Auteur: basiaconfuoco

muziek journalist

Herinneringen aan Elektra in Brussel

Opnieuw wist de Belgische regisseur Guy Joosten mij volledig te overtuigen. Na zijn zeer geslaagde Lucia di Lammermoor had hij mij zeer verblijd met zijn visie op Strauss’ meesterwerk. Niet dat hij zoveel nieuwe concepten had gebruikt (gelukkig niet!): het verhaal speelde zich dan niet in de oudheid, maar de (vervallen) paleis en zijn bewoners waren intact gebleven. De maagden werden de geweren dragende vrouwelijke bewaaksters en verpleegsters van de door de nachtmerries geplaagde Klytämnestra. De Koningin zelf leek sprekend op een oude Diva (denk Norma Desmond in ‘Sunset Boulevard’): tot in de puntjes verzorgd en zich krampachtig vasthoudend aan dat wat voorbij is.

Drie topvrouwen in Brusselse Elektra | Place de l'Opera

Elektra was nu eens geen hysterische furie maar een koele, berekenende, op wraak ziedende vrouw. Het verschil tussen haar en haar naar vrouwelijkheid snakkende zus was het mooist verbeeld door de inhoud van hun koffertjes. In die van Chrysotemis al die ‘meisjes dingen’: sieraden, spiegeltje, make-up, een baby pop en de uitzet. In die van Elektra de spullen van haar vader: zijn jas, waarin ze zich van tijd tot tijd hult. En de bijl waarmee hij werd vermoord. Voor haar ook geen vreugdedans: nadat de wraak zich had voltrokken, kon Elektra eindelijk worden wat ze altijd al heeft gewild: haar eigen moeder.

De inhoud van het koffertje werd verbrand, zij stiftte haar lippen en versierde zich met sieraden. In haar nieuwe, mooie hoedanigheid rende ze de trap op en verdween achter de gesloten deur. Nooit komen we te weten wat er zich heeft afgespeeld, maar toen de deur opengerukt werd zagen wij Orestes badend in bloed staan, met in zijn armen zijn dode zusje. Piëta.

Vocaal stond de voorstelling als een huis, wat voornamelijk op het conto van de drie hoofdrolvertolksters moest worden geschreven.

Evelyn Herlitzius zong een verrassend lyrische Elektra, haar prachtige topnoten waren zuiver en gewoon mooi. Ze overschreeuwde zich nergens en toch kwam ze mooi boven het orkest uit. Ze leek onvermoeibaar en haar portrettering was geheel naar wens van de regisseur: koel en afstandelijk.

Wat een contrast met het meisjesachtige en naar liefde snakkende Chrysotemis van Eva-Maria Westbroek! Nog maar een maand eerder zong zij de heldhaftige en (ook) naar de liefde hunkerende Minnie in Amsterdam; nu was zij een en al passief verlangen. Daar wist zij haar stem ook naar te kneden: waren er in Amsterdam nog triomfantelijke tonen te horen, nu klonk ze er zeer verlaten bij.

In de rol van Klytämnestra was nou eens niet een uitgezongen zangeres te horen, integendeel! Doris Soffel had niet alleen alle noten paraat, zij wist ze ook als een kameleon naar haar hand te zetten en schakelde tussen het zingen en het sprechgesang in alsof het niets is. Fenomenaal.

Gerd Grochowski (Orestes) imponeerde met zijn klaroengeluid en Donald Kaasch was een prima Ägisth.

In de kleine rollen van de Maagden waren veel prominenten van vroeger (Graciella Arraya, Renate Behle, Mireille Capelle) te horen, en als de pleger van Orestes mocht de (inmiddels 85-jaar oude!) Franz Mazura opdraven.

Lothar Koenings dirigeerde ferm, maar ook een beetje terughoudend. Het was zijn eerste Elektra en wellicht moest hij er nog in groeien. Al met al: een voorstelling om niet gauw te vergeten.

Bezocht op 19 januari 2010

fotio’s: © Bernd Uhlig

Gürbaca’s Traviata is spijkerhard

TEKST: PETER FRANKEN

Tatjana Gürbaca is een begaafd regisseur die als geen ander haar visie op een opera tot uitdrukking weet te brengen. En na meerdere producties van haar gezien te hebben weet ik ook dat ze niet iemand is die ‘binnen de lijntjes kleurt’. Maar dat betekent geenszins dat ik die visie altijd in dank afneem en bij haar Traviata voor de Noorse Opera, hernomen voor DNO, is dat duidelijk het geval.

Gürbaca toont Violetta in de voorstelling die gisteren als matinee voor een uitgedund publiek in première ging als een vrouw die door zichzelf te verkopen een media persoonlijkheid is geworden in een tijd dat dit fenomeen zich nog grotendeels tot het roddelcircuit en de boulevardbladen beperkte. Niettemin ligt haar leven onder een vergrootglas en om dat aspect uit te lichten laat de regie het koor vrijwel permanent aanwezig zijn. Niet slechts waar het een voorgeschreven rol heeft zoals in de twee feestscènes, maar ook tijdens de meer intieme momenten. En het zijn beslist geen toeschouwers die zich onbetuigd laten, ze brengen hun eigen bedoening mee.

Gürbaca hanteert het koor als een ongetemde beestenboel om haar ‘stark seksualisierte’ visie op het hele gebeuren over het voetlicht te krijgen. Plat gezegd, het motto is ‘all you can fuck’. De kleinste aanleiding volstaat om elkaar uit te gaan kleden en natuurlijk ‘droog’ te neuken, immers ‘il y a des grenze’ zoals een oud-collega Frans placht op te merken als een leerling over de schreef dreigde te gaan.

MARK BIGGINS - conductor
Biggins © Anderas Grieger

Natuurlijk is Violetta gewoon een chique hoer zonder echt liefdesleven maar door een feestje en een orgie met elkaar te verwarren wordt dit aspect van haar leefomgeving wel erg fors aangezet en dat gaat ten koste van enige empathie die je voor de protagonisten zou kunnen ervaren. Overigens moet gezegd dat de wijze waarop het koor wordt geregisseerd en waarop het zich van zijn taak kwijt getuigt van enorm vakmanschap. Compliment voor de koorleden, hun dirigent Mark Biggins en vooral Gürbaca.

Gespeeld wordt op een kleine verhoging midden op het verder lege toneel. Het koor golft er grotendeels omheen wegens plaatsgebrek. In de laatste akte wordt twee derde van die verhoging weggehaald: Violetta’s leefomgeving is nu heel erg klein geworden en gelukkig betekent dat ook dat die voortdurende invasie van al die ‘clowns’ achterwege blijft. In haar doodsstrijd wordt de vrouw een beetje privacy gegund, maar vooral doordat niemand zich nog om haar lot bekommert. Ze is passé, haar ster is gedoofd. Dat werd al ruw ingewreven toen ze op Flora’s feest haar opwachting maakte met wat cadeautjes. Er werd ‘per ongeluk’ wijn over haar jurk gegooid, een taartje op haar uitgedrukt, geduwd en getrokken, uitgelachen. Ze was er vandoor gegaan als een verliefde tiener en had zodoende haar reputatie verpest, gewoon weer van onderop beginnen.

In de productie van Willy Decker valt Violetta ook vooral hoon ten deel in die scène maar hij laat iets aan de verbeelding van de toeschouwer over. Zo niet Tatjana Gürbaca, we krijgen alles uitgespeld. Zelfs als Germont zingt over zijn familie die Alfredo in de steek heeft gelaten krijgen we die lui te zien. Er wordt een eettafel met stoelen op de verhoging geplaatst en het gezinnetje zit aan de soep, compleet met de verloofde van Alfredo’s zusje, hier getoond als een wel heel jong kind.

Die kwam aan de hand van papa het toneel op waar het mannenkoor nieuwsgiering omheen dromt. Gelijk staat ze in het middelpunt en na enig crowdsurfing en aan- en uitkleden heeft zij Violetta’s kleren aan en loopt laatstgenoemde in een slecht vallend kinderjurkje. De mogelijke symboliek staat me zozeer tegen dat ik er niet verder op in ga.

En dan de zangers en de muziek. Die maakten heel veel goed deze middag. Opvallend was de invulling van Annina’s rol, vanaf het begin hoererend op het toneel aanwezig als cassière van haar madam die on the side wat bij verdiende. Ze was blij toen het uit was met Alfredo, een dweil van een vent die haar had beroofd van feestjes en extra inkomsten. En Inna Demenkova mocht aan het einde ook nog wat zingen. Flora kwam voor rekening van Maya Gour, met zo’n vriendin heb je geen vijanden meer nodig.

George Petean zong zijn Germont met veel overgave maar soms een tikje onzuiver. Hij kwam goed over als de man uit de provincie die in deze Parijse beestenboel niets te zoeken had.

Over de Alfredo van de Russische tenor Bogdan Volkov was ik beter te spreken, hij gaf werkelijk alles maar kon geen stempel op de gang van zaken drukken doordat hij zo nadrukkelijk werd getoond als outsider die geen moment serieus wordt genomen. En vermoedelijk ook niet echt door Violetta.

Gürbaca stelt dat Alfredo haar nieuwe project is, nu ze voelt niet lang meer te zullen leven probeert ze iets nieuws. Ze geeft zichzelf weg in plaats van zich te verkopen. Hij teert in zijn onnozelheid op haar kosten, als een gigolo.

Wat Alfredo aantrekkelijk maakte is dat hij als enige aandacht toont voor haar welbevinden, dat treft zelfs de meest geharde personen die al sinds jaar en dag in een gepantserde bubbel leven.

De Armeense sopraan Mané Galoyan bleek goed opgewassen tegen de eisen die de regie en de partituur aan haar stelden. Haar stem vertoonde in het begin nog een lichte schrilheid die gaandeweg geheel verdween. Ze is zeker in de hoogte hoewel ze in mijn beleving soms wel iets te sterk aanzette, temeer daar ze diezelfde noten een paar maten later gewoon ook heel zacht bleek te kunnen zingen. Met name in haar ‘Addio del passato’ was dit opvallend. Normaal gesproken is die scène en het daarop volgende verscheiden van de heldin een emotioneel moment. Dat heb ik deze keer volledig gemist, het liet me Siberisch. Maar dat lag zeker niet aan Galoyan, een groots optreden, heel mooi gedaan.

Andrea Battistoni leidde het goed spelende NedPho met groot enthousiasme, hoewel niet overal even subtiel. Zo werd het in elk geval in muzikaal opzicht een geslaagde middag.

Foto’s © Monika Rittershaus

Jenufa Gleich impresses with Wagner arias

TEKST: PETER FRANKEN


The American soprano Jenufa Gleich has recorded a CD with arias and songs by Richard Wagner. And they are the ones closest to the bel canto profession in which she was trained. Accompanied by the BBC National Orchestra of Wales, conducted by Fabrice Bollon, she here presents her calling card; the result is a beautiful album.

Not entirely unexpectedly, she opens with a great aria from Wagner’s first opera, Die Feen. In many ways, this work is an embryonic Wagner, a recognisable prelude to his later work, much more than Das Liebesverbot and Rienzi. But the composer made the same high demands on his protagonists that would characterise his later works. The prima donna in Die Feen, the fairy queen Ada, needs to be a dramatic soprano of the calibre of a Brünnhilde.

This has not stopped Gleich from including the very long ‘Weh’mir, so nah’ die fürchterliche Stunde’ in her programme and the result is astonishing. I have not often had the opportunity to listen to this spectacular piece; twice in the theatre and only once on CD, but her apparent ease and certainty in the difficult passages with often very high altitude, suggest that this soprano certainly does not have to shy away from parts like Brünnhilde.



And later we hear her in this role again. But first she performs the aria of Elisabeth who, after years of waiting for her beloved Tannhäuser, finds out that he is not among the group of pilgrims returning from Rome. Hope has turned to despair, the will to live is fading away. She prays to the Holy Virgin to accept her into heaven as an angel so that she can pray for Tannhäuser’s salvation: ‘Allmächt’ge Jungfrau’. It sounds touchingly beautiful and in fact I think Gleich is here at her best, of course this aria is also relatively close to her bel canto craft.

Earlier, Elisabeth was still full of hope, when she entered the singing hall after so many years: ‘Dich teure Halle’. This is a favourite of many sopranos who cautiously venture into the Wagnerian repertoire without wanting to go further than the romantic operas. Excellently sung, but perhaps a slightly too obvious choice. I would have preferred an aria by Isabella from Das Liebesverbot.

Via ‘Traf ihr, das Schiff’ or Senta’s Ballade from Der fliegende Holländer we arrive at the big surprise I mentioned earlier: Brünnhildes’ ultimate attempt to (just a little longer) keep the testosterone-fuelled Siegfried off her back. She is overcome by melancholy and fear of the unknown: the definitive break with her existence as a divine being. In ‘Ewig war ich, ewig bin ich’, the part that many also know as the instrumental ‘Siegfried Idyl’, Gleich frees herself from any last shred of doubt that the listener might have regarding her possibilities as a Wagnerian soprano in the great opera houses. The very high notes form a stumbling block for many aspiring sopranos but she takes them with such an apparent ease that,especially through repeated listening, you will be able to experience the performance in peace and quiet without any undue stress.

Up to now, Gleich’s experience with Wagner is rather limited with, among others, a performance as Dritte Norn under Jaap van Zweden in Hong Kong, also on CD. But Gleich is authentic Wagnerian material’, someone to look out for in the near future.



Last on the programme are the Wesendonck Lieder. A very refined interpretation, but one can hardly distinguish oneself with them. But with those earlier pieces one certainly can! This album is very worthy of a heartfelt commendation.



Op de bres voor Poldowski: Polish violin 2

Was ik over deel één al meer dan enthousiast, deel twee is, geloof het of niet, nog beter. Of, beter gezegd: verrassender. Spannender. Het ligt onder andere aan het door Jennifer Pike gespeelde stukken, want naast Szymanowski heeft zij zich ook over werken van Poldowski en Grazyna Bacewicz ontermt.

Nu is Bacewicz niet echt zo onbekend, dat hoop ik althans. Misschien niet onder de _echte_ klassieke muziekliefhebbers maar ik vermoed dat de doorsnee concert- en recitalprogrammeurs, zeker in Nederland nog nooit van haar hebben gehoord. Wanneer hoor je haar composities in de concertzalen? Maar ook de opnamen van haar werken zijn schaars. Hoe zou dat komen? Is de ‘Einaudisering’ van de klassieke muziek sector een voldongen feit?

Symbiosis Irena-Wieniawska-P
Poldowski

Poldowski is nog steeds terra incognita, al wordt men her en der eens eindelijk wakker. Niet zo lang geleden heeft Philip Jarousski een lied van haar opgenomen maar het mooiste pleidooi komt van Merel Vercammen en Dina Ivanova die Poldowski’s vioolsonate in D al twee jaar geleden hadden opgenomen, en hoe! (Gutman Records CD 191)

Wie is nou Poldowski? Haar echte naam is Irene Régine Wieniawski, ja de dochter van. Irene Régine (1879-1932) werd geboren in Brussel maar al gauw na de dood van haar vader (hij stierf toen zij tien maanden oud was) verhuisde zij met haar Britse moeder naar Londen. Zij studeerde in Brussel, woonde in Parijs en was getrouwd met Sir Aubrey Dean Paul, 5th Baronet. Zij wilde noch de naam van haar echtgenoot noch van haar vader willen gebruiken, zij wilde louter op haar muziek worden beoordeeld. Vandaar dat ze het pseudoniem Poldowski heeft aangenomen.

De uitvoering door Jennifer Pike is niet minder goed dan die van Vercammen en eigenlijk zou iedereen beide cd’s in huis moeten halen. Vercammen vanwege Mathilde Wantenaar en Pike vanwege Poldowski’s heerlijke Tango, die ooit door niemand minder dan  Jascha Heifetz werd opgenomen. Én de zeer virtuoze uitvoering van Bacewicz’ Kaprys polski voor viool solo. Vergeet trouwens niet de schitterende pianobegeleiding door Peter Limonov!

Szymanowski, Poldowski, Bacewicz
Jennifer Pike (viool), Petr Limonv (piano)
CHAN 20189

Acht minder bekende opera’s van Donizetti

葛塔諾·多尼采蒂wiki | TheReaderWiki
Portret van Gaetano Donizetti door Giuseppe Rillosi, 1848

75 opera’s heeft hij geschreven, de belcanto reus uit Bergamo. Vijfenzeventig! Tel daarbij, ik citeer: 16 symfonieën, 19 strijkkwartetten, 193 liederen, 45 duetten, 28 cantates en nog wat soloconcerten, sonates en kamermuziek. En hoeveel van al dat moois horen we tegenwoordig? Een doorsnee muziekliefhebber komt niet verder dan Lucia di Lamermoor, L’Elisir d’amore, Don Pasquale… Wellicht nog de Tudor-drieluik (Anna Bolena, Maria Stuarda en Roberto Devereux. En, o ja, La Fille du Regiment, vanwege al die hoge C’s op een rijtje.

PIA DE TOLOMEI

Opera rara Pia

Het verhaal van Salvatore Cammarano, auteur van o.a. Maria di Rudenz en Il Trovatore over een ten onrechte van overspel beschuldigde echtgenote van een kasteelheer speelt zich af tegen de achtergrond van een oorlog tussen Florence en Siena en is door Donizetti voorzien van de mooiste aria’s en duetten.

De bezetting, met een werkelijk weergaloze Majella Cullagh als Pia en Manuela Custer als haar broer Rodrigo voorop, is zoals altijd bij Opera Rara, werkelijk subliem. (ORC 30)

ROSMONDA D’INGHILTERRA

Opera Rara Rosmonda

Het verhaal speelt zich in het Engeland van de twaalfde eeuw af. Koning Henry II is getrouwd met Leonora van Aquitanië, maar houdt ook nog een maîtresse op na. Deze minnares (Rosmonda) zit opgesloten in een toren, en de page Arturo, die op haar moet letten is zelf verliefd op haar geworden. Een – heerlijke, dat wel – draak van een verhaal, maar de muziek is goddelijk mooi: lyrische passages worden afgewisseld met heftige ensembles.

Renée Fleming is de zoetgevooisde Rosmonda, en Nelly Miricioiu de verbitterde koningin Leonora. Beide dames komen elkaar tegen in de laatste scène, wat resulteert in een van de spannendste duetten. (ORC 13)

PARISINA

Opera Rara Parisina

Hergebruiken… Daar was vroeger niemand vies van, ook Donizetti niet. Zeker als de première voor de deur stond en het libretto op zich liet wachten. Voor Parisina heeft hij het een en ander van zichzelf geleend, en voor het gemak ‘knipte en plakte’ hij de (schitterende, overigens) ouverture die hij eerder voor Ugo, Conte di Parigi componeerde. Ondanks de krappe componeertijd (Donizetti heeft er niet meer dan een paar weken over gedaan) werd de opera zeer enthousiast ontvangen en bleef regelmatig op het repertoire staan, ook in het buitenland. Terecht. Felice Romani was een werkelijk begenadigd dichter, en met Parisina heeft hij een van zijn mooiste libretto’s afgeleverd. Alles zit erin: liefde, moord, opoffering, bedrog … En met de prachtige cantilenen van Donizetti erbij kan je niet anders dan snotteren en genieten.

Parisina is tegen haar wil uitgehuwelijkt aan een oude man, Azzo. Al jaren is zij (wederzijds, doch platonisch) verliefd op Ugo, die, naar later blijkt, de zoon is van Azzo en zijn eerste, door hem uit jaloezie vermoorde vrouw. Parisina verraadt haar gevoelens tijdens haar slaap (kunt u zich nog de droom van Cassio in Otello van Verdi herinneren?), Ugo wordt omgebracht en zij sterft van verdriet.

Carmen Giannattasio, José Bros en Dario Solari zingen hun rollen zeer verdienstelijk. Een onmisbare cd voorvoor een Donizetti (en niet alleen) verzamelaar (Opera Rara(ORC 40).

IMELDA DE’LAMBERTAZZI

Imelda

De opera speelt zich af in het door oorlogen tussen de Ghibellijnen en de Welfen verscheurde Bologna. Imelda en Bonifacio worden verliefd op elkaar, maar zij is een Ghibellijn en hij een Welf, dus op een goede afloop hoef je niet te rekenen.

Nicole Cabell zingt een mooie titelheldin, en haar stem mengt goed met James Westman’s lichte, bijna tenorale bariton.

Hun bijdrage verbleekt echter bij de formidabele prestaties van beide tenoren. Frank Lopardo’s stem is in de loop der jaren donkerder en mannelijker geworden, toch heeft hij niets aan zijn souplesse verloren. Massimo Giordano beschikt over een pracht van een lyrische tenor, waarmee hij ook overtuigend weet te acteren.

Het perfect spelende Orchestra of the Age of Enlightment wordt met verve gedirigeerd door Mark Elder (Opera Rara ORC36)

LES MARTYRS

martyrs

Les Martyrs is zijn leven als Poliuto begonnen. Het libretto van Eugène Scribe was gebaseerd op het toneelstuk Polyeucte van Pierre Corneille uit 1642 en droeg sterk de levensvisie van de schrijver uit: de wil is een bepalende factor in het leven. De première in Napels werd afgelast: het verbeelden van de Christenvervolging op toneel was toen in Napels verboden.

In Parijs heeft Donizetti bij Scribe een nieuw libretto besteld en componeerde er een nieuwe ouverture en een paar solo’s voor de hoofdrol bij. Hij veranderde de finale van de eerste acte en voegde de, in Parijs onmiskenbare balletmuziek toe. Daarbij heeft hij de romantische verwikkelingen behoorlijk afgezwakt en legde nog meer nadruk op het religieuze aspect.

Ondanks het aanvankelijk succes zijn ‘De Martelaren’ van de affiche verdwenen: daarvoor kwam weer, al is het mondjesmaat, ‘Poliuto’ voor terug. Na de 1920 werd de opera nog maar sporadisch uitgevoerd (een curiosum: in 1942 werd de opera opgevoerd ter gelegenheid van het bezoek van Hitler aan Mussolini, de hoofdrol werd toen gezongen door Benjamino Gigli).

Joyce El-Khory is een perfecte Pauline: dromerig, liefhebbend en als een leeuw (nomen omen) vechtend voor het leven van haar christen geworden echtgenoot. Een echtgenoot die zij niet eens liefheeft, want in de veronderstelling dat haar voormalige verloofde dood is, liet zij zich aan de protegé van haar vader uithuwelijken.

Michale Spyres is een zeer heroïsche Polyeucte en in  “Oui, j’irai dans leurs temples” laat hij een perfecte, voluit gezongen hoge “E” horen.

Michael Spyres in cavatina and cabaletta ” Mon seul trésor” & “Oui, j’irai dans les temples”:

Het orkest onder leiding van Sir Mark Elder speelt de sterren van hemel (Opera Rara ORC52)

LE DUC D’ALBE

duc

Het verhaal in het kort: hertog Alva, de bloederige afgezant van koning Philips, bestiert het Vlaanderen met ijzeren hand. Hij heeft de graaf van Egmond laten onthoofden en Hélène, Egmond’s dochter, zweert wraak. Haar geliefde Henri de Bruges blijkt in werkelijkheid de zoon van Alva te zijn en als Hélène de tiran wil vermoorden, werpt hij zich tussenbeide. Henri dood, Hélène verbouwereerd en de naar Lissabon vertrekkende Alva wanhopig van verdriet. Einde opera. Als het libretto u enigszins bekend voorkomt dan heeft u gelijk. Verdi gebruikte het ook in zijn Les vêpres siciliennes.

Donizetti componeerde de opera in 1839 voor Parijs, maar het werk is onafgemaakt gebleven. Al een paar jaar na de dood van de componist werden er pogingen gedaan om de opera te voltooien: men ging toen uit van de Italiaanse vertaling van het libretto. Her en der waren er opvoeringen, maar echt populair werd de opera nooit. Jammer eigenlijk, want hiermee is de weg naar Verdi en zijn Don Carlo geplaveid.

Opera Rara (Opera Rara ORC54) beperkt zich met deze opname tot het onaffe origineel, waardoor het verhaal eindigt met de arrestatie van Henri. De rest moeten wij er bij fantaseren.

Met Laurent Naouri is de rol van Alva meer dan perfect bezet. Zijn bariton klinkt autoritair en bij vlagen angstaanjagend. Maar ook smekend. Je zou medelijden met hem hebben!

Angela Meade is een zeer ferme Hélène. Haar coloraturen zijn stevig en secuur maar verwacht geen flauwvallende heldin a’la Lucia of Elvira: deze dame heeft guts!

Wat niet zegt dat zij ook niet fluisterend lief kan hebben, maar dat wraak haar prioriteit is, is nogal wiedes. Luister even naar het liefdesduet in de tweede akte: “Ah! Oui, longtemps en silence” en de daaropvolgende heldhaftige “Noble martyr de la patrie”, waarin Hélène de boventoon voert.

Michael Spyres’ Henri is, ondanks zijn heroïsche timbre, het meest softe personage. Niet in zijn zangprestaties, o nee, want met zijn rol zet hij een nieuwe maatstaf voor belcanto in het Frans; maar als karakter. In confrontatie met zijn vader laat hij zich van zijn meest gevoelige kant zien. De scéne is trouwens één van de hoogtepunten van de opera. Donizetti op zijn best, hier had Verdi zich niet voor hoeven te schamen.

ENRICO DI BORGOGNA

Donizetti Enrico

Wat de opname werkelijk onweerstaanbaar maakt is de enscenering. Nu is ‘theater in het theater’ niet echt iets nieuws, maar Silvia Paoli weet er een eigen draai aan te geven en het resultaat is niet alleen hilarisch maar ook echt goed. Tel de prachtige kostuums er bij…. Schitterend!

Waar gaat de opera over? Liefde, wraak en gerechtigheid, uiteraard. Enrico’s vader werd van de troon gestoten door zijn broer Ulrico wiens zoon Guido nu niet alleen de troon maar ook Elisa, de geliefde van Enrico voor zich wil houden. Bent u er nog? Mooi, want wees gerust: het komt allemaal goed.

Maar het is niet alleen de enscenering die de opname zo ontzettend de moeite waard maakt, ook de zangers zijn zonder meer goed. Anna Bonitatibus zingt een voortreffelijke Enrico en zijn tegenstander Guido wordt uitstekend vertolkt door Levy Sekgapane. Sonia Ganassi zingt een zeer virtuoze Elisa.

Alessandro de Marchi laat de Academia Montis Regalis spetteren. (Dynamic 37833)

Van Piet de Pot naar Pol Pot en verder

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Le Grand Macabre is één van de laat-twintigste-eeuwse opera’s die repertoire heeft gehouden, samen met bijvoorbeeld St Francois d’Assise, Lear, Die Soldaten en Nixon in China. Een mooi groepje. Natuurlijk wilde Ligeti eigenlijk geen opera schrijven, maar dat zeiden ze na Wagner bijna allemaal, bij wijze van spreken. Toch zit Le Grand Macabre – afgezien van wat ongebruikelijke instrumenten als claxons en deurbellen en een reeks plastische uitdrukkingen in het libretto – in mekaar als een ‘gewone’ opera, voor klassiek geschoolde stemmen, met een orkest in de bak, en met een zich keurig ontspinnende verhaallijn.

Maar wat een geweldige ‘traditionele’ opera is het! Bij een geënsceneerde uitvoering moet Le Grand Macabre de fantasie van de regisseur op allerlei manieren kunnen prikkelen. Al ging het Ligeti indertijd te ver toen Peter Sellars in Salzburg in 1997 er een metafoor voor milieuvervuiling door kernenergie in zag en het werk situeerde rond de nucleaire ramp in Tsjernobyl. De meer aan de verbeelding van de toeschouwer overlatende opvoering door de Reisopera een jaar later, geregisseerd door Stanislas Nordey en gedirigeerd door Reinbert de Leeuw, kon hem wél bekoren.

Toch is dit wel degelijk een althans deels politieke opera. Het gaat immers deels over een opportunistische en incapabele dictator, corrupte ministers, een inlichtingendienst die overal complotten ontwaart, massaexecuties en een volk dat radeloos, redeloos en reddeloos lijkt.

Ligeti, die na het verkeerd aflopen van de Hongaarse opstand zijn geboorteland was ontvlucht en wiens vader en broer in de Holocaust waren omgekomen, schreef de eerste versie van Le Grand Macabre in 1977, in de tijd waarin Breznjev, Ceaucescu, Mengistu, Suharto, Mobutu en Pol Pot aan de macht waren.

Maar de politieke dimensie is slechts één van de rode draden in het verhaal, en bovendien is die lijn geschreven in de groteske stijl van Gogol en Brecht. Daaromheen bewegen zich andere verhaallijnen waarin Venus, magie, duivels en de Dood in de persoon van Nekrotzar (de nekro-tsaar) hoofdrollen spelen.

Ook de muziek parodieert deels, met name Don Giovanni, Beethovens Eroica, Renaissance polyfonie, Verdi, Strawinsky, soms met snerpend koper of inderdaad deurbellen en claxons en allerlei slagwerkeffecten. Maar er zijn ook uitgebreide lyrische passages, zoals in de duetten tussen de jonge minnaars Amanda en Amando, die zo uit de Rosenkavalier of pakweg de Rheintöchter-scènes in Das Rheingold zouden kunnen zijn weggelopen.

Het is een korte opera, van de dramatische bondigheid van La Damnation de Faust en Falstaff, bij elkaar korter dan Das Rheingold, zelfs in de snelle versie zoals die vorige week in de Matinee klonk. Het (in deze uitvoering fantastisch zingende Groot-Omroep-)koor is in totaal maar een paar minuten te horen, maar in je beleving duurt het allemaal veel langer; en dat juist omdat het allemaal zo intens en rijk aan ideeën is. Dat besefte je in deze heldere uitvoering eens te meer.

In het verhaal volgen we de dronkaard Piet de Pot, die eerst door Nekrotzar wordt gedwongen om hem op zijn rug te nemen en door de wereld te sjouwen, maar tegen het einde Nekrotzar weet te verleiden het samen op een zuipen te zetten en hem onder de tafel drinkt. In benevelde staat lijkt Nekrotzar zich ten slotte gewonnen te moeten geven tegenover het leven, alhoewel dat niet zeker is; de slotscène lijkt een triomfzang over de overwonnen Dood, maar het aan de toeschouwer uit te maken of Nekrotzar echt de Dood vertegenwoordigt of alleen maar een charlatan is in een cabaretspel is, zoals de meeste andere personages. Ligeti had het werk ooit als poppenspel voorzien.

Le Grand Macabre is gebaseerd op het absurdistische toneelstuk Ballade du Grand Macabre van de Belgische auteur Michel de Ghelderode, dat zich afspeelt in ‘Brueghel-land’. Vermoedelijk dacht de oorspronkelijk auteur én aan Brueghels De Triomf van de Dood én aan Brueghels Vlaamse dorpsscenes die aanleiding hebben gegeven tot het begrip ‘Bruegheliaans’. Maar er is eigenlijk een enorm verschil tussen de ‘Bruegheliaanse’ Brueghel en de ‘doodernstige’ Brueghel van De Triomf van de Dood, geschilderd toen een pestepidemie rondwaarde, of het bijna existentalistisch-filosofische De Val van Ikarus of het politiek geëngageerde Kindermoord in Bethlehem, een aanklacht tegen hoe wreed de troepen van Alva in de Nederlanden huishielden. De combinatie van satire en religie vind je juist wel in het de hel verbeeldende rechterpaneel van Jeroen Bosch’ Tuin der Lusten.

Ook concertante komt de kracht van het werk prachtig tot uiting, vooral als het zo licht en luchtig klinkt als onder dirigent James Gaffigan, die het uitvoert met hetzelfde schijnbare gemak als waarmee hij ook zijn geweldige Prokofiev-symfoniecyclus dirigeerde. Overigens was deze concertante uitvoering wel degelijk geregisseerd en wat dat betreft werd het onderste uit de kan gehaald.

Nekrotzar werd meesterlijk gezongen en geacteerd door bas Martin Winkler. Samen met Piet de Pot (de ook sterk acterende stralende tenor Peter Hoare), die in het verhaal Nekrotzar op zijn rug door de wereld ronddraagt, vormde hij een mooi schlemielig duo.

Het was goed om bas-bariton Seth Carico, de Don Giovanni uit de recente Nationale Opera-productie, terug te zien als de mislukte magiër Astradamors. Ook in deze rol moest hij de dood tarten, en ook nu kreeg hij een reprimande voor zijn overmoedig gedrag, in een duet met Nekrotzar waarin Ligeti de reprimande van de Commendatore aan Don Giovanni lijkt te citeren.

Astradamors zit onder de plak bij zijn echtgenote, de furie Mescalina. De dramatische sopraan Heidi Melton nam die bijna Wagneriaanse rol op zich op een manier die laat horen dat ze ook Brünnhilde (de Ring) en Venus (Tannhäuser) op het repertoire heeft.

In Le Grand Macabre zit ook een Venus-rol, die door Ligeti werd toebedacht aan een coloratuursopraan. Deze werd vertolkt door Sara Hershkowitz, die in een dubbelrol ook het geslepen hoofd van de geheime dienst Gepopo zong. Bij tijd en wijle gaf ze swingend ook aan jazzy elementen uit de partituur gestalte en in haar eentje speelde ze overtuigend de twee haar toebedeelde antipoden.   

De feodale machthebber uit het verhaal, de 14-jarige Prince Go-Go, geniet van het goede van het leven en luistert nauwelijks naar de samenzweringen tegen hem die de directeur van zijn inlichtingendienst Gepopo telkens meent te ontwaren. Maar daardoor reageert hij wel te laat als het volk ten slotte echt in opstand komt. De jeugdig ogende countertenor Aryeh Nussbaum Cohen beeldde deze rol uit met een combinatie van allure en zelfspot die hem ook een ideale Prinz Orlovsky zouden maken.

Het Radio Philharmonisch Orkest had er zichtbaar plezier in, ook al zag ik af en toe iemand in de strijkerssectie de hand voor de oren houden als het slagwerk en het koper los gingen. Waarbij met name die orkestgroepen overigens een staalkaart van klankkleuren aan de dag legden.

Na afloop gaven dirigent en alle zangers uiting aan hun enthousiasme over de samenwerking; Aryeh Nussbaum Cohen alias Prince Go-Go met armgebaren alsof ze samen een sportwedstrijd hadden gespeeld, wat door het orkest en het koor met gejuich en voetgetrappel werd beantwoord – het volk bleek de heerser van voorheen toch wel te mogen.

Le Grand Macabre van György Ligeti. Libretto van de componist samen met Michael Meschke.
Gezien en gehoord Matinee op de zaterdag 27 november 2021, Concertgebouw Amsterdam.
Radio Filharmonisch Orkest
Groot Omroepkoor
James Gaffigan (dirigent)
Gijs Leenaars (koordirigent)
Mescalina: Heidi Melton (sopraan)
Nekrotzar: Martin Winkler (bas-bariton)
Amanda: Sofia Fomina (sopraan)
Amando: Marta Fontanals-SImmons (mezzosopraan)
Piet the Pot: Peter Hoare (tenor)
Prince Go-Go: Aryeh Nussbaum Cohen (countertenor)
Astradamors: Seth Carico (bas-bariton)
White-Party Minister: Paul Curievici (tenor)
Black-Party Minister: Tim Kuypers (bariton)
Venus / Gepopo: Sara Hershkowitz (sopraan)

Foto’s Foppe Schut

Sara Hershkowitz, Ligeti’s in Mysteries of the Macabre, BBC Scottish Symphony Orchestra

En in 2017 met het NNO olv Antony Hermus:




Marcel Beekman schittert in Carsens Platée

TEKST: PETER FRANKEN

Platée is een werk van Jean Philippe Rameau (1683-1764) dat in première ging in op 31 maart 1745 bij gelegenheid van het huwelijk van de Franse Dauphin, de oudste zoon van Lodewijk XV, en de Spaanse Infanta Maria Theresa. Het was Rameau’s negende opera. Het populaire Les Indes galantes wordt tot zijn balletten gerekend. Hoe het ook zij, in die tijd lag de nadruk nog erg op dans in gezongen theaterstukken en dat is in Platée al niet anders. Een klein half uur van het werk dat ruim twee uur duurt komt voor rekening van balletten, een nachtmerrie voor hedendaagse regisseurs.

Platée bestaat uit een proloog en drie aktes. In de proloog zien we de zwaar beschonken toneelspeler Thespis die door zijn vrienden wordt uitgedaagd een komedie te schrijven waarin de tekortkomingen van mensen en goden op de hak wordt genomen. De inspiratie voor dit stuk is de legende waarin Jupiter probeert zijn vrouw Juno van haar jaloezie te genezen. Daarna ontrolt het verhaal zich.

De entourage van de oppergod bedenkt een plan waarin Jupiter zogenaamd een nieuw huwelijk aangaat met de nimf Platée. Deze weinig aantrekkelijke dame bewoont een moeras en is overtuigd van haar eigen schoonheid en aantrekkingskracht, wie kan er niet van haar houden? Tot op heden is ze in deze dagdroom blijven hangen zonder dat er daadwerkelijk een minnaar op de stoep is komen staan. En dan krijgt ze bericht dat niemand minder dan Jupiter haar uitverkoren heeft om te trouwen.

Juno wordt op een dwaalspoor gezet, haar man is zogenaamd weer op vrijersvoeten in Athene. Zodoende kunnen Jupiter en zijn nieuwe liefde elkaar ongestoord ontmoeten.

Als het huwelijk bijna voltrokken is staat Juno op de stoep om haar plaats op te eisen. Maar als ze ziet met wat voor een type Jupiter zogenaamd ging trouwen barst ze uit in een schaterlach. Ze begrijpt dat het maar een farce was, bedoeld om haar duidelijk te maken dat het zo’n vaart niet loopt met Jupiters ontrouw. De echtelieden keren snel terug naar de Olympus en Platée duikt vernederd onder in haar moeras.

Het werk is feitelijk een hybride van een opera, ballet en revue waarin specifieke typetjes mogen opdraven. Robert Carsen heeft dat laatste duidelijk als uitgangspunt genomen in zijn productie voor Theater an der Wien. Een opname van een voorstelling zonder publiek uit 2020 is uitgebracht op dvd.

Carsen heeft zijn Platée gesitueerd in de wereld van de haute couture, met veel glitter en glamour, fraaie creaties en paparazzi. Jupiter wordt ten tonele gevoerd als Karl Lagerfeld en met enige fantasie kunnen in Juno zijn tegenhanger Coco Chanel herkennen.

Platée is een travestierol, een kolfje naar de hand van Marcel Beekman die hiervan zijn specialisme heeft gemaakt. Zijn typering doet denken aan een personage uit de Britse tv serie Little Britain maar heeft onvermijdelijk ook wel wat weg van Dame Edna. De belangrijkste vrouwelijke hoofdrol is weggelegd voor La Folie, vertolkt door de sopraan Jeanine De Bique die in verschillende creaties opkomt waaronder natuurlijk ook Lady Gaga, kan niet missen.

Plaats van handeling in de eerste akte is een chic restaurant waar Platée als cliënte van een wellness salon wordt binnengebracht voor een manicure. Volledig overtuigd van haar eigen schoonheid valt ze iedereen lastig met haar avances. En in dat idee lijkt ze bevestigd te worden door Jupiter.

In de volgende aktes zien we een trap waarlangs Jupiter afdaalt en beneden een catwalk met tribunes aan weerszijden. Het is er voortdurend een drukte van belang. Met koor, dansers en figuranten is het zo nu en dan echt dringen geblazen.

Jupiter knijpt er even onopvallend tussenuit met een jonge meid voor een vluggertje in de bezemkast terwijl Platée zich volop loopt te verheugen in de belangstelling van de gasten. Ze voelt zich bewonderd en heeft geen vermoeden dat het slechts een spel is ten koste van haarzelf.

Beekman is helemaal in zijn element als de narcistische in een schijnwereld levende Platée die even de tijd van haar leven heeft. Hoeveel personen er ook op het toneel rond lopen, hij weet toch steeds alle aandacht op zich gericht te houden. Vooral door zijn spel, zijn zang is een ander verhaal aangezien hij niet zingt als een tenor maar als iemand die een vrouwenstem imiteert op een manier dat het nadrukkelijk klinkt als imitatie.

We moeten er lang op wachten maar als La Folie ten tonele verschijnt is er ook voor de reguliere operaliefhebber veel te genieten. Prachtig optreden van De Bique.

Het verhaal is klassiek maar de enscenering en dus ook de kostuums zijn eigentijds. Die lijn is doorgetrokken naar het ballet dat een schoolvoorbeeld is van moderne dans. De muziek is en blijft natuurlijk vroege barok en valt ruwweg uiteen in twee delen. Relatief onopvallende sterk herhalende begeleiding in de dialogen en zangstukken onderbroken door wervelende tussenspelen. Is men klaar met praten dan wordt er even gewerveld, tot vervelens toe mag ik wel zeggen.

Natuurlijk wordt het allemaal uitstekend gebracht door Les Arts Florissants onder leiding van William Christie, maar erg boeiend wordt het nooit. Gelukkig heeft Carsen alles uit de kast gehaald om er een leuk schouwspel van te maken en vooral dankzij Beekman is dat goed gelukt.

Foto’s
Monika Rittershaus/Theater an der Wien
Werner Kmetitsch

interview met Marcel Beekman:
Marcel Beekman: als karaktertenor kan ik de hele wereld veroveren!

De nieuwe kleren van Wotan? Das Rheingold met ‘authentiek’ orkest.

Tekst: Neil van der Linden

De Ring op het instrumentarium uit dat tijd dat Wagner die schrijf, te beginnen met Das Rheingold. Schumann, Mendelssohn, Berlioz, Brahms op oude instrumenten wordt al lang gedaan.  In het Festival Oude Muziek weerklonk de Sacre al eens authentiek. En ook Wagner is hier en daar al eens aan de beurt gekomen, inclusief Das Rheingold bij het Orchestra of the Age of Enlightment onder Simon Rattle.

Toch is het verschil dat Concerto Köln nog eens heel diepgravend onderzoek heeft gedaan naar instrumenten, tempi en tekstuitspraak, en bovendien het voornemen heeft om de hele Ring uit te voeren. De spits is er in elk geval af.

Dirigent Kent Nagano heeft een lange staat van dienst in opera, inclusief laat negentiende- en vroeg twintigste-eeuws repertoire en hij had de Ring onlangs al gedirigeerd met ‘gewone’ instrumenten in Hamburg. Hoeveel musicologisch onderzoek men ook zou doen, zijn deelname zou in elk geval een mogelijk al te academische aanpak voorkomen. En drama kwam er sowieso genoeg in de hele opvoering. Dat was in goede handen bij Nagano, maar ook bij het door de bank genomen geweldige zangersensemble, dat niet alleen merendeels magnifiek zong maar ook heel goed acteerde.

Dat laatste begon meteen al bij de eerste scenes als Alberich, Daniel Schmutzhard, hip geknipt, aanvankelijk ogend als een aantrekkelijke man die je je bij wijze inderdaad skinnydippend (ja, want ze hadden in de Germaanse tijd toch nog geen zwemkleding…) samen met de drie aantrekkelijke Rijndochters kunt voorstellen, er achter komt dat hij zijn energie beter kan steken in geld en macht, in de vorm van het Rijngoud, dan in plaats van meisjes (En ja, het staat er echt in de tekst: hoewel ze het niet voor elkaar willen weten, voelt elk van de Rijndochters individueel best wel iets voor een avontuurtje met deze man.)

Knap is ook hoe hij dan al snel de metamorfose naar een engerd ondergaat, onder meer door zijn hoofd wat spastisch scheef te houden; misschien heeft hij goed gekeken hoe Bruno Ganz enge politieke leiders uitbeeldde. In elk geval had Schmutzhard, normaal meer een Lied-zanger, bij dit orkestvolume ook stemtechnisch geen enkele moeite met de rol.

Ook Derek Weltons Wotan klonk net zo jeugdig klonk als hij oogde. Ook hij kon gemakkelijk tegen dit orkest op en ook bij hem spatte het spelplezier ervan af; hij zou zo Godfather II kunnen spelen, met het klunzige komisch duo Donner (Johannes Kammler) en Froh (Tansel Akzeybek) als maffiose loopjongens.

Mezzosopraan Stefanie Irányi verklankte en verbeeldde met een warm, emotioneel geluid fraai Fricka’s zorgen om haar bijna door haar echtgenoot verkwanselde zuster Freia en de zorgen over de morele waarden die bij haar mede-Germaanse goden erop na houden.

Thomas Mohr als Loge was de oudste van de cast, maar dat klopt met het gegeven dat Loge slechts halfgod is, en daarom niet mag mee-eten van de magische appels waarmee Freia de echte goden eeuwige jeugd bezorgt. En wat een geweldige acteur is Thomas Mohr. Humor is niet iets dat je direct met Wagner associeert, maar met subtiele gebaren en gezichtsuitdrukkingen weet hij aan te geven hoe Loge eigenlijk lak heeft aan de goddelijk kliek; ik moest geregeld echt lachen.

Opvallenderwijs is het enige andere mannelijke personage dat er in deze opvoering karakterologisch een beetje goed van af komt: Mime, die zo zielig onder de plak van zijn broer Alberich zit. Dat werd superieur geacteerd door een krachtige, viriele Thomas Ebenstein. Op deze manier was het extra jammer dat Wagner Mime in Das Rheingold maar zo’n relatief kleine rol heeft toebedeeld. Maar goed, als Concerto Köln toekomt aan Siegfried krijgt Mime nog genoeg te doen. En naar ik begrijp komt Thomas Ebenstein hier te lande terug als het Rotterdams Philharmonisch Orkest de Rheingold komend voorjaar gaat uitvoeren onder Yannick Nézet-Séguin.

Jammer dat het van de twee reuzenbroers Fasolt is die door Fafner wordt vermoord en niet andersom, want de Fasolt van Tijl Faveyts was sterker dan de Fafner van Christoph Seidl, en het is Fafner die in Siegfried als draak opereert. Maar gelukkig vertelde Tijl Faveyts op Radio 4 dat hij bij de Komische Oper Berlijn, waaraan hij verbonden is, Gurnemanz gaat zingen, en dan is hij dus flink wat langer horen.

Een dan was er de indrukwekkende Erda van Gerhild Romberger, een diepe mezzo, die haar partij vanaf de trap naar boven zong, en die zo te horen zo Das Lied von der Erde kan zingen. De zangerscast was dus zeker geen vehikel voor een orkestraal experiment.

Maar hoe klonk het orkest uiteindelijk? Het befaamde openings-Es-akkoord op de in dit geval natuurhoorns riep niet per se de mystieke sfeer op die het anders wel genereert. Elders in de partituur wisten de authentieke koperinstrumenten met hun soms lastig onder bedwang te houden intonaties mooi-rauwe randjes aan de klank van het orkest toe te voegen. En de koperinstrumenten zijn de enige die niet veel minder luid dan tegenwoordig klinken, dus als ze los mochten gaan knetterden ze lekker boven alles uit. Darmsnaren, houten fluiten, houten paukenstokken, enz. zorgden voor een zachtere klank dan bij gebruikelijker concertante uitvoeringen.

Maar zoals ik met mijn concert-buurman Floris Don van het Rotterdams Philharmonisch Orkest besprak, zijn de klank en de omvang van het moderne orkest niet eigenlijk de gevolgen van wat een componist als Wagner toen van het orkest verlangde, en komen ze daarmee misschien wel dichter bij het ideaalbeeld dat Wagner voor ogen had?

Daar komt bij dat Wagner voor het orkest in zijn Festspielhaus in Bayreuth, waar de Ring in 1876 voor het eerst werd opgevoerd, een extra diepe orkestbak had laten ontwerpen, waarvan het geluid alleen via een ‘spleet’ de zaal bereikt. Ook dat vroeg om een luider orkest, waarvan het geluid dan bovendien omfloerst de zaal bereikte. Waarna al te snelle tempi die in een geluidsbrei zouden kunnen eindigen niet meer goed te handhaven waren.

De orkestopstelling van die we nu zagen lijkt op de orkestopstelling in Bayreuth: eerste violen links, altviolen naast de eerste violen, celli erachter, tweede violen rechts, contrabassen verspreid over links en rechts, koper allemaal bij elkaar op rechts, hoorns vooraan. Van de zeven contrabassen in deze uitvoering stonden er vier links, drie rechts.

In Bayreuth hield dat alles verband met de manier waarop het geluid eerst naar het podium moet worden gericht zodat de zangers het orkest kunnen horen (terwijl het orkest de zangers niet hoort). Het geluid van het orkest bereikt daarna pas via weerkaatsing samen het dat van de zangers het publiek. Dat alles droeg bij aan de klankrijkdom van een ‘onzichtbaar’ orkest rond de zangers die Wagner in gedachten had.

Maar inderdaad was het orkest zelf steeds luider geworden en as het steeds langzamer gaan spelen. Pierre Boulez wist in de door Patrice Chéreau geregisseerde Ring ter gelegenheid van het honderdjarig jubileum van de Ring in Bayreuth het orkest wel op te schonen en liet het sneller spelen, maar ook toen bleef die omfloerste klank.

Wat na erkenning van het unieke concept en vervolgens relativering daarvan overblijft is een stevige energieke uitvoering, met een perfect spelend orkest en een fantastische zangerscast. Het publiek was terecht een halve minuut stil alvorens in applaus en gejuich uit te barsten.

En natuurlijk wist ook Wagner dat zijn Ring overal elders ter wereld anders zou klinken dan in Bayreuth. Daarom zullen we misschien na deze Rheingold voortaan anders luistern naar Ringen in conventionelere omstandigheden.

Grapje: Alberich nam ná Wotan het applaus in ontvangst. Het publiek accepteerde het en gaf de volgens de gebruikelijke interpretatie grootste slechterik in het verhaal inderdaad het grootste applaus/

Gezien in het Concertgebouw 20 november 2021.

Concerto Köln olv Kent Nagano
Wotan: Derek Welton (bas-bariton)
Donner: Johannes Kammler (bariton)
Loge: Thomas Mohr (tenor)
Froh: Tansel Akzeybek (tenor
Fricka: Stefanie Irányi (mezzosopraan)
Freia: Sarah Wegener (sopraan)
Erda: Gerhild Romberger (mezzosopraan)
Alberich: Daniel Schmutzhard (bariton)
Mime: Thomas Ebenstein (tenor)
Fasolt: Tijl Faveyts (bas)
Fafner: Christoph Seidl (bas)
Woglinde: Ania Vegry (sopraan)
Wellgunde: Ida Aldrian (mezzosopraan)
Floßhilde: Eva Vogel (mezzosopraan)

Fotografie: Eduardus Lee

Katie Mitchell verfilmde The turn of the screw

Tekst: Peter Franken

Deze opera van Benjamin Britten stamt uit 1954 en is gebaseerd op een novelle van Henry James uit 1898. De titel is ontleend aan de tekst waarmee James zijn ghost story inleidt en houdt op geen enkele wijze verband met het feitelijke verhaal. Het is opmerkelijk dat librettist Myfanwy Piper er niet een eigen titel voor heeft bedacht. Maar misschien was dat gewoon om mee te liften op de naamsbekendheid van James’ werk.

Ik zag de opera tweemaal in het theater, een uitstekende productie in De Munt (1998) en een eveneens geslaagde productie van de Reisopera (2002). Katie Mitchell regisseerde in 2005 een filmversie van het werk wat zeer veel mogelijkheden gaf om de geestverschijningen van de huisknecht Quint en de gouvernante Jessel in de handeling te betrekken.

Verder spelende kinderen op alle verdiepingen van het landhuis en in het omringende park, zeer sfeervol allemaal. Toch wist met name de voorstelling in De Munt me indertijd meer te boeien, onder meer vanwege het arrogante mannelijke gedrag van Miles als hij tijdelijk bewoond wordt door de geest van Quint.

De kinderen Miles en Flora zijn al vroeg wees geworden en het enig overgebleven familielid is hun oom. Die zal het huis wel hebben geërfd en daarmee de zorg voor de kinderen. Hij heeft het echter veel te druk daarvoor en neemt een nieuwe gouvernante aan die de nadrukkelijke boodschap meekrijgt dat ze de vrije hand heeft maar ook volledig verantwoordelijk is voor alles met betrekking tot de kinderen en het huis. Hij mag onder geen beding lastig worden gevallen.

Al gauw wordt duidelijk dat er iets niet klopt in dat huis. Bij zijn vertrek had de oom zijn huisknecht Quint de leiding gegeven en die had zich veel vrijheden veroorloofd met Miles en Miss Jessel. De gouvernante had zich zelf verdronken in een vijver en Quint was uitgegleden op het ijs en vermoedelijk op zijn achterhoofd gevallen. Daar was hij blijven liggen en pas de volgende ochtend dood aangetroffen. Dat is althans wat de nieuwe gouvernante uiteindelijk van de huishoudster Mrs Grose te horen krijgt.

We krijgen hier het fijne niet van mee maar het is niet onaannemelijk dat Miss Jessel zwanger was van Quint en dat ze hem tijdens een ruzie hierover had doodgeslagen. Gewoon onverwacht van achteren met een koekenpan, zoiets. En daarna zelfmoord gepleegd. Wat er tussen Quint en Miles is gepasseerd laat zich raden, misbruik in enigerlei vorm ligt voor de hand.

Sindsdien spoken die twee rond en proberen als verdoolde zielen hun leven te rekken door dat van de twee kinderen over te nemen. Mrs Grose heeft Flora daar al heel wat over horen uitkramen in haar dromen en als de nieuwe gouvernante vertelt een man te hebben gezien die door het raam naar binnen keek en hem daarbij tamelijk precies beschrijft, roept Mrs Grose iets in de trant van: kan die Quint ons nu niet eindelijk eens met rust laten. De twee schimmen hebben eigen zangpartijen en hebben ook een scène samen waarin ze elkaar verwijten maken.

Het einde van het verhaal is dat Mrs Grose met Flora vertrekt om haar in veiligheid te brengen voor Miss Jessel en de gouvernante Miles zover krijgt dat hij de geest toeroept: ‘Peter Quint, you devil!’ Helaas ligt hij daarna levenloos in haar armen. Opmerkelijk is de sensitiviteit van de gouvernante die de twee geesten ook daadwerkelijk lijkt te kunnen waarnemen. Niet echt natuurlijk maar ze bespeurt nadrukkelijk hun aanwezigheid en kan Quint zelfs heel precies beschrijven.

In het verhaal is de gouvernante een zeer jonge onervaren vrouw en de goed zingende Lisa Milne oogt duidelijk te volwassen voor deze rol, ook al was ze pas 34 tijdens de opname. Naast haar ziet de veel oudere Mrs Grose er onvoldoende uit als iemand die haar moeder had kunnen zijn. Die rol wordt goed ingevuld door Diana Montague. De twee kinderen Miles en Flora zijn prima gecast met de opvallend naturel acterende en goed zingende Nicholas Kirby Johnson en Caroline Wise. Het verdoemde koppel Quint en Jessel komt voor rekening van Mark Padmore en Catrin Wyn Davies.

Muzikaal heeft de opera de vorm van een openingsthema gevolgd door 15 variaties met titels als The window, The Lake, Colloquy and Soliloquy. Eenvoudig te begrijpen teksten worden afgewisseld met zeer cryptische, met name gezongen door Miles. Het klinkt sfeervol maar is bij wijlen toch wel een beetje minimalistisch, met name als er langere tijd sprake is van stil spel.

In de tijd van James moet men er bij het knapperend haardvuur wel een paar gevoelige zielen mee hebben kunnen ontregelen maar ruim een eeuw later is er van die spanning weinig meer over. Vooral voor liefhebbers van Brittens muziek.

Het City of London Sinfonia staat onder leiding van Richard Hickox.

My love-hate relationship with Fidelio by Beethoven

https://basiaconfuoco.files.wordpress.com/2020/07/fidelio18140523.jpg

I have a love-hate relationship with ‘Fidelio’. On the one hand, I think it is a whole lot of rubbish, but on the other hand, I love the overture. And the quartet in the first act – a heavenly piece of music, if performed well.

Harnoncourt (Teldec 4509-94560-2)

Fidelio Harnoncourt cd



I particularly like the recording Nikolaus Harnoncourt made in 1995 with the Chamber Orchestra of Europe. Charlotte Margiono is a fantastic Leonore and Peter Seiffert (Florestan) sounds like a young god. Also the young (yes, make no mistake! Don Ferrando is young!) Bo Skovhus sings the noble minister in a very natural way. Sergei Leiferkus (Don Pizarro) is also much more at home here than in Verdi’s operas.

I become a little sad when I see the names of László Polgár (Rocco) and Deon van der Walt (Jaquino) again: Polgár, a much beloved singer (not only in Amsterdam), died suddenly in September 2010. And Deon van der Walt was shot dead by his own father in November 2005 (who says life is not like opera?). The orchestra is very transparent and wonderfully light-hearted, something I enjoy very much.


Barenboim (Teldec 3984-25249-2)

fidelio barenboim


Now you may say: Fidelio light-hearted? I want thunder and lightning! In that case, your choice should be Daniel Barenboim. Here, not only is the orchestra (Staatskapelle Berlin) of almost Wagnerian proportions, so are the singers: Waltraud Meier (Leonore), Plácido Domingo (Florestan), Falk Struckman (Don Pizarrro), René Pape (Rocco), Kwangchul Youn (Don Fernando).
On the other hand the roles of Jaquino (Werner Güra) and Marzelline (Soile Isokoski) are wonderfully lyrical (although more heavily cast than usual). The tempi are solid but never punishing, and Barenboim conducts with verve.

Elder (GFOCD 004-06)

Fidelio Eldet

There is absolutely nothing wrong with the 2006 performance, recorded live in Glyndebourne for the Festival’s own label. Anja Kampe made her enthusiastically received debut there as Leonore. And rightly so. Rarely, if ever, has this role been sung with such beautiful lyricism and such fragility, making Leonore even more deserving of our respect for her heroic actions. In the spoken dialogues, moreover, Kampe shows herself to be an outstanding actress.

I am not a big fan of Torsten Kerl (Florestan), but the way he sings his great aria is outstanding. Lisa Milne (Marzelline) has stolen my heart with her lovely soprano and the rest of the cast is also fantastic. Mark Elder conducts the beautifully playing London Philharmonic Orchestra with great intensity.
It is a great pity that the production has not appeared on DVD, because all the reviews praised Deborah Warner’s direction. But even without seeing it, there is still a lot to enjoy.

The packaging is also very attractive: the two CDs are enclosed in a kind of booklet with a hard cover, with, besides the libretto, many rehearsal and performance photographs.

Harnoncourt (Arthouse 107111)

Fidelio kaufmann

On DVD the choice is also quite large and out of necessity I will limit myself to two recordings.

Already in 2004 (!) Jonas Kaufmann sang Florestan, in Zurich, conducted by Nicolaus Harnoncourt. The conductor has changed his vision audibly and the orchestra sounds heavier than on Teldec. He conducts with a firm hand and starts very quickly, only to calm down afterwards. I find it all too measured, too tight … At least it is for me.

Jürgen Flimm directed the film and he gives us, for him, rather realistic images, sometimes maybe even ‘too’ realistic. A fun fact: Flimm also directed and supervised the dialogues for the 1994 Teldec recording.

Lászlo Pólgár is a wonderful Rocco. I doubt if he is a perfect match for the role (physically then), especially with a (very weak) Elisabeth Magnus as his daughter, but just to be able to see that man again!

Camilla Nylund is a rather unemotional Leonore, but Kaufmann is an irresistible Florestan.

Haitink (Opus Arte BD OA7040)

Fidelio Haitink


Again in Zurich, but four years later in 2008, a new production of ‘Fidelio’ (they apparently love it there) was presented. The orchestra of the Opernhaus Zürich is conducted very affectionately by Bernard Haitink, but then again – he has pretty much identified himself with Beethoven’s works.

He has also really thought about it: he finds the ideas behind the music much stronger than any political labels. He doesn’t care about updating, because the music itself is translucent, transparent and warm.

Harking back to the Mahlerian tradition, he puts “Leonore III” in the second act. However, he is a bit on the slow side.

Katharina Thalbach’s direction and Ezzio Tofolutti’s furnishings are very realistic, which is in line with Haitink’s ideas, but the costumes are a bit of everything. The dialogues are somewhat abbreviated, which I do not really consider a lack.

Lucio Gallo is a misfit for me. He portrays Don Pizzaro as an Italian mafia boss, but as the sort you’ll only see in the cinema. It is  all very exaggerated and his voice does not have the right timbre for the role.

Alfred Muff is better suited as Rocco than as Pizzaro four years earlier, but he too has had his day. Melanie Diener (Leonore) sings very adequately, and I have little to say about her acting, but she is not at all convincing as a man!

Robberto Saccà  is a great Florestan. More lyrical than we are used to, but I do not mind that at all. And although he does not look gaunt, his fantastic acting skills are enough to suggest his great suffering. I have also come to appreciate this singer more and more.