achtergrondartikelen

Manfred Gurlitt and the forgotten Wozzeck

Gurlitt
Manfred Gurlitt

LIFE

The arbitrariness that exists in music history can sometimes be quite confusing. Why did one composer become famous and another did not? We know all too well that it is not always based on an objective value judgement; all too many really good composers (and/or their works) have totally disappeared from our stages.

Why is Alban Berg’s Wozzeck so often performed and recorded and why has almost nobody heard of Manfred Gurlitt’s Wozzeck? Both operas, based on the unfinished play by Büchner, were premiered in quick succession. Berg’s in December 1925 in Berlin and Gurlitt’s in April 1926 in Bremen.

Masterpiece versus craftsmanship, you say? Not quite. There is absolutely nothing wrong with Gurlitt’s music. Both composers use a new musical language and they are – each in his own way –  both progressive.

The immense popularity that Berg’s opera enjoyed from the very first day obviously contributed to Gurlitt’s work falling into oblivion. But: is this the only reason, or is it more complicated?

Manfred Gurlitt’s biography raises many questions. He was born in 1890 as the son of the prominent Berlin art dealer Fritz Gurlitt and his wife Annarella; yet he claimed that his real father was Fritz Waldecker, for many years the lover, (and after his father’s death, husband) of his mother.

Whether his father’s suspicious ancestry (according to the Nazis, he had Jewish blood) had anything to do with this claim, we do not know, but it certainly cannot be ruled out. Especially since young Manfred was a great supporter of the Nazi regime and he signed up as a member of the party as early as 1933.

That did not really help him and in 1937 he was expelled from the party and dismissed from all his positions, after which he fled to Tokyo. Under pressure from the Germans he had to resign from teaching at the Conservatory in 1942, but he did not suffer real persecution. What happened between 1933 and 1937 remains a mystery.

Gurlitt Wozzeck 1951 Tokyo (scene uit een film)
Gurlitt conducting his orchestra in Tokyo, 1951 (still from a Japanese film)

In 1953, he founded his own opera company, “Gurlitt Opera Company”, in Tokyo. Gurlitt never returned to Germany, he died in Tokyo in 1972.

OPERA

Gurlitt Wozzeck

It is not easy to compare Berg’s opera with Gurlitt’s: the proverbial apples and pears are nothing to it.

This already begins with Büchner’s play, the starting point for both operas. For his opera, Gurlitt selected eighteen scenes, two more than Berg. To this he added an orchestral epilogue, ‘Klage um Wozzeck’, with “Wir arme Leut” sung by an off-stage choir at the end.

Gurlitt’s Wozzeck is much less bullied than his alter ego in Berg’s work; he is more of a victim of his own delusions. This becomes very clear in the scene with the imaginary  predictions of the future, which Berg skipped.

Unlike Berg, Gurlitt did not compose interludes between the scenes. His opera is more chamber-like and intimate, but also more theatrical and less atonal: in other words, more Weill and less Schönberg. The murder scene, which has a very late romantic feel to it, would not be out of place even in Verismo.

It was only in the 1990s that Gurlitt’s Wozzeck started with a cautious comeback. In 2016, after ninety years of absence, the opera returned to Bremen, the city where it had had its premiere. There were also performances in Bremenhaven and Berlin; and in 2013, Darmstadt dared to programme both Wozzecks in the same evening.

Gurlitt wozeck darmstadt
Wozzeck between Doktor and Hauptmann ©Satstheater Darmstadt

The recording I listened to was made in 1995 by the German company Capriccio. Gerd Albrecht, the conductor, with his heart in the right place for everything that has ever been declared “entartet” and the greatest advocate of music from the interwar period, leads the superbly playing Deutsches Symphonieorchester Berlin.

Dirigent Gerd Albrecht
Gerd Albrecht

The main roles are impressively played by Roland Hermann (Wozzeck) and Celina Lindsley (Marie).
Unlike in Berg, the Hauptmann is sung here by a solid bass baritone (Anton Scharinger at his best), making the role sound less caricatural. The baritone Jörg Gottschick is a very macho Tambourmajor. (Capriccio 60052-1)



And what did Alban Berg think of the ‘other’ Wozzeck?
In a letter to Erich Kleiber, he wrote: “I am objective enough to be able to say that it’s not bad or unoriginal-but I’m also objective enough to see that the broth in the kettle of this opera, that is, in the orchestra, is too watered down, even for ‘poor folks’ [arme Leut]…” (Christoph Hailey: Alban Berg and His World)

De Codex Occo en het Mirakel van Amsterdam

Tekst: Neil van der Linden

Ooit zag ik na verlaat cafébezoek in een maartnacht een stoet mensen door de Amsterdamse binnenstad schuifelen: de ‘Stille Omgang’, waarbij het ‘Mirakel van Amsterdam’ wordt herdacht. Door mijn omgeving wel eens het reactionairste van het reactionairste katholicisme genoemd. Naar aanleiding van een concert vorige week met muziek uit de Codex Occo (mijn recensie “Capella Sacelli Polyfonie aan de Kalverstraat”) stuitte ik weer op het Mirakel van Amsterdam, dat zich op 15 maart 1345 afspeelde aan de Kalverstraat.



Pompeius Occo (1483 – 1537). Bankier, koopman en humanist te Amsterdam, ca. 1531, Dirck Jacobsz. Rijksmuseum

De Codex Occo is een bundel muziek die werd uitgevoerd in de kapel die op de plek van het mirakel was gebouwd en die is genoemd naar Pompeius Occo, een zakenman, oorspronkelijk uit Oost-Friesland, die in Amsterdam de vestiging van de grote Duitse bank Fugger leidde. Amsterdam was toen al economisch sterk in opkomst en Occo was onder andere ook bankier van de aartsbisschop van Trondheim en koning Christiaan II van Denemarken. Hij was tevens een humanist en een kunstmecenas. Hij werd vereeuwigd door twee van de grootste Nederlandse schilders van die tijd, Dirk Jacobsz, op een schilderij dat in het Rijksmuseum hangt, maar ook, samen met zijn echtgenote Gerbrich Claesdr., door Jacob Cornelisz. van Oostsanen,  op een triptiek die nu in het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen te vinden is.

Zijn huis aan de Kalverstraat, ‘Het Paradijs’, was een ontmoetingsplaats voor kunstenaars en intellectuelen uit heel Europa, hij stond ook in contact met Erasmus en met Margaretha van Oostenrijk in Mechelen. Margaretha was één van de grootste politici van haar tijd, tante van onze Karel V en eigenlijk veel slimmer dan hij; mede door haar invloed zou Karel V later Duitse Keizer worden. Daarnaast was haar hof een artistiek centrum van internationale allure. Ze gaf opdrachten en schilders en componisten en aan haar hof werd veel muziek uitgegeven, met name door de befaamde uitgever Petrus Alamire, gevestigd in Antwerpen en Mechelen.

Met het familiewapen van Occo “Pompeius Occo uit de Friese natie”, en “In elk detail het best”.

Het is bij Alamire dat Occo een bundel bestelde met werken van beroemde Vlaamse componisten van die tijd, zoals Pierre de la Rue (favoriet van Margaretha), Gaspar van Weerbeke, Heinrich Isaac en Josquin de Prez. Het manuscript was bestemd voor de ‘Heilige Stede’, een kapel tussen Kalverstraat en Rokin, op de plek van de woning waar het Mirakel van Amsterdam zich had afgespeeld.

Illustrateie met afbeelding van de hostie van het Mirakel van Amsterdam uit de Codex Otto

Als volgt: enkele dagen voor Palmzondag 1345 braakte een stervende man een hostie uit. Kort hiervoor had hij het sacrament der zieken ontvangen. De uitgebraakte hostie werd overeenkomstig de regels in het vuur geworpen (een stervende houdt soms geen voedsel binnen), maar het wonder wil dat deze in het vuur bleef zweven. Een vrouw steekt hierop haar handen in de vlammen en pakt de ongeschonden hostie. Ze brandt haar handen hierbij niet en legt de hostie in een kist naast de zieke. De hostie werd vervolgens naar de toen grootste kerk van Amsterdam gebracht, de Sint-Nicolaas kerk (nu Oude Kerk), maar zweefde in de lijn van het wonder terug naar het sterfhuis aan de Kalverstraat. Dit gebeurde een paar keer. Aldus het ‘Mirakel van Amsterdam’.

Jacob Cornelisz. van Oostsanen – Triptiek met Pompeius Occo en zijn echtgenote Gerbrich Claesdr. , 1515 Museum voor Schone Kunsten, Antwerp

Je kunt de Mirakel-verering naïef en primitief noemen, maar dan ontstaat een paradox. Occo, die pal naast de kapel woonde en er een kostbare muziekbundel aan schonk, was duidelijk een humanist en een intellectueel. Wat in de Codex staat en dus in de Heilige Stede werd gezongen behoorde tot de intellectuele topmuziek van die tijd. Hier kwamen devotie van volk en elite dus samen, misschien wel moeiteloos. En als we de illustraties in de codex bekijken was men ook niet bepaald preuts.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is kapel-heilige-stede-na-de-alternatie-in-1578-door-codex-de-protestanten-overgenomen-en-omgedoopt-tot-e28098nieuwe-zijds-kapelu2019..jpg
l, na de Alteratie in 1578 door de Protestanten overgenomen en omgedoopt tot ‘Nieuwe Zijds Kapel’. Voor en gezicht vanaf het Rokin in de zeventiende eeuw zie het eerdere artikel.

De verdere geschiedenis van de Heilige Stede is eigenlijk beschamend. De kapel groeide al snel uit tot een imposante kerk; zie bijgaande gravure. Maar bij de Beeldenstorm in 1566 werd ook de Heilige Stede slachtoffer. Een groep vrouwen probeerde het kerkgebouw nog te beschermen, maar tevergeefs: het hele interieur werd kort en klein geslagen en de hostie van het Mirakel die daar al die tijd bewaard was raakte kwijt. Bij de zogeheten Alteratie van 1578 ging de kapel over naar de protestanten, die hem eerst in gebruik namen als paardenstal en opslag, en er later toch weer een kerk van maakten.

De jaarlijkse processie ter herdenking van het Mirakel van Amsterdam werd verboden. In 1881 ontdekten twee katholieke Amsterdammers een document uit 1651 waarop de processieroute was aangegeven en besloten dat jaar het ritueel nieuw leven in te blazen. De Stille Omgang was geboren; stil vanwege een officieel nog steeds geldend processieverbod. Het evenement vindt nu nog steeds jaarlijks plaats.
De Nederlandse Hervormde gemeente besloot in 1908 het hele gotische bouwwerk te slopen met als argument dat de dure grond waarop deze stond beter kon worden gebruikt. Katholieken protesteerden heftig tegen deze in hun ogen overduidelijke pesterij, die mede een gevolg was van het succes van de Stille Omgang. Ze konden echter niks uitrichten en de kapel werd met de grond gelijk gemaakt. Er staat alleen nog een oude toegangspoort aan de Enge Kapelsteeg.


Kolommen en andere bouwfragmenten werden door architect Pierre Cuypers overgeplaatst naar de tuin van het Rijksmuseum. Toen dat ging uitbreiden werden ze opgeslagen op Frankendael in de Watergraafsmeer en vervolgens op de gemeentewerf rond de voormalige Uilenburg synagoge. Daar moesten ze ook weer weg en werden ze los verkocht, alleen enkele bouwfragmenten zijn gered. Op het Rokin staat sinds 1988 de Mirakelkolom, samengesteld uit resterende bouwfragmenten.

Tegenover de plek waar het Mirakel van Amsterdam plaatsvond staat sinds 1988 de Mirakelkolom, een zuil die samengesteld is uit onderdelen van de oorspronkelijke Heilige Stede..jpg>
De Mirakelkolom uit 1988 nu, tegenover de plek waar het Mirakel van Amsterdam zich afspeelde. Waar nu de Dungeon en wat overbodige kledingwinkels en lelijke zijn gevestigd was de Rokin-zijde van de Heilige Stede-kapel. Iets verderop de ING-bank.

Wel werd in 1912 op de plek een kleine nieuwe kapel gebouwd.  De overgebleven grond kreeg een winkelbestemming. De kapel verloor haar religieuze bestemming in de jaren zestig en werd een zalencentrum, veilingzaal, moskee en een plek voor houseparties. In 2005 werd het complex verhuurd aan een Britse uitbater, en nu zitten er die Perry Sport, de ING (weer een bank dus), de Starbucks en de toeristische attractie de ‘Dungeon’, het martelpraktijken-museum. Kan het cynischer?

Waar het concert rond werken uit de Codex Occo plaats vond, de Waalse Kerk, heeft ook een geschiedenis. De Walen, ofwel de Hugenoten, gevluchte protestanten uit Frankrijk, waren welkom in Amsterdam. Zij kregen in 1586 een ook geconfisqueerde katholieke kerk toegewezen, de Waalse Kerk werd. Overigens moesten de Walen daar na de Franse nederlaag in 1815 een tijdje uit van onze Koning Willem I, misschien omdat ze werden verdacht van Franse sympathieën. De Nederlandse tolerantie kent pieken en dalen.

https://www.cmme.org/database/projects/4#note6

https://www.cmme.org/database/projects/4

.

Nicolai Gedda, lyric poet of the tenor voice

Scandinavia is a cradle of good voices. They have a singing culture that we can only dream of. No wonder, then, that many world-famous singers come from there. Nicolai Gedda is one of them. The Swede born on July 11, 1925 spent the first nine years of his life in Leipzig, where his Russian father was appointed cantor of the Russian Orthodox Church. From childhood he was fluent in Swedish, Russian and German, to which he added a lot more languages later in life.

Gedda was an exceptionally musical and intelligent singer with a healthy technique, which allowed him to have a very long singing career. I myself heard him for the first time when he was well over seventy, but his voice was still young and fresh.

His repertoire included, apart from the heroic roles, basically everything: opera, operetta, oratorios, songs, old and modern. Bach, Mozart, Haydn, Schubert, but also Massenet and Puccini, Bernstein and Barber. The latter composed the role of Anatol (Vanessa) especially for him.

Below: Nicolai Gedda sings ‘Outside this house the world has changed’ from Barber’s Vanessa


In 2010, it was fifty years since Gedda made his first recording for EMI, and to celebrate this, 11 CDs were compiled with anything and everything from his rich repertoire. An absolute must for anyone who loves the art of singing.

Below: Nicolai Gedda and Maria Callas in ‘Vogliatemi Bene’ from Madama Butterfly


Bach, Gluck, Mozart, Adam, Puccini, Beethoven, Borodin, Berlioz, Bizet en nog veel meer
EMI 4560952

Here is a small selection of his many capabilities:

Capella Sacelli Polyfonie aan de Kalverstraat

Tekst: Neil van der Linden

Er is een nieuw Nederlands zangkwartet dat zich richt op de Renaissance en Middeleeuwen, de Capella Sacelli. Althans over die muziek ging hun debuut afgelopen weekeinde in Utrecht en Amsterdam. Op een passende plek in Amsterdam, de Waalse Kerk aan de Oudezijds Achterburgwal zong het ensemble composities uit de Codex Occo uit begin zestiende eeuw en uit het Handschrift Amsterdam uit de eeuw ervoor.

Pierre de la Rue/Van Straeten Kortrijk 1450 – 1518, op een 19e eeuws fantasie-portret.

De Codex Occo is een verzameling composities van top-componisten uit die tijd, onder meer Josquin de Prez (2021 is zijn vijfhonderdste sterfjaar) en Pierre de la Rue. Deze fraai geïllustreerde bundel was vervaardigd in opdracht van een Amsterdamse koopman, Pompeius Occo, die aan de Kalverstraat woonde. Belangrijker was dat de muziek bedoeld was voor gebruik in de Heilige Stede, een kerk aan de Kalverstraat. Daar lag een hostie opgeslagen die verbonden was aan het Mirakel van Amsterdam, dat zich rond 16 maart 1345 rond die plek had afgespeeld.



De voormalige Heilige Stede/Nieuwezijds Kapel aan het Rokin, gravure door Jacob van Meurs,1663.

In het kort: de overlevering spreekt over een stervende man die de voor de stervende bedoelde gewijde hostie weer had uitgebraakt, tezamen met voedsel dat hij daarvoor nog had geheten. Het braaksel inclusief hostie werd conform de kerkelijke voorschriften in het haardvuur gedeponeerd. Toen men de volgende ochtend het haardvuur weer wilde opstoken, bleek de hostie ongeschonden in de as te liggen. Een vrouw bracht de miraculeuze hostie daarop naar de pastoor van de Sint-Nicolaaskerk (de huidige Oude Kerk), maar de volgende dag was de hostie op wonderlijke wijze weer terug in het huis van de overledene, aan de Kalverstraat. Dit zou zich twee keer herhaald hebben. Het werd geïnterpreteerd als een teken van God, waarop men daar een kapel bouwde, de Heilige Stede, waar de hostie werd bewaard, en de plek werd een bedevaartsoord.

Occo had zijn rijkversierde zangbundel besteld bij niemand minder dan Petrus Alamire. Alamire was naast muziekuitgever ook componist, diplomaat, spion en werkte in Mechelen aan het hof van de kunstminnende landvoogdes Margaretha van Oostenrijk, tante van Karel V.

Dat het in die tijd boven de rivieren stil was op het gebied van geavanceerde muziek is dus een misvatting. Weliswaar bracht Nederland boven de rivieren nauwelijks componisten voort die geschiedenis hebben geschreven, maar de polyfone muziekpraktijk bloeide er wel degelijk. Het Egidius Kwartet had zich al verdiept in de zogeheten Leidse Koorboeken al en de Capella Sacelli stortte zich nu op de Codex Occo.

Capella Sacelli bestaat, of bestond voor deze gelegenheid, uit vier mannelijke zangers en zet daarmee de traditie van het Hilliard Ensemble en de Capilla Flamenca voort: countertenor, tenor, bariton en bas, respectievelijk Tim Braithwaite, Guido Groenland, Jeroen Spitteler en Bram Trouwborst. En net als bij de Capilla Flamenca geregeld het geval was, stonden er nu ook Nederlandstalige stukken van de grote Vlaamse componisten op het repertoire. Bijvoorbeeld ‘Mijn herte altijt heeft verlanghen naar u die alderliefste mijn’, van Pierre de la Rue, de favoriete componist van Margaretha van Oostenrijk, én een deel uit een zogeheten parodiemis op dat lied, de Missa ‘Mijn herte altijt heeft verlanghen naar u die alderliefste mijn’, mogelijk van de hand van Mathieu Gascongne, een indertijd hoog aangeschreven componist, van wie helaas weinig muziek bewaard is gebleven.

Men mag dus aannemen dat Margaretha, als landvoogdes van de Nederlandsen de Nederlandse taal machtig was. Dat was niet helemaal vanzelfsprekend. Ze mag dan wel de dochter van Maria van Bourgondië zijn geweest, de enige erfgename van Karel de Stoute, die zoals bekend het Bourgondisch Rijk had verkwanseld. Maar ze was opgegroeid aan het Franse koningshof en aanvankelijk zelfs voorbestemd om echtgenote van de Franse koning te worden, totdat laatstgenoemde dat huwelijk afzegde (omdat hij besloot te trouwen met de hertogin van Bretagne, en Bretagne was misschien belangrijker om bij Frankrijk te voegen dan Bourgondië.)

Intussen mochten Nederland en België wel in hun handjes klappen met Margaretha als kunstminnende en voor het overige ook humanistische regentes, die de bijnaam ‘la bonne tante’ kreeg; ze was in alles eigenlijk beter dan neef Karel, terwijl ze er ook nog voor had gezorgd dat Karel werd gekozen tot ‘keizer van het Heilige Roomse Rijk’, ofwel Duitsland. De rest is vaderlandse geschiedenis.

Uit de Codex Occo zong Capella Sacelli ook delen uit een Missa pro Fidelibus Defunctis, ofwel een Requiem, van Antoin de Fevin. Het is fascinerend om te bedenken dat ook dit Requiem toen tussen de Kalverstraat en het Rokin heeft geklonken.

Van Josquin des Prez klonk het Sanctus uit diens Missa Pange Lingua, met als bijzonderheid dat een tweestemmige en een driestemmige passage in de Codex Occo afwijken van de gebruikelijke versies. Capella Sacelli zong deze Amsterdamse versies, die alleen in de Codex Occo voorkomen.

Op het programma stond ook echt Amsterdamse muziek, afkomstig uit het zogeheten ‘Amsterdam Handschrift’ (uit ca. 1480) met liederen die verband hielden met de zogeheten Moderne Devotie, een soort bijna pre-Protestantse beweging, ontstaan op het platteland in Overijssel, die kerkelijke versobering propageerde, en als je zou willen ‘democratisering’, van de kerk. Paradoxale is dat de Moderne Devotie de kerk juist wilde ontdoen van ‘semi-heidense’ aanbidding van fysieke objecten, zoals de aanbidding van het Mirakel. Uit dit handschrift zong het ensemble ‘Och nv mag ic wel trueren’, een sober lied over het sterven van Jezus, waarin zelfs Maria minder duidelijk wordt vereerd dan gebruikelijk was. Ensembleleider Jeroen Spitteler voorzag dit eenstemmige lied van een fraaie baslijn, een ‘organum’, en paste het lied op deze manier mooi in dit aan Amsterdamse polyfonie gewijde concert.

Capella Sacelli, Polyfonie aan de Kalverstraat, Waalse Kerk Amsterdam, 3 juli 2021

Als voorbeeld van een lied in oud-Nederlands van Alexander Agricola (Landman), het melancholische ‘In Myne Zyn’ over vergankelijkheid, door Capilla Flamenca.

Die Kathrin, Korngold’s last opera, still awaiting rediscovery

kathrin

Through the years 1934 – 1938, Korngold commuted between Hollywood and Vienna. He worked on film music in winter and spent the summers on his “more serious” works. This was also the time of Die Kathrin, an opera that he had already begun in 1932 and which would remain his last. The story is set during the First World War and deals with the love between a French soldier and a German maid.

The premiere was planned for January 1938, but Jan Kiepura, who was to sing the role of François, unfortunately had to cancel, due to his obligations at the MET. The premiere was postponed. And then came the Anschluss.

Just in time, Korngold was called back to Hollywood, where he was required to finish his score for Robin Hood in just a few days. On January 29, he set sail on the ‘Normandie’, coincidentally together (oh, the irony!) with Kiepura and his wife.

The composer was safe, but his possessions, including the manuscripts and scores, were confiscated. In a sly manner (page by page sewn in between the safe Beethovens and Strausses) they were sent to America.

Die Kathrin was performed in Stockholm in October 1939 and it was an enormous fiasco. This was partly due to the weak libretto, but mainly due to the anti-Semitism which also prevailed in Swedish newspapers.

More than sixty years later, the opera was recorded by CPO. That is fortunate, because there is a lot to be enjoyed. It is filled with really brilliant music, presenting a fusion of opera, operetta, musical and film. A common mix in those days – a “Zeitoper” therefore. There is a lot to listen to and the many arias lend themselves to singing along.


Kathrin’s ‘letter aria’ is strikingly similar to Marietta’s song from Die Tote Stadt, and her prayer brings tears to the sensitive listener’s eyes. And of course the tenor has some lovely music of his own.

Below Anton Dermota sings ‘Wo ist mein Heim’ in a recording from 1949 conducted by Korngold himself:


The love duet is perhaps the most beautiful in all of Korngold’s operas and even the villain, Mallignac, gets to sing beautiful notes, which immediately makes him more human.



The last word on Die Kathrin has not yet been said, but will we ever get to experience a live performance? The music deserves it. Was something like this perhaps Puccini’s intention when he thought of writing an operetta?

Below, Renee Fleming sings ‘Ich soll ihn niemals mehr sehen’:

About music that was banned

The term “entartet” (degenerate) was already in use in criminology in the 19th century, it meant something like “biologically degenerate”. The Nazis made grateful use of this idea; that it was something to be wary of, a bad influence that had to be banned. Modernism, Expressionism, jazz … and Jews of course, they were degenerated from the start, they could make Aryan souls sick. They all had to be banned.

What had started as prohibition soon developed into exclusion and resulted in murder. Those who managed to flee to America or England usually survived the war, but at what cost?

Those who stayed in Europe were doomed. Many composers were deported via Theresienstadt to the concentration and extermination camps, many ended up there directly. After the war they were totally forgotten and thus murdered a second time. Those who survived were called hopelessly old-fashioned and therefore their works were not performed. The turnaround finally came in the 1990s, too late for most.


Michael Haas, then a very efficient producer for Decca, started an unsurpassed series called ‘Entartete Musik’. Unfortunately, it did not last: it did not sell. Haas was fired and most of those CDs are now out of the catalogue.


Michael Haas at Tonzauber Studios Vienna, photo Georg Burdicek


In 2004, Michael Haas was back, in Amsterdam of all places: together with Jan Zekveld and Mauricio Fernandez (respectively artistic director and head of casting of the Matinee) he put together a beautiful series for the Saturday Matinee in the Amsterdam Concertgebouw, starting with a magnificent performance of Schreker’s Die Ferne Klang.


But the small German firms CPO, Cappricio and Orfeo assiduously continued to record special treasures of forgotten works. Orfeo even devoted a special series to that music, called ‘Musica Rediviva’. This included the opera Die Bakchantinen by Egon Wellesz (Orfeo C136 012H), which was also performed at the Matinee.



Schulhoff’s vocal symphonies (Orfeo C056031 A) are not to be despised either. Composed in the years 1918/19, they breathe the unadulterated atmosphere of the fin de siècle: dark and heavily melancholic they show us another Schulhoff, the romantic pur sang. The warm, dark timbre of Doris Soffel fits the melancholic melodies like a glove.


An absolute must is the DVD entitled ‘Verbotene Klange. Komponisten in Exil’ (Capriccio 93506). It is a documentary on German and Austrian composers who, as the commentator puts it, “instead of being revered, were despised”. And who, thanks to emigration, survived. With interviews with, among others, Ernst Krenek and Berthold Goldschmidt: the latter we meet at the very first recording (after 50 years!) of his string quartets. And the almost centenarian Krenek says something that could be called typical for that generation: “I am caught between continents. In America I don’t really feel ‘heimisch’, but I would never consider going back to Europe. There is no home for me anywhere. Not anymore.

Semi interview met Angela Gheorghiu: “Ik ben een ster. Altijd al geweest”

In 2004 schreef ik een artikel over Angela Gheorghiu.  “Ik ben een ster. Altijd al geweest” zei zij ooit tijdens een interview. En dat was waar ook, want toen had zij alles wat een hedendaagse operazangeres tot een ster maakt. Jong, slank en mooi, met een meer dan gemiddelde acteertalent en, niet onbelangrijk in dit vak, zij kon buitengewoon mooi zingen. Haar stem, met zijn snelle vibrato, was ergens tussen Cotrubas en Olivero te plaatsen, al mistte ze de intensiteit van de laatste. Zij was een echte diva en daar gedroeg zij zich ook naar. De letterlijke vertaling ven het woord betekent ‘godin’ vindt ze het leuk om een diva te zijn?

© Jean-Marie Périer/Photo12

“Iemand noemde me ooit zo, en het bevalt me. Het heeft met de uitstraling te maken, bovendien kan ik als zangeres toch geen ‘normaal mens’ zijn. Zonder diva’s waren de muziek en het theater niet ver gekomen. Mensen hebben diva’s nodig, anders waren we allemaal gelijk zoals bij de communisten, het idee alleen al!”

Gheorghiu werd geboren in Roemenië, een land waar meer grote zangeressen vandaan komen. De bovengenoemde Cotrubas bijvoorbeeld, met wie ze heel goed vergeleken kan worden. Beide zangeressen beschikken over een soortgelijke ‘blanke lyriek’ en een lichtelijk maniërisme om woorden voor in de mond te zingen. Ook hun rollen zijn min of meer hetzelfde, al had Cotrubas zich nooit aan een Tosca of een Carmen gewaagd, zelfs niet in de studio. Ooit was Cotrubas de beste Adina (L’Elisir d’amore), Mimi (La Bohème) en Violetta (La Traviata) van haar tijd en van al die rollen was Gheorghiu eind jaren negentig de ongekroonde koningin. Wereldberoemd werd ze dankzij haar vertolking van Violetta in de Covent Garden onder leiding van Georg Solti. De voorstelling werd live op de televisie uitgezonden door de BBC, die er zelfs zijn zendschema voor overhoop gooide.

Het schijnt dat ze ooit honger had geleden, toen ze nog in Roemenië woonde. En dat ze zwaar bewaakt was tijdens haar eerste optreden (met een koor, dat wel, maar als soliste) in Wenen, opdat ze geen kans zou kunnen krijgen om te vluchten en het politieke asiel aan te vragen. Na de val van het communisme kreeg ze haar eerste contract buiten Roemenië aangeboden: een televisierecital in Amsterdam. En ze deed auditie voor de Covent Garden. Haar eerste grote rol daar was Mimi in ‘La Bohème’, met Roberto Alagna als Rodolfo. De liefde bleef niet beperkt tot de planken en Gheorghiu en Alagna (die net zijn vrouw aan een hersentumor had verloren en met een klein dochtertje achter bleef) gingen trouwen.

©©

La Bohéme © Phil Cooper

In 1998 verliet ze haar voormalige firma Decca en tekende ze een contract met EMI, het platenlabel dat onder haar exclusieve artiesten ook Alagna telde. Zeer handig, want daardoor kon ze niet alleen solo- maar ook duettenrecitals en veel integrale opera’s samen met haar (inmiddels al jaren toenmalige) man opnemen.  Talloze van die cd’s kregen de meest prestigieuze prijzen: Gramophone Award, Diapason d’Or, Deutsche Schalplatten-Preise. En in 2001 werd ze tijdens de Classical Brit Awards uitgeroepen tot de vrouwelijke ‘Artiest van het jaar’

.

Voor een beetje paparazzi in de operawereld is Gheorghiu een makkelijke prooi. He schijnt dat ze voor de fotosessies een grimeur laat komen. En iemand die haar kleren strijkt.

© Europost

“Maar dat is toch professionalisme? Niemand vindt het raar als fotomodellen en actrices over een limousine en een grimeur beschikken. Moet ik met mijn jurken de metro nemen door weer en wind? Heeft iemand ooit Catherine Zeta-Jones zoiets zien doen?”

Ze is een natuurtalent, maar zelfs een natuurtalent komt niet ver zonder oefenen, oefenen, en nog eens oefenen. Ze werkte heel hard aan iedere rol, en in tegenstelling tot veel collega’s werkte ze zonder coach. En ze ging te werk als een acteur: eerst lezen en herhalen de woorden en pas daarna begon ze met het bestuderen van de partituur.

Haar grote droom toen was om een componist te ontmoeten die speciaal voor haar een mooie rol zal schrijven, ze ziet zich bijvoorbeeld in een rol als Jackie Kennedy. Maar ze bleef sceptisch want de wereld is veranderd en de hedendaagse componisten weten volgens haar maar weinig van de zangers en de zangkunst af. Voor haar dus geen Schönberg noch Berg.

Het liefst zingt ze in het Italiaans en het Frans, maar sluit (lichte) Wagner rollen in de toekomst niet uit. Ook jazz heeft haar interesse, ze vindt haar stem er goed geschikt voor. Al te graag zal ze wat jazz op haar repertoire zetten, al is ze niet zo’n voorstander van cross-overs.

Haar hart klopt nog steeds in het Roemeens. In ‘Desert Islands Discs’, het bekende Channel 4 programma op de Engelse radio, presenteerde ze ooit haar keuze van haar favoriete muziek. Enescu, maar ook een paar Roemeense pop- en volksliedjes. En een wals van Chopin, maar wel gespeeld door Dinu Lipatti.

Hieronder zingt Angela Gheorghiu ‘Ciobanas cu trei sute de oí’ in Amsterdam 2013. Zij wordt begeleid door Het Gelders Orkest olv Ramon Tebar:

 

 

Giulietta e Romeo van Zandonai: te mooi om te vergeten

francesca-zandonai

Riccardo Zandonai werd ooit beschouwd als dé opvolger van Puccini. Hij schreef een kleine dertiental opera’s, waarvan eigenlijk alleen Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) en Giulietta e Romeo (1921) ooit zeer succesvol waren.

Heden worden ze nog maar zelden opgevoerd en de doorsnee operaliefhebber komt niet verder dan Francesca da Rimini. Jammer, want de werken van de leerling van Mascagni en wellicht de laatste der veristen zijn een puur genot om naar te luisteren.

Romeo Zandonai

De mij enige bekende complete opname van Giulietta e Romeo (GOP 66352) werd in 1955 in Milaan gemaakt. De hoofdrollen werden gezongen door Annamaria Rovere, een prima sopraan met een voor die tijd typisch stemgeluid, en de mij lichtelijk irriterende Angelo Lo Forese. Vanwege de opera zelf, maar ook vanwege de fenomenale Renato Capecchi als Tebaldo een absolute must voor een operaliefhebber.

Een aria uit de opera staat ook op de ‘Verismo’ cd van Jonas Kaufmann:

I Vespri Siciliani oftewel de volksopstand die de weg naar onafhankelijkheid heeft geopend

Tekst: Peter Franken

Deze opera speelt zich af op Sicilië en voor een beter begrip van de inhoud is enige kennis van de regionale geschiedenis vereist. Sicilië maakte deel uit van het Romeinse Rijk en na de Romeinen kwamen de Vandalen gevolgd door de Ostrogoten, Byzantijnen en Arabieren. In de 11e eeuw werd het eiland veroverd door de Noormannen, feitelijk Vikingen, die een krachtig bewind wisten uit te oefenen. Spanjaarden uit Aragon, Fransen, Duitsers en later Spanjaarden van het huis Bourbon completeren de stoet. Het Franse bestuur was van korte duur. Het repressieve karakter van het régime leidde al na ongeveer twintig jaar tot een opstand waarbij alle Fransen werden verdreven of gedood. Op 31 maart 1282 sloeg de vlam in de pan nadat een Franse officier een Siciliaanse vrouw op weg naar het avondgebed zou hebben beledigd. De man werd in de kerk doodgestoken.

Pin su Librettos, programmas, partiture

Deze gebeurtenis is in Verdi’s Les vêpres Siciliennes verwerkt, beter bekend als I vespri Siciliani. Het was een opdrachtwerk van de Parijse Opéra waar het in 1855 in première ging. In zijn oorspronkelijke vorm is het een grand opéra in vijf aktes met een groot ballet.

Het Franse libretto is van Charles Duveyrier en Eugène Scribe naar hun werk Le duc d’Albe, de opera waaraan Donizetti in 1840 had gewerkt maar die om uiteenlopende redenen onvoltooid was gebleven.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Les Vêpres Siciliennes waarin Henri wordt vermorzeld tussen de intuïtieve liefde voor zijn vader Montfort en zijn afkeer voor de verpersoonlijking van de onderdrukking van het Siciliaanse volk, de Franse gouverneur Montfort. De overeenkomsten met Donizetti’s Le Duc d’Albe zijn heel duidelijk. Alleen de namen zijn veranderd.

In 1989 stond I vespri Siciliani op het programma van La Scala. In de hoofdrollen Giorgio Zancanaro als Monforte, Cheryl Studer als Elena en Ferruccio Furlanetto als Procida. Chris Merrit vertolkte de rol van Arrigo, de Italiaanse versie van Henri. Zoals gezegd wordt deze opera vrij zelden gespeeld, een lot dat het werk deelt met een reeks vroege Verdi’s. Maar voor een opera die vlak na Verdi’s succesnummer La traviata kwam is dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Toen ik na vele jaren de dvd van de opname uit 1989 nog eens afspeelde, werd me echter toch wel veel duidelijk. Alles wat La traviata na een moeilijke start tot een megasucces heeft gemaakt, ontbreekt in Vespri. La traviata is een aansprekende liefdesgeschiedenis met een schitterende rol voor de prima donna en een ontroerend duet van Violetta met Germont sr. De rol van Alfredo is routine Verdi, het gaat om de sopraan en de bariton. Verder is de opera heel compact, er staat geen noot teveel in.

In Vespri komt de liefdesgeschiedenis van Arrigo en Helena nauwelijks uit de verf. De scènes van Montfort worden nodeloos gerekt, zeker in de briefscène lijkt er geen einde aan te komen. Het ballet in de derde akte kan natuurlijk gemakkelijk worden geschrapt maar zelfs dan blijft er een onnodig lang werk over waarin de componist de protagonisten zich moeizaam laat voortslepen. Mijn conclusie is dan ook dat dit werk terecht wordt genegeerd, het is eerder een curiosum dan een aansprekende latere Verdi.

De enscenering in La Scala is basaal. Een plein met een blauwe achtergrond, de zee. Een kamer in het paleis van de gouverneur, een balzaal en een gevangenis waarin zich een beul meldt met een heuse grote hakbijl. De gebeurtenissen spelen zich af in de 13e eeuw maar de kostumering duidt op de periode waarin de opera is ontstaan. De Fransen zien er schitterend uit in hun uniformen waarin hemelsblauw is gecombineerd met roomwit. Elena loopt in een zwarte jurk, ze is in de rouw vanwege haar broer. Het volk is aanwezig in een ‘Cavalleria’ kostumering.

Men heeft in deze productie het ballet zeer serieus genomen. Het wordt in zijn volle lengte uitgevoerd en is aardig om te zien. Ook al wordt er uitstekend gedanst, het blijft natuurlijk een showstopper.

Zancanero laat een goede Montfort horen al heeft hij toch wel wat moeite de spanning vast te houden als Verdi hem langer laat zingen dan op dat moment wenselijk is. Chris Merritt biedt een uitstekende vertolking van de geplaagde Arrigo die echter te veel moet lamenteren over zijn genadeloze lot. Hoe goed hij ook zingt, zijn personage gaat irriteren.

Helena is in mijn beleving een van de minst aansprekende rollen die Verdi een prima donna heeft toebedacht.  Ze is feitelijk onnodig voor het verhaal. De roof van aanstaande bruiden door Franse soldaten is voldoende om de vlam in de pan te laten slaan.

Het loyaliteitsprobleem van Arrigo speelt tussen hem en Procida. Helena is er tussen gewurmd omdat Verdi anders zonder sopraan kwam te zitten. Dat gezegd hebbende moet ik vaststellen dat Cheryl Studer zich uitstekend weet te weren. De opname dateert uit haar ‘wonder years’ toen ze gezien werd als the voice of the century. Met name het bekende ‘Mercè, dilette amiche’ in de vijfde akte gaat haar heel goed af.

Ferrucio Furlanetto overtuigt als verpersoonlijking van het geschonden Siciliaanse zelfbeeld, een echte revolutionair. Sowieso is het altijd een genoegen deze man te horen zingen.

Riccardo Muti heeft de muzikale leiding. Het zal vooral aan hem te danken zijn dat deze productie er überhaupt is gekomen.


Discografie:

I vespri siciliani/Les vêpres siciliennes. Een beetje een discografie maar niet heus

‘Strigoii’ by Enescu: a long-lost masterpiece

Enesci Strigoii

Strigoii (Spirits) is a totally unknown oratorio by George Enescu; really no one ever knew it existed. Enescu composed it in 1916 and the – unfinished – manuscript was then lost! In the 1970s it surfaced in the Enescu Museum and it was subsequently completed by Cornel Ţăranu. A few performances by the Ars Nova Ensemble followed, but it was only very recently that the work finally gained an orchestration, namely by the composer Sabin Păuta.

George Enescu

One can consider the Ghosts as the missing link between Enescu’s early songs and his great opera, Oedipe. The musical language of the composition is close to Schönberg and his Gurre-Lieder, but Bartók’s Bluebeard’s Castle is also somewhat similar. And yet the work cannot really be compared to anything else; it is so very individual and special!

Enescu Eminescu
Mihai Eminescu


The three-part oratorio is based on a dramatic poem by Romania’s best-known poet Mihai Eminescu (1850-1889). It is a very mysterious poem that tells of the untimely death of the bride of King Harald, of whom it is not clear whether she has become an innocent ghost or a dangerous vampire.


Strigoii reminds me most of an old-fashioned radio play. This is not only because of the narrator but also because of the way the music is built around the (difficult to follow) story. It is also terribly exciting and that is mainly due to the ominous music. And suddenly I think: who needs words when the music itself really tells it all? Superb. And irresistible.

The performance is excellent. The story is told/sung in a very exciting way by the bass Alin Arca and the soprano Rodica Viva sings a beautiful queen. The tenor Tiberius Simu (Arald) and the baritone Bogdan Baciu (Der Magus) are also first-class.

The recording was made in Berlin in December 2017. The beautifully playing Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin was conducted by Gabriel Bebeselea, the conductor of the National Romanian Opera and the Transylvanian State Orchestra.

The ‘encore’, a 10-minute Pastorale Fantaisie für kleines Orchester from 1899, is nothing less than a precious gift. Thank you Capriccio!