achtergrondartikelen

André Previns ‘A Streetcar named desire’ twintig jaar na de première

0002581783.jpg

Ik liep al een tijd rond met het idee om over de moderne Amerikaanse opera’s te schrijven, want nergens ter wereld is opera zo levend als daar. Romantisch, minimalistisch, dodecafonisch: voor elk wat wils.

Maar vraag de eerste de beste doorsnee operaliefhebber (de diehards kennen kun Heggies, Barbers en Menotti’s wel) een Amerikaanse operacomponist te noemen: wedden dat ze niet verder dan Philip Glass en John Adams komen? Hoe dat komt? Omdat wij, Europeanen, onze neus ophalen voor de Amerikaanse cultuur en ons in alles superieur voelen. Daarom.

Deze maand is het precies twintig jaar geleden dat in San Francisco een belangrijke Amerikaanse opera ten doop werd gehouden: A Streetcar named desire van André Previn, naar het toneelstuk van Tennesee Williams. Ik was er bij.

Streetcar scene

Elisabeth Futral (Stella), Rodney Gilfrey (Stanley) en Renée Fleming (Blanche) © Larry Merkle

DE PREMIÈRE

De verwachtingen waren hooggespannen. A Streetcar Named Desire van Tennesee Williams behoort tot de bekendste én de belangrijkste Amerikaanse toneelstukken. De verfilming ervan door Elia Kazan in 1951 heeft niet alleen voor wereldwijde erkenning gezorgd maar heeft het stuk ook een echte cultstatus bezorgd; en de hoofrolspelers – merkwaardig genoeg op Marlon Brando na – werden allemaal met een Oscar beloond.

Streetcar film

Het toneelstuk werd nog tweemaal verfilmd, zonder succes.  Niet zo vreemd: er zijn weinig films – of  drama’s – die zo intens met de naam van de acteurs zijn verbonden. Toch, het was de ultieme droom van Lotfi Mansouri, de toenmalige baas van de San Francisco Opera om van ‘Streetcar’ een opera te maken. Leonard Bernstein werd benaderd maar toonde geen interesse.

De keuze viel uiteindelijk op André Previn, een keuze die voor sommigen een beetje raar leek, tenslotte had hij nog nooit een opera gecomponeerd.

Voor het libretto tekende Philip Littel, een oude rot in het vak, op zijn naam staat o.a. The Dangerous Liaisons, een opera die twee jaar eerder met groot succes in première is gegaan. Colin Graham deed de regie en voor de hoofdrollen werden grote zangers-acteurs gecast.

Libretto volgt het toneelstuk vrijwel op de voet en gaat zelfs de moeilijkste details niet uit de weg. Er zijn wel kleine cuts gemaakt en Littel permitteerde zich een kleine toevoeging: de Mexicaanse bloemen verkoopster met haar sinistere ‘Flores, flores para los muertos’ komt aan het einde van de derde akte terug, met een duidelijke boodschap voor  Blanche. Voor mij lichtelijk overbodig.

Het toneelbeeld leek sprekend op de filmbeelden. De eerste scène al: mist, een huisje met de trap naar de bovenburen en Blanche, met het koffertje in haar hand  ’They told me to take a streetcar named Desire…” zingend bezorgde de filmliefhebber een feest van herkenning.

In de muziek zijn flarden Berg, Britten, Strauss en Puccini waarneembaar en het ligt makkelijk in het gehoor. De sfeer wordt mede bepaald door sterke jazzinvloeden en je hoort veel trompet- en saxofoon solo’s. Logisch, het speelt zich tenslotte af in New Orleans.

De opera is doorgecomponeerd, maar bevat talrijke aria’s:  Stella en Mitch krijgen er één, er is een duet voor Stella en Blanche, en Blanche zelf wordt zeer rijkelijk bedeeld.

Alle aanwezigen speculeerden welke noten Stanley te zingen zal krijgen bij zijn beroemde ”Stelllllaaa!!!”

Geen, dus. Rodney Gilfrey (Stanley) ging, net als Marlon Brando in de film onder aan de trap staan en schreeuwde. En net als in de film kwam Stella terug. De volgende ochtend werd zij neuriënd wakker. En op Blanche’s reageerde ze met een prachtige grote aria “I can hardly stand it”

Streetcar Stanley

Elisabeth Futral (Stella) en Rodney Gilfrey (Stanley) © Larry Merkle

Elisabeth Futral zorgde voor een ware sensatie in haar rol van Stella. Gezegend met een schitterende, lichte, wendbare sopraan zong zij de sterren van de hemel en werd door pers en het publiek ovationeel bejubeld.

Streetcar rode hemd

De rol van Stanley Kowalski was Rodney Gilfrey op het lijf geschreven. Mij deed hij zelfs, al was het voor even Brando vergeten. Hoe hij het deed, weet ik niet, maar hij kon zingen en kauwgum kauwen tegelijk! Hij zag er bijzonder aantrekkelijk uit in zowel het gescheurde witte T-shirt als in de “red silk pajamas”. Jammer genoeg kreeg hij van Previn geen aria te zingen, wat hem als persoon nog onsympathieker maakte.

Mitch werd zeer gevoelig gezongen door de toen mij nog onbekende tenor Anthony Dean Griffey, en Blanche….  André Previn heeft de rol speciaal voor Renée Fleming geschreven en dat kon je horen. Sensationeel.

Inmiddels heeft Fleming haar grote aria ‘I Want Magic’ aan haar repertoire toegevoegd en in de studio voor de gelijknamige recital-cd vastgelegd.

 

CD

Streetcar-Named-Desire-768x761cd

De opera werd live door DG opgenomen en in de serie 20/21 (muziek van onze tijd) op de markt gebracht.


DVD

Streetar dvd

De opera is inmiddels een klassieker geworden en wordt ook in vele operahuizen in vele landen op de planken gebracht maar de kans dat u de opera ooit in Nederland te zien krijgt is vrijwel nihil. Gelukkig werd het ook op dvd opgenomen (Arthaus 100138) . Daar heb ik niet zo lang geleden weer eens naar gekeken.

“Whoever you are – I have always depended on the kindness of strangers” zingt Blanche Du Bois (Fleming) en verdwijnt in de verte. Zij wordt afgevoerd aan de hand van een psychiater, die ze voor een aanbidder aanziet.

Haar woorden echoën noch na, in de verte speelt een trompet, en de strijkers nemen de blues over. De hitte is voelbaar, het doek valt en ik zoek naar een zakdoek. Daarvóór heb ik tweeëneenhalf uur op het puntje van mijn stoel gezeten en vergat zelfs het glas whisky, dat ik vulde aan het begin van de opera.

Mensen: koop de dvd en laat je meesleuren. Het is zonder meer één van de beste opera’s van de laatste twintig jaar.

Renée Fleming in gesprek met André Previn over de opera:

 

THE KINDNESS OF STRANGERS

DVD WRAP.QXD (Page 1)

‘The kindness of Strangers’ is ook de titel van een film over André Previn:

 

 

SIR THOMAS ALLEN

                                LET BEAUTY AWAKE

Allen portret gubelkian

In my opinion Thomas Allen is one of the greatest singers of the past half century. His balmy voice with its warmth, colours and nuances makes me happy every time I hear it. It even feels comforting, like a warm bath. The English have the perfect description for this: “meltingly beautiful singing.” Yes, I am a fan!

 

This all-around baritone, equally at home in opera, art song, oratorio, musical theatre and even movies is held in high esteem all over the world. Except in the Netherlands, where he is barely known. Small wonder: apart from a few rare visits to the Concertgebouw he never sang here. The reason is simple: he was never asked.

DON PASQUALE

Allen recording

Recording Don Pasquale in Munich. Sir Thomas Allen, Renato Bruson, Eva Mei, Frank Lopardo © Wernard Neumeister

 

I first met Thomas Allen in December 1993 in London, after his recital in St James’s Church where he sang Die Schöne Müllerin.  We never really talked until a few weeks later in the BMG Studios in Munich, where he was recording Malatesta in Donizetti’s Don Pasquale.

 

I was allowed to attend the recording sessions. In a small corner I looked and listened, deeply admiring this beautiful singer. He sang the hardest coloratura passages in one long breath, and repeated them endlessly. His hands made elegant gestures. Everything about him, in fact, was acting. What a contrast with the recital in London a few weeks earlier, which had moved me to tears. There he stood motionless on stage, focused, acting only with his eyes.

How can he do that?

ACTING

“How I can do that …  “

“When you are recording the visual element is, of course, absent. The only thing you have is your imagination. When I think about Malatesta, I imagine an elegant man in a beautiful suit. My hands then start to move automatically, which helps me find the colours I need to sound convincing.”

 

“It works somewhat differently with art songs, I think. I cannot stand singers who move around too much on stage. It makes me feel uncomfortable. Art songs need to be done with a certain discipline, with restraint. I do not permit myself more than eye expressions. Now you have to understand, this is how I feel, it fits my personality, but it will not work for everybody.

You know what my secret is when I sing art songs? It starts in your heart and then it rises to the head …. it is a combination of heart and brain.  Somewhere in between – through the throat – it comes out….”

FISCHER-DIESKAU

“I learned to sing by looking at my older colleagues. I am like a parrot, I imitate everything. My great example was Dietrich Fischer-Dieskau. In fact, he was more of an idol than an example. In art song, at least. My God, how have I admired that man!”

“Over the times I have come to think a little more nuanced about him. I have more experience now, which has also influenced my thinking. I still admire his Wolf and his Pfitzner. Much more so than his romantic repertoire like Schubert and Schumann.”

“A couple of years ago I first met him, and believe me, I shook in my boots like a complete novice! That man has been an idol and an example to me for years.  And not just to me! For the entire generation of singers of thirty, forty and even fifty years ago he was the ideal. So when critics compared me to him I took that as a huge compliment.”

“In opera I never had a similar role model. I learned the profession, as I said, like a parrot. You start with copying a singer, afterwards you learn to interpret a piece of music. My technique kept improving over the years. There has been a time in my life I was seriously hooked on opera. I hardly sang art songs, never gave recitals. I honestly must say that was the saddest period of my life. It was not healthy for me. Fortunately everything ended well.”

“Singing art songs has in fact helped me with operatic acting. It made me more relaxed and my acting quieter. I used to run from one end of the stage to the other, always moving. Singing art songs gave me greater focus on the opera stage.

DIRECTORS

“Yes, the director is important. How far do I go? Until it becomes ridiculous or clashes with the text. Then I stop. I am not a difficult person, more cooperative, in fact, but I cannot stand people who ignore the libretto simply because of their own ideas. Or because of what they want to see themselves. “

Alen Almaviva

Thomas Allen as Almaviva in Le Nozze di Figaro

“I will give you an example. A few years ago, in Le Nozze di Figaro, I had to disappear through a trapdoor at the moment I sang ‘Son tutti contenti’. That was ridiculous, so I asked the director why. Almaviva is no Don Giovanni, after all. But he did not know himself. „C’est une idée“, he said. So I refused to do it. A director who cannot explain something is reason enough for me to say no.”

“What really upsets me is they believe singers have nothing to say! And that we are manipulated all the time, either by directors or by conductors. But singers are no idiots. They have learned a lot over the years. They have a lot of experience and are very good at their profession. They can contribute a lot to a production. Directors should listen to singers more often.”

REPERTOIRE

Allen als mooie Giovanni

Thomas Allen as Don Giovanni

Over the years Thomas Allen has built up a comprehensive repertoire. He sings Monteverdi, Purcell and Gluck, and contemporary music as well, including world premieres of pieces by Thea Musgrave and John Casken.

He has sung all the great opera roles by Mozart, Strauss, Wagner, Donizetti, Rossini, Verdi and Puccini. His Billy Budd is legendary.

 

He still is one of the most beautiful Hamlets (Thomas) and

 

Evgenij Onegins: both in English and Russian.

 

Thomas Allen has also appeared in Mrs Henderson Presents and other movies.

In 1993 he published his autobiography ‘Foreign Parts – A Singer’s Journal.’

Allen made his professional debut in 1969 at the Welsh National Opera and in October that year he sang his first big role: Figaro in Il Barbiere di Siviglia. In 2009 he celebrated his forty years on stage. For the occasion a fan made a compilation of his greatest roles until then.

English translation: Remko Jas

In Dutch: Let Beauty Awake: SIR THOMAS ALLEN

Het Internationaal Vocalisten Concours 2018: veel goede kandidaten, spannende halve finale en een teleurstellende finale

 

IVC finalisten

De finalisten van het 52ste IVC: Josh Lovell, Maria Novella Malfatti, RRosina Fabius, Claire Barnett-Jones. Jan Wouters, Nina van Essen, Katia Ledoux, Marie Perbost, Stefan Astakhov © Swinkels van Hees

De grote winnaar van de 52ste editie van het Internationaal Vocalisten Concours (IVC) was de Canadese tenor Josh Lovell. Hij ontving zowel de Operaprijs als de Hoofdprijs. Of het terecht was? Voor mij – en de velen die ik sprak – niet.

IVC winnaar

Josh Lovell © Hans Hijmering

Zijn optreden in de halve finale vond ik al uitermate zwak. Zo zeer zelfs dat het mij verwonderde dat hij een plaats in de finale wist te bereiken. Goed: er waren niet zo veel tenoren in de competitie maar zijn ‘stem collega’ die ook ‘halfjes’ wist te bereiken, de onstuimige Turkse Ibrahim Yeşilay kon mij veel meer overtuigen. Zo ook de meer ingetogen ‘lyrico’, de Russische Yury Rostotsky.

IVC Josh L

Josh Lovell in actie © Hans Hijmering

Persoonlijk vond ik Lovell niet echt iemand waar ik met plezier naar luisterde. Dat de bravoure stuk ‘ Ah! Mes amis… Pour mon âme’ uit La fille du régiment met al die hoge D’s op een rijtje hem een enorm publiekapplaus heeft bezorgd is nogal wiedes: publiek houdt eenmaal van circus. Maar dat ook de jury er in trapte…. Afijn. Het kan ook aan mij liggen.

IVC Katia

Katia Ledoux © Hans Hijmering

Mijn absolute favoriet, Katia Ledoux werd beloond met de prijs van de Persjury. De zeer charismatische Franse mezzo wist mij al in de halve finales bijzonder te imponeren met haar (in een goed Russisch) gezongen Olga uit Evgeni Onegin. In de finale liet zij aan iedereen horen waarom de aria van Baba de Turk (The Rake’s Progress) door een mezzo gezongen moet worden en niet door een countertenor. Wat een rasartieste! Brava!

 

IVC_2018_FINALE__MG_5732

Stefan Astakhov © Hans Hijmering

De ‘baby-bariton’, nog maar 20-jarige Stefan Astakhov uit Duitsland vond ik een grootse belofte voor later. Hoe iemand op die leeftijd al over zo’n mooie, rijpe stem beschikt en zich daarbij ook op de bühne weet te presenteren, die zo taalgevoelig is en met veel tekstbegrip in meerdere talen zingt, die verdient meer dan alleen een prijs voor de jongste kandidaat.

Zijn optreden tijdens de halve finale waarbij hij een zeer ontroerende ‘Look! Through the port comes the moonshine astray! (Billy Budd) en een aria uit de zarzuela ‘ La del Soto del Parral’ van Reveriano Soutullo Otero  maakte hem voor mij niet alleen tot één van de allerbeste kandidaten maar ook de potentiele winnaar.

Helaas was zijn finale iets minder spectaculair. Wellicht lag het aan de keuze van ‘Es ist genug!’ uit Mendelssohns Elias, ik denk niet dat oratorium zijn sterkste kant is. Dat bewees hij des te meer met een ongekend prachtig en met veel passie gezongen aria van Silvio uit I Pagliacci.

 

 

IVC Wagner
Helena Koonings, Leo Cornelissen en Claire Barnett-Jones © Wagnergenootschap Nederland

De Britse mezzo Claire Bernett-Jones werd terecht beloond met de Wagnerprijs Nederland. Fantastische zangeres inderdaad, bovendien ook – eindelijk – een echte mezzo met een grote strot, uitstekende laagte en een gouden gloed in haar timbre. Ook haar presentatie op de bühne was uitstekend al was de keuze van haar jurk niet echt gelukkig te noemen. Haar Wagner was inderdaad kolossaal, maar met haar heks uit Hänsel und Gretel sloeg ze de plank behoorlijk mis. Jammer.

Er was nog één winnares van Wagnerprijs, Helena Koonings. De Nederlandse sopraan kreeg van het Wagnergenootschap Nederland een stipendium voor de Bayreuther Festspiele 2019.

 

IVC Nina-van-Essen-foto-Hans-Hijmering-768x512

Nina van Essen © Hans Hijmering

De Nederlandse sopraan Nina van Essen (24) mocht dankzij de ‘wildcard’ door het publiek uitgereikt na de halve finales ook in de finale meedoen. Persoonlijk was ik niet echt onder de indruk maar zij is ook heel erg jong. Dat zij publiekslieveling was, was nogal wiedes dus na afloop van het concours mocht zij ook de Publieksprijs in ontvangst nemen.

 

IVC Marie P

Marie Perbost © Hans Hijmering

De Dioraphte Award voor de vertolking  van ‘Oh che tranquillo mar’ van Sylvia Maessen ging zeer terecht naar de Franse sopraan Marie Perbost. De Française wist mij ook in haar operarepertoire bijzonder te imponeren, haar vertolking van ‘Me voilá seule dan la nuit’(Les Pêcheurs de perles) was zeer exemplarisch. Voor mij was zij, naast haar landgenote Ledoux de beste kandidaat die avond.

De Oratoriumprijs ging naar de Nederlandse mezzo Rosina Fabius. Of het terecht is valt moeilijk te zeggen aangezien zij de enige kandidate was in die categorie. Zelf vond ik haar vertolking van ‘Erbarme Dich’ (Matthäus-Passion) nogal aan de saaie kant – ik geeuwde meer dan dat ik ontroerd werd, maar dat kon ook aan de slome begeleiding van Hartmut Haenchen liggen.

Over Haenchen ben ik trouwens sowieso niet te spreken. Waar het aan lag weet ik niet – te weinig repetities? Orkestleden die niet echt op één lijn zaten? – we hadden ten slotte met een voortreffelijke, wereldberoemde maestro te maken, maar de tempi lagen over de gehele linie heel erg langzaam, zo langzaam dat de boel af en toe gewoon stil stond.

Maar de echte winnaar van de competitie was – en blijft – Annett Andriessen. Na twaalf jaar van een ongelooflijke inzet en fantastische leiderschap (iets waarvoor zij met speeches, staande ovatie, bloemenweelde en een ‘bescheiden’ bouquet van symbolische twaalf rozen werd gehuldigd) het stokje heeft overgedragen aan Ivan van Kalmthout.

De avond werd besloten door de waanzinnig (nomen omen) goed gezongen ’Il dolce suono’ uit Lucia di Lammermoor door de voormalige prijswinnares van het IVC, Lenneke Ruiten. Het was top.

Annett Andriessen: ik zal je heel erg missen!
Ivan van Kalmthout: ik wacht met spanning op je eerste concours en wens je veel geluk. Tot volgend jaar!

 

Zie ook : website van het Internationaal Vocalisten Concours.

Meer over IVC:
Internationaal Vocalisten Concours ‘s-Hertogenbosch 2014
IVC: RUSSISCHE SUMMERSCHOOL september 2015
ZANGCONCOURSEN: PRO’S EN CONTRA’S

Let Beauty Awake: SIR THOMAS ALLEN

Allen portret gubelkian

Voor mij is Thomas Allen één van de allergrootste zangers van de laatste vijftig jaar. Ik vind zijn stem gewoon ‘zalvend’: de warmte en de vele kleuren en nuancen die hij er in weet te leggen maken mij meer dan blij. Het voelt als een warm bad. Troostend zelfs, als het even niet gaat. De Engelsen kennen een juiste beschrijving voor: ‘meltingly beautiful singing’. Ja, ik ben een fan.

 

De allround bariton die thuis is in zowel de opera als liederen, oratoria, musicals en zelfs speelfilms wordt overal ter wereld op handen gedragen. Behalve in Nederland: hier kent men hem amper. Op zich geen wonder: op een enkel optreden in het Concertgebouw na kon je hem in ons land niet bewonderen. De reden? Simpel. Hij werd niet gevraagd.

 

DON PASQUALE

Allen don pasquale

Ik heb Thomas Allen voor het eerst ontmoet in december 1993, na zijn recital in het Londense St. James Church  waar hij ‘De Schöne Mülerin’ heeft gezongen. Echt praten deden we pas een paar weken later in de BMG-studio in München, waar Allen de rol van Malatesta in Donizetti’s Don Pasquale aan het opnemen was.

 

Ik mocht bij de opnames aanwezig zijn en gezeten in een klein hoekje keek en luisterde ik met de diepste verwondering naar de prachtige zanger. De moeilijkste coloraturen werden in één adem genomen en dan eindeloos herhaald. Zijn handen bewogen in gracieuze gebaren, eigenlijk alles aan hem acteerde. Wat een contrast met paar weken geleden in Londen toen hij – stilstaand, geconcentreerd, acterend slechts met zijn ogen  – mij tot de tranen toe heeft weten te ontroeren.

Hoe doet hij dat?

 

ACTEREN

“Hoe doe ik dat …  “

“Bij het maken van een plaatopname ontbreekt nu eenmaal het visuele element. Het enige wat kan helpen is verbeelding. Als ik denk aan Malatesta, denk ik dan aan een elegante man met een mooi pak aan. Mijn handen beginnen dan onmiddellijk te bewegen en dat helpt mij in het vinden van de juiste kleur die ik nodig heb om het hoorbaar aannemelijk te maken.”

 

 

“Iets anders is het met de liederen gesteld. Vind ik. Ik haat zangers die teveel bewegen op het podium. Het brengt mij in grote verlegenheid. Liederen horen gebracht te worden met een zekere discipline, met beperkingen. Meer dan uitdrukken met de ogen permitteer ik me niet. Maar je moet mij goed begrijpen: zo zie ik het, zo klopt het met mijn karakter, maar zo werkt het niet voor iedereen. Weet je wat mijn geheim is van het zingen van liederen? Het begint in je hart en dan gaat het omhoog…. het is een combinatie van je hart en je hoofd. En ergens er tussenin, in je keel, komt het er uit.. “

FISCHER-DIESKAU

“Het vak heb ik geleerd door naar mijn oudere collega’s te kijken. Ik ben net een papegaai,  alles heb ik nagedaan. Mijn grote voorbeeld, wat zeg ik, mijn idool, was Dietrich Fischer-Dieskau. Althans in liederen. Mijn God, wat heb ik die man bewonderd! “

“Inmiddels denk ik wat genuanceerder over hem. Mijn ervaring is ruimer, ook mijn manier van denken is daardoor beïnvloed. lk bewonder nog steeds zijn Wolf, zijn Pfitzner.. Veel meer dan zijn romantisch repertoire zoals Schubert en Schumann.“

“Een paar jaar geleden heb ik hem voor het eerst ontmoet. En geloof me: ik beefde als een beginneling! Die man was toch jarenlang een idool en een voorbeeld voor mij geweest. En dat niet alleen voor mij! Voor de hele generatie zangers van dertig, veertig en zelfs vijftig jaar geleden was hij het ideaalbeeld. Dus als de critici mij met hem vergeleken was het voor mij een groot compliment.”

“In de opera heb ik zo’n voorbeeld nooit gehad. Ik leerde het vak, zoals ik al zei als een papegaai. Eerst kopiëren, dan interpreteren. En de techniek kwam met de jaren. Er is een tijd geweest in mijn leven dal ik heilig verknocht raakte aan de opera. Ik zong amper liederen, gaf geen recitals. En ik moet eerlijk zeggen: dat was de droevigste periode in mijn leven. Het was niet gezond voor mij. Gelukkig kwam het uiteindelijk allemaal goed.”

“Zingen van liederen heeft mij uiteindelijk geholpen met het echte acteren. Om te beginnen ben ik er veel rustiger door geworden, ik heb geleerd te acteren in verstilling. Vroeger rende ik van de ene hoek naar de andere, was voortdurend in beweging. Aan het zingen van liederen dank ik mijn grote concentratie op het toneel.”

 

REGIE

“ Ja, de regisseur is belangrijk. Hoe ver kan ik gaan? Tot het belachelijk wordt. Tot het gaat vloeken met de tekst. Dan stop ik er mee. Ik ben geen moeilijk iemand, ben zelfs behoorlijk meegaand, maar ik háát mensen die het libretto gewoonweg ignoreren ter wille van hun eigen ideeën. Van dat, wat ze zelf wensen te zien.”

Alen Almaviva

Thomas Allen als Almaviva in Le Nozze di Figaro

“Ik zal je een voorbeeld geven. Een paar jaar geleden, in Le Nozze di Figaro, moest ik door een valluik verdwijnen op het moment dat ik ‘Son tutti contenti’ zong. Dat was belachelijk, dus ik vroeg de regisseur waarom. Almaviva is tenslotte geen Don Giovanni. Maar hij wist het zelf niet. „C’est une idée“, zei hij. Dus ik deed het niet. Als een regisseur geen goede reden heeft voor iets dan is dat een goede reden voor een artiest om nee te zeggen”

“Wat mij echt kwaad maakt is dat ze allemaal denken dat wij, de zangers zelf niets te vertellen hebben! En dat we zo vreselijk worden gemanipuleerd: is het niet door de regisseur, dan door de dirigent. Maar zangers zijn niet dom! Ze hebben heel erg veel geleerd in de loop der jaren. Ze hebben ervaring en zijn enorm bekwaam in hun vak. Ze kunnen heel erg veel bijdragen aan een productie. De regisseurs zouden vaker naar de zangers moeten luisteren. “

HET REPERTOIRE

Allen als mooie Giovanni

Thomas Allen als Don Giovanni

Thomas Allen heeft in de loop der jaren een enorm breed repertoire opgebouwd. Hij zingt Monteverdi, Purcell en Gluck, schuwt de nieuw gecomponeerde werken niet, heeft o.a. de premieres van stukken van Thea Musgrave en John Casken gezongen.

 

 

Hij zong alle grote rollen in opera’s van Mozart, Strauss, Wagner, Donizetti, Rossini, Verdi en Puccini. Zijn Billy Budd van Britten is inmiddels meer dan legendarisch.

Hij is nog steeds één van de mooiste Hamlets (Thomas):

en de Evgenij Onegins: zowel in het Engels als in het Russisch.

Thomas Allen speelde in mee in diverse films, o.a het  ‘Mrs Henderson Presents’

 

En in 1993 publiceerde hij zijn autobiografie ‘Foreign Parts – A Singer’s Journal’.

Zijn professioneel debuut heeft Allen in 1969 gemaakt bij de Welsh National Opera en in oktober dat jaar zong hij daar zijn eerste grote rol: Figaro in Il Barbiere di Siviglia . In 2009 vierde Thomas Allen dat hij veertig jaar op het operatoneel stond. Naar aanleiding daarvan werd door een fan een compilatie van zijn grootste rollen – tot dan toe – gemaakt

BETWEEN TWO WORLDS

Entartete Musik swing

WALTER BRAUNFELS

Braunfels

In 1933 Walter Braunfels was dismissed from his post as director of the Hochschule für Musik in Cologne. Until then he had been, with Richard Strauss and Franz Schreker, one of the most frequently performed contemporary composers.  He retired to the Bodensee region (in his biography this is beautifully described as an “inner emigration’). After the war, on special request of Chancellor Adenauer, Braunfels returned to Cologne. The attention he received was limited to a few performances of his works. Disillusioned, he moved back to the Bodensee

BERTHOLD GOLDSCHMIDT

Entartet Beatrice Cenci

In 1935 Berthold Goldschmidt (1903-1996) left Germany and travelled to London. Against his better judgement he kept composing, but his works remained unperformed. In 1951 Goldschmidt won an opera composition contest with Beatrice Cenci, which had to wait until 1988 for its first concert performance.

In the 1980s, stimulated by the renewed interest in his work, Goldschmidt started to compose again. His Rondeau from 1995, written for and performed by Chantal Juilliet,  was recorded by Decca, together with his beautiful Ciaccona Sinfonica from 1936. This CD has been out of print for years now, and the composer’s works have all but disappeared from the concert platform.

 

 

Korngold, Braunfels, Goldschmidt, Zemlinsky, Ullmann, Schreker, Schoenberg, Toch, Weill, Krenek, Spoliansky, Holländer, Grosz, Waxman, Haas, Krasa, Schulhoff, Klein… a litany of names. Labelled “entartet” and banned by the Nazis, vilified, driven away, murdered. The composers who survived the war were forgotten, just like those who were murdered. Has this all really been the fault of the Nazis?

Entartet Goldschmidt en haas

Michael Haas and Berthold Goldschmidt

Michael Haas, the producer of Decca’s recording series Entartete Musik had a logical explanation. “After the war the new generation of composers felt a sense of guilt. Something similar should never happen again, and they found a remedy for that. They thought it was necessary to create objective music, without sentiment and subjected to strict rules. Music had to be universal. Serialism was born. In Darmstadt, the past was dealt with, including the composers from the 1930s. They were too romantic and sentimental, or borrowed too much from jazz and popular music. The Darmstadt school of composers became dominant, which meant an important link between the music of Mahler and Berio was lost. The bridge between the 1920s and the 1950s, the post-Schoenberg generation of composers.”

“My research started with a Weill project that unfortunately failed to take off. In the archives I discovered operas that were composed and performed in the 1920s and 1930s with immense success. I started to search for the scores, and my gut feeling was right. All of them were great compositions that deserved to be performed and recorded. Music history got back its logical order. “

WILHELM GROSZ

Enetartet Grosz

In the 1920s old values were shaken. The Great War had just ended. Countries had become independent, or had just lost their independency. Powerful new influences like jazz, blues, and exotic folklore appeared. Boundaries between classical and popular music were fading.

Of all the composers from that period, Wilhelm Grosz was perhaps the most versatile. He was born in Vienna in 1894 into a wealthy Jewish family. In 1919 he graduated from the Viennese Music Academy, where he was taught by, amongst others, Franz Schreker. In 1920 he finished his musicological studies at the Vienna University.

Grosz composed songs, operas, operettas, ballet music and  chamber music, and was a famous pianist as well. In 1928 he was appointed the artistic director of the Ultraphon record company in Berlin.

In 1929, commissioned by the prestigious Radio Breslau, he composed the song cycle Afrika Songs on lyrics by African-American poets.

Afrika Songs was premiered on 4 February 1930 and enthusiastically received. The cycle also became known as the  Jugendstil Spirituals, which probably is the most fitting description for it. There are jazz and blues influences, but the songs were also quite heavily influenced by the music of Zemlinsky, Mahler and … Puccini (compare Tante Sues Geschichten with Ho una casa nell’ Honan from the second act of Turandot!).

When he Nazis came to power, Grosz returned to Vienna. In 1934 he was forced to flee again, this time to London. There his popular works grew more distinct from his serious ones. His name became forever attached to a series of world wide hits. The Isle of Capri, for example, was the big hit of 1934.

ALONG THE SANTA FE TRAIL

Entartet Gosz Santa Fe

In 1938 Grosz left for Hollywood. He composed the music for Along the Santa Fe Trail, a movie with Errol Flynn, Olivia de Havilland and Ronald Reagan in the leads. He had a heart attack in 1939 and died, aged only 45.

 

AFRIKA SONGS AND MORE

Entartete Gosz Africa

After almost sixty years Grosz was rediscovered, although only briefly. It is hard to believe, but the Afrika Songs were not recorded until 1996! The Matrix Ensemble performed them for the firs time at the Proms in 1993. The CD also includes the song cycle Rondels, Bänkel und Balladen and the hits Isle of Capri, When Budapest Was Young and Red Sails in the Sunset, songs we all know but never knew who composed them.

Vera Lynn sings Red Sails in the Sunset in 1935

Mezzo Cynthia Clarey and baritone Jake Gardner are splendid in the Afrika Songs and Andrew Shore makes a party of Bänkel und Balladen. Nothing but praise for the  Matrix Ensemble.

 

UTE LEMPER

Entartet Lemper

We meet the Matrix Ensemble again, this time accompanying Ute Lemper on a recording of Berlin cabaret songs. Cabaret in Berlin in the 1920s and the 1930s.  Countless books and articles have been written about it, and it has inspired many movies. Cabaret really was a world of its own, with the venerable Rudolf Nelson as its undisputed king. Pretty soon the younger generation made its mark on the cabaret scene:  Mischa Spoliansky and Friedrich Holländer. The lyrics (mainly by Marcellus Schiffer, but also by Tucholsky) scrutinised the spirit of the times. Everything was mocked, but serious topics were not eschewed either.

Ute Lemper sings Der Verflossene by Berthold Goldschmidt

Lemper’s choice of material is outstanding. Apart from a few widely known schlagers (Peter, Wenn die beste Freundin, Raus mit den Männern) she sings lesser known repertoire, amongst others a composition by Berthold Goldschmidt, Der Verf‌lossene. Goldschmidt was present during the recording sessions, just like the daughters of Spoliansky and Holländer.

Korngold, Braunfels, Goldschmidt, Zemlinsky, Ullmann, Schreker, Schoenberg, Toch, Weill, Krenek, Spoliansky, Holländer, Grosz, Waxman, Haas, Krasa, Schulhoff, Klein… a litany of names.  With the naming of these names the documentary from the 1990s on Entartete Musik started.  I doubt the DVD is still for sale somewhere…

 

It is probably remaindered, like the entire prestigious Decca recording series. No money could be made from it. As Michael Haas remarked: “The series is very successful, it wins awards and it is praised. But it does not sell.”

BETWEEN TWO WORLDS

Entartete Betwee two worlds

In 1944 Korngold wrote music for the movie Between two worlds. It was to be one of his last movie compositions. In London, during World War II, a concert pianist tries to leave by boat to the United States but is refused an exit permit. He then decides to commit suicide. His wife joins him.

Those who commit suicide are refused at the gates of heaven. The pianist and his wife are therefore doomed to remain on a mysterious ship where the dead come to be judged.

 

Almost thirty years after the rediscovery of the once banned and rarely performed composers we still find ourselves between two worlds. The world of great fame and that of oblivion.

I really wonder one day listeners will again appreciate this music purely for the quality of it? I was optimistic then, but much less so nowadays.

English translation: Remko Jas

In Dutch: TUSSEN TWEE WERELDEN

More Entartete Music in English:
Forbidden Music in World Word II: PAUL HERMANN
SZYMON LAKS. MUSIC OF ANOTHER WORLD
JOSEPH BEER: POLNISCHE HOCHZEIT.

In German:
Entartete Musik, Theresienstadt und Channel Classics. Deutsche Übersetzung

“THEY COULD HAVE BEEN BIRDS” *

Burkhardt Söll:  Kinderdinge. A requiem for an old doctor and his orphans

Korczak met de kinderen

Korczak with the children

Korczak’s real name was Henryk Goldszmit. He first used his pen name Janusz Korczak in 1898 when he participated in a literary contest organised by Ignacy Paderewski, the famous pianist and future Prime Minister of Poland.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak was born in Warsaw into an assimilated Jewish family.  After studying medicine he briefly practiced pediatrics until 1912 when he became director of Dom Sierot, an orphanage for Jewish children.  He carried out his utopian vision of a children’s republic there:  a community of children, with its own parliament, court and newspaper, all run by the children themselves. After World War I Korczak founded a second orphanage: Nasz Dom (Our House).

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

As well as being a doctor and director of an orphanage,  Korczak was also a pedagogue, teacher, writer and Bible scholar. He worked for the Polish radio and gave lectures. His fame was immense, and not confined to Poland. He was published abroad too, to great critical acclaim, and his pedagogical methods were used all over Europe.

Korczak en kinderen

Korczak and children.

In November 1940 the orphanage was forced to relocate to the Warsaw Ghetto. At the beginning of August 1942 the children, together with Korczak and his deputy Stefania Wilczynska, were put on a transport to Treblinka. Even the Nazis respected the famous pedagogue and offered Korczak the opportunity to save his own life. He refused and chose to die with his children instead of compromising his principles. They were all murdered in the gas chambers of Treblinka shortly after arriving there on August 7, 1942.

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak and the children” in Yad Vashem

 

About Korczak:

In 1972 Korczak was posthumously awarded the prestigious Peace Prize of the German Book Trade. Books have been written about him, and his life story has been the subject of several biographical movies. In the 1990s the German-Dutch composer Burkhardt Söll composed a piece in memory of Korczak and his children: Kinderdinge. Manuela du Bois-Reymond, a sociologist and pedagogue who is also married to the composer, wrote the lyrics to the songs.

Korczak Kinderdinge

 

KOrczak KInderdinge

This stunningly beautiful composition consists of short pieces (children’s scenes) flowing into each other. The first scene Canto d’amore  is followed by the sound of clappers (The Only Instruments). There are quotes from Klezmer music and Yiddish songs. We hear train sounds, a grim March of Suitcase, shoes and coats and several songs.

Song I is about fear. Song II about children’s furniture that no longer inspires trust, and Song III about being locked in a dark closet. A closet so small there is only room for one leg. All three songs are filled with immense fear and darkness and death (“bei den Toten ist mein Haus und in der Finsternis is mein Bett gemacht”).

The fourth and final song (The End. What really happened) is based on the eyewitness report by Marek Rudnicki, which was published in the Polish Tygodnik Powszechny in 1988.

Kinderdinge is a concert version of Söll’s earlier piece of musical theatre Ach und Requiem from 1994/1995, which in turn was preceded by Little Requiem composed in 1991.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

What interested me was why Söll wrote a piece of musical theatre on Korczak? Where did his interest in the fate of the old doctor and his children come from? Is it at all possible to tell his story in music? These questions were enough reason to visit the composer in Leiden where he has lived since 1977.

Burkhardt Söll was born in Marienberg in 1944. His mother was Jewish. During his first violin lessons, which he took from his aunts, he was allowed to play klezmer music by the one, but not by the other!

Söll studied viola with the famous Rudolf Kolisch. Already in school he composed for the school orchestra. He continued his training at the Hochschule der Künste in Berlin where he studied composition with Boris Blacher and Paul Dessau and painting with Horst Antes. Afterwards, he was the assistant of Bruno Maderna and later of Otmar Suitner at the Berlin Staatsoper Unter den Linden.

 

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll self portrait

In the seventies Söll took part in a research project on children’s aesthetics. He developed a teaching strategy combining music composition with painting. In 1985 he was appointed as a teacher at the Utrecht School of the Arts. His paintings were exhibited in Berlin, Frankfurt, Paris, The Hague, and other places.

korczak king Matt

Söll has known Janusz Korczak and his books since his early childhood. Krol Macius I (King Matt the First) is still his favourite book. The life of the old doctor has always fascinated him: someone who put his life at the service of (orphan) children and remained faithful to his own ideals until death.

Reinhart Büttner’s designs for black and misshapen children furniture inspired Söll to write his piece of musical theatre. Ach und Requiem was performed only once in 1995, but luckily a recording exists. It is a shame the textbook, with a Jewish child playing the violin on its cover, is almost illegible. The letters are too small, and the colour combination (dark brown and light blue) makes it even harder to read.

Fragments can be listened to here:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Taken from the Dutch novella by Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn,  inspired by a song by Itzhak Katzenelson Dos Kelbl written in the Warsaw Ghetto after the death of his wife and children.  The song became a global hit in the sixties under the tile Donna, donna.

English translation: Remko Jas

Original Dutch: “ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (soprano),
Mary Oliver (viola), Alison McRae (cello), Huub van de Velde (double-bass), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (percussion), Dil Engelhard (flute), Jan Jansen (clarinet), Henri Bok (saxophone)
Conductor: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703

“ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll: KINDERDINGE. Een requiem voor een oude dokter en zijn weeskinderen

Korczak met de kinderen

Korczak en de kinderen

 

Zijn echte naam was Henryk Goldszmit. Het pseudoniem Janusz Korczak gebruikte hij voor het eerst in 1898 toen hij deelnam aan een literaire wedstrijd, georganiseerd door de beroemde pianist – en de eerste minister-president in het na de Eerste Wereldoorlog bevrijde Polen -Ignacy Paderewski.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak werd geboren in Warschau in een geassimileerd Joods gezin. Na zijn studie medicijnen werkte hij een korte periode als kinderarts en in 1912 kreeg hij de leiding over Dom Sierot, een weeshuis voor Joodse kinderen. Hier bracht hij zijn utopische idealen over een Kinderrepubliek in praktijk: een kindergemeenschap met een eigen parlement, rechtbank en krant, dat alles geleid door kinderen. Na de Eerste Wereldoorlog stichtte hij een tweede weeshuis, Nasz Dom (Ons Huis)

 

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Het weeshuis in de Krochmalnastraat

Behalve arts en leider van een weeshuis was Korczak ook pedagoog, leraar, schrijver en schriftgeleerde. Hij werkte bij de Poolse radio en gaf lezingen. Zijn roem was immens, ook buiten de Poolse grenzen werden zijn boeken en artikelen gepubliceerd en geroemd, en zijn pedagogische methoden nagevolgd.

Korczak en kinderen

 

In november 1940 werd het weeshuis gedwongen naar het ghetto van Warschau te verhuizen en begin augustus 1942 werden de kinderen, samen met Korczak en zijn helpster Stefania Wilczynska op transport gezet. Zelfs de nazi’s hadden ontzag voor de beroemde pedagoog – er werd hem een ontsnappingsmogelijkheid geboden. Trouw aan zijn idealen, weigerde hij echter en ging de kinderen voor in de dood. Allen werden vergast meteen na hun aankomst in Treblinka op 7 augustus 1942.

 

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak en de kinderen” in Yad Vashem

Over Korczak:

In 1972 werd aan Korczak  postuum de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse boekhandelaren toegekend. Er zijn boeken over hem geschreven en films over hem gemaakt en in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Duits-Nederlandse componist Burhardt Söll muziekstuk gecomponeerd ter nagedachtenis van Korczak en zijn kinderen, getiteld Kinderdinge. Voor de songteksten tekende sociologe en pedagoge Manuela du Bois-Reymond en in het dagelijks leven de echtgenote van de componist.

 

KOrczak KInderdinge

De wonderschone compositie bestaat uit korte stukjes (kinderscènes) die in elkaar vloeien. De eerste scène ‘Canto d’amore’ wordt opgevolgd door het geluid van kleppers (The only instruments). Er wordt rijkelijk geciteerd  uit de klezmer muziek en Jiddische lieder. Er zijn treingeluiden, grimmige ‘Mars van koffers, schoenen  en jassen’ en er zijn songs.

Song één over het schrikken, song twee over kindermeubels die geen vertrouwen (meer) inboezemen en song drie over het opgesloten zitten in een donkere kast. Een kast die zo klein is dat er plaats is voor maar één been. Alle drie vervuld van immense angst en duisternis en dood (“bei den toten ist mein haus und in der finsternis ist mein bett gemacht”).

De vierde en laatste song (‘The End. What really happened’) is gebaseerd op het ooggetuigenverslag van Marek  Rudnicki, dat gepubliceerd werd in het Poolse Tygodnik Powszechny in 1988.

 Kinderdinge  is een concertversie van Söll’s eigen muziektheaterstuk getiteld Ach und Requiem uit 1994/1995. En dááraan is de in 1991 geschreven Little requiem vooraan gegaan.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

De vraag waarom een muziektheaterstuk over Korczak, vanwaar de interesse in de lotgevallen van de oude dokter en zijn kinderen en of het überhaupt mogelijk is het in de muziek te vertellen vormde voor mij de aanleiding voor de ontmoeting met de componist die sinds in 1977 woont in Leiden.

Burkhardt Söll werd in 1944  in Marienberg geboren: zijn moeder was Joods. Bij de eerste vioollessen, die hij bij zijn tantes volgde moest hij bij de ene wel en mocht bij de ander niet klezmermuziek spelen.

Söll studeerde altviool bij de vermaarde Rudolf Kolisch. Al tijdens zijn schooltijd componeerde hij voor het schoolorkest. Zijn opleiding vervolgde hij aan de Hochschule der Künste in Berlijn. Hij studeerde er compositie bij Boris Blacher en Paul Dessau en schilderen bij Horst Antes. Daarna werkte hij geruime tijd als assistent van Bruno Maderna en Ottomar Suitner aan de Berlijnse Opera Unter den Linden.

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll Zelfportet

In de jaren zeventig was Söll betrokken bij een onderzoek over de esthetische leermethodes voor kinderen en ontwikkelde een methode om kinderen te leren muziekcomposities met de schilderkunst te combineren. Sinds 1977 woont hij in Leiden  en  in 1985 werd hij benoemd als docent aan de Kunstacademie in Utrecht. Zijn schilderijen werden tentoongesteld in o.a. Berlijn, Frankfurt, Parijs en Den Haag.

Korczak koning matthijse

Janusz Korczak en zijn boeken kent hij vanaf zijn prille jeugd en Krol Macius I (Koning Matthijsje de eerste) is nog steeds zijn lievelingsboek. De levensgeschiedenis van de oude dokter heeft hem altijd gefascineerd: iemand die zijn leven in dienst van (wees)kinderen heeft gesteld en die zijn eigen idealen tot de dood trouw bleef.

Voor het schrijven van het muziektheaterstuk werd Söll geïnspireerd door het zien van de ontwerpen van Reinhart Büttner  van kindermeubels: zwart en vervormd. Ach und Requiem werd in 1995 maar één keer uitgevoerd, gelukkig bestaat er een opname van. Het is alleen jammer dat het fraai ogende tekstboekje met op de cover een vioolspelend Joods kind helaas absoluut onleesbaar is. De letters zijn veel te klein en de kleurencombinatie (donkerbruin en lichtblauw) maakt het allemaal nog minder duidelijk.

Fragmenten zijn hier te beluisteren:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Ontleend aan de novelle van Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn  en geïnspireerd door een lied van Itzhak Katzenelson Dos Kelbl, geschreven in het ghetto van Warschau na de dood van zijn vrouw en kinderen. Het lied  werd in de jaren zestig wereldberoemd onder de titel ‘Donna, donna’.

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (sopraan),
Mary Oliver (altviool), Alison McRae (cello), Huub van de Velde(contrabas), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (slagwerken), Dil Engelhard (fluit), Jan Jansen (klarinet), Henri Bok (saxofoon)
Directie: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703