opera/operette/liederenrecitals

Requiem van Verdi met lange adem

Het Requiem van Verdi geldt onbetwist als een van de mooiste muziekstukken ooit geschreven. Een open deur? Beslist, en toch valt je dat telkens weer op, zeker als je het een poos niet hebt gehoord.

Op de een of andere manier was Semyon Bychkov, broer van ooit onze chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Nederlands Kamerorkest, Jakov Kreizberg, was hier vroeger zelden gevraagd. Verbazingwekkend eigenlijk als je weet hoe hij in andere landen werd gewaardeerd.

Vanaf 1998 was hij een vaste chef-dirigent van het WDR orkest in Keulen, waarmee hij ettelijke cd’s heeft opgenomen. In 2007 kwam er, live opgenomen Verdi’s Requiem er bij.

Semyon Bychkov is een man van de lange adem: hij articuleert breed en neem rustig de tijd voor. Toch doet hij er ruim acht minuten korter over dan mijn ‘ijkpunten’, Claudio Abbado en Carlo Maria Giulini. Op zijn mooist is hij als hij de noten vloeiend in elkaar laat overlopen, zoals in ‘Lacrimosa’, in een waarlijk belcanteske stijl. Ontroerend.

Van het solistenkwartet, allen zeer ervaren Verdi vertolkers, bevallen de mannen mij het best. Ferrucio Furlanetto beschikt over een sonore, zeer warme bas, waarmee hij acteert alsof zijn leven er van afhangt.

Met zijn gave om pure lyriek met gevoel voor drama te combineren weet Ramón Vargas ‘Ingemisco’ naar de bijzondere hoogten te tillen.

Violeta Urmana, Olga Borodina, Ramón Vargas, Ferrucio Furlanetto
WDR Sinfonieorchester, WDR Rundfunchor olv Semyon Bychkov
Hänssler SACD PH08036

La bellezza del canto: over Olga Peretyatko’s eerste cd, tien jaar na de verschijning

Olga Peretyatko is meer dan de zoveelste ‘rising star’ uit één van die landen die vroeger eufemistisch ‘het Oostblok’ heette. Niet alleen ziet zij er werkelijk prachtig uit en kan ze goed acteren, zij kan eveneens – en dat is natuurlijk het allerbelangrijkste – zingen. En hoe!

Zij heeft een lichte, zeer wendbare stem met een stralende hoogte en haar coloraturen zijn gewoon perfect. En denk niet dat zij de zoveelste ‘kanariepiet’ is! Olga Peretyatko is een echte nachtegaal.

Op donderdag twaalf januari 2012 zong ze bij de Nationale Opera de première van (hoe toepasselijk!) De Nachtegaal van Igor Strawinsky en in april dat jaar kwam ze terug voor Il Turco in Italia van Rossini.

Trailer van Nachtegaal:

Trailer van Il Turco in Italia:

Op haar debuut-cd bij Sony, met een zeer toepasselijke titel La bellezza di canto, ontbreekt ook de aria van Fiorilla niet. Voor de rest veel Donizetti en nog een Rossini: ‘Canzone del salice’, de aria van Desdemona uit Otello. Dat je daar van moet huilen, ligt uiteraard voornamelijk aan de muziek, maar zo mooi en zo ontroerend gezongen heb ik het zelden gehoord.

Verder staat er van alles en nog wat. Gilda, Manon (Massenet), Adele (Die Fledermuis)  … Ook “Het lied aan de maan” uit Rusalka ontbreekt er niet.

Eerlijk gezegd is het een beetje ratjetoe, maar als het zo gezongen wordt dan mag het van mij ook een telefoonboek zijn. Ik ben zeer onder de indruk.

Olga Peretyatko
La belezza del canto
Aria’s van Rossini, Donizetti, Massenet, Offenbach, Dvořák, Puccini en Johann Strauss
Münchner Rundfunkorchester olv Miguel Gómez-Martínez
Sony 88697785442

Rita Streich: Queen of the coloraturas

Streich.jpg

High coloratura soprano is one of the most admired voice types. It’s only logical, because what these ladies do falls a bit into the category of “nightingale on a trapeze”. Sometimes it really is a bit like a circus; there are those ladies who have made it their profession to perform tricks, forgetting that their high notes should also be music.

Not so Rita Streich, for me the very best and most beautiful coloratura soprano ever. Of course, her voice is light as a feather and her embellishments impeccable, but in contrast to many of her colleagues, her repertoire is actually unlimited: opera, operetta, songs, oratorios…

She is not equally good at everything. I find her Schubert a little too light-hearted, so that much of the text is lost. But in the opera genre she is much more in her element. I am referring, of course, to her unearthly Queen of the Night (Die Zauberflöte, Mozart) and to her other showpiece: Zerbinetta (Ariadne auf Naxos, Strauss).

Streich sings the role of Zerbinetta in such a superior way that you do not even notice its virtuosity; it sounds so natural. Just listen to her performance of  ‘Großmächtige Prinzessin’. Where many of her colleagues in that aria remind you of someone juggling notes, Streich manages to add the most important element: feeling. Note also the warm glow of her singing, which does not lose its lustre even at the highest notes.

<



Have you ever heard her performance of the Moon Song from Dvořak’s Rusalka? As volatile and elusive as sea foam, but filled with the desires of an adolescent girl in love:


I find Streich at her very best in light songs by Saint-Saëns, Delibes and Eva Dell’Acqua, among others. With the light golden sheen to her voice, she reminds me of an old-fashioned porcelain dancer.


Below, as an example, is ‘The Nightingale’ by Alabiev. She sings it in perfect Russian, a language that she, as a Russian-born daughter of a Russian mother and a German father, has mastered well.



Various composers
Rita Streich
Königin der Koloratur: Das Beste aus Oper und Konzert
The Intense Media 600

Basia con fuoco’s top tien 2021

En alweer is een jaar voorbij. Alweer een jaar met amper concerten en live voorstellingen. Gelukkig hadden we livestreams en er werd best veel opgenomen. Veel mooie dingen ook. Het was dan ook een echt karwei om 10 mooiste opnamen, althans voor mij, van het jaar te kiezen. Zeker ook omdat ik dan wel veel heb beluisterd maar niet alles gerecenseerd. Zodoende hebben jullie de strijkkwartetten van Korngold door het Alma Quartet nog te goed. Ook de prachtige cd met kamermuziek van vrouwelijke componisten door het The Hague String Trio is nog niet besproken en dat, terwijl het eigenlijk een must is! Die (en nog meer) hebben jullie van mij nog te goed.

Maar er moest keuze gemaakt worden en na veel wikken en wegen…. hier zijn ze dan, in de alfabetische orde, naar de componist, titel of uitvoerende

1. Decades deel 4

Het programma is zeer gevarieerd en kent grenzen noch genres, en de emoties wisselen elkaar in rap tempo af. Zweden, Rusland, Frankrijk, Duitsland en Italië staan broederlijk naast elkaar, een soort EU avant la lettre waarin elk land zijn individuele karaktereigenschappen behoudt.

in English:

https://basiaconfuoco.com/2021/12/08/a-century-of-songwriting-like-an-eu-avant-la-lettre/

2, Feinberg

Geen makkelijke muziek, je moet er echt moeite voor doen, maar de moeite, die loont zich

In English:

https://basiaconfuoco.com/2021/12/28/feinberg-to-appreciate-this-music-a-little-effort-is-needed/

3. Kozena

Wat de cd zeer interessant maakt zijn de liederen van Béla Bartók, want die hoor je niet vaak.

4. Liszt

Grosvenors lezing van de sonate is volkomen eigen. Virtuoos, voornamelijk. Zo virtuoos dat ik in ademnood kwam door het luisteren alleen. Zijn techniek is fabelachtig. Wat ik nog meer bewonder is zijn, hoe moet ik het zeggen, acteervermogen? Acteren op de piano en spanning opbouwen met toetsen alleen tot je beschikking

https://basiaconfuoco.com/2021/03/16/liszt-door-grosvenor-fabelachtig-en-virtuoos/

5. Onslow

In een tijd van steeds meer hetzelfde is het fijn om iets nieuws te ontdekken en dat verdient

6.  Polish violin deel 1

deze cd is eigenlijk een must voor alle viool-, kamermuziek of gewoon muziekliefhebbers. Alles is er mooi aan. Echt alles

In English:
https://basiaconfuoco.com/2021/12/19/polish-or-not-polish-this-cd-is-a-must/

7.  Polish violin deel 2

Alleen al vanwege Poldowski’s heerlijke Tango, die ooit door niemand minder dan  Jascha Heifetz werd opgenomen. Én de zeer virtuoze uitvoering van Bacewicz’ Kaprys polski voor viool solo. Vergeet trouwens niet de schitterende pianobegeleiding door Peter Limonov!

In English:
https://basiaconfuoco.com/2021/12/20/in-support-of-poldowski-polish-violin-2/

8. Rözycki

De uitvoering door Janusz Wawrowski en het Royal Philharmonic Orchestra olv Grzegorz Nowak is net als de concerten zelf: goddelijk mooi

In English:
https://basiaconfuoco.com/2021/05/17/rising-like-a-phoenix-from-the-ashes-rozyckis-violin-concerto/

9. Solo Nuala McKenna

zelden zat ik zo aan mijn stoel gekluisterd als nu, bij het beluisteren van deze cd. Ongelooflijk spannend vanaf het eerste moment. En de spanning vervaagde niet en was tot de laatste noot ijzingwekkend, bijna thrillerachtig voelbaar.

https://basiaconfuoco.com/2021/03/01/knock-out-geslagen-door-het-eerste-solo-album-van-nuala-mckenna/

10. Weinberg pianokwintet

Het is niet de eerste keer dat Elisaveta Blumina zich over het kwintet ontfermt […}Dat zij haar Weinberg ‘under the skin” heeft is nogal wiedes

10 + . Weinberg strijkkwartetten

Ik kan gewoon niet wachten op het vervolg. Bravo Arcadiërs! En Chapeau alweer Chandos!

In English

https://basiaconfuoco.com/2021/03/12/string-quartets-by-weinberg-played-by-the-arcadia-quartet-perfection-at-hand/

A century of songwriting, like an EU avant la lettre


In part four of what is to become ‘A Century of Song Art 1810-1910’, divided into decades, we find songs composed between 1840 and 1850. The fact that the best singers of the present day are involved, makes this project one of the best publications of recent years in this field.

The programme is very varied and knows no borders or genres, and the emotions alternate rapidly. Sweden, Russia, France, Germany and Italy stand brotherly side by side, a kind of EU avant la lettre in which each country retains its individual characteristics.

This very exciting and surprising ‘journey’ starts in 1840, which means that we begin with Liederkreis op. 24 by Schumann. The bittersweet cycle based on Heine’s poems is still one of the most beautiful and best composed in the art of song.



The performance by Florian Boesch is exactly what I expected. Less lyrical perhaps than many of his fellow singers, but with so much empathy that it hurts. In his interpretation you can hear the bitter and the sweet: it hurts but it is also poetic and therefore very impressive.

Anush Hovhannisyan and Alexey Gusev enchant us with the songs that Dargomyzsky wrote for his students, and Ida Eveline Ränzlöv is convincing in Lindblad’s light and trivial songs.

Malcolm Martineau, to whom we owe the project, has for years been one of the best singer-pianists in the world. He effortlessly conveys the various emotions and it is undoubtedly to his credit that the publication is extremely captivating from the first to the last note.

All texts are printed in the original language and in English translation, and the introduction by Professor Susan Youens is very interesting to read. Buy the CD and be surprised!

Decades. A Century of Song volume 4
Liederen van Schumann, Dargomyzsky, Donizetti, Franck, Geijer, Josephson, Lindblad, Mendelssohn
Anush Hovhannisyan (soprano), Ida Eveline Ränzlöv (mezzo-soprano), Nick Pritchard (tenor); Oliver Johnston (tenor), Florian Boesch (baritone), Alexey Gusev (baritone), Samuel Hasselhorn (baritone); Malcolm Martineau (piano); Vivat 119

part 2:
DECADES: A CENTURY OF SONGS, vol.2

Jenufa Gleich impresses with Wagner arias

TEKST: PETER FRANKEN


The American soprano Jenufa Gleich has recorded a CD with arias and songs by Richard Wagner. And they are the ones closest to the bel canto profession in which she was trained. Accompanied by the BBC National Orchestra of Wales, conducted by Fabrice Bollon, she here presents her calling card; the result is a beautiful album.

Not entirely unexpectedly, she opens with a great aria from Wagner’s first opera, Die Feen. In many ways, this work is an embryonic Wagner, a recognisable prelude to his later work, much more than Das Liebesverbot and Rienzi. But the composer made the same high demands on his protagonists that would characterise his later works. The prima donna in Die Feen, the fairy queen Ada, needs to be a dramatic soprano of the calibre of a Brünnhilde.

This has not stopped Gleich from including the very long ‘Weh’mir, so nah’ die fürchterliche Stunde’ in her programme and the result is astonishing. I have not often had the opportunity to listen to this spectacular piece; twice in the theatre and only once on CD, but her apparent ease and certainty in the difficult passages with often very high altitude, suggest that this soprano certainly does not have to shy away from parts like Brünnhilde.



And later we hear her in this role again. But first she performs the aria of Elisabeth who, after years of waiting for her beloved Tannhäuser, finds out that he is not among the group of pilgrims returning from Rome. Hope has turned to despair, the will to live is fading away. She prays to the Holy Virgin to accept her into heaven as an angel so that she can pray for Tannhäuser’s salvation: ‘Allmächt’ge Jungfrau’. It sounds touchingly beautiful and in fact I think Gleich is here at her best, of course this aria is also relatively close to her bel canto craft.

Earlier, Elisabeth was still full of hope, when she entered the singing hall after so many years: ‘Dich teure Halle’. This is a favourite of many sopranos who cautiously venture into the Wagnerian repertoire without wanting to go further than the romantic operas. Excellently sung, but perhaps a slightly too obvious choice. I would have preferred an aria by Isabella from Das Liebesverbot.

Via ‘Traf ihr, das Schiff’ or Senta’s Ballade from Der fliegende Holländer we arrive at the big surprise I mentioned earlier: Brünnhildes’ ultimate attempt to (just a little longer) keep the testosterone-fuelled Siegfried off her back. She is overcome by melancholy and fear of the unknown: the definitive break with her existence as a divine being. In ‘Ewig war ich, ewig bin ich’, the part that many also know as the instrumental ‘Siegfried Idyl’, Gleich frees herself from any last shred of doubt that the listener might have regarding her possibilities as a Wagnerian soprano in the great opera houses. The very high notes form a stumbling block for many aspiring sopranos but she takes them with such an apparent ease that,especially through repeated listening, you will be able to experience the performance in peace and quiet without any undue stress.

Up to now, Gleich’s experience with Wagner is rather limited with, among others, a performance as Dritte Norn under Jaap van Zweden in Hong Kong, also on CD. But Gleich is authentic Wagnerian material’, someone to look out for in the near future.



Last on the programme are the Wesendonck Lieder. A very refined interpretation, but one can hardly distinguish oneself with them. But with those earlier pieces one certainly can! This album is very worthy of a heartfelt commendation.



Britten, zijn liederen en Ian Bostridge

JAMES GILCHRIST

Het vocale oeuvre van Britten is vrijwel onlosmakelijk verbonden met één zanger, Peter Pears. Jarenlang waren ze partners zowel in de kunst als in het dagelijks leven. Voor Pears componeerde Britten zijn liederen en opera’s, en met diens stem in zijn hoofd  maakte hij arrangementen van Engelse volksliedjes. Het valt dus niet mee, zeker voor een Engelse tenor, om hier iets nieuws en eigens aan toe te voegen zonder in extremen te vervallen. Daar is Robert Tear kampioen in geweest, maar ook Philip Langridge, Anthony Rolfe-Johnson en John Mark Ainsley konden er wat van.

Ook James Gilchrist is het prototype van een Engelse tenor. Zijn stem is zoetig en een beetje droog, net op de grens tussen een karaktertenor en een lyrico. De medeklinkers worden door hem sterk geprononceerd zonder dat het opdringerig wordt en hij speelt mooi met de tekst. Het past ook bij de liederen. Dat in onverdeeld enthousiast ben over de uitvoering de uitvoering ligt aan Gilchrists lage noten, die klinken iets te baritonaal. Op zich niet erg, maar er ik merk een breuk tussen de twee registers.

Anna Tilbrook is een ‘afwezige’ begeleidster – zij geeft alle ruimte aan de tenor over, maar misschien ligt het aan de opname.

De liederen die LINN (CKD 404) in 2012 heeft opgenomen behelzen tien van Brittens componistenjaren: van 1937 tot 1947. Britten was 24 toen hij de cyclus On this Island componeerde. In 1947 was hij nog steeds een jonge man, maar door wat er in die jaren gebeurde, werd hij ‘vroegoud volwassen’.

THE CANTICLES

The Canticles ontstonden in een periode van meer dan dertig jaar en vormen geen echt geheel, al hebben ze een paar dingen gemeen: het geloof en de (homoseksuele) liefde. Het zijn wondermooie liederen, kleine operaatjes eigenlijk. Of Ian Bostridge het allemaal waar weet te maken? Ooit vond ik van wel. Toen hij pas begon met zingen vond ik zijn stem mooi en zijn dictie en tekstbegrip buitengewoon goed. Daar ben ik nu van teruggekomen. Zijn nadrukkelijke articuleren is meer dan hinderlijk geworden en zijn duidelijk hoorbare genot van eigen stem is buitengewoon irritant. Jammer.

Ook heb ik moeite met de als toegift bedoelde volksliedjes en ook dat ligt aan de zangers. Christopher Maltman is, ondanks zijn mooie stem, te netjes en weinig opwindend, en David Daniels weet niet wat hij zingt.

Ian Bostridge, David Daniels, Christopher Maltman
Timothy Brown (horn), Aline Brewer (harp), Julius Drake (piano)
Virgin Classics 5455252

BOSTRIDGE EN DEATH IN VENICE


En nu ik het toch over Bostridge heb… Op 3 februari 2009 gaf de Brusselse De Munt in het KCG een semi-concertante uitvoering van Brittens Death in Venice. De opera bestaat eigenlijk uit een groot monoloog en de rol van Gustav von Aschenbach is een echte tour de force voor een tenor.

Niet voor Ian Bostridge, want hij zong en speelde voornamelijk … Ian Bostridge. Nergens was er iets van die tweestrijd in zijn hoofd voelbaar. Verward door de hem plotseling overkomen verliefdheid? Welnee, als hij al verliefd mocht zijn dan was het op zichzelf. En daar stond hij dan, een lichtelijk verveelde en blasé ijdeltuit, die maar geïnteresseerd was in zijn eigen mooie zingerij. Hij bestudeerde uitgebreid zijn nagels (beet zelfs er één af, ik zweer het), voor de rest liep hij wat rond met de handen in zijn zakken. Zou hij hebben geweten waar Brittens messcherpe en hartverscheurende zwanenzang over gaat?

Maar de rest van de cast was fantastisch, met de Engelse bariton Andrew Shore voorop. Het was werkelijk fenomenaal hoe hij, met kleine pasjes en gebaartjes, de gestalte kon geven aan zeven verschillende personages en ze bovendien individueel wist te kleuren, knap hoor! Ook het orkest en het koor (dirigent Paul Daniel) waren fabelachtig mooi.




Valentina Levko: Star of the Bolshoi

levko

How is it possible that I have never heard of Valentina Levko before? How could a singer of her calibre remain so unknown? Now that I have listened to the CD box set of her recordings, released by Brilliant Classics, I can only shake my head. Such beauty!

No matter who I asked, nobody had ever heard of Valentina Levko (1926). If it weren’t for the recordings, YouTube videos and reviews, you would almost doubt whether she even existed at all. Fortunately, there is now a CD box; 11 CDs packed into one simple box.

As a Russian, Levko was mainly cast in the Russian standard repertoire at the Bolshoi Theatre. But she had so much more to offer! At her ‘own’ concerts, she sang the entire ‘world literature’ of music: operas, but also songs, old music, folk music and popular songs. And all that usually in the original language.

“I prefer to sing Bach”, she is reported to have said. And Bach is certainly not lacking here: her “Erbarme dich” is accompanied by Mark Lubotsky on the violin in an unprecedented way. Old-fashioned? Yes, it is. So what?



She was an opera singer and that can really be heard, especially in a very heavy Schubert. But it has its merits, because even nostalgia is not what it used to be.

She is at her best as Dalila and Carmen, but the Spanish songs also suit her well. However, what struck me most was “O Mensch, gib acht”, from Mahler’s third symphony, in Russian. It was recorded in 1961, conducted by Kirill Kondrashin.

Levko as Dalila:



But that this mezzo was and is a Russian, is beyond dispute. Seven of the eleven CDs therefore contain the Russian repertoire: Russian opera arias, songs by Tchaikowski and twentieth-century Russian songs. You should not take the latter too literally; because, except for Prokofiev, the songs almost all sound like ordinary Russian songs. Very melodious, with a (for those who understand the lyrics) high “Soviet content”. I myself have nothing against it, I just like them.

Her way of singing is very subdued and she lacks the ugly breast tones that mar many a Slavic mezzo. Her interpretations are subdued, graceful and very moving. At times, she even reminds me of Fiorenza Cossotto.

As Mistress Quickly:


She is also irresistible in Russian folk songs. It is amazing how she  shakes off her classical training here and in all simplicity manages to move us. She sings the old romance “The Old Lemon Tree”, as the Russians say, “dusjostjipatjelno”, soul-searching – it will bring tears to your eyes.


In addition to studio recordings, there are also live recordings, e.g. from DRA (Deutsches Rundfunkarchiv). Among them is a cycle by Sviridov that I do not know, to the texts of Avetik Isaakyan, it is fascinating.

Valentina Levko sings Lyubasha’s aria from act II of “Tsar’s Bride” by Nicolai Rimsky-Korsakov

<iframe wi

I also find the way she performs Marfa’s aria from Khovavnshchina by Mussorgsky incredibly beautiful. Very visionary and the threat is palpable. The sound is a little dull and poor, but you will soon forget that, thanks to the phenominally playing Radio-Sinfonie-Orchester Berlin, conducted by Kurt Masur. Marfa’s Prophecy’ was recorded in 1976, together with Ratmir’s aria from Ruslan and Ludmilla (Glinka).

Marfa: studio recording from 1974:



I am going to cherish this box as a great treasure.

Gruberova schitterde in Roberto Devereux

Tekst: Peter Franken

Op 18 oktober kwam plotseling het bericht dat Edita Gruberova was overleden. De meeste operaliefhebbers zullen wel een bepaalde herinnering hebben aan deze fantastische belcanto sopraan en ik vorm daarop geen uitzondering.

Tegen het einde van de vorige eeuw voegde Gruberova de rol van Elisabeth I toe aan haar repertoire, aanvankelijk in concertante uitvoeringen maar in december 2000 vond in Staatsoper Wien de première plaats van een nieuwe productie van Roberto Devereux in de regie van Silviu Purcarete met de stersopraan als Elisabetta. Ik had een kaartje voor een voorstelling in de eerste week van 2001 maar moest de reis annuleren wegens ziekte. Zodoende duurde het tot najaar 2006 voor ik Gruberova alsnog in Wenen kon meemaken, de enige keer dat mij dat vergund is gebleven. Het was een gedenkwaardige avond, mede door mooi weerwerk van Joseph Calleja in de titelrol.

Inmiddels had ook München dit werk geprogrammeerd, een productie van Christof Loy en ook daar was Gruberova natuurlijk van de partij. Van een voorstelling in 2005 is een opname gemaakt die door DG is uitgebracht op dvd zodat deze glansrol uit het latere gedeelte van de carrière van de belcantoster voor het nageslacht bewaard is gebleven.

Gruberova liep toen al tegen de zestig wat haar als vanzelf een mooie typecast maakte voor de Engelse vorstin op leeftijd die in Roberto Devereux centraal staat. Het libretto maakt losjes gebruik van de historische gebeurtenissen rond het einde van de zestiende eeuw, toen Devereux, Earl of Essex, een staatsgreep ondernam nadat hij bij Elisabeth in ongenade was gevallen. Aangezien Essex een van haar jonge favorieten was geweest, ontstond ruimte voor een liefdesgeschiedenis.

De inmiddels al bijna zeventig jaar oude Elisabeth wordt in de opera neergezet als een jaloerse verliefde vrouw die onbeantwoorde liefde verwart met landverraad. Doordat Roberto niet zwicht voor haar emotionele chantage tekent hij zijn eigen doodvonnis.

De historische Elisabeth was naar verluidt een wispelturige vrouw die permanent jongleerde met de mannen om haar heen om zodoende de touwtjes in handen te houden. Ook stond ze bekend om een bijna pathologische jaloezie jegens iedereen die ze als rivale beschouwde. Met die gedachte in het achterhoofd is het gedrag van de vorstin in deze opera beter te duiden.

Loy brengt het werk als kameropera in een moderne setting. Vrouwen in mantelpak, mannen in office suits, exemplaren van tabloid The Sun met paginagroot ‘The seducer returns’. Alleen in de laatste scène verschijnt Elisabeth in een lange zwarte jurk, alsof ze al in rouw is. Hoewel Roberto zeer veel jonger is dan zijzelf, in werkelijkheid scheelden die twee meer dan 30 jaar, gedraagt Elisabeth zich als een vrouw die na jaren haar minnaar weer terug ziet.

Het komt wat ongeloofwaardig over maar wellicht had de Earl of Essex haar ook wel een beetje in de waan gelaten dat de liefde wederzijds was om zodoende in de gunst te blijven. Inmiddels is deze jongeman ziek van het feit dat zijn geliefde Sara in zijn afwezigheid is uitgehuwelijkt aan de hertog van Nottingham, nota bene zijn vriend, maar onwetend van de reeds bestaande liefde tussen Roberto en Sara die in alles de tegenpool van Elisabeth is, een jonge vrouw in de kracht van haar leven.

Gruberova maakt er een adembenemend optreden van waarbij ook de uitstapjes naar de vocale stratosfeer met volledige beheersing worden volbracht. Naar verluidt was dit in die jaren haar lievelingsrol en ze legt er heel haar ziel en zaligheid in.

Wat meewerkt is het realistische karakter van het verhaal, geen waanzinscène, tijdelijk geheugenverlies, spoken en geesten maar gewoon een eenzame verliefde vrouw die in haar leven nooit een gelijkwaardige liefdesrelatie heeft gekend. Tot op het laatst leef je met haar mee, met name in de derde akte als ze haar koninklijke waardigheid heeft afgelegd en zich realiseert dat ze haar geliefde daadwerkelijk de dood in heeft gejaagd.

Roberto Aronica overtuigt als de eigenzinnige Essex die erop rekent dat Elisabetta hem ook deze keer wel in bescherming zal nemen tegenover het parlement. Dat zijn vroegere geliefde Sara zo onhandig is hem een shawl te geven die door haar echtgenoot kan worden herkend moeten we haar maar niet aanrekenen. Dat hijzelf zo kortzichtig is om haar die levensreddende ring te geven getuigt van weinig inzicht in zijn wankele positie. Als hij beseft dat zijn poging alsnog gratie te krijgen is mislukt gaat hij op meeslepende wijze van hoop over in berusting en trekt daarbij alle registers open. Heel romantisch wordt benadrukt dat hij niet zozeer de dood vreest – die heeft hij al zo vaak in de ogen gezien – maar dat de mogelijkheid om Sara’s reputatie te redden hem ontnomen wordt.

Het tweede koppel komt voor rekening van Jeanne Piland als Sara en Albert Schagidulin als haar echtgenoot de Duke of Nottingham. Elisabetta heeft Sara tegen haar zin aan hem uitgehuwelijkt en ze heeft zich in haar lot geschikt. Maar Roberto’s terugkeer aan het hof haalt alles overhoop met alle gevolgen van dien. Hun enorme ruzie in de derde akte geeft hen de gelegenheid tijdelijk alle aandacht op zich te vestigen. Beiden halen royaal het niveau van de twee hoofdrolspelers, mooi gecast.

Behalve deze paraderol wil ik als Strauss liefhebber natuurlijk Gruberova’s Zerbinetta niet ongenoemd laten. Ik koester de opname uit 1988 van Ariadne auf Naxos  onder Kurt Masur al meer dan 30 jaar, natuurlijk ook vanwege Jessye Norman als Ariadne.  Het is een vertolking van dit vaudeville type waar ik niet snel op uitgeluisterd raak.

RIP Edita.

Alle liederen van Alma Mahler

alma-mahler-lieder

 “Wat heb ik gedaan! Die liederen van jou zijn echt goed! Nu moet je meteen verder werken”!
Tien jaar nadat hij Alma had gedwongen om te stoppen met componeren, kwam Gustav Mahler op zijn woorden terug. Alma vond het toen te laat, want “tien jaar verloren ontwikkeling is niet meer in te halen”.

Toch, na de dood van Mahler, heeft ze de draad weer opgepakt. In 1915, een maand na haar huwelijk met Gropius, las ze ‘Der Erkennende’ van Franz Werfel. Totaal in de ban van het gedicht, heeft ze het op muziek gezet.

Op zestien liederen na, waarvan er  veertien nog tijdens haar leven zijn gepubliceerd, zijn al haar werken verloren gegaan. Alle zestien vinden we terug op de nieuwste uitgave van Ondine met complete liederen van Alma Mahler. Voor die gelegenheid werden ze door de Finse componist en dirigent Jorma Panula georkestreerd, en hemels mooi gezongen door de mezzo Lilli Paasikivi. Haar warme, donkere stem past de liederen als een handschoen.

Alma’s muzikale taal kan je met die van Zemlinsky of de vroege Schoenberg vergelijken, maar in de ‘Vier Lieder’ uit 1911 komt ze dichtbij Berg. Geniaal of niet, het zijn prachtige
liederen en ze zijn allemaal het aanhoren waard. Zeker als ze zo schitterend worden gezongen.

Alma Mahler
Complete Songs
Lili Paasikivi, Tampere Philharmonic Orchestra olv Jorma Panula
Ondine ODE 1024-2