Entartete Musik

Open je oren voor strijkkwartetten van Walter Braunfels

De vraag waarom Braunfels zo verschrikkelijk is vergeten ga ik niet eens stellen. Dat het alles met de nazi’s en de Joden te maken had, dat weet iedereen immers wel. Hoop ik. Maar de oorlog is al zevenenzeventig jaar voorbij en Braunfels is al bijna zeventig jaar dood. En nog steeds is zijn naam niet daar, waar het hoort te zijn: op de belangrijkste concertpodia en operabühnes.

In de jaren negentig kon je nog van een kleine revival spreken: EMI bracht zijn mysteriespel Verkündigung uit en Decca nam zijn bekendste opera Die Vögel op. Die Vögel dook dan weer eens in Los Angeles op, waar James Conlon al jaren bezig is om de ‘Verboden componisten’ ruim podium te geven. In de letterlijk zin van het woord.

Désirée Rancatore zingt de Nachtegaal in Los Angeles Opera:

Tot 1933 behoorde Braunfels, samen met Richard Strauss, Zemlinsky, Korngold en Schreker tot de meest uitgevoerde hedendaagse  componisten.  In 1933 werd hij ontslagen van zijn post als directeur van de Muziek Academie in Keulen en nadat hij ‘entartet’ werd verklaard leefde Braunfels in totale afzondering in de omgeving  van de Bodensee (in zijn biografie wordt het mooi omschreven als ‘innerlijke emigratie’).

Na de oorlog ging Braunfels – op speciaal verzoek van de toenmalige kanselier Adenauer – naar Keulen terug. De aandacht die hij kreeg bleef bij een paar uitvoeringen van zijn werken. Gedesillusioneerd keerde hij terug naar de Bodensee.

Het medium kamermuziek was voor hem totaal nieuw. In de brieven uit die tijd toonde hij zich bijzonder gelukkig met het voor hem nieuw ontdekte idioom: ”Er is niets leukers, dan het werken aan een strijkkwartet” schreef  hij.

Voor zijn eerste kwartet, gecomponeerd in 1944 gebruikte hij Verkündigung als zijn voornaamste inspiratiebron en in alle vier de delen citeert hij er rijkelijk uit.

Het  tweede strijkkwartet is iets lichtvoetiger. De eerste twee delen zijn behoorlijk vrolijk en dansant, het vierde met zijn Oosteuropees-Joodse thema’s doet mij sterk aan Sjostakovitsj denken. Niet echt vernieuwend, maar buitengewoon leuk en inspirerend.

Er bestaat nog een derde strijkkwartet, geschreven in 1947. Die kwam ik alleen op YouTube tegen:

Ooit schreef ik dat Braunfels’ muziek twee keer is gestorven. De eerste keer toen zijn composities door de Nazi’s ‘entartet’(gedegenereerd) werden verklaard. En de tweede keer toen de naoorlogse muziekpausen alles wat tonaal was en naar romantiek riekte als ‘bedorven’ bestempelden. Inmiddels zijn we een paar jaar verder, hun esthetiek (of eigenlijk het gebrek er aan) is al lang in de stoffige archieven opgeborgen en Braunfels is niet zo onbekend meer. Dat hoop ik althans want echt uitgevoerd wordt hij nog maar zelden.

Gelukkig bestaan er nog labels zoals Capriccio, CPO en Oehms die ons met de o zo gruwelijk minder bekende of simpelweg vergeten schatten kennis laten maken.


String Quartets no 1 & 2
Auryn Quartet
CPO 999406-2 

“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter sings songs by ‘Theresienstadt composers

The songs Anne Sofie von Otter, assisted by baritone Christian Gerhaher, sings on the CD Terezín – Theresienstadt, released in 2008 on Deutsche Gramophon (DG 4776546), belong to a variety of music genres. They have one thing in common: all of them were composed in the Terezín concentration camp and their creators who were deported there were later murdered in Auschwitz.

The initiative came from von Otter herself: for the Holocaust commemoration in Stockholm she collected a wide selection of the ‘Terezín songs’ and compiled a recital of them.  This programme was then recorded for CD, ” because we must never forget. “

ILse Weber

It is a CD you really need to listen to from start to finish even though many of the songs come from the lighter genre. Most moving are the songs by Ilse Weber.

Try to keep a dry eye when listening to ‘Wiegala,’ the lullaby that Weber sang to the children in the gas chambers.

Or the terrifying words “I want to go home so badly” from Weber’s “Ich wandre durch Theresienstadt.”

Erwin Schulhoff

The beautiful violin solo sonata by Erwin Schulhoff does not really belong here, Schulhoff has never been to Terezín. He was arrested in Prague on 23 June 1941 and deported to the Würzburg concentration camp, where he died of tuberculosis in 1942. You can hear that Daniel Hope has been devoted to Schulhoff’s music for many years, as he interprets the work in an inimitable way.

Below Daniel Hope plays ‘Andante Cantabile’, the second movement of Schulhoff’s sonata. It is a recording from the CD ‘Forbidden Music’, released by Nimbus:

 

Ilse Weber, Hans Krása, Viktor Ullmann, Pavel Haas, Karel Svenk, Erwin Schulhoff
Terezín – Theresienstadt
Anne Sofie von Otter (mezzo-soprano), Christian Gerhaher (baritone), Daniel Hope (violin), Bengt Forsberg (piano), Bebe Risengf (accordion, guitar and double bass) and others.

Translated with www.DeepL.com/Translator

We want the light

It is not easy to put into words a five-hour long, important documentary.
So let’s make it very short,

By means of interviews, music fragments and archive films, Christopher Nuppen sketches a picture of the role that Jews have played in German culture: art, literature and music. Their urge for assimilation, inspired among others by Lessing, could only end in tragedy, because “that symbiosis had taken place inside our minds but not in the minds of the Germans”.



Wagner’s role in bringing about the Holocaust is also being examined. Norman Lebrecht says that “he is the one most to blame”, but the mayor of Rishon L’tzion (where, in October 2000, the first performance of Wagner’s music by an Israeli orchestra took place) denies this: “we will not let them take away the music from us, it has nothing to do with it”.

The survivors talk about the great significance that music has had in their lives: “if you could play you felt happy and healthy, the music gave us strength” says the then 98-year old Alice Summer.

The title of Christopher Nupen’s film, We want the light, is taken from a poem written in Theresienstadt by a 12-year-old girl, Eva Pickova.


Vladimir Ashkenazy: Music takes over when words leave off:

Producer Christopher Nupen talks about the characteristics of his films, the power of music and introduces his film “We Want The Light”.





We want the light
film by Christopher Nupen
Vladimir Ashkenazy, Daniel Barenboim, Evgeni Kissin, Zubin Mehta, Itzhak Perlman, Pinchas Zukerman, Alice Summer and others.
Opus Arte OA CN0909 D (3 DVDs)

Verboden componisten komen weer uit de vergetelheid tijdens een prachtige tentoonstelling in het Stadsarchief van Amsterdam

Tekst: Neil van der Linden

Leo Smit, Henriette Bosmans, Rosie Wertheim, Marjo Tal, Dik Kattenburg, Pál Hermann, Paul Seelig en Theo Smit Sibinga zijn componisten en uitvoerenden uit Nederland en Nederlands Indië die aan bod kwamen tijdens de opening gisteren 14 april van de wonderschone aangrijpende tentoonstelling ‘Verboden muziek’ in de kelderverdieping van het Amsterdamse Stadsarchief. 

De tentoonstelling staat verspreid over de kluizen van het gebouw van de voormalige Nederlandsche Handel-Maatschappij, een gebouw de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de meeste van deze musici nog jong waren en een prachtige toekomst voor zich leken te hebben. 


De onvolprezen mede-initiator van de Leo Smit Stichting, fluitist Eleonore Pameijer, speelde bij de opening een fluitsonate van Smit, uit februari 1943. Zij memoreerde dat werk dateert van twee maanden voordat Smit in Sobibor werd vermoord, op 30 april 1943.

Eleonore Pameijer en Frans van Ruth spelen de fluitsonate van Leo Smit:

De Leo Smit Stichting, die deze tentoonstelling heeft opgezet, documenteert ook componisten die werkzaam waren in de Indonesische koloniën. Eleonore Pameijer speelde een stuk van Theo Smit Sibinga (1899-1958), die op Java werd geboren en een Japans concentratiekamp overleefde. Hij was een leidende muziekpersoonlijkheid in de kolonie, maar verhuisde meteen na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland. Eleonore Pameijer wees op de Javaanse invloeden die in het stuk zijn te horen. Een zoon van Smit Sibinga was aanwezig bij de opening.

Schrijver Jan Brokken gaf een inleiding waarin hij uitdrukte wat een schande hij het vindt dat zoveel van deze muziek en zoveel van deze componisten tot op de dag van vandaag verborgen zijn gebleven of worden genegeerd. Eerder liet hij in de concertlezingen muziek van Henriëtte Bosmans,  Rosy Wertheim, Pál Hermann, Dick Kattenburg en Leo Smit horen.

Jan Brokken schreef ook het voorwoord bij het door Eleonore Pameijer en Carine Alders samengestelde standaardwerk ‘Vervolgde componisten in Nederland’ uit 2015.

Hij begon met een lofprijzing aan het adres van de Leo Smit Stichting, zonder wie de onder het Nazi-regime verboden en deels vermoorde componisten misschien nog steeds geheel vergeten zouden zijn. Hij memoreerde dat Smit één van de grootste componisten van zijn tijd was en nog groter zou zijn geworden, roemde ook het vernieuwende oeuvre van Kattenburg, die dankzij het werk van de stichting inmiddels al weer enigszins bekend zijn.

De tentoonstelling bevat ook een sectie gewijd aan drie vrouwen: Henriette Bosmans, Rosie Wertheim en Marjo Tal. Brokken beschouwde deze aparte afdeling voor vrouwelijke componisten wel als een overgangssituatie. Ooit zal het niet meer uitmaken, hoopt hij; de cellosonate van Bosmans is immers één van de beste twintigste-eeuwse werken voor cello.

Sonate voor cello en piano van Henriette Bosmans:

Marjo Tal zingt haar chanson A Paris:

Jan Brokken ging ook uitgebreid in op Pál Hermann, van Hongaarse komaf, die zich achtereenvolgens in Berlijn, Brussel en Frankrijk vestigde, geregeld in Nederland optrad, onder meer ook samen met Geza Frid. Hij trouwde met Ada Weevers, een Nederlandse, vandaar de band met Nederland, en hij had ook Nederlands leren spreken. Na tijdens een zwempartij door een zeestroming meegesleept te zijn overleed Ada op 25 jarige leeftijd aan een longinfectie.

Vanaf 1937 vestigde hij zich definitief in Frankrijk, waar hij in 1938 een concert voor de Franse radio gaf met werk van Pijper, Andriessen, Van Lier, Julius Hijman en Max Vredenburg, Joodse componisten die na de oorlog zijn vergeten, en Badings, de NSB-sympathisant.

Paul Hermann – Grand Duo for Violin and Cello:



Hermann dook onder maar werd tijdens een razzia in Toulouse toch opgepakt en vermoedelijk op transport gesteld naar een werkkamp in Litouwen, waarna niets meer over hem bekend is. Zijn dochter Corrie was aanwezig bij de opening van de tentoonstelling.

Met veel empathie sprak Jan Brokken ook over de in Duitsland geboren Paul Seelig (1876- 13 juni 1945). Paul Seeligs vader vestigde zich in Bandoeng, waar hij een succesvolle muziekwinkel zou opzetten. Paul Seelig zou de zaak overnemen maar studeerde ook cello in Leipzig. Terug in Indonesië verdiepte hij zich ook in Javaanse muziek en begon hij met het vastleggen van gamelanthema’s in westers notenschrift.

Paul Seelig: Wireng:

Na het overlijden van zijn vader zette Paul de muziekhandel voort en maakte die tot een pleisterplaats voor internationaal bekende musici op tournee in de archipel. Hij schreef een pianoconcert voor de moeder van Hella Haasse, een in Nederlandse Indië gevierde concertpianiste.

Hij kwam in contact met de Russisch-Litouws-Joods-Amerikaanse klaviervirtuoos en componist Leopold Godowsky toen deze in de jaren twintig Java bezocht. De kennismaking via Seelig met authentieke Javaanse muziek inspireerde Godowsky tot één van zijn bekendste stukken, de Java Suite. Deze geschiedenis kom ook allemaal voor in Brokkens boek De Tuinen van Buitenzorg.

Leopold Godowsky speelt ‘The Gardens of Buitenzorg’ uit de Java Suite. Opname is gemaakt rond 1935.

Seelig kwam terecht in een Japans interneringskamp. Hij overleefde het maar was na de bevrijding zodanig zodanig verzwakt dat hij een paar weken later toch overleed, op 12 juni 1945. Veel van zijn manuscripten waaronder de uitgebreide Indische muziekgeschiedenis uniek foto- en documentatiemateriaal en composities gingen verloren, en ook de orkestpartijen van dat pianoconcert voor de Hella Haasses moeder.

De tentoonstelling is prachtig verzorgd. Unieke foto’s, partituren en documentatie, onder meer ook filmmateriaal, met een in warme kleuren uitgevoerde grafische vormgeving, wat allemaal geweldig tot uiting komen in het in art-deco kleuren uitgevoerde interieur van de zogeheten ‘kofferkluizen’ van het gebouw.

De tentoonstelling is opgebouwd volgens vier thema’s: vluchtelingen, met documentatie over Géza Frid, Pál Hermann, Zoltán Székely, Hans Krieg, Hans Lachman en James Simon, beroemde vrouwen met Henriëtte Bosmans, Marjo Tal en Rosy Wertheim, Indonesië, over Paul Seelig, Theo Smit Sibinga en Max Vredenburg en Jazz, Blues & Foxtrot over Dick Kattenburg en Leo Smit.

Ik zou niet alleen vinden zoals Jan Brokken dat het thema over vrouwen eigenlijk betrekkelijk is, maar dat de ook de categorie waarbij Kattenburg en Smit ook relatief is. Maar een andere indeling zou dan misschien geen recht doen aan het feit dat beiden de jazz serieus namen, en dat jazz de Nazi’s ook een gruwel was.

Extra indringend is dat je de tentoonstelling bereikt via een zaal vol draperieën met tientallen foto’s en familiegeschiedenis van Joodse inwoners van Amsterdam, waarbij je bij negen van de tien leest dat ze in een Nazi-kamp of op onbekende bestemming zijn opgekomen, en bij niet meer dan één op de tien dat ze de oorlog hebben overleefd.

Samenstelling tentoonstelling: Eleonore Pameijer en Anne Houk de Jong
Vormgeving RO ontwerpers: Monique Rietbroek en Josephine Oudijn
Grafisch ontwerp: Tijl Akkermans
Films: Patricia Werner Leanse
Foto’s: © Neil van der Linden

Gezien: 14 april
Kofferkluizen Stadsarchief Amsterdam
Vijzelstraat 32
1017 HL Amsterdam

De tentoonstelling is gratis te bezichtigen van 15 april tot en met 3 juli 2022

https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/agenda/verboden-muziek/

https://leosmitfoundation.org/

https://www.forbiddenmusicregained.org/search/composer/id/100027

https://www.theosmitsibinga.nl/over-theo-smit-sibinga/

https://leosmitfoundation.org/paul-seelig

Over Pál Hermann:
https://basiaconfuoco.com/2018/03/09/paul-hermann/

Mario Castelnuovo-Tedesco: meer dan componist van gitaarwerken

Mario Castelnuovo–Tedesco (Florence, 3 april 1895 – Beverly Hills, 16 maart 1968) werd geboren in de Joodse familie van Sefardische afkomst (Joden die in 1492 werden verdreven uit Spanje). Hij was buitengewoon creatief, op zijn naam staat van alles: pianowerken, concerten, opera’s…. Zijn composities werden gespeeld door de grootsten: Walter Gieseking, Gregor Piatigorsky, Jascha Heifetz, Casella.

Heifetz spelt het tweede vioolconcert van Mario Castelnuovo-Tedesco: ‘I Propheti’. Opname uit 1954:

Tegenwoordig kennen we hem voornamelijk van zijn gitaarwerken, bijna honderd in totaal, veelal geschreven voor Andres Segovia.

Segovia speelt het Gitaarconcert No.1 in D majeur, Op. 99; live opname uit 1939:

Het was begin jaren dertig van de vorige eeuw dat de componist zijn ‘Joodse roots’ is gaan ontdekken, iets wat versterkt werd door het opkomend fascisme en de rassenwetten. Zijn muziek werd niet meer uitgevoerd. Geholpen door Arturo Toscanini heeft Castelnuovo-Tedesco, samen met zijn gezin vlak voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog Italië weten te verlaten

Zoals de meeste Joodse componisten die Europa ontvluchtten belandde ook Castelnuovo-Tedesco in Hollywood. Waar hij dankzij Jascha Heifetz door Metro-Goldwyn-Mayer werd aangesteld als componist van filmmuziek.

Op speciale verzoek van Rita Hayworth componeerde hij muziek voor de film The Loves of Carmen met Hayworth en Glenn Ford. Hieronder de dansscène uit de film:

In die tijd componeerde Castelnuovo-Tedesco ook nieuwe opera’s en vocale werken geïnspireerd door Amerikaanse poëzie, Joodse liturgie en de Bijbel: Amerika bood hem mogelijkheden om zijn Italiaanse muzikale erfenis en zijn Joodse spiritualiteit te verdiepen en te ontwikkelen. Hij droomde ervan zijn Sacred Service “once in the synagogues of Florence” te horen. De première vond plaats in 1950, in de New Yorkse Park Avenue Synagogue.

Uit 1956 dateert de opera Il mercante di Venezia naar Shakespeare’s The Merchant of Venice (Castelnuovo-Tedesco was een grote Shakespeare liefhebber) werd in 1961 uitgevoerd tijdens Maggio Musicale in Florence. Franco Capuana dirigeerde en de hoofdrollen werden gezongen Renato Capecchi (Shylock) en Rosanna Carteri (Portia). De voorstelling werd opgedragen aan Arturo Toscanini

In 1966 componeerde hij The Divan of Moses Ibn Ezra. Het is een setting van negentien gedichten van Rabbi Moses ben Jacob Jacob ibn Ezra, ook bekend als Ha-Sallaḥ (‘schrijver van boetvaardige gebeden’).

Ibn Ezra werd geboren in Granada rond 1055 – 1060, en overleed na 1138 en hij wordt beschouwd als één van de grootste dichters van Spanje. Die ook nog eens een enorme invloed op de Arabische literatuur heeft gehad. Castelnuovo-Tedesco componeerde de ‘divans’ (gedichten) op de moderne Engelse vertaling

Roberta Alexander zingt The Divan of Moses Ibn Ezra

Channa Malkin en Izhar Elias in ‘Fate has blocked the way’:

Zijn celloconcerto schreef de componist voor Gregor Piatigorsky, de première vond plaats in 1935, Arturo Toscanini dirigeerde het New York Philharmonic. En dat was het dan. Sindsdien werd het concerto totaal vergeten, tachtig jaar lang. Totdat Raphael Wallfisch zich daarover ontfermde

Raphael Wallfisch speelt het Allegro Moderato uit het celloconcert van Castelnuovo-Tedesco

Na de Tweede Wereldoorlog werd Castelnuovo-Tedesco, net als meerdere Joodse componisten die noodgedwongen moesten vluchten en hun heil haddenn gezocht in Hollywood beschuldigd van conservatisme en sentimentaliteit. Dat hij in veel van zijn werken geïnspireerd  werd door De Spaanse folklore werd hem evenmin niet in dank afgenomen.

Castelnuovo-Tedesco:

“Ik heb in mijn leven veel melodieën voor zangstem geschreven en er 150 van uitgegeven (in mijn la bleef veel liggen) op teksten in alle talen die ik ken: Italiaans, Frans, Engels, Duits, Spaans en Latijn. Mijn ambitie en sterker nog, mijn diepe drijfveer is altijd geweest om mijn muziek te verenigen met poëtische teksten die mijn belangstelling en gevoel prikkelden, om de lyriek ervan tot uitdrukking te brengen”.

In 2019 werd zijn biografie verfilmd in de film Maestro. Hieronder de trailer:

Officiëele website van Mario Castelnuovo-Tedesco:

https://mariocastelnuovotedesco.com/

‘Stolen melodies’ by Dick Kattenburg, as a kind of metaphor for his short life

Dick Kattenburg, painting Theo Kroeze 1916-1988


He was twenty-four. Twenty-four. That was all the Nazis allowed him. Who
knows what he would have been capable of? What operas could we have had
from him? Who knows, maybe he would have surpassed maybe he would have surpassed Wagner, the composer who
was not so keen on Jews? Or he might have gone in a totally different
direction and become a jazz giant?

Kattenburg: self portrait made in 1937


We will never know, because he only lived to be 24 and when the war
broke out he was not even 20 yet. But he had already made a name for himself
as a violinist. But also as a composer, because composing was his true love and something
he did on a daily base. Even while he was in hiding.

Kattenburg by GregorySinger



He had to move often because he was in danger of being betrayed, but he
continued to compose. How he was arrested is not entirely clear. Perhaps
during a raid? What we do know is that on 14 May 1944 he was put on a
transport to Auschwitz. A death certificate, dated 30 September 1944,
states that he died in Central Europe. That is all we have to go on.


At one time he also wanted to become a music teacher, as is shown by an
advertisement in Het Joodsche Weekblad (a publication of the Jewish
Council) of 7 September 1941, in which he offered himself as a teacher
of music theory and violin pedagogy. Only recently, he had successfully
passed the state examination of theory and violin with Willem Pijper,
which enabled him to establish himself as a teacher. He lived in
Naarden with his mother, his younger brother, his sister and her husband.

Kattenburg never denounced his Jewish background. He arranged a large
number of Hebrew melodies, which appeared in his manuscripts with titles
written in Hebrew and he also used dating according to the Jewish calendar. In
1942, the Star of David even appeared symbolically in his manuscripts.


Not long ago, a CD was released with Kattenburg’s “All that jazz”,
something we owe to a German piano duo, Friederike Haufe and Volker Ahmels.

The ‘Overture for two pianos’ from 1936 is the only work Kattenburg
wrote for two pianos (i.e. not for piano four hands). Tap dance’ also
dates from the same period and for this a tap dancer was actually needed to perform.



Kattenburg even made a very successful drawing of the tap dancer in the
manuscript. On this new album, Tonio Geugelin has been perfectly fitted
to this special role.

You really have to buy this CD. Please do. It is insanely good. And so incredibly
important!
That this CD has a short playing time, a little over 21 minutes is not
important. There is simply nothing more.

Friederike Haufe: “We wondered if it would be possible to market a CD of
such short duration, especially when most people want quantity next to
quality… but Donemus and Medien Kontor, labels we worked with, asked
us to leave it this way. So it has become a kind of metaphor for the
tragedy of his short life …



Stolen Melodies
Works for two pianos and piano four hands by Dick Kattenburg
Piano duo Friederike Haufe and Volker Ahmels (piano) with Tonio Geugelin
(tap dance)

More information:

https://www.klavierduo-haufe-ahmels.de/

This cd can be ordered here. You can also download the booklet here

https://www.medien-kontor-hamburg.de/cds/kattenburg.php

‘Stolen melodies’ van Dick Kattenburg als een soort metafoor voor zijn korte leven

Vierentwintig is hij geworden. Vierentwintig. Meer mocht het niet van de nazi’s. Wie weet, wat hij nog meer in zijn mars had? Welke opera’s hadden we van hem kunnen verwachten? Wie weet was hij nu Wagner voorbijgestreefd, de componist die het niet zo op Joden op had? Maar misschien was hij een totaal andere richting opgegaan en werd hij een jazz gigant?


We zullen het nooit weten, want hij is maar vierentwintig geworden en toen de oorlog uitbrak was hij nog geen twintig. Wel had hij al naam gemaakt als violist. Maar ook als componist, want componeren was iets wat hij altijd deed. Ook tijdens zijn onderduik.

Vaak moest hij vanwege het verraad van adressen wisselen, maar componeren bleef hij. Hoe hij opgepakt is, is niet helemaal duidelijk. Wellicht tijdens een razzia? Wat we wel weten is dat hij op 14 mei 1944 op transport werd gesteld naar Auschwitz. Een op 30 september 1944 gedateerde overlijdensakte vermeldt dat hij in Midden-Europa is gestorven. Daar kunnen we het mee doen.

Ooit wilde hij ook een muziekleraar worden, wat blijkt uit een advertentie in Het Joodsche Weekblad (een uitgave van de Joodsche Raad) van 7 september 1941, waarin hij zich aanbood als leraar muziektheorie en vioolpedagoog. Nog maar kort daarvoor had hij bij Willem Pijper het staatsexamen in de vakken theorie en viool met succes afgelegd, waardoor hij zich ook als leraar kon vestigen, met als standplaats Naarden, waar hij inwoonde bij zijn moeder, zijn jongere broer, zijn zus en haar echtgenoot.

Kattenburg heeft nooit zijn Joodse achtergrond verloochend. Hij heeft een groot aantal Hebreeuwse melodieën gearrangeerd, verschenen in zijn manuscripten in het Hebreeuws gestelde titels en maakte hij gebruik van de datering overeenkomstig de joodse kalender. In 1942 kwam in zijn manuscripten zelfs symbolisch de Davidsster voor

Niet zo lang geleden is er cd uitgekomen met Kattenburgs “all that jazz’, iets wat we te danken hebben aan een Duits piano duo, Friederike Haufe en Volker Ahmels.

De ‘Ouverture voor twee piano’s’ uit 1936 is het enige werk dat Kattenburg schreef voor twee piano’s (dus niet voor piano vierhandig). Hij was toen 17. Uit dezelfde periode stamt ook  ‘Tap dance’ waar ook echt een tapdanser aan te pas moest komen.

Kattenburg maakte zelfs een zeer geslaagde tekening van de tapdanser in het manuscript. Op dit nieuwe album is deze bijzondere rol Tonio Geugelin werkelijk perfect aangemeten.

Mensen: koop de cd. Alsjeblieft. Het is zo waanzinnig goed. En zo ontzettend belangrijk!
Dat deze cd een korte speelduur heeft, iets meer dan 21 minuten is niet van belang. Meer is er gewoon niet.

Friederike Haufe: “We vroegen we ons af of het mogelijk is om cd van zo’n korte duur op de markt te brengen, zeker wanneer de meeste mensen kwantiteit willen naast kwaliteit… maar Donemus en Medien Kontor, labels waar wij mee samenwerkten hebben ons gevraagd om het hierbij te houden. Zo is het een soort metafoor voor de tragedie van zijn korte leven geworden ..  “

Stolen Melodies
Werken voor twee piano’s en pianovierhandig van Dick Kattenburg
Pianoduo Friederike Haufe en Volker Ahmels (piano) m.m.v. Tonio Geugelin (tapdans)

Meer informatie:

d.k. stolen melodies

Deze cd kan o.a. hier besteld worden. Hier kan tevens ook het booklet gedownload worden

https://www.medien-kontor-hamburg.de/cds/kattenburg.php

Ein Stern fällt vom Himmel: the short life of Joseph Schmidt


On 16 November 1942, Joseph Schmidt died, only 38 years old. On his grave is written, “Ein Stern fällt”, a reference to one of his most successful films.

The whole film:



Schmidt was born on 4 March 1904 in the village of Davydivka in the Duchy of Bukovina (today Ukraine), which was then part of Austria-Hungary. He was blessed with a beautiful tenor voice and soon he was singing in the synagogue of Czernovitz where his family had moved after the First World War.

Below, Schmidt sings ‘Ano Avdoh’, an Aramaic prayer (1934 recording)

In 1924, he moved to Berlin, dreaming of a career as an actor. And dreaming of the opera. Unfortunately, his short height (Schmidt was only 1.54m) stood in the way of his dream. At his many auditions, his voice was considered exceptional, but his height… Luckily for him, a new medium was discovered at that time: the radio.



In 1929, Schmidt made his debut as Vasco da Gama in Meyerbeers L’Africaine on Berlin’s Rundfunk

The success that followed is indescribable: Schmidt became a world star. In total, he sang in 37 operas, including many Mozart and, mainly, Verdi.

Below, Schmidt sings ‘Di quella pira’ from Il Trovatore:

In May 1933, his first film, Ein Lied geht um die Welt, premiered with great success

But already in February 1933, Schmidt performed for a German broadcasting company for the last time. One week later, he was denied access to the studios. In December of that year, he moved to Vienna, where his film career really took off.



In 1937, he made his debut at Carnegie Hall in New York


Du bist die Ruh by Schubert:



His success was immense. He performed with the greatest singer-actors of the time, Maria Jeritza, Grace Moore to name but a few.

Joseph Schmidt and Grace Moore in La Bohème



In those days, he earned 3000 dollars for just a few minutes of his singing. Why did he go back to Vienna? What possessed him? Was he so naive that he did not believe what was coming? Did he really think that his fame and stardom would protect him? Or was it just homesickness? Who knows?

After the Anschluss, he fled to Belgium. There his greatest dream came true, a performance on the operatic stage; he sang Rodolfo in La Bohème. Could that be the reason for not fleeing when it was still possible?

He had a particularly warm place in his heart for the Netherlands, where he first performed for Vara Radio in 1936 (he sang in Verdi’s I Masnadieri).


And he also sang in Dutch!



In 1940 he fled to Paris and then to the South of France. From there, he made unsuccessful attempts to reach America. Alas. Now desperate, he tried to go to Switzerland, which he finally managed to reach in the night of 7 to 8 March 1942. Less than three years before, he had celebrated triumphs as a world star there; now he was locked up in an internment camp. He contracted pneumonia and developed a heart condition. Totally penniless, not making any money and unable to pay for a good doctor, he was admitted to a hospital. After two weeks he was discharged there, his medical state was not taken seriously at all.

Two days later he died, 38 years old. He was buried in the Jewish cemetery. On his grave is written: “Ein Stern fällt”, Joseph Schmidt – “Kammersänger”

The grave of Joseph Schmidt at the Israelite Cemetery Unterer Friesenberg in District 3 of Zurich-Wiedikon, Switzerland. – Photo: Jakob Vetsch, 24 May 2010.

Chamber works by Paul Ben-Haim

ben-haim

Slowly, much too slowly and actually much too late, but the music world is waking up.
One gap after another is finally being filled and the (consciously or unconsciously) ‘forgotten’ composers are at long last coming to our CD players.

Paul Ben-Haim's Evocation: what a discovery | Basia con fuoco
Paul Ben-Haim

Who among you has ever heard of Paul Ben-Haim? If not, why not?
The composer was born as Paul Frankenburger in Munich in 1897 and died in Tel Aviv almost 90 years later. And he left behind a really spectacular oeuvre.

Many vocal works, orchestral pieces, chamber music…. What not, actually?
Most of his works are influenced and inspired by Jewish, Israeli and Arab melodies, so you may call his music “nationalistic”. Nothing wrong with that word.

Just take the opening of his 1941 clarinet quintet! The dancing clarinet part reminds one of swinging klezmer, but in a Brahmsian way.

The ARC Ensemble perform the opening movement of Paul Ben-Haim’s Clarinet Quintet at the Enav Center, Tel Aviv:

This is even more pronounced in his “Two Landscapes” for viola and piano, in which he sings the praises of his new homeland’s beauty.

Steven Dann and Dianne Werner prepare to record The Landscapes for viola and piano:



The “Improvisation and Dance”, dedicated to Zino Francescati, betrays influences from Yemeni folklore and only his oldest work on the CD, the Piano Quartet from 1920, does not yet have its own “face”.

The (very infectious playing!) members of the Canadian ARC Ensemble all work at the Glenn Gould Conservatory in daily life. A CD to cherish.

Paul Ben-Haim
Clarinet Quintet, Two Lanscapes, Canzonetta, Improvisation and Dance,
Piano Quartet
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10769

Erwin Schulhoff: genres and music crossing borders

Schulhoff box

“Music should primarily bring physical pleasure, even ecstasy, to the listener. It is not philosophy, its origin lies in ecstatic situations and its expression in rhythm”  Erwin Schulhoff wrote in 1919.

From his earliest youth, Schulhoff was fascinated by everything new. His music transcended borders and genres – sometimes even those of ‘good decency’. He was a man of extremes, heartily embracing dada and jazz, and he also had a particular liking for the grotesque. No wonder that the synthesis of jazz and classical music, of everything in fact, became for him not only a challenge, but ultimately his artistic credo.

Schulhoff Lockenhaus


My first acquaintance with the composer and his music was thirty years ago, at the Lockenhaus chamber music festival, led by Gidon Kremer. It was mainly his string sextet, with its strong Janaček influences, that made me gasp for air. Since that day I was hooked. It took a long time, but in the meantime Schulhoff has found his way to the concert stages and recording studios. Especially the latter, because he is still too rarely programmed at concerts.

Schulhoff etersen


My very first record encounter with the composer was the recording of his complete string quartets by the Petersen Quartet, in 1992. To my delight, the string quartets are also in the six-CD box set recently released by the Capriccio label. These are recordings of many of his works (dear Capriccio: there is more!) made by Deutschlandfunk Kultur between 1992 and 2007. Most of these recordings have already appeared on Capriccio (but also on other, often no longer existing labels).

The 2007 recording of the Double Concerto for flute and piano, with Dutch flutist Jacques Zoon as soloist, is new to me. And it is so beautiful! Also new to me is the recording of the Second and Fifth Symphonies, in which the Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks is conducted by the greatest advocate of ‘entartete composers’, James Conlon.



ERWIN SCHULHOFF
Symphonies no. 2 & 5, Piano Concerto op. 34, Concerto Doppio, Concert for string quartet and winds, String quartets no. 1 & 2, String sextet, Sonata for violin solo, Duo for violin and cello, Piano sonatas no. 1 & 3, Piano works
Jacques Zoon (flute); Frank-Immo Zichner, Margarete Babinsky (piano); Petersen Quartet; Leipzicher Streichquartett; Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks conducted by James Conlon; Deutscher Symphonie-Orchester Berlin conducted by Roland Kluttig
Capriccio C7297