achtergrondartikelen

I Vespri Siciliani oftewel de volksopstand die de weg naar onafhankelijkheid heeft geopend

Tekst: Peter Franken

Deze opera speelt zich af op Sicilië en voor een beter begrip van de inhoud is enige kennis van de regionale geschiedenis vereist. Sicilië maakte deel uit van het Romeinse Rijk en na de Romeinen kwamen de Vandalen gevolgd door de Ostrogoten, Byzantijnen en Arabieren. In de 11e eeuw werd het eiland veroverd door de Noormannen, feitelijk Vikingen, die een krachtig bewind wisten uit te oefenen. Spanjaarden uit Aragon, Fransen, Duitsers en later Spanjaarden van het huis Bourbon completeren de stoet. Het Franse bestuur was van korte duur. Het repressieve karakter van het régime leidde al na ongeveer twintig jaar tot een opstand waarbij alle Fransen werden verdreven of gedood. Op 31 maart 1282 sloeg de vlam in de pan nadat een Franse officier een Siciliaanse vrouw op weg naar het avondgebed zou hebben beledigd. De man werd in de kerk doodgestoken.

Pin su Librettos, programmas, partiture

Deze gebeurtenis is in Verdi’s Les vêpres Siciliennes verwerkt, beter bekend als I vespri Siciliani. Het was een opdrachtwerk van de Parijse Opéra waar het in 1855 in première ging. In zijn oorspronkelijke vorm is het een grand opéra in vijf aktes met een groot ballet.

Het Franse libretto is van Charles Duveyrier en Eugène Scribe naar hun werk Le duc d’Albe, de opera waaraan Donizetti in 1840 had gewerkt maar die om uiteenlopende redenen onvoltooid was gebleven.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Les Vêpres Siciliennes waarin Henri wordt vermorzeld tussen de intuïtieve liefde voor zijn vader Montfort en zijn afkeer voor de verpersoonlijking van de onderdrukking van het Siciliaanse volk, de Franse gouverneur Montfort. De overeenkomsten met Donizetti’s Le Duc d’Albe zijn heel duidelijk. Alleen de namen zijn veranderd.

In 1989 stond I vespri Siciliani op het programma van La Scala. In de hoofdrollen Giorgio Zancanaro als Monforte, Cheryl Studer als Elena en Ferruccio Furlanetto als Procida. Chris Merrit vertolkte de rol van Arrigo, de Italiaanse versie van Henri. Zoals gezegd wordt deze opera vrij zelden gespeeld, een lot dat het werk deelt met een reeks vroege Verdi’s. Maar voor een opera die vlak na Verdi’s succesnummer La traviata kwam is dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Toen ik na vele jaren de dvd van de opname uit 1989 nog eens afspeelde, werd me echter toch wel veel duidelijk. Alles wat La traviata na een moeilijke start tot een megasucces heeft gemaakt, ontbreekt in Vespri. La traviata is een aansprekende liefdesgeschiedenis met een schitterende rol voor de prima donna en een ontroerend duet van Violetta met Germont sr. De rol van Alfredo is routine Verdi, het gaat om de sopraan en de bariton. Verder is de opera heel compact, er staat geen noot teveel in.

In Vespri komt de liefdesgeschiedenis van Arrigo en Helena nauwelijks uit de verf. De scènes van Montfort worden nodeloos gerekt, zeker in de briefscène lijkt er geen einde aan te komen. Het ballet in de derde akte kan natuurlijk gemakkelijk worden geschrapt maar zelfs dan blijft er een onnodig lang werk over waarin de componist de protagonisten zich moeizaam laat voortslepen. Mijn conclusie is dan ook dat dit werk terecht wordt genegeerd, het is eerder een curiosum dan een aansprekende latere Verdi.

De enscenering in La Scala is basaal. Een plein met een blauwe achtergrond, de zee. Een kamer in het paleis van de gouverneur, een balzaal en een gevangenis waarin zich een beul meldt met een heuse grote hakbijl. De gebeurtenissen spelen zich af in de 13e eeuw maar de kostumering duidt op de periode waarin de opera is ontstaan. De Fransen zien er schitterend uit in hun uniformen waarin hemelsblauw is gecombineerd met roomwit. Elena loopt in een zwarte jurk, ze is in de rouw vanwege haar broer. Het volk is aanwezig in een ‘Cavalleria’ kostumering.

Men heeft in deze productie het ballet zeer serieus genomen. Het wordt in zijn volle lengte uitgevoerd en is aardig om te zien. Ook al wordt er uitstekend gedanst, het blijft natuurlijk een showstopper.

Zancanero laat een goede Montfort horen al heeft hij toch wel wat moeite de spanning vast te houden als Verdi hem langer laat zingen dan op dat moment wenselijk is. Chris Merritt biedt een uitstekende vertolking van de geplaagde Arrigo die echter te veel moet lamenteren over zijn genadeloze lot. Hoe goed hij ook zingt, zijn personage gaat irriteren.

Helena is in mijn beleving een van de minst aansprekende rollen die Verdi een prima donna heeft toebedacht.  Ze is feitelijk onnodig voor het verhaal. De roof van aanstaande bruiden door Franse soldaten is voldoende om de vlam in de pan te laten slaan.

Het loyaliteitsprobleem van Arrigo speelt tussen hem en Procida. Helena is er tussen gewurmd omdat Verdi anders zonder sopraan kwam te zitten. Dat gezegd hebbende moet ik vaststellen dat Cheryl Studer zich uitstekend weet te weren. De opname dateert uit haar ‘wonder years’ toen ze gezien werd als the voice of the century. Met name het bekende ‘Mercè, dilette amiche’ in de vijfde akte gaat haar heel goed af.

Ferrucio Furlanetto overtuigt als verpersoonlijking van het geschonden Siciliaanse zelfbeeld, een echte revolutionair. Sowieso is het altijd een genoegen deze man te horen zingen.

Riccardo Muti heeft de muzikale leiding. Het zal vooral aan hem te danken zijn dat deze productie er überhaupt is gekomen.


Discografie:

I vespri siciliani/Les vêpres siciliennes. Een beetje een discografie maar niet heus

‘Strigoii’ by Enescu: a long-lost masterpiece

Enesci Strigoii

Strigoii (Spirits) is a totally unknown oratorio by George Enescu; really no one ever knew it existed. Enescu composed it in 1916 and the – unfinished – manuscript was then lost! In the 1970s it surfaced in the Enescu Museum and it was subsequently completed by Cornel Ţăranu. A few performances by the Ars Nova Ensemble followed, but it was only very recently that the work finally gained an orchestration, namely by the composer Sabin Păuta.

George Enescu

One can consider the Ghosts as the missing link between Enescu’s early songs and his great opera, Oedipe. The musical language of the composition is close to Schönberg and his Gurre-Lieder, but Bartók’s Bluebeard’s Castle is also somewhat similar. And yet the work cannot really be compared to anything else; it is so very individual and special!

Enescu Eminescu
Mihai Eminescu


The three-part oratorio is based on a dramatic poem by Romania’s best-known poet Mihai Eminescu (1850-1889). It is a very mysterious poem that tells of the untimely death of the bride of King Harald, of whom it is not clear whether she has become an innocent ghost or a dangerous vampire.


Strigoii reminds me most of an old-fashioned radio play. This is not only because of the narrator but also because of the way the music is built around the (difficult to follow) story. It is also terribly exciting and that is mainly due to the ominous music. And suddenly I think: who needs words when the music itself really tells it all? Superb. And irresistible.

The performance is excellent. The story is told/sung in a very exciting way by the bass Alin Arca and the soprano Rodica Viva sings a beautiful queen. The tenor Tiberius Simu (Arald) and the baritone Bogdan Baciu (Der Magus) are also first-class.

The recording was made in Berlin in December 2017. The beautifully playing Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin was conducted by Gabriel Bebeselea, the conductor of the National Romanian Opera and the Transylvanian State Orchestra.

The ‘encore’, a 10-minute Pastorale Fantaisie für kleines Orchester from 1899, is nothing less than a precious gift. Thank you Capriccio!

Over muziek die verboden werd

De term ‘entartet’ (ontaard) werd al in de negentiende eeuw gebruikt in de criminologie, het betekende zoiets als ‘biologisch gedegenereerd’. Daar hebben de nazi’s dankbaar gebruik van gemaakt, want daar moest men voor oppassen, daar ging een slechte invloed van af, dat moest verboden worden. Modernisme, expressionisme, jazz … en Joden natuurlijk, die waren bij voorbaat al gedegenereerd, daar konden Arische zieltjes ziek van worden

Wat als verbod was begonnen ontwikkelde zich algauw tot uitsluiting, en resulteerde in moord. Degenen die het gelukt was om naar Amerika of Engeland te vluchten, hebben de oorlog meestal overleefd, maar tot welke prijs?

Wie in Europa was gebleven werd gedoemd. Vele componisten werden via Theresienstadt naar de concentratie- en vernietigingskampen gedeporteerd, velen belandden daar rechtstreeks. Na de oorlog werden ze totaal vergeten en zo voor de tweede keer vermoord. Wie het overleefde werd voor hopeloos ouderwets uitgemaakt en dus niet gespeeld. De kentering kwam pas in de jaren negentig, voor de meesten te laat.

Michael Haas, een toen zeer verdienstelijke producer van Decca, startte een onvolprezen serie de ‘Entartete Musik’ op. Helaas, lang heeft het niet geduurd: het verkocht niet. Haas werd ontslagen en de meeste van die cd’s zijn inmiddels uit de catalogus.


Michael Haas at Tonzauber Studios Vienna, photo Georg Burdicek

In 2004 was Michael Haas terug, in Amsterdam nota bene: samen met Jan Zekveld en Mauricio Fernandez (resp. artistiek leider en hoofd casting van de Matinee) heeft hij prachtige series voor de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw samengesteld, die met een schitterende uitvoering van Die Ferne Klang van Schreker was aangevangen.

Maar de kleine Duitse firma’s CPO, Cappricio en Orfeo gingen onvermijdelijk door met het opnemen van bijzondere schatten aan vergeten werken. Orfeo heeft zelfs een speciale serie aan die muziek gewijd, genaamd ‘Musica Rediviva’. Met o.a. de opera Die Bakchantinen van Egon Wellesz (Orfeo C136 012H), die ook tijdens de Matinee werd uitgevoerd.

Ook de Vocale symfonieën van Schulhoff (Orfeo C056031 A) zijn niet te versmaden. Gecomponeerd in de jaren 1918/19 ademen ze onvervalste sfeer van het fin de siècle: donker en zwaar melancholisch tonen ons een andere Schulhoff, de romanticus pur sang. Het warme, donkere timbre van Doris past de zwaarmoedige melodieën als een handschoen.


Als een absolute must beschouw ik de DVD getiteld ‘Verbotene Klange. Komponisten in Exil’ (Capriccio 93506). Het betreft een documentaire over de Duitse en Oostenrijkse componisten, die, zoals de commentator het zegt “in plaats van vereerd te zijn, veracht werden”. En die, dankzij de emigratie, in leven zijn gebleven. Met interviews met o.a. Ernst Krenek en Berthold Goldschmidt: de laatste maken we mee bij de allereerste opname (na 50 jaar!) van zijn strijkkwartetten. De bijna honderdjarige Krenek zegt iets, wat je typerend voor die generatie zal kunnen noemen: “Ik zit gevangen tussen de continenten. In Amerika voel ik me niet ‘heimisch’, maar ik pieker er niet over om terug naar Europa te gaan. Nergens ben ik meer thuis”.

In memoriam Christa Ludwig, Old Lady in Candide

Tekst: Peter Franken

Vrijwel iedereen in de operawereld heeft zo zijn favoriete herinneringen aan Christa Ludwig die vorige week overleed. In mijn geval zijn dat Aldagisa en Fricka. Maar een geheel andere kant van deze sympathieke mezzo krijgen we te zien in haar vertolking van Old Lady in Bernsteins Candide. In de opname die op dvd verscheen van de concertante uitvoering op 13 december 1989 geeft ze de gehele cast als comédienne het nakijken, met inbegrip van Lenny himself.

Van Candide kende ik tot voor kort eigenlijk alleen maar Cunegondes coloratuuraria ‘Glitter and be gay’ maar recent bekeek ik de gehele dvd. Iedereen heeft het geweldig naar de zin tijdens de voorstelling, dirigent Bernstein nog het meest. Hij zal opgelucht geweest zijn dat na 35 jaar zijn levenswerk nu eindelijk voltooid was. Hij overleed tien maanden later en gelet op de aard van zijn ziekte zal hem tijdens de opname al wel duidelijk zijn geweest dat zijn leven op een einde liep.

Profile in courage | The Economist

Lilian Hellman pikte Voltaires verhaal op naar aanleiding van het McCarthyism dat de US in de jaren ’50 teisterde en het nummer ‘What a day, what a day, for an Auto-da-fé’ over de Spaanse Inquisitie herinnert nog daaraan. In 1956 ging Candide op Broadway met Hellmans libretto. Hierna volgden versies in 1973, 1982 en uiteindelijk 1988 en toen zag de maestro dat het eindelijk goed was.

Voltaires idee dat deze wereld de beste was van alle mogelijke werelden kwam voort uit de gedacht dat indien er sprake was een schepper, dat de beste van alle mogelijke scheppers moest zijn. Zodoende is er voor alles een goede reden te geven, kwestie van het grote geheel voor ogen houden. Zelfs de slang heeft een positieve inbreng gehad, zonder welke de zondeval niet had kunnen plaatsvinden. En dan zou de mensheid ook niet van zonden verlost kunnen worden en dan waren we nog veel verder van huis geweest.

De verwoestende aardbeving die in 1755 Lissabon trof was voor Voltaire ‘the last straw’. De wereld en zijn bewoners vormden slechts een rampzalige vertoning. En om dat in te wrijven laat Voltaire in zijn schelmenroman Candide de meest vreselijke dingen gebeuren. Die worden echter zeer achteloos verteld. In Bernsteins Candide komt die achteloosheid vaak over als baldadige meligheid, zeg maar sophomoric humour. Maar het wordt gebracht als onderdeel van een flitsende komedie en ondersteund door onweerstaanbare muziek.

Moord en doodslag, verkrachting en geseling, verdrinking en wederopstanding, het volgt elkaar in hoog tempo op. Daarnaast kleinere steekjes zoals Cundegonde die in Parijstegelijkertijd de minnares is van een rijke Jood en de aartsbisschop, op dinsdag, donderdag en zaterdag respectievelijk woensdag, vrijdag en zondag.  Op maandag is ze vrij en beseft ze gedoemd te zijn tot sprankelen en blijheid. Na June Andersons vertolking van dit bravoure stuk gaat het dak eraf.

Zij krijgt al snel hierna gezelschap (en concurrentie) van Christa Ludwig in the Old Lady’s tango ‘I am easily assimilated’, een hilarisch nummer waarin Ludwig zich geheel en al uitleeft. An het begin van de tweede akte zingen beide dames het kostelijke duet ‘We are women’. Samen met de ouverture zijn dit in muzikaal opzicht de nummers die eruit springen.

Waarmee niet gezegd is dat Nicolai Gedda tekortschiet in zijn serenade ‘My love’ maar zijn muziek is gewoon minder interessant dan die van de beide dames.

Dat kan ook gezegd worden van Jerry Hadley die de titelrol vertolkt, uitstekend gezongen maar hij blijft een beetje een bijfiguur in een verhaal dat met al zijn krankzinnige wendingen vooral de aandacht doet uitgaan naar steeds weer nieuwe personages en situaties waardoor je de constante factor Candide bijna over het hoofd ziet.

Uiteindelijk komt Candide tot de conclusie dat de wereld niet helemaal goed of slecht is maar dat je er maar het beste van moet maken. En hij besluit met zijn Cunegonde ergens een boerderijtje te beginnen. Geen Hof van Eden, want daarin hoefden Adam en Eva niets te doen, maar een aards paradijsje waarin gewerkt moet worden om in leven te blijven.

Leornard Bernstein dirigeert zelf het London Symphony Orchestra & Chorus en staat daarnaast vooral te genieten van het optreden van zijn solisten, soms zelfs met de armen over elkaar of een beetje meeswingend. Uiteindelijk is het toch vooral zijn triomf.

VAImusic, or: Open Sesame!

VAImusic

VAI (Video Artist International) was founded in 1988 by Ernie Gilbert. It was born out of pure idealism and enthusiasm and Gilbert’s intention was to release interesting concerts as well as opera and ballet performances on video.

First of all, ballet films from Russia, featuring Maya Plisetskaya, one of the greatest ballerinas of all time, were brought out.

VAI Promo Image bnd

Below, Maya Plisetskaya in an excerpt from the second act of Swan Lake:


The catalogue was soon further supplemented with performances by Rudolf Nureyev and Margot Fonteyn, mouthwatering names for many ballet lovers

VAI Lucia

The first operas to be released were Lucia di Lammermoor (with Anna Moffo and Lajos Kozma) and The Medium by Giancarlo Menotti, followed by Tosca with Tebaldi and three titles with Beverly Sills, the uncrowned American queen of bel canto.

Below, Beverly Sills in the last scene of Roberto Devereux by Donizetti:

For the many fans of opera stars, VAI is a real Sesame, full of unsurpassed treasures, because where else do you get the complete operas of Corelli, Kraus, Caballé, Bergonzi or Tagliavini? Or recitals by Scotto, Eleanor Steber, John Vickers or Leontyne Price, to name but a few?

VAI L. Price

About ten years ago, a very attractive DVD was released with Leontyne Price singing the complete third act from Aida, recorded by Canadian television in 1958, plus a recital from 1982 with arias from Cosi fan tutte and Madama Butterfly, among others. With the added bonus of three arias from Il Trovatore, Aida and La Forza del Destino, taken from her performances in the legendary ‘Bell Telephone Hour’ from 1963-67 (VAI 4268).

Leontyne Price sings ‘O patria mia’:


However, VAI’s catalogue is not limited to opera and ballet; it also gives us recitals and concerts by many famous instrumentalists and conductors, including Oistrach, Menuhin, Barbirolli, Munch, Martha Argerich, Arturo Benedetti Michalengeli, William Kapell, Joseph Hoffman… An Arthur Rubinstein DVD was brought out with his recitals from 1950 and 1956, together with a selection of works by Chopin, and the (abbreviated) Rhapsody on a Theme of Paganini by Rachmaninoff (VAI 4275).

Vaimusic trailer:

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtube.com/embed/JyZl0RGrsNg&#8221; frameborder=”0″ allow=”accelerometer; autoplay; encrypted-media; gyroscope; picture-in-picture” allowfullscreen></iframe>

ARAM KHACHATOURIAN

VAI Khachatourian

Peter Rosen’s film about the Armenian composer Aram Khachatourian, which was awarded the prize for best documentary at the Hollywood Film Festival, is exceptionally fascinating. It begins with his funeral and then, in chronological order and in the first person, sketches the life of a man whose history ran parallel to that of the Soviet Union. It contains unique archive images in black and white, breathtaking film images of the Armenian landscapes, interesting interviews, fragments of his ballets and, as a bonus, the complete performance of his cello concerto by Mstislav Rostropovich (VAI 4298).

Below: Mstislav Rostropovich playing Khachatourian’s cello concerto



PLEA FOR GIANCARLO MENOTTI AND HIS THE CONSUL

VAI Consul

Giancarlo Menotti. For most Dutch opera lovers, he is no more than a vaguely familiar name. His operas have never been very popular here and performances can be counted on one hand.

A pity, really, because not only is his music exceptionally beautiful (think of a combination of Mascagni and Britten), but the subjects he deals with in his (self-written) libretti are  socially engaged and they address current topics.

A newspaper article of February 12, 1947 on the suicide of a Polish emigrant whose visa for the USA had been rejected, was seen by Menotti, who sadly remembered the fate of his Jewish friends in Austria and Germany (his own partner, the composer Samuel Barber, was also Jewish). He took this sorry tale and used it as a basis for his first full-length opera. The subject has – unfortunately – lost none of its actuality and The Consul is and remains an opera that cuts right through your soul.


In 1960, it was produced for television, and that registration has been released on DVD by VAI (4266 ). In black and white, without subtitles (don’t be alarmed, there is very clear singing) and extremely dramatically portrayed by Jean Dalrymple.

Patricia Neway sings ‘To This We’ve Come’:

Dmitri Hvorostovsky in two live recitals


Songs and Dances of Death (VAI 4330)

Hvorostovsky Dutoit


After Hvorostovsky won the Cardiff Competition in 1989, record companies were queuing up to sign a contract with him. Philips was chosen and promptly a small number of recitals and a few complete operas were recorded with him.

Hvorostovsky in Cardiff:



It was all too premature, Hvorostovsky was not ready: he did not speak any languages but his own, and his repertoire was much too limited. His contract was not renewed, and things went downhill for him.

But he redeemed himself in a big way! On 18 July 1998, he gave a recital for thousands of enthusiastic listeners at the Festival de Lanaudière. He sang the Songs and Dances of Death by Mussorgsky, followed by a number of arias.



I have to confess that I had been planning to read a book to help me pass the time, but I never did. Instead I listened breathlessly to his velvety voice, his matchless legato and his flawless interpretation, which moved me to tears. As Hvorostovsky is such a very charismatic singer, it is a pure unadulterated pleasure to be watching him.

Hvorostovsky and Charles Dutoit in Rossini’s ‘Largo al Factotum’ (Barbiere di Seviglia by Rossini):



Russian Songs from the war years (VAI 4318)

Hvorostovsky War years


Patriotism has become an old-fashioned word. Everything has to be international, global, multicultural and cosmopolitan, and maybe that’s for the best. The Second World War ended seventy-five years ago, and it seems so long gone….

Yet there are still people alive who experienced ‘The Great Patriotic War’. There are still (personal) stories. And then there are the songs. I grew up with them; the Russian songs from that time. My mother, who had fought in the Red Army throughout the war, sang them instead of lullabies, and they made me dream about the lonely accordionist looking for his beloved.

None other than Dmitri Hvorostovsky brought them back to the concert hall, and on 8 April 2003 he performed them for no less than 6,500 spectators in the Kremlin Palace.

Below, Hvorostovsky sings  “Журавли” (Cranes) from the film “When the cranes fly over”, by Mikhail Kalatozov:



The arrangements have been slightly altered; they sound less over the top, they have been loosened up a little and they are foremost nostalgic. There is no ‘hurrah patriotism’.

Hvorostovsky sings in a clearly relaxed way, with a mild smile around his mouth, without any vocal exaggeration or obvious articulation. A bit like a crooner, a Sinatra or a Bing Crosby.

The audience sniffles softly and mouthes the words, soundlessly singing along. I too become fascinated and feel a tingling sensation in my eyes. Nostalgia? My Dutch friend, born on Curaçao, was just as moved. Very touching.

De driehoeksverhouding tussen Billy Budd, Claggart en Vere

Een schitterend geënsceneerde naturalistische productie van Brittens zeeliedenopera uit Glyndebourne was voor Peter Franken aanleiding zich te verdiepen in wat er nu eigenlijk speelt tussen de drie hoofdpersonen. Het betreft de opname op Opus Arte uit 2010 met Jacques Imbrailo in de titelrol.

dvd_bri_billybudd

Dit mooie maar verontrustende werk zag ik een aantal malen in het theater en elke keer heb ik het verloop van het verhaal als onbevredigend ervaren. Een simpele tegenstelling als die tussen goed en kwaad spreekt me niet aan. Als je een personage neerzet als de duivel zelf hoef je natuurlijk niets uit te leggen, daar staat iemand op het toneel die het stichten van kwaad als enige bestaansdoel heeft. Hoezo uitleggen? Maar we kunnen het in elk geval eens proberen.

Billy Budd

Theodor Uppman, de eerste Billy

Ondanks dat hij een vondeling is heeft zijn omgeving hem kennelijk een redelijke start in het leven gegeven. Billy is een naïeve mooie sterke jongeman waar iedereen gemakkelijk mee weg lijkt te lopen. Binnen de kortste keren heeft hij aan boord de bijnaam Baby. Hij is ook bereid zijn schamele bezittingen te delen zoals uit de scène met de oude Dansker blijkt. Door de librettisten Forster en Crozier wordt hij neergezet als de verpersoonlijking van ‘het goede’ in de mens. En voor wie het nog niet heeft begrepen laat men hem ook naar de Indomitable overkomen vanaf een koopvaardijschip met de provocerende naam The rights of man. Als Billy zijn schip vaarwel toezingt en die naam noemt maakt hij zich ongewild verdacht. We zitten immers in 1797 op het hoogtepunt van de Eerste Coalitie Oorlog die op zee vooral tussen Frankrijk en Engeland wordt uitgevochten. De First Lieutenant geeft zijn Master at Arms onmiddellijk opdracht die nieuwe matroos in de gaten te houden.

John Claggart

John Mark Ainsley as Captain Vere, Jacques Imbrailo as Billy Budd and Phillip Ens as Claggart in the Glyndebourne production of Benjamin Britten’s “Billy Budd” directed by Michael Grandage and conducted by Mark Elder at Glyndebourne. (Photo by robbie jack/Corbis via Getty Images)

De Master at Arms van de Indomitable vormt de verbindende schakel tussen de officieren en de zeelui. Zijn macht is vrijwel onbeperkt en als die wordt gebruikt om strenge straffen op te leggen om kleinigheden, wekt dat kwaad bloed. Op de Indomitable hebben alle manschappen een hekel aan Claggart en ook de officieren mijden hem maar het liefst.

Claggart zingt in een lange monologue intérieur over zichzelf:
‘Would that I lived in my own world always, in that depravity to which I was born. 
There I found peace of a sort, there I established an order such as reigns in Hell.’

Hij wekt de indruk als het ware in een morele afgrond geboren te zijn, dus niet daar later in te zijn beland. Dat kan eigenlijk alleen maar duiden op homoseksualiteit, typisch een ‘afwijking’ waarvoor iemand in die tijd het etiket ‘depraved’ kreeg opgeplakt. Doordat Claggart zijn hele leven zich ten opzichte van andere mannen benadeeld en buitengesloten zal hebben gevoeld, zal hij zich in zijn eigen beperkte leefwereld sterk hebben gemaakt door alles en iedereen die daarin doordringt met de grond gelijk te maken. Het is zijn permanente wraak op zijn eigen gemankeerde bestaan.

En als daar plotseling zo’n knappe jongeman opduikt, werkt dat zeer ontregelend. Hij zingt:

‘The lights shines in the darkness comprehends it and suffers.
O beauty, o handsomeness, goodness!
Would that I had never seen you!
Having seen you, what choice remains to me?  
None, none! I’m doomed to annihilate you.’  
Alleen zo kan Claggart de rust en zekerheid in zijn eigen kleine universum herstellen.

Deze analyse zal niet iedereen kunnen overtuigen maar verdient mijns inziens de voorkeur boven de dooddoener Claggart is de duivel in persoon. Daarom nog een citaat:
“‘If love still lives and grows strong where I cannot enter,
what hope is there in my own dark world for me? 
No! I cannot believe it! That were torment to keen.’

Edward Fairfax Vere

Phillip Ens as Claggart, Jacques Imbrailo as Billy Budd and John Mark Ainsley as Captain Vere in the Glyndebourne production of benjamin Britten’s “Billy Budd” directed by michael Grandage and conducted by Mark Elder at Glyndebourne. (Photo by robbie jack/Corbis via Getty Images)

De kapitein van de Indomitable wordt door de crew op handen gedragen. Starry Vere noemen ze hem en iedereen is bereid voor hem door het vuur te gaan. Als Claggart bij hem komt en Billy van muiterij beschuldigt, vertrouwt Vere hem niet. Hij waarschuwt hem zelfs door erop te wijze dat valse beschuldigeigen met de dood worden bestraft.

Tegelijkertijd maakt hij zich wel degelijk zorgen over het gevaar van muiterij na het gebeuren op de Nore, the floating republic. Maar Billy kent hij inmiddels, prima jongen. Daarop stelt Claggart nogal uitdagend:
‘You do but note his outwards, the flower of masculine beauty and strength.’ 
Zinspeelt hij erop dat Vere een voorkeur heeft voor mooie jongens?

Hoewel Vere ervan overtuigd is dat Claggart liegt over Billy, laat hij die arme jongen toch zijn eigen kastanjes uit het vuur halen. Billy moet zichzelf maar verdedigen tegen die monsterlijke beschuldigingen en dan kan Vere in alle rust een besluit nemen. Hij ziet Claggart als het ware al aan de yard-arm hangen.

Maar doordat Billy zich in hoogste nood niet verbaal kan uiten als gevolg van zijn stotter en zijn vuist laat spreken, gaat die vlieger voor Vere niet op. Die laat Billy vervolgens als een hete aardappel vallen. Zijn officieren moeten rechtspreken en hun dringende verzoek om opheldering over de mogelijke beweegredenen van Claggart, wimpelt hij af.

Vere zou Billy vermoedelijk niet van de dood hebben kunnen redden, de Articles of War bieden geen enkele ruimte, maar hij doet zelfs geen enkele poging daartoe. Dat Billy hem prijst voor hij de dood ingaat zegt iets over zijn naïeve kijk op de wereld, Vere zou zich maar beter heel klein moeten maken in een hoekje.

Regisseur Michael Grandage speelt dit goed uit door Vere na het uitspreken van het doodvonnis helemaal buiten de handeling te plaatsen. En wat mij betreft heeft Vere alle reden in zijn latere leven op deze episode met een gevoel van schaamte terug te kijken.

Voorstelling

Alles is levensecht in deze productie, de contouren van een scheepsruim en dek, de kapiteinshut, de kostuums en de kanonnen. Erg confronterend wordt dit als op het toneel uitgerekend door Dansker de strop wordt gewikkeld, gewoon uit een willekeurig touw. En vervolgens houden Billy’s beste vrienden het touw vast waaraan hij komt te bungelen over de yard-arm. Ze zetten zich schrap als hij valt. Het is het meest aangrijpende moment van de hele voorstelling.

Muzikaal is het een topuitvoering met zoals gezegd Jacques Imbrailo als Billy. Vere wordt vertolkt door Joh Mark Ainsley en Claggart komt voor rekening van de zeer overtuigende Philip Ens. Mooie bijrol van Jeremy White als Dansker.

De muzikale leiding is in handen van Mark Elder.



Discografie:
Britten’s Billy Budd: brilliant music to a brilliant libretto

The Divine Emma /Božská Ema …

emmy-destinn-the-greatest-czech-soprano-dv

Emílie Pavlína Věnceslava Kittlová (February 26, 1878 – January 28, 1930) or, as the world knows her: Emmy Destinn. She is considered to be one of the greatest sopranos of the first twenty years of the twentieth century. She celebrated triumphs in Berlin, Paris, London and New York, she performed with Enrico Caruso, who had once proposed to her, and together they sang the world premiere of La Fanciulla del West, an opera that Puccini had composed with her voice in mind.

Emmmy Fanciulla

In her homeland, Bohemia, she was mainly loved for her patriotism, which even earned her a three-year house arrest during the First World War. The Czech documentary about her life is both interesting and irritating.

Emmy Dinh

Interesting because it recounts many unknown facts about her life and it provides us with beautiful images, photos and film clips and special acoustic recordings (including a real rarity: the Czech national anthem, sung in Czech together with her, then, lover, the Algerian baritone, Dinh Gilly):

Irritating, because it is put together as a very old-fashioned, extremely sentimental filmic portrait, full of seagulls flying overhead, windblown cornfields, a recurring hourglass and larded with staged fictional images. And all that to the sounds of Chopin’s Nocturne.

But the worst thing is that they had Destinn’s voice replaced with that of Gabriela Beňačková! So a great singer is not even allowed on- screen, because the leading part is – of course – intended for a beautiful young lady.

And here the _real_ Emmy:

The Greatest Czech Soprano
Supraphon, SU7006-9

Schönberg’s  ‘Gurre – Lieder’

Gurre

For me Gurre-Lieder is one of the most beautiful works ever composed. From the moment the music gently begins to swell, I am in heaven. The music, like a Dybbuk, takes hold of me completely and there is no escape possible.

Not that I mind. Feeling completely immersed in something, identifying with something, will give you a surreal feeling of being set afloat. A bit scary, yes, but also a bit like an initiation. Love, murder, an immense sadness that drives you mad, the fight against God, the power of nature: everything is there and it is fully integrated into the music.

The famous Viennese critic Julius Korngold called the work “a flowering cactus”. A beautiful metaphor.

In ‘Sehnt die Sonne’, the last piece of the cantata, Schönberg achieves something truly unprecedented, although he does not (yet) know it himself: he is building a bridge between past and present. Think of the finale of Iris by Mascagni. And think of Schönberg’s own masterpiece, A Survivor from Warsaw, composed after the war.

Below, ‘Sehnt die Sonne’ in the performance of the (not discussed here) Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle:

The premiere, on February 23, 1913, in Vienna, was conducted by Franz Schreker, with 757 musicians participating. The Dutch premiere, conducted by Schönberg himself, took place in March 1921. The idea of performing the work scenically did come up; apparently there were plans for it as early as 1927, but Schönberg has always resisted the idea.

It’s a cliché, I know, but you must hear the Gurre-Lieder live at least once in your life. No recording, no matter how great, can match the overwhelming power of a live concert.

LEOPOLD STOKOWSKI 1952

Gurre Stokowski

The very first commercial recording, as far as I know, is from 1932. None other than Leopold Stokowski conducted the American premiere of the work on April 8 that year. It was recorded by RCA and with a bit of a search you may be able to find it (though I did not succeed).

In 1961, Stokowski took the Gurre-Lieder to Edinburgh, where it caused a sensation. The performance was recorded by radio and later released on Guild (GHCD 2388/89). His affinity with the work is clearly audible, it is as if it were his love child: his approach is caressing, stroking, cuddling, but with justified outbursts of anger when the child wants to be unruly. I think that is wonderful, really wonderful.

Gré Brouwenstein is a good Tove. Nice voice, although I find her a bit distant at times. James McCracken is a bit of a heavy Waldemar, but he never degenerates into roaring, something that later marred many of his recordings. Personally, I prefer a voice that is more agile, but Stokowski’s lyrical approach also transfers to his soloists, including McCracken.

The concert begins with the announcement of the BBC presenter, after which ‘God save the Queen’ is given. Quite nice and adding to the atmosphere.
Below the Prelude, followed by Waldemar’s first song (James McCracken):

SEIJI OZAWA 1979

Gurre Ozawa

In 1979, Mc Cracken was long past his prime. A pity, because it is the only blemish on an otherwise splendid performance by Seiji Ozawa (Philips 4125112).

The young Jessye Norman could do anything she wanted with her voice, and her dark soprano with its enormous width is very sensual. A little dominant, it is true, not really an innocent lady, but I like it.

Jessye Norman sings ‘Du sendest mir einen Liebesblick’ :

Tatjana Troyanos is a very heartfelt Waldtaube. The whole was recorded live at the Boston Symphony Hall.



RICCARDO CHAILLY 1985

Gurre Chailly
I find the rendition by Riccardo Chailly (Decca 4737282) somewhat disappointing. It is a ‘studio’ recording (recorded in 1985 in Jesus-Christus-Kirche in Berlin), but the sound does not really come across. I also find Chailly a bit noisy, with few nuances.

Siegfried Jerusalem just sounds Wagnerian, and that is, in this case, not a compliment. Also Susan Dunn (Tove), at the time a Chailly protégé, is not really adequate, sometimes it seems as if she does not know what she is singing. But then Brigitte Fassbaender (Waldtaube) comes along and any doubts are gone!



ESA-PEKKA SALONEN 2009

gurre-salonen
In 2009, Esa-Pekka Salonen (SIGCD173) caused a sensation with his performance at the Royal Festival Hall in London. And rightly so. The performance is really sizzling and the soloists, with foremost Soile Isokoski as the most beautiful Tove ever, are fantastic.

Stig Andersen is certainly a good Waldemar and Monica Groop a heartbreaking Waldtaube. Unfortunately, the recording is abominable. There is no sound balance whatsoever, you have to adjust your volume buttons all the time. I do not have a SACD player, but my speakers could not cope with it. A pity.



MARKUS STENZ 2014

gurre stenz

The performance recorded in June 2014 under Markus Steinz for Hyperion (CDA68081/2), is in my opinion among the best available. The Gürzenich-Orchester Köln evidently feels like a fish in water in the late Romantic idiom and – reinforced by the six different choirs – they do not shy away from any means of getting through to the listener and his heart. The “Zemlinsky years” of James Conlon are apparently in their genes forever…..

The, in itself, warm mezzo of Claudia Mahnke (Waldtaube) unfortunately has some sharp edges. For me, I would have liked it to be a bit more lyrical – less Wagner and more Zemlinsky, so to speak – but her performance is more than impressive. A real voice actress.

The Dutch soprano Barbara Haveman is a very sensual Tove, but best of all is Brandon Jovanovich. As Waldemar, he is pushing his limits, but he never oversteps them. Very masculine and at the same time very fragile. For me, his performance is more than sensational.

The baritone Johannes Martin Kränzle is a fantastic speaker. His presentation is devoid of any mannerisms, something many performers of this role are guilty of (Sunnyi Melles in Amsterdam!).

REINBERT DE LEEUW 2011

Gurre de leeuw

Before I reveal my absolute favourite (we all like a bit of suspence, don’t we?), a word about Reinbert de Leeuw’s performance, recorded by KRO on March, 26, 2011 in a sold-out Dr Anton Philipszaal in The Hague. The orchestra was “halved”, there were “only” 356 musicians. I did not really like the soloists , but it is still a homegrown document. The Internet offers enough (pirate) recordings. Otherwise, just search for it on youtube.

Reinbert de Leeuw speaks about the Gurre-lieder:

AND THE WINNER IS: RENÉ LEIBOWITZ 1953

Gurre-Leibowitz

René Leibowitz. Have you ever heard of him? In the 1950s, he was one of the best conductors, the ones who put their own stamp on everything they undertook. In 1953, he conducted “Gurre-lieder” in Paris. When I received the CD (Preiser 90575), I thought: interesting, let it come… Well… a few hours later I knew: better, more beautiful, more moving than this does not exist, at least not for me. With Leibowitz you can even hear the flapping of the dove’s wings!

Richard Lewis sings a Waldemar as I have always wanted to hear him: sensitive and delicate. Ethel Semser (Tove) was well acquainted with Schoenberg’s oeuvre; she had already recorded his Pierrot Lunaire.

Nell Tangemann (Waldtaube) remains a great unknown, despite the roles she has created: Mother Goose, for example. Or Dinah, in the world premiere of Bernstein’s “Trouble in Tahiti”. Ned Rorem has also composed a few things for her. Unfortunately, no recordings of this exist, so you can consider the Gurre-lieder as a document and a tribute to the unknown mezzo-soprano who honestly deserved better.
An absolute must.



BONUS
A curiosity: Schoenberg conducting his ‘Lied der Waldtaube’, here sung by Rose Bampton. The recording dates from 1934:

De ‘Ausgrabungen van Kirsten Harms’: Marie Victoire in 2009

Tekst: Peter Franken


Kirsten Harms, Intendantin der Deutschen Oper Berlin 2004–2011, Foto: Bernd Uhlig

In de tijd dat Kirsten Harms intendant was van de Deutsche Oper Berlin stond er een kleine reeks ‘revolutie-opera’s’ op het programma te weten Andrea Chénier, Les dialogues des  Carmélites, Germania en Marie Victoire. De laatste twee worden gerekend tot Harms’ Ausgrabungen van vergeten werken.


                            Respighi: Foto: picture-alliance © Costa/Leemag

Marie Victoire van Ottorino Respighi (1879-1936) is een echte rariteit. Het werd gecomponeerd in de periode 1912-1914 maar beleefde pas op 27 januari 2004 in Rome zijn première. Het libretto van Edmond Guirod past helemaal in de reeks opera’s die de Franse Revolutie als achtergrond hebben zoals Chénier en Dialogues.

 De opera begint in 1793, vier jaar na het begin van de revolutie. Graaf Maurice de Lanjallay en zijn vrouw Marie wonen nog steeds in hun landhuis en zijn min of meer gevrijwaard gebleven van de gevolgen van de revolutie. Als Maurice elders verblijft om zijn vader bij te staan, wordt Marie gearresteerd, samen met de Chevalier Cloriviere, een jeugdvriend van het echtpaar Lanjallay. Zij worden ter dood veroordeeld door een revolutionair tribunaal. De nacht voor de executie bezwijkt Marie voor de avances van Cloriviere: echtelijke trouw lijkt plotseling zo futiel nu ze de dood in de ogen kijkt. Maar uitgerekend dan wordt Robespierre gedood en de Terreur beëindigd. Marie behoudt haar leven maar maakt zichzelf verwijten: ze is nu een gevallen vrouw.


                   © Barbara Aumuller

Zes jaar later woont gravin Lanjallay in Parijs. Ze noemt zichzelf nu Marie Victoire, heeft een zoontje uit de liefdesnacht met Cloriviere en drijft een hoedenwinkel. Plotseling duikt Marie’s dood gewaande echtgenoot Maurice op. Kort daarna is een explosie te horen: Cloriviere heeft een aanslag op Napoleon gepleegd, die echter is mislukt. Hij wil zich verbergen in Marie’s winkel en treft daar Maurice die hem wegstuurt. Vervolgens geeft deze zichzelf aan bij de politie. Voor het gerecht probeert Marie haar man ertoe te bewegen zijn valse bekentenis in te trekken. Ook vertelt ze hem over haar misstap. Hij vergeeft haar maar houdt verder zijn mond. Dan staat Cloriviere op uit het publiek en bekent schuldig te zijn aan de aanslag op de Eerste Consul. Onder het zingen van Marie Antoinettes lievelingsliedje ‘Il pleut, il pleut, bergère’ schiet hij zichzelf door het hoofd.

De hoofdrollen werden in Berlijn vertolk door de Amerikaanse sopraan Takesha Meshé Kizart als Marie, bariton Markus Brück als Maurice en de tenor Germán Villar als Cloriviere.

                                                      Takesha Meshe Kizart . ©Barbara Aumuller

De muzikale leiding was in handen van Michail Jurowski.

Trailer van de productie:

Op CPO is een opname verschenen van deze productie uit 2009: