achtergrondartikelen

“ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll: KINDERDINGE. Een requiem voor een oude dokter en zijn weeskinderen

Korczak met de kinderen

Korczak en de kinderen

 

Zijn echte naam was Henryk Goldszmit. Het pseudoniem Janusz Korczak gebruikte hij voor het eerst in 1898 toen hij deelnam aan een literaire wedstrijd, georganiseerd door de beroemde pianist – en de eerste minister-president in het na de Eerste Wereldoorlog bevrijde Polen -Ignacy Paderewski.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak werd geboren in Warschau in een geassimileerd Joods gezin. Na zijn studie medicijnen werkte hij een korte periode als kinderarts en in 1912 kreeg hij de leiding over Dom Sierot, een weeshuis voor Joodse kinderen. Hier bracht hij zijn utopische idealen over een Kinderrepubliek in praktijk: een kindergemeenschap met een eigen parlement, rechtbank en krant, dat alles geleid door kinderen. Na de Eerste Wereldoorlog stichtte hij een tweede weeshuis, Nasz Dom (Ons Huis)

 

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Het weeshuis in de Krochmalnastraat

Behalve arts en leider van een weeshuis was Korczak ook pedagoog, leraar, schrijver en schriftgeleerde. Hij werkte bij de Poolse radio en gaf lezingen. Zijn roem was immens, ook buiten de Poolse grenzen werden zijn boeken en artikelen gepubliceerd en geroemd, en zijn pedagogische methoden nagevolgd.

Korczak en kinderen

 

In november 1940 werd het weeshuis gedwongen naar het ghetto van Warschau te verhuizen en begin augustus 1942 werden de kinderen, samen met Korczak en zijn helpster Stefania Wilczynska op transport gezet. Zelfs de nazi’s hadden ontzag voor de beroemde pedagoog – er werd hem een ontsnappingsmogelijkheid geboden. Trouw aan zijn idealen, weigerde hij echter en ging de kinderen voor in de dood. Allen werden vergast meteen na hun aankomst in Treblinka op 7 augustus 1942.

 

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak en de kinderen” in Yad Vashem

Over Korczak:

In 1972 werd aan Korczak  postuum de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse boekhandelaren toegekend. Er zijn boeken over hem geschreven en films over hem gemaakt en in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Duits-Nederlandse componist Burhardt Söll muziekstuk gecomponeerd ter nagedachtenis van Korczak en zijn kinderen, getiteld Kinderdinge. Voor de songteksten tekende sociologe en pedagoge Manuela du Bois-Reymond en in het dagelijks leven de echtgenote van de componist.

 

KOrczak KInderdinge

De wonderschone compositie bestaat uit korte stukjes (kinderscènes) die in elkaar vloeien. De eerste scène ‘Canto d’amore’ wordt opgevolgd door het geluid van kleppers (The only instruments). Er wordt rijkelijk geciteerd  uit de klezmer muziek en Jiddische lieder. Er zijn treingeluiden, grimmige ‘Mars van koffers, schoenen  en jassen’ en er zijn songs.

Song één over het schrikken, song twee over kindermeubels die geen vertrouwen (meer) inboezemen en song drie over het opgesloten zitten in een donkere kast. Een kast die zo klein is dat er plaats is voor maar één been. Alle drie vervuld van immense angst en duisternis en dood (“bei den toten ist mein haus und in der finsternis ist mein bett gemacht”).

De vierde en laatste song (‘The End. What really happened’) is gebaseerd op het ooggetuigenverslag van Marek  Rudnicki, dat gepubliceerd werd in het Poolse Tygodnik Powszechny in 1988.

 Kinderdinge  is een concertversie van Söll’s eigen muziektheaterstuk getiteld Ach und Requiem uit 1994/1995. En dááraan is de in 1991 geschreven Little requiem vooraan gegaan.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

De vraag waarom een muziektheaterstuk over Korczak, vanwaar de interesse in de lotgevallen van de oude dokter en zijn kinderen en of het überhaupt mogelijk is het in de muziek te vertellen vormde voor mij de aanleiding voor de ontmoeting met de componist die sinds in 1977 woont in Leiden.

Burkhardt Söll werd in 1944  in Marienberg geboren: zijn moeder was Joods. Bij de eerste vioollessen, die hij bij zijn tantes volgde moest hij bij de ene wel en mocht bij de ander niet klezmermuziek spelen.

Söll studeerde altviool bij de vermaarde Rudolf Kolisch. Al tijdens zijn schooltijd componeerde hij voor het schoolorkest. Zijn opleiding vervolgde hij aan de Hochschule der Künste in Berlijn. Hij studeerde er compositie bij Boris Blacher en Paul Dessau en schilderen bij Horst Antes. Daarna werkte hij geruime tijd als assistent van Bruno Maderna en Ottomar Suitner aan de Berlijnse Opera Unter den Linden.

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll Zelfportet

In de jaren zeventig was Söll betrokken bij een onderzoek over de esthetische leermethodes voor kinderen en ontwikkelde een methode om kinderen te leren muziekcomposities met de schilderkunst te combineren. Sinds 1977 woont hij in Leiden  en  in 1985 werd hij benoemd als docent aan de Kunstacademie in Utrecht. Zijn schilderijen werden tentoongesteld in o.a. Berlijn, Frankfurt, Parijs en Den Haag.

Korczak koning matthijse

Janusz Korczak en zijn boeken kent hij vanaf zijn prille jeugd en Krol Macius I (Koning Matthijsje de eerste) is nog steeds zijn lievelingsboek. De levensgeschiedenis van de oude dokter heeft hem altijd gefascineerd: iemand die zijn leven in dienst van (wees)kinderen heeft gesteld en die zijn eigen idealen tot de dood trouw bleef.

Voor het schrijven van het muziektheaterstuk werd Söll geïnspireerd door het zien van de ontwerpen van Reinhart Büttner  van kindermeubels: zwart en vervormd. Ach und Requiem werd in 1995 maar één keer uitgevoerd, gelukkig bestaat er een opname van. Het is alleen jammer dat het fraai ogende tekstboekje met op de cover een vioolspelend Joods kind helaas absoluut onleesbaar is. De letters zijn veel te klein en de kleurencombinatie (donkerbruin en lichtblauw) maakt het allemaal nog minder duidelijk.

Fragmenten zijn hier te beluisteren:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Ontleend aan de novelle van Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn  en geïnspireerd door een lied van Itzhak Katzenelson Dos Kelbl, geschreven in het ghetto van Warschau na de dood van zijn vrouw en kinderen. Het lied  werd in de jaren zestig wereldberoemd onder de titel ‘Donna, donna’.

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (sopraan),
Mary Oliver (altviool), Alison McRae (cello), Huub van de Velde(contrabas), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (slagwerken), Dil Engelhard (fluit), Jan Jansen (klarinet), Henri Bok (saxofoon)
Directie: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703

Fascinated by the unknown: a visit to Opera Rara

Opera Rara

Times have changed. Not that long ago anything in the recording industry seemed possible.  The major record companies released one opera after the next. Money was not an issue. Great new stars were introduced, and just as easily dropped. Yet another Aida and Traviata, the hundredth Rigoletto, the two hundredth Tosca or Don Giovanni…..

Smaller labels targeted the niche market of classical music enthusiasts. These collectors were interested in lesser-known works by Donizetti or Bellini, in long forgotten scores and in composers like Meyerbeer, Pacini and Mayr, who enjoyed considerable renown in the past.

One of those labels – fortunately still active today – was Opera Rara. It started out as a small business run by just two men. In their pioneering years their records were issued directly to subscribers. When Opera Rara planned to record an opera, those subscribers had to pay first. After a wait that could take as long as a year, the records were distributed. Highly exclusive! Over the years, Opera Rara became what is probably the largest (and certainly the most important) opera label.

opera rara poster

Twenty years ago I visited Opera Rara in London, where I met Patric Schmid* and conductor David Parry. Schmid was one of the founders of Opera Rara and its recording executive. Since the death of his partner Don White he also was the label’s artistic director.

It is raining quite heavily as I step out of Liverpool Street station. I have a few hours to spend and intend to visit a few bookstores. Because I get lost everywhere, it seemed a safer idea to first carefully map out my route. It turns out I am much closer by than I had thought.

Still, when I make my way there fifteen minutes before my appointment I get lost once again. The weather has turned completely, the sun shines and it is hot. Covered in sweat I enter the building on Curtain Road where Opera Rara resides.

I am received by Stephen Revell, the very friendly assistant of Patrick Schmid, who leads me into an enormous room. In the middle a grand piano, covered under a yellow sheet. On the shelves, thousands of scores, books and records.

We sit at a large wooden table. Patric Schmid enters: a handsome man in his fifties, with grey hair. He apologises David Parry has been delayed and will join us later. Coffee and tea are served, and the story behind the most adventurous opera label begins.

Opera Rara Nelly en Patrick

Patric Schmid with Nelly Miricioiu  © Voix des Arts

The love for belcanto started with Chopin. Schmid, as a young pianist, came under the spell of his enthralling  music and went on a search for more. A search that eventually led to belcanto. His fascination with belcanto became so big that he wanted to change the fact that this music was hardly ever performed. To achieve this, he founded an opera company in 1970 with his friend, the musicologist Don White, called Opera Rara.

 

The search for unknown opera’s was not easy. Schmid himself uses the expression “to dig up.” And since there were no photocopiers at the time, everything had to be produced by hand.

opera rara crociato

Pirate edition of Il Crociato in Egitto © Hans van Verseveld

In 1972 their first opera was performed: Myerbeer’s Il Crociato in Egitto. Several problems occurred. Shortly before opening night the tenor cancelled. Where on earth do you find a replacement for a highly obscure work on such short notice? Fortunately William McKinney saved the production by taking over the role two days before the premiere.

opera rara hugo

All the operas performed by Opera Rara were broadcast by the BBC. Afterwards, these performances were issued by various pirate labels.  In 1977 Schmid and White decided to record the operas themselves and founded the record label Opera Rara. The money to make the recordings was collected directly from their supporters on a subscription basis. The first recording was Donizetti’s Ugo Conte di Parigi, made in July 1977.  The conductor was Allun Francis, who has been one of their two regular conductors since.

Janet Price sings Bianca’s aria “No, che infelice appieno….” from the Donizetti rarity Ugo Conte di Parigi:

 

The other host, conductor David Parry, meanwhile has arrived and joins our conversation with much animation. This former pupil of, amongst others, Celibidache, started his career as a rehearsal pianist, something he believes to be absolutely indispensable for a conductor. His conducting career began in 1973 in Wexford. In 1975 he worked as a conductor’s assistant there in the first performance in 93 years of Orazi e Curiazi by Mercadente, an opera he would record twenty years later for Opera Rara.

Nelly Miricioiu sings ‘Di quai soavi palpiti’ from Orazi e Curiazi:

Not only conductors remain faithful to Opera Rara, singers as well. No wonder: they get the opportunity to make recordings, learn new repertory and work in a relaxed atmosphere. The greatest and most famous stars have worked (and still work) on their projects: Nelly Miriciou, Annick Massis, Jennifer Larmore, Joyce El-Khoury, Bruce Ford, Alaister Miles, Michael Spyres, Carmen Giannattassio  – just to name a few.

Opera Rara David Parry Courtain Road 98

Patric Schmid & David Parry © Basia Jaworski for Basia con fuoco

As a farewell I receive a special gift: the yellow sheet is removed from the grand piano, David Parry picks out a score and plays (and sings, helped by Patric Schmid) an aria from Margherita d’Anjou by Meyerbeer** for me.

*Patric Schmid died suddenly on November 6th, 2005. He was only 61 years old

**Margherita d’Anjou was issued in October 2003. It was one of Meyerbeer’s first operas, still from his Italian period. No complete score of the opera was preserved, so a lot was reconstructed, or “dug up” in the words of Patric Schmid. The excellent cast is headed by Annick Massis, Bruce Ford, Daniela Barcellona and Alastair Miles, and the London Philharmonic Orchestra under the inspired direction of David Parry (ORC25).

English traslation: Remko Jas

See also interviews (in English):

JENNIFER LARMORE interview (English translation)

Interview with JOYCE EL-KHOURY (English translation)

CARMEN GIANNATTASSIO interview in English

and in German:

Nelly Miricioiu – Keizerin van de ZaterdagMatinee

Opera Rara: varia

GIOVANNI PACINI: CARLO DI BORGOGNA

Opera Rara Pacini Carlo

Vierenzeventig opera’s heeft hij geschreven, maar voor een doorsnee operaliefhebber is hij niet meer dan een naam. Een enkele verzamelaar van Leyla Gencer kende zijn Sappho, een doorgewinterde belcanto bewonderaar heeft Maria, Regina d’Inghilterra op zijn plank staan. Maar van Carlo di Borgogna heeft bijna niemand gehoord.

Geen wonder. De première in 1835 was een fiasco en de opera werd nooit meer uitgevoerd. Sterker: ook de partituur werd niet eerder uitgegeven. Is het terecht? Laat ik maar eerlijk zijn: een hoogvlieger is het niet.

De opbouw is heel traditioneel: cavattina, cabaletta, stretta en van enige psychologische ontwikkeling van de personages is absoluut geen sprake. Wat dat betreft blijft Paccini ver achter bij zijn tijdgenoten Donizetti en – voornamelijk – Bellini.

Maar de muziek  is machtig mooi en er valt wanzinnig veel te genieten. Het is tenslotte niet voor niets dat Pacini ‘Il maestro di cabaletta’ werd genoemd!

De uitvoering is van een onvoorstelbaar hoog niveau. Alle zangers, met Bruce Ford, Jennifer Larmore en Elizabeth Futral voorop beschikken over een formidabele techniek en een ongekende souplesse en David Parry dirigeert met verve en overgave.

Toen de opname op de markt werd gebracht werd er in de connaisseurkringen gesproken over een ‘belcanto opname van het millennium’. Niet onterecht! (ORC21)

Jennifer Larmore en Elizabeth Futral zingen het duet ‘Qual d’un angelo nel core, espulsa schernita’:

 

GIOVANNI SIMONE MAYR: GINEVRA DI SCOZIA

Opera Rara Mayr Ginevra

Wij kunnen het ons niet meer voorstellen maar Giovanni Mayr behoorde ooit tot de meest succesvolle opera componisten. Zijn Ginevra di Scozia ging in 1801 in Teatro Nuovo in Triest in première waar ze dertig jaar repertoire heeft gehouden, zelfs nadat Mayrs’ roem door de ‘niewukomers’ Rossini en Donizetti werd overschaduwd. Exact tweehonderd jaar later keerde Ginevra met veel succes terug naar Triest, alwaar zij live werd opgenomen.

Als basis voor het libretto diende een episode uit Orlando Furioso van Ariosto: Ariodante en Ginevra houden van elkaar en de jaloerse gemenerik Polinesso doet alles om ze uit elkaar te drijven. Drie cd’s lang zijn wij getuige van alle verwikkelingen, gelukkig loopt het allemaal goed af.

De bezetting is bijzonder sterk. Allereerst is er de titelrol van Elizabeth Vidal: een schitterende coloratuursopraan die met gemak en soepelheid al haar vereiste hoge E’s (en dat zijn er wat!) haalt en daarbij nog tot tranen toe weet te ontroeren. luister maar naar ‘Di mia morte’ ( een driedelige aria begeleid door cello obligato) aan het eind van de eerste acte.

Met haar warme en beweeglijke alt zet Daniela Barcellona een ontroerende Ariodante neer en Antonino Siragusa trekt alle registers open in zijn rol van de schurk Polinesso. (ORC23)

 

AMBROISE THOMAS: LA COUR DE CÉLIMÈNE

Opera Rara Thomas Celimene

Ooit van gehoord? Nee? Ik ook niet. Zo jammer want La Cour de Célimène van Thomas is werkelijk niet te versmaden! Het is een verrukkelijke, erotisch getinte komedie waarin een jonge, rijke weduwe maar liefst veertien (!) van haar bewonderaars tegen elkaar uitspeelt om uiteindelijk in een verstandshuwelijk met een oude commandeur te stappen.

Tussendoor krijgen we ook nog een duel, want Célimènes laatste aanwinst, de Chevallier (schitterende Sébastien Droy) is heetgebakerd, maar het komt allemaal goed en in ruil voor een comfortabel leven in haar landhuis is de commandeur maar al te bereid alle minnaars van zijn vrouw te accepteren.

La Comtesse (een rol geschreven voor de legendarische coloratuursopraan, Marie Miolan-Carvalho) wordt prachtig gezongen door een zeer virtuoze Laura Claycomb. Joan Rodgers geeft haar tegengas als haar meer serieuze zus en Alastair Miles is werkelijk kostelijk als de Commandeur.

Het is een amusement van het hoogste niveau en de sprankelende muziek is wonderschoon. Wat een feest!  (ORC 37)

 

IL PRIMO DOLCE AFFANNO

Opera Rara Il primo

De titel van deze cd, Il primo dolce Affanno (Mijn eerste zoete verdriet) is ontleend aan Benedetto sia ’l giorno, één van de sonnetten van Francesco Petrarca. In dit inmiddels al de zevende deel van de serie Il Salotto (Het Salon) presenteert Opera Rara een heerlijke selectie  van liederen, liedjes en duetten uit het midden- tot het einde van de negentiende-eeuwse repertoire. (ORR230)

De drie Petrarca-sonnetten in de onweerstaanbaar mooie zetting van Franz Liszt fungeren als de leidraad, voor de rest biedt de cd voornamelijk onbekende composities van Giacomo Meyerbeer, Camille Saint-Säens, Prins Józef Poniatowski, Federico Ricci, Antonio Carlos Gomes, Antonio Buzzolla en Giuseppe Verdi. Iets om even bij stil te staan, want: waarom worden die pareltjes bijna nooit uitgevoerd?

Alleen de ‘Barcarola’  voor drie stemmen van Buzzolla valt een beetje tegen, wat wellicht de schuld kan zijn door de onzeker intonerende William Matteuzzi.

Voor de rest zijn de zangers (Elizabeth Vidal, Laura Claycomb, Manuela Custer, Bruce Ford, Roberto Servile en Alastair Miles) zonder meer voortreffelijk. Ze worden dan ook uitstekend begeleid door David Harper op de piano

Elizabeth Vidal zingt ‘Theme varie for soprano’ van Camille Saint-Saens :

Meer Opera Rara opnamen:
LA COLOMBE
Les Martyrs
FANTASIO

 

Opera Rara: Bellini en Verdi

BELLINI

IL PIRATA

Opera Rara Il Pirata

Il Pirata, één van de mooiste opera’s van Bellini, is voor de meeste mensen niet meer dan een titel. Logisch: het wordt bijna nooit meer opgevoerd en het wordt ook maar zelden opgenomen. Waarom, eigenlijk?

De laatste scène behoort tot de sterkste die Bellini ooit schreef. U hoort er al Donizetti’s Lucia di Lammermoor in. En het openingskoor uit de derde akte, ‘Che rechi tu’, kan je bijna letterlijk in Macbeth en Luisa Miller van Verdi terugvinden

Tot voor kort kende ik maar drie opnamen van de opera, met als Imogene-vertolksters Montserrat Caballé, Maria Callas en Lucia Aliberti. Voor het gemak tel ik de ZaterdagMatinee-uitvoering met Nelly Miricioiu dan niet mee, die is tenslotte niet uitgebracht (ZONDE!). Opera Rara voegt een opname toe aan de kleine discografie.

Bij Opera Rara zingt Carmen Giannattasio de rol van Imogene. Haar timbre is veel lichter en minder dramatisch dan dat van Callas en veel stroever dan dat van Caballé. Maar als je hun stemmen even uit je hoofd zet, kan je niet anders dan toegeven dat zij heel wat te bieden heeft, zeker in haar waanzinaria.

Meer moeite heb ik met de heren. Ludovic Tézier is een voortreffelijke zanger, maar belcanto … nee. Daarvoor is zijn bariton niet soepel genoeg. Toch – in de passages waarin hij wat minder coloraturen te zingen heeft en gewoon autoritair mag zijn, is hij zonder meer overtuigend.

José Bros gold ooit als één van de meest veelbelovende jonge belcantozangers van zijn generatie, een belofte die eigenlijk nooit is ingelost. Prima hoogte, goede coloraturen, maar zijn stem komt af en toe geknepen over.

David Perry dirigeert, één van de grootste belcanto specialisten tegenwoordig dirigeert meer dan bevlogen. (ORC45)

Promovideo met Carmen Giannattasio over (o.a.) haar opname van Il Pirata:

 

LA STRANIERA

Opera Rara La Straniera

Toegegeven, het libretto is zo warrig, dat zelfs de hoofdpersonen waarschijnlijk niet weten wie ze zijn, wat ze aan het doen zijn, met wie, en waarom. Maar de muziek! Als er engelen bestonden dan zouden ze Bellini’s cantilenen uit La Straniera tot vervelens toe (kan men daar verveeld van raken?) herhalen.

Dat geldt nog meer omdat er in de opera, op één of drie keer na, niet echt aria’s voorkomen, niet in de ouderwetse manier althans. Het is meer een ‘conversatiestuk’ met veel dialogen en zeer theatrale, lange scènes, die elkaar toch in een rap tempo opvolgen.

Bellini componeerde La Straniera in 1929, drie jaar voor Norma en La Sonnambula, en je hoort er al de kleine voorbodes in van zijn bekendste muziek (‘Casta Diva!’). Wonderlijk genoeg hoor ik ook flarden uit La Traviata tussendoor…

Alle rollen zijn voortreffelijk bezet. Darío Schmunck is met zijn aangenaam klinkende tenor bijzonder geschikt voor een romantische lover en de lyrische bariton Mark Stone (onthoud die naam!) is een warmbloedige Valdeburgo.

De virtuoze mezzo Enkelejda Shkosa zingt een ontroerende Isoletta en over Patrizia Ciofi volstaat één woord: fenomenaal. Er is geen enkele zangeres die de rol van Aleida tegenwoordig beter, en met meer betrokkenheid, zou kunnen zingen (ORC 38)

Patrizia Ciofi:

 

VERDI

MACBETH

opera rara macbeth

De première van Macbeth in 1847 was zeer succesvol en jarenlang beschouwde Giuseppe Verdi het werk als één van zijn beste opera’s. Toen hij echter in 1865 de partituur weer eens inkeek om een paar voorstellingen in Parijs voor te bereiden, was hij er minder gelukkig mee. Een geheel herziene versie was het resultaat. Het succes bleef echter uit en pas halverwege de vorige eeuw begon een voorzichtige ‘Macbeth-revival’. In die tweede, ‘verbeterde’ versie.

Eind jaren zeventig besloot de BBC om een paar Verdi-opera’s in de oorspronkelijke versie op te voeren en Macbeth was er één van. Dankzij Opera Rara, een firma die zich sterk maakt voor vergeten opera’s (dus waarom ook niet voor vergeten versies van bekende opera’s?), is de opname op de markt gekomen.

Het is fascinerend om al de verschillen zelf te kunnen horen. Want het zijn er behoorlijk wat, voornamelijk in de laatste twee aktes. De slaapwandelscène is hetzelfde gebleven, maar het openingskoor in de derde akte (hier bijna gelijk aan ‘Va pensiero’) en het slot zijn totaal anders. En ‘La luce langue’, de magnifieke aria van Lady Macbeth, heet hier ‘Trionfai! Securi alfine’ en klinkt heel wat minder dramatisch, met veel meer coloraturen.

De uitvoering met onder anderen Peter Glossop, Rita Hunter, John Tomlinson en Kenneth Collins is uitstekend en het BBC Concert Orchestra onder leiding van John Matheson speelt zeer bezield (Opera Rara ORCV301).

Hieronder ‘Trionfai! Securi alfine’ door Rita Hunter:

LE VÊPRES SICILIENNES

opera rara vespri

Les vêpres siciliennes’ was Verdi’s eerste Franse Grande Opéra, die hij – na lang aandringen door de Parijse Opera – componeerde op het libretto van Eugene Scribe en Charles Duyverier. Het is Verdi’s langste opera geworden, wat in de eerste plaats is te danken aan een half uur lange ballet in de derde acte.

The Four Seasons Ballet – I. Prelude & Winter:

Het verhaal speelt zich af in Palermo in 1282, tijdens de Franse bezetting van Sicilië. Henri, een jonge Siciliaan is verliefd op Hélène, een jonge Oostenrijkse hertogin, gevangen gehouden door Guy de Montfort, de Franse gouverneur in Sicilië. Als blijkt dat de Montfort de vader van Henri is, zijn de verwikkelingen niet te overzien, en aan het eind is zowat iedereen dood. De premiere in 1855 was een fiasco, en een paar jaar later bewerkte Verdi het tot I Vespri Siciliani.

Les vêpres siciliennes was de derde uitgave in de serie ‘originele versies’ van Opera Rara, na eerdere uitgaven van Macbeth en Simon Boccanegra. Het werd al in mei 1969 live opgenomen in The Camden Theatre in Londen en in februari 1970 door de BBC uitgezonden, maar de cd-uitgave kwam pas in 2004 op de markt.

De uitvoering, met in de hoofdrollen Jacqueline Brumaire, Jean Bonhomme en Neilson Taylor, is redelijk tot goed, maar als document is het van een buitengewoon belang. (ORCV303).

Opera Rara en vijf vergeten Donizetti’s

ROSMONDA D’INGHILTERRA

Opera Rara Rosmonda

Het verhaal speelt zich in het Engeland van de twaalfde eeuw af. Koning Henry II is getrouwd met Leonora van Aquitanië, maar houdt ook nog een maîtresse op na. Deze minnares (Rosmonda) zit opgesloten in een toren, en de page Arturo, die op haar moet letten is zelf verliefd op haar geworden. Een – heerlijke, dat wel – draak van een verhaal, maar de muziek is goddelijk mooi: lyrische passages worden afgewisseld met heftige ensembles.

De uitvoering kan niet beter: Renée Fleming is de zoetgevooisde Rosmonda, en Nelly Miricioiu de verbitterde koningin Leonora. Beide dames komen elkaar tegen in de laatste scène, wat resulteert in een van de spannendste duetten. (ORC 13)

PIA DE TOLOMEI

Opera rara Pia

Opera Rara kan trots zijn op haar ontdekkingen. Pia de Tolomei, een totaal vergeten juweeltje van Donizetti, doet de harten van de belcanto verzamelaars (en liefhebbers sneller kloppen.

Het verhaal van Salvatore Cammarano, auteur van o.a. Maria di Rudenz en Il Trovatore over een ten onrechte van overspel beschuldigde echtgenote van een kasteelheer speelt zich af tegen de achtergrond van een oorlog tussen Florence en Siena en is door Donizetti voorzien van de mooiste aria’s en duetten.

De bezetting, met een werkelijk weergaloze Majella Cullagh als Pia en Manuela Custer als haar broer Rodrigo voorop, is zoals altijd bij Opera Rara, werkelijk subliem. (ORC 30)

IMELDA DE’LAMBERTAZZI

opera rara imelda

Met de volkomen vergeten opera Imelda de’ Lambertazzi doet Opera Rara zijn naam eer aan. De zeldzame opera zit vol prachtige melodieën, die uitstekend uitgevoerd worden door de solisten.

Imelda de’Lambertazzi speelt zich af in het door oorlogen tussen de Ghibellijnen en de Welfen verscheurde Bologna. Imelda en Bonifacio worden verliefd op elkaar, maar zij is een Ghibellijn en hij een Welf, dus op een goede afloop hoef je niet te rekenen.

Niet echt een verrassend gegeven, en toch is Imelda anders dan de meeste opera’s uit die tijd. Er is geen ouverture en de mannelijke hoofdrol wordt gezongen door een bariton.

Nicole Cabell zingt een mooie titelheldin en haar stem mengt goed met James Westmans lichte, bijna tenorale bariton.

Hun bijdrage verbleekt echter bij de formidabele prestaties van beide tenoren. Frank Lopardo’s stem is in de loop der jaren donkerder en mannelijker geworden, maar hij heeft niets aan souplesse verloren. Massimo Giordano (onthoud die naam!) beschikt over een pracht van een lyrische tenor, waarmee hij ook overtuigend weet te acteren.

Het perfect spelende Orchestra of the Age of Enlightment wordt met verve gedirigeerd door Mark Elder.

Of het echt een meesterwerk is, weet ik niet, maar de opera zit barstensvol prachtige melodieën en de sterfscène van Imelda (bewaar de appendix voor later) behoort tot de ontroerendste in de operaliteratuur. (ORC36)

PARISINA

Opera Rara Parisina

Hergebruiken… Daar was vroeger niemand vies van. Ook Donizetti niet. Zeker als de première voor de deur stond en het libretto op zich liet wachten. Voor Parisina heeft hij het een en ander van zichzelf geleend en voor het gemak knipte en plakte hij de (overigens schitterende) ouverture die hij eerder voor Ugo, Conte di Parigi componeerde ervoor.

Ondanks de krappe componeertijd (Donizetti heeft er niet meer dan een paar weken over gedaan) werd de opera zeer enthousiast ontvangen en bleef regelmatig op het repertoire staan, ook in het buitenland. Terecht.

Felice Romani was een werkelijk begenadigd dichter en met Parisina heeft hij één van zijn mooiste libretto’s afgeleverd. Alles zit erin: liefde, moord, opoffering, bedrog… En met de prachtige cantilenen van Donizetti erbij kan je niet anders dan snotteren en genieten.

Parisina verraadt haar gevoelens tijdens haar slaap (kunt u zich nog de droom van Cassio in Otello van Verdi herinneren?) Ugo wordt omgebracht en zij sterft van verdriet.

Carmen Giannattasio, José Bros en Dario Solari zingen hun rollen zeer verdienstelijk. Een onmisbare cd voor een (Donizetti-)verzamelaar. (ORC 40)

Carmen Giannattasio zingt ‘Sogno talor di correre’:

LINDA DI CHAMOUNIX

Opera rara Linda

Linda di Chamounix is één van de laatste opera’s van Donizetti. Een doorsnee operaganger kent er waarschijnlijk maar één aria uit: ‘O luce di quest’anima’, een zeer virtuoos trapezewerk, waarmee menig coloratuursopraan stemmencompetities onveilig maakt

Merkwaardig genoeg werd de aria pas na de première aan de opera toegevoegd, speciaal voor Eugenia Tadolini, de tweede vertolkster van de titelrol. Van haar wordt verteld dat haar lyrische coloratuursopraan zeer expressief was en over veel kleuren beschikte.

Daar moest ik, luisterend naar Eglise Gutiérrez, aan denken, want zo moest Tadolini waarschijnlijk geklonken hebben. Zeer virtuoos, maar ook met zeer veel gevoel voor drama zingt Gutiérrez de gekwelde titelheldin die zeer spectaculair haar verstand verliest en het niet minder spectaculair hervindt.

Stephen Costello (onthoud de naam!) is een nieuwkomer aan de ‘lyrische-tenoren-horizon’. Zijn timbre is zeer prettig en zijn hoogte soepel en aangenaam. In zijn rol van de schilder Carlo, die eigenlijk De Sirval heet en een burggraaf is (daar word je inderdaad gek van) is hij bijzonder overtuigend.

Marianna Pizzolato beschikt over een mooi, rond, licht en een zeer wendbaar mezzo. Meer een sopraan eigenlijk, maar dan iets donkerder getimbreerd. Het is ook buitengewoon aangenaam naar haar te luisteren waardoor ze zowat een perfecte cast is voor Pierotto, Linda’s vriend en vertrouweling.

Zowel Ludovic Tézier (vader van Linda) als Bálint Szabó (de prefect) zijn aan elkaar gewaagd en de oudgediende Alessandro Corbelli weet perfect raad met de buffa-rol van markies di Boisfleury. (ORC 43)

Eglise Gutierrez & Stephen Costello zingen ‘Non so; quella canzon’:

Meer Donizetti van Opera Rara:
Les Martyrs
LE DUC D’ALBE

Gefascineerd door onbekende opera’s: op bezoek bij OPERA RARA.

 

 

 Opera Rara

Tijden veranderen. Nog niet zo vreselijk lang geleden kon de koek niet op. Grote platenmaatschappijen namen de ene na de andere opera op, op kosten werd niet gekibbeld, nieuwe grote sterren werden gelanceerd en met net zo veel gemak gedropt. Nog één Aida en La Traviata, de honderdste Rigoletto, de tweehonderdste Tosca of Don Giovanni

In de marge opereerden de kleinere, minder bekende firma’s, terend op een handjevol echte liefhebbers en verzamelaars die op zoek waren naar minder bekende titels van Donizetti of Bellini, naar verloren gewaande partituren en naar de ooit zo succesvolle en inmiddels vergeten componisten: Meyerbeer, Paccini, Mayr …

Eén van zulke firma’s was en nog steeds (!) is Opera Rara, ooit begonnen als een tweemansbedrijfje. In de pioniersjaren kon je je melden als een abonnee. Je kreeg dan een bericht over een op te nemen opera, je stortte het geld en het duurde soms meer dan een jaar eer je de platen thuis toegestuurd kreeg. Het was iets zeer exclusiefs. Inmiddels is Opera Rara uitgegroeid tot wellicht het grootste (en zeker het belangrijkste) opera label.

 

Opera Rara logo

 

Twintig jaar geleden bracht ik een bezoek aan  Opera Rara in Londen, waar ik een ontmoeting had met Patric Schmid* en dirigent David Parry. Schmid was één van de oprichters, de opnameleider en sinds het overlijden van zijn partner Don White tevens de artistiek manager van het label.

Als ik het metrostation Liverpool Street uitstap, regent het pijpenstelen. Ik heb nog een paar uur de tijd en ben vast van plan een paar boekwinkels op te zoeken, maar het lijkt mij een veilig idee om alvast de weg te verkennen, zeker omdat ik altijd en overal weet te verdwalen. Het is veel dichterbij dan ik dacht.

Niettemin, als ik er een kwartier voor de afgesproken tijd weer naartoe loop, verdwaal ik. Het weer is inmiddels omgeslagen; de zon schijnt en het is heet. Helemaal bezweet betreed ik het pand op Curtain Road, een vestiging van Opera Rara.

Ik word verwelkomd door Stephen Revell, de uiterst vriendelijke assistent van Patric Schmid die mij een enorme kamer binnenleidt. In het midden staat een vleugel, veilig geborgen onder een lap gele stof. Op de planken duizenden partituren, boeken en platen.

 

We nemen plaats aan een grote houten tafel. Patric Schmid komt binnen: een knappe vijftiger met grijze haren. David Parry wordt geëxcuseerd, hij is wat verlaat. Wij krijgen koffie en thee en het verhaal achter het meest avontuurlijke operalabel begint.

 

Opera Rara Nelly en Patrick

Patric Schmid met Nelly Miricioiu  © Voix des Arts

De liefde voor het belcanto begon met Chopin. Schmid raakte als jonge pianist zo in de ban van de betoverende klanken van deze componist dat hij op zoek ging naar meer. Een zoektocht die bij belcanto uitkwam. Daar raakte hij zo gefascineerd door dat hij besloot er wat aan te doen dat de muziek – toen –  vrijwel nooit werd uitgevoerd. Samen met zijn vriend, de musicoloog Don White, richtte hij in 1970 een operagezelschap op. Opera Rara.

 

 

Het zoeken naar de onbekende opera’s was niet makkelijk, Schmid  zelf heeft het over ‘uitgraven’. En aangezien het kopieerapparaat  nog uitgevonden moest worden, werd alles met de hand gedaan.

 

opera rara crociato

Piratenuitgave van Il Crociato in Egitto © Hans van Verseveld

In 1972 werd de eerste opera uitgevoerd: Il Crociato in Egitto van Meyerbeer. Zonder problemen ging het niet: een paar dagen voor de première zei de tenor af, en waar vind je een vervanger voor zo’n onbekend stuk? Gelukkig, William McKinney redde de productie door twee dagen van tevoren de rol over te nemen.

 opera rara hugo

Alle door de Opera Rara uitgevoerde opera’s werden uitgezonden door de BBC en door de ‘piraten’ op de plaat gezet. In 1977 besloten Schmid en White de opera’s zelf te gaan opnemen en richtten het platenlabel Opera Rara op. Het geld voor de opnamen werd direct ingezameld bij liefhebbera door middel van abonnementen. Als eerste werd Donizetti’s Ugo Conte di Parigi opgenomen, in juli 1977. De opera stond onder leiding van Alun Francis, sindsdien één van twee vaste dirigenten.

Janet Price sings Bianca’s aria “No, che infelice appieno….” from the Donizetti rarity “Ugo Conte di Parigi”:

De andere gastheer, de dirigent David Parry is inmiddels gearriveerd en neemt geanimeerd deel aan ons gesprek. De voormalige leerling van onder andere Celibidache begon zijn carrière als pianist en repetitor van zangers, wat volgens hem absoluut onmisbaar is voor een dirigent. Zijn loopbaan begon in 1973 in Wexford, waar hij in 1975 als assistent van de dirigent betrokken was bij de opvoering (voor het eerst na 93 jaar!) van de opera Orazi e Curiazi van Mercadante, een opera die hij 20 jaar later voor Opera Rara zou opnemen.

Nelly Miricioiu zingt ‘Di quai soavi palpiti’ uit Orazi e Curiazi:

Niet alleen de dirigenten, ook de zangers zijn de Opera Rara trouw. Geen wonder: zij worden in gelegenheid gesteld om opnames te maken, nieuw repertoire te leren en te werken in een ontspannen sfeer. De grootste en beroemdste sterren deden (en doen nog steeds) er aan mee: Nelly Miriciou, Annick Massis, Jennifer Larmore, Joyce El-Khoury, Bruce Ford, Alaister Miles, Michael Spyres, Carmen Giannattassio  – om een paar te noemen.

 

Opera Rara David Parry Courtain Road 98

Patric Schmid & David Parry © Basia Jaworski for Basia con fuoco

Als afscheid krijg ik een bijzonder cadeau: de gele lap gaat van de vleugel af, David Parry pakt een partituur en speelt (en zingt – geholpen door Patric Schmid) voor mij een aria uit Margherita d’Anjou  van Meyerbeer **

*Patric Schmid overleed plotseling op 6 november 2005. Hij was toen maar 61 jaar oud.

** Margherita d’Anjou werd in oktober 2003 uitgebracht. Het was één van Meyerbeers eerste opera’s, nog uit zijn Italiaanse tijd. Van die opera was geen complete partituur bewaard, heel veel was dus gereconstrueerd – “uitgegraven”, volgens de woorden van Patric Schmid. De voortreffelijke cast wordt aangevoerd door Annick Massis, Bruce Ford, Daniela Barcelona en Alastair Miles, en het London Philharmonic Orchestra staat onder de bezielde leiding van David Parry (ORC25).

Zie ook interviews met
Nelly Miricioiu – Keizerin van de ZaterdagMatinee
JENNIFER LARMORE
JOYCE EL-KHOURY
CARMEN GIANNATTASIO

 

JOSEPH ACHRON, MUSIC TO FALL IN LOVE WITH

 

Achron in Petersburg


Joseph Achron in Saint Petersburg  © Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schoenberg firmly believed that Joseph Achron was the most underrated composer of his generation. Schoenberg praised his originality and claimed Achron’s music was destined for eternity. Yet, despite his enthusiastic praise, Joseph Achron never became a household name.

Achron Hebrew melody

Violin buffs no doubt know his Hebrew Melody, a much loved encore of many violinists, starting with Heifetz.

 

Achron Heifetz.jpg

 

Hebrew Melody, here played by Josef Hassid:

Hebrew Melody is inspired by a theme Achron heard as a young boy in a synagogue in Warsaw. It is one of his earliest compositions,  dating from 1911, and his first “Jewish” work.  In the year he composed it Achron joined the Society for Jewish Folk Music.

Achroon kind

Joseph Achron as a child in Warsaw

But let’s start at the beginning. Joseph Achron was born in 1886 in Russia and died 57 years later in Los Angeles. His mother was an estimable singer, and his father was a cantor who also played the violin. Joseph received his first violin lessons from him, but soon he was replaced by professional teachers. At age eight he gave his first performance, and by the time he was eighteen, he had finished his first compositions.

 

Achron -Living-Hall-of-Fame-of-Music-Leopold-Auer-354

© Milchen Archive

His career as a composer properly started in the twenties of the last century.  In Saint Petersburg, Achron joined the composers of the “New Jewish School.” Several years later he moved to Berlin, where he got acquainted with the works of the French impressionists, and the Second Viennese School.

 

In 1924 he made a trip of several months to Palestine. He not only performed there, but also collected a huge variety of folk music he discovered there. The notes he took during this trip were later used for several of his compositions. In his Violin Concerto No. 1,  Op. 60 (1925) several Yemenite themes can be heard.

 

Achron-with-Members-from-The-Golem-295.jpg

Joseph Achron (right) with members of the cast of The Golem. H. Leivick (center), New York.
Credit: Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

In 1925 he moved to New York where he was invited to compose music for the Yiddish theatre. Achron wrote the music for several of their productions, including Stempenyu, a play by Sholem Aleichem about a Jewish violinist.

The Stempenyu Suite, performed by Karen Bentley Pollick and Jascha Nemtsov:

 

In the thirties Joseph Achron moved to Hollywood, where he died in 1943.

Achron metKlemperer

Joseph Achron with Otto Klemperer (right). Klemperer conducted the premieres of Achron’s second and third violin concertos with the Los Angeles Philharmonic. © Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection

Much of Achron’s music still awaits discovery by wider circles, although numerous attempts have been made to rekindle interest in it. Since the nineties of the last century two CDs came out with compositions for violin and piano. Different as they are, both interpretations are highly valuable, if only for the opportunity they provide to finally get to know – and appreciate – his compositions.

 

Achron Miriam Kramer ASV

On the ASV label we hear Miriam Kramer, a young English violinist, once named ‘United Kingdom’s Performer of the Year’. Her CD starts with a slightly hesitant rendition of the 1ère Suite en Style Ancien from 1906 ( a world premiere recording). From Sonata No. 1, Op. 29 onwards her tone gets steadier and in Children’s Suite it is possible to enjoy her without any reservations. Her pianist, the Dutch Simon Over, provides excellent support. The reason I am not overenthusiastic lies not with Kramer, but with Hagai Shaham, the soloist on the second Achron CD.

 (Joseph Achron: Music for Violin & Piano; Miriam Kramer, Simon Over; ASV CD QS 6235)

 

Achron Shaham Biddulph

Hagai Shaham (not related to Gil) is an Israeli from the school of the famous violin teacher Ilona Feher. His tone is warm and dark and he plays with bravura and agility, and plenty of schmaltz when necessary. Unashamed enjoyment from start to finish! If you do not fall in love with this CD, then I give up.

Shaham’s regular accompanist is Arnon Erez, also from Israel. The textbook is in two languages: English and Yiddish (Stempenyu. The violin music of Joseph Achron; Hagai Shaham, Arnon Erez; Biddulph LAW 021)

 

Achron Shaham Hyperion

Fifteen years after their Biddulph recording Hagai Shaham and Arnon Erez turned their attention to Achron’s music for a second time. In 2012 they recorded the Complete Suites for Violin and Piano for Hyperion, including the Stempenyu Suite and, of course,  the Hebrew Melody (Hyperion CDA67841).

English translation Remko Jas