultaat komt, en dat het resultaat hoe dan ook fascinerend klonk, kun je redeneren dat Napels lange tijd Spaans is geweest, en dat Napels’ muziek dus zeer zeker ook laat-Moorse invloeden heeft ondervonden. Terwijl Napels, een smeltkroes van de wijde omgeving, ook niet ver van Sicilië ligt, dat enige tijd Arabisch is geweest, en ja, het Arabische rijk heeft zich zelfs enige tijd tot de Zuidpunt van het Italiaanse vasteland uitgestrekt.

fomu19_Graindelavoix 2 (c) Marieke Wijntjes

©Marieke Wijntjes

Als ik wat ik deze avond hoorde vergelijk met wat ik op Spotify vind van gerenommeerde ensembles als de Tallis Scholars, het Hilliard Ensemble of Les Arts Florissants, vind ik de aanpak van Graindelavoix echt opwindender en inventiever. Grappig, maar misschien niet verbazingwekkend is dan dus dat een in Vlaanderen gelokaliseerd ensemble de meeste emotie brengt in deze muziek. In de twee pauzes zag ik om deze reden misschien dan ook meer mensen met een stevig bokaal Duvel of Affligem Blond rondlopen dan met prosecco, al dan niet spumante.

IMG_8448

© Neil van der Linden

Zoals ensembleleider en dirigent Björn Schmelzer in de toelichting opmerkt, het is toch al zo moeilijk het persoonlijk leven van Gesualdo te scheiden van de muziek. Iedereen, nou ja bijna iedereen, kent hem van de dubbele moord die hij pleegde, op zijn eerste echtgenote, die tevens zijn eerstelijns nicht was, en haar minnaar, ook hoge adel. De Gesualdo’s waren rijk en aangetrouwd aan een paus, dus er zal wel flink wat klassenjustitie zijn bedreven om hem dit te vergeven.

Gesualdo

Gesualdo bent the rules of harmony in extreme ways.
Illustration by Pierre Mornet

Er zijn hypotheses dat hij het zichzelf nooit heeft vergeven. Hij trouwde nog een keer, nu met Leonora de Este van de hertogenfamilie van Ferrara, maar hij leed steeds meer aan depressies.  Vandaar, zegt men, dat Gesualdo in het verhaal van de lijdensweek, vol verraad (Judas), verloochening (Petrus) en onverschilligheid (de discipelen die in slaap vielen terwijl Christus even de Hof van Ghetsemaneh in ging om in zijn laatste uren te bidden), mogelijkerwijs de ultieme weergave van zijn eigen levenservaringen aantrof.

Wel, dankzij zijn geprivilegieerde positie kon hij ook componeren. En hij kon het zich permitteren de werken in topuitvoeringen te laten uitvoeren. Naar het schijnt meestal voor zichzelf, maar wel met de beste beschikbare musici. Geld speelde geen rol. Toch is het de vraag of hij ooit een droomuitvoering als deze heeft gehoord.

In de langgerekte maar relatief smalle ruimte van de Utrechtse Janskerk wist het ensemble een indringende intimiteit te scheppen, door zich heen en weer door het langwerpige middenschip en koor van de basiliek te verplaatsen, zodat iedereen vroeg of laat het ensemble van vlakbij te horen kreeg, en op andere momenten verder af, waarbij je naast de klanken ook ruimte en tijd onderging. Gesualdo’s grillige telkens wisselende harmonieën, hoewel duizelingwekkend complex, werkten op zeker moment uniformerend, wat een trance teweegbracht.

De Tenebrae Responsoria, gepubliceerd in 1611, zijn zogenaamde Responsoria, wisselzangen, voor de Lijdensweek, met name Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Stylistisch zijn het madrigalen conform het populaire zanggenre uit die tijd, maar dan wel op religieuze en niet op wereldlijke teksten, waarvan Gesualdo ook reeksen componeerde. Hij gebruikte scherpe dissonanten, met name in de passage die te maken hebben met het lijden van Christus, de discipelen die hem waren vergeten en in slaap vielen en Petrus die hem verried.

Na een turbulente avond en nacht van al deze chromatische contrasten die soms niet eens tot een oplossing komen, werd de uitvoering besloten met Gesualdo’s zetting van het Miserere, Psalm 51 (psalm 50 in de Rooms-Katholieke Vulgaat), met zijn afwisselende eenstemmige en zwaar chromatische maar wel meer homofone akkoordstructuren in de meerstemmige passages. Je moet van slechte huize komen om de intensiteit van deze te bederven. Maar misschien heeft deze psalm in moderne tijden nooit zo emotioneel geklonken als aan het eind van deze marathon.

Graindelavoix zingt Gesualdo in Chapelle Corneille Rouen, februari 2018:

Of Gesualdo veel invloed heeft gehad in zijn tijd? Zijn muziek werd spoedig vergeten. Zijn levensverhaal bleef bekend, maar pas gedurende de afgelopen eeuw werd zijn muziek echt ontdekt. Zijn harmonische experimenten maakten Gesualdo tot een darling van modernistische componisten, van Stravinsky tot Nono en Rihm, en onze eigen Van Vlijmen en Boehmer. Graindelavoix (dat gelukkig tot nu toe nooit vreselijke dingen doet als ook Pärt uitvoeren) liet ons Gesualdo als een toenmalig uniek, vooruit- maar ook terug-blikkend kind van zijn tijd zien.

Ondanks dat Utrecht een verkeersluw centrum heeft, zoals dat heet, dankzij verkeersluw beleid, drong geregeld toch een rotherrie van buiten veroorzaakt door een beklagenswaardige sterveling in diens ongetempereerde automobiel, en de Janskerk ligt pal naast de straat. In feite lieten de contrasten met deze aardse euvelen het devote en etherische van de muziek des te meer tot uiting komen.

Graindelavoix, Gesualdo’s Lamentaties
Anne-Kathryn Olsen, Carine Tinney, Razek-François Bitar, Albert Riera, Andrés Miravete, Marius Peterson, Adrian Sîrbu, Arnout Malfliet, Björn Schmelzer

Gehoord op 30 augustus 2019, Janskerk, Utrecht.

Advertenties

Ramallah in Mokum.

Tekst: Neil van der Linden

palestine-youth-orchestra-fares-s.-mansour-1280-608-2

Palestine Youth Orchestra © Bryan MacCormack

Ik ga eerst even wat met vooroordelen spelen. Van de contrabassisten zijn er drie vrouwen, één met een hoofddoek, de andere twee niet. En ja, om de een of andere reden stonden de vrouwen geheel op links, de mannen op rechts, gescheiden dus; de Telegraaf of De Dagelijkse Standaard zouden daar van alles achter kunnen zoeken. Twee van de vijf slagwerkers waren vrouwen. Het koper bestond voor de helft uit vrouwen. De harpist was een vrouw ja. Het hout allemaal vrouwen. En de violen en altviolen tegen de helft vrouwen. In elk geval zijn vrouwen ruim vertegenwoordig in het Palestine Youth Orchestra, en ook in de vaak als minder vrouwelijk beschouwde orkestsegmenten.

Het orkest is het levenswerk van Suhail Khoury, één van de oprichters van het conservatorium van Ramallah. Ik was geregeld in de West Bank toen dit nog een beginnende muziekschool was. Dat was in de jaren van het optimisme over de situatie in de regio, ten tijde van de Oslo akkoorden. Het conservatorium werd al snel een toeleverancier van het door de Palestijnse politicoloog en pianist Edward Said, en dirigent en pianist Daniel Barenboim opgerichte West-Eastern Divan Orchestra. Na het overlijden van Said werd het omgedoopt tot Edward Said Academy, en bezocht Barenboim het geregeld.

Naast studenten en oud-studenten van de Edward Said Academy en Arabische musici uit Israël, onder meer Haifa en het Druzische dorp Maghar in het noorden, namen musici uit Jordanië met zijn grote Palestijnse gemeenschap, Egypte en Irak deel. Het orkest telt tegen de tachtig leden. De gemiddelde leeftijd is ongeveer 22 jaar.

PJO Vincent

Vincent de Kort © Concertgebouw

Dirigent Vincent de Kort heeft al een paar keer voor het Amman Symphony Orchestra gestaan, vandaaruit dat het gemakkelijk was ook musici uit Amman te rekruteren. Die eerste samenwerking was trouwens mede dankzij een regeling van het voormalige Muziek Centrum Nederland. Het optreden was het sluitstuk van een tournee door Scandinavië, Duitsland en Nederland. In Apeldoorn had men de dag ervoor gespeeld met het Nationaal Jeugdorkest onder Antony Hermus. Soliste was de Palestijnse zangeres Nai Barghouti, onlangs afgestudeerd aan het conservatorium Amsterdam, naar ik begreep met tienen, op dwarsfluit en in jazz-zang.

IMG_8344

© Neil vd Linden

Het repertoire, gegroepeerd rond De Liefde als thema, bestond uit stukken uit het Westerse romantische repertoire, Tchaikovski’s symfonisch gedicht Romeo en Julia, de Bacchanale uit Saint-Saëns’ Samson et Dalila, de ‘Liebestod’ uit Wagners Tristan und Isolde en de suite uit Bizets Carmen. Dan waren er twee orkestrale stukken uit het Midden-Oosten, Remembrance van Salvador Arnita en Palestinian Rhapsody van Faris Badarni.

In Tchaikovski, een sterke binnenkomer, viel meteen al de warme klank van de strijkers op, mooi aangevuld met de houtblazers. De opstelling, met zoals gezegd de contrabassen links en rechts, eerste violen vooraan links, tweede violen vooraan rechts, altviolen, cello’s en houtblazers gecentreerd rond het midden, werkte hier wonderwel. De opstelling is ontleend aan ‘authentieke’ orkesten als die van John Eliot Gardiner en William Christie, en naar ik begreep zet men in de Musikverein in Wenen de contrabassen ook op in deze ‘stereo’-configuratie.

Salvador Arnita (1914-1985) werd geboren in Jeruzalem, waar hij muziekdocent was en dirigent van het Jeruzalem Radio Orkest, tot hij in 1948 naar Libanon vluchtte. Daar leidde hij vervolgens de muziekafdeling van de American University. Verschillende orkestwerken in een romantisch idioom bezorgden hem de bijnaam de Brahms van Palestina, maar dit werk, met Midden-Oosterse percussie heeft een Orientaalse sfeer.

PJO nai-barghouti-mutaz-kawasmi

Nai Barghouti © mutaz-kawasmi

Nai Barghouti trad nu eerst op in twee liederen geschreven door leden van de Rahbani familie, ‘Saaltek habibi’ geschreven voor de grote zangeres Fairouz, door Assi en Mansour Rahbani, samen de beroemde Rahbani Brothers, en een stuk van Elias Rahbani, die eigenlijk altijd wat kitschachtiger componeerde. Saillant is dat beide liederen uit 1975 stammen, het jaar waarin de grote Libanese oorlog begon.

Nai Barghouti’s stem past goed bij het typische Libanese repertoire, dat lyrischer is dan de Egyptische zangstijl zoals groot gemaakt door de befaamde Umm Kulthum. Het onderscheid wordt bepaald door de religieuze achtergrond, de Libanese traditie komt voort uit de kerkzang en de Egyptische is verwant met de Quran-recitatie, die je in Westerse klassieke muziektermen als spinto in plaats van lyrisch kunt omschrijven.

In de context van dit concert, door een Palestijns orkest dat Europa bezoekt, is misschien moeilijk om wat dan ook toevallig te laten zijn, maar de keuze voor Saint-Saëns’ Bacchanale lijkt dat in elk geval niet. Het komt uit de opera (van een componist die trouwens geregeld in Egypte en Algerije verbleef en daar elementen uit Noord-Afrikaanse muziek oppikte) over een Bijbels-Israëlische leider die wordt verleid door een Filistijnse, die uiteindelijk zijn lot bezegelt (hoewel hij op het laatst nog wel even met zijn spierkracht één van hun ’heidense’ tempels omverduwt), dat kan niet echt toeval zijn. Maar daarnaast is het ook gewoon een fraaie muzikaal-Oriëntalistische dijenkletser, een mooie uitsmijter voor vóór de pauze.

De keuze voor Wagners ‘Liebestod’ meteen na de pauze vond ik minder gelukkig, niet zozeer vanwege de postume implicaties van Wagners gedachtengoed die door sommigen als minder passend worden ervaren in Midden-Oosterse context, al heeft onder meer Daniel Barenboim dat beeld bijgesteld. Nee, de Liebestod is gewoon een erg zwaar stuk, zeker te zwaar om als opwarmer na de pauze te dienen, en als je het zonder het Vorspiel speelt is het ook nog eens aan de korte kant om weer op gang te komen. Bovendien leunt het zwaar op de hoorns, en tsja, dat zijn moeilijke instrumenten, dus in die sectie was niet iedere muzikant even zeker van zijn of haar zaak, misschien juist door de druk die op hen werd uitgeoefend – ach ja, koper is in alle orkesten wel eens moeilijk. Ik zou bijvoorbeeld een Berlioz hebben gekozen, uit Romeo et Juliette of Les Troyens; het laatste zou ook mooi Mediterraans zijn geweest. Maar goed, een recensent moet niet op de stoel van het orkest gaan zitten.

De Palestijnse Rhapsodie van Faris Badarni daarentegen was echt een passend stuk. Orkestraal goed geschreven, door deze ook weer ongeveer 22-jarige componist. Hij komt uit Haifa, maar woont in München. Met succes werpt hij zich ook op als filmcomponist. Zijn veelzijdigheid is te horen in de muziek voor een klassieke tekenfilm, waarmee hij een prestigieuze Zwitserse prijs won:

Het volgende stuk zou Bizets suite uit Carmen zijn, en dat werd het ook, maar niet dan nadat het orkest met Nai Barghouti, zingend vanaf het balkon eerst een tahrir had uitgevoerd, een Oriëntaalse vocalise-improvisatie, die wonderwel overvloeide naar de eerste tonen van de prelude uit de eerste Carmen suite, waarvan de op Andalusische muziek geënte melodie natuurlijk aansloot op Nai Barghouti’s zanglijn. Ik zat er twee meter vandaan; kippenvel.

En toen was het officieel tijd voor het laatste stuk, weer een lied van de gebroeders Rahbani en ook bekend geworden door Fairouz: ‘Zaahrat al Madinat’ (Bloem der Steden). Dat komt van het album Al Quds fil Bal (Jeruzalem in mijn hart) uit 1967; het jaar van de Zesdaagse Oorlog. De tekst gaat over Jeruzalem als stad van de vrede, waarin moskeeën en kerken in harmonie bijeen staan (synagogen worden niet genoemd). Het lied was alom in het Midden-Oosten te horen na de Israëlische bombardementen op Libanon in 2006. In elk geval zong Nai Barghouti het voorbeeldig. Zelf houd ik niet zo van de wat martialer passages voor orkest uit het stuk. Er zijn zelfs passender stukken in het repertoire van Fairouz die gaan over ontheemding en verlatenheid, het prachtige melancholische Shady bijvoorbeeld.

PJO

© Vincent de Kort

Hoe het ook zij, de – uitverkochte – zaal reageerde uitzinnig op het hele concert. Nai gaf een toegift, een vocalise in scat-jazz stijl geïnspireerd door Bach. Daarna deed het orkest een ‘Dudamelletje’, Conga del Fuego van Arturo Marquez, vaak ook een uitsmijter als Gustavo Dudamel bij zijn thuishaven het Venezolaanse jeugdorkest dirigeert. Tot besluit werd de entrée van de toreadors uit Carmen herhaald, en toen kon de avond al helemaal niet meer stuk voor een luid meeklappend publiek.

IMG_8353

Een ontspannend ‘Havana’ na afloop © Neil vdLinden

Het Palestine Youth Orchestra onder leiding van Vincent de Kort met zang van Nai Barghouti, Concertgebouw Amsterdam 16 augustus 2019, in de Bankgiroloterij zomerconcerten.

Groot, groter, grootst. Antonio Pappano dirigeert het Grande messe des morts van Berlioz

Berlioz requiem cg

Indrukwekkend, ontzagwekkend, dramatisch. Het Grande messe des morts van Berlioz is dat allemaal. Groter dan groot, grootst. Overweldigend. Maar is het ook mooi? Ik heb er niets mee en als ik eerlijk mag zijn dan vind ik het werk gewoon bombastisch en megalomaan. Goed: er zijn momenten van verstilling en contemplatie, maar: te weinig, te schaars. Het ligt zonder meer aan mij, want veel van mijn collega’s beschouwen het werk als het beste requiem ooit gecomponeerd.

Berlioz componeerde zijn Dodenmis op verzoek van een Franse minister voor de herdenking van de soldaten die tijdens de Juli-revolutie van het jaar 1830 waren gesneuveld. Iets wat zonder meer een grote eer was voor de toen 33-jarige componist

Ik heb het werk, dat door veel mensen als Berlioz’ opus magnum wordt beschouwd nog nooit _live_ gehoord. Het staat ook niet al te vaak op het repertoire want het is geen sinecuur om de vereiste – ik citeer – “50 violen, 20 altviolen, 20 cello’s, 18 contrabassen, en een grote batterij hout- en koperblazers (met onder meer 12 hoorns en 8 fagotten. Daarnaast veel slagwerk (waaronder 10 spelers voor vier pauken) én vier extra koperensembles”. Tel nog 220 zangers er bij … Ik zei het al: megalomaan.

Dat was ook mijn voornaamste indruk na de – eerlijk is eerlijk – fantastische uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest, twee top koren en een zoetgevooisde top tenor onder leiding van één van ’s werelds beste dirigenten, Antonio Pappano. Ik werd er onder bedolven, onder de klankmassa, waar de samenhang voor mij moeilijk te doorgronden was.

Berlioz Sanctus

Niet, dat er geen momenten van bezinning in zitten. Zo werd ik zeer gegrepen door de het ‘Sanctus’, een van de weinig tere momenten die Berlioz in zijn werk heeft ingelast. En waarin de tenor evenzeer teer werd begeleid door zachte fluitklanken. Lang heeft het niet geduurd want al gauw kwamen de vrouwenstemmen en het ging weer donderen.

Berlioz Camarena

© Centre Stage Artist Management (CSAM)

De tenor van dienst was niemand minder dan de Mexicaanse startenor Javier Camarena. Iemand die ik alleen maar kende van de uitvoeringen van belcanto opera’s. Verrassend genoeg was hij hier uitstekend op zijn plaats, zijn waanzinnig mooi lyrisch geluid voelde als een balsem voor de door het lawaai aan flarden gescheurde ziel. Bij wijze van spreken dan. Verrassend genoeg wist hij ook nog eens boven het lawaai van het orkest en het koor uit te komen. Hulde!

Het Groot Omroepkoor en het Koor van de Accademia Nazionale di Santa Caecilia uit Rome waren een super de luxe mix. Het klonk alsof ze altijd al samen met elkaar hadden gezongen, zo homogeen en zo zuiver hadden ze geklonken. Petje af.

Berlioz Pappano-Musacchio-Ianniello-EMI-Classics

© Concertgebouw

Het moet gezegd: Antonio Pappano voelde zich in het werk als vis in het water. Het was duidelijk dat hij er feeling mee had en zo begeleidde hij het KCO naar ongekende hoogten. Ik vond het alleen best jammer dat de vier blaasbanda’s niet in de vier hoeken van de zaal stonden, zoals voorgeschreven. Wat voor mensen die op de balkon en op het podium zaten tot een raar balans had kunnen leiden. Gelukkig zat ik in de zaal.

De Grande messe des morts wordt zondagmiddag op Radio 4 uitgezonden.

Koninklijk Concertgebouworkest olv Antonio Pappano
Javier Camarena (tenor)
Groot Omroepkoor, Koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia (instudering: Ciro Visco)

Gehoord op 3 mei 2019 in het Concertgebouw in Amsterdam

Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken: sterke debuut van Mathilde Wantenaar bij ZaterdagMatinee

Goebaidoelina groot_omroepkoor_1px_chans_van_der_woerd

Het Groot Omroepkoor  in het Concertgebouw © Hans van der Woerd

PJOTR ILJITSJ TSJAIKOVSKI

Anders dan het programma vermeldde is het concert niet met het nieuwe werk van Mathilde Wantenaar maar de delen uit de Negen geestelijke stukken van Tsjaikovski begonnen. Goed. Heel erg goed. Daardoor hoorde men goed hoe prachtig Wantenaar de traditie heeft omarmd om daarna mee aan de haal gaan. Bij wijze van spreken dan.

Goebaidoelina dirigent

Philipp Ahmann © Danny Wandelt

Voor zijn geestelijke composities voor koor a cappella putte Tsjaikovski uit de Slavische kerkmuziek. Het zijn prachtige werken die een tijdloze schoonheid ademen waarbij je tot rust komt. Even geen haast. Koren op de molen voor het waanzinnig mooi en zeer homogeen zingend Groot Omroepkoor, waarbij de Duitse dirigent Philipp Ahmann zijn naam als de grote koorspecialist bevestigde.

MATHILDE WANTENAAR

Mathilde-Wantenaar Goebaidulina

De jonge Nederlandse componiste Mathilde Wantenaar (1993) heeft al meer opdrachtwerken op haar naam staan. Zo componeerde zij al eerder voor onder andere het Nederlands Blazers Ensemble, Liza Ferschtman en vocaal ensemble Wishful Singing.  Wantenaar studeerde compositie bij Willem Jeths, iets wat goed te horen is. Zij heeft grote affiniteit met de menselijke stem en tegenwoordig studeert zij zang aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Geen wonder dat haar debuut bij de NTR ZaterdagMatinee dan ook een vocaal werk betrof, Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken op tekst van Herman Gorter voor Groot Omroepkoor a cappella.

Wantenaar: “Ik zag voor me hoe de dichter in een stille kamer zit aan een tafel naast het raam. De zon gaat schuil achter een eindeloos uitgestrekt wit wolkendek, het is alsof alle kleur uit de wereld is getrokken, hoewel er toch veel licht is. Buiten is er leven, maar in de kamer van de dichter klinkt alles gedempt, is het alsof de tijd stil staat en de lucht is gestold. We zitten onder een stolp, glinsterende stofdeeltjes zweven traag in de lucht en ondertussen trekt de wereld langzaam aan ons voorbij. Het is fijn om er te zijn, maar tegelijkertijd ook beklemmend en eenzaam.”

Laat ik maar meteen zeggen dat de compositie niet alleen adembenemend mooi is, maar het is ook buitengewoon sterk. Wantenaar wist de broeierige sfeer van het gedicht goed in haar noten te vangen waardoor de tekst nog sterker werd, nog meer indruk maakte. Knap, hoor!

SOFIA GOEBAIDOELINA

sofiagubaidulina

Haar Sonnengesang componeerde Sofia Goebaidoelina naar een gedicht van Franciscus van Assisi. Het is een soort is een meditatie op het leven en de dood. Net als Tsjaikovski baseerde ook zij zich op orthodoxe kerkgezangen. Religie, geloof en spiritualiteit zijn dé kenmerken van de composities van de van de kleindochter van de Tartaarse groot moefti die zich in 1970 bekeerde tot het Russisch-Orthodoxe geloof.

De religieuze kenmerken waren niet alleen hoorbaar maar ook visueel aanwezig, zeker toen de cellist Ivan Monighetti zijn strijkstok neerlegde. Hij sloeg op de grote trom en pakte op flexatone, die hij lopend aanstreek, waardoor het leek alsof hij de zaal bewierookte. Aan het eind wist hij niet alleen de mooiste maar ook de meest verontrustende pianissimo uit zijn instrument te toveren. Wat, samen met de bijna meditatieve verstilling voor de bijna fysieke ervaring van de dood zorgde.

Goebaidoleina Monighett en Rstropovitsj

Ivan Monighetti met Mstislav Rostropovitsj

Goebaidoelina componeerde het werk in 1997, voor de zeventigste verjaardag van Mstislav Rostropovitsj. Dat het nu gespeeld werd door zijn laatste leerling, Ivan Monighetti maakte de uitvoering extra aantrekkelijk en nog indrukwekkender.

Maar als ik heel erg eerlijk mag zijn: het beste stuk van die middag hoorden we helemaal aan het begin. En aangezien het maar vijf minuten duurde vraag ik mij af of het niet mogelijk was geweest om de Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken te laten bisseren.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski Delen uit Negen geestelijke koorwerken
Mathilde Wantenaar Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken
Sofia Goebaidoelina Sonnengesang

Groot Omroepkoor olv Philipp Ahmann
Ivan Monighetti, cello
Slagwerkers uit het Radio Filharmonisch Orkest

Gehoord op 23 maart 2019 in het Concertgebouw in Amsterdam

Het concert kan teruggeluisterd worden op de site van Radio 4

Merel Vercammen en Dina Ivanova: sprookjesachtig cd-debuut

 

Shura Lipovsky: diva van het Yiddishe Lied

Shura Lipovsky concertfoto

Zij is zonder meer één van de belangrijkste personen achter de revival van de Joodse muziek en het Joodse lied: Shura Lipovsky. Woensdagavond 18 februari 2011 gaf ze een onvergetelijk concert in het Concertgebouw. Een diva die alleen met de grootsten is te vergelijken.

Na de oorlog had je in Amsterdam nog het cabaret ‘Li-La-Lo’ en in Rotterdam bezorgde Leo Fuld menig toeschouwer kippenvel en tranen in de ogen. Maar eind jaren zeventig was dat wel voorbij.

En toen verscheen zij op het toneel: Shura Lipovsky. Lang voordat de zak met klezmer openbarstte en de ‘Joodse muziek’ (de aanhalingstekens zijn zo bedoeld) hot en hype werd, begon ze te werken aan de revival van de vergeten liedjes van onder andere Mordechai Gebirtig.

Ze zong op het allereerste Joods Muziek Festival in Kraków, trad aanvankelijk op in het kleine circuit, maar maakte daarna naam én cd’s.

Shura Lipovsky en haar ensemble tijdens het 24ste Joodscultuur Festival in Kraków.

Een paar jaar was het een beetje stil rond haar, maar nu was zij er weer. En hoe! Haar stem is mooier dan ooit, haar voordracht zowat perfect en haar uitstraling meer dan charismatisch. Ze is een mooie vrouw met een weelderige bos krullen en ze beheerst de bühne vanaf haar eerste opkomst. Een diva die alleen met de grootsten is te vergelijken. Denk aan Callas of Oum Khaltoum.

Shura Novaya shira

Haar programma dat zij in 2011 naar het Concertgebouw bracht heette ‘Novaya Shira’. ‘Novaya’ betekent in het Russisch ‘het nieuwe’ en ‘Shira’ staat in het Hebreeuws voor ‘poëzie’, maar ook voor ‘gezang’.

Het meest verrast werd ik door het repertoire dat ze zong en waarvan ik dacht het door en door te kennen. Niet dus. Op een paar nummers na kende ik geen van de door haar gezongen liederen, allemaal uit Rusland afkomstig.

Of het over de oude ‘Matjoesjka Rassiya’ van de tsaren ging of de nieuwe orde van Stalin en de zijnen, één ding was duidelijk: gevaar lag op de loer. Als Jood mocht je je niet in grote steden vestigen, je liep de kans om voor 25 (of nog meer!) jaar het leger in te moeten en aan de horizon lagen de kampen van Siberië. Maar de mensen hadden elkaar lief, trouwden, kregen kinderen en… maakten revolutie.

Af en toe deed Lipovsky mij aan Esther Ofarim denken, wat mij betreft het grootste compliment mogelijk. Het mooiste kwam dat tot uiting in ‘Ikh un di velt’ (Ik en de wereld) van Reisen en Rauch.

Het is onmogelijk om al de liederen hier te bespreken, dus ik noem er maar een paar. Bijvoorbeeld het ontroerende ‘Di Varone’ (De Kraai), een traditionele melodie naar een tekst van E. Chrony, dat later door Sjostakovitsj in zijn cyclus ‘Uit de Joodse Poëzie’ werd gebruikt. Of ‘Shvartse kats’ (zwarte kat), een geestelijke satire op Stalin.

Lipovsky zong zeer ingetogen, a capella ‘Ikh hob gehert fun metschen’ (Ik heb gehoord van mensen), een anoniem lied uit het begin van het Sovjet-tijd. En ze raakte me zeer met ‘Aleyn in veg’ (Eenzaam op weg), naar een gedicht van Lermontov.

Het recital eindigde met een in perfect Russisch gezongen zigeunerliedje, ‘Sivodnya ya lyubyu’ (Vandaag heb ik lief). Hierbij moest ik aan Vertinski denken, de Russische bard uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Die van ‘Those were the days…’ Inderdaad.

Snel een traantje wegpinken, want het publiek wilde meer, en dus werden we getrakteerd op nog twee fantastische toegiften. En aangezien het Poerim was, een vrolijk Joods feest (zeg maar gerust het Joodse karnaval) ging de tweede over cadeautjes geven.

 

Shura VOS Bert (878h)

Lipovsky wist fantastische musici om haar heen te verzamelen, van wie één echt goed bekend was met het idioom: Bert Vos. Dat was te horen. Zijn solo’s waren duizelingwekkend in hun virtuositeit, dansant, vol humor, maar tegelijkertijd weemoedig. Precies zoals het Jiddische lied zelf is.

Op 23 december 2017 heeft Lipovsky, als eerste niet Amerikaanse/Canadese in New York de Adrienne Cooper ‘Dreaming in Yiddish’ Award ontvangen voor haar eigen composities en liedteksten en haar verdiensten voor de Jiddische cultuur.

 

Vocaal in de Kleine Zaal (in het kader van Rusland Festival)
Programma “Novaya Shira”- Shura Lipovsky and Friends

Bezocht op 16 februari 2011 in Het Concertgebouw in Amsterdam

Website van Shura Lipovsky:
http://www.shuralipovsky.com/

Camerata RCO en Nino Gvetadze zorgen voor een fantastische zomeravond

Gvetadze Camerata_RCO_HansvanderWoerd-01

Camerata RCO © Hans van der Woerd

Gustav Mahler associeert men niet met kamermuziek. Zijn pianokwartet is dan ook een jeugdig werkje (Mahler componeerde het toen hij nog geen zestien was, het was zijn afstudeerproject na zijn conservatoriumopleiding). Helaas is het complete werk verloren gegaan en is er maar het eerste deel bewaard gebleven.

Onnodig te zeggen dat het kwartet nog steeds diep geankerd is in de werken van Schubert en Brahms. Voornamelijk de laatste dan, iets dat je overduidelijk hoort in de melodische overgangen en het ‘aanreiken’ van het thema door de musici.

In al mij bekende opnamen speelt de piano er een ondergeschikte rol in, het zijn de strijkers die de melodie en de toon aangeven. Dat was nu niet het geval. Nino Gvetadze, de geweldige pianiste aan wie we het programma te danken hadden nam vanaf het begin het stuur in eigen handen en liet het niet meer los, waardoor het werkje opeens heel anders klonk. Steviger, nuchterder en voornamelijk minder zoet. Daar is zonder meer veel voor te zeggen, maar soms wil je je gewoon in de klanken verliezen en nu lukte het niet.

 

Gvetadze

Nino Gvetadze  © Concertgebouw

Bij Brahms werden de verhoudingen hersteld. Dat Nino Gvetadze verliefd is op Brahms was behoorlijk voel- en hoorbaar. In een interview in Pianowereld vertelde ze ooit dat in al zijn werken “zulke grote gevoelens in worden uitgedrukt”. Klopt.  Iets wat zonder meer ook geldt voor het Trio in Es, waarin Brahms instrumenten die hij in zijn jeugd bespeelde combineert: hoorn, viool en piano.

Gvetaze Fons-Verspaandonk-1024x778

Fons Verspaandonk © KKCO

Fons Verspaandonk bespeelde de natuurhoorn zeer liefdevol, het was alsof hij het publiek de boodschap van Brahms wilde duidelijk maken, want die boodschap, die zat er duidelijk in. Hoorn was het geliefde instrument van Brahms’ moeder en hij componeerde het werk in feite in haar nagedachtenis. Die boodschap overbrengen, dat lukte Verspaandonk meer dan uitstekend. De prachtige melancholieke derde deel, het Adagio Mesto raakte de luisteraar rechtstreeks in zijn hart.

 

Gvetadze hoorntrio Brahms

Maar denk niet dat het een al treurnis was! Het Adagio is dan wel zeer melancholiek, maar van de rest van het werk spatte de levenslust af! En zo was de uitvoering ook. Levenslustig en met veel aandacht voor de dingen die voorbijgaan. En voor het eindige.

Gvetadze Erno-Dohnanyi

Ernő Dohnányi

Dat Ernő Dohnányi ooit pianist is geworden hebben we (ook) aan Brahms te danken. Hij was het namelijk die de jonge Hongaar aanspoorde om pianospelen als zijn beroep te kiezen. Daar werd hij zo gedreven en goed in dat hij één van de beroemdste pianopedagogen werd.  Van zijn hand is ook het studieboek: “Die wichtigsten Übungen zur Erlangung einer sicheren Klaviertechnik”.

Maar ook in zijn loopbaan als componist werd Dohnányi door Brahms niet alleen geïnspireerd maar ook gestimuleerd. Zijn composities hebben – meestal – een klassieke vorm, bovendien klinken ze zeer (laat)romantisch.

Zo ook zijn Sextet in C voor een niet alledaagse bezetting: strijktrio, piano, hoorn en klarinet. Het is een beetje moeilijk – zo niet onmogelijk – om goed te kunnen duiden wat het stuk eigenlijk is, want de weemoed en de levenslust gaan hier met elkaar hand in hand. Vergeet ook de Hongaarse folklore niet en dan heb je een hybride van een compositie die eigenlijk geen andere doel lijkt te hebben dan de luisteraar te vermaken.  Iets wat wonderwel lukte.

In dit stuk was de violist Marc Daniel van Biemen de ‘leider’ van het ensemble. Visueel dan, want het gebeurt zelden dat alle leden van een (toch wel een beetje ad hoc) ensemble zo fantastisch unisono kunnen spelen. Of ligt het aan hun ervaring als Concertgebouworkest-collega’s?

Wat het prachtige concert – onder andere – meer dan duidelijk heeft gemaakt is hoe groot de invloed van Brahms op andere componisten was geweest. Dat was uiteraard de bedoeling, maar het kan niet vaak genoeg herhaald worden. Bedankt!

Het concert is nog terug te beluisteren op radio 4 : https://www.nporadio4.nl/gids-gemist/2018-07-4

Mahler, Pianokwartet in a
Brahms, Trio in Es, op. 40
Dohnányi, Sextet in C, op. 37

Camerata RCO:
Marc Daniel van Biemen, Annebeth Webb (viool), Saeko Oguma (altviool), Johan van Iersel (cello), Hein Wiedijk (klarinet), Fons Verspaandonk (hoorn), Nino Gvetadze (piano)

Gehoord op 4 juli 2018 in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam

Meer Camerata RCO:  MAHLER 4 FOR ENSEMBLE

 

Edo de Waart dirigeert Requiem van Verdi

Requiem libera

Het is één van de werken die je live moet hebben gehoord, al is het een keer in je leven, maar de kans daartoe ligt niet voor het oprapen. Althans, de kans om een echt goede uitvoering live mee te maken, want zowat alle oratoriaverenigingen en amateurkoren tot in Lutjesbroek zetten het wel eens op hun repertoire. En geef ze maar ongelijk!

De muziek is zo ongekend schitterend, zo overweldigend, zo complex in zijn eenvoud (of juist zo eenvoudig in zijn complexiteit), zo een enorme gamma aan emoties oproepend dat je willens en wetens een onderdeel van wil zijn. Wat zeg ik: moet zijn, want als er een muziekstuk bestaat dat echt dwingend is dan is deze Requiem het wel.

Maar zelfs met het beste koor alleen red je het niet, want Verdi heeft in zijn werk ook vier kanonnen van stemmen bedacht, stemmen die – hoe kan het anders – ook in zijn heftigste en zwaarste opera’s niet zouden misstaan. Zangers op wiens schouders het leed van alle Aida’s, Azucena’s, Otello’s en Philipsen – maar ook die van Desdemona’s en Alfredo’s – zal kunnen rusten.

De uitvoering in het Concertgebouw tijdens de ZaterdagMatinee was zonder meer goed. Het was niet echt optimaal, maar denkend aan het “materiaal” wat we heden ten dage ter beschikking hebben werd het ideaal dicht benaderd.

Requiem edo-de-waart-jesse-willems-1-

Edo de Waart © Jesse Willems

Ik had een beetje moeite met de door de Waart gekozen tempi, zeker aan het begin. Ik vond het een beetje sloom, voor mij kwam het ook iets te traag aan de gang. Maar waar ik werkelijk bang voor was, een oorverdovend lawaai werd ons bespaard. Voor de verandering (mildheid komt met de leeftijd?) heeft Edo de Waart alle ruimte aan de solisten en het koor gegeven.

O, jazeker, hij heeft het orkest (werkelijk goddelijk spelend Radio Filharmonisch Orkest) opgezweept tot max waar nodig, maar zonder over de pijngrens van het gehoor te gaan. De Waart gaf voldoende ruimte aan elk afzonderlijk instrument, liet hij de tutti hun wiegende tonen te laten horen en gaf hij de koren (Groot Omroepkoor voor de gelegenheid versterkt met hun Vlaams zusje, het Vlaams Radio Koor) én de solisten genoeg ondersteuning. Alles en iedereen was goed hoorbaar en zelfs in de meest forte passages hielden de zangers zich goed staande.

Veronica Simeoni

Veronica Simeoni © ANSA

Natuurlijk lag het ook aan hun kelen, maar er was meer. Uit ervaring weet ik dat de stem van de mezzosopraan Veronica Simeoni niet heel erg groot is. Simeoni was mij in Verdi’s La forza del destino bij DNO behoorlijk tegengevallen, ik vond haar Preziosilla gewoon ondermaats, maar gisteren klonk zij zeker mooi. Goed, haar borsttonen waren nog steeds niet om over naar huis te schrijven, maar haar voordracht en haar interpretatie mochten er zijn. Dat noem ik een revanche!

 

Requiem Releya

John Relyea © Shirley Suarez

John Relyea viel mij helaas tegen. Het kan zeer zeker aan mij liggen, wellicht waren mijn verwachtingen iets te groot? Ik kende de zanger alleen uit de live uitzendingen uit de Metropolitan Opera in New York en heb mij zijn stem anders voorgesteld dan het de facto is. Zijn geluid is romig, afgerond en buitengewoon aangenaam, voor mij het prototype van basso cantante. Zijn laagte is uitstekend maar zijn stem kleurde voor mij niet donker genoeg. Het klonk niet charismatisch genoeg, maar mooi was het wel.

Requiem Leah Crocetto

Leah Crocetto © Leah Crocetto

De Amerikaanse sopraan Leah Crocetto deed mij aan Alessandra Marc denken. Haar stem klonk onverwoestbaar, bovendien leek het daadwerkelijk uit haar ‘onderregionen’ te komen, waardoor haar geluid erotiserend werkte. In de hoogte werd zij, gelijk een stiletto genadeloos scherp. Ze torende boven alles en iedereen en zelfs in de meest heftige passages wist zij haar medesolisten, het koor en het fortissimo spelend orkest te overtroeven. Haar stralende hoge C in ‘Libera me, Domine’ was de perfectie nabij. Mijn God, wat een geluid! En wat een mogelijkheden voor de toekomst!

 

Requiem Brian Jagde

Brian Jagde © Simon Pauly

Mijn hart werd echter gestolen door de tenor Brian Jagde. Niet alleen wist hij zich naast het sopraan-geweld uitstekend staande te houden maar liet zich ook nergens door haar uit het veld slaan. Wellicht kwam het doordat het niet de eerste keer was dat ze samen zongen, het was nogal wiedes dat ze op elkaar waren ingespeeld. Twee echte partners, echt bij elkaar horend. Ook zijn geluid is aan de grote kant, zij het dat het (nog steeds?) overwegend lyrisch is. Zijn ‘Ingemisco’ was een toonbeeld van een ingehouden schoonheid.

Ergens las ik dat het niet de laatste keer was dat we Jagde in Amsterdam gingen horen: mijn vingers zijn gekruist!

Het concert is nog terug te beluisteren op Radio 4:

http://www.radio4.nl/ntrzaterdagmatinee/uitzendingen

Giuseppe Verdi
Requiem
Leah Crocetto (sopraan), Veronica Simeoni (mezzosopraan), Brian Jagde (tenor), John Relyea (bas)
Groot Omroepkoor en Vlaams Radio Koor olv Klaas Stok
Radio Filharmonisch Orkest olv Edo de Waart

Gehoord op 2 februari 2017 in het Concertgebouw in Amsterdam