achtergrondartikelen

Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’

kORNGOLD kindHij was een wonderkind. Op zijn twintigste was hij al wereldberoemd en gevestigd als componist. Hij schreef ettelijke opera’s, liederen, concerto’s, symfonieën, kwartetten, kwintetten en wat niet meer. Zijn composities werden uitgevoerd door vooraanstaande musici als Arthur Schnabel, Carl Fleisch, Bruno Walter, Rose en zijn kwartet, Böhm, Tauber, Lotte Lehmann, Strauss…

Hij was de uitvinder van de befaamde Hollywood-sound, die in werkelijkheid niets anders was dan een combinatie van de Weense schmalz (inclusief de wals) en een gezonde dosis spanning en gevoel voor drama. Op handen gedragen voor de oorlog, totaal genegeerd erna.

Korngold was als zoon van een vooraanstaande Oostenrijkse muziekcriticus voorbestemd om een musicus – een genie! – te worden. Zijn vader had hem niet voor niets Wolfgang genoemd.

Op aanbeveling van Mahler, die behoorlijk onder de indruk van het talent van de jongen raakte, kreeg hij compositielessen van Zemlinsky. Na achttien maanden (Korngold was toen 12 jaar oud) vond zijn leraar dat het zinloos was hem nog iets te leren.

Uit die tijd stamt ook een smakelijke anekdote. Zemlinsky werd als chef-dirigent in Praag aangesteld. Toen hij hoorde dat Korngold contrapunt bij Hermann Grädener (toen een beroemde muziekleraar) studeerde, stuurde hij hem een telegram. ,,Lieve Erich, ik hoorde dat je met Grädaner studeert. En, maakt hij al vorderingen?”

Hieronder: Korngold speelt ‘Der Schneeman’ (pianorol)

Elf jaar oud was Korngold toen zijn balletpantomime Der Schneeman in de Weense opera haar première kreeg en op zijn achttiende presenteerde hij twee opera’s: Ring des Polykrates en Violanta. De laatste met Maria Jeritza in de hoofdrol. Beide behaalden een enorm succes. ,,Meister von Himmel gefallen”, kopte één van de kranten.

Korngold Jerirza Violanta

Maria Jeritza als Violanta

In 1934 vertrok Korngold naar Hollywood. Zijn vriend Max Reinhardt, een in die tijd wereldberoemde toneelregisseur, vroeg hem om muziek te schrijven voor A Midsummer Night’s Dream, een film waar hij toen aan werkte. Mede dankzij de prachtige muziek werd het een groot succes en de directie van Warner Bros. bood Korngold een fantastisch contract aan.

Hieronder promotiefilmpje over het maken van A Midsummer Night’s Dream:

Korngold leefde tussen twee werelden. Letterlijk en figuurlijk. In de jaren 1934–1938 pendelde hij tussen Hollywood en Wenen. In de winter werkte hij aan de filmmuziek, de zomers besteedde hij aan zijn ‘serieuzere’ werken.

In die tijd ontstond onder meer zijn laatste opera, Die Kathrin. De première (oorspronkelijk gepland voor januari 1938) moest telkens worden uitgesteld. Richard Tauber, die de hoofdrol van de verhinderde Jan Kiepura had overgenomen, was in Engeland met een film bezig en was pas in maart beschikbaar.

Op 22 januari arriveerde een telegram: of Korngold binnen tien dagen terug in Hollywood kon zijn, om zo snel mogelijk aan de partituur voor The Adventures of Robin Hood te beginnen. Korngold beschouwde het als een omen en met het laatste schip verliet hij op 29 januari 1938 Europa. Op 3 februari kwam hij, samen met zijn vrouw en één van zijn twee kinderen (de rest van de familie volgde een maand later), in New York aan.

Hieronder trailer van Robin Hood:

Hij had het goed in Amerika en was zeer succesvol (twee van zijn films wonnen een Oscar), maar toch voelde hij zich er niet thuis. Zijn hart en ziel waren in Wenen achtergebleven. In 1949 reisde hij terug naar Wenen, maar niemand kende hem er meer. In Salzkammergut bezocht hij zijn villa, waar hij ooit zo gelukkig was geweest. ,,Wat fijn dat u bent teruggekeerd”, werd tegen hem gezegd. ,,En wanneer gaat u weer weg?” Gedesillusioneerd keerde hij naar Hollywood terug, waar hij zeven jaar later letterlijk aan een gebroken hart overleed.

Hieronder: Konrad Jarnot zingt Korngolds ‘Sonnett fur Wien’:

DIE TOTE STADT

KOrngold TS poster

“This cover illustration of the Schott publication of excerpts from Die tote Stadt, arranged for piano duet, depicts very well the sort of atmosphere which Korngold sought to portray the medieval city of Bruges with its dark streets, canals, processing nuns and tolling church bells.”

,,Het vergeten vormt een deel van alle handelingen”, schreef Nietsche in één van zijn pamfletten. ,,Om te overleven moet men soms zijn verleden vernietigen.” Korngold zou het moeten weten, want juist met die woorden kun je de werkelijke thema’s van zijn bekendste opera, Die Tote Stadt, samenvatten.

Paul, een weduwnaar, heeft zich na de dood van zijn vrouw opgesloten in zijn huis in een doods Brugge, waar hij leeft tussen de relikwieën. Op een dag ontmoet hij een jonge vrouw die hem aan zijn overleden vrouw doet denken, en in wie hij haar reïncarnatie ziet. Wat volgt, is een ‘Vertigo’-achtige, hallucinerende zoektocht door de mystieke en in nevelen gehulde stad, balancerend tussen droom en werkelijkheid. Pas als Paul het verleden loslaat, kan hij de ‘dode stad’ verlaten om aan een nieuwe toekomst te beginnen.

Korngold DieToteStadt2122.01 Jeritza Met

Die Tote Stadt beleefde gelijktijdig haar wereldpremière in Keulen (onder directie van Otto Klemperer) en Hamburg op 4 december 1920, waarna de hele wereld volgde. Voor de oorlog was het de meest gespeelde van alle eigentijdse opera’s. En omdat Maria Jeritza het werk had gekozen voor haar Amerikaanse debuut, werd Die Tote Stadt de eerste opera die na de eerste wereldoorlog in de Metropolitan Opera in New York werd uitgevoerd. In het Duits.

Hieronder: Maria Jeritza zingt ‘Glück das mir verblieb’ in een opname uit 1922:

KORNGOLD IN NEDERLAND

Korngold den haag

overgenomen uit Een jongen van brutale zwier van Caspar Wintermans

Na de zeer succesvolle premières in Keulen en Hamburg reisde Die Tote Stadt de wereld rond. Al een jaar later volgden eveneens enthousiast onthaalde uitvoeringen in Wenen en New York, maar in Nederland moest men tot 1929 wachten. De opera werd op 26 januari uitgevoerd in Den Haag, in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen. Het was een éénmalige uitvoering in de reeks van z.g. ‘Buitengewone Opera-avonden’, geproduceerd door Jacob Meihuizen, indertijd directeur en intendant van het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen.

Korngold 1929 den Haag

overgenomen uit Een jongen van brutale zwier van Caspar Wintermans

Korngold zelf dirigeerde het Residentie Orkest, en de hoofdrollen werden gezongen door de toenmalige sterren uit Hamburg: Gertrude Geyersbach, Fritz Scherer en Josef Degler. Het was een overweldigend succes, al was de zaal niet voor honderd percent bezet. Na de tweede acte was het applaus zo groot, dat de componist op het toneel moest verschijnen.

Toch was de recensie in de NRC maar matig. De recensent vond de muziek ouderwets, slap en sentimenteel, en het verhaal (waar hij, volgens mij,  weinig van had begrepen) te belachelijk voor woorden. Hoe anders in Het Volk! A.d.W. had zich al lang voor de voorstelling in de partituur verdiept, en beschouwde het als een “werk van innerlijkheid, van lautrer Innenklang”. Ook voegde hij er aan toe: “In geschreven en gesproken woord heb ik, na een jaar lang met werk omgegaan te hebben, mijn opvatting van zijn innerlijke waarde durven kenbaar maken”.

In zijn uitgebreide artikel komt hij er rond voor uit dat hij de muziek prachtig vindt: “er is […] iets zeer aantrekkelijks-jongs, steeds is het hart er sterk in betrokken, en nergens domineert mogelijke handigheid. […] Een voornaam ding in deze muziek is, dat ze altijd, vol van en gedrenkt in stemming, steeds draagt en stuwt van hoogtepunt tot hoogtepunt, in spanning en volkern van thematiek, vol vinding”. En hij eindigt met: “Een werk als dit, moest men later nog eens geven. Ik geloof, dat het publiek het zeker zal appreciëren, nu het ijs der kennismaking gebroken is”.

Een werk als dit, moest men later nog eens geven…. A.d.W. schreef het negentig jaar geleden, op 28 januari 1929. Na 1938 werd ‘Die Tote Stadt’ niet meer gespeeld, pas eind jaren zeventig begon men aan een  voorzichtige comeback.

Korngold boek

Mocht u wat meer over Korngold in Nederland willen lezen dan beveel ik u van harte Een jongen van brutale zwier van Caspar Wintermans.

Wintermans in de inleiding tot zijn boek: “In een leven dat overschaduwd werd door jalousie de métier en racisme heeft dit troetelkind van de muzen een oeuvre geschapen dat zindert en gloeit van blijdschap en schoonheid, dat glans verschaft en kleur verleent aan het bestaan van lief hebbers der laatromantiek, die weten dat het voor romantiek nooit te laat is. “

Advertenties

THE STEPSISTERS OF MARIA CALLAS

Traviata Callas

Would we still love Callas so much if she had been an ‘ordinary’ happy person, like most of her colleagues? If she had been happily married and had had children, what she so longed for? If she didn’t suffer from bulimia and was not constantly fighting with her weight and body? If she had not fallen in love with Aristoteles Onassis, the super-rich Greek shipowner who left her to marry an even more famous lady? And if she had not lost her voice prematurely? Speculations, of course, but since even the most honest opera lover has something of a tabloid reader it keeps buzzing. People simply love gossip.

callas-onassis-pinterest

Rumour, success, being in the spotlight, are the most important ingredients in the lives of people who find their lives boring and everyday and lose themselves in the stories of the ‘rich and beautiful’. It should be noted that they feast most on the dark sides of the stories, because there is no greater happiness than sorrow.

Maria Callas was a diva with a true cult status. She owed this not only to her singing, but also to her unmistakable acting talent, her attractive appearance and her, unfortunately, more than tragic personal life.

However great, famous, loved and adored, Maria Callas was, she did not invent opera, nor was she the greatest actress amongst singers. Not all singers were equally gifted actors, but the image of a fat lady standing motionless on stage fluttering only her hands is not at all accurate.

Just think of Conchita Supervia, Geraldine Farrar, Marjorie Lawrence or Grace Moore, but there were more.

supervia

Conchita Supervia as Carmen

Geraldine Farrar as Carmen in a film from 1915:

What Callas truly was, was a pioneer in (dramatic) belcanto, and that happened more or less by accident (consult the DVD The Callas Conversations vol. II). It was a genre that at the time was a little neglected. It was she who gave us back the forgotten operas of Bellini, Donizetti and Spontini, but was she really the first?

There are many more sopranos from the time of Callas who sang at the highest level and deserve to be discussed. The sopranos I am going to talk about were all more or less Callas’ contemporaries and all sang almost the same repertoire (not counting spinto sopranos that sang mainly verist roles, such as Magda Olivero, Carla Gavazzi or Clara Petrella).

These divas missed the chance to be in the right place at the right time. Or: to meet someone who was important enough not only to boost your career, but also to give you a record deal.

callas-gioconda-nanopress

Maria Callas as La Gioconda in 1952

Cynical?

It has always been like this and nowadays it is no different, although we are dealing with another aspect: the ideal of beauty. If you don’t meet it, you can say goodbye to your career in advance – fat people are not even allowed to audit in many theatres anymore and a starting Callas would have absolutely no chance at all now.

 

                                         ANITA CERQUETTI

cerquetti

Her career, like that of Callas, didn’t last long. She was born in 1931 and made her opera debut as Aida in Spoleto as early as 1951 (!). She became – typically enough – the most famous by stepping in for a sick Callas in 1958. While she was still in a production of Norma in Naples, she sang some performances of the same opera by Bellini at the opera house of Rome, instead of La Divina.

Anita Cerquetti sings ‘O re dei cieli’ from Agnese di Hohenstauffen by Spontini:

On the label Bongiovanni (GB 1206-2, unfortunately not on You Tube) you can hear her in the famous ‘Casta diva’ from Norma. For me this is one of the most beautiful performances of this aria ever. Goosebumps.

Cerquetti sings Norma. Recording from 1956:

 

                                     LEYLA GENCER

gencer

Born in 1928 in a small town close to Istanbul, Gencer, just like Callas, has a cult status, even today, but on a smaller scale. She had a Turkish father and a Polish mother, which made her proficient in that language. There is even a pirate recording of her with songs by Chopin in Polish:

Gencer’s real speciality was belcanto. She sang her first Anna Bolena only a year after Callas:

And unlike Callas, she also included the other Tudor Queen operas by Donizetti in her repertoire: Roberto Devereux and Maria Stuarda.

gencer-alle-drie-tudor

Gencer as all three Tudor Queens

Besides all her Bellini’s, Donizetti’s and Verdi’s, and between Saffo by Paccini and Francesca da Rimini by Zandonai, she also sang some of Mozart’s songs. Fortunately, her Contessa (Le nozze di Figaro) in Glyndebourne was recorded and released on  CD some time ago. For the rest, you have to settle for the pirates.

Her round and clear voice – with the famous pianissimi, which only Montserrat Caballé could match – is so beautiful that it hurts. If you have never heard of her before, listen below to ‘La vergine degli angeli’ from La forza del Destino, recorded in 1957. Bet you’re going to gasp for breath?

                                          VIRGINIA ZEANI

zeani

Have you noticed how many great singers come from Romania? Virginia Zeani is one of them, born in Solovăstru in 1925.

Zeani made her debut when she was 23 as Violetta in Bologna (indented for Margherita Carossio). That role would become her trademark. There is a costly anecdote about her debut in Covent Garden: it was in 1960 and she was a last minute replacement for Joan Sutherland, who became ill. She arrived late in the afternoon and there was hardly time to try on the costume. Before she went on stage, she asked very quickly: ‘Which of the gentlemen is my Alfredo?

zeani-traviata

The soprano sang no less than 69 roles, including many world premieres. In 1957 she created the role of Blanche in Dialogues des carmélites by Poulenc. Her repertoire ranged from Handel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet and Gounod to Wagner (Elsa and Senta). With of course the necessary Verdis and Puccinis and as one of her greatest star roles Magda in The Consul by Menotti:

I myself am completely obsessed with her Tosca, but also her Violetta should not be missed by anyone. Her coloratures in the first act are more than perfect. And then her ‘morbidezza’… Do it for her!

Below her ‘Vissi d’arte’ (Tosca), recorded in 1975, when she was over fifty:

                                           CATERINA MANCINI

mancini

Never heard of her? Then it’s time to make up for the damage, because I promise you a voice out of thousands, with a beautiful height, pure coloratures (all ‘al punto’) and a drama that could make even La Divina jealous.

Mancini sings “Santo di patria… Da te questo m’è concesso” from Attila by Verdi:

Mancini’s career also lasted only a short time. People talked about health problems, but what really happened? The fact is that the soprano, born in 1924, stopped working as early as 1960. Although her name can still be found in 1963, as contralto (!) at the concert in memory of Kennedy.

Mancini made her debut in 1948, as Giselda in I Lombardi. At the Scala she already sang Lucrezia Borgia in 1951. Donizetti, Rossini and Bellini are not lacking in her repertoire.

The Italian label Cetra has recorded a lot with her; difficult to obtain, but so very worthwhile to look for!

At her best I find her as Lida in La Battaglia di Legnano by Verdi. Below a fragment of it:

                                     MARCELLA POBBE

pobbe

Marcella Pobbe may be a bit of an outsider in this list, as she had fewer belcanto roles in her repertoire (Gluck and Rossini, but no Bellini). But the Verdi and Puccini heroines she more or less had in common with La Divina.

Pobbe sings ‘D’amor sull’ali rosee’ from Il Trovatore:

She also sang a lot of Mozart and Wagner. But what made her really famous is Adriana Lecouvreur from Cilea

Pobbe was exceptionally beautiful. Elegant, elegant, almost royal. And her voice was exactly the same: her singing flowed like a kind of lava, in which you could lose yourself completely. Nobody then thought it necessary to record her. We already had La Divina, didn’t we?

Pobbe sings ‘Ave Maria’ from Otello by Verdi:

Listen below for example to ‘Io son l’umile ancella’ from Adriana Lecouvreur and think of that golden age, which is irrevocably over.

In Dutch: DE STIEFZUSSEN VAN MARIA CALLAS

see also: OPERA FANATIC: road movie met opera sterren

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

‘A Streetcar named desire’ twenty years after its premiere

Streetcar affiche

I had been playing with the idea of writing about modern American operas, because nowhere in the world is opera as alive as it is there. Romantic, minimalistic, dodecaphonic: something for everyone.

But ask the average opera lover (the diehards know Heggie, Barber and Menotti) to name an American opera composer: bet that they will not get beyond Philip Glass and John Adams. Why is that? Because we, Europeans, have a nose for American culture and feel superior in everything. That’s why.

September 1998 it was exactly twenty years ago that an important American opera had its premiere in San Francisco: A Streetcar named desire by André Previn, after the play by Tennesee Williams. I was there.

Streetcar scene

Elisabeth Futral (Stella), Rodney Gilfrey (Stanley) and Renée Fleming (Blanche) © Larry Merkle

THE PREMIERE

Expectations were high. Tennesee Williams’ A Streetcar Named Desire is one of the best known and most important American plays. Its adaptation by Elia Kazan in 1951 not only earned the play worldwide recognition but also a real cult status; and the main characters – curiously enough except for Marlon Brando – were all rewarded with an Oscar.

Streetcar film

The play was made into a film twice more, without success.  Not surprisingly, there are few films – or dramas – so intensely linked to the actors’ names. Still, it was the ultimate dream of Lotfi Mansouri, the then boss of the San Francisco Opera, to turn ‘Streetcar’ into an opera. Leonard Bernstein was approached but showed no interest.

The choice eventually fell on André Previn, a choice that seemed a bit strange to some, after all he had never composed an opera before.

Philip Littel, an old hand in the trade, wrote the libretto. He was best known for The Dangerous Liaisons, an opera that premiered two years earlier with great success. Colin Graham was the director and for the leading roles, great singer-actors were cast.

The libretto closely follows the play  and does not shy away from even the most difficult details. Small cuts have been made and Littel allowed himself a small addition: the Mexican flower saleswoman with her sinister ‘Flores, flores para los muertos’ returns at the end of the third act, with a clear message for Blanche. To me this felt slightly superfluous.

The stage images resembled those from the film. The first scene already: mist, a little house with the stairs to the upstairs neighbours and Blanche, carrying her little suitcase, singing ‘They told me to take a streetcar named Desire…” A feast of recognition for the film lover.

You recognise fragments of Berg, Britten, Strauss and Puccini in the music, which is easy on the ears. The atmosphere is partly determined by strong jazz influences and you hear many trumpet and saxophone solos. Logical, after all, it takes place in New Orleans.

The opera is through-composed, but contains numerous arias: Stella and Mitch get one, there is a duet for Stella and Blanche, and Blanche herself is very richly endowed with solo’s.

All attendees speculated what notes Stanley would get to sing with his famous “Stelllllaaa!!!

None, as it turned out. Rodney Gilfrey (Stanley), just like Marlon Brando in the movie stood at the bottom of the stairs and shouted. And just like in the movie Stella came back. The next morning she woke up humming. And she responded to Blanche with a beautiful big aria “I can hardly stand it”.

Streetcar Stanley

Elisabeth Futral (Stella) and Rodney Gilfrey (Stanley) © Larry Merkle

Elisabeth Futral provided a true sensation in her role of Stella. Blessed with a brilliant, light, agile soprano, she sang the stars from the sky and was ovationally applauded by the press and the public.

Streetcar rode hemd

Stanley Kowalski’s role was Rodney Gilfrey’s own. He even did me, even if it had been forgotten Brando for a while. I don’t know how he did it, but he could sing and chew gum at the same time! He looked particularly attractive in both the torn white T-shirt and the “red silk pajamas”. Unfortunately Previn didn’t give him an aria to sing, which made him even more unsympathetic as a person.

Mitch was sung very sensitively by the then unknown tenor Anthony Dean Griffey, and Blanche…..  André Previn wrote the role especially for Renée Fleming and you could hear that. Sensational.

Meanwhile Fleming has added her large aria ‘I Want Magic’ to her repertoire and recorded it in the studio for the CD with the same name.

CD

Streetcar-Named-Desire-768x761cd

The opera was recorded live by DG and brought on the market in the series 20/21 (music of our time).


DVD

Streetar dvd

The opera has now become a classic and is performed in many opera houses in many countries, but the chance that you will ever see the opera in the Netherlands is virtually nil. Fortunately it was also recorded on DVD (Arthaus 100138). Not so long ago I have watched it again.

“Whoever you are – I have always depended on the kindness of strangers” sings Blanche Du Bois (Fleming), disappearing into the distance. She is led away by a psychiatrist, whom she sees as a worshipper.

Her words echo on, a trumpet plays in the distance, and strings take over the blues. The heat is palpable, the curtain falls and I look for a handkerchief. Before that I spent two and a half hours on the edge of my chair and even forgot the glass of whiskey I filled at the beginning of the opera.

People: buy the DVD and get carried away. It is without a doubt one of the best operas of the last twenty years.

Renée Fleming in conversation with André Previn about the opera:

THE KINDNESS OF STRANGERS

DVD WRAP.QXD (Page 1)

The kindness of Strangers’ is also the title of a film about André Previn:

 

Translated with https://www.deepl.com/Translator

In Dutch: André Previns ‘A Streetcar named desire’ twintig jaar na de première

Marcel Beekman: als karaktertenor kan ik de hele wereld veroveren!

MARCEL BEEKMAN - photo © Sarah Wijzenbeek

Marcel Beekman © Sarah Wijzenbeek

Marcel Beekman vliegt de hele wereld rond om op te treden, tot aan het Midden-Oosten toe. De tenor kan niet genoeg geprezen worden. Dat hij zowat een alleskunner is in zijn vak dat wisten wij (of hoorden wij te weten!) al lang. Zijn stem lijkt geen grenzen te kennen en klimt soms esoterisch hoog, maar dan wel met behoud van een spectrum aan kleuren. Hij voelt de muziek niet alleen aan, hij lijkt er soms wezenlijk mee verbonden.

 

Beekman calliope-tsoupaki-ruud-jonkers-02

Calliope Tsoupaki © Ruud Jonkers

Volgens Calliope Tsoupaki, onze nieuwe Componist des Vaderlands is hij de beste Nederlandse tenor. En zij kan het weten, want hij heeft in veel van haar composities gezongen. Voor hem componeerde zij de 1-minuutopera Vesuvius 1927, naar de tekst van P.F. Tomése die zijn première beleefde in De Wereld Draait Door:

Maar hij zong ook in haar befaamde St. Luke’s Passion en redde de voorstelling van haar Greek Love Songs, uitgevoerd tijdens het Holland Festival in 2010. In juni 2014 was hij ook van de partij in haar opera Oidípous

Beekman oidc3adpous-calliope-tsoupaki-foto-janiek-dam

© Janiek Dam

En nu componeert zij voor hem – en voor de countertenor Maarten Engeltjes – een groot nieuw werk. Behalve de zangers doet ook een instrumentaal ensemble mee, PRJCT, het eigen ensemble van Maarten Engeltjes. Dit werk zal in première gaan tijdens de November Music 2019 en wellicht gaat het ook in andere steden geprogrammeerd worden.

We mogen ook andere Nederlandse componisten: Jeff Hamburg, Elmert Schönberger en Martijn Padding (om maar een paar namen te noemen) niet vergeten, ook zij schreven composities met zijn stem in hun achterhoofd.

HET BEGIN

De eerste keer ontmoetten we elkaar vijf jaar geleden in zijn prachtige woning in de Blaeu Erf, een soort hofje in een zijstraat van de drukker dan drukke Gravenstraat, pal achter de Nieuwe Kerk. Het is een oase van rust, waar nauwelijks nog geluiden doordringen. We dronken thee (zijn geheime mengsel, dat mij bijzonder smaakte) en praatten over zijn beginjaren, de ontdekking van de opera en zijn vele buitenlandse optredens, die hem zelfs naar landen in het Midden-Oosten brachten.

“Ik kom uit een provinciestad en heb gestudeerd aan een klein conservatorium, wat inhield dat ik eigenlijk voorbestemd was om een oratoriumzanger te worden. Of een leraar. Aan opera dacht toen niemand, ikzelf allerminst. Dat kwam pas toen ik gevraagd werd voor de opera/musical Jona de Neezegger van Willem Breuker. Het was een kleine schokervaring en ik kreeg de smaak te pakken. Dat wilde ik meer doen!”

bEEKMAN JOna

In Jona de Neezeger © Pieter Boersma

Je zingt voornamelijk oude en nieuwe muziek. Heb je daar bewust voor gekozen of is het zo gekomen?
“Ik fladder inderdaad tussen het oude en het moderne in. Ik ben pragmatisch en communicatief ingesteld en ik vind het bijzonder opwindend om aan een nieuwe partituur te werken. Het aspect van het nieuwe is alsof je een nieuwe prisma creëert. Je bent niet alleen een uitvoerend medium, maar ook een beetje een scheppend kunstenaar. Het is ook fijn om met de componist te kunnen overleggen, en ja – ze willen ook naar je luisteren en de noten veranderen. Soms vraag ik om extra hoge noten, daar moeten ze om lachen, vinden ze leuk.”

“Ik vind het niet erg een soort ‘gereedschap’ te zijn in handen van een componist, dus als van mij non vibrato wordt geëist dan doe ik dat. En ik moet eerlijk zeggen dat ik het soms juist heel erg mooi vind, het heeft iets puurs, iets natuurlijks.”

REGISSEURS

“Laat ik met een cliché beginnen: de repetities kunnen enorm verschillend zijn. De echte eye-opener was voor mij Salome onder Simon Rattle tijdens de Osterfestspiele in Salzburg. Rattle wilde dat wij eerst naar Berlijn kwamen om de partituur rustig door te nemen. Dat werkte echt fantastisch, want meestal hoor je de orkestklank voor het eerst als de eerste ‘sitzprobe’ komt. Een openbaring.

Stuttgart vond ik vroeger leuk, zeker het werken met het team Jossi Wieler en Sergio Morabito. Ze zijn vriendelijk, alles gebeurt in overleg en de sfeer is aangenaam. En – het allerbelangrijkste – ze zijn zo ontzettend respectvol. Dat werkt niet alleen prettig, maar dat maakt ook dat je je overgeeft. Als je zo behandeld wordt, gaat je hart open en wil je alles voor ze doen. Andersom gaat je luikje dicht, dan klap je dicht. Natuurlijk werk je mee, je moet je openstellen, anders kan je net zo goed achter de kassa in Lidl ziten.”

Marcel Beekman WOZZECK

Als Hauptmann in Wozzeck bij DNO © Ruth Waltz

In het seizoen 2016/17 mochten we Beekman in twee grote producties bij De Nationale Opera in Amsterdam bewonderen: Wozzeck van Alban Berg en Salome van Richard Strauss. Voornamelijk Wozzeck waarin hij zowel de Hauptmannn als de Narr zong was in dat seizoen voor de tenor erg belangrijk, de opname van die productie is onlangs bij Naxos (21110582) uitgekomen.

SALZBURG 2019

Beekman BarrieKosky

Barrie Kosky © Gunnar Geller

Tegenwoordig is Beekman één van de beroemdste en de meest gevraagde karaktertenoren ter wereld, met een druk bezette agenda. Zijn seizoen 2019/2020 werd net geopenbaard en het liegt er niet om! Hij noemt de paar belangrijkste:

“In 2019 ga ik Pluton (Orphée aux Enfers van Jacques Offenbach) zingen in Salzburg, in de nieuwe productie van Barrie Kosky, de Australische regisseur die vooral bekend is van zijn werk bij de Komische Oper in Berlijn. De première is 14 augustus tijdens de Salzburger Festspiele 2019. Enrique Mazzola dirigeert het Wiener Philharmoniker en als collega’s krijg ik o.a. Kathryn Lewek (Euridice), Joel Prieto (Orfeo) en Anne Sophie von Otter (L’Opinion Publique). Daar kijk ik er echt naar uit. Ik heb nog nooit samen met Kosky gewerkt maar bewonder zijn werk zeer. En dan het idee alleen dat er een operette in Salzburg komt! En Pluton is natuurlijk een echte rol voor mij.”

Beekmanjost-christian

Christian Jost © Nederlands Philharmonisch Orkest

Duitse componist Christian Jost  schrijft momenteel de opera Voyage vers l’Espoir waarin ik meerdere rollen ga vertolken. De première zal eind maart 2020 plaatsvinden in het Grand Théâtre de Genève”

In 2019 bestaat het Les Arts Florissants veertig jaar: de reden voor William Christie om een grootse internationale feesttournee te programmeren in december 2019. Op het programma staan werken van o.a. Lully en Rameau en, naast Beekman zullen meerdere solisten, onder wie Sandrine Piau, Christophe Dumaux er acte de présence geven.

BeekmN Platee-in-Paris-I-2014-Vincent-Pontet

Marcel Beekman als Platée in Parijs © Vincent Pontet

Rameau’s  Platée in de regie van Carsen, één van Beekmans grootste rollen, wordt in december 2020 hernomen in drie verschillende landen. Helaas zit Nederland er niet bij. Zijn andere glansrol, de Nutrice (L’Incoronazione di Poppea van Monteverdi uit Salzburg 2018) is gelukkig voor dvd opgenomen en verschijnt bij Harmonia Mundi in september 2019.

Marcel Beekman L'INCORONAZIONE DI POPPEA

Marcel Beekman als de Nutrice © Andreas Schaad

Verder vermeldt zijn agenda  veel losse projecten, waaronder een tournee met Israel Camerata in juni 2019 met de Cantata for Shabbath uit 1940 van de Israëlische componist Mordechai Seter (1916-1994).

Beekman M_Seter

Mordechai Seter

Beekman: “Daar kijk ik naar uit. Ik houd van dat land en iedere keer als ik er ben komt er iets van herkenning bij”. “Ik ben mijn verleden aan het uitzoeken. Het is niet voor niets dat ik mij zo thuis voel in Israël. Het Joodse, dat spreekt mij aan. Of er iets in het verleden zit?
Er was ooit een Beckman, met een “c”.. Maar of het er toe doet? Niet echt. Ik voel mij betrokken bij minderheden”.

“Ik heb mijn accenten verlegd en mijn prioriteiten veranderd, aangepast. Daar hoorde het verkopen van Blaeu Erf bij. Het geld interesseert mij niet, ik heb het huis verkocht om te kunnen leven, te kunnen genieten. Ik heb geen partner en of ik er een wil? Dat weet ik niet, maar ik ben wel gelukkig zo: mijn leven is op de juiste rail gekomen en het brengt mij wat ik het liefste wil: muziek, kunst, leven! Het duurde even voordat ik mijn draai vond, maar als karaktertenor kan ik de wereld veroveren!”

Voor de complete agenda van Marcel Beekman zie zijn  website.

Zie ook:
CALLIOPE TSOUPAKI: Oidípous

LOOKING EAST
SALOME IN AMSTERDAM

Ik ben Nino Machaidze!

Nino MACHAIDZE-Nino-Wilson-Santinelli1-886x1030

© Wilson-Santinelli. Courtesy Zemsky/Green Artists Management

Vergelijken doen we graag. En dan niet met de eerste de beste: nee, we gaan meteen Olympus bestormen. Elk voetbaltalent heet de volgende Johan Cruijff en een beetje verdienstelijke sopraan is al snel de Maria Callas van de toekomst. Die vergelijking wordt haar gelukkig bespaard, maar ook de nog maar 35 jaar oude Nino Machaidze kan niet gewoon Nino zijn.

“Mensen zeggen altijd dat ik een nieuwe Anna Netrebko ben. Dat ben ik niet. Anna is een fantastische zangeres en ik bewonder haar en haar stem zeer, maar ik ben haar niet! Ik ben Nino Machaidze. En ik blijf het eindeloos herhalen: ik ben Nino Machaidze!”

Nino koud

Haar buitengewoon fraaie uiterlijk, met haar afgetrainde lijf en haar sensuele mond, heeft haar ook de bijnaam ‘Angelina Jolie van de opera’ bezorgd. Daar kan ze hartelijk om lachen. “Het is natuurlijk een groot compliment, want Angelina Jolie is een zeer aantrekkelijke vrouw. Dus: bedankt!”

Zij is er zich volledig van bewust dat haar uiterlijk een niet onbelangrijke rol speelt in haar carrière, want met een mooie stem alleen red je het tegenwoordig niet meer.

 

GEORGIË

Nino Machaidze, in 1983 in Tbilisi geboren, is een trotse Georgische. “Mijn moeder was een grote opera liefhebber. Ik herinner mij dat zelfs in de slechte tijden, wanneer er problemen waren met de elektriciteit of als er weer eens niet voldoende te eten was, wij altijd naar het theater gingen. En daar was het altijd vol!”

“Zo lang ik het mij kan herinneren ben ik aan het zingen. Ik denk dat ik acht jaar oud was toen ik aria’s begon te zingen. In tegenstelling tot wat er in het Westen gewoon is, is het in Georgië vanzelfsprekend dat de kinderen al heel erg vroeg beginnen met het volgen van zanglessen. Iets, waar ik het mee eens ben.”

“Ik was acht toen ik met mijn zanglessen begon in de muziekschool van Tbilisi. Op mijn zeventiende begon ik aan de opleiding aan het conservatorium. Mijn opleiding heb ik in Georgië gedaan en mijn techniek is Georgisch. Mijn debuut, op mijn zeventiende (Norina in Don Pasquale), was in Tbilisi. Zelfs nu, nu ik de hele wereld rond- en doorreis, is en blijft mijn hele zangverleden Georgisch. Dus: ja, je kan stellen dat alles in en voor mij gelinkt blijft aan Georgië.”

Zij was 21 toen zij bij La Scala werd aangenomen voor hun opleiding voor de jonge zangers. Na het winnen van het Leyla Gencer Vocal Competition in 2006 heeft zij er de hoofdrol in La fille du régiment aangeboden gekregen.

 

Hieronder Nino Machaidze en Antonio Gandia in La Fille du Regiment:

 

JULIETTE

Nino Juliette

Haar carrière schoot als een komeet omhoog toen zij halsoverkop de rol van Juliette in Romeo et Juliette van Gounod in Salzburg overnam van de zwangere Netrebko.

“Ik was in La Scala, toen het aanbod kwam. Ik zong Lauretta in Gianni Schicchi van Puccini en opeens was er veel “buzz”: zij wilden mij in Salzburg hebben. Het gekke is: daar wist ik zelf niets van, het besluit werd gewoon genomen. Ik werd er door overrompeld, want ik kende de rol niet en ik sprak geen Frans. Ik moest alles in één maand tijd leren en mijn allereerste stap was om een leraar Frans te zoeken”

Hieronder Machaidze als Juliette in Salzburg:

Nino Machaidze, nog maar een paar jaar geleden één van de meest belovende jonge sopranen is inmiddels tot een echte diva uitgegroeid. Juliette, een rol die haar van de ene op de andere dag tot ‘the talk of the town’ heeft gemaakt is haar paradepaardje geworden. Na haar onverwachte debuut in Salzburg heeft zij de rol ook in Amsterdam bij de ZaterdagMatinee gezongen als een last minute vervangster voor Patrizia Ciofi.

Na de voorstelling schreef ik: “Dat de afzeggingen allerminst een ramp hoeven te betekenen werd op 8 november 2008 bewezen bij de uitvoering van Romeo & Juliette van Gounod. Na de afzeggingen van eerst Patrizia Ciofi en dan Matthew Polenzano, is het de casting directeur gelukt om op korte termijn twee fantastische vervangers te engageren: Nino Machaidze, die de rol van Juliette al in Salzburg (als vervangster van Netrebko) heeft gezongen, en Sèbastien Guéze. Hun verliefdheid spatte de bühne af, en aangezien niet alleen de beide hoofdrolvertolkers maar ook de rest van de cast zeer jong (en zeer goed) was, was de realiteitsgehalte van het verhaal gewaarborgd. Stelletje opgewonden teenagers op een rij.”.

LUCIA

Nino Lucia

In 2009 zong Machaidze een weergaloze Lucia di Lammermoor in Brussel, een opvoering die tot mijn grote spijt nooit op dvd is uitgebracht. De regie van Guy Joosten was zeer innoverend en toch in de traditie verankerd. Hij creëerde een wereld waarin niemand houdt van niemand, en waarin Lucia niet alleen het slachtoffer, maar ook de aanstichtster is.

In zijn opvatting was zij een puberaal ‘gothic meisje’ die intens van gruwelverhalen kan genieten, en waar een steekje aan los is nog voordat  ze “echt” gek gaat worden. De waanzinscène zelf was adembenemend: begeleid door de iele klanken van glasharmonica wreef Lucia met haar vingers over een glas die op de feesttafel stond, zo de illusie wekkend dat het geluid van onder haar handen kwam. Nino Machaidze was een formidabele Lucia: een hysterische puber die met een sardonisch lachje op haar gezicht zowat de meest perfecte ‘Regnava nel silenzio’ heeft gezongen.

Hoe bereidt Machaidze zich voor op haar voorstellingen? Vooraf praat ze zo weinig mogelijk. Eigenlijk alleen met haar man (bariton Guido Loconsolo) of haar vader, die haar zo vaak mogelijk begeleidt op haar trips. “Mijn vader is werkelijk de beste vader in de hele wereld! Hij kan niet altijd bij ons zijn – hij woont nog steeds in Georgië – maar als we in Europa zijn, dan komt hij en blijft bij ons. Hij en mijn kleine jongen zijn de beste vrienden!”

Ook wat het eten betreft heeft de sopraan haar voorkeuren voordat ze de bühne op moet, zo vertrouwde ze onlangs aan het Duitse magazine Concerti toe. “Voor de voorstelling eet ik graag pasta. Het liefst met olijfolie en parmezaan. Het is goed voor mijn maag en het geeft mij veel energie. Soms neem ik nog wat extra Vitamine C. En ik zing nooit zonder een degelijke warm-up. Ik moet altijd minstens twee uur voor de voorstelling in het theater zijn, dan begin ik met vocaliseren, zo warm ik mijn stem het beste op. Ik probeer ook om twee, drie dagen vóór een voorstelling zo veel mogelijk rust te hebben en geen parallelle producties te maken. Het is te gevaarlijk om tussen de repetities en voorstellingen door heen en weer te reizen”.

Zenuwachtig is Machaidze nooit, zei ze in hetzelfde interview. “Het heeft geen zin om zenuwachtig te zijn. Het wordt pas gevaarlijk als je je zorgen gaat maken om alles wat er mis kan gaan. Maar ik denk dat dat ook met je persoonlijke aanleg te maken heeft. Je bent nu eenmaal zus of zo…”

Wat Machaidze soms wel parten speelt, is het eeuwige gereis dat onlosmakelijk met het leven als operazangeres verbonden is. Maar het zingen verschaft haar zo veel geluk dat ze met dat ongemak kan leven.

“Nu ik moeder ben, is mijn geluk alleen maar groter geworden. Mama zijn is het mooiste wat er bestaat! En het valt best mee om het moederschap en mijn carrière te combineren, althans, voor mij. Er bestaat niets mooiers dan eerst te mogen zingen en dan terug naar huis te gaan om met je kindje te knuffelen. Dat gevoel is onbeschrijfelijk.”

Nino sony

In 2011, op haar 27-ste signeerde zij een exclusief contract met Sony, wat – tot nu toe – in twee solo albums resulteerde: “Romantic Arias” met voornamelijk Donizetti en Bellini, opgenomen met het orkest en het koor van het Teatro Communale di Bologna, dat geleid werd door de jonge dirigent Michele Mariotti en “Arias et Scenes”, waarin zij al een voorzichtige stap richting Puccini en Verdi deed. Op de tweede cd, gedirigeerd door Daniele Gatti werd zij bijgestaan door de jonge Braziliaanse tenor Atalla Ayan (Rodolfo in de Amsterdamse La Bohème).

SOCIALE MEDIA

Nino rosina“Here is my gorgeous dress 💖 I feel pretty, super cool and I’m in love”

Machaidze is zeer actief op Facebook, waar ze veel foto’s van haarzelf en haar twee grote ‘amores’ – haar man en haar zoontje – deelt met haar fans. Dat alles gaat gepaard met veel hartjes en kushandjes.

Nino in Amsterdam

Ja, Nino Machaidze is zeer aimabel! En ze draagt Amsterdam een warm hart toe. “Het is een geweldige stad. Toen ik hier laatst was, heb ik mij fantastisch vermaakt. Het maakt mij dan ook oprecht gelukkig dat ik hier weer kan zijn en dat ik in deze schitterende opera in jullie mooie operahuis mag optreden. Het publiek hier is ook zo warm! Can’t wait!”

Mijmeringen over Tosca

Tosca partituur

Ik ben een groot Puccini bewonderaar. Zijn muziek komt rechtstreeks mijn hart in om het nooit meer te verlaten. Ik houd van al zijn opera’s en al zijn heldinnen zijn mij even lief. Ik houd zielsveel van Angelica en Cio-Cio-San en na hun dood blijf ik urenlang janken. Maar geen één haalt het bij Tosca: het verhaal is zo ontzettend complex en zit zo vernuftig in elkaar dat ik er – ook al kan ik de opera werkelijk dromen! – keer op keer iets nieuws in weet te ontdekken.

Is het u opgevallen, dat bij Puccini geen rollen zijn weggelegd voor de mezzo’s? Voor het gemak laat ik Edgar niet meetellen. Per slot van rekening was het nog geen ‘echte Puccini’. Ik denk dat het komt dat zijn vrouwen alles behalve ééndimensionaal zijn. Ze zijn sterk en kwetsbaar tegelijk, noch goed noch slecht. Cio-Cio-San was een geisha, Suor Angelica had een buitenechtelijk kind, Mimi had losse verhoudingen. En toch houden wij van ze, allemaal, zelfs van de wispelturige Manon Lescaut en hun dood doet ons naar de zakdoek grijpen.

De ‘Puccini baritons’ zijn de vriendelijkheid zelve: de lieve en behulpzame Marcello, de meelevende consul Sharpless. Zelfs de sheriff Jack Rance speelt een eerlijk spel en na een verloren partijtje poker laat hij zijn rivaal gaan.

Tosca 1907

Er is één uitzondering: baron Scarpia. Vanaf het begin beheerst hij het toneel in de letterlijke en figuratieve zin. Hij is degene, die het hele scenario heeft uitgedokterd en uitgewerkt tot in de kleinste details. Hij is de jager, die om zijn prooi te vangen geen middelen zou schuwen. Hij is de duivel, voor niets en niemand bang; en om zijn zin te krijgen is hij bereid een vals spel te spelen. Maar: let op! hij is alleszins weerzinwekkend. Nee, baron Scarpia is een  aantrekkelijke, charmante, erudiete en intelligente man en daardoor een uiterst gevaarlijke tegenspeler.

Tosca Giraldoni+as+Scarpia

Eerste Scarpia: Eugenio Giraldoni

Floria Tosca is een gevierde zangeres, een diva. Mooi, verleidelijk, vrouwelijk en beroemd; begeerd door vele mannen. Zij heeft een verhouding met een jonge schilder, Mario Cavaradossi.

Tosca hericlee-darclee-din-arhiva-teatrului-solis

De eerste Tosca: Hariclée Darclée

Hun verhouding is gepassioneerd, maar of ze werkelijk van elkaar houden? Tosca is op het hoogtepunt van haar carrière, dus niet zo piep meer. Zij heeft al vele minnaars achter de rug en realiseert zich dat Mario wellicht de laatste kan zijn. Dat maakt haar extreem jaloers.

Tosca DeMarchiTosca

Voor Cavaradossi is een verhouding met een beroemde diva iets om trots op te zijn. Dat is hij ook, wat hem niet weerhoudt om ook naar andere dames te kijken en hun schoonheid te bewonderen. Hij flirt een beetje met de revolutie, denkt zichzelf belangrijk te maken door een schuilplaats aan een echte revolutionair aan te bieden. Wat een makkelijke prooi voor onze jager!

Tosca_Te_Deum_Act_1-1

The Te Deum scene which concludes act 1; Scarpia stands at left. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House

Scarpia is belast met het opsporen van republikeinen. Angelotti, ex consul van de Romeinse Republiek ontsnapt echter en alle sporen leiden naar een kerk, waar onze schilder aan het werk is. Er is echter noch Angelotti, noch Cavaradossi aanwezig: wel een lege broodtrommel en deuren, die open staan. Scarpia maakt dankbaar gebruik van Tosca’s jaloezie in de (terechte) veronderstelling, dat zij hem naar de schuilplaats van Angelotti zou kunnen leiden. Bovendien zit hij al een tijd achter de diva aan: hij wil dolgraag een nacht met haar doorbrengen. Hij laat Cavaradossi martelen en ondertussen is hij bezig Tosca te versieren.

Scotti_as_Scarpia_Kobbe

Antonio Scotti als Scarpia

De ruil, die hij haar biedt (het leven van Mario tegen een partijtje vrijen) verbaast ons niets. Dat hebben wij al vaker in de opera meegemaakt. Maar de ontknoping, het is zo anders! De meeste sopranen in dezelfde situatie plegen zelfmoord (Gioconda, Leonora ‘Trovatore’), of geven gelaten toe (Maddalena). Zo niet onze diva. Zij vecht, bidt, smeekt en vertoont een gedrag van een opgesloten tijger, om uitendelijk Scarpia met zijn eigen broodmes te vermoorden. Wat denkt zij hiermee te bereiken? De moord op de zo belangrijke man wordt gauw ontdekt en dan is zij, noch haar vriendje (die zij nog steeds denkt te kunnen bevrijden) veilig meer. Dat kan zelfs een niet bijster intelligente diva bedenken. Wat drijft haar? Welnu: Tosca is bang voor haar eigen emoties!

Tosca_Act_2_Victrola_Book_of_Opera

Tosca reverently lays a crucifix on Scarpia’s body. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House, New York

Weet u nog hoe aantrekkelijk Scarpia is? Ook Tosca blijft er niet ongevoelig voor en dat beangstigt haar in hoge mate. Om aan de erotische aantrekkingskracht van Scarpia te ontsnappen, moet zij hem doden. Dan pas kan zij werkelijk vrij zijn. Zij spoedt zich naar de Engelenburcht waar haar minnaar gevangen zit, vertelt hem wat zij gedaan had en dat zij vrij zijn. Er rest nog een kleinigheidje: een ‘schijnexecutie’.

Puccini_-_Tosca_-_The_execution_of_Cavaradossi_-_The_Victrola_book_of_the_opera

Helaas, Scarpia was nooit van plan geweest om Tosca voor de nacht te betalen en Mario wordt daadwerkelijk gedood. Dan pas beseft Tosca, dat Scarpia haar zelfs in het toneelspelen had overtroffen. En dat kan zij hem niet vergeven: “O Scarpia, avanti a Dio!” (“O Scarpia, tot voor God!”) zijn haar laatste woorden.

110924-diapo315

Er zijn duizenden ‘Tosca’s’ op de markt. Ik ga ze zeker niet bespreken, te veel, te veel echt goede. Ga luisteren naar Rosa Ponselle, Rosa Raisa, Mafalda Favero, Maria Caniglia, Magda Olivero, Renata Tebaldi, Maria Callas, Zinka Milanov, Eleanor Steber, Leyla Gencer, Leontyne Price, Montserrat Cabbalè, Renata Scotto, Raina Kabaivanska, Régine Crespin … Ze zijn allemaal voortreffelijk, elk op hun eigen manier, zoals het bij een echte diva hoort. Maar – voor mij – geen één haalt het bij Sara Scuderi:

De man die van vrouwen hield

donnePuccini

Puccini dandy

Zijn uiterlijk was voor hem zeer belangrijk. Hij was altijd elegant gekleed en hield van mooie hoeden, op en top een grand seigneur. Dankzij Giuseppe Adami weten wij hoe hij eruit zag op de dag van Premio del Commercio: hij droeg een elegante, donkergrijze ‘tight’, een bolhoed en een das in dezelfde kleur met een grote parel erop.

 

Puccini door Adami

Hij was een verwoed roker en “met de sigaret tussen zijn lippen, zijn deukhoed even schuin op het hoofd, met iets mannelijks en hartelijkst in zijn intelligent gezicht en in zijn krachtig postuur” (Adami) zag hij er beslist knap en aantrekkelijk uit.

 

puccini-de Dion-Bouton

Dat was ook de bedoeling. Hij hield van auto’s en autorijden en zijn eerste exemplaar kocht hij al in 1901: een De Dion Bouton. Een van de autoritjes werd hem bijna fataal: bij een ongeluk raakte hij bewusteloos en brak zijn been. Het weerhield hem niet van het kopen van steeds nieuwere exemplaren, nog mooier en nog sneller.

Jacht was zijn grootste liefhebberij. Niet, dat hij het zo goed kon – het schijnt, dat hij heel vaak miste en zo het plezier voor de anderen bedierf. Waarom deed hij het dan? “Het jagen had voor hem meer weg van een vertoon van viriliteit, en naarmate hij ouder werd, werd de behoefte zijn mannelijkheid te bewijzen steeds sterker” (van Leeuwen). Zijn mannelijkheid….. ja, hij hield van vrouwen.

Puccini Elvira

Puccini en Elvira Bonturi

Hij trouwde laat, pas in 1904, met de vrouw met wie hij al jarenlang samenwoonde en een zoon had. Van liefde was er geen sprake meer, maar het was fatsoenlijker. Zijn vrouw, Evira Bonturi was zeer jaloers en niet geheel zonder reden. Naast de zovele korte avontuurtjes en slippertjes had hij een jarenlange verhouding met een mysterieuze vrouw uit Turijn, een verhouding die dermate serieus was, dat hij al overwoog om te gaan scheiden.

PUccini Corinna

Maria Anna Coriasco, de mysterieuze ‘La Torinese’. Picture on the tombstome

Waarom en hoe hij de verhouding beëindigde is niet bekend. Wel bekend was een schandaal rond een dienstmeisje, die door de vrouw des huizes onterecht beschuldigd van een verhouding met haar werkgever, zelfmoord pleegde.

PUccini Doria Manfredi

Doria Manfredi

Zijn werken zijn zeer erotisch getint en zijn heldinnen krijgen de mooiste muziek te zingen. Ooit zei hij: “Il giorno in cui non sarò più innamorato fatemi il funerale”  (Op de dag wanneer ik niet meer verliefd ben, begraaf me).

‘Tu, che di gel sei cinta’ uit Turandot is de laatste aria die hij heeft gecomponeerd. Ook de tekst is van hemzelf:

Hij stierf toen hij bezig was met wat het mooiste en het grootste liefdesduet in zijn oeuvre had moeten worden. En tot het laatste moment was hij bezig met zijn uiterlijk: Puccini, de man die van vrouwen hield.

Hieronder de finale van Turandot, in de ‘originele versie’ van Franco Alfano die de opera na de dood van Puccini heeft afgemaakt: