opera/operette/liederenrecitals

Ever heard of Wilhelm Grosz?

Enetartet Grosz

In the 1920s old values were shaken. The Great War had just ended. Countries had become independent, or had just lost their independency. Powerful new influences like jazz, blues, and exotic folklore appeared. Boundaries between classical and popular music were fading.

Of all the composers from that period, Wilhelm Grosz was perhaps the most versatile. He was born in Vienna in 1894 into a wealthy Jewish family. In 1919 he graduated from the Viennese Music Academy, where he was taught by, amongst others, Franz Schreker. In 1920 he finished his musicological studies at the Vienna University.

Grosz composed songs, operas, operettas, ballet music and  chamber music, and was a famous pianist as well. In 1928 he was appointed the artistic director of the Ultraphon record company in Berlin.

In 1929, commissioned by the prestigious Radio Breslau, he composed the song cycle Afrika Songs on lyrics by African-American poets.

Afrika Songs was premiered on 4 February 1930 and enthusiastically received. The cycle also became known as the  Jugendstil Spirituals, which probably is the most fitting description for it. There are jazz and blues influences, but the songs were also quite heavily influenced by the music of Zemlinsky, Mahler and … Puccini (compare Tante Sues Geschichten with Ho una casa nell’ Honan from the second act of Turandot!).

When he Nazis came to power, Grosz returned to Vienna. In 1934 he was forced to flee again, this time to London. There his popular works grew more distinct from his serious ones. His name became forever attached to a series of world wide hits. The Isle of Capri, for example, was the big hit of 1934.

ALONG THE SANTA FE TRAIL

Entartet Gosz Santa Fe

In 1938 Grosz left for Hollywood but didn’t get further then New York. He had a heart attack in 1939 and died, aged only 45. He composed the famous song for Along the Santa Fe Trail, a movie with Errol Flynn, Olivia de Havilland and Ronald Reagan in the leads. The song was not sung in the film and only used only instrumentally as background music.

AFRIKA SONGS AND MORE

Entartete Gosz Africa

After almost sixty years Grosz was rediscovered, although only briefly. It is hard to believe, but the Afrika Songs were not recorded until 1996! The Matrix Ensemble performed them for the firs time at the Proms in 1993. The CD also includes the song cycle Rondels, Bänkel und Balladen and the hits Isle of Capri, When Budapest Was Young and Red Sails in the Sunset, songs we all know but never knew who composed them.

Vera Lynn sings Red Sails in the Sunset in 1935

Mezzo Cynthia Clarey and baritone Jake Gardner are splendid in the Afrika Songs and Andrew Shore makes a party of Bänkel und Balladen. Nothing but praise for the  Matrix Ensemble.

English translation: Remko Jas

With many thanks for Brendan Carroll

L’esule di Granata van Meyerbeer: waar blijft de hele opera?

GranataSulemano, de van de Abenserage clan stammende koning van Granada wordt door de vijandige clan van Zegri’s onttroond, zijn gezin wordt vermoord en hijzelf verbannen. Een Zegri-leider bestijgt de troon en na zijn dood volgt Almanzor, diens zoon, hem op als koning.

Almanzor is verloofd met Azema, die de dochter van doodgewaande Sulemano blijkt te zijn en als Sulemano heimelijk terugkeert naar Granada zijn de verwikkelingen niet uit de lucht. Maar het komt allemaal goed, want Almanzor heeft een hart van goud.

Het niet bijster originele libretto van Felice Romani werd door Meyerbeer voorzien van door en door Rossiniaanse muziek, vol ornamenten, coloraturen en vurige aria’s en duetten.

Dat de opera geen succes werd, ligt dan ook niet aan de prachtige noten. Alle drie de protagonisten zijn rijkelijk voorzien van schitterende muziek, maar het mooiste en ontroerendste behoort aan de goede koning Almanzor.

Zijn allerlaatste aria en de daaropvolgende scène zijn van een ongekende schoonheid, wat nog versterkt wordt door de uitvoering, want al is Laura Claycomb een virtuoze Azema en de jonge Mirco Palazzi een autoritaire Sulemano, de warmbloedige Manuela Custer steekt als de echte koning boven alles en iedereen uit. Wat een prestatie, chapeau!


Giacomo Meyerbeer
L’esule di Granata (highlights)
Manuela Custer, Laura Claycomb, Mirco Palazzi
Academy of St.Martin in the Fields olv Giuliano Carella
Opera Rara ORR234

Drie maal Jonathan Lemalu

Interview 2003

Lemalu

Er is niets leuks aan om iemand telefonisch te interviewen. Je mist de lichaamstaal, je hebt geen oogcontact, je kan je grapje niet met een glimlach versterken. Wat blijft is de stem. Nou, in het geval van Jonathan Lemalu kun je rustig van dé stem spreken. Donker gekleurd, warm en diep, met een sprankelende vonk en een jeugdig elan.

Pas 27 jaar jong, en nu al ‘hot’. Onlangs tekende hij een exclusief contract met EMI, de firma waar voor hij zijn eerste cd met de liederen van o.a. Brahms en Schubert had opgenomen.

Ik complimenteer hem met zijn Duitse uitspraak, en tot mijn verbazing hoor ik, dat hij de taal niet kent:

“Ik spreek maar twee talen: Engels en Samoaans. Ik hou van het Duits en het Italiaans. Frans is voor mij heel moeilijk, maar er zit zoveel muziek in! En onlangs ben ik begonnen met het instuderen van een paar Russische liederen. Ik heb een Duitse coach, we bespreken samen ook de inhoud van de liederen. Het is hard werken, maar ik wil ook werkelijk muziek tot leven brengen”.

Begin oktober 2003 maakte Lemalu zijn debuut bij de Royal Opera Huis in Orlando van Händel. De productie werd met de grond gelijk gemaakt maar Andrew Clements de recensent van the Guardian wist te melden dat “Jonathan Lemalu’s Zoroastro sounds out of his depth, a hugely promising young singer”.

Hoe was het?
“Ik was heel erg zenuwachtig. Het was voor mij een mijlpaal in mijn carrière. Bovendien was ik degene die de opera opende. Maar het ging fantastisch, en bovendien had ik het genoegen om met de grootste zangers samen te werken.”

Lemalu is geboren in Dunedin, New Zeeland, maar zijn familie komt uit Samoa.

Samoa? Wat kan ik me erbij voorstellen? Is het te vergelijken met de Maori’s?
“O ja, beslist. Het is een oude cultuur met een zeer muzikale traditie: kerkkoren, veel religieuze muziek. Ik vond het fantastisch om op te groeien met twee culturele achtergronden, de Engelse en de Samoaanse. Ik beheers beide talen goed, al is mijn Engels de laatste tijd iets beter geworden”

Maar hoe komt hij aan de klassieke muziek? Aan Schubert?
“Bij ons thuis is altijd veel muziek geweest. Mijn vader speelde gitaar en zong in een koor, ook mijn zus die nu in Londen woont zingt in een koor. In het koor begon ook mijn opvoeding met de klassieke muziek, we zongen de missen van Bach, van Mozart, van Schubert. Schubert is absoluut mijn favoriet. Hij schreef geniaal voor de stem en voor de piano. Hij is ook zo eerlijk met de teksten omgegaan”.

Lemalu is bezig met een internationale carrière. Dit betekent werken, werken, en nogmaals werken. Heeft hij tijd voor iets anders? Hobby’s bijvoorbeeld?
“O ja! Ik ben gek op sport, rondhangen met vrienden, ik hou van films en reizen. En van mijn familie.”

En koken? Doet hij dat voor zichzelf?
“Beslist. Ik ben er zelfs heel erg goed in. Ik hou van salades, pasta, rijst, soepen. De laatste tijd probeer ik vlees te vermijden en zo gezond mogelijk te leven. Ik zorg goed voor mezelf”

English and American Songs: 2003

Lemalu cd

Ik zou het niet weten waarom, maar liederen van Barber doen mij altijd aan schilderijen van Hopper denken. Ook het cyclus Dover Beach, al heeft Hopper bij mijn weten nooit zeegezichten geschilderd. Een kwestie van sfeer, misschien? Het verlangen, de eenzaamheid en het gevoel verlaten te zijn, het zit er allemaal in. Jonathan Lemalu brengt het allemaal goed over: zijn donkere stem lijkt schatten aan emoties te verbergen, die door de strijkkwartetbegeleiding nog extra versterkt worden.

In de Engelse liedjes is de sfeer wat losser, want al zijn ze droef, nog steeds klinkt er een ondertoon van zelfspot in door, en dat is iets wat ik een beetje in de uitvoering van Lemalu mis. In de cabaretsongs van Bolcom daarentegen werkt zijn ietwat droge interpretatie verfrissend. Kleine juweeltjes zijn dat, grenzend aan smartlappen, en je kun ze makkelijk beschadigen door te overdrijven. Gelukkig blijft Lemalu goed in balans.

Eerlijk gezegd had ik wat meer Barber en Bolcom willen horen, maar wellicht is het een idee voor de volgende cd? Voor de complete cabaretsongs van Bolcom teken ik alvast in. Zowel Malcolm Martineau als het Belcea Quartet begeleiden congeniaal. Een mooie cd.

Quilter, Barber, Britten, Rodney Bennett, Ireland, Butterworth, Finzi, Bolcom (EMI5580502)

Opera aria’s: 2005

Lemalu opera

Jonathan Lemalu heeft een buitengewoon mooie stem. Warm en donker, met een ondertoon van goudkleurig fluweel, krachtig en soepel tegelijk, kernachtig en viriel. Een beetje zoals Bryn Terfel.

Hij is ook enorm getalenteerd en hij leert snel : nog maar twee jaar geleden sprak hij alleen Engels en Samoaans, nu zingt hij perfect in een paar talen, waaronder Russisch. In 2003 debuteerde hij met een prachtig liederenrecital, dat overal ter wereld bejubeld werd ontvangen. En nu ligt er een cd met opera-aria’s, waarop hij zowel Figaro (Rosssini en Mozart) als de graaf zingt, en Papageno met Gremin (Onegin) en de Vliegende Hollander afwisselt.

En, om heel eerlijk te zijn, de laatste twee had hij nog niet mogen doen. Niet, dat hij het niet kan, want hij doet het prachtig, maar het is nog te vroeg. Te vroeg in zijn carrière en te vroeg in zijn leven: mooi zingen kan hij als geen ander, maar op je 29ste weet je nog niet hoe het is om oud te zijn, en voor de laatste keer in je leven krankzinnig veel van iemand te houden.

Mozart, Tsjaikovsky, Rossini, Gounod, Boito, Verdi, Wagner (Warner 5576052)

Ooit van Wilhelm Grosz gehoord?

Enetartet Grosz

In de jaren twintig van de vorige eeuw werden alle waarden aan het wankelen gebracht. De Grote Oorlog was afgelopen, landen werden onafhankelijk of verloren juist hun zelfstandigheid. Nieuwe invloeden deden van zich spreken: jazz, blues, exotische folklore. De grens tussen de klassieke en populaire muziek vervaagde.

Van alle componisten uit die tijd, was Wilhelm Grosz misschien de meest veelzijdige. Hij werd geboren in Wenen in 1894 in een welgestelde Joodse familie. In 1919 studeerde hij af aan de Weense muziekacademie, waar hij onder andere les had van Franz Schreker en in 1920 rondde hij zijn studie musicologie aan de Weense Universiteit af.

Grosz schreef liederen, opera’s, operette’s, ballet, kamermuziek en was zeer beroemd als pianist. In.1928 werd hij in Berlijn aangesteld als artistiek directeur van de platenmaatschappij Ultraphon.

In 1929 componeerde hij (in opdracht van de toen prestigieuze radio Breslau) de liederencyclus Afrika Songs. De teksten die hij daarvoor gebruikte waren afkomstig van zwarte Amerikaanse dichters. De premiére op 4 februari 1930 werd zeer enthousiast ontvangen. ‘Jugendstil Spirituals’, werd de cyclus genoemd en wellicht is dat de beste omschrijving, want behalve

jazz en blues zijn de liederen zwaar beïnvloed door de muziek van Zemlinsky, Mahler en …. Puccini (vergelijk ‘Tante Sues Geschichten’ met ‘Ho una casa nell’ Honan’ uit de tweede acte van ‘Turandot’!).

Toen de nazi’s aan de macht kwamen, keerde Grosz naar Wenen terug om in 1934 ook daarvandaan te moeten vluchten. Hij vestigde zich in London. Daar werd voor het eerst een onderscheid gemaakt tussen zijn serieuze en populaire composities.

Zijn naam werd onlosmakelijk verbonden aan een paar wereldhits, zo was ‘The Isle of Capri’ dé grootste hit van 1934.

ALONG THE SANTA FE TRAIL

Entartet Gosz Santa Fe

In 1938 vertrok Grosz naar Hollywood. Daar componeerde hij muziek voor ‘Along the Santa Fé Trail’, een film met in de hoofdrollen Errol Flynn, Olivia de Havilland en Ronald Reagan. In 1939 werd hij getroffen door een hartinfarct en stierf, nog maar 45 jaar oud.

AFRIKA SONGS EN MEER

Entartete Gosz Africa

Na bijna zestig jaar werd Grosz herontdekt, al duurde het maar heel even. Het is haast niet te geloven maar de ‘Afrika Songs’ beleefden in 1996 hun plaat première! Het Matrix Ensemble heeft ze voor het eerst uitgevoerd op de Proms in 1993. Op de cd verder de liederencycli ‘Rondels’ en ‘Bänkel und Balladen’ en de hits ‘Isle of Capri’, ‘When Budapest was young’ en ‘Red sails in the sunset’- liedjes die we allemaal kennen en waarvan we nooit wisten wie de componist was.

Vera Lynn zingt ‘Red Sails in the Sunset’ in 1935

Mezzo Cynthia Clarey en bariton Jake Gardner  zijn subliem in de ‘Afrika Songs’ en Andrew Shore maakt een feest van ‘Bänkel und Balladen’.

 

La Passione gaat over de dunne scheidingslijn tussen het leven en de dood

La Passione

Ik weet niet of ik het zo fijn vind om de symfonie van Haydn tussen Luigi Nono en Gérard Grisey gepropt te zien. Afgezien van het feit dat ik er niets mee heb (goed, dat ligt dan aan mij): waarom? Voor mij is het een spelbreker en hoe goed het ook gespeeld wordt (heel erg goed) het haalt mij uit mijn concentratie en verstoort de verhoudingen. Wellicht is het vanwege zijn bijnaam, La Passione, waar de hele cd zijn titel aan dankt? Maar genoeg gezeurd want er valt natuurlijk voldoende te genieten.

Nono’s Djamila Boupacha is een eerbetoon aan de Algerijnse vrijheidsstrijdster die in 1961 werd gearresteerd, verkracht, gemarteld en ter dood veroordeeld. In 1962 werd zij vrijgelaten. Het vijf minuten durende hartekreet (met de nadruk op kreet) voor sopraansolo is gebaseerd op het gedicht ‘Esta Noche’ van Jesús Lopéz Pecheco en het wordt zeer ontroerend gezongen door Barbara Hannigan. Hartverscheurend en tegelijkertijd wiegend.

Dat wiegende, dat komt terug in Berceuse, het laatste deel van Griseys Quatre chants pour franchir (Vier liederen om over de drempel te stappen), liederencyclus voor sopraan en orkest die zich niet makkelijk prijsgeeft. Je moet er voor gaat zitten en het tot je laten komen. Dan kan je niet anders dan het adembenemend te vinden. En als je beseft dat het zijn laatste compositie was (Grisey heeft vlak na het voltooien van dit werk in 1998 een hersenbloeding gehad en overleden, hij was toen nog maar 52) dan krijgt dat ‘over de drempel te stappen’ iets lugubers mee. Zeker ook omdat het ‘over de drempel’ over de scheidingslijn tussen het leven en de dood gaat.

De compositie is zeer theatraal en eigenlijk zou je het live moeten meemaken. Gelukkig weten zowel Barbara Hannigan als het door haar gedirigeerde Ludwig Orchestra de sfeer perfect over te brengen. De orkestrale klanken met de vele diverse kleuren worden perfect gemengd met de vocale bijdrage van de zangeres.


 

La Passione
Luigi Nono: Djamila Boupacha
Franz Joseph Haydn: Symfonie nr. 49 in f (La Passione)
Gérard Grisey: Quatre chants pour franchir
Barbara Hannigan (sopraan en dirigent), Ludwig Orchestra
Alpha 586

Piotr Beczala en zijn nieuwe helden

Beczala Vincero

Luisterend naar deze cd moest ik ongewild denken aan de fabel van de La Fontaine, die over de mier en de krekel. De moraal: flierefluiten in de zomer is leuk maar als de winter komt heb je je spaarcenten nodig. Zo ongeveer.

Verander de ‘spaarcenten’ nu in stem en dan heb je het geheim van Piotr Beczala. Begonnen met de delicate Mozarts en de meest lyrische Verdi’s klom hij, via poëtische Rodolfo’s en Massenets des Grieux naar het repertoire wat zwaarder heet te zijn. Eerst een voorzichtige stap richting Lohengrin en Gustavo (Ballo in Maschera), maar toen ging het hek open en: et voilà! Hier staat een tenor aan een begin van de derde belangrijke fase in zijn professionele leven, die van het lyrico-spinto.

Na Mario (Tosca) en Maurizio (Adriana Lecouvreur) komen nu Radames en Calaf aan de beurt en dat is geen kattenpis. En weet u wat? Hij kan het! Hij benadert die rollen minder ‘heldisch’, iets wat eigenlijk helemaal niet hoeft. Luister naar zijn illustere voorgangers waar zijn stem – met de snik en de traan – het meeste op lijkt, Tauber en Kiepura. Hij benadert zijn helden emotioneel en schuwt het sentiment niet, want niet inhoudt dat hij schmiert.

Wat ik wel jammer vind is dat hij voor de bekendste aria’s uit het repertoire heeft gekozen. Maar van de andere kant: het gaf hem kans om te vergelijken en die vergelijking valt in zijn voordeel uit, zeker wat de hedendaagse tenoren betreft.

Radames staat er niet op, wel Calaf, wat de titel van de cd meteen verklaart. Zijn ‘Nessun dorma’ is voornamelijk teder en het Cor de la Generalitat Valenciana steunt hem er goed bij. Er is wel een minpuntje: ‘Aveto torto … Firenze è come un albero fiorito’ uit Puccini’s Gianni Schicchi. Die rol is Beczala al ontgroeid.


VINCERÒ
Puccini, Cilea, Mascagni, Giordano, Leoncavallo, Verdi
Piotr Beczala (tenor)
Evgenya Khomurtova (mezzosopraan)
Cor de la Generalitat Valenciana
Orquestra de la Comunitat Valenciana olv Marco Boemi
Pentatone PTC 5186 733

Piotr Beczala: thuis ben ik inmiddels overal

Waar is Eva Urbanová gebleven?

Urbanova

In het bijgeleverde tekstboekje las ik dat Eva Urbanová gecoacht werd door Renata Scotto en dat is duidelijk te horen. Haar tekstbehandeling en inlevingsvermogen zijn werkelijk fenomenaal en duiden op een zingende actrice van formaat. Ook de keuze van haar rollen kan daarop wijzen, al moest ik mijn wenkbrauwen fronsen toen ik las, dat zij in de Metropolitan Opera tegelijkertijd Otrud (Lohengrin) en Tosca zong.

Dat het niet bepaald gezond is hoor je al in de openingsaria uit Libuše van Smetana, een echte tour de force alla Turandot, waarin haar stem een beetje schel klinkt. Echter, naarmate het recital vordert (alles is live opgenomen tijdens een concert in Praag) wordt haar stem rustiger en evenwichtiger, met als hoogtepunt de monoloog van Kostelnicka (Jenufa).

Dat zij ook over een andere, een meer lyrische kant beschikt, laat zij in een schitterend duet uit Dalibor van Smetana horen. Bovendien: wat is die muziek prachtig!

De keuze van de gezongen fragmenten is ijzersterk: de meeste opera’s waarvan ze afkomstig zijn, zijn buiten Urbanová’s vaderland vrijwel onbekend. Zij weet zich verzekerd door een keur van Tsjechische zangers die haar niveau helaas niet halen. Niet erg. Deze cd is beslist de moeite waard vanwege de schitterende muziek en een buitengewoon interessante zangeres.


Famous Czech Opera Duets
Smetana, Dvorak, Fibich, Janácek
Eva Urbanová and guests
Janáček Philharmonic Orchestra of Europe olv František Preisler jr.
SU 3555-2 631

Busoni en La Nuova Commedia dell’ Arte

Busoni Turandot Arlecchino

Feruccio Dante Michelangelo Benvenuto Busoni is, denk ik, één van de grootste kosmopolitische componisten uit de muziekgeschiedenis. Zijn vader was een Italiaan en zijn moeder een Duitse. Busoni studeerde in Oostenrijk, trouwde met een Russisch-Zweedse en ging in Berlijn wonen. Voornamelijk dan, want hij woonde ook in Wenen, Zürich en Bologna. En, o ja, hij had ook nog eens Joodse wortels. En dan al die voornamen!

Het schijnt dat hij een boekencollectie had die had kunnen concurreren met de meeste bibliotheken: geen wonder dat hij zijn klassieken kende! Busoni was ook een groot kenner en bewonderaar van Carlo Gozzi en na het componeren van de incidentele muziek voor zijn toneelstuk Turandot besloot hij het gegeven tot een opera te verwerken. In dezelfde tijd (1916) componeerde hij ook Arlecchino, een opera gebaseerd op een figuur uit Commedia dell’Arte. De (Duitstalige) libretto’s met veel gesproken dialogen zijn van de hand van de componist zelf.

Busoni Turandot-Arlechino_Premier_Poster_600391

Beide opera’s, die Busoni ‘La Nuova Commedia dell’ Arte’ noemde beleefden hun wereldpremière op 11 mei 1917 in het Stadttheater van Zürich onder leiding van de componist zelf.

In 1992 werden de opera’s in Berlijn opgenomen en nu (voor het eerst?) op de markt gebracht. Joseph Protschka is een warm getimbreerde Kalaf en Linda Plech excelleert als Turandot.  Gerd Albrecht dirigeert zeer betrokken, met veel aandacht voor de partituur.



Feruccio Busoni
Turandot; Arlecchino
Rene Pape, Linda Plech, Joseph Protschka, Celina Lindsley, Peter Matic, Robert Wörle, Siegfried Lorenz e.a.
Radio-Sinfonie-Orchester Berlin olv Gerd Albrecht
Capriccio C5398

The Poker Club Band zingt Haydn: wat een cd!

CD

Kunt u zich nog ‘De Kap’ren varen’ van Fungus herinneren, een grote hit uit de jaren zeventig? Daar moest ik namelijk meteen aan denken, bij het beluisteren van deze cd. Het is min of meer dezelfde formule: men neemt een klassiek muziekstuk (nu, ja bij Fungus was het iets minder ‘klassiek’, maar toch) als uitgangspunt en brengt het terug naar de bron. In dit geval de Schotse folklore.

Het uitgangspunt nu was de enorme bundel van ‘Schotse liederen’ van Haydn: hij heeft bijna 400 traditionele liedjes bewerkt (eind achttiende eeuw was folklore echt in) met de bedoeling om ze in de salons uit te voeren door een zanger (een zangeres) die door een pianotrio werd begeleid. Niet dat er geen andere arrangementen werden gemaakt, maar alles bleef in het nette en het luchtig deftige. En dan komt ‘The Poker Club Band’, een Schots ensemble dat zijn naam aan één van de clubs in Edinburgh heeft ontleend.

Het is eigenlijk onmogelijk om ze ergens in een hokje te plaatsen want ze zijn eigenlijk van alles. Zeg maar de rauwe folklore ontmoet oude muziek. Want oude muziek specialisten, dat zijn ze ook, alle vier. Zodoende hoor je naast de klassieke klanken van de viool en de cello ook de pedaalharp en een gitaar. Maar alles valt of staat met de zang en daar zit dus het mooiste verrassingselement in. James Graham klinkt zo Schots dat het bijna een cliché is, maar wat een cliché! Tussen de liederen door krijgen we instrumentale arrangementen van een paar van Haydns symfonieën, meesterlijk gespeeld door de harpiste en de dirigente Masako Art.

Ik moet eerlijk bekennen: toen ik die cd in mijn speler duwde hoopte ik dat ik het zou overleven. De verrassing – en het plezier – kon niet groter zijn geweest. Wat een cd!


Tullochgorum – Schottish Songs
The Poker Club Band olv Masako Art
BIS 2471

Goerne zingt Beethoven: elke noot doet er toe

beethoven-songs-0028948383511_0

Hij is nog maar 54 jaar oud en toch praat hij al over ophouden. Niet, dat zijn stem minder wordt maar hij wil het ‘verval-moment’ niet afwachten. Of het verstandig is dat weet ik niet, vooralsnog is Matthias Goerne op zijn absolute top. Zijn stem klinkt nog steeds fris en zijn interpretatie heeft met de jaren aan de diepgang gewonnen. Men zegt dat hij de beroemdste leerling is van Fischer-Dieskau, maar is dat zo? Een ding is in ieder geval zeker: Goerne behoort tot de crème de la crème wat de vertolkers van de Duitse zangkunst betreft.

Zijn nieuwste cd is geheel aan de liederen van Beethoven gewijd. Het is geen dagelijkse kost. Ook in het Beethoven-jaar worden we voor de zoveelste keer op zijn symfonieën en concerten getrakteerd. Al zijn pianosonates en strijkkwartetten worden uit de kast getrokken of opnieuw opgenomen, maar de liederen blijven nog steeds in de marge steken. Vandaar (onder andere) dat ik de nieuwe cd van Goerne met een enorme ‘hoera’ verwelkom.

In een interview met Paul Janssen zei Goerne: “Het kost veel tijd om die prachtige melodieën, de structuur en het idee achter Beethovens liederen te vatten. In eerste instantie lijken het gewone liederen, maar zo gauw je er in duikt steekt Beethoven iemand als Schubert echt naar de kroon. Hij is zo precies in zijn componeren; elke noot doet er toe.” En dat er elke noot er toe doet, dat maakt Goerne meer dan duidelijk.

Het beste hoor je het in Beethovens bekendste lied, ‘Adelaide’. Logisch, dat kennen we allemaal, net als zijn cyclus ‘An die ferne Geliebte’. Het eerste wat er dan opvalt is zijn zachte en lieve manier van zingen waar de grootste aandacht naar de muziek uitgaat zonder dat de tekst er onder hoeft te lijden. Jan Lisiecki toont zich de meest voorbeeldige ‘partner in crime’, het is alsof de zanger en de pianist elkaar al jaren kennen.


LUDWIG VAN BEETHOVEN
6 Lieder op. 48; Resignation WoO 149; An die Hoffnung op. 32; Gesang aus der Ferne WoO 137; Maigesang op. 52 no.4; Der Liebende WoO 13; Klage WoO 11; An die Hoffnung op. 9; Adelaide op. 46; Wonne der Wehmut op. 83 no. 1; Das Liedchen von der Ruhe op. 52 no. 3; An die ferne Geliebte WoO 140; An die ferne Geliebte op. 98
Matthias Goerne bariton
Jan Lisiecki piano
DG 483 83511