achtergrondartikelen

Tussen goden en demonen: George London

En nu wil ik het even over George London hebben.  Geboren als George Burnstein in mei 1920 in Montreal in de familie van Russisch-Joodse emigranten. Hij groeide op in Los Angeles en zijn carrière begon hij begin jaren veertig als lid van het ‘Bel-Canto Trio’, met als de andere twee leden de sopraan Frances Yeend en … Mario Lanza.

    met Mario Lanza

London was de allereerste Amerikaan die Boris Godunov (in het Russisch!) in het Bolshoi in Moskou heeft gezongen en werd beschouwd als één van de beste Wotans/Wanderers van zijn tijd. Ook zijn Scarpia was al bij zijn leven legendarisch.

George London (in een perfecte Russisch!) als Boris, opname uit een concert uit 1962

Behalve voor zijn Boris Godunov en Scarpia was London voornamelijk beroemd voor zijn Don Giovanni. Over zijn ‘Don Juan’ was iedereen het eens: als je zo veel seks uitstraalt, dan kan het demonisch worden, iets om over na te denken. Bij mijn weten bestaat er geen complete beeldopname de opera met hem. Des te meer kan ik iedereen het portret van de zanger aanbevelen dat een paar jaar geleden bij Arthaus Musik (101473) verscheen. De documentaire draagt de alleszeggende titel Between Gods and Demons.

Een jaar of tien geleden heeft het budgetlabel Walhall twee historische opnamen van Tannhäuser op cd’s heruitgebracht. Het betreft resp. de door Leopold Ludwig in 1949 in Berlijn geleide voorstelling (WLCD 0145) met Ludwig Suthaus (Tannhäuser), Martha Musial (Elisabeth) en een piepjonge Fischer-Dieskau (Wolfram); en een voorstelling uit de MET (WLCD 0095), in 1955 gedirigeerd door Rudolf Kempe, met op de weinig idiomatische Astrid Varnay als Elisabeth na, een keur aan de grootste zangers uit die tijd: Blanche Thebom, George London, Jerome Hines en Ramon Vinay.

George London zingt ‘O du mein holder Abendstern’:

Decca London

Maar hij was ook een echte entertainer, die de populaire muziek serieus nam: voor hem waren het allemaal ‘artificial art songs’. Op de cd On Broadway  (Decca 4808163) geeft hij ons een les in hoe je de muziek van musicalcomponisten Rogers, Kern en Loewe moet zingen.
Hieronder zingt London ‘f I loved you’ van Rogers and Hammerstein’s

Wagner krijgt u als bonus.


De muziek, het Jodendom, het Christendom en de Islam. Een debat in Amsterdam

Tekst: Neil van der Linden


van links naar rechts: Neil vand der Linden, Karima El Filali, Selim Doğru  Noam Vazana  Gilad Nezer-Blanckenburg    

Op 8 oktober debatteerden vertegenwoordigers uit verschillende tradities over de historische ontwikkeling en de enorme muzikale vormenrijkdom van muziek in Jodendom, Christendom en Islam. Deelnemers waren Selim Doğru, componist, pianist, arrangeur, Noam Vazana, zangeres gespecialiseerd in Ladino repertoire, Karima El Fillali, zangeres van Arabisch repertoire, en Gilad Nezer-Blanckenburg, voorzanger bij de Liberaal-Joodse Gemeente.

Moderator was Neil van der Linden, initiator van cultuuruitwisseling met het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het evenement sloot een reeks optredens af van een Arabisch – Turks – Hebreeuws koor gedirigeerd door Noam Vazana en Selim Doğru, georganiseerd door Gary Feingold van de stichting Kunstendialoog, in de Amsterdamse Hallen. De locatie was Café Belcampo in De Hallen.

                   

Noam Vazana zong eerst Durme Durme, een Ladino lied. Ladino is een van oud-Spaans afgeleide taal van de Iberische Joodse gemeenschap, die meereisde nadat de Joden en Moslims uit Spanje werden verdreven toen het Christelijke regime het Iberisch schiereiland vanaf 1492 definitief in bezit had genomen. Noams familie komt uit Marokko, maar de Ladino-cultuur leefde ook voort in het Ottomaanse rijk.

Hierna vertoonde Neil van der Linden een clip met muziek van twee vroeg-barokke Duitse-Lutherse componisten, Schütz en Schein, uitgevoerd door het ensemble La Tempete, met een Libanese Grieks-Orthodox recitatiefzanger, George Abdallah. Het ensemble laat horen hoe de Mediterrane zangstijlen misschien overal in Europa te horen waren.

De Berberse kerkvader Sint-Augustinus uit de vierde eeuw introduceerde in de Noord-Afrikaanse zangstijlen in de kerk van Rome compleet. Dat was zoals hij zei omdat hij de bestaande muziek in de kerk saai vond. Voorbeeld uit de oer-kerkmuziek in Rome:

Oer-kerkmuziek uit de Ambrozijnse rite in Milaan. Marcel Peres gebruikt hier de stem van Soeur Marie Keyrouz uit Libanon

Uiteindelijk evolueerde dit alles tot het Gregoriaans zoals we het nu kennen, nadat de kerk microtonen en variaties had uitgebannen; die leidden immers eigenlijk maar tot verwarring onder de gelovigen – een soort euforie die Sint-Augustinus eigenlijk wilde bereiken met zijn kerkmuziek.

Ook kwam ter sprake hoe de kerkelijke muziek werd verlevendigd met mediterrane dansritmen, zoals in Monteverdi’s fameuze Maria Vespers, een principe dat ook goed hoorbaar is in de genoemde muziek van Schütz en Schein, die ondanks dat ze Protestant waren de muzikale vernieuwingen uit de Katholieke kerk kopieerden. Uiteindelijk kwamen Bach’s cantates en Handel’s oratoria ook vol dansritmes te zitten. Verderop in het debat kwam ter sprake dat in Egypte zangeres Umm Kulthum ook dansritmes toepaste in haar religieuze zangstukken.

De leer is strenger dan de muziek. Halverwege de zestiende eeuw nog overwoog de Katholieke kerk tijdens het Concilie van Trent om polyfone kerkmuziek te verbieden omdat die door haar schoonheid en complexiteit alleen maar zou afleiden, en bovendien het verstand van de gemiddelde kerkganger te boven ging. Zodra de Reformatie inzette werden tijdens de Beeldenstorm (bij ons in 1566) kerken gestript van beelden en schilderijen en eindigden boeken en muziekmanuscripten op de brandstapel.

Gilad Nezer-Blanckenburg vertelde hierna over de ‘gemengde’ muzikale praktijk bij de Liberaal Joodse gemeenten, met zowel Sefardische als Ashkenazische elementen.

Hij voerde een liturgisch gezang uit, voor de aankondiging van een nieuwe maand, waarin hij ook improviseerde op de modi, in de Joodse religieuze muziek Steigers of Nusach geheten. Dit improviseren op modi vinden we ook de Arabische en Turkse muziek, ‘maqams’ respectievelijk ‘mugams’ geheten, en dus ook in de vroegchristelijke muziek. Maar bedenk ook hoe zangers en instrumentalisten in de barokopera konden improviseren, terwijl dat later ook het principe van veel jazz en rock zou worden.

Hier is een voorbeeld uit de gemeenschappelijk Joodse en Moslim tradities uit Marokko, met een opname van Rabbi Haim Look en Soefizanger Abderrahman Souiri:

Daarna volgde een videofragment van een muezzin uit Bursa die verschillende modaliteiten laat horen zoals de oproep tot gebed kan klinken en hij legt daarbij hoe de verschillende modaliteiten corresponderen met verschillende momenten van de dag en verschillende stemmingen:

https://www.facebook.com/zuber.karim/videos/10156686762686919

Selim Doğru brengt ter sprake dat zoiets wel in handen moet zijn van een kundige muezzin, anders kan het een rommeltje worden. Karima El Fillali noemt als voorbeeld de amateur-muezzins van sommige buurtmoskeeën in Marrakech, vaak winkeliers uit de wijk, van wie de vocale kwaliteiten te wensen overlaten. Selim licht ook andere tradities in Turkije toe. Er waren muzikaal actieve Griekse, Armeense, Syrisch-Orthodoxe, Arabische en Joodse tradities, terwijl binnen de Islamitische gemeenschap het onderscheid tussen Soennitisch en Alevitisch en tussen Turks en Koerdisch een rol speelt.

En natuurlijk is er het Soefisme. De stad Konya werd een centrum van Soefisme toen de dertiende -eeuwse wetenschapper, theoloog en dichter Jalaleddin Rumi, geboren in Balkh (in het Perzisch taalgebied, nu in Afghanistan) daar neerstreek. Het bekendste visuele symbool van de Turkse Soeficultuur zijn de ‘draaiende derwishen’. Er zijn trouwens ook mengvormen van Joodse religie en Soefisme, van Marokko tot ver in het Oosten.

Nauw verbonden met Soefisme in de Arabische wereld is het begrip tarab, dat extase of vervoering betekent. Meer dan door climaxen in volume of versnelling zijn spelen wisselwerkingen tussen muziek en tekst een rol.

De grote Egyptische zangeres Umm Kulthum is één en al tarab. Umm Kulthum werd geboren in een arm dorp in de Nijldelta, maar ze was ook dochter van de dorpsimam, en dat haar in contact met complexe vocale technieken van het reciteren van de Qur’an en met de klassiek-Arabische taal. Karima zong een fragment uit lied van Umm Kulthum op tekst van de achtste -eeuwse Soefi-mystica Rabiya al Badawiya uit Basra, het huidige Irak. Het lied komt uit een Egyptische enigszins geromantiseerde film over haar leven, waarin de de actrice die Rabiya – nogal geromantiseerd -speelt playbackt op de stem van Umm Kulthum.

Tarab is ook essentieel in seculiere muziek en in Christelijke kerkmuziek.
Sabah (Christelijke zangers uit Libanon), Abou Zelouf

Wat ook ter sprake kwam is of je de vocale traditie en zang kunt begrijpen als je de taal niet kent. Misschien is opmerkelijk dat Turkije een fraaie vocale Qur’an traditie heeft, misschien wel juist omdat de taal niet wordt verstaan. Iran idem dito. Tegelijkertijd zou dat kunnen leiden tot wat met Latijn in de Middeleeuwen gebeurde in Europa: als mensen de taal niet verstaan drijven ze langzamerhand weg.

Karima El Fillali heeft onlangs opgetreden in het Gnawa festival in Den Haag. Gnawa is een vooral in Marokko voorkomende helingsritueel bestaande uit een mengvorm van een soort Soefisme met Afrikaanse shamanistische elementen, gepraktiseerd door afstammelingen van Afrikaanse slaafgemaakten en Afrikaanse huursoldaten van de Sultan van Meknes. Karima zong een voorbeeld van een melodie uit een Gnawa ritueel. De sub-Sahara Afrikaanse achtergrond blijkt ook uit pentatoniek, een kenmerk van veel Afrikaanse muziek (en op een andere manier van muziek uit het Verre Oosten en vele andere culturen). Gnawa rituelen worden vaak geleid door vrouwen. De rol van het matriarchaat vinden we ook in de Jemenitisch-Joodse traditie, zoals Noam Vazana vertelt.

Dit soort inbedding van Afrikaanse rituelen in de dominante religieuze cultus vinden we ook in het Christendom, bijvoorbeeld in de Jamaicaanse Rastafari, de Haïtiaanse Voodoo, de Surinaamse Winti en in de gospelmuziek van de Verenigde Staten, die vroeger ‘negro-spiritual’ heette.

Noam zong hierna Puncha Puncha, op een melodie die vermoedelijk uit Basra komt. Er bestaat een Jemenitisch-Joodse versie met een religieuze tekst, maar Noam zong een Ladino versie op een seculiere tekst, over liefde die mooi kan zijn als een roos, maar met doornen; Puncha betekent prikken. Gilad zong als tweede lied Avinu Malkenu (Onze Vader, Onze Koning)

Hieronder Avinu Malkenu gezongen door Yossele Rosenblatt:

Tot besluit zong Mirjam van Dam It ain’t necessarily so, een jazz-klassieker uit de opera Porgy and Bess, waarvoor componist George Gerswhin, van Russisch-Joodse komaf, de melodie van een Hebreeuwse melodie voor de oproep tot het gebed gebruikte:

Noam Vazana zingt Landarico Nani:

Karima el Fillali zingt Mawal kurd/bayati op een gedicht van de beroemde Andalusische dichter Wallada bint al-Mustakfi (1001 – 1091)

Foto’s: © Sheila Gogol

Virginia Zeani, one of the very few sopranos Maria Callas was frightened of

zeani

Have you noticed how many great singers come from Romania? Virginia Zeani is one of them. She was born Virginia Zehan, on the 21st October 1925, in Solovastru, a village in central Transylvania.

Zeani made her debut when she was 23 as Violetta in Bologna (indented for Margherita Carossio). That role would become her trademark. There is a costly anecdote about her debut in Covent Garden: it was in 1960 and she was a last minute replacement for Joan Sutherland, who became ill. She arrived late in the afternoon and there was hardly time to try on the costume. Before she went on stage, she asked very quickly: ‘Which of the gentlemen is my Alfredo?

zeani-traviata

In 1952, again at short notice she replaced Maria Callas as Elvira in i Puritani in the Teatro Communale in Florence, conducted by Tullio Serafin.

The soprano sang no less than 69 roles, including many world premieres. In 1957 she created the role of Blanche in Dialogues des carmélites by Poulenc.

Her repertoire ranged from Handel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet and Gounod to Wagner (Elsa and Senta). With of course the necessary Verdis and Puccinis and as one of her greatest star roles Magda in The Consul by Menotti:

 

pizzetti-zeani

She sang, together with her husband Nicola Rossi-Lemeni in the recording of Pizetti’s Assasinio nella Cattedrale recorded live in Turin shortly after the premiere (La Scala in Milan, March 1958). Absolutely indispensable for the ‘Generazione dell’80’ and verism lover (Stradivarius STR 10067/57).

Virginia Zeani in an aria from the recording:

I myself am completely obsessed with her Tosca, but also her Violetta should not be missed by anyone. Her coloratures in the first act are more than perfect. And then her ‘morbidezza’… Do it for her!

Below her ‘Vissi d’arte’ (Tosca), recorded in 1975, when she was over fifty:

 

decca zeani

‘Decca’s Most Wanted Recitals’, revealed in 2014 released her recording of Puccini arias. This recording, made in 1958 under the direction of Giuseppe Patané, have – together with a recital by Graziella Sciutti – been released earlier by Decca; but her Donizettis, Bellinis and Verdis from 1956 (conductor: Gianandrea Gavazzeni) had their CD premiere.


A nice anecdote:
Giovanni Battista Meneghini, former husband of Maria Callas, in conversation with Virginia Zeani , “Virginia, I have to tell you, you are one of the very few sopranos my wife is frightened of”

A few words about Leyla Gencer

gencer

Born 10 October 1928 in Polonezköv, a small town close to Istanbul, Leyla Gencer had – just like Maria Callas – a cult status, even today, but on a smaller scale. She had a Turkish father and a Polish mother, which made her proficient in that language. There is even a pirate recording of her with songs by Chopin in Polish:

Gencer’s real speciality was belcanto. She sang her first Anna Bolena only a year after Callas:

And unlike Callas, she also included the other Tudor Queen operas by Donizetti in her repertoire: Roberto Devereux and Maria Stuarda.

Gencer as all three Tudor Queens

gencer-alle-drie-tudor

Besides all her Bellini’s, Donizetti’s and Verdi’s, and between Saffo by Paccini and Francesca da Rimini by Zandonai, she also sang some of Mozart’s songs. Fortunately, her Contessa (Le nozze di Figaro) in Glyndebourne was recorded and released on  CD some time ago. For the rest, you have to settle for the pirates.

Her round and clear voice – with the famous pianissimi, which only Montserrat Caballé could match – is so beautiful that it hurts. If you have never heard of her before, listen below to ‘La vergine degli angeli’ from La forza del Destino, recorded in 1957. Bet you’re going to gasp for breath?

Ever heard of Wilhelm Grosz?

Enetartet Grosz

In the 1920s old values were shaken. The Great War had just ended. Countries had become independent, or had just lost their independency. Powerful new influences like jazz, blues, and exotic folklore appeared. Boundaries between classical and popular music were fading.

Of all the composers from that period, Wilhelm Grosz was perhaps the most versatile. He was born in Vienna in 1894 into a wealthy Jewish family. In 1919 he graduated from the Viennese Music Academy, where he was taught by, amongst others, Franz Schreker. In 1920 he finished his musicological studies at the Vienna University.

Grosz composed songs, operas, operettas, ballet music and  chamber music, and was a famous pianist as well. In 1928 he was appointed the artistic director of the Ultraphon record company in Berlin.

In 1929, commissioned by the prestigious Radio Breslau, he composed the song cycle Afrika Songs on lyrics by African-American poets.

Afrika Songs was premiered on 4 February 1930 and enthusiastically received. The cycle also became known as the  Jugendstil Spirituals, which probably is the most fitting description for it. There are jazz and blues influences, but the songs were also quite heavily influenced by the music of Zemlinsky, Mahler and … Puccini (compare Tante Sues Geschichten with Ho una casa nell’ Honan from the second act of Turandot!).

When he Nazis came to power, Grosz returned to Vienna. In 1934 he was forced to flee again, this time to London. There his popular works grew more distinct from his serious ones. His name became forever attached to a series of world wide hits. The Isle of Capri, for example, was the big hit of 1934.

ALONG THE SANTA FE TRAIL

Entartet Gosz Santa Fe

In 1938 Grosz left for Hollywood but didn’t get further then New York. He had a heart attack in 1939 and died, aged only 45. He composed the famous song for Along the Santa Fe Trail, a movie with Errol Flynn, Olivia de Havilland and Ronald Reagan in the leads. The song was not sung in the film and only used only instrumentally as background music.

AFRIKA SONGS AND MORE

Entartete Gosz Africa

After almost sixty years Grosz was rediscovered, although only briefly. It is hard to believe, but the Afrika Songs were not recorded until 1996! The Matrix Ensemble performed them for the firs time at the Proms in 1993. The CD also includes the song cycle Rondels, Bänkel und Balladen and the hits Isle of Capri, When Budapest Was Young and Red Sails in the Sunset, songs we all know but never knew who composed them.

Vera Lynn sings Red Sails in the Sunset in 1935

Mezzo Cynthia Clarey and baritone Jake Gardner are splendid in the Afrika Songs and Andrew Shore makes a party of Bänkel und Balladen. Nothing but praise for the  Matrix Ensemble.

English translation: Remko Jas

With many thanks for Brendan Carroll

Ooit van Wilhelm Grosz gehoord?

Enetartet Grosz

In de jaren twintig van de vorige eeuw werden alle waarden aan het wankelen gebracht. De Grote Oorlog was afgelopen, landen werden onafhankelijk of verloren juist hun zelfstandigheid. Nieuwe invloeden deden van zich spreken: jazz, blues, exotische folklore. De grens tussen de klassieke en populaire muziek vervaagde.

Van alle componisten uit die tijd, was Wilhelm Grosz misschien de meest veelzijdige. Hij werd geboren in Wenen in 1894 in een welgestelde Joodse familie. In 1919 studeerde hij af aan de Weense muziekacademie, waar hij onder andere les had van Franz Schreker en in 1920 rondde hij zijn studie musicologie aan de Weense Universiteit af.

Grosz schreef liederen, opera’s, operette’s, ballet, kamermuziek en was zeer beroemd als pianist. In.1928 werd hij in Berlijn aangesteld als artistiek directeur van de platenmaatschappij Ultraphon.

In 1929 componeerde hij (in opdracht van de toen prestigieuze radio Breslau) de liederencyclus Afrika Songs. De teksten die hij daarvoor gebruikte waren afkomstig van zwarte Amerikaanse dichters. De premiére op 4 februari 1930 werd zeer enthousiast ontvangen. ‘Jugendstil Spirituals’, werd de cyclus genoemd en wellicht is dat de beste omschrijving, want behalve

jazz en blues zijn de liederen zwaar beïnvloed door de muziek van Zemlinsky, Mahler en …. Puccini (vergelijk ‘Tante Sues Geschichten’ met ‘Ho una casa nell’ Honan’ uit de tweede acte van ‘Turandot’!).

Toen de nazi’s aan de macht kwamen, keerde Grosz naar Wenen terug om in 1934 ook daarvandaan te moeten vluchten. Hij vestigde zich in London. Daar werd voor het eerst een onderscheid gemaakt tussen zijn serieuze en populaire composities.

Zijn naam werd onlosmakelijk verbonden aan een paar wereldhits, zo was ‘The Isle of Capri’ dé grootste hit van 1934.

ALONG THE SANTA FE TRAIL

Entartet Gosz Santa Fe

In 1938 vertrok Grosz naar Hollywood. Daar componeerde hij muziek voor ‘Along the Santa Fé Trail’, een film met in de hoofdrollen Errol Flynn, Olivia de Havilland en Ronald Reagan. In 1939 werd hij getroffen door een hartinfarct en stierf, nog maar 45 jaar oud.

AFRIKA SONGS EN MEER

Entartete Gosz Africa

Na bijna zestig jaar werd Grosz herontdekt, al duurde het maar heel even. Het is haast niet te geloven maar de ‘Afrika Songs’ beleefden in 1996 hun plaat première! Het Matrix Ensemble heeft ze voor het eerst uitgevoerd op de Proms in 1993. Op de cd verder de liederencycli ‘Rondels’ en ‘Bänkel und Balladen’ en de hits ‘Isle of Capri’, ‘When Budapest was young’ en ‘Red sails in the sunset’- liedjes die we allemaal kennen en waarvan we nooit wisten wie de componist was.

Vera Lynn zingt ‘Red Sails in the Sunset’ in 1935

Mezzo Cynthia Clarey en bariton Jake Gardner  zijn subliem in de ‘Afrika Songs’ en Andrew Shore maakt een feest van ‘Bänkel und Balladen’.

 

Simone de Bonefont: ooit van gehoord?

Tekst: Neil van der Linden

Bonefont cover

Simone de Bonefont, nooit van gehoord. Paul van Nevel van het Huelgas Ensemble had ook nooit van hem gehoord, tot hij in een bibliotheek in Wenen in een koorboek een Missa pro Mortuis ontdekte, een Requiem-mis uit 1556. Dat is ook ongeveer het enige dat over Bonefont bekend is, behalve dat hij kanunnik was in Clermont-Ferrand, en dat er nog drie korte liederen van hem zijn overgeleverd.

Bonafonte

Uit het feit dat het commercieel uitgegeven koorboek rijkelijk geïllustreerd was kunnen we afleiden dat dit werk hogelijk werd gewaardeerd, en de maker ook. Van Nevel acht het gezien de kwaliteit vrijwel onmogelijk dat dit de enige werken van de componist zijn. De Bonefont is vermoedelijk rond 1500 geboren en is daarmee een generatiegenoot van de vierde Vlaamse school met grootheden als Gombert, De Rore, Willaert en Clemens non Papa en de Spanjaard Cristóbal de Morales. Een gouden tijd van de Renaissance. De muziek is dan echt helemaal losgekomen van een zekere laat-Middeleeuwse cerebraliteit, componisten experimenteren er lustig op los en de maniërismen die de Barok steeds meer zou opleggen hebben hun intree nog niet gedaan.

Dit requiem heeft de vloeiende motoriek van bijvoorbeeld het Requiem van De Richafort uit ongeveer dezelfde tijd, waaraan Van Nevel en het Huelgas eerder al een magnifieke CD wijdden. Het succes van De Richaforts Requiem door het Huelgas Ensemble, tot dan toe een onbekend werk, leidden binnen de kortste keren tot meer opnamen en maakten van een obscure componist een ster, die nu zelfs door de King’s Singers wordt gezongen.

Soms sluit De Bonefont af met een grillige akkoord-sequens vol onverwachte modulaties en dissonanten die bijna pijn aan de oren doen. Kan dat een restant van laat-Middeleeuwse polyfonie zijn? De Bonefont zat daar in de Auvergne een beetje geïsoleerd, terwijl de rauwere vormen van polyfonie zoals die heden ten dage nog Corsica en Sardinië leeft toen op veel meer plaatsen werd gepraktiseerd. Of was het juist een uiting van avant-gardistische experimenteerlust?

Bonnefond_Huelgas-Ensemble-PVDS-c-Alidoor-Dellafaille

Requiem-Simon-de-Bonnefond_Huelgas-Ensemble-PVDS- ©Alidoor-Dellafaille

Het Huelgas Ensemble lost het vocaal allemaal overtuigend op. Een van hun handelsmerken is stemkleuring. Door veel ruimte te geven aan individuele stemkarakteristieken is het mogelijk complexe polyfone weefsels helder uit te diepen, maar worden diepe onderliggende lagen grondig geëxploreerd. Desnoods past Van Nevel het tempo aan om een tekstuele of melodische frase extra duidelijk te laten uitkomen. En dat allemaal live, deze CD is live opgenomen.

De CD combineert De Bonefonts dodenmis met vier motetten uit dezelfde tijd op een andere veel gebruikte tekst over dood en sterfelijkheid, Media Vita in Morte Sumus. “Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen’, aldus de oeroude antifoon, die ooit zo populair was dat het concilie van Keulen van 1316 het verbood: het lied zou magisch geladen zijn waardoor men er anderen mee kon vervloeken. Het lied bleef echter populair: zelfs de vermaledijde ketter Luther maakte een bewerking in het Duits.” (ik citeer hier muziekweb.nl)

Ja, het was een tijd van pestepidemieën, van sociale revoluties en godsdienstoorlogen. De versie van de Brugse componist Arnold von Bruck gebruikt die vertaling door Luther, ‘Mytten wir ym leben synd’. De andere drie versies zijn in het Latijn en van keurig katholiek gebleven Vlaamse grootheden, Jacobus de Kerle, Orlandus Lassus en Nicolas Gombert. De laatste twee kent iedereen natuurlijk.

Bonafonte HUELGAS-ENSEMBLE-8

Het Huelgas Ensemble © Huelgas Ensemble

Het Huelgas Ensemble had Gomberts motet al eens opgenomen en er is ook een mooi dramatische uitvoering van het Hilliard Ensemble. “Bij dit alles denk je onwillekeurig aan Gomberts eigen Media Vita-ervaring: volgens de arts Jerome Cardan werd Gombert naar de galeien verbannen omdat hij zich aan het hof van Karel V aan een knaap had vergrepen (Gombert was belast met het rekruteren van de indertijd alom gezochte Vlaamse koorknapen voor de hofkapel in Madrid van Karel V – NvdL). De componist kreeg echter gratie nadat hij de keizer wist te ontroeren met twee zogenaamde ‘zwanenzangen’. (Misschien onder meer dit In Media Vita? – NvdL)” Aldus muziekweb.nl.

Cappella Amsterdam heeft net ook Lassus’ versie op CD uitgebracht, schoolser vind ik; de stemkleuringstechniek van het Huelgas Ensemble maakt muziek telkens toch wel heel direct invoelbaar.

De Kerle uit Ieper is minder bekend. Maar naar verluidt heeft hij meer nog dan Palestrina de polyfone kerkmuziek gered door een motet te componeren voor de hereniging van de Christelijke Kerk het succesvolle verloop van het Concilie van Trente, terwijl Palestrina met de eer is gaan strijken (en het aldus ook tot protagonist van een laat-romantische opera heeft gebracht, Pfitzners Palestrina, die dus eigenlijk De Kerle had moeten heten).

Aan hem had het Huelgas Ensemble al eerder een CD gewijd, ook met dit adembenemende In Media Vita (en het intrigerende Cantio octo vocum de sacro foedere contra Turcas, ‘Achtstemmig zang over een heilig bondgenootschap tegen de Turken’, een tijd waarin hemel en aarde dicht bij elkaar kwamen).

Bonefort Bosch

Detail uit het rechter paneel, Op Weg naar de Hemel, uit Visioenen van het Hiernamaals – Jeroen Bosch

De voorkant van de CD is mooi geïllustreerd met een detail uit de Opstijging ten Hemel, met een naakte figuur die begeleid door een engel door een tunnel van licht beweegt, een andere mensfiguur in het gezelschap van een duivel die het misschien probeert, en aan het eind van de tunnel bijna verzwolgen door het licht nog twee figuren, uit Visioenen van het Hiernamaals van Jeroen Bosch.


Simone de Bonefont (ca. 1500): Missa pro mortuis cum quinque vocibus
Arnold von Bruck (1500-1554), Jacobus de Kerle (1531-1591), Orlandus Lassus (1532-1594), Nicolas Gombert (1495-1560).
Huelgas Ensemble onder leiding van Pal van Nevel.
Cypres Records-CYP168

https://klara.be/music-matters-op-30-april-met-paul-van-nevel

https://www.crescendo-magazine.be/paul-van-nevel-nous-fait-decouvrir-simone-de-bonefont/

 

 

Pijnlijk mooie Tenebrae van Gesualdo door Graindelavoix

Tekst: Neil van der Linden

Gesualdo

De Tenebrae, ‘duisternis’, is een Rooms-Katholiek kerkelijk ritueel voor de laatste dagen van de Lijdensweek: Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Gedurende die drie dagen worden één voor één kaarsen van een kandelaar gedoofd, totdat de kerk aan het eind van de derde nacht in totaal verduisterd is. De teksten voor de drie nachtelijke rituelen omvatten natuurlijk het lijdensverhaal uit de Evangeliën. Verder vonden de kerkvaderen die de teksten samenstelden de Klaagzangen van Jeremia passend, over de vernietiging van Jeruzalem door de Babyloniërs.

Psalm 51, het Miserere, kreeg een prominente plek, een zogeheten Boetepsalm van David, over een wat profaan onderwerp, Koning David’s buitenechtelijke verhouding met Bathseba, echtgenote van één van zijn commandanten, maar de tekst wordt blijkbaar opgevat als een algemeen gebed om vergeving van zonden. En er is een optimistischer gestemde tekst uit de Lofzangen van Zacharia, ‘Benedictus’, over de besnijdenis van Johannes de Doper, vooruitlopend op de geboorte van Christus, in zekere zin dus terug naar AF.

Vele componisten hebben zich ook op deze passages uit de liturgie gestort, waaronder Lassus, Byrd, Palestrina, Couperin en Haydn tot en met Poulenc, Strawinksy en Boulez, waarbij met name de Klaagzangen, als Lamentationes, populair waren. Gesualdo heeft die Klaagzangen niet gebruikt, maar Graindelavoix heeft zettingen in het Gregoriaans toegevoegd.

Gesualdo Christus

Christus in het Hof van Ghetsemaneh, Gerard Honthorst

In het Festival Oude Muziek in Utrecht waar de Tenebrae werden uitgevoerd, moest het wat optimistischer Benedictus, dat de driedubbel-CD-opname besluit, het veld ruimen en werd het Miserere, dat nu aan het eind van CD-1 komt, tot slotstuk gepromoveerd.  Het is het enige stuk waarin Gesualdo het ‘responsoria’ idee intact heeft gelaten, solozang afgewisseld met ensemblezang, en de harmonieën zijn minder grillig, waardoor het een fraai berustende finale werd. En ook al is het Miserere somber gestemd, de boetedoening in de tekst kreeg daarmee een algemenere betekenis.

Gesualdo Honthorst

Zoals bekend schiep de edelman Carlo Gesualdo, prins van Venosa (1566 –1613), een eigen muzikaal universum, waarin hij, zo’n beetje met wat Bach aan het eind van de barok deed, strikt en aartsconservatief vasthield aan de muzikale beginselen van de tijd waarin hij was opgegroeid, de Renaissance, maar tegelijkertijd dat zo radicaal deed, met harmonieën vol dissonanten en steeds grilliger modulaties, dat zijn muziek ook ver vooruitkeek.

Gesualdo was muzikaal overigens van niemands waardering afhankelijk, hij schiep zijn muziek voor eigen gebruik. Dat kon hij zich permitteren. Zijn moeder was een Borromeo, van één van de invloedrijkste families van Italië, en een nicht van de Paus. Zijn eerste echtgenote was een prinses en een volle nicht. En terwijl we van enige mevrouw Monteverdi of mevrouw Palestrina zelden iets horen, zijn het de lotgevallen van die eerste echtgenote die het beeld van Carlo Gesualdo hebben bepaald.

Ik weet niet of Wagner bekend was met Gesualdo. Maar de plot van de opening van de tweede acte van Tristan und Isolde lijkt op het verhaal van de ontdekking van een buitenechtelijke relatie van zijn echtgenote. Op zekere avond deed Gesualdo alsof hij op jacht ging. Hij keerde vroegtijdig terug en trof echtgenote en haar minnaar in bed aan. Beiden reeg hij aan de degen. Het hooggerechtshof concludeerde echter: geen misdaad. Had die conclusie misschien iets te maken met zijn hoge positie? Neef van de Paus?

Hij hertrouwde, in een huwelijk dat ook weinig geluk zou brengen. Dat was met iemand uit de d’Este familie, van de Villa d’Este waaraan Liszt later een stuk zou opdragen in de Années de Pélerinage. Misschien is de plot voor de tweede acte van Tristan, waarin iets vergelijkbaars gebeurt, via Liszt bij Wagner terecht gekomen? Al met al genoeg reden voor latere boete en devotie. En die spreken uit deze muziek, de componist dan bovendien privé in een duistere kapel liet opvoeren.

Gesualdo graindelavoix-1084

Graindelavoix, een vroege voorjaarsdag © Koen Broos

Toen ik Graindelavoix voor het eerst hoorde, op hun CD met de Missa Caput van Ockeghem, kreeg ik visioenen van zingende Vlaamse boeren, met zand aan hun schoenen in een kathedraal. Lange slepende noten, en de boeren maar tegen elkaar opzingen. En ze dachten tijdens het zingen niet alleen aan de Goddelijke devotie, maar ook het bier die klaar zou staan na de mis, en het feest dat plaats zou vinden als op een schilderij van Brueghel.

Vandaar dat de lange slepende noten, die uit volle borst gezongen gezamenlijke crescendos en glijdende uithalen. Let wel, er waren kathedraalscholen, en de regio was welvarend, dus men kon zich riante zangopleidingen permitteren. Maar het is zeker dat men daar geen zangtechnieken onderwees zoals we die kennen sinds de opkomst van het belcanto.

Dat slepen en glijden in de intonaties klinkt als de traditionele zangtechnieken die heden ten dage nog steeds worden toegepast in de Oosters-Orthodoxe kerken, de zang van Corsica en Sardinië, en ook in de Arabische en Turkse muziek. Maar was het niet de kerkvader Sint-Augustinus, zelf Berbers, die de muziek in de Roomse kerk maar saai vond, en elementen van de muziek van thuis in de eredienst introduceerde?

Om te horen hoe dat zou hebben kunnen klinken, hadden Marcel Pérès en zijn ensemble Organum al met zangers uit Mediterrane tradities geëxperimenteerd, in vroege kerkmuziek van Rome tot aan Vlaamse polyfonie van Josquin de Prez. Graindelavoix bouwt hier min of meer op voort, stortte zich naast Vlaamse polyfonie zelfs op Engelse Renaissance, muziek waarvan je dacht dat die voorbehouden was aan Engelse ensembles met strakgetrokken intonaties. En nu is Graindelavoix aangeland bij min of meer het sluitstuk van de Renaissancemuziek, Gesualdo’s Tenebrae.

De passages uit de Klaagzangen van Jeremia worden afwisselend gezongen door de Est Marius Peterson, in de Rooms-Katholieke Gregoriaanse traditie van zijn land, en de Roemeen Adrian Sirbu, doorkneed in de Balkan-Orthodoxe zangstijl. Voor de madrigalen omvat het ensemble daarnaast ook de mannelijke alt Razek-François Bitar, met een Syrisch-Orthodoxe achtergrond, en een Italiaan, een Spanjaard en een Schots/Maltese, verder een Amerikaans/Zweedse, en tenslotte twee Vlamingen, waaronder oprichter en dirigent Björn Schmelzer zelf.

Al die Mediterrane intonaties toegepast op Gesualdo’s chromatiek, dissonanten en toonsoortveranderingen grijpen je bij de maag. Is dit een aanbeveling? Ja……. Pijn kan een gevoel van welbehagen achterlaten. Het is verslavend.

Dit is de eerste complete opname sinds jaren, andere relevante ensembles hebben afzonderlijk delen op CD gezet, zoals de Tallis Scholars, sereen, maar afstandelijk, en het Hilliard Ensemble, intiem en menselijk, maar ook wat monotoon. Bij Graindelavoix wordt het drama, het passieverhaal is drama.


Carlo Gesualdo
Tenebrae
Graindelavoix olv Björn Schmelzer
Glossa GCD P32116 3CDs

Twee Maagden over Willy Deckers Elektra

elektraheink

Ernestine Schumann-Heink as Klytämnestra at the January 25, 1909 Dresden premiere of Elektra, looking down on Annie Krull as Elektra

Elektra van Richard Strauss behoort ontegenzeggelijk tot de geniaalste opera’s ooit. Door de symbiotische samenwerking van de librettist en de componist ontstond een werk dat zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Met het libretto van von Hofmannsthal komen we de mythologische wereld binnen, maar dan wel gezien door de ogen van Sigmund Freud. Een wereld vol complexen, fobieën, angsten en dromen, die bovendien bevolkt is door hysterische vrouwen.

Elektra Decjker

Willi Decker © Alchetron

Willy Decker behoort tot de beste operaregisseurs ter wereld en zijn vermaardheid dankt hij niet aan ‘concepten’ of het wel/niet functionele bloot. Hij kent zijn pappenheimers en hoeft niet zo nodig te choqueren.

In september 1996 ging zijn visie op Elektra in première bij De Nederlandse Opera (DNO). Hartmut Haenchen stond toen op de bok en de hoofdrollen werden vertolkt door Eva-Maria Bundshuh (Elektra), Anne Gjevang (Klytamnästra) en Inga Nielsen (Chrysotemis). Met vrijwel dezelfde bezetting, maar dan wel onder leiding van Hans Vonk, werd de productie in april 2000 herhaald.

Bij de derde speelreeks, in 2006, werd alles anders. Hans Vonk was dood, Inge Nielsen was dood, Hartmut Haenchen naar andere oorden verbannen en bij ons was het (gelukkig zeer korte!) tijdperk van Ingo Metzmacher aangebroken. Nou ja, in dit repertoire kon hij gelukkig weinig schade aanrichten en ook de hoofdrollen werden prima vervuld door Felicity Palmer, Nadine Secunde en Gabrielle Fontana.

De productie stond in oktober 2011 voor de vierde (en laatste) keer op het toneel (voor de recensie klik hier)

Ellen van Haaren, die de Vierde Maagd in alle drie de producties zong:

© Jan Swinkels

,,Ik heb het vanaf het begin meegemaakt hoe deze Elektra zich ontwikkelde onder het baton van Hartmut Haenchen en de superregie van Willy Decker. Huiveringwekkend goed!!! En zo to the point!

Decker is een geweldig goede regisseur en daarbij nog eens zo’n aardige man, van wie je veel vrijheid kreeg. Zijn geliefde spreekwoord was: ‘passie is het motto van het zingen’. En zijn credo: ‘met waardigheid onwaardige situaties regisseren’. Dus de vernederende situaties waarin de personages van de opera terechtkwamen, wist hij op een waardige wijze in scène om te zetten.

Tevens werd er veel over het werk gepraat en als je als zanger iets anders aanvoelde dan wat Decker van je in een bepaalde scène verlangde, dan werd er daar ook op ingegaan. Zeker ook als hij het ermee eens was dat het beter bij de zanger in kwestie paste. Daarom is hij als persoon heel fijn om mee te werken, omdat hij iedereen zo veel aandacht geeft.

Altijd vroeg hij: voelt dit goed, gaat dit goed? Het was een samenwerking die je maar zelden aantreft en mede daardoor heeft het z’n vruchten in de totale samenhang afgeworpen.

Elektra 1996 Ellen

Yvonne Schiffelers, Rebecca de Pont Davies, Nadine Secunde, Abbie Furmansky (onder de arm van Elektra), Claire Powell (met jas), Ellen van Haaren © Marco Borggreve

Een voorbeeld. Hij vond dat twee Maagden zwanger moesten zijn. Toen opperde ik de gedachte: we moeten dan een soort schort met een buik hebben, want je beweegt je heel anders als je zwanger bent en gaat daardoor niet op de voorgrond staan zoals die andere Maagden. Je hebt nieuw leven bij je, dus je gedraagt je wat angstiger en blijft als persoon meer op de achtergrond. De volgende dag waren er twee schorten met een dikke buik en konden we daarmee oefenen.

De twee dames letten ook een beetje meer op elkaar en als Klytemnestra dan die vreselijke uitbarsting heeft, dan beschermden wij eigenlijk elkaar. Allemaal heel subtiel, maar toch!

Zo krijg je een mooie productie die nooit ordinair of oppervlakkig is, want het komt recht bij je binnen en dringt diep door. De personenregie is daar van groot belang, vooral omdat het drama dat zich voor je ogen ontwikkelt eigenlijk van alle tijden is. Oorlog, wanhoop, strijd om het behouden van de waarden en normen, opportunisme, meelopers, angst, principiële opofferingsgezindheid en dictatoriale macht.

Over Hans Vonk zou ik willen toevoegen dat hij in die tijd al zo vermoeid en ziek was en toch zo goed was, dat hij toch op die productie zijn stempel kon drukken. Hij was heel vriendelijk en hielp waar hij kon.

Het is een extreem zware productie met zeer turbulente uitbarstingen in de muziek, alles zit in de orkestpartijen: dreiging, liefde, weemoed, wraakgevoelens, broeder/zusterliefde, haat… Dat vergt heel veel van een dirigent.”

ellen ballo

Ellen van Haaren (Amelia) met Henk Poort (Renato) in Ballo in Maschera

Corinne Romijn, die de tweede Maagd in twee DNO-producties zong:

Elektra Corinne

,,Ik heb Elektra in totaal drie keer gezongen, één keer bij de Vlaamse Opera en twee keer bij DNO. Ik vond en vind Willy Decker een uiterst inspirerende man. Ook bij de herhalingen kwam hij zelf en bleef hij zoeken naar nieuwe facetten. Hij stuurde geen assistent om herinstudering te doen en de zangers te vertellen waar ze opkomen en weer afgaan en alles ertussen.

Wat ik behalve zijn enorme talent en vaardigheid ook zo mooi aan hem vind, is dat hij iedereen met hetzelfde respect en belangrijkheid behandelt, ook al heb je maar een ‘kleine rol’. Bij hem heb je het gevoel echt iets belangrijks te doen en ook voor de kleine rollen bedenkt hij verhaaltjes en diept het karakter uit.

Elektra Haenchen

Hartmut Haenchen © Riccardo Musacchio

Mijn geliefde dirigent was Hartmut Haenchen. Zijn opmerking ‘es gibt keine kleine rollen’ sloot perfect aan bij de visie van Willy Decker.

Een leuke anekdote. Ik zong de tweede maagd en die zingt aan het begin: ‘Ist doch ihre stunde die stunde das sie um den vater heult das alle wande schallen!’ Ik (geen idee waarom) zong tijdens de repetitie: ‘Ist doch ihre stunde die stunde das sie um den vater LACHT das alle wande schallen!!!’

Hartmut hoorde dit, sloeg af, nam zijn partituur van de pepiter en kwam het toneel op, recht op mij af. Ik dacht nog: oei oei… Maar het enige dat hij glimlachend zei, was: ‘Wenn sie das singen, brauchen wir die ganze oper nicht zu machen!’

Elektra Corinne Jenny

Corinne Romijn als Jenny in de Driegroschenoper van KurtWeill

Claron McFadden en haar sterke vrouwen

Lilith-Claron-McFadden-foto-Hanneke-Kuijpers

©  Hanneke Kuijpers

Lilith en Operadagen Rotterdam 2012

Lilith met tekst

Wist u dat Eva niet de allereerste vrouw was die er bestond? Voordat zij uit de rib van Adam geschapen werd, had Eva al een voorgangster. Zij heette Lilith en encyclopedieën duiden haar aan als een vrouwelijke duivel. Volgens de Kabbala was zij de godin van het Kwaad en een symbool van seksuele begeerte. Er werd van haar gezegd dat zij de drager was van ziekte en dood.

-Lilith-696x802

Lilith door Dante Gabriel Rosetti (Delaware Museum in Wellington)

Tijdens de Operadagen Rotterdam in 2012 ging er een voorstelling in première waarin Lilith centraal staat. Het hele concept werd bedacht door de allround zangeres/actrice, Claron McFadden.

McFadden, die als klassiek geschoolde zangeres een voorliefde heeft voor verschillende muziekstijlen plaatste de geschiedenis van Adam en Lilith in de hedendaagse tijd en mengde bewust verschillende media tot een muziektheaterstuk met sterk emotionele lading. We komen Lilith dan ook in een ‘real time’ tegen in de bar van een vijfsterren hotel en het verleden wordt aan ons door middel van projecties verteld. Adam zien we alleen als projectie.

Veel aandacht werd besteed aan het multimediale en er werd ons een mix van stijlen beloofd: jazz, soundscape, klassiek, pop, rap-achtig Sprächgesang, gesampelde zangstemmen. Er was ook plaats voor improvisaties, waardoor iedere uitvoering iets anders kon uitvallen.

De regie was in handen van Frans Weisz; muziek, pianospel en elektronica kwamen van Dimitar Bodurov, een Bulgaarse jazzpianist en ‘alles-eter’. De rol van Adam werd gespeeld door Jeroen Willems.

Claron McFadden aan het woord:

Lilith Claron-McFadden-Sacha-de-Boer

© Sacha de Boer

,,Ik beschouw mijzelf als een vrij sterke, onafhankelijke vrouw en ik ben altijd gefascineerd geweest door vrouwen die niet passen in het traditionele sjabloon van wat een vrouw hoort te zijn in de patriarchale samenleving. De vrouwen die mij het meest fascineren laten hun vrouwelijkheid niet in de steek om erbij te horen in de ‘mannenwereld’. Ze luisteren naar hun eigen innerlijke stem hoe ze mogen/moeten zijn als een mens, als ze maar alle kansen krijgen om te groeien en zich te ontwikkelen.

Toen ik voor het eerst hoorde van de Lilith-mythe, raakte ik onmiddellijk door haar geïntrigeerd. Ik beschouw haar ook als de eerste feministe. Zij wilde, samen met haar partner Adam, blijven zijn hoe zij was. Toen het onmogelijk bleek, liet zij liever alles wat haar dierbaar was in de steek en accepteerde alle consequenties van haar keuze. Alles liever dan de essentie van wat zij was – als vrouw, als mens – te verloochenen.

Ik vind dit zeer diepgaand. Het gaat over de man-vrouwverhouding, maar ook over de gelijkheid van mensen en het accepteren van onderlinge verschillen.

Ik ben een klassiek geschoolde zangeres, maar mijn achtergrond ligt in gospel, popmuziek en soul – muziek waar improvisatie een belangrijke rol in speelt. Mijn eerste serieuze kennismaking met de westerse klassieke muziek was de zestiende-eeuwse polyfonie en de zeventiende-eeuwse madrigalen, motetten en cantata’s. Daarbinnen was er ook plaats voor improvisatie

Vrijheid binnen een structuur vormt voor mij een rode draad in eigenlijk alles wat ik doe, ook in de muziek waar de noten echt vaststaan. Spontaniteit houdt de muziek levend, niets is twee keer hetzelfde.

Voor Lilith heb ik Dimitar Bodurov uitgenodigd. Hij is een zeer getalenteerde duizendpoot, wij zijn dus aan elkaar gewaagd. We bespraken een gevoel of een bepaalde scène, hij maakte de muziek en we begonnen te zingen en te spelen.

Omdat ook hij uit een improvisatiehoek komt, hebben we besloten dat sommige scènes aan drama zouden winnen als wij ons vrij in de vaststaande structuur bewogen. Maar het is beslist niet zo vrij als ‘work in progress’, zoals veel mensen denken als ze het woord improvisatie horen. Geen chaos hier!

Toen ik Frans Weiss voor het eerst ontmoette werd ik door hem gefascineerd en bedacht hoe fijn het zou zijn om samen met hem iets te kunnen doen. Lilith is onze eerste samenwerking. Hij is een meester in het creëren van een dramatische sfeer en zijn voorstellingsvermogen kent, net als de mijne, geen grenzen.

Het is niet makkelijk om iemand anders werk te regisseren en wij voerden een paar pittige discussies. Mijn origineel concept vormt het skelet en hij heeft alle vrijheid om Lilith een uiterlijk te geven die hij wil.

Lilith willems

© © Pief Weyman

Met Jeroen Willems werkte ik voor het eerst samen in La Commedia van Louis Andriessen. Hij heeft mij zeer ontroerd en geïnspireerd, sindsdien heb ik altijd gehoopt om nog eens samen hem te mogen werken. Zodra ik aan het karakter van Adam begon te denken, zag ik onmiddellijk zijn gezicht voor ogen. Voor mij is hij de enige acteur die Adam de nuances kan geven die het karakter nodig heeft om hem sterk, kwetsbaar, sexy en humaan te maken. En hij is een goede zanger!

Ik droom van een serie theatrale monodrama’s over interessante en sterke vrouwen uit de geschiedenis en literatuur: Anne Askew, Veronica Franca, Harriet Tubman and Wilma Flintstone…

En ik zou graag ‘Iron Maiden Lounges’ organiseren, in de vorm van nagesprekken na de voorstellingen, waarbij we rustig kunnen zitten en van gedachten kunnen wisselen. Ik denk dat ik nu op een belangrijk punt in mijn leven ben beland en ik hoop dat ik inmiddels genoeg goede en slechte bagage heb om te kunnen vaststellen wie ik ben. Als vrouw en als ‘human being’. Ik ben er zeker van dat het mij niet lukt, maar ik houd van uitdagingen!”