achtergrondartikelen

Enfin: de Fin dus

Tekst en foto’s: Neil van der Linden

De 26-jarige Finse dirigent Klaus Mäkelä, zoals eigenlijk al verwacht. Eerste trombonist Jörgen van Rijen lichtte de procedure toe. De bekendmaking gebeurde een filmpje, ingeleid met de tonen van Dvoraks Nieuwe Wereld, waarin we Klaus Mäkelä wild gebarend en wild zwaaiend met blonde lokken aan het werk zagen.

Klaus Mäkelä dirigeert Dvorak op 15 januari 2022 in het Concertgebouw in Amsterdam:

Daarna trad hij binnen, met applaus en gejuich ontvangen door de aanwezigen. Nu met glad achterovergekamd Kondrashin-haar.

Contract voor tien jaar. Vanaf augustus deel van het artistiek team als artistic partner. Maar pas vanaf 2027 vast op zijn plek. Vijf weken komende augustus. De eerste vijf jaar vijf programma’s per jaar. Vanaf 27 12 weken per jaar, of meer.

Hij blijft voorlopig bij Oslo Philharmoniscn en Orchestre Philharmonique de Paris. Veel KLM en Air France vluchten maar hopelijk ook TGV.

Wat hij van plan is: in elk geval Beethoven en Dvorak (hè bah), maar hij kon niet wachten om met dit orkest te beginnen aan waarin het zo’n lange traditie heeft, (Richard) Strauss en Mahler, een mededeling die door het aanwezige publiek van bestuurders, orkestleden en pers met een tweede applaus- en juich-ronde werd ontvangen. Sibelius kwam niet ter sprake maar die komt er ook vast aan. En hopelijk meer Finnen, Esten, Zweden, en Russen.

Uit het persbericht van het orkest: ‘Als artistiek partner zal Klaus Mäkelä nauw samenwerken met het Concertgebouworkest, te beginnen in augustus met concerten in Het Concertgebouw, de Philharmonie in Keulen en de Philharmonie in Berlijn (openingsconcert van het Musikfest Berlin). Gedurende het seizoen 2022/2023 leidt de Finse dirigent bij het Concertgebouworkest vijf verschillende programma’s, waarna de samenwerking zich op natuurlijke wijze zal ontwikkelen en de dirigent en de musici de gelegenheid krijgen de komende jaren zowel in Amsterdam als daarbuiten meer tijd samen door te brengen.

Klaus Mäkelä debuteerde in september 2020 bij het Concertgebouworkest, en vanaf het eerste moment was duidelijk dat er sprake was van een perfecte combinatie. Na dit bijzonder overtuigende debuut nodigde het orkest hem nog datzelfde seizoen twee keer uit. In het seizoen daarop leidde hij het orkest onder andere op tournee in Hamburg en Reykjavík. Iedere keer werd de collectieve wens van de orkestmusici om Klaus Mäkelä te vragen als hun nieuwe chef-dirigent opnieuw bevestigd.’

Mäkelä heeft onlangs een vast contract bij Decca getekend. Ik ben benieuwd of het Concertgebouworkest daarmee ook terugkeert in de moederschoot van Philips/Decca (Philips Classics is tegenwoordig geheel opgegaan in Decca, maar in de tijd van Chailly speelde het KCO ook al vooral voor Decca). Ik had dat eigenlijk even moeten vragen bij de vragenronde. Nou ja. Sibelius heeft hij al in Oslo opgenomen maar misschien kunnen we net als bij zijn Finse voorganger Osmo Vänskä verschillende Sibelius-cycli tegemoetzien, die telkens van verder gerijpte inzichten getuigen.

Het kan interessant zijn om zich af te vragen waarom er zoveel goede Finse dirigenten zijn. Het Rotterdams Philharmonisch heeft er ook een in de aanbieding, de nog jongere, 21-jarige Tarmo Peltokoski die onlangs met veel succes Gergiev verving.

Natuurlijk, Finland heeft ook een bijzondere muziekcultuur. Wat klassieke muziek betreft eigenlijk pas sinds Sibelius, die overigens eigenlijk Zweeds was opgevoed.

De Finse vorm van nationalisme speelt mee, gematigd, maar wel zelfbewust. Het land is ooit onder de voet gelopen door Zweden en door Rusland. Ten opzichte van Rusland ligt het geografisch altijd kwetsbaar. (Een deel van Finland, Karelia, is nog steeds in Russiche handen; gek dat je de nationalistische Russen altijd hoort over delen van andere landen die wél bij Rusland zouden horen en nooit over die delen van Rusland die eigenlijk van oorsprong bij andere landen horen.)

Maar het rijke muziekleven is ook een gevolg van de cultuurpolitiek die mogelijk werd toen Finland een tijd lang topland was in de IT. Nokia mag dan inmiddels als telefoonmerk grotendeels ter ziele zijn gegaan, het bedrijf en het land staken de winsten uit de vette jaren in nationale voorzieningen. (Bij welk ander groot bedrijf hoor je dat het bij het ter ziele gaan een fonds voor herscholing van de werknemers heeft achtergelaten in plaats van dat de CEO en de aandeelhouders het nog snel even hebben leeggeroofd?)

En voor de rest van de wereld hebben Finse musici en heeft Finse cultuur iets mystieks, uit dat land met al die meren en bossen, iets dat vervolgens een selffulfilling prophecy wordt, een stereotype waarnaar men gaat leven.

Van de Finse cultuurpolitiek kan de rest van de wereld nog wat leren. (Van de hele Finse politiek trouwens, in alle landenlijstjes van ‘goede dingen’ vrijwel altijd in de top-3, inclusief vrouwelijke politici aan de top, landen waar mensen het minst ongaarne belasting betalen omdat ze weten wat ermee gebeurt, en het land met de meest metalbands per hoofd van de bevolking.)


Voor de duidelijkheid: de persconferentie had plaats in het Concertgebouw. Waar anders, zou je kunnen zeggen. Maar er zijn ook jaren geweest waarin orkest en gebouw uitdrukkelijk zichtbaar afstand van elkaar namen.

Klaus Mäkelä dirigeert Fountain of Youth van Julia Wolfe in het Concertgebouw:


Neil van der Linden
Persconferentie Koninklijk Concertgebouw Orkest, 10 juni in het Concertgebouw.

The Red Rider’s Wife: Kiril Serebrennikov regisseert Von Weber en Waits

Tekst: Neil van der Linden

De laatste film van Kiril Serebrennikov die in Nederland te zien was, Petrov’s Flu uit 2021 is een briljant genre-grenzen negerend meesterwerk. Stilistisch loopt van alles door elkaar, politieke satire, romance, vechtscheidingsdrama, fel-realisme over verschoppelingen in de Russische samenleving, een aanklacht tegen antisemitisme en ander racisme, kritiek op homofobie, homo-erotiek, nostalgie à la Tarkovski’s Nostalgia, Oedipale moederherinneringen, geweldig gebruik van klassiek muziekrepertoire, geweldige nieuwe rockmuziek, folkmuziek, een statement tegen de 2014-oorlog tegen Oekraïne, alles resulterend in een subliem amalgaam dat de toeschouwer hallucinerend achterlaat.

Serebrennikovs film van vóór Petrov’s Flu, Leto uit 2018, handelde over rock-musici uit de jaren tachtig underground-scene van Leningrad en hoe die tegen het toenmalige regime ingingen. De film The Student van dáárvoor, uit 2016, was gecentreerd rond een obsessieve middelbare scholier uit een gebroken gezin met religieus geïnspireerde puriteinse opvattingen over lichaam en seksualiteit waarmee hij medestudenten en een biologielerares terroriseert, tot moord en doodslag toe.

Serebrennikovs impliciete en expliciete maatschappijkritiek, ook geëtaleerd bij het door hem geleide toneelensemble van het Gogol-theater in Moskou, beviel de Russische autoriteiten geenszins.  Van 2017 tot voor kort verbleef hij onder huisarrest in Moskou, van waaruit hij echter wel kon blijven regisseren, films, maar bijvoorbeeld ook Così Fan Tutte in Zurich, Nabucco in Hamburg en Parsifal in Wenen.

Opmerkelijk: helemaal aan het eind van de aftiteling van Petrov’s Flu verscheen de naam van de Russische miljardair Roman Abramovich, onder de vermelding ‘Met dank aan’. Voor een miljardair is de ton of misschien meer die hij mogelijk heeft bijgedragen niets. Wel bijzonder was dat Abramovich zijn naam had verbonden aan deze uitermate kritische film van een persoon die door het regime in de ban was gedaan. Abramovich financiële steun was naar verluidt nog substantiëler bij Serebrennikovs nieuwste film Tchaikovsky’s Wife, net in première gegaan in Cannes, die onder meer handelt over Tchaikovsky’s homoseksualiteit. Serebrennikov heeft als argument voor het accepteren van Abramovich’ betrokkenheid aangevoerd dat deze een bemiddelende rol spelen tussen Moskou en Kiev.

Eigenlijk is van het begin af aan een ‘serieuze’ opvoering van Der Freischütz altijd al problematisch geweest. Dit kan liggen aan de ‘Duitsigheid’, al staat dat Wagners opera’s niet in de weg. Misschien ligt het aan de wat naïeve ‘oerromantiek’. Maar Gerard Mortier, pionier van de Muntopera in Brussel, beschouwde dat indertijd juist als een oerkracht. Verder is de tekst literair gezien niet erg sterk.

In de nieuwe Amsterdamse enscenering zijn de oorspronkelijke gesproken tussendialogen van dit Singspiel grotendeels geschrapt. Daardoor valt extra op hoe zwak de gezongen passages in literaire zin zijn.  Er zit werkelijk geen memorabele zinsnede tussen – anders dan bij kort na Von Weber bij Wagner het geval zou zijn, of je diens literaire pretenties waardeert of niet.

De Deus ex Machina aan het eind van de opera in de vorm van de Kluizenaar die opeens opduikt en die alles tot een goed einde breit maakt de opera alleen nog maar problematischer, om ook maar te zwijgen over en de kinderlijke lofzang aan het eind tot de echte Deus, de Here God. Jaja.

De laatste keer dat Der Freischütz in Nederland werd uitgevoerd was in 2003 bij de Reisopera. Regisseur Marcel Sijm liet het werk opvoeren in een decor van schuivende stukken bordkarton, wat het geregeld wat onbeholpene van het libretto accentueerde en het geheel toch een kinderlijke aandoenlijkheid gaf.

Deze nieuwe enscenering wordt ingeleid en tijdens de uitvoering becommentarieerd door een van top tot teen in het rood geklede ceremoniemeester, The Red One, vertolkt door de Amerikaanse acteur Odin Lund Biron, tot voor kort ook een ster in Serebrennikovs Gogol theater in Moskou en ook de hoofdrolspeler  in Serebrennikovs nieuwe Tchaikovsky film.

The Red One vertelt dat we te zien gaan krijgen wat er allemaal bij komt kijken als je een opera opvoert inclusief het wel en wee van de uitvoerenden. Naar aanleiding van een opera waarin bijgeloof en angsten zo’n grote rol spelen gaan de uitvoerenden zelf hun zegje zullen zeggen, over hun eigen angsten en hun bijgeloof.

In plaats van de oorspronkelijke dialogen krijgen we veronderstelde persoonlijke ontboezemingen van de uitvoerenden te horen, inclusief hoe ze hun zenuwen overwinnen door te masturberen of hun bijgeloof zoals dat een zanger die bij de première zijn benen scheert, en ook diva-clichés over de mooiste jurken zie ze aan mogen doen, en hoe zangers ook in een ensemble tegen elkaar moeten opboksen om voor een volgende rol in aanmerking te komen.

Tijdens de ouverture en op enkele andere momenten krijgen we filmische projecties te zien waarin het hele verhaal van de oorspronkelijke opera wordt samengevat. Laat het aan Serebrennikov als filmregisseur over om hier iets moois van te maken. In prachtige zwartwitbeelden krijgen landschappen te zien die de sfeer oproepen van de nog steeds lugubere expressionistische filmklassiekers als Nosferatu van W.F. Murnau en personages als in Fritz Langs Der Müde Tod. En ja, loopt er misschien niet een lijn van Der Freischütz via Wagner, Strauss’ Salome en Elektra, Schreker en Korngold naar de expressionistische Duitse film? Die vervolgens de Hollywoodse film noir en nog veel meer zou genereren?

Als je naar beelden van deze Freischütz kijkt zou je kunnen denken dat je terecht  bent gekomen in Berlioz’ La Damnation de Faust. Berlioz was een fervent liefhebber was van Der Freischütz. Hij maakte zelfs een Parijse versie, met Franstalige dialogen en ook, conform de Parijse conventies, als toegevoegd ballet een georkestreerde versie van Von Webers Aufforderung zum Tanz.   


Opmerkelijk: Berlioz schrapte de rol van de Kluizenaar, de Deus ex Machina in de Duitse versie. Ik neem aan dat de Berlioz de gelukkige afloop van de opera intact liet, maar ik kan niet nagaan hoe hij dan wél construeerde. De rol van de Kluizenaar is dat hij een goed woordje doet voor Max, ook al heeft Max gebruik gemaakt bovennatuurlijke c.q. duivelse middelen. Dat bij Berlioz Agathe door een kogel van Max werd geveld en Max daarop zelfmoord pleegde, zoals in de oorspronkelijke legende het geval was, lijkt mij niet waarschijnlijk. En ook niet dat Max naar het buitenland wordt verbannen, een straf die hem boven het hoofd hangt vóórdat de Kluizenaar intervenieert.

Serebrennikov draagt een andere remedie voor dit dramaturgische probleem. Bij hem is de zanger die Kluizenaar zingt dezelfde als degene die in de eerste acte Kaspar zong. Dus degene die Max ertoe had gebracht om zijn toevlucht te zoeken tot duivelse praktijken is dan dezelfde als degene die bij vorst en volk vergeving daarvoor bepleit.

The Red One mag op Mephistopheles lijken, Kaspar mag dan degene zijn die Max ertoe brengt om zich aan duivelse gebruiken over te leveren, maar het personage dat volgens het libretto het dichtst bij de  duivel staat is Samiel. Die rol, een spreekrol, wordt in deze enscenering vertolkt door de dirigent, Patrick Hahn.

Het idee in dit concept is dat in elk geval in de klassieke hiërarchische operapraktijk de dirigent degene is die misschien niet zozeer over leven en dood maar wel over de rollen en daarmee de carrières van zangers beslist.

Dat Patrick Hahn Samiels tekst in het Engels moest uitspreken terwijl de gezongen teksten in het Duits werden gezongen leidde wel wat af. Verder kreeg ik de indruk dat deze extra rol de dirigent soms afleidde van het dirigeren.  Solisten en orkest waren herhaaldelijk niet gelijk. En tijdens het Jagerskoor raakte het koor een keer ernstig achterop bij het orkest.

Ondanks de vele mannenrollen is Der Freischütz een opera waarin twee vrouwelijk zangers zich kunnen etaleren, in de rollen van Agathe en Änchen. De meeste indruk maakte Ying Fang als Ännchen. Stemtechnisch licht, wendbaar, soubrette-achtiger dan de vertolkers op een aantal recente CD-opnamen. Toch geven haar theatrale uitbeelding en présence op het toneel haar rol intussen wel degelijk een mooie diepgang, wat buitengewoon fraai tot uiting komt in Ännchens excelleer-aria met solo voor altviool ‘Einst träumte meiner sel’gen Base’ in het derde bedrijf. Hiervoor besteeg de eerste altviolist van het orkest Santa Viẑine het toneel en kwam naast haar zitten, als voor een goed gesprek tussen twee vriendinnen. Misschien is wel eens vaker gedaan, ontroerend was het in elk geval.    

Ook in het tweede bedrijf kwam Ying Fang spectaculair aan bod. Uit het oogpunt van competitie tussen zangers, waarover het regieconcept gedeeltelijk gaat, zou ik bijna zeggen dat na Ying Fangs mooi persoonlijk gehouden en tegelijkertijd virtuoze uitvoering van Ännchens komische aria “Kommt Ein Schlanker Bursch Gegangen”, Agathe alias Johanni van Oostrum de wedstrijd nauwelijks meer kan winnen, ondanks haar in principe substantiëlere lyrisch-dramatische aria “Wie Nahte Mire Der Schlummer”. Bovendien plakt Serebrennikov de arias meteen na elkaar, zonder de minuut dialoog die Von Weber daar oorspronkelijk tussen had geplaatst.

Odin Lund Biron als The Red One kreeg nog een extra rol toebedeeld. Op enkele momenten vertolkt hij songs uit The Black Rider: The Casting of the Magic Bullets, Robert Wilsons op Der Freischütz gebaseerde musical met muziek van Tom Waits uit 1990, die hier ooit ook in het Holland Festival te zien was. In plaats van Waits’ gruizige stemgeluid bleek Biron een fraaie falset aan de dag te leggen.V

Het is onderhand een traditie dat het Concertgebouworkest de begeleiding verzorgt tijdens opera-uitvoeringen in het Holland Festival. Ik vond het orkest deze keer niet goed op zijn plaats. Het klonk mat, behalve natuurlijk gedurende de (in deze opera frequente) passages met de hoorns; maar dat mag ook wel met een orkest met zo’n Bruckner en Mahler traditie. Misschien had het ook met iets in de afregeling van de akoestiek van het Muziekgebouw te maken. Misschien had iemand bedacht dat Von Weber niet als Wagner mag klinken en was de akoestiek zuinig afgesteld. Als dat technisch kan.

De Nationale Opera/Holland Festival Carl Maria von Weber der Freischütz
Muzikale leiding  Patrick Hahn
Regie en decor  Kirill Serebrennikov 

Foto’s Bart Grietens.

Gezien 3 juni in het Muziekgebouw, mede in het kader van het Holland Festival.

Ik heb voor muzikaal vergelijkingsmateriaal gebruik gemaakt van drie opnamen.

De befaamde onder Carlos Kleiber natuurlijk:

Maar ook een recente onder Marek Janowski met Lise Davidsen als Agathe:

En de ook recente met het Freiburger Barockorchester onder René Jacobs, op ‘authentiek instrumentarium’:

Bij Kleiber hoor je dé Agathe van vele decennia, Gundula Janowitz. Janowski maakt gebruik van zijn ervaring als Wagner-dirigent en dankzij Davidsen hoor je Agathe de weg plaveien voor Wagners Elisabeth en Elsa. Hoor bij Jacobs eens hoe fris en tegelijkertijd melancholisch de cavatine van Agathe klinkt met originele strijkersklank en verder maakt hij volop gebruik van de dramatiek die hij heeft leren toepassen in zijn Mozart/Da Ponte cyclus.

Op Youtube staat Der Freischütz in de Berlioz versie:

Petrov’s Flu trailer:

Over The Black Rider:

https://robertwilson.com/the-black-rider


Bijzondere opera’s in Nordrhein Westfalen

Tekst: Peter Franken

In ons ‘buurland’ is altijd sprake van een uitgebreid aanbod aan opera’s, vooral dankzij het grote aantal theaters met elk een volwaardige programmering. In een rijtje na elkaar van Hagen in het oosten tot Bonn in het zuiden treffen we Dortmund, Wuppertal, Gelsenkirchen, Essen, Duisburg, Düsseldorf en Keulen. Met het oog op komend seizoen ben ik al die operahuizen eens afgegaan, op zoek naar weinig gespeelde werken die de toch wel lange rit vanuit de Randstad de moeite waard maken. Het resultaat mag er wezen.

Theater Hagen komt komend seizoen naast een aantal minder bekende muziektheaterstukken met Tri Sestry van Peter Eötvös in een regie van Friederike Blum. De première staat gepland voor 25 maart en daarna volgen er nog vier voorstellingen.

Tri Sestry van Peter Eötvös, opname uit Wenen 2016:

Dortmund brengt vanaf 6 november een nieuwe productie van Halevy’s grand opéra La Juive in de regie van Lorenzo Fiorini. Dit werk was hier in 1995 ook al eens te zien, een productie van de toenmalige intendant John Dew die aldaar een hele reeks Franse opera’s op het toneel bracht. Maar dat is lang geleden natuurlijk. En op 26 februari gaat Adams’ opera Nixon in China in première, een productie van Martin G. Berger. Ook de rest van het programma is interessant en ambitieus maar deze twee springen eruit.

Wuppertal biedt een solide programma maar zonder uitschieters voor wat betreft het klassieke repertoire. Dat geldt komend seizoen ook voor MiR Gelsenkirchen maar helemaal aan het einde van de speeltijd biedt het huis toch iets opmerkelijks. Dan zijn er drie voorstellingen van Verdi’s zelden gespeelde tweede opera Un giorno di Regno, een productie van Opernstudio NRW. Het betreft dus een studentenvoorstelling maar dat maakt het niet minder de moeite waard. Première op 3 juni.

Jose Carreras – Pietoso al lungo pianto…Deh, lasciate a un’alma amante (from Un giorno di regno by Giuseppe Verdi)

Het seizoen van het Aalto Theater in Essen komt nog volledig voor rekening van Hein Mulders die inmiddels intendant is van Oper Köln. Een opvallende titel in Essen is Lucrezia Borgia in een productie van Ben Bauer. Première op 26 november.

Deutsche Oper am Rhein brengt de premières van drie minder gespeelde werken, allemaal in speelstad Düsseldorf. Het programma in beide steden Duisburg en Düsseldorf is verder goed gevuld met aansprekende titels waaronder een herneming van Adriana Lecouvreur.

Magda Olivero zingt Adriana Lecouvreur in Amsterdam 1965

Op 3 december gaat Tsjaikovsky’s zelden gespeelde opera Die Jungfrau von Orléans in première in een enscenering van Elisabeth Stöppler. Vanaf 26 februari gaat Bellini’s La Sonnambula in een nieuwe productie van Johannes Erath en Massenets vroege werk Hérodiade heeft première op 27 mei, een nieuwe productie van Lorenzo Fioroni.

Montserrat Caballé zingt ‘Il est doux’ in Barcelona 1984:

Met Les Troyens van Hector Berlioz wordt op 24 september het seizoen in Keulen geopend, dat is tevens de enige echt opmerkelijke titel. Johannes Erath ensceneert.

Als laatste in de rij Oper Bonn. Ooit was dit de hoofdstedelijke opera met bijbehorende prestige subsidies. Maar het huis heeft het vertrek van de regering met alles drum un dran weten te overleven en komt regelmatig met bijzondere titels. Zo ging er in mei Ein Feldlager in Schlesien van Meyerbeer. En in het verleden heb ik er voorstellingen gezien van La Rondine, Lakmé, Thaïs, Guiglielmo Ratcliff en Der ferne Klang. Wel, het komend seizoen biedt maar liefst drie uitgesproken rariteiten.

Op 16 oktober is de première van Asraël, de eerste opera van Alberto Franchetti. Hij is vooral bekend door zijn latere werken Germania en Cristoforo Colombo. Net als voor Meyerbeers Feldlager maakt men in Bonn voor Asraël gebruik van orkestmateriaal dat speciaal voor deze productie is samengebracht. Voor een idee van het klankbeeld, de opera dateert uit 1888.

Op 12 maart komt de volgende rariteit: Giordano’s zesde opera Siberia uit 1903. Met zijn Fedora op zaterdag 14 januari live from The Met zullen er komend seizoen dus maar liefst twee werken van deze componist te zien zijn.


Trailer van Siberia uit Teatro del Maggio Musicale Fiorentino 2021:

Andrea Chénier stond dit seizoen overigens in Düsseldorf op het programma maar werd vervangen door Adriana Lecouvreur, liggen toch wel een beetje in elkaars verlengde. Voor wie die Adriana heeft gemist: komend seizoen wordt het werk hernomen en gaat het ook in Luik.

Ik memoreerde al dat in Bonn Der ferne Klang te zien was geweest. Nu komt men met een wel erg onbekend werk van Schreker, Der singende Teufel uit 1928. Zijn laatste opera Der Schmied von Gent was overigens in 2020 in Antwerpen te zien.

Daarmee spant Bonn wat mij betreft de kroon als het gaat om zelden gespeelde werken die zonder meer de moeite waard lijken om extra moeite voor te doen. Al is Bonn me inmiddels te ver voor een dagtrip, dat wordt overnachten.

Open je oren voor strijkkwartetten van Walter Braunfels

De vraag waarom Braunfels zo verschrikkelijk is vergeten ga ik niet eens stellen. Dat het alles met de nazi’s en de Joden te maken had, dat weet iedereen immers wel. Hoop ik. Maar de oorlog is al zevenenzeventig jaar voorbij en Braunfels is al bijna zeventig jaar dood. En nog steeds is zijn naam niet daar, waar het hoort te zijn: op de belangrijkste concertpodia en operabühnes.

In de jaren negentig kon je nog van een kleine revival spreken: EMI bracht zijn mysteriespel Verkündigung uit en Decca nam zijn bekendste opera Die Vögel op. Die Vögel dook dan weer eens in Los Angeles op, waar James Conlon al jaren bezig is om de ‘Verboden componisten’ ruim podium te geven. In de letterlijk zin van het woord.

Désirée Rancatore zingt de Nachtegaal in Los Angeles Opera:

Tot 1933 behoorde Braunfels, samen met Richard Strauss, Zemlinsky, Korngold en Schreker tot de meest uitgevoerde hedendaagse  componisten.  In 1933 werd hij ontslagen van zijn post als directeur van de Muziek Academie in Keulen en nadat hij ‘entartet’ werd verklaard leefde Braunfels in totale afzondering in de omgeving  van de Bodensee (in zijn biografie wordt het mooi omschreven als ‘innerlijke emigratie’).

Na de oorlog ging Braunfels – op speciaal verzoek van de toenmalige kanselier Adenauer – naar Keulen terug. De aandacht die hij kreeg bleef bij een paar uitvoeringen van zijn werken. Gedesillusioneerd keerde hij terug naar de Bodensee.

Het medium kamermuziek was voor hem totaal nieuw. In de brieven uit die tijd toonde hij zich bijzonder gelukkig met het voor hem nieuw ontdekte idioom: ”Er is niets leukers, dan het werken aan een strijkkwartet” schreef  hij.

Voor zijn eerste kwartet, gecomponeerd in 1944 gebruikte hij Verkündigung als zijn voornaamste inspiratiebron en in alle vier de delen citeert hij er rijkelijk uit.

Het  tweede strijkkwartet is iets lichtvoetiger. De eerste twee delen zijn behoorlijk vrolijk en dansant, het vierde met zijn Oosteuropees-Joodse thema’s doet mij sterk aan Sjostakovitsj denken. Niet echt vernieuwend, maar buitengewoon leuk en inspirerend.

Er bestaat nog een derde strijkkwartet, geschreven in 1947. Die kwam ik alleen op YouTube tegen:

Ooit schreef ik dat Braunfels’ muziek twee keer is gestorven. De eerste keer toen zijn composities door de Nazi’s ‘entartet’(gedegenereerd) werden verklaard. En de tweede keer toen de naoorlogse muziekpausen alles wat tonaal was en naar romantiek riekte als ‘bedorven’ bestempelden. Inmiddels zijn we een paar jaar verder, hun esthetiek (of eigenlijk het gebrek er aan) is al lang in de stoffige archieven opgeborgen en Braunfels is niet zo onbekend meer. Dat hoop ik althans want echt uitgevoerd wordt hij nog maar zelden.

Gelukkig bestaan er nog labels zoals Capriccio, CPO en Oehms die ons met de o zo gruwelijk minder bekende of simpelweg vergeten schatten kennis laten maken.


String Quartets no 1 & 2
Auryn Quartet
CPO 999406-2 

Bubbles. Voor Beverly Sills op haar verjaardag

Beverly Sills, de Amerikaanse ‘coloratuurkoningin’ heeft in Europa nooit de status van haar collega’s Callas en Sutherland gehad. Sterker: veel mensen wisten van haar bestaan niet eens af. De reden daarvoor? Gebrek aan een exclusief contract met een belangrijke firma. En: zij reisde niet. Als moeder van twee zwaar gehandicapte kinderen wilde ze zo veel mogelijk bij haar kinderen zijn.

Beverly Sills (25 mei 1929 – 2 juli 2007), werd geboren in Brooklyn als Belle Miriam Silverman. Haar ouders waren Joodse immigranten uit Odessa en Boekarest. Als kind sprak ze Jiddisch, Russisch, Roemeens, Frans en Engels.

Hoewel ze een enorm repertoire had die van Händel en Mozart tot Puccini, Massenet en Verdi reikte, was ze vooral bekend om haar vertolkingen in coloratuursopraanrollen. Haar stralende hoge D’s en E-flats klonken schijnbaar moeiteloos en vanzelfsprekend.

Het meest werd zij geassocieerd met de opera’s van Donizetti: Lucia di Lammermoor, La fille du régiment en de drie ‘Tudor-koninginnen’. Haar Elisabetta in Roberto Devereux is gewoon de beste ooit.

Maar ook haar Manon en Thaïs (Massenet) zijn onvergetelijk, net als haar Violetta (La Traviata) en alle drie de vrouwenrollen in Les contes d’Hoffmann van Offenbach. Ja, ze zong ze alle drie op een avond.

Op driejarige leeftijd won Sills een ‘Miss Beautiful Baby’ wedstrijd, waarin ze ‘The Wedding of Jack and Jill’ zong. Vanaf haar vierde trad ze professioneel op in het zaterdagochtend radioprogramma ‘Rainbow House’ onder de naam Bubbles Silverman.

Toen ze zeven jaar oud was begon ze  met zanglessen bij Estelle Liebling, die haar enige zanglerares bleef. Een jaar later zong ze in de korte film Uncle Solves It (gefilmd in augustus 1937, uitgebracht in juni 1938 door Educational Pictures), tegen die tijd had ze haar artiestennaam aangenomen, Beverly Sills.


LUCIA DI LAMMERMOOR

Sills’ Lucia (Westminster 4712502),  blijft voor mij één van de beste vertolkingen ooit, zeker als we het over studio-opnames hebben. Haar portrettering verenigt het beste van Callas en Suitherland: de virtuositeit, stemschoonheid en zuivere intonatie van la Stupenda en het grote acteren van la Divina. Niet echt een grote tragédienne (maar dat is Lucia ook niet), meer een passief kindmeisje dat het allemaal over zich heen laat komen. Ook de rest van de cast (Carlo Bergonzi, Piero Cappuccilli, Justino Diaz) is van zeer hoog niveau en Thomas Schippers dirigeert zeer ferm. Maar wat die opname werkelijk bijzonder maakt, is het gebruik van een glasharmonica in de waanzinscène, precies zoals Donizetti het oorspronkelijk had voorgeschreven.

ROBERTO DEVEREUX

Een recensent van de New York Times schreef dat het zonder twijfel het meest opwindende evenement was van het muzikale jaar 1970 en dat geloof ik onmiddellijk. De voorstelling van 24 oktober 1970 werd live opgenomen en daar mogen we ons meer dan gelukkig mee prijzen.

Julius Rudel (ach, waar zijn de tijden van zulke maestro’s gebleven?) dirigeert ferm en met heel erg veel liefde voor het werk. Om te huilen zo mooi.

Domingo’s stem klinkt als een klok en zijn optreden zorgt voor extatische ovaties. En over Elisabetta van Sills kan ik kort zijn: overweldigend! Niemand, maar dan ook niemand heeft de rol ooit beter gezongen dan zij. Zij is Elisabetta. Dat moet je ooit gehoord of gezien hebben Het applaus na haar ‘L’Amor suo mi fé benata’ lijkt eindeloos te duren.



Hieronder Beverly Sills in de laatste scène uit Roberto Devereux:

THAÏS




Hieronder Beverly Sills en Sherrill Milnes in de finale van de opera:

MANON

Sills zong ook in het Duits.

Hieronder zingt zij ‘Ruhe sanft, mein holdes Leben’ uit Mozarts Zaide. Mijns inziens de beste vertolking van die aria ooit:


En zij zong ook liederen

Hieronder ‘Breit über mein Haupt’ van Strauss:

Mis de prachtige hommage aan Beverly Sills, ‘Made in America’ (DG 0734299) niet,  met een keur aan schitterende archiefbeelden, waaronder ook  La Traviata met Ettore Bastianini.

In dit ruim 75 minuten durende portret praat Beverly Sills open en eerlijk over haar leven en carrière. Het portret wordt geïllustreerd met zeldzame opnamen en foto’s uit de Charles Mintzer collectie.

Hieronder Beverly Sills’ afscheidsoptreden, waar zij als toegift het Portugese volkslied ’Tell Me Why’ zingt dat Estelle Liebling, haar enige zanglerares, haar gaf toen ze tien was. Als eerbetoon aan Liebling eindigde Sills elk recital met dit lied.

Renata Scotto: a brief overview of her many roles

Renata Scotto, ‘la mia Divina Assoluta’, was born on 24 February 1934 in Savona. She made her opera debut at the age of eighteen as Violetta (La Traviata). Her ‘official’ debut was the next day in Milan. Shortly afterwards, she sang Madama Butterfly in Savona.

Because there was no chance to hear her in the Netherlands, I travelled with a few friends, they were also great fans, to Paris, where she gave a recital. It was sold out and I really only remember the huge queue in front of her dressing room: people wanted her autograph, they came with flowers, chocolates, gifts…. I had never seen anything like that in the Netherlands.

But the day finally came and she sang in Amsterdam! On 19 October 1996 she performed in the Netherlands for the first time since 1963. During the Amsterdam Saturday Matinee she sang before the interval Chausson’s  Poème de l’amour et la mer and after the interval Poulenc’s La voix humaine. She made a real performance out of it: there was a table with a telephone on it, and with the telephone cord she strangled herself at the end. Those who were there will never forget it.

This recording comes from Barcelona 1996:



During her long career, Scotto performed in operas written by 18 composers and her repertoire included some forty-five roles. And then there are the studio recordings. I cannot possibly discuss everything, so I will restrict myself to a few recordings.
The order is random.



LA WALLY


In 1953 she auditioned at La Scala for the role of Walter in Catalani’s La Wally with Renata Tebaldi and Mario del Monaco, amongst others. Giulini was to conduct. It is told that afterwards Victor de Sabata, one of the jury members, said: “Forget about the rest.”

La Wally premiered on December 7, 1953, and Scotto happily accepted fifteen curtain calls. Tebaldi and del Monaco got seven each.



LA SONNAMBULA



In Edinburgh, Milan’s La Scala staged Luchino Visconti’s production of La sonnambula, with Maria Callas as Amina. The production had been so successful that La Scala had decided to add another performance. But Callas was tired, and besides, she wanted to go to the party that Elsa Maxwell was giving for her in Venice. So she told the Scala people that she would definitely not be singing this. Nevertheless, La Scala announced the extra performance with Callas. And Callas refused. With only two days’ notice, Scotto took over the role of Amina and replaced Callas on 3 September 1957. The performance was a great success, and the 23-year-old Scotto became an international opera star overnight.

This recording with Alfredo Kraus is from 1961:




RIGOLETTO



My all-time favourite is a Ricordi recording from 1960 (now Sony 74321 68779 2), with Ettore Bastianini in the lead. Renata Scotto sings a girlishly naive Gilda, who is transformed into a mature woman through her love for the wrong man. She understands better than anyone that the whole business of revenge can lead nowhere and she sacrifices herself to stop all the bloodshed and hatred.

Bastianini and Scotto in the finale:




LA TRAVIATA




Renata Scotto has (or should I say had?) something that few other singers possessed: a perfect technique that enabled her to sprinkle her coloraturas like it was nothing at all. Her high notes sounded a bit steely but they were undeniably flawless. She possessed the gift of acting with her voice (and not only with her voice!), and because of her perfect articulation you could not only literally follow what she was singing, but also really understand it.

Her perhaps most beautiful (there are several recordings) Violetta she recorded in 1963 (DG 4350562), under the very exciting direction of Antonino Votto. Alfredo is sung by the sweet-voiced Gianni Raimondi, and Ettore Bastianini is a warm, indeed fatherly, Giorgio Germont.



And don’t think that in the old days, when everything was done by the book, the performances were static and boring! In 1973, La Scala was on tour in Japan, and there, in Tokyo, a legendary performance of La Traviata was recorded (VAI 4434).

The leading roles were played by the then still ‘curvy’ Scotto and 27-year-old (!) José Carreras. DVD does not mention the name of the director, perhaps there was none, and the singers (and the conductor) did it all themselves? Anyway, the result is really beautiful, moving and to the point. I am not going to say any more about it, because this recording is an absolute must for every opera lover.

Finale of the opera:




L’ELISIR D’AMORE


To the younger generation I would especially recommend the DVD with Renata Scotto, Carlo Bergonzi and Giuseppe Taddei (Hardy Classic Video HCD 4014). It is not only the beautiful voices of the past that impress (Scotto, Bergonzi, Taddei – who can still sing like them?), the eye is also given a lot to enjoy.

Do not think that they just enter the stage, sing an aria facing the audience and then take a bow. It is theatre pur sang and a better acting singer than Scotto has yet to be born.

Renata Scotto sings ‘Prendi, per me sei libero’:



TURANDOT



I can be very brief about this: there is no better Liu. Renata Scotto is a very fragile and moving Liu, which is in stark contrast to Corelli’s macho and seductive Calaf and Birgit Nilsson’s chilling Turandot.



MADAMA BUTTERFLY



For me an absolute ‘numero uno’ is the 1966 recording by EMI (now Warner 0190295735913) under Sir John Barbirolli. One might imagine a more lyrical or alternatively a more dramatic Cio Cio San; one with less metal in her voice or maybe one with a more childlike voice. But no other singer was able to grasp the complex nature of the girl so well and to characterise her change from a naive child into an adult woman, broken by immense grief, so impressively





LUCIA DI LAMMERMOOR



Renata Scotto never recorded the role in the studio. However, there are several pirate recordings of her in circulation, with Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi and Gianni Raimondi as Edgardo.

Of these four, the recording with Raimondi is dearest to me, not least because of the very energetic and dramatically balanced direction by Claudio Abbado. It was recorded at La Scala in December 1967 and it once appeared on Nuova Era (013.6320/21). Unfortunately, that recording is very difficult to obtain, but those who search….

Scotto’s interpretation of the tormented heroine is available on DVD (VAI 4418). The production was recorded in Tokyo in 1967. It circulated for years on pirate video, but since the sound and picture quality was particularly poor, the commercial release has made many opera lovers very happy. The sound is a little sharp, making Scotto’s high notes sound even more metallic than usual, but who cares?

Her interpretation is both vocally and scenically of an unprecedented high level. With a childishly surprised expression (my brother does this to me?) on her face, she agrees, albeit not without grumbling, to the forced marriage with Arturo (an Angelo Marchiandi who is hideous in every way).

Below, Scotto sings ‘Il dolce suono’. Try to follow her example!




LA BOHÈME



History was made with La Bohème from the Met in 1977 (DG 0734025): it was the very first direct transmission from the New York opera house on TV. The production was in the hands of Pier Luigi Pizzi, who at that time was not yet obsessed with excessive ballets and the colour red.

Although I was never a big fan of Pavarotti, I cannot deny that he produces a fresh sound here and that his high notes stand like a house. Acting was never his cup of tea, but here he does his best.

It becomes really exciting when Mimì enters: in 1977, Renata Scotto was at her unprecedented peak. She spins the most beautiful pianissimi and her legato and mezza voce are so beautiful they make you want to cry. The rest of the cast is no more than adequate, but the young James Levine conducts as if his life depended on it!

Scotto sings ‘Si mi chiamano Mimì’:



Musetta was not really a role with which we associate Scotto. Neither did she herself, but she accepted the challenge with both hands. In the Zefirelli Met production of 1982, she sang a Musetta to die for. Alongside the very moving José Carreras and Teresa Stratas, she was the undisputed star of this recording (DG 073 4539 9).

Scotto as Musetta:



LUISA MILLER



In 1979, Renata Scotto sang her first Luisa at the Metropolitan Opera and she did so with her usual devotion. But before she could start her first big aria, a ‘joker’ caused a scandal by shouting ‘brava Maria Callas’ at the top of his lungs.

Sherrill Milnes, here in the guise of Luisa’s father, took the emotional Scotto in his arms and so saved her concentration. And the performance. And the day.

All this was broadcast live on TV and thus it ended up on the pirate videos in circulation. I had been cherishing mine for years, and now the performance has been released on DVD by Deutsche Grammophon, with the necessary cuts, including that famous incident. A pity, but after all it is not about the incidents but about the opera and the performance. And there is absolutely nothing wrong with that.



In the video below, the main actors (Scotto, Domingo, Milnes and Levine) discuss Verdi’s opera and the 1979 production:




ANDREA CHENIÉR



My favourite CD recording was recorded by RCA (GD 82046) in 1976. The cast is delightful: Renata Scotto sings Maddalena, Plácido Domingo Cheniér, Sherrill Milnes is Gérard, and in the minor roles we hear Jean Kraft, Maria Ewing, Michel Sénéchal and Gwendolyn Killebrew, among others. James Levine, who conducts the National Philharmonic Orchestra, understands exactly what the opera is about. It is so beautiful that it will make you cry.

Scotto sings ‘La Mamma morta’:




MANON LESCAUUT



Here I can be very brief: buy the Menotti production with Renata Scotto and Plácido Domingo from the Metropolitan Opera (1980) and you are set for life. There is no other production that even comes close to it and I don’t expect that to happen any time soon. Scotto sings and acts Manon as no other has done before and together with Domingo she provides us with an evening of old-fashioned weeping. Menotti’s very realistic, true to life and oh so exciting production simply could not be any better. (DG 0734241)



IL TRITTICO



In November 1981, Scotto sang all three heroines at the Metropolitan Opera in New York, with Levine conducting. Once a pirate released it in its entirety and it was briefly on YouTune. Too briefly, unfortunately. It is possible, however, to find fragments of all three.

Il Tabarro



Suor Angelica:



Gianni Schicchi:


On CD, the recording under Maazel from 1977 is my first choice. Certainly because of Scotto’s Angelica, nobody comes close to that. Add to that Marylin Horne as her evil aunt and the young Cotrubas as the quick-witted sister Genovieffa. In Il Tabarro, too, it is Scotto who demands all the attention as Giorgetta, helped along by a very macho Domingo and Ingvar Wixell in one of his best roles.

https://open.spotify.com/album/4ZNfRJekmwwYCYf1kN7Yim?si=KMGmDc0xRf2pTxTWrbAp4A


LA GIOCONDA



But don’t forget La Gioconda from San Francisco 1979! For her interpretation of the role, Scotto received an Emmy award. It also meant a violent quarrel with Luciano Pavarotti, whom she did not even mention by name in her autobiography “More than a diva”. He became “A certain tenor”.


FRANCESCA DA RIMINI



And no one should miss Francesca da Rimini by Zandonai from the MET:








Memories of Philippe Boesmans

REIGEN


Peter Franken:

In 1999 I saw Boesmans’ opera Reigen in the production of the Reisopera. The opera is based on a work by Arthur Schnitzler from 1897 which was not released until 1920. It is a controversial play with provocative sexual themes. Schnitzler explores the sexual morality and class ideology of his time through successive encounters between characters.

The action is set in 1890s Vienna. The dramatic structure is determined by ten interlocking scenes between love couples. Each character appears in two successive scenes, with the whore from the first scene returning in the last.

Luc Bondy adapted the play into a libretto for the opera of the same name, which premiered at La Monnaie in Brussels in 1993. The play, and also the opera, offers a disconcerting picture of the pursuit of sexual pleasure and the hangover that must surely follow. The cold, cold lust and the hunt for empty sex are mercilessly dissected.

In the Reisopera production, the act is set on a turntable with only sketchy locations: a lamppost representing a street scene and a scene in a park between a whore and a soldier, and between that soldier and a chambermaid; then a door turns as if to separate the sultry thoughts exchanged between the chambermaid and the young gentleman of the house.

The Count, a well-characterised presentation by baritone Roger Smeets, meets the whore (Janny Zomer) who was already seen in the beginning and who now is the last character in the round dance, or Reigen. In between we met Ellen van Haaren as the singer, Annelies Lamm as the chambermaid and Kor Jan Dusseljee as the soldier.



Ellen van Haaren, the ‘singer’ in the production of the Netherlands Opera:

Ellen van Haarden als Amelia in Ballo in Maschera


I was preparing for a rehearsal when Louwrens Langevoort approached me with a book/piano excerpt of the new modern opera Reigen by Philippe Boesmans, which they wanted to perform with the Reisopera. “Here, go and have a look, this is a great part for you! “

I spent the next few days thinking that this was nót for me. And, however honoured I felt, I gave it back. I really didn’t think it was for me! Some time passed; I was rehearsing Die Lustige Witwe at the time and there was Louwrens again, with the book!

” Listen”, he said, “I can’t find anyone who could do it better! You can do it, this part is perfect for you”. And I thought, o.k., this I cannot and will not refuse. It was very short notice, I think five or six weeks before the premiere. All right, I said, I’ll do it, but with whom can I rehearse it? “With Aldert Vermeulen. And the composer, Boesmans, is also coming to watch, he wants to be present at the rehearsals.



OMG ..it was so scary!!! The next day came with learning, still more learning, memorizing, and singing it through.  And the thing I had been so afraid of, not being able to meet everyone’s expectations, shrank away bit by bit. It became more and more familiar to me, it became a part of myself and maestro Patrick Davin soon joined in. And we also had a connection straight away!

And suddenly there was Philippe Boesmans, the genius! The creator of this special opera. So calm and modest and friendly and encouraging. Through him I knew and felt…I can do this. He gave me the confidence! And from that day on, it was as if the sun broke through. The adventure I had embarked on became very enjoyable, it was really great fun! We laughed a lot at the rehearsals, about little things that Andrea ( xxxx the director BJ) and I had thought up… He was so happy and satisfied. That sweet modest man with his subtle humour!

Elen van Haaren met Janny Zomer in Reigen



And now this fine man and fantastic composer is no more. Thank you very, very much for the wonderful, special, beautifully catchy music! And thank you for the wonderful and fantastic memories of Reigen! R.I.P.



JULIE

Lisa Mostin, Kristin in Julie in the production of the Opéra National de Lorraine:

Dean Murphy, Irene Roberts et Lisa Mostin, le trio de chanteurs qui interprète « Julie », sous la direction d’Emilio Pomarico, dans la mise en scène de Silvia Costa. Photo ER /Cédric JACQUOT



“I met him for the first time in the corridors of the Nancy opera house after the Orkesterhauptprobe (Orchestra stage rehearsal). He didn’t recognise me as one of the singers without my makeup on, because it looked so different and sinister.

© Jean-Louis Fernandez



He let us do it all by ourselves during the production process. He never came to say how he wanted a certain line. He always said in interviews that once an opera is written, he wants to let go of the piece and he accepts how the world will treat it. He did not only say this, he also did it, out of a wonderful feeling of acceptance and letting go, but I personally think also because he wanted to be surprised. Just as if you send your child out into the world and then, when they return from their wanderings, you will see what they have learned on their path of growing independence.

After the dress rehearsal, he came on the stage and realised for the first time that I was the one singing Kristin and that I was a Belgian singer. He first started in French and when he heard that I had a Flemish accent, like a true Brussels- born, he immediately switched to Dutch. It was extraordinary that two Belgians met like that in France. He said he hadn’t known there was an Antwerp coloratura soprano singing Kristin and said he would like to write another piece for me. I would have loved to sing whatever he would have composed for me, but unfortunately it is not going to happen in this world.

© Jean-Louis Fernandez



All the rest is not easily put into words, he had something that all the greats have. An energy that touches you and an unconditional love that radiates from him, I think that is what has stayed with me the most. An enormously amiable person.”



Meeting between Philippe Boesmans and Silvia Costa, who handled the production:



Philippe Boesmans died on Sunday 10 April 2022. His operas are performed regularly and both Julie(2004), after the play Fröken Julie by August Strindberg, and Reigen, after a play by Arthur Schnitzler, belong to the standard repertoire in opera houses all over the world.



Scene from Reigen performed by Operastudio Nederland (Daphne Ramakers & Pascal Pittie)



Below Julie from the Fondanzione teatro Comunale e Auditorium Bolzano directed by Manfred Schweigkofler:

Emanuel Boekman: kunst en idealen tegen de achtergrond van een verdwenen Amsterdam

Tekst: Neil van der Linden

Boekman’ is een voorstelling over Emanuel Boekman, Amsterdams legendarische Wethouder van Onderwijs en Kunstzaken van 1931 tot 1940. De voorstelling werd gespeeld in de Boekmanzaal van de Stopera, het gecombineerde gemeentehuis en muziektheatergebouw, het gebouw dat we in veel opzichten aan Emanuel Boekman te danken hebben. Alleen zou het in zijn visie niet hebben gestaan op deze plek, de plek waar in zijn tijd nog een arme, nu verdwenen Joodse wijk stond. Deze wijk waar één van de bevolkingsgroepen woonde die Boekman als Amsterdams wethouder van onderwijs én kunst wilde helpen de middelen te bieden om hun levensomstandigheden te verbeteren.

Op het gebied van kunst was zijn ideaal om hoogverheven kunst toegankelijk te maken voor iedereen. Daar paste in zijn visie bijvoorbeeld een operagebouw bij waarin de toenmalige Wagnervereniging opera voor iedereen zou brengen. De inrichting van de zaal zou ‘democratisch’ zijn, niet, zoals hij schreef, als in de Stadsschouwburg met aparte loges en het publiek deels geplaatst aan de zijkanten, alsof men daar dan kwam om elkaar te zien in plaats van de voorstelling, maar met ruime zetels in gebogen rijen waar iedere toeschouwer goed zicht op podium zou hebben, en met een ruime orkestbak, waar ook een Wagner-orkest in zou passen.

Het Waterlooplein in 1935. Hier kwam het stadhuis met de door Boekman zeer gewenste opera. Hij vond dat kunst toegankelijk moest zijn voor iedereen. Alleen was deze plek niet voorzien.

Zo’n operatheater is er nu, maar dus op de plek waar vroeger de wijk stond waar mensen woonden die Boekman door goed onderwijs en door kunst vooruit wilden helpen en niet op het Museumplein, zoals Boekman in gedachten had.

Het merendeel van de bevolking van deze wijk zou omkomen in concentratiekampen of op weg erheen. De verlaten huizen werden geplunderd en zouden na de oorlog nog verder in verval raken. Uiteindelijk werd wat resteerde van de wijk voor een groot deel met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor metro, stadhuis, operagebouw en Meester Visserplein.

Op de vloer van de Boekmanzaal zijn met plakband de contouren aangegeven van de straat die oorspronkelijk over deze plek liep, de Lange Houtstraat, en de oorspronkelijke huizen die precies op deze plek stonden, met huisnummer en al. We krijgen de namen van de families te weten die er oorspronkelijk woonden. Het is alsof we in huiskamers zitten en deelnemen aan het straatleven.


Verteller Harpert Michielsen noemt de namen van de mensen die er woonden; dat is allemaal terug te vinden in het Amsterdamse stadsarchief. Zanger/gitarist Erik van der Horst laat liederen horen, Jiddische en Sefardische, die daar geklonken kunnen hebben.


Dichterbij de oorspronkelijke wijk en bewoners kunnen we niet komen en  tegelijkertijd zijn ze verder weg dan ooit. In de plattegrond is ook de plek te zien van de viskraam waar Boekman langs fietste en wel eens vis meenam, op weg naar en van het stadhuis, toen gevestigd aan de Oudezijds Voorburgwal.


Boekman, zelf telg uit een arm Joods gezin uit de Pijp, woonde inmiddels in Oud-Zuid. Zijn vader en ook zijn grootvader waren tweedehandsboekenverkoper geweest, in de boekenmarkt bij de Oudemanhuispoort, een tweedehandsboekenmarkt die nog steeds bestaat. Zelf was Boekman, die de lagere school met voorbeeldige cijfers heeft gemaakt niet afkomstig uit een familie waar men zich kon permitteren een kind naar de middelbare school te sturen, laat staan naar de universiteit, letterzetter geworden bij een drukkerij.

Van zijn vader en grootvader erfde hij de gewoonte om ook te lezen wat tijdens het werk door hun handen kwam. Komend uit een ‘rood’ gezien viel hij al snel op als erudiet en klom politiek in hoog tempo op, eerst binnen de  politiek zeer activistische vakbond van de drukkerswereld,  vervolgens ook binnen de SDAP, de toenmalige socialistische partij, waar hij ook furore maakte op grond van zijn eruditie en welbespraaktheid. Hij trouwde met de even erudiete Jansje Nerden

In de avonduren behaalde hij zijn middelbareschooldiploma om vervolgens geschiedenis en sociologie te gaan studeren. Hij werd raadslid, promoveerde op de rol van de staat in het kunstbeleid en werd vervolgens wethouder van kunst en onderwijs. Algemeen werd gedacht dat hij het nog veel verder zou brengen, misschien wel als minister, of Minister-President. Maar toen kwam die oorlog

Op 15 Mei 1940 gaf Nederland zich over aan de Duitse bezetters. Boekmans dochter en haar echtgenoot waren kort daarvoor, voor de Duitse inval, naar Engeland gevlucht. Boekman en zijn echtgenote hadden ook mee gekund, maar zij vonden dat een vooraanstaand Joods bestuurder zo lang mogelijk op zijn post moest blijven.

Toen Nederland capituleerde probeerden ze toch via IJmuiden weg te komen, maar het was al te laat. Samen met hun vrienden Bob van Gelderen en diens echtgenote hebben ze de Duitse bezetting en wat ze vreesden dat daarna zou gebeuren niet afgewacht.  Op 15 mei 1940 pleegden ze met behulp van een door een bevriende arts ter beschikking gestelde middelen zelfmoord.

Deze voorstelling werd gemaakt als onderdeel van Theater na de Dam, Nederlandse theatermanifestatie die jaarlijks plaatsvindt op de avond van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei. In verschillende theaters in Nederland worden meer dan tachtig theatervoorstellingen gelijktijdig opgevoerd die inhoudelijk betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog.

De voorstelling is gemaakt met eenvoudige middelen. Die paar strepen op een witte vloer. Een acteur die het levensverhaal vertelt. Een zanger met elektrische en akoestische gitaar die melancholische Jiddische en Sefardische liederen zingt, geluidseffecten maakt met de elektrische gitaar. Er komt ook operamuziek in voor, als zanger Erik van der Horst, begeleid door dromerige jazzy akkoorden op zijn gitaar, een paar zinnen uit ‘L’ho perduta’ van Barbarina uit Mozarts Le Nozze di Figaro zingt, terwijl acteur Harpert  Michielsen memoreert hoe Bruno Walter, die ook Joods was, in het Concertgebouw bij zijn laatste optreden in Nederland Mozart had gedirigeerd en had verteld hoe de situatie in Duitsland en Oostenrijk steeds verder verslechterde.

Het is een kleinschalige muzikale vertelling over kunst, politiek en idealen tegen de achtergrond van een verdwenen Amsterdam waarvan we ons even een voorstelling kunnen maken, een deel van de geschiedenis die deels begraven ligt onder het gebouw dat Emanuel Boekman mogelijk heeft gemaakt.

‘Boekman’ was in mei 2021 als online-voorstelling te zien.
Regie: Michiel de Regt
Spel en tekst: Harpert Michielsen
Muziek en spel: Erik van der Horst
Oorspronkelijke muziek (versie 2021): Bart Sietsema
Dramaturgie: Wout van Tongeren

Foto’s voorstelling: © Ben van Duin

Historische foto’s:
https://www.amsterdam.nl/nieuws/achtergrond/wethouder-boekman/

Gezien 2 mei 2022 in de Boekmanzaal van de Stopera.De voormalige Lange Houtstraat 

ed.

Coming home: 75 years Israel Philharmonic Orchestra

The Israel Philharmonic Orchestra turned 75 years old on december 24, 2011 The anniversary was celebrated abundantly with a concert that was enough to make anyone’s mouth water. The festivities took place in Hangar 11 in Tel Aviv, an exceptionally beautiful location situated in the old port of the city. 

First of all, there was Zubin Mehta. The conductor of Indian origin has devoted heart and soul to the orchestra, for which he was rewarded by being named Music Director for Life in 1981. His performance of Beethoven’s Eighth was rock solid, but the contributions of the soloists surpassed the orchestral virtuosity.

Evgeny Kissin was brilliant in Chopin’s First Piano Concerto. The sound, unmistakably Polish and highly romantic brought the audience to tears. As for me, on my comfortable couch in Amsterdam, my TV screen got suspiciously hazy. 

Both violinists, Julian Rachlin and Vadim Repin were genial in their own way, and a match for each other. In contrast to Rachlin’s slightly emphatic, full-blooded, romantic sound,  Repin’s tone was more transparent. I need to add that Chausson’s Poème played by Repin is in a different league than Saint-Saëns‘ Introduction et Rondo Capriccioso, but the Sarabande from Bach’s second Partita was as wax in Rachlin’s hands.

Bronislam Huberman

In addition there is a documentary on the early years of the orchestra. What we get to see here is invaluable. Bronisław Huberman and his idealistic plan, with which he not only created one of the greatest orchestras in the world but saved hundreds of lives as well.

Arturo Toscanini in action.

A young Bernstein performing for the young army. Moving family histories….

On 20.11.48, a few days after its liberation, the IPO performed a moving concert on Beer Sheba’s dunes and senior orchestra members remember the young Leonard Bernsten playing and conducting the orchestra before 5,000 soldiers within earshot of the retreating Egyptian forces.”

© US Library of Congress, Bernstein Photo Collection

I doubt this documentary will ever be shown on TV. So go to the store and buy the dvd. Put your feet up, take the time for it, enjoy, and be moved.

Trailer:

SAINT-SAËNS, BACH, CHOPIN, CHAUSSON, BEETHOVEN
Julian Rachlin, Vadim Repin (viool), Evgeny Kissin (piano)
Israel Philharmonic Orchestra olv van Zubin Mehta
Euroarts 2059094 • 95’(concert) + 52’(documentaire)

One of the finest performances of Mozart’s Sinfonia Concertante, with Itzhak Perlman and Pinchas Zukerman, made at the 1982 Huberman Festival. The Israel Philharmonic is conducted by Zubin Mehta:

English translation Remko Jas

We want the light

It is not easy to put into words a five-hour long, important documentary.
So let’s make it very short,

By means of interviews, music fragments and archive films, Christopher Nuppen sketches a picture of the role that Jews have played in German culture: art, literature and music. Their urge for assimilation, inspired among others by Lessing, could only end in tragedy, because “that symbiosis had taken place inside our minds but not in the minds of the Germans”.



Wagner’s role in bringing about the Holocaust is also being examined. Norman Lebrecht says that “he is the one most to blame”, but the mayor of Rishon L’tzion (where, in October 2000, the first performance of Wagner’s music by an Israeli orchestra took place) denies this: “we will not let them take away the music from us, it has nothing to do with it”.

The survivors talk about the great significance that music has had in their lives: “if you could play you felt happy and healthy, the music gave us strength” says the then 98-year old Alice Summer.

The title of Christopher Nupen’s film, We want the light, is taken from a poem written in Theresienstadt by a 12-year-old girl, Eva Pickova.


Vladimir Ashkenazy: Music takes over when words leave off:

Producer Christopher Nupen talks about the characteristics of his films, the power of music and introduces his film “We Want The Light”.





We want the light
film by Christopher Nupen
Vladimir Ashkenazy, Daniel Barenboim, Evgeni Kissin, Zubin Mehta, Itzhak Perlman, Pinchas Zukerman, Alice Summer and others.
Opus Arte OA CN0909 D (3 DVDs)