Auteur: basiaconfuoco

muziek journalist

Domenico Scarlatti: sacrale werken

Scarlatti Stabat Mater

Domenico Scarlatti kennen we voornamelijk als de componist van de klaviersonates. Hij heeft er 555 geschreven, ze worden ook met grote regelmaat uitgevoerd. Tegenwoordig meestal op de klavecimbel maar gelukkig bestaan er ook veel opnamen op de piano. Meesterwerkjes zijn dat die ook nog eens van grote invloed waren op de ontwikkeling van de klaviermuziek.

Anders is het gesteld met zijn geestelijke werken; op Stabat Mater na krijg je ze zelden te horen. Echt verwonderlijk is het niet. Zo vooruitstrevend zoals hij met zijn sonates was, zo ouderwets toont hij zich als de componist van de liturgische muziek.

‘Miserere’, ‘Te Deum’ en ‘Salve Regina’ borduren voort op de uit de renaissance stammende polyphonie. De zevendelige ‘Stabat Mater’ is dan iets ambitieuzer. Scarlatti componeerde het tienstemmig werk tussen 1713 en 1720, toen hij maestro di capella was aan de Basilica Giulia in Rome.

Het Belgische vocaal ensemble Vox Luminis werd in 2004 door Lionel Meunier opgericht, het bestaat uit vier sopranen, twee countertenoren, twee tenoren en twee bassen. Deze opname dateert al uit 2007 en is al eerder op de markt geweest. Ik was er toen niet kapot van en dat ben ik nu nog minder. Er wordt niet altijd zuiver geïntoneerd en het geheel klinkt gewoon monotoon.

Maar ook de uitvoering van de twee sonates door Anne Nissinen kan mij maar matig boeien. Het kan ook aan het instrument liggen: een orgel klinkt eenmaal zwaarder en gewichtiger dan een klavier.


DOMENICO SCARLATTI
Te Deum Laudamus, Salve Regina, Stabat Mater, Miserere; Sonates K.87 & K417
Vox Luminis olv Lionel Meunier
Ricercar RIC 258

The Turn of the Screw

Turn of the screw

Het is niet makkelijk om een operaproductie goed over te laten komen op de televisie. Vaak heb je de indruk dat je iets mist want er is te ver weg gefilmd, te veel aandacht gaat naar de (overbodige) details, om van de eigenzinnigheden die de tv-regisseurs zich de laatste tijd veroorloven niet te spreken. Dat het ook goed kan bewijst Vincent Bataillon met de in 2001 in Aix-en-Provence opgenomen voorstelling van The Turn of the Screw.

De recensies waren niet echt enthousiast en dat kan ik mij goed voorstellen. Op de grote bühne kan het spaarzaam decor van Richard Peduzzi: een enkel stoel, een hobbelpaard, een maquette van het slot een nogal kale indruk maken.

Op het kleine scherm echter wordt alles uitvergroot en als in een (griezel)film tot de juiste proporties gebracht. Ook de mimiek en de kleine gebaren van de hoofdpersonen komen zeer filmisch over en men kan de personenregie en mise-en-scène van Luc Bondy alleen maar bewonderen.

Er wordt goed tot zeer goed gezongen. Mireille Delunsch is een zeer indrukwekkende gouvernante en Marlin Miller is zeer overtuigend als een beetje karikaturaal neergezette Quint.

Daniel Harding doet wonderen met het orkest waardoor het ‘aandraaien van de schroef’  niet alleen in de intermezzi duidelijk voelbaar is.

BenjaminBritten
The Turn of the Screw
Mireille Delunsch, Marlin Miller, Olivier Dumait, Gregory Monk, Marie McLaughlin, Hanna Schaer, Nazan Fikret
Mahler Chamber Orchestra olv Daniel Harding
Regie: Luc Bondy
Bel Air Classiques BAC008

ALTUS. From castrato to countertenor

Altus

Drie cd’s gevuld met alleen maar countertenoren (en één castraat), is dat niet iets te veel van het goede? Niet dus. Het is een prachtige bloemlezing, die laat zien hoezeer de techniek van falsetto zingen is veranderd.

Sommige van de zangers klinken erg gedateerd (James Bowman), sommige nog steeds verrassend fris (René Jacobs, Paul Esswood), maar met de hedendaagse sterren (David Daniels, Philippe Jaroussky of Lawrence Zazzo)  kunnen ze niet concurreren.

Ook de begeleiding heeft een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Van het valse, amateuristisch aandoende doorzagen, zuchten en steunen zijn ze tot sprankelende, muzikale en professioneel volmaakt spelende ensembles geworden.

Het gezongen repertoire is zeer verrassend, want naast de geijkte countertenorstof (oude muziek, Britten) valt ook een riedeltje van o.a. Schubert, Bellini en Berlioz te horen. Vooral ‘Sur les lagunes’ (Les nuits d’été) van de laatste, zeer sensitief gezongen door David Daniels, is een juweeltje.

Alfred Deller, de oudgediende en pionier in het stemvak ontroert met de gevoelig gezongen ‘Greenleaves’.

Maar ook de ‘Silent Night’ ontbreekt er niet, prachtig vertolkt door de in de jaren negentig immens populaire (en door mij zeer geliefde) Derek Lee Ragin.

De volgorde van de zangers en gezongen werken is volstrekt willekeurig, en met het voorkantje wordt duidelijk op een bepaalde bevolkingsgroep gemikt.


Altus. From castrato to countertenor
Brian Asawa, James Bowman, Max Emanuel Cencic, Michael Chance, David Daniels, Alfred Deller, René Jacobs, Philippe Jarousky, Andreas Scholl, Lawrence Zazzo e.a.
Erato 23547629 (3 cd’s)

Jiří Belohlávek wervelt in Smetana’s Prodaná Nevěsta

Smetana Verkochte bruid

Mařenka en Janík houden van elkaar, maar haar vader wilt haar aan de zoon van een rijke landeigenaar uithuwelijken. Met behulp van een slimme list komt uiteindelijk alles goed, want het blijkt dat Janík de oudste zoon van de rijkaard is.

Prodaná Nevěsta, de eerste nationale Tsjechische opera, was vanaf het begin een enorme hit. De heerlijke melodieën, de aanstekelijke volksdansjes, het feelgoodverhaal… zeg daar maar eens nee tegen!

De populariteit van de opera beperkte zich niet tot de Tsjechische landsgrenzen, al lijkt het bij de grens van Nederland wel op te houden. Want voor zover ik weet werd de opera hier de laatste 30 jaar nergens uitgevoerd.

Er bestaan een paar goede opnamen van, maar de meeste zijn oud en veelal in het Duits, een nieuwe is dus meer dan welkom.

Ik ben een enorme fan van dirigent Jiří Belohlávek en mijn bewondering voor hem stijgt met de dag. Zelden heb ik de muziek van De verkochte bruid zo aanstekelijk horen spelen. Zo wervelend, zo uitnodigend tot glimlachen.

De mij onbekende zangers zijn allemaal goed. Dana Burešova (Mařenka) doet mij Lucia Popp niet vergeten (wie wel?), maar haar timbre is heerlijk licht, net van een mokkend kind.

Thomáš Juhás lijkt een beetje op de jonge Peter Dvorský en Aleš Voráček is een voortreffelijke Vašek.


Bedřich Smetana
Prodaná Nevěsta
Dana Burešova, Thomáš Juhás, Aleš Voráček, Jozef Benci e.a.
BBC Symphony Orchestra olv Jiří Belohlávek
Harmondia Mundi HMC 902119.20

Vitězslav Novák: een romanticus pur sang

Novak

Stelt u zich voor: het is een mooie zomerdag en u dobbert in een bootje langs de mooiste oevers. Af en toe waait het, al stelt het niet veel voor. Uw gedachten dwalen af, uw ogen vallen dicht. U slaapt niet, maar toch bent u een andere wereld in gevaren – de wereld van poëzie, de wereld van Vítězslav Novák.

Novák (1870 –1949), leerling van Dvořak, is zijn leraar en meester altijd trouw gebleven. Zijn stijl werd voornamelijk gekenmerkt door de pure klankschoonheid. Hij was geen vernieuwer en zijn werken waren alles behalve baanbrekend, wellicht de reden voor de vergetelheid die hij zeker niet verdient.

Novák was een romanticus pur sang. Hij hield van de natuur en de Tsjechische folklore, dat alles inspireerde hem tot het componeren van wat je een programmatische muziek zou kunnen noemen. Of, simpel gezegd: symfonische gedichten.

Der Korsar is gebaseerd op het gedicht van Lord Byron dat ook Verdi gebruikte in zijn Il Corsaro. Voor de ouverture Marysa werd Novák geïnspireerd door een toneelstuk van de gebroeders Alois en Wilhelm Mrstik, een tragisch verhaal over liefde en bedrog.

Serenade, wellicht Novák’s bekendste compositie, is precies dat, wat men onder de serenade verstaat: een ongecompliceerd, makkelijk in het gehoor liggend muziekwerkje dat in de zomeravonden buiten werd uitgevoerd.

 

 

Het Bergische Symphoniker onder leiding van Romely Pfund speelt heel erg mooi al had ik wat meer betrokkenheid, meer schwung willen horen.

Vitězslav Novák
Serenade, Der Korsar, Marysa
Bergische Symphoniker olv Romely Pfund
MDG 601 1159-2

Kate Royal: Midsummer Night

Kate Royal

Als een nachtegaal in de zwoele zomernacht, zo klinkt Kate Royal op haar tweede recital-cd voor EMI (tegenwoordig Warner) uit 2009. Al bij de eerste maten van de openingsaria (‘Midsummer Night’ uit Miss Julie van William Alwyn, tevens de titel van dit album) veer ik op en krijg tranen in mijn ogen, want wat we hier te horen krijgen, is niet alleen onalledaags, maar ook bloedmooi.

Royal heeft voor een repertoire gekozen dat, op een paar uitzonderingen na, zelden of nooit gespeeld wordt. Alles gecomponeerd in de twintigste eeuw, en voor het merendeel afkomstig uit Engeland (behalve Alwin veel Britten en Walton) en Amerika (Barber, Floyd en Herrmann).

De aria’s zijn verhalen op zich, vol liefde, verwachtingen en verlangens. Hun heldinnen zijn onschuldig naïef, zich niet bewust van hun aantrekkingskracht (Susannah). Maar ze zijn niet gespeend van ontluikende seksuele gevoelens (Miss Julie) of het van alles verterende vuur na het lange wachten (Vanessa). Ze lijken te berusten, maar ze blijven dromen (Wuthering Heights). En soms zijn ze wanhopig en teleurgesteld (Peter Grimes). Maar, zoals het ook in de zomerse nachten gaat – er zingen ook nachtegalen, en aan de hemel schitteren maan en sterren.

Niet dat ik geen kanttekeningen heb. Af en toe zingt Royal met vreemde maniertjes, een beetje à la Renée Fleming, wat voornamelijk storend werkt in ‘Vilja-Lied’ (Die Lustige Witwe). Wat niet wil helpen, zijn de tergend langzame tempi, en van haar Duits ben ik ook niet gecharmeerd

Ze mist ook de nodige sensualiteit in de (alweer!) veel te langzaam uitgesponnen ‘Mariettas Lied’ (Die Tote Stadt). En – hoe prachtig ze ook de aria aan de maan uit Rusalka zingt – je kan moeilijk beweren dat het een twintigste-eeuwse opera is. Toegegeven, de première heeft in 1901 plaatsgevonden, maar dat is toch op het randje.

Daarvoor in de plaats had ze voor ‘I want Magic!’ uit Previn’s Streetcar named Desire kunnen kiezen. Of – nog beter – voor Roxana’s Aria uit Krol Roger van Szymanowski, daar leent haar stem zich bijzonder goed voor: hoog, etherisch en engelachtig mooi.

Maar dat mag de pret beslist niet drukken. Deze cd is er één om verliefd op te worden.


MIDSOMMER NIGHT
Kate Royal (sopraan),
Orchestra of English National Opera olv Edward Gardner
Warner Classics 5099926819228

“ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll: KINDERDINGE. Een requiem voor een oude dokter en zijn weeskinderen

Korczak met de kinderen

Korczak en de kinderen

 

Zijn echte naam was Henryk Goldszmit. Het pseudoniem Janusz Korczak gebruikte hij voor het eerst in 1898 toen hij deelnam aan een literaire wedstrijd, georganiseerd door de beroemde pianist – en de eerste minister-president in het na de Eerste Wereldoorlog bevrijde Polen -Ignacy Paderewski.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak werd geboren in Warschau in een geassimileerd Joods gezin. Na zijn studie medicijnen werkte hij een korte periode als kinderarts en in 1912 kreeg hij de leiding over Dom Sierot, een weeshuis voor Joodse kinderen. Hier bracht hij zijn utopische idealen over een Kinderrepubliek in praktijk: een kindergemeenschap met een eigen parlement, rechtbank en krant, dat alles geleid door kinderen. Na de Eerste Wereldoorlog stichtte hij een tweede weeshuis, Nasz Dom (Ons Huis)

 

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Het weeshuis in de Krochmalnastraat

Behalve arts en leider van een weeshuis was Korczak ook pedagoog, leraar, schrijver en schriftgeleerde. Hij werkte bij de Poolse radio en gaf lezingen. Zijn roem was immens, ook buiten de Poolse grenzen werden zijn boeken en artikelen gepubliceerd en geroemd, en zijn pedagogische methoden nagevolgd.

Korczak en kinderen

 

In november 1940 werd het weeshuis gedwongen naar het ghetto van Warschau te verhuizen en begin augustus 1942 werden de kinderen, samen met Korczak en zijn helpster Stefania Wilczynska op transport gezet. Zelfs de nazi’s hadden ontzag voor de beroemde pedagoog – er werd hem een ontsnappingsmogelijkheid geboden. Trouw aan zijn idealen, weigerde hij echter en ging de kinderen voor in de dood. Allen werden vergast meteen na hun aankomst in Treblinka op 7 augustus 1942.

 

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak en de kinderen” in Yad Vashem

Over Korczak:

In 1972 werd aan Korczak  postuum de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse boekhandelaren toegekend. Er zijn boeken over hem geschreven en films over hem gemaakt en in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Duits-Nederlandse componist Burhardt Söll muziekstuk gecomponeerd ter nagedachtenis van Korczak en zijn kinderen, getiteld Kinderdinge. Voor de songteksten tekende sociologe en pedagoge Manuela du Bois-Reymond en in het dagelijks leven de echtgenote van de componist.

 

KOrczak KInderdinge

De wonderschone compositie bestaat uit korte stukjes (kinderscènes) die in elkaar vloeien. De eerste scène ‘Canto d’amore’ wordt opgevolgd door het geluid van kleppers (The only instruments). Er wordt rijkelijk geciteerd  uit de klezmer muziek en Jiddische lieder. Er zijn treingeluiden, grimmige ‘Mars van koffers, schoenen  en jassen’ en er zijn songs.

Song één over het schrikken, song twee over kindermeubels die geen vertrouwen (meer) inboezemen en song drie over het opgesloten zitten in een donkere kast. Een kast die zo klein is dat er plaats is voor maar één been. Alle drie vervuld van immense angst en duisternis en dood (“bei den toten ist mein haus und in der finsternis ist mein bett gemacht”).

De vierde en laatste song (‘The End. What really happened’) is gebaseerd op het ooggetuigenverslag van Marek  Rudnicki, dat gepubliceerd werd in het Poolse Tygodnik Powszechny in 1988.

 Kinderdinge  is een concertversie van Söll’s eigen muziektheaterstuk getiteld Ach und Requiem uit 1994/1995. En dááraan is de in 1991 geschreven Little requiem vooraan gegaan.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

De vraag waarom een muziektheaterstuk over Korczak, vanwaar de interesse in de lotgevallen van de oude dokter en zijn kinderen en of het überhaupt mogelijk is het in de muziek te vertellen vormde voor mij de aanleiding voor de ontmoeting met de componist die sinds in 1977 woont in Leiden.

Burkhardt Söll werd in 1944  in Marienberg geboren: zijn moeder was Joods. Bij de eerste vioollessen, die hij bij zijn tantes volgde moest hij bij de ene wel en mocht bij de ander niet klezmermuziek spelen.

Söll studeerde altviool bij de vermaarde Rudolf Kolisch. Al tijdens zijn schooltijd componeerde hij voor het schoolorkest. Zijn opleiding vervolgde hij aan de Hochschule der Künste in Berlijn. Hij studeerde er compositie bij Boris Blacher en Paul Dessau en schilderen bij Horst Antes. Daarna werkte hij geruime tijd als assistent van Bruno Maderna en Ottomar Suitner aan de Berlijnse Opera Unter den Linden.

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll Zelfportet

In de jaren zeventig was Söll betrokken bij een onderzoek over de esthetische leermethodes voor kinderen en ontwikkelde een methode om kinderen te leren muziekcomposities met de schilderkunst te combineren. Sinds 1977 woont hij in Leiden  en  in 1985 werd hij benoemd als docent aan de Kunstacademie in Utrecht. Zijn schilderijen werden tentoongesteld in o.a. Berlijn, Frankfurt, Parijs en Den Haag.

Korczak koning matthijse

Janusz Korczak en zijn boeken kent hij vanaf zijn prille jeugd en Krol Macius I (Koning Matthijsje de eerste) is nog steeds zijn lievelingsboek. De levensgeschiedenis van de oude dokter heeft hem altijd gefascineerd: iemand die zijn leven in dienst van (wees)kinderen heeft gesteld en die zijn eigen idealen tot de dood trouw bleef.

Voor het schrijven van het muziektheaterstuk werd Söll geïnspireerd door het zien van de ontwerpen van Reinhart Büttner  van kindermeubels: zwart en vervormd. Ach und Requiem werd in 1995 maar één keer uitgevoerd, gelukkig bestaat er een opname van. Het is alleen jammer dat het fraai ogende tekstboekje met op de cover een vioolspelend Joods kind helaas absoluut onleesbaar is. De letters zijn veel te klein en de kleurencombinatie (donkerbruin en lichtblauw) maakt het allemaal nog minder duidelijk.

Fragmenten zijn hier te beluisteren:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Ontleend aan de novelle van Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn  en geïnspireerd door een lied van Itzhak Katzenelson Dos Kelbl, geschreven in het ghetto van Warschau na de dood van zijn vrouw en kinderen. Het lied  werd in de jaren zestig wereldberoemd onder de titel ‘Donna, donna’.

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (sopraan),
Mary Oliver (altviool), Alison McRae (cello), Huub van de Velde(contrabas), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (slagwerken), Dil Engelhard (fluit), Jan Jansen (klarinet), Henri Bok (saxofoon)
Directie: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703