Auteur: basiaconfuoco

muziek journalist

Een jongeling is een volwassen man geworden: Thomas Quasthoff en Die Schöne Müllerin

“1 meter 34 groot, korte armen, zeven vingers – vier rechts, drie links -, groot vrij goed gevormd hoofd, bruine ogen, prominente lippen. Beroep: zanger”. Zover Thomas Quasthoff over Thomas Quasthoff. Nee, gevoel voor humor kan je hem niet ontzeggen. Ook het vermogen om te relativeren, of een buitengewone intelligentie en een enorme muzikaliteit. Maar het allerbelangrijkste is zijn stem: donker, warm en fluwelig, waarmee hij met gemak de allergrootste zalen ter wereld kan vullen.

Nooit vergeet ik de eerste keer dat ik hem live hoorde, een jaar of 24 geleden. Ik kende zijn cd met liederen van Loewe dat net uit was (EMI, thans niet meer in de handel) en waar ik meer dan kapot van was. Ik wist, dat hij een softenonkind was en toch schrok ik toen hij waggelend het podium betrad. Hij klom op een stoeltje en toen gebeurde het. Zodra hij begon te zingen vergat ik alles en kon de hele wereld mij gestolen worden. Zijn stem was zeer groot, te groot voor de Kleine Zaal, en van een ongekende schoonheid. Ik wentelde mij in zijn geluid. Het voelde als een warm bad: vertrouwd en lekker.

Als toegift zong hij een aria uit….(?) en dat deed mij pijn. Want; welke rollen zou hij kunnen zingen, vooropgesteld dat hij überhaupt een operabühne zou kunnen betreden? Rigoletto was uiteraard te wrang. En ik mijmerde over een operazanger die ons ontnomen werd voordat hij überhaupt begon

Maar wat heb ik me toen vergist! Quasthoff bewees eens te meer dat zijn doorzettingsvermogen en zijn wilskracht groter dan groot zijn, en is inderdaad opera gaan zingen. In het theater. Ik denk nog steeds aan zijn Amfortas in de Wiener Staatsoper.

Maar hij bleef voornamelijk liederen zingen. In 2005 had hij zijn interpretatie van de Die Schöne Müllerin vastgelegd, een cyclus die hij al sinds het begin van zijn carrière op het repertoire had staan. Best jammer dat hij het niet eerder had opgenomen, het zou fascinerend kunnen zijn om te vergelijken in hoeverre zijn visie op Schuberts verklanking van Müllers gedichten is veranderd.

In 2005 was Quasthoff geen naïeve jongeling meer. Hij was toen al veertig en had en grote zangcarrière en daarmee gepaarde successen achter de rug. Zou hij nu anders kijken tegen de eerste verliefdheid? Jaloezie? Liefdesverdriet? Daar komen we niet achter.

In en interview met Thomas Voigt zei hij dat hij veel meer wilde dan alleen maar een mooi geluid maken. Hij wilde alle kleuren gebruiken die zijn stem ter beschikking had om de inhoud van gezongen teksten te kunnen duiden. Want: hoe kan je recht doen aan een tekst dat over helse jaloezie gaat als je alleen maar mooi zingt?

En opnieuw vraag ik me af of zijn zingen vroeger meer ingetogen was? Hoe hij ‘Der Müller und der Bach’ destijds had gezongen? Verstilder wellicht? Zo jammer dat ik het niet kan vergelijken met de, met zijn volle stem gezongen versie van nu.

Ik zet die cd nogmaals op en luister naar het verhaal dat hij mij wil vertellen. In zijn interpretatie bestaat de cyclus uit minidrama’s, in een keurslijf van een liedcyclus gegoten. Geen kamermuziek meer, maar een opera. Weliswaar één in een miniatuurformaat, maar toch. Een jongeling is een volwassen man geworden. En die zelfmoord aan het eind, ach, misschien komt hij tot bezinning en doet hij het niet? Als je ouder wordt weet je dat alles ooit overgaat. Ook het allergrootste liefdesverdriet.

 

Nikolai Medtner: een ‘malle sentimentalist’?

 

Nikolai Medtner. Voor veel muziekliefhebbers niet meer dan een naam in de muziekgeschiedenisboeken. Op de pianisten wellicht na, want Medtner kunnen ze niet negeren. Alleen al omdat hij zulke mooie stukken voor het instrument heeft geschreven, die je meteen aan Rachmaninoff doen denken en die willen ze graag op hun repertoire zetten. En daar is dus de hond begraven. Want Rachmaninoff, daar kan toch niemand aan tippen?

Medtner wel. Zijn stukken zijn niet minder virtuoos. En vergeet zijn onvervalste sentiment die ik zelf liever nostalgie noem. Al noemde Medtner zichzelf een ‘malle sentimentalist’. Maar hij had veel meer in zijn mars. Denk alleen aan zijn liederen, hij heeft er maar liefst 107 gecomponeerd! Honderd en zeven! Waarom horen we ze niet? En waarom niet? Omdat we eenkennig zijn?

Gelukkig bestaan er nog artiesten die verder (willen) gaan dan de gebruikelijke Schuberts, Straussen en Schumanns. Daar is Ekaterina Levental is er één van. Prachtige zangeres, harpiste, actrice en performer die verder gaat. Niet dat zij het geijkte repertoire schuwt, maar zij laat haar vleugels uitslaan en kijkt voorbij de horizon. Samen met de pianist Frank Peters ontfermde zij zich over de liederen van Medtner: het is de bedoeling dat ze al zijn liederen op de cd gaan zetten. Hulde!

De eerste, getiteld Incantation, is net verschenen. De liederen, naar de teksten van Lermontov, Poesjkin, Tjoettsjev en Fet zijn gecomponeerd in het eerste decennium van de vorige eeuw en, hoe kan het anders, ze gaan over de liefde. De onbeantwoorde liefde, de liefde die voorbij is, de pijn die de liefde kan doen.. Noem mij maar een jerk, maar daar kan ik dus echt om janken. Niet alleen om die prachtige liederen maar voornamelijk om die tijd die voorbij is. Al zijn er sprankjes aan de horizon dat het weer wel mag. Het sentiment. Het gevoel.

Maar vergis je niet: Medtner zingen is niet makkelijk! Dat komt door de complexiteit van de muziek. Pianopartij is nadrukkelijk aanwezig en dat terwijl zanglijnen voornamelijk lyrisch en ingetogen zijn en dat is wat de muziek van Medtner aantrekkelijk én uitdagend maakt. Beide artiesten kweten zich voortreffelijk van hun taak.

Met spanning wacht ik het vervolg af. En zo lang het duurt blijft deze cd in mijn cd-speler.


Medtner: Incantation – Complete Songs Volume 1
Ekaterina Levental (mezzosopraan), Frank Peters (piano)
Brilliant Classics 96056

 

Between Gods and Demons: George London

And now I would like to tell you about George London. Born as George Burnstein into a family of Russian Jewish immigrants in Montreal, Canada in May 1920, he grew up in Los Angeles and began his career in the 1940s in the Bel-Canto Trio. The other two were soprano Frances Yeend and … Mario Lanza!

                                                              with Mario Lanza

 

London was the very first American to sing Boris Godunov (in Russian!) at the Bolshoi in Moscow and was considered one of the best Wotans/Wanderers of his era. His Scarpia was also already legendary during his lifetime.

Here is a wonderful recording from a 1962 concert of George London (in perfect Russian!) as Boris,

 

In addition to his Boris Godunov and Scarpia, London was mainly renowned for his Don Giovanni. Everyone agreed about his Don Juan that if you ooze that much sex appeal, it can be demonic. Definitely something to think about! As far as I know, there is no complete film of the opera with him in it. All the more reason to recommend to all of you the portrait of the singer that came out a couple of years ago at Arthaus Musik (101473). The title of the documentary says it all, Between Gods and Demons.

About a decade ago, the budget label Walhall re-issued two historic recordings of Tannhäuser on CDs, one a Berlin performance in 1949 conducted by Leopold Ludwig (WLCD 0145) with Ludwig Suthaus (Tannhäuser), Martha Musial (Elisabeth) and a very young Fischer-Dieskau (Wolfram), and the other a performance at the Met (WLCD 0095) conducted by Rudolf Kempe in 1955. Except for the not very idiomatic Astrid Varnay as Elisabeth, it featured a magnificent array of the greatest singers of the day, Blanche Thebom, George London, Jerome Hines and Ramon Vinay. Here is George London singing ‘O du mein holder Abendstern’:

 

Decca London

But he was also a real entertainer who took popular music seriously, to him they were all ‘artificial art songs’. On the CD On Broadway (Decca 4808163) he gives us a lesson on how to sing the songs of musical composers Rogers, Kern and Loewe.

Below London sings Rogers and Hammerstein’s If I Loved You:

And you get Wagner as a bonus.


English translation: Sheila Gogol

Die Opferung des Gefangenen van Egon Wellesz: een buitengewoon interessante hybride

“This West Indian tragedy has remained the sole dramatic work of a heroic world in pre-Columbian times that, after a flourishing heyday, was abruptly terminated by foreign violence” (Egon Wellesz in 1925).

Die Opferung des Gefangenen is moeilijk in een la te stoppen: het is zowel een opera als een ballet en tegelijk ook geen opera noch ballet. Een hybride, maar een buitengewoon interessante hybride. Wellesz was altijd geïnteresseerd in het ontwikkelen van zijn eigen stijl waardoor vrijwel al zijn composities een andere ‘taal’ spreken. Zijn opleiding genoot hij bij Schönberg die hem, behalve de twaalftoonstechniek ook een grote dosis expressionisme had bijgebracht.

Die Opferung des Gefangenen heeft als bijtitel ‘Ein Kultisches Drama für Tanz, Sologesang und Chor’ en is gecomponeerd op een libretto van Eduard Stücken naar het Mayaanse spel ‘Rabinal Achi’ over een conflict tussen de Quiché en de Rabinal Indianenstammen aan het begin van de vijftiende eeuw. De première vond plaats op 2 april 1926 in Keulen, onder leiding van Eugen Szenkar.

                                            Egon Wellesz door Oscar Kokoschka

Na de Anschluss in 1938 vluchtte Wellesz (Joods en schrijver van ‘Entartete Musik’) naar Oxford waar hij in 1974 overleed. Tegenwoordig horen we zijn muziek nog maar zelden.

De opname die Capriccio nu op cd heeft (her?)uitgebracht stamt uit 1995 en is zonder meer goed waarvoor mijn grote dank. Maar wat zou ik graag dit werk live willen meemaken, want op cd mis je de helft, het ballet.

De compositie is te beluisteren op de site van Naxos:

https://www.naxos.com/catalogue/item.asp?item_code=C5423

Egon Wellesz: Die Opferung des Gefangenen
Wolfgang Koch (Feldherr), Robert Brooks (Schildträger des Prinzen), Ivan Urbas (Der Älteste des Rates)
Wiener Konzertchor, ORF Vienna Radio Symphony Orchestra olv Friedrich Cerha
Capriccio C5423

 

Roberta Alexander op haar ontroerendst

In 1998 was Roberta Alexander vijftien jaar exclusief verbonden aan het Nederlandse label Et’cetera en dat moest uitbundig gevierd worden. Daar hoorde, uiteraard, ook een mooi cadeau ebij. Een cadeau voor Roberta, maar ook (of voornamelijk) voor ons, de muziekliefhebbers en haar grote fans.

Het idee achter de cd kwam van Alexander zelf. Zij verzamelde liederen die haar moeder, ook Roberta Alexander en zelf een gevierde zangeres op haar recitals placht te zingen. De dochter stond voor een onmogelijke taak: welke liederen wel en welke niet? Nee, niet makkelijk.

De meeste liederen behoren tot het ‘lichtere genre’: encores, spirituals en arrangementen van folksongs en de meeste componisten, op een enkele na, waren toen vrijwel onbekend. De grootste verrassing voor mij was Richard Hageman. Een Leeuwarder van geboorte, die in Amerika een groot succes boekte als componist (zijn opera Caponsacchi werd in 1937 in de Metropolitan Opera in New York uitgevoerd), dirigent en begeleider. De door hem gecomponeerde ‘Do not go, my love’ op gedicht van Rabindrath Tagore behoort tot de allermooiste liederen op deze cd en dat terwijl ze allemaal prachtig zijn!

Eigenlijk hoor je deze cd in je eentje (of alleen met je geliefde) te beluisteren, met een kaars aan, een glas rode wijn in de hand en de ogen dicht. Roberta Alexander creëert een zeer intieme sfeer, zij zingt met ingehouden emoties. Ontroerend.

Brian Masuda, haar partner op de piano, doet er aan mee waardoor de luisteraar gewoon betoverd wordt. Deze cd gaat mee naar een onbewoond eiland.

Omdat het een jubileum was, heeft Et’cetera nog een cadeautje eraan toegevoegd: een cd met de hoogtepunten van de samenwerking tussen de zangeres en haar label: Roberta Alexander … a retrospective.

Ik hoop echt dat deze cd nog in de handel is!

https://music.youtube.com/playlist?list=OLAK5uy_nyQxO_l_M1lHQnhjpTNh3DLYhaFVWBulQ

Songs my mother taught me
Roberta Aleksander (sopraan), Brian Masuda (piano)

Roberta Alexander zingt Leonard Bernstein

Aantrekkelijke Königskinder uit Zürich op Bluray

Tekst Peter Franken

In 2010 was in Zürich een uitstekende productie van Humperdincks grote sprookjesopera Köningskinder te zien. Deze werd door Decca in 2012 op Bluray uitgebracht, tijd voor een terugblik.

Sprookjes zijn het schoolvoorbeeld van verhalen met een happy ending: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’. Meestal gaat er wel het verscheiden van een slechterik aan vooraf maar voor de hoofdpersonen loopt alles goed af, en zo hoort het natuurlijk ook.

Anders is het gesteld met het verhaal dat Ernst Rosmer (pseudoniem voor Elsa Bernstein) rond 1890 schreef over een koningszoon die de wijde wereld intrekt en in een ganzenhoedstertje zijn gedroomde koningin gevonden meent te hebben. Zij is een weeskind dat is geadopteerd door een heks die haar door een toverspreuk gebonden houdt aan haar omgeving en de tijd verdrijft met het hoeden van een troep ganzen. De ronddolende koningszoon is het dwingende hofleven beu en op zoek naar zijn eigen identiteit.

Er zit veel van Siegfried in deze figuur, denk aan zijn ‘monologue intérieur’ tijdens de tweede akte van de gelijknamige opera, maar ook van Walther in Die Meistersinger von Nürnberg. Beiden vervullen op hun eigen wijze de rol van buitenbeentje in de handeling.

Opvallend is echter dat die associatie met genoemde opera’s ook muzikaal vorm heeft gekregen. Het gaat te ver om te zeggen dat Humperdinck op zijn beroemde voorganger heeft geleund, maar door hem geïnspireerd is hij zeker. Het meest opvallende aan de muziek van dit doorgecomponeerde werk is echter de vloeiende stijl. De opening doet denken aan het begin van een avonturenfilm met iemand als Errol Flynn en dat filmische karakter blijkt een kenmerk van het gehele werk. Humperdinck had het helemaal kunnen maken in het Hollywood van de jaren ’30.

 

                              Isabel Rey en Jonas Kaufmann © Susanne Schwiertz

De jonge koningszoon en het prille tienermeisje voelen zich direct sterk tot elkaar aangetrokken. Hij wil haar een gouden kroontje opzetten, zij heeft liever haar eigen bladerenkrans. Er volgt een stoeipartijtje waarbij de krans scheurt; we hoeven niet op Freud te wachten voordat de seksuele symboliek zijn intrede doet binnen de gevestigde orde. Als ze met hem mee wil gaan, houdt de toverspreuk haar tegen. Hij ziet dat als het verbreken van een belofte en loopt boos weg.

In het stadje met de symbolische naam Hellabrunn probeert de koningszoon zich door de bevolking herkend te laten worden als de nieuwe koning. Zij zien in hem echter slechts een charlatan. Als de in het kielzog van de Spielmann opgedoken ganzenhoedster met zijn achtergelaten kroon komt aanzetten, als bewijs dat hij echt de zoon van de inmiddels overleden koning is, worden ze beiden door een woedende menigte verdreven.

Vervolgens gaat het bergafwaarts in Hellabrunn. De heks wordt verbrand maar dat helpt niet. De kinderen verwijten hun ouders die jongelui weggejaagd te hebben. Het waren volgens hen de echte Königskinder. We treffen die twee later in een scène die doet denken aan Siegmund en de uitgeputte Sieglinde einde tweede akte Walküre. Ze kopen een brood dat nog uit het huis van de heks afkomstig is. Het is vergiftigd waardoor beiden sterven.

Regisseur Jens Daniel Herzog heeft gekozen voor een toneelbeeld dat enerzijds vrij modern aandoet maar anderzijds met name door de kostumering een beeld van vroeger oproept. Het decor bestaat uit een grote hal die in de eerste akte dienstdoet als broeikas waarin de heks haar bijzondere planten kweekt. Tegelijkertijd is het de besloten ruimte die de ganzenhoedster niet kan verlaten. Diezelfde hal fungeert in de tweede akte als fastfood restaurant en dorpsplein. In de derde akte toont het als een desolate gevandaliseerde Turnhalle annex besneeuwde buitenruimte.

Mezzosopraan Liliana Nikiteanu is een genot als de spreekwoordelijke boze heks, die om onbekende redenen een giftig brood bakt dat altijd vers en knapperig zal blijven, een soort MacGuffin al duurt het tot aan het einde voor het weer opduikt en de dood van de Königskinder veroorzaakt. De tweede mezzo Anja Schlosser haalt alles uit haar rol als hedonistische herbergiersdochter die de koningszoon probeert te versieren. Hiermee wordt vermoedelijk getoond waartoe het koningsloze rijk in moreel opzicht is vervallen.

Bariton Oliver Widmer excelleert als Der Spielmann. Van alle bijrollen heeft hij de mooiste muziek en die weet Widmer uitstekend over het voetlicht te brengen. De bijrollen van houthakker en bezembinder zijn in goede handen bij respectievelijk Reinhard Mayr en Boguslaw Bidzinski. Koor en kinderkoor leveren goede vocale prestaties met een opvallend zeker solo optreden van Marie-Thérèse Albert als het dochtertje van de bezembinder.

Isabel Rey kan ik me nog herinneren als Susanna in de Nozze di Figaro uit 1994 bij DNO. Ze weet zich goed te verplaatsen in de rol van het jonge meisje dat nog maar kort geleden vrouw is geworden en daar uiting aan wil geven door op zoek te gaan naar andere mensen. Vocaal is ze uitstekend opgewassen tegen de lange en bij vlagen veeleisende partij. Een goede casting al had Herzog haar een fractie meisjesachtiger kunnen doen lijken. Een afdeling kap en grime heb je niet voor niets.

De grote ster van deze opname is Jonas Kaufmann, in absolute Hochform. Alleen al om hem is deze Bluray een aanbeveling waard, overigens de eerste video opname van dit werk. Hij oogt voldoende jongensachtig om een weggelopen tiener neer te zetten die aan zijn gouden kooi is ontsnapt. En als hij dat kan, waarom kan dat ganzenhoedstertje dan niet ook gewoon weglopen met hem? Toverij is flauwekul, dat vindt de Spielmann overigens ook. Je moet het zelf willen en durven, dan lukt het vanzelf.

Het koor en orkest van Opernhaus Zürich staan onder leiding van Ingo Metzmacher die zich de partituur zeer goed eigen gemaakt lijkt te hebben. Zijn Humperdinck is een waar pleidooi voor dit onderbelichte werk. Het is geen potentiële kindervoorstelling zoals het zeer veel gespeelde Hänsel und Gretel maar voor liefhebbers van het laat romantische Duitse operarepertoire een absolute must.

 

 

Thomas Adès by Thomas Adès: You can’t get it any better

Ades picos

Thomas Àdes (1971) is one of my beloved contemporary composers. In contrast to many of his (older, I admit) colleagues, he writes music that is not too complicated, without it becoming a tapestry of sound. His music is exciting, stimulating, progressive and yet accessible. In one sentence, he has brought the ‘classic’ and the ‘innovative’ to each other and melted them together. In addition, he does not shy away from horror-like outbursts and even dodecaphony, which makes his music extremely visual and often terrifying.

This is also the case with Totentanz, a composition for mezzo-soprano, baritone and orchestra based on an anonymous text from the fifteenth century, a story about the struggle between Life and Death. The latter always wins. Adès dedicated the work to Witold Lustoslawski and his wife. It was first performed at the Proms in 2013, with Christianne Stotijn and Simon Keenlyside.

This recording was made live in Boston in 2016 and I can’t imagine a better performance is possible. Mark Stone (Death) and Christianne Stotijn sing their roles chilling, melancholic, provocative and resigned. Just listen to the last two parts: it’s as if Schubert and Mahler run into each other and find each other in a deadly embrace. With the dying copper sound like the exhaling of the last breath.

Adès composed his piano concerto for the Russian master pianist Kirill Gerstein, an unprecedented virtuoso who combines his romantic beat with an enormous gift for improvisation. I had to listen to it a few times because the concert does not show itself quickly. Mainly because of the many colors and ‘intermediate colors’, which means more than just nuances.

The transitions between the parts are great, so the tension makes you gasp for breath. The fact that the composer himself stands in front of the really impressive performing orchestra from Boston can only be regarded as an enormous advantage. What a CD!

English translation: Frans Wentholt

THOMAS ADÈS
Concerto for Piano and Orchestra; Totentanz
Kirill Gerstein (piano)
Christianne Stotijn (mezzo-soprano)
Mark Stone (baritone)
Boston Symphony Orchestra conducted by Thomas Adès
DG 48379989

Bombastisch en nog steeds ontroerend: pianokwintet van Weinberg bewerkt voor orkest

Het pianokwintet van Mieczyslaw Weinberg behoort tot zijn beste en de meet succesvolle werken. Hij componeerde het in 1944 en het werd een groot succes. Het moet gezegd worden: Weinberg had toen de tijd mee: de Sovjets hadden iets anders aan hun hoofd dan de kunsten.

Voor deze cd werd een bewerking van Matthias Baier voor piano en orkest gekozen en dat vind ik jammer. Niet dat het slecht is, integendeel! Het is zonder meer schitterend en ik denk niet dat Weinberg er moeite mee zou hebben gehad, maar persoonlijk prefereer ik de kamermuziekversie want nu klinkt het zo verschrikkelijk bombastisch. Weinberg kun je een beetje vergelijken met zijn vriend en mentor Sjostakovitsj: het schrijnende en het pijnlijke konden ze als geen ander met kleine middelen weergeven.

Maar, toegegeven, ik vond het een aantrekkelijke kennismaking. Bovendien is de uitvoering echt goed en dat telt zwaar. Het is al de zevende opname van werken van Weinberg door Elisaveta Blumina en het is duidelijk dat zij haar Weinberg ‘under the skin heeft’.

‘Children’s Notebooks’ is niet een werk waar ik vaak naar zou willen luisteren, maar onder Blumina’s handen verandert het in een waar meesterwerk. De miniaturen zijn allesbehalve makkelijk om te spelen en het is werkelijk onvoorstelbaar wat zij met de stukjes doet. Het Georgische orkest onder maestro Ruben Gazarian klinkt zonder meer goed,


Mieczyslaw Weinberg: Piano Quintet, Op. 18 (orchestral version by Matthias Baier)
Children’s Notebooks, Op. 16 & 19
Elisaveta Blumina, piano
Georgian Chamber Orchestra Ingolstadt olv Ruben Gazarian
Capriccio C5366

Herinneringen aan een zeer geslaagde Il Viaggio a Reims in Antwerpen

Wanneer heeft u voor het laatst zo gelachen dat de tranen over uw wangen rolden en u niet meer wist hoe snel u in de pauze de toiletten moest bereiken, want uw buik en uw blaas (en eigenlijk uw hele lichaam) hadden ook mee gedaan? Het toilet: laat ik hier maar mee beginnen, want in de nieuwe en meer dan schitterende productie van Il Viaggio a Reims van Rossini in Antwerpen is dat kleine kamertje verheven tot één van de ‘hoofdrollen’.

Wij bevinden ons in een vliegtuig, dat wegens technische problemen niet kan opstijgen. Het geëmailleerde gezelschap van prominenten uit alle Europese landen plus het ‘klootjesvolk’ (wij zitten in een dubbeldekker, met boven de economie en onder de superplus class) is gevangen in een claustrofobische omgeving, waar ze niet uit kunnen ontsnappen. Nee, het is geen drama. Het is een satire.

Of het ook de bedoeling van Rossini was? Wellicht wel, maar daar komen wij nooit achter. Zelf beschouwde hij het als een ‘gelegenheidsstuk’, gemaakt ter – inderdaad, de gelegenheid – van de kroning van Charles X in 1825. De opera kende een groot succes, maar al na drie voorstellingen trok Rossini de stekker er uit. Veel van de muziek hergebruikte hij in Le Comte Ory, de rest verdween in verschillende laden in verschillende landen (hoe toepasselijk, vindt u niet?) en werd pas eind jaren zeventig van de vorige eeuw teruggevonden.

Terug naar het toilet: die is zowat continu bezet. Het wordt ook voor alles en nog wat gebruikt: er wordt er in gesnoven, gespoten, gerookt, gedronken en de liefde bedreven. En mocht de nood hoog zijn (en dat is, met al die wodka en champagne), dan nog steeds moet je geduld opbrengen, want bezet is bezet.

De ‘nood’, die heeft overigens een ongekend mooie choreografie, in de maat van de muziek opgeleverd. En omdat het programmaboekje geen aparte vermelding maakt voor de choreografie, neem ik aan dat de regisseur Marianne Clèmont daar zelf verantwoordelijk voor is. Brava!

In een interview zei zij dat ze de clichés over de landen en nationaliteiten zoveel mogelijk wilde vermijden. Een zowat onmogelijke taak, zeker met een opera als Il Viaggio, die de vooroordelen (heerlijk om het nog eens mee te maken) tot kunst heeft verheven. Maar het moet gezegd: het lukte haar wonderwel goed!

De productie zit vol geestige vondsten en de werkelijk geniale grappen zijn niet te beschrijven. En verwacht geen ‘theater van de lach’ want subtiliteit regeert er, ondanks de soms grove (en pijnlijke!) verwijzingen. Van mij mag het. Afijn.. genoeg over de regie en de productie. U moet mij geloven dat het werkelijk geweldig was.

De première en de meeste voorstellingen werden/worden gedirigeerd door de oude (83!) Rossini specialist, Alberto Zedda. Op de door mij bezochte middag stond een jonge Japanse dirigent, Ryuichiro Sonoda op de bok. Hij heeft een buitengewone liefde voor Rossini opgevat en heeft zich in hem en zijn muziek gespecialiseerd. Hij heeft al het een en ander (ook Il Viaggio) in Pesaro gedirigeerd.

De fascinatie was hoorbaar. Hij behandelde de partituur zo ontzettend liefdevol dat je niet anders dan verliefd op de score moest worden, mocht je het nog niet zijn geweest. Volgens Zedda is Il Viaggio de meest Rossiniaanse partituur die er bestaat en daar zijn de kenners en liefhebbers het mee eens.

De uitvoering kon gewoon niet beter. Alle, en dan bedoel ik alle, voornamelijk (zeer) jonge zangers waren voortreffelijk. De meesten zongen hun rol voor het eerst, wat een prestatie. Serena Farnocchia (Madama Cortese) werd verontschuldigd voor haar keelaandoening, nou – ik vraag mij af hoe zij zonder de keelaandoening zou klinken.

Beide sopranen (Elena Gorshunova en Elena Tsallagova) waren aan elkaar gewaagd, en hun coloratuurduel, met de citaten uit de Toverfluit, was niet te versmaden. De mezzo Anna Goryachova was een onweerstaanbare Marchesa Melibea – wat een charisma!

Ook de heren mochten er zijn. Om te beginnen de werkelijk fenomenale Carlo Lepore (don Profondo). Zijn “cataloog” aria ‘Medaglie incomparabili’ was voor mij één van de hoogtepunten. Robert McPherson als Cavalier Belfiore  en Josef Wagner als Lord Sidney waren meer dan goed en al de kleine en de kleinste rollen waren om te smullen.

Daar kan een mens dagenlang op teren en ik spreek uit ervaring: ik ben met een glimlach naar bed gegaan en ben met een glimlach wakker geworden.

Bezocht op 27 december 2011 in Antwerpen

alle foto materiaal © Annemie Augustijns

Minidiscografie van Il Viaggio a Reims

Didone Abbandonata als muzikale kennismaking met Mercadante

Tekst: Peter Franken

Naxos heeft een opname op dvd uitgebracht van Didone Abbandonata. Het betreft een voorstelling tijdens het Innsbruck Festival of Early Music in 2018. Muzikaal is dit vroege werk van Mercadante beslist de moeite waard, de regie van Jürgen Flimm is helaas een aanfluiting.

Saverio Mercadante was mij tot nu toe alleen van naam bekend. Hij is een van die veelschrijvers die tijdens hun leven veel succes genoten maar later min of meer in de vergetelheid zijn geraakt. Op zich is succes tijdens je leven natuurlijk het enige dat telt, wie zit er nu te wachten op een armoedig leven met pas roem na je dood. In dat opzicht heeft Mercadante met zijn ruim 50 opera’s het prima gedaan.

Didone dateert uit 1823 en was Mercadantes 12e opera, de eerste was uit 1820, iemand die snel werkte zogezegd. De jonge componist was in die tijd nog een uitgesproken Rossini epigoon, Didone zou gemakkelijk versleten kunnen worden voor een onbekend werk van zijn grote voorbeeld. Maar in zijn lange carrière ontwikkelde Mercadante duidelijk een andere muzikale stijl en vooruitstrevende dramatische opvattingen. Ik las daar het volgende over:

‘While composing Elena da Feltre (which premiered in January 1839) Mercadante wrote to Francesco Florimo, laying out his ideas about how opera should be structured. I have continued the revolution I began in Il giuramento: varied forms, cabalettas banished, crescendos out, vocal lines simplified, fewer repeats, more originality in the cadences, proper regard paid to the drama, orchestration rich but not so as to swamp the voices, no long solos in the ensembles (they only force the other parts to stand idle to the detriment of the action), not much bass drum, and a lot less brass band.’

Voor alle duidelijkheid, Elena da Feltre werd gecomponeerd toen Verdi’s eerste opera nog moest verschijnen. Het maakt Mercadante tot een missing link tussen Rossini en Verdi, of meer in het algemeen de componist die een grote bijdrage leverde aan het einde van belcanto als allesoverheersend genre.

In Didone is van dit alles nog niets te merken, zangtechnische hoogstandjes staan centraal en de herhalingen zijn niet van de lucht. Librettist Tottola heeft een eerdere versie van Metastasio als uitgangspunt genomen en daarmee zijn we ver verwijderd van Vergilius. Aan het thema ’ik moet gaan, ga niet, ik moet’ dat het emotionele touwtrekken tussen Dido en Aeneas bepaalt, is een extra variabele toegevoegd in de persoon van de Morenkoning Jarba uit Mauretanië die de hand van Dido opeist ongeacht of die indringer uit Troje nu wil vertrekken of niet. Het resultaat is een nogal chaotisch geheel met persoonsverwisselingen, duels, bedreigingen en op het einde de verwoesting van Carthago en Dido’s dood.

Het zal duidelijk zijn dat zoiets vraagt om een strakke regie, ter zake en zonder onnodige toevoegingen. Maar helaas is die wijsheid aan C niet besteed. Ondanks zijn zeer lange ervaring en hoge leeftijd kent Flimm nog immer het onderscheid niet tussen ‘leuk doen’ en humor. Hij volgt het libretto maar laat geen mogelijkheid onbenut de toeschouwer duidelijk te maken dat we deze flauwekul op het toneel vooral niet serieus moeten nemen. Daarbij wordt hij geholpen door het decor van Magdalena Gut die het kleine toneel van het Tiroler Landestheater nog verder heeft verkleind door er een draaitoneeltje op te plaatsen. Dit staat op zijn beurt weer op een verhoging waaromheen wat loopruimte vrij is gelaten.

Het draaitoneel staat volgepakt met onder meer een ruime zithoek, een grote kubus met een klein deurtje waardoor mensen op- en afgaan, een koelkast, koffers en reiskisten, kortom er is alles aan gedaan de loopruimte zoveel mogelijk te beperken. Dat wordt direct al pijnlijk duidelijk als het mannenkoor, overdreven knullig marcherende legionairs, opkomt en ze elkaar staan te verdringen in de minuscule vrije ruimte. Een ander attribuut dat de aandacht vraagt is een heuse knalrode betonmolen naast een paar metselende figuranten. Het kan niet op.

Die legionairs roepen associaties op met Laurel en Hardy in het Vreemdelingenlegioen maar dat is nu precies waar Flimm de plank misslaat. L&G zijn grootmeesters van de humor, Flimm komt niet verder dan pure knulligheid waar een beginnende amateurvereniging zich voor zou schamen.

Gelukkig wordt er goed gemusiceerd en dankzij de inbreng van maestro Alessandro de Marchi en de Academia Montis Regalis wordt de zangers een solide platform aangereikt waarop ze vocaal kunnen schitteren.

Tenor Carlo Vincenzo Allemano zet een uitstekende Jarba neer al moet hij zich als enige van de protagonisten zeer veel van Flimms eigengereidheid laten welgevallen. Zijn personage acteert aanvankelijk overdreven proleterig en tegen het einde is hij een dolgedraaide tiran die en passant Dido’s zus Selene verkracht, haar vertrouweling Osmida op gruwelijke wijze ombrengt en vervolgens Dido doodt nadat ze hem daarvoor heeft weten te doorsteken. Het kan Allemanno niet deren, hij slaat zich er op geweldige wijze doorheen.

Mezzo Katrin Wundsam is een voorbeeldige Enea, lankmoedig en trouw aan zijn vermeende opdracht. Hij weet als enige van de hoofdrolspelers te overleven, Flimm heeft het niet aangedurfd hem te laten verdrinken of iets dergelijks.

De Didone van Viktorija Miskunaité blijft geen moment bij haar directe tegenspeler achter. Het hoogtepunt van de voorstelling komt aan het begin van de tweede akte in ‘Idol mio’, het grote duet van deze twee die elkaar maar niet kunnen loslaten. Gelukkig heeft Flimm weinig vat op hun spel al probeert hij Dido wel een beetje belachelijk te maken door haar in het begin weg te zetten als een verveelde tiener, gekleed in een bruidsjurk haar nagels lakkend. Niet echt het toonbeeld van een zelfbewuste koningin.

Ik weet nu wat meer over Mercadante en zijn plaats in de operageschiedenis. In dat opzicht heeft deze dvd mij een goede dienst bewezen. Maar een cd was ook wel toereikend geweest.