achtergrondartikelen

Michael Tilson Thomas: in interpretation there is no absolute truth

MTT_bykristenloken-1903-660

Michael Tilson Thomas © Kristen Loke

The Amstel Hotel is totally unsuitable for a good conversation, especially with a musician. The ‘Muzak’ in the background is annoyingly present and the search for a decent space takes up a lot of time. Michael Tilson Thomas – tall, slim, dressed in black jeans and a checkered jacket – doesn’t seem to be bothered by it.

Two days earlier he conducted an extremely exciting concert in the Amsterdam Concertgebouw with music by Berg, Mahler and Brahms. Looking back at the concert I ask him if he did not feel the Brahms started a little too fast?
“Well, no.”

And was the order of the composers: Berg, Mahler, Brahms not a bit strange?
“Sometimes I do it the other way around”

https://basiaconfuoco.files.wordpress.com/2019/07/mtt-nbessie.jpg

Bessie Thomashefsky

So there I am! Fortunately, Tilson Thomas is able to laugh at my stupid questions and I decide to start with his ‘roots.’ Boris Thomashefsky, Michael’s grandfather was THE man behind the Jewish theatre. He wrote the lyrics, composed the music and performed it together with his wife Bessie, one of the greatest tragediennes of her time: she was the first Salome in America, in Yiddish!

Boris Tomashevsky & Yiddish Theatre – BBC Broadway Musicals: A Jewish Legacy (2013):

Der Yeshiva Bokher Kadisch ( Boris Thomashevsky – Louis Friedsell ):

Michael Tilson Thomas was born in Hollywood where his father found work in the film industry. Father Ted Thomashefsky worked a lot with Orson Welles and with Marc Blitzstein, Michael’s cousin. In order to avoid going through life as the ‘son of’ he changed his name to Thomas.

His theatrical background would have meant a certain predisposition for music theatre, but with the exception of a few concert performances he has not (yet) conducted an opera. And all this while he considers Puccini to be one of the greatest composers. Why?

Tilson Thomas explains this by the insufficient preparation time at most opera companies. To the six weeks of rehearsals in Amsterdam I mention, he has a rebuttal: they are rehearsals for the director who works with the ‘actors’, not for the conductor, singers and musicians.

It is really a pity, because he loves opera and he loves working with singers. This is how he works with musicians as well – looking for character, for expression, for colours. Breathing in music means nothing more than the music itself, and that is something you learn best from singers. Working with an orchestra is the same for a conductor as working with actors for a director.

MTT francisco-symphony-orchestra-michael-tilson-thomas-bill-swerbenski-1280-608

San Francisco Symphony Orchestra © Bill Swerbenski

For Tilson Thomas, communicating with the audience is the most important thing. In Davies Symphony Hall (THE house of the San Francisco Symphony Orchestra) he often rehearses from the hall. If the music is complicated, he calls in an assistant, but he himself, seated on a high chair, leads the orchestra from where the audience sits: only there can he hear what it will actually sound like.

He conducts a lot more than we can imagine, with the Russians, Mahler, modern Americans and the Impressionists as his guides. Is there something he doesn’t do?

“Bruckner. Of his symphonies only numbers 6, 8 and 9 are on my repertoire and for the time being I don’t feel like doing the other ones as well. Bach’s ‘Matthaeus Passion’? Why? It is music that I think should be performed like chamber music, in a small, intimate hall and I work with large orchestras.”

“What do I do if there is a difference of opinion between me and the soloist about tempi or interpretation? I listen to the other person. There are no absolute truths in interpretations. And (smiling): I can usually choose the soloist myself.”

Michael Tilson Thomas on music and emotions through the ages:

http://www.thomashefsky.org/

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Advertenties

Michael Tilson Thomas: in de interpretaties bestaan er geen absolute waarheden

MTT_bykristenloken-1903-660

Michael Tilson Thomas © Kristen Loke

Het Amstel Hotel is totaal ongeschikt voor een goed gesprek, zeker niet met een musicus. De ‘muzak’ op de achtergrond is zeer irritant aanwezig en het zoeken naar een beetje fatsoenlijke ruimte neemt veel tijd in beslag. Michael Tilson Thomas – lang, slank, gekleed in een zwarte spijkerbroek en een geruit jasje – lijkt zich er niet aan te storen.

Twee dagen eerder dirigeerde hij in het Amsterdamse Concertgebouw een buitengewoon spannend concert met op de lessenaar muziek van Berg, Mahler en Brahms. Terugblikkend op het concert vraag ik hem of hij niet bang was dat Brahms iets te snel begon?

“Nou, nee.”

En was de volgorde van de componisten: Berg, Mahler, Brahms niet een beetje vreemd?

“Soms doe ik het andersom”

MTT NBessie

Bessie Thomashefsky

Daar zit ik dan. Gelukkig kan Tilson Thomas om mijn stomme vragen lachen en ik besluit om dan met zijn ‘roots’ te beginnen. Boris Thomashefsky, Michaels grootvader was dé man achter het Joodse theater. Hij schreef de teksten, componeerde de muziek en acteerde er samen met zijn vrouw Bessie, één van de grootste tragédiennes van haar tijd: zij was de eerste Salomé in Amerika, in het Jiddisch!

Boris Tomashevsky & Yiddish Theatre – BBC Broadway Musicals: A Jewish Legacy (2013)

Der Yeshiva Bokher Kadisch ( Boris Thomashevsky – Louis Friedsell )

Michael Tilson Thomas werd geboren in Hollywood waar zijn vader werk vond in de filmindustrie. Vader Ted Thomashefsky werkte veel met Orson Welles en met Marc Blitzstein, Michaels neef. Om niet als de ‘zoon van’ door het leven te gaan veranderde hij zijn naam in Thomas.

De theatrale achtergrond zou een zekere predispositie voor het muziektheater betekenen, maar op een paar concertuitvoeringen na dirigeerde hij (nog) geen opera. En dat, terwijl hij Puccini tot één van de grootste componisten rekent. Waarom?

Tilson Thomas verklaart het door onvoldoende voorbereidingstijd bij de meeste operagezelschappen en op de door mij genoemde zes weken repetities in Amsterdam heeft hij een weerwoord: het zijn repetities voor de regisseur die met de ‘acteurs’ werkt, niet voor de dirigent, zangers en musici.

En het is echt jammer, want hij houdt van de opera en hij is dol op het werken met de zangers. Zo werkt hij ook met de musici – op zoek naar het karakter, naar de uitdrukking, naar de kleuren. Het ademen in de muziek betekent niets anders, dan de muziek zelf en dat leer je het beste van de zangers. Werken met een orkest is voor een dirigent hetzelfde als het werken met de acteurs voor de regisseur.

MTT francisco-symphony-orchestra-michael-tilson-thomas-bill-swerbenski-1280-608

San Francisco Symphony Orchestra © Bill Swerbenski

Voor Tilson Thomas is de communicatie met het publiek het belangrijkste. In Davies Symphony Hall (dé plek van het San Francisco Symphony Orchestra) repeteert hij vaak vanuit de zaal. Mocht de muziek ingewikkeld zijn, dan schakelt hij een assistent in, maar zelf, gezeten op een hoge stoel, leidt hij het orkest vanaf de plaats van het publiek: alleen daar kan hij horen hoe het in werkelijkheid zal klinken.

Hij dirigeert veel, meer dan wij ons kunnen voorstellen, met als leidraad de Russen, Mahler, moderne Amerikanen, de impressionisten. Is er iets, wat hij niet doet?

“Bruckner. Van zijn symfonieën heb ik alleen nummers 6, 8 en 9 op het repertoire en voorlopig voel ik er niets voor om ook de andere te doen. Bachs ‘Matthaeus Passion’? Waarom? Het is muziek, die volgens mij kameraal uitgevoerd moet worden, in een kleine, intieme zaal en ik werk met grote orkesten.”

“Wat doe ik als er een meningsverschil is tussen mij en de solist over de tempi of de interpretatie? Ik luister naar de ander. Er bestaan geen absolute waarheden in de interpretaties. En (glimlachend): ik kan meestal zelf de solist bepalen.”

Michael Tilson Thomas over muziek en emoties door de eeuwen heen:

http://www.thomashefsky.org/

Een voortreffelijke West Side Story door Michael Tilson Thomas

Benjamin Frankel: from watchmaker’s apprentice to the sound wizard

Benjamin Frankel, by Lida Moser, 1953 - NPG x45316 - © National Portrait Gallery, London
In 1957 Benjamin Frankel moved to Switzerland. In England, his homeland, he was mainly known as a film composer. No wonder, because to his name is music for more than 100 films, including classics such as The Seventh Veil, The Night of the Iguana and Curse of the Werewolf.

The night of the Iguana:

In Switzerland he finally found the peace to engage in serious(er) music. In 15 years (Frankel died in 1973) he composed eight symphonies and one opera.

Benjamin Frankel was born in London in 1906 into a Polish-Jewish family. At the age of fourteen he was apprenticed to a watchmaker. Luckily for him, his talent was soon discovered. For a while he played with the idea of becoming a Jewish composer alla Bloch. He considered himself an ‘English Jew’ or a ‘Jewish Englishman’, which did not prevent him from marrying a non-Jewish woman. An act that caused a break with his family.

His musical language is not easy to describe. In the fifties he studied serialism and regularly applied it in his own compositions, yet his works do not sound atonal anywhere. Perhaps the best example of this is the viola concerto, which is very melodic, romantic and yet uses the twelve-tone technique.

Frankel composed his violin concerto – at his request – for his friend Max Rostal. The premiere took place in 1951 at the Festival of Britain. The concert is entitled In Memory of Six Million and embodies Frankel’s personal commitment to the fate of the European Jews.

The beginning reminds me of Korngold’s violin concerto and in the fourth movement I encounter Mahlerian ‘tunes’: there is also a quote from ‘Verlorne Müh’ from his Wunderhorn songs.

Live recording by Max Rostal:

Ulf Hoelscher, who rehearsed the concerto with Max Rostal, plays it virtuoso and with an intense involvement.

frankel-front

Benjamin Frankel
Concerto for Violin and Orchestra op.24 (In memory of the six milion)
Viola concerto op.45
Serenata Concertante for Piano Trio and Orchestra op.37
Ulf Hoelscher (violin), Brett Dean (viola), David Lale (cello)
Queensland Symphony Orchestra conducted by Werner Andreas Albert
CPO 9994222

frankel-kw
Frankel’s first three string quartets were first performed by the Blech Quartet in 1947 and 1949 respectively, and the fourth was premiered in 1949 by the very young Amadeus Quartet (where were the recording engineers then?).

Frankel’s gift for a light-hearted approach to serialism can be heard in his fifth string quartet. The work, which dates from 1965, is an example of the composer’s unique ability to transform the atonal into a melody.

The unsurpassed company CPO, which revealed Frankel’s music to the world, deserves all praise; also for the splendid explanations with music examples written by Buxton Orr, Frankel’s pupil and friend.

Benjamin Frankel
Complete String Quartets
Nomos Quartett
CPO 999420

In Dutch:
Benjamin Frankel: van horlogemakersleerling tot de klanktovenaar

Rosa Raisa: from the Bialystok ghetto to La Scala in Milan

rosa-raisa-francesca-da-rimini-copy

Rosa Raisa as Francesca da Rimini

It is now quite some time ago that I visited a very dear (and very sick) friend, who was once a celebrated opera singer. When she asked me what I was working on at the moment, I started to hum ‘L’altra notte’ from Boito’s Mefistofele. She joined me and sang the whole aria out loud, with her – still intact, beautiful, voice. She said: “Yes, that is a great aria to sing. You can put all your emotions into it”.

It is indeed a very emotional aria, so it is no wonder that almost every soprano has it in her repertoire. Callas, Tebaldi, Price, Miricioiu, Gheorghiu …… all of them have sung or recorded it at some point.

But I would like to dwell for a moment on the singer who was once world-famous but who is now almost forgotten and whose interpretation of that aria always reminds me of my – now deceased – friend: Rosa Raisa.

Raisa recorded the aria in 1923 and it has been released on several labels in the meantime. Her singing is intense, according to the best veristic traditions, but still light. Her coloratura and high notes are exemplary, and yet they do not degenerate into ‘beautiful singing’ in itself. No wonder she was the best Norma of her generation.

Raisa sings ‘Casta Diva’ in a 1920 recording:

TURANDOT

Rosa_Raisa_as_Turandot,_1926

I think even the biggest opera novice knows Puccini’s Turandot. If not the entire opera then at least ‘Nessun Dorma’ one of the best known tenor arias ever. The premiere took place on 25 April 1926 at La Scala in Milan and the demanding role of the ice-cold Chinese princess whose heart thaws after a warm kiss from an unknown prince was created by the famous Italian soprano Rosa Raisa.

Raisa Turandot poster

Below: Rosa Raisa teaches the announcer how to pronounce the name ‘Turandot’:

Well, Italian…  Raisa (Raitza Burchstein), daughter of Herschel and Frieda Leia Krasnatawska) was born on 30 May 1893 in Bialystok. After the great pogrom in 1906 (when Raisa was not yet fourteen) she managed to escape from Poland with her cousin and his family and ended up on the island of Capri. There she met Dario Ascarelli and his wife Esther, who not only discovered her talent but also paid for her studies at the Conservatory of Naples.

At the age of twenty she was hired by the opera house in Parma where she had great successes in Verdi’s Oberto and Ballo in Maschera, among others. The same year she was engaged by the Chicago-Philadelphia Opera Company and with them she made her North American debut as Mimi (La Bohème) in Baltimore. Her partner was Giovanni Martinelli of the Metropolitan Opera.

Rosa_Raisa_as_Aida_(1914)

Rosa Raisa as Aida

In 1914 she made her debut as Aida at the Royal Opera House in London, with Enrico Caruso at her side. Her next role there was Helen of Troy  (Boito’s Mefistofele), with Claudia Muzio, John McCormack and Adamo Didur.

REPERTOIRE

Rosa Raisa Rachel

Rosa Raisa as Rachel (La Juive)

Her repertoire was immense, just think of such diverse operas (I will only mention a few) as Il Trovatore, La Juive, La Fanciulla del West, Suor Angelica, La Battaglia di Legnano, Francesca da Rimini, Falstaff, Don Giovanni, Lohengrin, Tannhäuser, Les Huguenots, Isabeau, Die Fledermaus and La Fiamma. She also sang art songs.

Below Raisa sings ‘None but the Lonely Heart’ by Tchaikovsky in a recording from 1920:

In 1915 she met the Italian baritone of Sephardic Jewish descent Giacomo Rimini, whom she married five years later. Together they sang hundreds of concerts, mainly in the USA. They always concluded their performance with ‘La ci darem la mano’ (Don Giovanni). She invariably ended her solo concerts with the Yiddish ‘Eili, Eili’.

Below ‘Eili Eili’ and ‘Oyfn pripetshik’. Both recordings were made in 1918:

In 1936 in Detroit she sang the role of Leah in Il Dibuk by Lodovico Rocca. It was one of her last performances. Raisa died of bone cancer in 1963. It is difficult to judge her voice purely from her recordings: one misses the visuals and the magic of her charisma. Her contemporaries described her stage presence as nothing less than thrilling.

Anyone who wants to know more about her should read ‘Rosa Raisa. A Biography of a Diva’ written by Charles Mintzer.

Raisa boek

Below is Rosa Raisa in an interview with her biographer:

Rosa Raisa on Spotify:


 

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Rosa Raisa: van het getto in Bialystok naar La Scala in Milaan

rosa-raisa-francesca-da-rimini-copy

Rosa Raisa als Francesca da Rimini

Het is inmiddels best lang geleden dat ik een bezoek bracht aan een zeer dierbare (en zeer zieke) vriendin, die ooit een gevierde operazangeres is geweest. Op haar vraag waar ik nu aan werk, begon ik ‘L’altra notte’ uit Mefistofele van Boito te neuriën. Zij viel mij bij en zong de hele aria voluit, met haar – nog steeds intacte, prachtige, stem. Zij zei: “ja, dat is een fijne aria om te zingen. Je kunt er al je emoties in kwijt”.

Het is inderdaad een zeer emotionele aria, geen wonder dus dat zowat iedere sopraan het op haar repertoire had en heeft staan. Callas, Tebaldi, Price, Miricioiu, Gheorghiu ….. allemaal hebben ze het ooit gezongen en of opgenomen. Maar nu wil ik even stilstaan bij de zangeres die ooit wereldvermaard was en nu vrijwel vergeten en wier interpretatie van die aria mij altijd aan mijn – inmiddels overleden – vriendin doet denken: Rosa Raisa.

Raisa nam de aria in 1923 op en het is inmiddels op verschillende labels op de markt verschenen. Haar zingen is intens, volgens de beste veristische tradities, en toch licht. Haar coloraturen en hoge noten zijn voorbeeldig, en toch ontaarden ze nergens in het ‘mooie zingen’ an sich. Geen wonder, dat ze de beste Norma was van haar generatie.

Raisa zingt ‘Casta Diva’  in een opname uit 1920:

TURANDOT

Rosa_Raisa_as_Turandot,_1926

Ik denk dat zelfs de grootste opera-leek Puccini’s Turandot kent. Zo niet de hele opera dan minstens de tenorale wereldhit ‘Nessun Dorma’. De première vond plaats op 25 april 1926 in La Scala in Milaan en de veeleisende rol van de ijskoude Chinese prinses die ontdooit na een warme kus van een onbekende prins werd gecreëerd door de beroemde Italiaanse sopraan Rosa Raisa.

Raisa Turandot poster

Hieronder: Rosa Raisa leert de omroeper hoe je de naam ‘Turandot’ moet uitspreken

Nu ja, Italiaanse …..  Raisa (Raitza Burchstein), dochter van Herschel en Frieda Leia Krasnatawska) werd geboren op 30 mei 1893 in Bialystok. Na de grote pogrom in 1906 (Raisa was toen nog geen veertien jaar oud) lukte het haar om samen met haar neef en zijn familie Polen te ontvluchten en kwam op het eiland Capri terecht. Daar ontmoette zij Dario Ascarelli en zijn vrouw Esther, die niet alleen haar talent hadden ontdekt maar ook haar studie aan het Conservatorium van Napels betaalden.

Op haar twintigste werd zij aangenomen in het operahuis in Parma, waar zij o. in Verdi’sbij de opera in Parma, waar ze grote successen vierde in o.a. Verdi’s Oberto en Ballo in Maschera. Datzelfde jaar werd zij geëngageerd in Chicago-Philadelphia Opera en met dat gezelschap maakte zij haar debuut als Mimi (La Bohéme) in Philadelphia. Haar partner was de startenor van de Metropolitan Opera in New York, Giovanni Martinelli.

Rosa_Raisa_as_Aida_(1914)

Rosa Raisa als Aida

In 1914 debuteerde zij als Aida in het Royal Opera House in Londen, met aan haar zijde Enrico Caruso. Haar volgende rol daar was Helena van Troje (Boito’s Mefistofele), met Claudia Muzio, John McCormack en Adamo Didur.

REPERTOIRE

Rosa Raisa Rachel

Rosa Raisa als Rachel (La Juive)

Haar repertoire was immens, denk alleen maar aan zulke uiteenlopende opera’s (ik noem maar een paar) als Il Trovatore, La Juive, La Fanciulla del West, Suor Angelica, La Battaglia di Legnano, Francesca da Rimini, Falstaff, Don Giovanni, Lohengrin, Tannhäuser, Les Huguenots, Isabeau, Die Fledermaus en La Fiamma. En zij zong liederen.

Hieronder zingt Raisa ‘None by the only heart’ van Tsjaikovsky in een opname uit 1920:

In 1915 ontmoette zij de van oorsprong Joods-Sefardische Italiaanse bariton Giacomo Rimini, met wie zij vijf jaar later trouwde. Samen zongen ze honderden concerten, voornamelijk in de USA. Hun optreden sloten ze altijd af met ‘La ci darem la mano’ (Don Giovanni). Haar soloconcerten eindigde ze steevast met het Jiddische ‘Eili, Eili’.

Hieronder ‘Eili Eili’ en ‘Oyfn pripetshik. Beide opnamen zijn gemaakt in 1918:

 In 1936 zong zij in Detroit de rol van Leah in Il Dibuk van Lodovico Rocca, het was één van haar laatste optredens. Raisa stierf in 1963 aan botkanker. Het is moeilijk om haar stem te beoordelen louter van haar opnamen: men mist het visuele en de magie van haar charisma. Haar tijdgenoten beschreven haar podiumprésence als niet minder dan opwindend.

Raisa boek

Wie meer over haar wil weten kan terecht bij ‘Rosa Raisa. A biography of a Diva’ geschreven door Charles Mintzer.

Hieronder Rosa Raisa in een interview met haar biografer:

Rosa Raisa op Spotify:


Britten’s Billy Budd: brilliant music to a brilliant libretto

1700602
Perfect goodness, does it have the right to exist? In his novel Billy Budd, Herman Melville set the absolute evil against the perfect goodness and made them perish both.

billy-melville

The story about the angelically beautiful, honest but oh so simple and naive Billy, that takes place on a ship with only men and between men, has of course always had a double meaning. Some things could only be implied. Maybe that was a good thing, because it produced some real masterpieces.

One of them was a film by Peter Ustinov starring Terence Stamp.

Below is a trailer of the film:

And one of the best, at least for me, operas of the twentieth century.

britten

For Benjamin Britten it was a rewarding theme. Elements such as the individual versus society, corruption, sadism, despair, a sense of responsibility and, of course, homo-eroticism were often used by him in his works. He was also able to include his pacifist ideas in them.

The story can be told quickly: Billy Budd is accused of treason by Claggart, the Master-at-Arms. He then strikes his accuser dead, and is sentenced to hang by Captain Vere. However, in the background, feelings of love, powerlessness and revenge play the real leading role.

For Claggart, the personification of evil, it is clear that he must destroy beauty, otherwise it will be his own downfall. “Having seen you, what choice remains to me? With hate and envy, I am stronger than love” he sings in his big, almost Iago-like aria ‘O beauty, o handsomeness, goodness’.

Captain Vere, aware of his true feelings for the young sailor, doesn’t have the courage to save his life. Only years later, looking back at the events of that time, he realizes that he should have acted differently.

WORLD PREMIERE 1951

billy-uppman

Billy Budd is a role that is traditionally played by a (very) attractive singer. He has to be, he is not called a ‘beauty’ and a ‘baby’ for nothing. He is almost always put on the stage partially or even completely shirtless – no wonder that almost all of the baritones that are labeled as the ‘hottest’ have the role on their repertoire nowadays.

Britten himself is not entirely blameless in this. His very first Billy, Theodor Uppman, was personally selected by him for his exceptionally attractive appearance. Not that he couldn’t sing, on the contrary! The American baritone had a very pleasant, warm timbre, in which naivety went hand in hand with hidden sex appeal.

The world premiere took place on December 1, 1951 in the ROH in Covent Garden and the recording of it has fortunately been preserved (VAIA 1034-3). It is particularly fascinating to hear the voices of the singers for whom the opera was originally created.

The role of Captain Vere was written for Britten’s partner, Peter Pears. Not the most beautiful tenor voice in the world, but one with character, body and great ability to express things. The role of Claggart was sung by a good (but no more than that) Frederic Dalberg and in the smaller roles of Mr. Redburn and Mr. Flint we hear the future greats: Geraint Evans and Michael Langdon. The sound quality is amazingly good.

In 1952 Billy Budd was recorded with Upmann in the lead role for television. There is a video recording of it:

In the sixties Britten adapted and made his opera tighter: he turned the four acts into two. The new version had its premiere in 1964, under Georg Solti.

BBC, 1966

billy-glossop

In 1966 the BBC recorded the work in their studios for TV and a while ago it was released on DVD (Decca 0743256). The role of Captain Verre was again sung by Peter Pears, now audibly older, but also more experienced. And he is helped by the images: his portrait of the desperate and guilty old captain is of an unprecedented intensity.

For the role of Billy a young English baritone, Peter Glossop, was asked – it has been said that Uppman had by now become visibly too old for the role. It is also said that Britten was considering asking Fischer-Dieskau for that role. I don’t know if it’s true (since Britten himself wanted a handsome young man for the role, the rumours seem to me to be no more than rumours), but imagine! I don’t even want to think about it!

Glossop is much rougher than all the other Billy’s I know, he is also on the robust side, but it’s nowhere disturbing. It’s hard to call him a ‘baby’, but he’s very attractive and he has the power to kill someone with a slap of his arm.

Michael London has been promoted from Mr. Flint to Claggart, a role that fits him like a glove. In the smaller roles we meet again singers of name: John Shirley Quirk (Mr. Redburn), Benjamin Luxon (Novice’s Friend) and as Novice a truly inimitable young Robert Tear.

The London Symphony Orchest is led by the ever-reliable Charles Mackerras.

It is filmed in black and white and the very realistic images make you feel as if you are in the middle of an old classic, which is of course true. It is a movie. It’s certainly fascinating and a must, but of course not comparable to a live performance in the theatre.

ENGLISH NATIONAL OPERA, 1988

billy-allen

It took almost 20 years before the next Billy presented himself, at least on an official document: in 1988 Tim Albery staged the opera at the ENO (Arthaus Musik 100 278).

The production is both visually and musically very strong. The production is tight and to the point, the images speak to the imagination and the libretto is followed very faithfully. Here no spectacular shots: it is also simply filmed in the house.

As for the performance … Well, the big word has to be said: it’s the best ever and I just can’t imagine that it will ever be matched again.

Thomas Allen is Billy. He has everything to make the role his own and he will probably be associated with it for eternity. He has the looks, he can act and he has a voice that makes you melt. His “Look! Through the port comes the moonshine astray” (he was the first to include the aria in his song recitals – now every baritone does it) can’t leave you unmoved.

Philip Langridge (Vere) convinces me even more than Peter Pears and Richard Van Allan seems like a devil in persona. The English National Opera Orchestra is outstandingly conducted by David Atherton.

Below Thomas Allen as Billy:

CHANDOS, 2000

billy-keenlyside

12 years later, in 2000, the opera was recorded “semi-live” for Chandos (CHAN 9826(3)). That is to say: it was recorded in the studio, but after a series of concert performances in the Barbican Hall.

Richard Hickox is an excellent conductor, but no match for Atherton or Mackerras. But the cast is again sublime and if I could take one opera CD to a deserted island then the chances are that it will be this Billy.

John Tomlinson is probably the strongest of all Claggarts ever, especially vocally. What a dominance and what an authority!  Philip Langridge repeats his brilliant Vere and Simon Keenlyside is, at least for me, one of the best Billys after Thomas Allen.

He is less naive than Allen, tougher than Uppman but much softer than Glossop. He is the goodness … So beautiful! Mark Padmore deserves a special mention as Novice.

Below Simon Keenlyside as Billy:

VIRGIN CLASSICS, 2008

billy-gunn

In 2008 the opera was recorded by VirginClassics (50999 5190393). The London Symphony Orchestra was conducted by Daniel Harding. Definitely good, but more beautiful than the recordings above? Well, no.

Here the role of Billy is sung by one of the greatest American ‘barihunks’ of the moment, Nathan Gunn. I’ve heard the singer live a couple of times and I know how charismatic he is, but I’d rather choose one of his colleagues. His Billy is too self-confident for me, too present too.

Gidon Saks has a great voice, but it’s not enough for Claggart. Besides, he sounds too young. And I can be brief about Ian Bostridge (Vere): mannered. Like everything he touches, his Vere is his narcissistic alter ego instead of a character from the story.

If the recording hadn’t come out on CD but on DVD, I probably would have liked it better, especially because of Nathan Gunn’s part, because optically he is really more than admirable.

Below Nathan Gunn as Billy:

GLYNDEBOURNE, 2010

dvd_bri_billybudd

In the production of Michael Grandage (Opus Arte OA 1051 D) recorded in Glyndebourne in June 2010, we are actually on the military vessel, in the middle of the sea. The time of action is also clear: the eighteenth century.

The costumes are very realistic and everything that happens on stage is also in the libretto. The decor is beautiful and leaves a overwhelming impression. Here one can only utter ‘oh’ and ‘ah.’ But it is not only the entourage that impresses. Michael Grandage, who makes his opera debut with this, creates an atmosphere that is psychologically quite charged. The tension is excruciating. I can’t stop talking about how he directs the characters either. You rarely experience such an intelligent production these days.

We witnessed Jacques Imbrailo’s phenomenal Billy in Amsterdam in March 2011, but here, also thanks to the close-ups, he impresses even more.

John Mark Ainsley is inimitably good as Vere and Philip Ens convince as the evil spirit Claggart. Ben Johnson is a very moving Novice and Jeremy White a more than excellent Dansker.

Below is Jacques Imbrailo as Billy:


the article in Dutch:
BILLY BUDD: geniale muziek bij een geniaal libretto

Interview with Sir Thomas Allen:
SIR THOMAS ALLEN

Billy Budd in Düssseldorf:
IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 2: BILLY BUDD

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Glyndebourne, Carmen en Tania Kross. Herinneringen

Afbeeldingsresultaat voor Glyndebourne

Glyndebourne is dichterbij dan je denkt. Je kan zelfs – als je je best doet – erheen gaan, de voorstelling bezoeken en daarna naar huis terugvliegen, alles in één dag. Je neemt het vliegtuig naar Gatwick (nog geen uur), daarna de trein naar Lewes (een half uur), en daar staat de pendelbus al klaar om je naar de opera te rijden (10 minuten).

De bus kost 6 pond (voor een pond meer heb je al een taxi) maar voor dat geld mag je er ook mee terug. Je moet dan wel een beetje opschieten, want de bus vertrekt meteen na afloop van de voorstelling.

Niets voor mij. Ik houd niet van haasten, bovendien is dit mijn eerste bezoek aan het fameuze Festival, dus ik vlieg een dag eerder naar Londen en kom een dag later terug.

Glyndebourne Kewa

Lewes is een klein (16 duizend inwoners), heuvelachtig stadje in het graafschap East Sussex, je kunt er prachtig wandelen en de pittoreske huisjes en wijde uitzichten bewonderen, en daar neem ik ook uitgebreid de tijd voor.

Glyndebopu

Glyndebourne zelf is niets meer dan een enorm landhuis (het operahuis), weelderige tuinen en velden met schapen. Ik loop wat rond en denk aan de ontstaansgeschiedenis van wat er in de loop der jaren uitgegroeid is tot één van de meest prestigieuze Operafestivals in de hele wereld.

GESCHIEDENIS

Glyndebourne Christie en vrouw

Het landgoed Glyndebourne behoorde toe aan de steenrijke John Christie, die het in 1920 erfde en samen met zijn vrouw, de zangeres Audrey Mildman, tot een prachtig operahuis omtoverde. Het idee vatten ze op tijdens hun huwelijksreis, die ze onder meer langs Salzburg en Bayreuth voerde.

Glynd

Aanvankelijk werden er alleen maar opera’s van Mozart opgevoerd, maar tegenwoordig komt zelfs Wagner voorbij. Het theater werd verschillende keren verbouwd en aangepast, totdat het uit zijn voegen barstte. In 1992 werd het gesloten en gesloopt, en op 28 mei 1994, exact 60 jaar na de allereerste voorstelling, mocht het publiek een geheel nieuw operahuis bewonderen: moderner en groter, maar nog steeds met de geweldige akoestiek.

VOORSTELLINGEN

De voorstellingen duren in Glyndebourne altijd heel erg lang. Er zijn veel pauzes, waarvan er één van ruim anderhalf uur – men gaat picknicken. Nu moet u zich al die deftige mensen, dames in het lang en mannen in smoking, voorstellen die niet alleen aan tafels plaatsnemen, maar ook rustig een kleedje midden op het gras uitkloppen en zich aan de lekkerste hapjes, volledige maaltijden en flessen champagne laven.

glyndebourne_001

De manden (met inhoud) bestel je van tevoren en als de pauze begint haal je ze op. Maar je kan ook zelf je eigen mand meenemen, wel een stuk goedkoper, al denk ik niet dat het publiek (dat toch al honderden euro’s heeft uitgegeven) het veel kan schelen. Mijn oog wordt getrokken door een prachtig geklede bejaarde dame, met een rollator aan haar ene hand, en een roze champagne in de andere.

Glyndebpurne

CARMEN EN TANIA KROS

Glyndebourne Kross Jovanovich

Tania Kross (Carmen) en Brendan Jovanovich (Don José) © Glyndebourne festival

Dat ik er kwam heb ik Tania Kross te danken: zij nodigde mij uit om haar debuut als Carmen in Glyndebourne bij te wonen. Nou – daar zeg je toch geen ‘nee’ tegen?

De productie van David McVicar vond ik heel erg mooi. Ik kende hem al, het werd in 2003 live op TV uitgezonden en daarna op DVD uitgebracht. Ik vond hem toen al mooi, maar in het echt onderga je hem. Het toneel in Glyndebourne is best klein, dus het is er behoorlijk druk, zeker in de eerste en de tweede acte. De derde acte begon mistig, zeer filmisch, en zeer ontroerend en in de vierde acte kreeg je alles wat nodig is om Sevilla te bevolken: de torero’s, de matadors, de prachtig geklede Spaanse Doña’s en Donnen met alles daarop en daaraan … adembenemend. En de dood van Carmen was is thrillerachtig spannend.

Glyndenpurne irigent

Stéphane Denéve en Tania Kross

Stéphane Denéve dirigeerde meer dan fantastisch, zeer Frans, met veel gevoel voor ritmes, maar ook met het oog voor de lyriek. Tania Kross was een uitstekende Carmen: beweeglijk, sexy en uitdagend. Zowel de dirigent als de regisseur vonden haar een ideale Carmen.

Glyndebo kross

David McVicar en Tania Kross

Na afloop was iedereen in de kroeg beland. De bus was inmiddels allang vertrokken, maar mij was een lift terug naar Londen beloofd. Het was een ervaring om nooit te vergeten.

http://www.glyndebourne.com/