achtergrondartikelen

Bernstein’s Mass:Theatre piece for singers, players and dancers.

Bernstein Mass

Did you know that the FBI shadowed Leonard Bernstein for decades? He was suspected of having communist sympathies. One of the reasons was – at least according to
The New Yorker – the planned premiere in 1971 of his Mass, an eleven-part ‘Theatre piece for singers, actors and dancers’, based on the Latin mass, with English texts by Stephen Schwartz (and Bernstein himself) and dedicated to the assassinated President J.F. Kennedy. According to the FBI, Bernstein “concocted a left-wing plot to embarrass the, then-President, Nixon, with an ‘anti-war’ composition.”

Berstein Schwartz
L) L-R Gordon Davidson, Leonard Bernstein, Stephen Schwartz (R) Leonard Bernstein, Stephen Schwartz; Opening Night; Kennedy Center for the Performing Arts – 1971
©2018 Stephen Schwartz.

It is a story – briefly put – about a boy who is forced by his friends to become a priest while he prefers to honour God with his guitar and his songs: ‘Sing God a simple song…. for God is the simplest of all’. At the end, he desecrates the altar and regains his trust in God.


To me, the work with its strong reminiscences of ‘Hair’ and ‘The Age of Aquarius’ feels quite dated, and the rock-solid performance under Yannick Nézet-Séguin can’t do anything to change that.

Yannick Nézet-Séguin on Bernstein and his Mass:


I am very surprised that the Mass has not been released on DVD. For although the composition is really strong and the purely vocal/instrumental part may be called grandiose: the whole still lacks an essential part of what Bernstein had in mind.



LEONARD BERNSTEIN
Mass
A Theatre piece for singers, players and dancers
Diverse solisten en koren
The Philadelphia Orchestra olv Yannick Nézet-Séguin
DG 4835009 (2cd’s)

Le Nozze di Figaro from Hamburg: Arlene Saunders in memoriam

Arlene Saunders, Soprano With a Dramatic Flair, Dies at 89 - The New York  Times

In 1967 Liebermann was still in charge of the Hamburg opera house. He made sure they offered a good, solid and varied repertoire with special attention to the contemporary repertoire.He built a fantastic ensemble of singers and attracted foreign stars and would-be stars ( the world career of Plácido Domingo took off in Hamburg).

Liebermann is now regarded as the founding father of Regietheater, (German for director’s theater), although his ideas were very different from today’s conceptualism, in which the boundary between the permissible and the ridiculous is sought and often crossed

Nozze Hamburg


The reconstructed production of Die Hochzeit des Figaro (yes, it is sung in German) is of great historical value. But it has more to offer; the production is magnificent, the orchestra of the Hamburg Opera under conductor Hans Schmidt-Isserstedt is excellent and the singers are all idiomatic.

The American baritone Heinz Blankeburg is a droll Figaro and as Susanna, Edith Mathis is simply wonderful. I would actually like to shout it from the rooftops: this is how Susanna is meant to be! The young Tom Krause is a more than delightful Count and Arlene Saunders as the Countess, is a real match for him (and his timbre).

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtube.com/embed/ubUxZDedD-s&#8221; frameborder=”0″ allow=”accelerometer; autoplay; clipboard-write; encrypted-media; gyroscope; picture-in-picture” allowfullscreen></iframe>

We even get a bit of historical ‘maestro to the pit’ as part of the recording. Atmittedly, the tape is not completely reconstructed, there are gaps and the colours are very much “the sixties”. It doesn’t matter, I’m very happy to enjoy it al (Arthaus Musik 101263)

Schikaneder, Mozart en von Winter: Die Zauberflöte

Tekst Peter Franken

Zeker zo populair als Don Giovanni is Mozarts (voor)laatste opera, het Singspiel Die Zauberflöte uit 1791. Of is het vooral een opera van Emanuel Schikaneder? Ter vergelijking The Mikado en The pirates of Penzance: wie is hier de componist en wie schreef de tekst? Gilbert and Sullivan is hèt voorbeeld van een team waarin nu eens niet de componist als eerste wordt genoemd, maar de librettist.

Als we ons een beetje verdiepen in de carrière van Emanuel Schikaneder, schrijver, zanger en theatermaker, dan wordt duidelijk dat we hier niet van doen hebben met iemand die snel bereid was de tweede viool te spelen. In het project Die Zauberflöte zal hij zichzelf, als door de wol geverfde professional, zeker de eerste plek op het affiche hebben toegedacht: Schikaneder en Mozart. Maar ja, Mozarts muziek bleek tijdloos en Schikaneders wijze van theater maken was volledig verankerd in zijn eigen tijd en daardoor tijdgebonden.

In mijn beleving zou Mozart echter niet een blijvende reputatie als groot operacomponist hebben kunnen genieten als latere generaties zich zouden hebben gebaseerd op uitsluitend de muziek voor Die Zauberflöte. Het zwaartepunt in zijn oeuvre ligt duidelijk bij de Da Ponte cyclus, overigens ook een serie met een gedeeld credit!

Vrijwel elke muziekliefhebber heeft ooit Amadeus gezien. Een briljant toneelstuk van Peter Shaffer uit 1979, later met groot succes verfilmd. Uiteraard is het verhaal dat hierin wordt verteld op tal van punten historisch onjuist maar er is een bepaalde scène die bij mij is blijven hangen. Het is het moment waarop Mozart zijn nieuwste stuk Die Zauberflöte omschrijft als Vaudeville. Het gaat hier niet om een serieuze opera maar om een theaterstuk ‘voor het volk’ met als voornaamste oogmerk het verdienen van zoveel mogelijk geld.

Vaudeville is een vergeten genre dat op een onverwachte wijze een zekere comeback vierde in de jaren 1970-80: De Muppetshow. Voorop staat het iedere keer weer samenstellen van een gevarieerd programma van zang, dans, komische sketches, magie etc. Twee oude heren, Statler en Waldorf, geven commentaar op het gebodene vanuit hun loge en nemen daarbij geen blad voor de mond.

Bij het zien van Simon McBurney’s versie van Die Zauberflöte bij DNO, dacht ik bij mijzelf: ‘Dit is iets dat Schikaneder zeker goed zou zijn bevallen’. En vervolgens: ‘Wat zouden Statler en Waldorf bij bepaalde scènes voor commentaar hebben geleverd?

Trailer uit Amsterdam:

Het verhaal is een pastiche van voor het publiek in 1791 herkenbare personen, beelden en situaties. Zo verwijst de figuur van Monostatos naar Angelo Soliman, een voormalige negerslaaf die zich had opgewerkt tot lid van de keizerlijke entourage. De verwijzingen naar de vrijmetselarij passen in het tijdsbeeld waarin een zekere hang naar ‘het wonderbaarlijke’ in de mode was gekomen, mede als reactie op de Verlichting en daaruit voortvloeiende secularisering. Schikaneder en Mozart behoorden beiden tot deze ‘beweging’ zodat het voor de hand lag om daaruit te putten bij het optuigen van hun verhaal.

Waar graag naar wordt verwezen in dit verband is de rol van de vrijmetselarij als voorhoede in het streven naar andere regeringsvormen, waarin niet de absolute macht van een vorst maar het belang van het volk centraal staat. In die zin wordt dan de tegenstelling geduid tussen de Koningin van de Nacht, die staat voor de tot nu toe heersende duisternis, en Sarastro die de weg wijst naar een nieuwe lichtende toekomst: ‘Die Strahlen der Sonne vertreiben die Nacht’.  

Dat moge zo zijn maar waarom wordt diezelfde Sarastro dan opgevoerd als iemand die zich gedraagt als een fascistoïde etterbuil. Zo’n Sarastro als nieuwe leidsman leidt ons van de regen in de drup. Partij kiezen is bij Die Zauberflöte overigens net zo lastig als bij een bevriend echtpaar dat in scheiding ligt. Voor de pauze sta je helemaal aan de kant van de Koningin van de Nacht die haar dochter uit de klauwen van Sarastro probeert te reden. Na de pauze draaien de rollen om en is de moeder de echte booswicht.

Eigenlijk is het verhaal gewoon een fantasy, om in hedendaagse termen te spreken, waarin een komisch duo op zoek gaat naar iets of iemand. De zoektocht betreft hier een gegijzelde prinses, de opdrachtgever is een enge dame die angstaanjagend zingt. Het wat vulgaire aspect van de verwerkte humor vinden we in het gebruik van de ‘wapens’ die het duo in staat moeten stellen hun queeste tot een goed einde te brengen: een toverfluit plus een klokkenspel. Toen was het een succes om twee redenen, het verhaal en de muziek. De muziek spreekt grotendeels nog steeds aan, dankzij de stukken waarvan je de tekst gemakkelijk kunt negeren. De tekst is echter behoorlijk achterhaald en het stilzetten van de handeling door eindeloze monologen en dialogen is dodelijk voor de vlotte voortgang. De humor is niet op het niveau van onze tijd en mist elke vaart. Statler en Waldorf zouden daar niet bij gezwegen hebben. Maar kijken we terug naar de oorsprong, dan moet gezegd dat Schikaneder meer credit verdient dan hem nu wordt gegund. Schikaneder en Mozart, de voorlopers van Gilbert en Sullivan een eeuw later.

Na Mozarts dood heeft Schikaneder getracht het succes van Die Zauberflöte te rekken door er in 1798 een vervolg aan te geven, getiteld Das Labyrinth oder Der Kampf mit den Elementen. Het verhaal begint kort na het einde van Die Zauberflöte en schildert de weer oplaaiende strijd tussen Sarastro en de Koningin van de Nacht.

Verder worden Tamino en Pamina aan nieuwe beproevingen onderworpen. Vuur en Water hadden ze doorstaan, nu zijn Aarde en Lucht aan de beurt. Als klap op de vuurpijl wordt Pamina op haar huwelijksdag door haar moeder ontvoerd en als bruid aan Tipheus, de koning van Paphos, geschonken.

Ook Papageno en Papageno krijgen het zwaar te verduren. Ze worden door Monostatos gescheiden waarbij deze Papageno aan een Moorse vrouw probeert te koppelen om zodoende Papagena voor zichzelf te winnen. Uiteraard loopt alles uiteindelijk ‘goed’ af. De beide liefdesparen worden herenigd en de Koningin van de Nacht wordt met haar gevolg aan een rots geketend.

De muziek voor deze sequel werd voor Schikaneder geschreven door zijn vriend Peter von Winter, een inmiddels vergeten componist die naar verluidt zo’n veertig opera’s op zijn naam heeft staan. Het succes van Das Labyrinth bleef echter ver achter bij dat van Die Zauberflöte en het werk raakte volledig in de vergetelheid. Voor de Salzburger Festspiele van 2012 werd het ‘opgegraven’ en door Alexandra Liedtke geënsceneerd. Er is een opname van verschenen op Arthaus.

Straat-acrobatiek choreograaf Marco Gerris en mime-regisseur Jakop Ahlbom sloegen de handen, voeten en hoofden ineen.

Tekst: Neil van der Linden

Twee jaar geleden ging ik voor Basia con Fuoco naar het prachtige Elements of Freestyle, een volmaakte etalage van ISH’ handelsmerken: halsbrekende en ademstokkende breakdance, in-line-skating (acrobatisch rolschaatsen), skateboarding, freestyle basketball (jongleren met tot wel vijf basketball ballen) BMX (‘Bike MotoCross’, jongleren op een terreinfiets) en freerunning (‘apenrotsen’ heette dat vroeger bij gym, aan de ‘rekken’ en op de ‘bok’, maar dan wel vijf keer zo hoog en over gebouwen heen, trapleuningen op en balkons af), allemaal erkende specialismen in de jongeren- ‘urban’ ‘street’ cultuur. Dat wil zeggen: eigenlijk is het handelsmerk van ISH en choreograaf Marco Gerris het telkens maar vinden van mensen die dat kunnen en met die mensen elke keer weer een samenhangende voorstelling maken.

Marco Gerris is zelf begonnen als theater-rollerskater en is in die hoedanigheid bijvoorbeeld ooit opgepikt door choreografe Krisztina de Châtel, ook al zo iemand die zonder haar basis uit het oog te verliezen van alles artistieks bij elkaar brengt/bracht. Daarna zijn Marco Gerris en zijn organisatie ISH samenwerkingen aangegaan met het Nationale Ballet en was er MonteverdISH, een majestueuze bewerking van Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppeia in samenwerking met Vocaal Lab van Romain Bischoff.

Nu is er Knock-out, een samenwerking met de Jakop Ahlbom Company, van de Zweeds-Nederlandse mime-regisseur Jakop Ahlbom, die absurdistisch ‘googel’-theater maakt, virtuoze verdwijntrucs en dergelijke, in scenario’s die intussen over de tragikomische kanten van het leven gaan, zoals in internationale successen als Horror en Lebensraum. Bij elkaar kon dat misschien nauwelijks in iets anders resulteren dan een parodie op film noir in combinatie met de esthetiek van de knokfilm.

In Knock-out zien we hoe de gokverslaafde Larry en zijn ontevreden vrouw Buffy worden gekidnapt. Larry’s steenrijke vader moet het losgeld brengen, maar onderweg naar de gijzelaars verschijnen er allerlei ongenode gasten. Er barst een spectaculair gevecht los waarin alle fysieke grenzen worden opgerekt: mensen hangen in de lucht, worden tegen muren geplet, uit elkaar getrokken en vechten daarna in volle vaart weer door.

En dan is er ook nog een geheimzinnige cowboy met een gitaar die alles aan elkaar zingt. Of eigenlijk niet aan elkaar zingt, want in de goede traditie van veel Country- and Western en Folk-singers tot en met de vroege Dylan kun je zijn zang een groot deel van de tijd nauwelijks verstaan en als je die wel verstaat lijkt er, in de traditie van Dylan, een groot deel van de tijd geen touw aan vast te knopen. En dat is natuurlijk bewust zo gedaan.

Intussen is deze Lonesome Cowboy een parodie op de archetypische permanente vreemdeling, de indringer tegen wil en dank, indringer uit de meest existentialistische film noir en Western-plots  – alleen is het in deze voorstelling natuurlijk een sul, die patience speelt terwijl om hem heen de goegemeente bezig is achter elkaar aan te rennen of over elkaar heen te rollen, en hoogstens de andere personages af en toe drank in schenkt, om dan weer onverstoorbaar een lied aan te heffen. Een prachtige rol van Leonard Lucieer, die gewoon ook mooi zingt en gitaar speelt.

Eerst lijkt het alsof het alleen maar slapstick wordt, maar juist als de trucs uit uit de disciplines van beide regisseurs op stoom komen ga je ook meevoelen met de personages, hoe (opzettelijk) karikaturaal ze ook zijn: de zielige echtgenoot die wordt bedrogen, de echtgenote die intussen echt weet wat ze wil, en die haar geheime minnaar op zijn nummer zet als zijn minder fraaie kanten naar boven komen.

Behalve de onverstaanbare cowboy-liedjes zijn er alleen losse flarden tekst te horen uit de geparodieerde film noir, Westerns en Amerikaanse en Aziatische knokfilms. Talloos zijn ook de verwijzingen naar het oeuvre van de regisseur die al die genres ook zo fraai parodieerde, Quentin Tarantino. Het koffertje waarin het losgeld zit en waaruit licht komt zit ook in Tarantino’s Pulp Fiction en komt oorspronkelijk uit Robert Aldrich’ Kiss Me Deadly en in vechtscènes doet de vrouw des huizes (Lisa Groothof) doet niet onder voor Umma Thurman in Tarantino’s Kill Bill.

Ook de moderne tijd is de voorstelling binnengedrongen, letterlijk, in de vorm van een pakketbezorger, die vervolgens (letterlijk) niet weg te slaan is, en als een golliwog-pop een grimas blijft opzetten, een briljante rol van Tyrone Menig, die daarmee intussen een prachtige satire op karikaturale zwarte rollen in cartoonfilms speelt. Ook blijkt Tyrone Menig een virtuoze vechtsporter blijkt te zijn, die intussen met behulp van breakdance.  freerunning en een knap staaltje zwaardvechten iedereen die hem het huis uit wil hebben van zich af weet te slaan. Als hij dan tenslotte het veld lijkt te hebben geruimd, belt hij even later aan als pizzabezorger en begint het spel overnieuw.

Er wordt vaak aangebeld in deze voorstelling. En hoewel de personages van alles te verbergen hebben doen ze elke keer keurig de deur open. Dit staat misschien voor de korte aandachtspanne van de moderne tijd, zoals we inderdaad te geneigd zijn op elke prikkel uit de buitenwereld (in de tegenwoordige tijd de aandacht opeisende sociale media) ingaan in plaats van ons te blijven concentreren op onze eigenlijke prioriteiten. Ook als die prioriteiten zoals in deze voorstelling zijn: echtgenoot of echtgenote bedriegen, geld afpersen en rivalen en concurrenten uit de weg ruimen.

Spectaculair zijn ook het decor en de techniek. Hoe groot de chaos schijnbaar ook wordt, alles is tot de in de puntjes uitgedacht. Zou trouwens niet anders kunnen, alles moet tot op de millimeter kloppen, anders gebeuren er ongelukken.

YouTube trailer:
https://www.youtube.com/watch?v=oBz

Knock-out, Jakop Ahlbom Company en ISH Dance Collective, gezien 15 september, DeLaMar theater Amsterdam.

Regie: Jakop Ahlbom
Choreografie: Marco Gerris
Fotograaf: Bart Grietens
Spel: Lisa Groothof, Patrick Karijowidjojo, Leonard Lucieer, Tyrone Menig, Freek Nieuwdorp, Arnold Put, Bodine Sutorius
Muziek live: Leonard Lucieer

Fotografie: Bart Grietens scènefotos, Leon Hendrickx publiciteitsfoto’s.

Knock-out, nog t/m 26 september in theater DeLaMar.

 Macbeth by Ernest Bloch. Ever heard of?

Ernest Bloch - Visuotinė lietuvių enciklopedija

Ernest Bloch was born into an assimilated Jewish family in Geneva in 1880. Around the age of twenty-five he became interested in all things Jewish and he translated them into his own language – music. “I am interested in the Jewish soul” he wrote to his friend Edmund Fleg (Flegenheimer): cantor, poet, philosopher and  playwright. “I want to translate all that into music”. He succeeded.

But Bloch is more than the ‘Jewish soul alone’. Before the war he was one of the most performed and appreciated composers. People even called him the fourth great ‘B’ after Bach, Beethoven and Brahms. The name Bloch stands for concertos, symphonies, string quartets, piano quintets, violin sonatas, suites for solo strings and songs. And an opera.



Bloch was only 24 years old when he and Fleg came up with the idea to create musical theatre. It was Fleg who thought of ‘Macbeth’. Bloch had his doubts, because he actually wanted to compose something cheerful, but soon he started with the first sketches. It took him five years to complete the opera, but when it was finally done, the boss of the Opéra Comique, the famous Albert Carré, was immediately interested.

We can hardly imagine it now, but at that time Verdi’s Macbeth was almost unknown. It had not yet been performed at the Opéra or the Opéra Comique. The sole performance in Paris had been in 1865 at the Théâtre Lyrique where it was received with very moderate enthusiasm.

ألبرت كاريه - Wikiwand
Albert Carré

Whether Carré’s interest was sincere or whether it was because his Prima Donna, at the time one of the greatest dramatic sopranos, Lucienne Bréval (a compatriot and good friend of Bloch) was so keen to sing it? We will probably never know, but on 30 November 1910 that was it.

Ernest Bloch - Macbeth
Lucienne Bréval als Lady Macbeth


The leading parts were played by the greatest singers of the time, with besides Brevál the Dutch baritone Henri Alber

Albers als Artus in Le roi Arthus van Chausson

Bloch’s opera was performed 13 times in 1910. Reactions and opinions were divided: they ranged from almost ecstatic (Romain Roland was among the greatest admirers) to scathing. In January 1911, there were 15 more performances and that was it. It was not until 1938 that the opera was performed again: curiously, in Naples. Remember: this was in Mussolini’s fascist Italy! There were only two performances: the third was cancelled by the orders of Mussolini himself.

After the war, there was a brief revival; in 1953, ‘Macbeth’ was staged in Rome in the Italian translation by Mary Tibaldi Chiesa. The cast was a real delight: the leading roles were sung by Nicola Rossi Lemeni and Gianna Pederzini; Gianandrea Gavazzeni conducted.

Ernest Bloch en de 'andere Macbeth' | Place de l'Opera
Gianna Pederzini, Ernest Bloch, Gianandrea Gavazzeni en Nicola Rossi Lemeni in Rome, 1953.

Performances in Trieste in 1957 and in Brussels in 1958 (sponsored by Queen Elisabeth, who loved the opera) followed; and after Bloch’s death, Macbeth” was also presented at La Scala.

In April 1960, Geneva gathered the best forces in the opera world to pay tribute to the opera. Heinz Rehfuss and Lucienne Devallier sang the leading roles and the direction was in the hands of Ernest Ansermet. If you ask me: it doesn’t get much more beautiful than this. At least orchestral.

Highlights from the Geneva performance:


In 1968, Rossi Lemeni was allowed to repeat his phenomenal Macbeth interpretation, also in Geneva. His Lady was none other than Inge Borkh, Pierre Colombo conducted. Thanks to YouTube, the whole performance can now be heard in your own home: please do so


I do not know why, but the opera is nowhere as popular as it is in the United States. In 1973, the work was performed in English translation at the Juilliard School of Music under Adler’s direction. Frederic Burchinal (not an unfamiliar name to Dutch opera fans) sang the lead role.

Long Beach Opera presented the opera in 2013 starring the Panamanian “barihunk” Nmon Ford and the production was taken over by the Chicago Opera Theater in 2014. The Manhattan School of Music was the first to present the opera in French in December 2014.

Trailer from Chicago:



And now for the opera itself. The story is very Shakespearean, more so than Verdi’s. It has three instead of five acts, but otherwise there is not too much of a difference.
The music is often described as a mix of Wagner, Mussorgsky and Debussy, but for me, it is mainly Debussy, lightly peppered with a touch of Pizzetti and Bartók (yes, Bartók!). And I also hear reminiscences of Verdi, but of his “Otello”. But Bloch was also ahead of his time, because the great aria of Lady is very ‘Hitchcockians’, especially if you listen to it in the performance of Inge Borkh. Her Lady is terrifying!

Borkh as Lady Macbeth, unparalleled!




Recordings:

bloch-macbeth



As far as I know, there are only two commercial editions on the market. I have them both and both have their merit. The concert performance from Montpellier, recorded live on 26 July 1997 (Actes Sud OMA34100) is conducted by Friedemann Layer who makes quite a bombastic mess of it, but Jean-Philippe Lafont is without doubt a brilliant Macbeth. The role calls for a “French sounding” baritone with an easy and supple pitch, but also with great depth and resonance. The Golaud type. Lafont more than satisfies this requirement.
Merkella Hatziano is to my taste a somewhat too light Lady, but her sleepwalking scene is scorching. The textbook contains the complete libretto, but only in French.

bloch-macbeth-capriccio




The other recording (Capriccio 10889/90) is from Dortmund. It was the very first time the opera was performed in Germany. The live recording from 2001 is far from perfect, but it is atmospheric. And the Lady, sung here by Sonja Borowski-Tudor, is absolutely impressive. There is no libretto, but the synopsis in three languages is very useful if French is not your strongest language!


And speaking of the unknown Bloch, don’t forget his symphonic poem ‘Hiver-Printemps; ! Together with the beautiful song cycle “Poèmes d’Automne” (composed for the texts of Béatrix Rodès, at the time Bloch’s beloved), they form as it were a whole, a kind of ‘Seasons’, with only summer missing. How appropriate!

Hiver-Printemps:

De vermoeide Dood nieuw leven ingeblazen

Tekst: Neil van de Linden

Fritz Langs Der müde Tod uit 1921 stamt uit de tijd dat de filmkunst ongeveer per jaar sprongsgewijs verder evolueerde. In het jaar ervoor verschenen Das Kabinett des Dr Caligari en Der Golem, het jaar erna F.W. Murnaus Nosferatu. En van hetzelfde jaar als Der müde Tod is Zemlinsky’s Der Zwerg, nu te zien als een eerbetoon aan de filmkunst in de regie van Nanouk Leopold bij de Nationale Opera.

Fritz Lang, met een Joodse moeder die katholiek was geworden en door zijn ouders katholiek werd opgevoed, beschouwede zichzelf als atheïst maar vond religie wel een middel om ethisch inzicht te verwerven. Der müde Tod is ontegenzeglijk religieus geïnspireerd. De film gaat over een jong paar. Tijdens hun huwelijksreis ziet de vrouw haar echtgenoot weggevoerd worden door de Dood. Dit moet een verzinnebeelding zijn van de tol aan levens van vooral jonge mannen die de Eerste Wereldoorlog had geëist, waarop de Spaanse Griep toesloeg en nog meer levens had gekost.

Gesterkt door een tekst uit het Hooglied, waarin staat dat liefde zo sterk is als de dood, probeert ze zelfmoord te plegen, waarop de Dood klaar staat om ook haar op te halen. Maar in plaats daarvan smeekt ze hem haar echtgenoot terug te laten keren. De Dood, moe van al het leed dat hij aanricht, geeft haar drie kansen om haar echtgenoot te redden, in drie verhalen waarin ze moet proberen de Dood te slim af te zijn en die zich afspelen in de Arabische wereld, in Venetië tijdens het Carnaval en in het Chinese rijk. In elk van de situaties mislukt de poging, maar de Dood geeft haar nog een kans, als ze iemand bereid zou vinden te sterven in plaats van haar geliefde. Ook al zeggen ook de oudste stadsgenoten nog weinig om het leven te geven, niemand biedt zich aan en ook in een ziekenhuis vindt ze geen gehoor.

Dan breekt er brand uit in het ziekenhuis. De jonge vrouw helpt alle patiënten te ontkomen. Maar er is nog een baby achtergebleven in het brandende gebouw. Ze rent naar binnen en neemt het kind in haar armen. De Dood verschijnt weer en biedt haar de mogelijkheid om het leven van het kind in te ruilen voor dat van haar geliefde. Maar als ze buiten de moeder van het kind ziet huilen om het kind weigert ze het aanbod van de Dood en helpt het kind toch te redden. Zelf ontkomt ze niet op tijd aan de vlammen. Maar de Dood heeft dan gezien hoe groot en onbaatzuchtig de kracht van haar liefde is en besluit het jonge paar te laten terugkeren naar het leven – een moment waarbij ook de hedendaagse kijker een traantje wegpinkt bij deze film die ook voor het overige de gemoederen niet onberoerd laat.

 

Het is een ‘stille’ film (stomme film klinkt, ehh, stom) en klarinettist/saxofonist Steven Kamperman heeft er nieuwe muziek voor geschreven, die wordt uitgevoerd door het vocaal ensemble Wishful Singing. De leden bespelen ook blokfluit, cello en harmonium, met percussionist Modar Salama al gast-instrumentalist, waarbij zijn instrumentarium met name een grote rol speelt in de Oriëntaalse scenes, grote lijsttrommels bij de unieke Sufi-derwish-dansscene aan de Arabische scene en gongs en bellen aan het keizerlijke hof in China, maar ook belletjes tijdens een scene met kerklokken en een triangel in de episode waarin de Dood de notabelen van de stad ruim betaalt om er zijn intrek te mogen nemen. De live-muziek wordt aangevuld met vooraf opgenomen elektronische effecten tijdens de scenes in het rijk van de Dood.

Componist Steven Kamperman: “In de film neemt De Dood een deterministisch standpunt in, maar aan het eind blijkt er toch wel degelijk morele speelruimte te zijn. Ook in de muziek wil ik deze tegenstelling tussen bepalende structuur en vrijheid een rol laten spelen, bijvoorbeeld door het gebruik van tonale en ritmische structuren versus vrije harmonische liederen, strakke compositie versus geïmproviseerde variaties, en een van tevoren opgenomen onveranderlijke band versus een live uitgevoerd gedeelte met interpretatieruimte. Daarnaast speelt de tegenstelling in de film tussen het leven en het dodenrijk ook een centrale rol in de muziek: als akoestische, concrete harmonie en melodie versus elektronisch bewerkte abstracte sound.”

Ook de zang illustreert geregeld bepaalde handelingen op het doek, zoals stemgemurmel als we dorpelingen zien praten, feestmuziek tijdens het carnaval in Venetië. Maar ook hier geld dat de muziek niet puur muzikale illustratie van wordt van wat we in de film zien. Ook heel mooi werkt dat de poëtische Duitstalige tussentitels uit de film door de componist zijn gebruikt als tekst voor de zangpartijen, in het Duits, en het Duitse klankidioom draagt bij aan de sfeer van de film.

De combinatie met het harmonium maakt dat de gezongen muziek – gecomponeerd in een modern tonaal idioom en messcherp gezongen door Wishful Singing – soms herinnert aan het geluid van cabaret uit de jaren twintig en ook aan Kurt Weill, en op andere momenten bijdraagt aan de religieus-gewijde atmosfeer van het verhaal. De blokfluit en vlagen vocale polyfonie in Renaissance-muziek stijl versterken de ‘Dürer- en Gebroeders Grimm -atmosfeer’ en de Duits-Gotische wereld die Langs filmbeelden oproepen.

Der müde Tod, film van Fritz Lang uit 1921, in gerestaureerde versie, met nieuwe muziek van Steven Kamperman uitgevoerd door het ensemble Wishful Singing met Modar Salama, percussie.

Gezien 12/9 Eye zaal 1 Amsterdam.

Trailer voor de productie

Trailer voor de film

De hele film

De website van Wishful Singing

Home

Wikipedia over de film

https://en.wikipedia.org/wiki/Destiny_(1921_film)

De productie reist een tijd door het land.

https://www.wishfulsinging.nl/program/der-mude-tod/

Klassiekers van de Soul. Over de films Summer of Soul en Hitsville: The History of Motown.

Tekst: Neil van der Linden

Summer of Soul is een film over het Harlem Cultural Festival 1969.

De zomer van 1967, toen de hippiecultuur zich vanuit San Francisco over de hele wereld verspreidde, staat bekend als de Summer of Love. Maar was in New York de volgende zomer van 1968 in New York, volgend op de moord eerder dat jaar op Martin Luther King en Robert Kennedy, er een vol geweld. Om herhaling te voorkomen, stelde aantal woordvoerders van de Afro-Amerikaanse gemeenschap in Harlem om in het jaar daarop, in de zomer van1969, in een groot park in Harlem een muziekfestival met Afro-Amerikaanse en Afro-Carabische muziek te organiseren. De ‘progressieve Republikein’ burgemeester Linsay was er meteen voor in. En het werd een groot succes. Tienduizenden mensen ervoeren hoe muziek een gemeenschapssfeer hielp scheppen en cultureel bewustzijn kon versterken.

Belangrijk was dat de gemeenschap het geheel zelf organiseerde. Terwijl bij het ‘witte’ Altamont festival de situatie uit de hand was gelopen mede doordat de ‘witte’ (motorclub) Hells Angels, werd in Harlem de ordehandhaving toevertrouwd aan de Black Panthers. Dat zal hier en daar wenkbrauwen hebben doen fronsen, maar het pakte perfect uit, ook waarschijnlijk doordat het publiek na het jaar ervoor alleen maar zin had in een vredige sfeer.

Het festival vond verspreid over zes weekends plaats in Harlem. Onder de musici die optraden waren Stevie Wonder, Mahalia Jackson, Nina Simone, The 5th Dimension, een inmiddels wat in vergetelheid geraakte groep die toen net een nummer één hit hadden met een cover van songs uit de ‘witte’ hippiemusical Hair, The Staple Singers, de Edwin Hawkins Singers, Sly & the Family Stone, Gladys Knight & the Pips, Latin music percussionisten Mongo Santamaria en Ray Baretto, de Zuid-Afrikaanse trompettist en anti-apartheidsactivist Hugh Masekela en de Chambers Brothers, een toen populaire ‘psychedelic soul band met een witte drummer’.

Van de evenementen is 40 uur aan filmopnamen bewaard gebleven en die zijn in de afgelopen tijd onder leiding van de musicus Questlove, ofwel Ahmir Khalib Thompson, tot een film van twee uur omgevormd.De film laat geweldige optredens zien. Ik was vooral onder de indruk van Stevie Wonder, de Staple Singers en daarnaast een duet of tussen Mavis Staple en Mahalia Jackson, welke laatste mede omdat ze zelf niet helemaal gedisponeerd was de jongere collega  naast haar op het podium had uitgenodigd, wat leidde tot een extatisch duel.

Verder zijn de Edwin Hawkins Singers, net tot pop-status geparachuteerd dankzij het feit dat een radiostation hun ‘Oh Happy Day’ tot een nationale hit had gebombardeerd. Mooi is ook hoe Ray Baretto en Mongo Santamaria als Latin-artiesten hun muziek aan die van de zwarte gemeenschap verbinden.

Verder zijn er unieke opnamen van Sly & the Family Stone, die ook in de film van het Woodstock festival waren te zien. Naast een ‘witte’ drummer vielen Sly & the Family Stone ook op door een vrouwelijke trompettist, terwijl de trompet zeker in de jazz en pop vaak als domein van de man wordt gezien.

Indrukwekkend is ook de toespraak van de witte, ‘liberaal-Republikeinse’ burgmeester Lindsay, die zich sterk had ingezet voor raciale gelijkheid en die werd verwelkomd door overweldigend gejuich. (In de Woodstock film hindert het mij ook dat van de Jefferson Airplane en Country Joe & the Fish matige atypische bluesnummers zijn gekozen; waar was Grace Slick in de film?) Ook is de geluidskwaliteit opmerkelijk goed.

En de montage van de film is geweldig, waarbij ongetwijfeld helpt dat Questlove zelf een zeer ervaren musicus is; hij is bekend van de Roots, zelf een populaire hiphop groep en heeft ook vele andere musici begeleid, onder meer als vaste huismusicus van de Saturday Night Live. Er zitten geweldige filmische overgangen in de montage, zoals de manier een drum van een volgend muziekfragment is gemonteerd als net de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy zijn gememoreerd, en kijk eens naar de trailer van de film, zoals daar een fragment van een drumsolo van Stevie Wonder volgt op een stukje toespraak tot het publiek.

Mooi als tussendoor in de film zijn ook herinneringen van musici en toeschouwers aan het optreden, variërend van musici die nog in leven zijn zoals de Gladys Night, leden van de 5th Dimension en de drummer van Sly & the Family Stone tot een toeschouwer die er toen als vierjarige bij was en nu zijn ontroering nauwelijks meester is bij het zien van de filmfragmenten.

In de film vormt het optreden van Nina Simone de slotact. Zij was natuurlijk de verpersoonlijking van Black Awareness zelf. Een geweldige artieste en haar geweldige pianospel komt uitgebreid in beeld, maar muzikaal vind ik haar ook wat afstandelijk. Daardoor eindigt de film muzikaal toch niet in totale extase. Maar ik zou het alternatief ook niet zo snel kunnen bedenken, en misschien is het een bewuste keuze van Questlove om aan te geven dat het festival niet alleen opium voor het volk was.

In de hemel moet een versie van het festival bestaan waarop ook Marvin Gaye, Aretha Franklin, Wilson Pickett en Sam & Dave optraden, en vooruit, omdat de dood er toch niet toe doet, ook Otis Redding, die twee jaar eerder was overleden. En, God, dan ook nog graag Etta James, Al Green of Curtis Mayfield & the Impressions. En Miles Davis en, omdat het toch de hemel is, John Coltrane en Eric Dolphy, toen ook al overleden. Niet elk van deze artiesten droeg evenzeer bij aan ‘Zwart Bewustzijn’, maar ook Marvin Gaye zou twee later een political awareness doorbraakalbum uitbrengen, het uitermate succesvolle What’s Going On; misschien was dat zonder Nina Simone niet gebeurd.

Stevie Wonder, Gladys Knight én Marvin Gaye komen ook uitgebreid aan bod in de documentaire Hitsville: The making of Motown, over de opkomst en in feite ook de gedeeltelijke neergang van het legendarische platen label Motown. Die film komt volgende week aan bod.

Summer of Soul trailer. En alleen al het begin van deze trailer, de overgang van spreker naar het drumstel van Stevie Wonder, laat zien hoe goed het materiaal is gemonteerd.

Lange trailer

Summer of Soul: Rescuing a historic Harlem music festival

Questlove over het regisseren van de film:

Summer of Soul review – the best concert film ever made?:

https://www.theguardian.com/film/2021/jul/18/summer-of-soul-review-questlove-documentary-harlem-cultural-festival-1969

Summer of Soul: dé must see muziekdocu van het jaar Prachtige ode aan een vergeten festival

https://www.npo3.nl/film-en-serie/reviews/summer-of-soul

Alvast de trailer voor de film Hitsville: the making of Motown

Angela Gheorghiu: “I am a star. Always have been”

© Cosmin Gogu).

In 2004, I wrote an article about Angela Gheorghiu.  “I am a star. Always have been” she once said during an interview. And that was true, because back then she had everything that makes a contemporary opera singer a star. Young, slim and beautiful, with a more than average acting talent and, not unimportant in this profession, she could sing exceptionally well. Her voice, with its fast vibrato, could be placed somewhere between Cotrubas and Olivero, although it lacked the intensity of the latter. She was a real diva and she behaved like one.The literal translation of the word diva is ‘goddess’. Does she like being a diva?

© Jean-Marie Périer/Photo12


“Someone once called me that, and I do like it. It has everything to do with appearance, and besides, as a singer I cannot be a ‘normal person’. Without divas, music and theatre would not have got very far. People need divas, otherwise we would all be alike, like the communists, the very idea!”

Gheorghiu was born in Romania, a country from which more great singers have come. The aforementioned Cotrubas, for example, with whom she may very well be compared. Both singers have a similar ‘white lyricism’ and a slight mannerism in how they sing the words forward. Their roles also are more or less the same, although Cotrubas had never ventured to a Tosca or a Carmen, not even in the studio. Once Cotrubas was the best Adina (L’Elisir d’amore), Mimi (La Bohème) and Violetta (La Traviata) of her time and in all these roles, Gheorghiu was the uncrowned queen at the end of the nineties. She became world-famous thanks to her performance of Violetta at Covent Garden under Georg Solti. The performance was broadcast live on television by the BBC, which even turned its broadcasting schedule upside down for it.



It seems that she had once suffered from hunger, when she still lived in Romania. And that she had been heavily guarded during her first performance (with a choir, that is, but as a soloist) in Vienna, so that she would not have the chance to flee and seek political asylum. After the fall of communism, she was offered her first contract outside Romania: a television recital in Amsterdam. And she auditioned for Covent Garden. Her first major role there was Mimi in ‘La Bohème’, with Roberto Alagna as Rodolfo. Their love was not limited to the stage and Gheorghiu and Alagna (who had just lost his wife to a brain tumour and was left with a small daughter) got married.

La Bohéme © Phil Cooper


In 1998, she left her former company Decca and signed a contract with EMI, the record label that included Alagna among its exclusive artists. Very convenient, because it enabled her to record not only solo recitals, but also duets and many complete operas together with her husband ( they had now already been married for years). Many of those CDs received the most prestigious awards: Gramophone Award, Diapason d’Or, Deutsche Schalplatten-Preise. And in 2001 she was named the female ‘Artist of the Year’ at the Classical Brit Awards.



.
Gheorghiu is an easy prey for the  paparazzi in the world of opera. It seems that she has a make-up artist come to her for the photo shoots. And then she has someone to iron her clothes.
“But isn’t that professionalism? No one thinks it’s strange if models and actresses have a limousine and a make-up artist. Do I have to take the Underground in all weathers with my dresses? Has anyone ever seen Catherine Zeta-Jones do that?”

© Europost


She is a natural talent, but even a natural talent doesn’t go far without practice, practice, and more practice. She worked very hard on each role, and unlike many of her colleagues, she worked without a coach. And she worked like an actor: first she read and repeated the words, and only then did she start studying the score.

Her big dream at the time was to meet a composer who would write a beautiful role especially for her, she envisaged herself playing Jackie Kennedy, for example. But she remained sceptical, because the world has much changed and, according to her, contemporary composers know little about singers and the art of singing. So for her, no Schönberg, nor Berg.

She prefers to sing in Italian and French, but she does not rule out the possibility of singing of (light) Wagner roles in the future. She is also interested in jazz, for which she considers her voice well-suited. She will gladly add some jazz to her repertoire, although she is not a fan of crossovers.

Her heart still beats in Romanian. In ‘Desert Islands Discs’, the well-known Channel 4 programme on English radio, she once presented her choice of favourite music. Enescu, but also a few Romanian pop and folk songs. And a waltz by Chopin, but played by Dinu Lipatti.

Below, Angela Gheorghiu sings ‘Ciobanas cu trei sute de oí­’ in Amsterdam, 2013. She is accompanied by Het Gelders Orkest olv Ramon Tebar:

De een zijn dood is de ander zijn volgende meesterwerk.

Tekst: Neil van der Linden

Op 27 augustus 2021 is het 500 jaar geleden dat Josquin des Prez (geb. c. 1450/55) overleed. Zijn nagedachtenis ontketende een reeks prachtige muzikale necrologieën, door enkele van de grootsten uit die tijd. Jean de Richaforts Requiem ter ere van Josquin behoort tot het mooiste dat de Renaissance heeft voortgebracht. En er werd voor de gelegenheid nog veel meer moois gecomponeerd. Maar deze praktijk kwam niet uit de lucht vallen. Josquins grootste directe voorganger, Johannes Ockeghem schreef Mort, tu as navré/Miserere voor de in 1460 overleden Gilles Binchois (geb. rond 1400).

NB Over de geboortedatum van Ockeghem (geboren vlakbij Mons, Henegouwen, tussen 1410 en 1430, overleden 1497) bestaat flinke onzekerheid. De vroegste mogelijkheid, rond 1410, is gebaseerd op het feit dat Ockeghem als koorknaap Binchois misschien persoonlijk kende, voordat Binchois (geb. 1400 in Mons) in 1423 verhuisde naar Lille/Rijssel. Dat betekent dat Ockeghem nog steeds niet ouder dan dertien jaar kan zijn geweest (en Binchois 23). Dat ze elkaar mogelijk persoonlijk hebben gekend wordt gebaseerd op het feit dat Ockeghem in zijn klaagzang voor Binchois refereert aan een chanson uit Binchois’ vroegste periode. Nog een reden om Ockeghems geboortejaar vroeg in te schatten is dat een dichter, Guillaume Crétin, in een gedicht ter gelegenheid van de dood van Ockeghem in 1497 het betreurde dat Ockeghem niet honderd is geworden; dat zeg je niet over iemand als die niet al in de buurt van de honderd was gekomen.

Ockeghem laat in Mort, tu as navré/Miserere twee teksten door elkaar heen zingen, een anoniem treurdicht, ‘Mort tu as navré de ton dart’, Dood, je hebt met je pijl verwond, en de Miserere (‘Heb erbarmen’) -passage uit het Dies Irae tekst van de traditionele Requiem tekst.

Er is een flink aantal opnamen. Deze zijn mijns inziens erg goed:

Cut Circle

Graindelavoix 

Er is ook een fraaie bewerking door Calefax

Als Ockeghem dan in 1497 overlijdt, schrijft Josquin des Prez het ontroerende

Nymphes de Bois, La Déploration de Johannes Ockeghem. Ook Josquin gebruikt twee teksten door elkaar heen, een gedicht van voor de gelegenheid geschreven door Jean Molinet (bekend van de prozaversie van de Roman vn de Roos), en als zogeheten cantus firmus een passage uit de traditionele Requiem mis-tekst.

Ook hierin vond ik zowel Cut Circle als Graindelavoix fraai.

Merk op dat Cut Circle hun Ockeghem-CD begint met het Requiem voor Ockeghem door Des Prez en eindigt met het requiem voor Binchois door Ockeghem.

Graindelavoix zet Josquins Requiem voor Ockeghem op hun Ockeghem-CD en dat van Ockeghem voor Binchois op hun Binchois-CD.

Ook buitengewoon mooi: John Potter, Anna-Maria Friman, Ariel Abramovich, Hille Perl:

Je hoort hier waarom dit niet alleen wordt beschouwd als één van Josquins aangrijpendste werken, maar ook als één van de mooiere muzikale nagedachtenissen ooit gecomponeerd.

Onze Nederlandse Capella Pratensis onder leiding van Joshua Rifkin:

Voor strijkorkest werkt het stuk ook mooi, door het Orchestre de Musique de Lumières onder Facundo Agudin:

Er is maar één muzikale necrologie voor Ockeghem bekend, die van Des Prez, maar het overlijden vervolgens van Des Prez ontketende bijna een stortvloed aan muzikale rouw.

Jean de Richafort (c. 1480, Hegegouwen – c. 1547, Brugge) was tot voor kort niet eens zo bekend, maar een opname door Paul van Nevel en het Huelgas Ensemble van diens overweldigende Requiem, ter nagedachtenis van Josquin, heeft daar verandering in gebracht.

Na die van het Huelgas Ensemble volgden er meer opnamen van dat Requiem, maar hun versie blijft naar mijn smaak de overtuigendste, en is bovendien één van de allermooiste opnamen van het ensemble, van de vele prachtige opnamen die ze hebben gemaakt.

Via Youtube: https://www.youtube.com/watch?v=tjapCYws3M8

De andere opnamen van De Richaforts Requiem zijn die door Cinquecento en door de King’s Singers hebben ook opgenomen. CDs van Hyperion, het label van Cinquecento, komen niet op Spotify, maar de King’s Singers zijn er wel te vinden.

Dat het Huelgas Ensemble ongeëvenaard blijft komt bijvoorbeeld prachtig tot uiting in het Si ambulem, een tekst uit  psalm 23.

Via Youtube

Let op hoe vanaf 0:27 de hoogste sopraan partij is geconstrueerd en bij vlagen boven de anderen uitstijgt, zwevend over dissonanten die zich dan weer oplossen, het schrijnendst bij 2:44 en bij 2:55 nog een keer. En dan later bij 5:37 en 5:50 allemaal nog eens. Een zeurkous van de Gramophone had kritiek op wat hij als een ingreep van Van Nevel beschouwde, namelijk die sopraanpartij een octaaf hoger laten zingen. Bij de twee andere ensembles, zonder vrouwelijke sopranen, klinkt die partij inderdaad een octaaf lager, waardoor die niet boven de rest uitsteekt. Ik kan niet over de musicologische toelaatbaarheid oordelen, maar als ik de versie van de King’s Singers naast die door het Huelgas beluister vind ik die ook goed, daar niet van, maar toch minder.

Met die etherische stem die telkens boven de rest uitstijgt vind ik de tekst bovendien ijselijker; in het Engels klinkt die tekst beter als een intiem lied en minder ‘gereformeerd’ dan in het Nederlands. Dat ligt er misschien ook dat rapper Coolio de tekst heeft gebruikt in een grote hit.

Si ambulem in medio umbrae mortis,
non timebo mala:
quoniam tu mecum es, Domine.

If I walk in the midst of the shadow of death,
I shall not fear evil:
for Thou art with me, Lord.

Josquin de Prez was Karel V’s favoriete componist, Nicolas Gombert (1495, Lille/Rijssel – 1560, Doornik) was, samen met de Spanjaard Cristobal de Morales, zijn favoriete hofcomponist. Gombert schreef ter nagedachtenis van Josquin het motet Musae Iovis, voluit Musae Jovis ter maximi Proles, ‘De Muzen, kinderen van de drievoudig Almachtige Jupiter’, en ook hij laat er een tweede tekst doorheen zingen: Circumdederunt me gemitus mortis, ‘Het gezucht van de dood omringt mij’.

Luister naar een mooi uitvoering door het mij verder onbekende Josquin Capella:

Het Hilliard Ensemble heeft het ook opgenomen:

En de King’s Singers staan ermee op YouTube, met de noten erbij, ook erg mooi:

Zo rond 1500 begint de aandacht voor persoonlijke geschiedschrijving toe te nemen, dus terwijl we bij een beroemdheid als Ockeghem zelfs nog met een marge van twee decennia moeten gissen naar zijn geboortejaar, en bij Josquin ook nog een marge van vijf aanhouden, weten we in vergelijking van Gomberts levensloop al veel meer. Onder meer dat hij voor Karel V koorknapen rekruteerde in Vlaanderen, ten behoeve van de hofkapel in Madrid. Onderweg is hij naar verluidt betrapt op een affaire met een jongen.

NB jongenssopranen behielden hun hoge stem in die tijd wel eens tot hun achttiende of negentiende levensjaar, dus van regelrechte pedofilie was mogelijk geen sprake, zeker als men in aanmerking neemt dat Karel V op zijn tiende al tot heer der Nederlanden was gekroond en op zijn vijftiende koning van Spanje werd, terwijl bijvoorbeeld Hendrik VIIIe van Engeland op zijn twaalfde trouwde.

Niettemin werd Gombert veroordeeld tot de galeien. Waar hij echter door componeerde, wat volgens Paul van Nevel erop duidt dat Karel V hem een lichte vorm van straf had laten geven; misschien kreeg hij wel een eigen scheepshut.

Misschien voor zijn afscheid van het Hof in Madrid, of voor een afscheid uit het leven, schreef Gombert een ontroerend lied, mogelijk als een de facto requiem voor zichzelf, Je Prens Congie, ‘Ik neem afscheid’. Hier in de uitvoering van het opnieuw onvolprezen Huelgas Ensemble:

De Musae Iovis-tekst die Gombert gebruikte is ook getoonzet door de minder bekende Benedictus Appenzeller (tussen 1480 and 1488 – na 1558, actief in Brugge en Brussel):

Dan is er het indrukwekkende Dum Vastos Adriae Fluctus van Jachet de Mantoue (1483 – 1559). De prachtige tekst luidt, naar mijn beste kunnen uit het Latijn vertaald, als volgt: ‘Terwijl hij zich verwonderde over de enorme golven van de Adriatische Zee en de woedende draaikolk daar onder hem en over de diepe poel die uit de diepten opwelde en over het drijfzand van Syrtes en monsters die geen sterveling eerder had gezien, hief Iacchus, getooid met een wijnrankblad over zijn blanke slapen, een kunstig lied aan dat klonk als van weleer: oh Muzen, laten we onze liefdevolle Josquin gedenken,  die door zijn meesterschap zelfs de grote heerser van de Olympus voor zich deed buigen en de wetmatigheden der dingen in het bestieren van de wereld opschortte, terwijl de Moeder daar vol medelijden stond, maar ongeschonden bleef, en tranen om haar Zoon, gedood als gevolg van een onrechtvaardig vonnis. Gegroet, o Allerheiligste, gegroet Koningin en U, Hoogste God, heb medelijden met degene voor wie ik elk jaar de altaren zal oprichten, en een offerandes zal brengen met een kalf en overige gebruikelijke geschenken. Zo sprak Iacchus. Het helder ruisend riet verbond alles en iedereen en de stromende wateren van de rivier de Mincio stemden goedkeurend in.’

Je ziet het beschrevene zich voor je ogen afspelen. Fascinerend is natuurlijk ook de directe overgang van Jupiter, die nota bene blijkt te gehoorzamen aan Josquin en zelfs de hemelse wetten aanpast, naar de maagd Maria en de Christelijke God, voor wie Josquin natuurlijk deemoedig buigt.”

(Dum vastos Adriae fluctus rabiemque furentis
Gurgitis atque imis stagna agitata vadis
Scyllamque et rapidas Syrtes miratur Iacchus
Monstraque non ullis cognita temporibus,
Candida pampinea Redemitis tempora frande,
Haec cecinit prisco carmina docta sono:

Josquini antiquos, Musae, memoremus amores,
Quorum iussa facit magni regnator Olympi
Aeternam praeter seriem et moderamina rerum,
Dum stabat mater miserans natumque decoris
Inviolata manens lacrimis plorabat iniquo
Iudicio extinctum. Salve, o sanctissima, salve
Regina et tu summe Deus miserere quotannis
Cui vitulo et certis cumulabo altaris donis.

Dixerat. Argutae referebant omnia cannae
Mincius et liquidis annuit amnis aquis.)

King’s Singers:

op Youtube met de noten: https://www.youtube.com/watch?v=kG27H8q5Io0

Stile Antico:

Na Dum vastos Adriae fluctus ebt de nagedachtenis aan Josquins dood nog niet weg.

Jheronimus Vinders (geb. 1525/1526, overlijdensjaar onbekend) schreef voor de overleden Josquin het motet O Mors inevitabilis, ‘Oh, onvermijdelijke dood’. Door de King’s Singers op de Richafort-Requiem CD: 

Door Stile Antico op hun nieuwe aan Josquin gewijde CD:

Een versie door het Oxford Camerata is zelfs gebruikt als achtergrondmuziek in een computerspel uit 2005, Beschaving IV:

Aannemende dat Vinders (actief in Gent, en van hem is ook werk in Den Bosch bewaard gebleven) dat Vinders, zoals gezegd geboren 1525/26 minstens in de twintig was toen hij zijn in memoriam voor Josquin schreef, betekent dit dat Josquins dood na 1525 nog een tijd doorgalmde. (Van Vinders weten we verder niet veel. Wel zijn van hem naast geestelijke werken drie Nederlandse liederen bewaard gebleven: Myns liefkens bruyn ooghen, Och rat van aventueren en O wrede fortune.)  Daarna sterft het genre van memoriams voor memoriamsvoorgangers wel uit.

Een latere op zichzelf staande dramatische eenling is een in memoriam voor zichzelf van de Duitse componist Matthias Weckmann (1616-1674): Wie liegt die Stadt so Wüste, geschreven 1663, in de tijd waarin de naweeën van de godsdienstoorlogen nog woedde en een pestepidemie de stad Hamburg teisterde. De componist zou zijn echtgenote en een aantal collegas zien sterven.

Johannette Zomer, Peter Harvey, Nederlandse Bach Vereniging – Jos van Veldhoven.

Maar: Weckmann overleefde de oorlog en de pest, en stierf pas elf jaar later.

Noten.

Ockeghem heeft ook een muzikaal eerbetoon aan een levende componist geschreven, ‘In hyraulis’, voor de Bruggenaar Antoine Busnois (c 1430-1492). In Hydraulis door het Hilliard Ensemble:

Opname tijdens een Lockerbie herdenkingsconcert in 1998.

Meer over onder andere In Hydraulis, over Ockeghem en tijdgenoten en over een lange necrologie in dichtvorm van de dichter Guillaume Crétin is te vinden in een tekst bij een CD van het Hilliard Ensemble

De Concertzender heeft aandacht besteed aan Ockeghems ode aan Binchois en aan Des Prez’ ode aan Ockeghem.

Over Weckman en zijn tijd heeft de Vlaamse musicoloog Ignace Bossuyt een prachtig radioprogramma gemaakt, dat hier als podcast is terug te vinden.

https://www.nporadio4.nl/podcasts/eengoedemorgenmet/55465/een-goedemorgen-metignace-bossuyt-5-juni-2021

Stephen Fry en zijn liefde voor Wagner

Even een klein zijsprongetje. Even iets anders. Even iets voor tussendoor of … Of een nadenkertje?

Een beetje film- en toneelliefhebber kent natuurlijk Stephen Fry, een van de grootste Engelse acteurs van de laatste decennia. Fry is echter meer. Door zeer openhartig over zijn homoseksualiteit en zijn psychische problemen (hij lijdt aan een manisch-depressieve stoornis, waar hij een film over heeft gemaakt, The Secret Life of the Manic Depressive) te praten, heeft hij zich buitengewoon kwetsbaar opgesteld.

Hij is ook een enorme Wagner fan, iets wat hem in zijn ‘bipolariteit’ heeft versterkt: Stephen Fry is Joods en de meerderheid van zijn familie is in de Holocaust vermoord. Daar heeft hij ook een film over gemaakt, Wagner & Me (1102DC).

De documentaire heeft op diverse festivals prijzen gewonnen. Zeer terecht, want het resultaat is niet alleen enorm boeiend vanwege de tweespalt, of noem het een spagaat waarin een Joodse Wagner liefhebber zich bevindt, maar geeft ons ook beelden die een gewone ‘sterveling’ nooit te zien krijgt.

Want mocht het je ooit lukken om kaartjes voor Bayreuth te krijgen: je geraakt nooit achter het toneel. Denk ik.