live voorstellingen

Weg met het regietheater! Die Lustige Witwe in Düsseldorf

Witwe

© Deutsche Oper am Rhein /HANS JÖRG MICHEL

Weg met het regietheater! Het zijn mijn woorden niet, al had ik het graag zelf bedacht. De zin komt uit de mond van Harald Schmidt, zelf een regisseur. Nou ja, een regisseur… Schmidt is meer dan alleen een regisseur. In Duitsland is hij een begrip. Men noemt hem een Duits equivalent van David Letterman. Hij regisseert, acteert, heeft een praatprogramma op tv, is cabaretier en entertainer.

Lustige witwe schmidt-teaser2-DW-Kultur-Berlin-jpg

Harald Schmidt
Quelle: ARD

En nu heeft hij samen met Christian Brey het onmogelijke mogelijk gemaakt: hij heeft operette haar status teruggegeven in een productie van Die Lustige Witwe. Dus: weg met het stoffige imago, weg met de ‘Anneliese Rottenbergs huisvrouwen truttigheid’, weg met de suffigheid en ingeslepen burgerlijkheid. Terug naar wat operette oorspronkelijk was: satire, scherpe dialogen en erotiek. Met een gezond stukje ‘schmalz’.

Denk nu niet dat hij niet regisseerde, want natuurlijk deed hij dat. Hij had het verhaal een beetje geupdated en verplaatst naar de jaren negentig. Zo waren er discobollen en luchtballonnen. En heel erg veel Jeff Koons. Van hem werden zelfs letterlijke ‘citaten’ geproduceerd: de (blauwe) balloon-dog, de tulips en het gebroken hart – dat als het kleine paviljoen fungeerde.

De dialogen (helemaal compleet!) waren een beetje aangepast – ‘vertaald’, noemde Schmidt het zelf. Dus zagen we Zwitserse minaretten, om van de bankroete banken nog maar te zwijgen. Nou ja, het klopte wel. En was herkenbaar.

Tussen de tweede en derde akte werd het wachten op decorwisseling mooi opgeleukt: Schmidt sprak het publiek toe via een van tevoren opgenomen band. Met verkeersberichten en veel (voor de outsiders niet altijd begrijpelijke) Düsseldorfse grappen.

Hij schuwde het niet om (alweer) een sneer richting zijn collega-regisseurs te laten uitgaan: ‘mocht je niet kunnen lezen, dan kan je nog altijd een operaregisseur worden’.

witwe-teaser-DW-Kultur-Berlin-jpg

© Deutsche Oper am Rhein /HANS JÖRG MICHEL

De uitvoering kon gewoon niet beter. Morenike Fadayoni was – letterlijk en figuurlijk – een prachtige Hanna. Haar visueel zeer spectaculaire entree was een beetje wobby, maar daarna herstelde zij zich en gaf haar rol alles wat het nodig had: kruid en peper.

LustigeWitwe_10_FOTO_Hans_Joerg_Michel

© Deutsche Oper am Rhein /HANS JÖRG MICHEL

Anett Fritsch was een heerlijke Valencienne, een lichtvoetige ‘spring in het veld’. Haar Rosillon (Eric Fennell) paste haar als een handschoen: hoog met de noten en met een hoog ‘blondgehalte’. Heerlijk.

Maar mijn hart werd, zoals het ook eigenlijk hoort, door Danilo gestolen. Will Hartmann (onthoud die naam!) was alles wat een hartbreker-macho nodig heeft: looks, bewegingen, dansen, en dan die stem!

De zaal was stamp- en stampvol. Opvallend was ook het aantal (zeer!) jonge mensen in de zaal, iets wat je niet vaak meemaakt.

Resumerend: de voorstelling was tegelijk grappig, geestig, melancholiek en sentimenteel. Ouderwets en vernieuwend, vertrouwd en inspirerend. Prachtig.

Die Frau ohne Schatten van Strauss: één van de meest gespeelde opera in Nederland?

Frosch Amsterdamfrosch

Het Nederlandse operaseizoen in 2008 kon niet beter beginnen: De Nationale Opera in Amsterdam beet de spits af met een ijzersterke Die Frau ohne Schaten in de regie van Andreas Homoki. De productie was niet nieuw, oorspronkelijk werd zij al in 1992 in Geneve uitgevoerd, maar in de tussenliggende zestien jaar heeft zij niets aan haar zeggingskracht verloren.

79._dsc0103kopie

Alle rollen werden voortreffelijk ingevuld met eersterangs zangers, waarvoor de castingdirectie van de Amsterdamse opera een groot applaus verdient: FROSCH geldt immers als één van de moeilijkst te bezetten opera’s van Strauss.

67._dsc0115kopiea

De Keizerin werd weergaloos gezongen door Gabriele Fontana. Haar romige sopraan met een prachtige, zuivere hoogte en haar intensiteit deden mij af en toe aan Leonie Rysanek denken. Haar Keizerin was wanhopig en breekbaar, haar tweedstrijd fysiek voelbaar en haar overwinning vanzelfsprekend.

70._dsc0240kopiea

Van Evelyn Herlitzius (Baraks vrouw) mag dan bekend zijn dat ze heel wat zware rollen voorbeeldig aan kan, toch moest ik af en toe mijn adem in bewondering inhouden. Zij was dramatisch zonder zichzelf te overschreeuwen, stemvast en zuiver.

De Noorse bariton Terje Stennsvold zette een zeer ontroerende, menselijke Barak neer. Met zijn warme stem met een enorm volume wist hij moeiteloos de zaal te vullen, en zijn rolinvulling was een belevenis.

73._dsc0281kopiea

De rol van Amme werd helaas zoals vaker gecoupeerd. Ontzettend spijtig, des te meer daar Doris Soffel een fenomenaal zingende actrice is. Met haar prachtige stem en haar voorbeeldige acteerprestaties was ze een Amme uit duizenden.

80._dsc0123kopie

Een beetje moeite had ik met de Keizer van Klaus Florian Vogt. Niet dat hij slecht zong, integendeel! Zijn lyrische tenor bloeide in de hoogte en hij wist mooi te kleuren en te nuanceren, maar voor mij is de Keizer het prototype van een macho die niets anders doet dan jagen en met zijn vrouw vrijen, en dat hoorde ik bij hem niet. Vogt klonk als een zoetgevooisde softie, wat ook alweer goed te pas kwam in de laatste scène, waarin hij (door de loutering) een begrijpend en liefhebbend echtgenoot is geworden.

De Nederlandse Lenneke Ruiten maakte een zeer indrukwekkend debuut in de drie kleine sopraanrollen, Corinne Romijn was een fantastische Eine Stimme von oben en Jean-Léon Klostermann een goede Erscheinung eines Jünglings.

Het orkest onder Marc Albrecht speelde de sterren naar beneden. Het Amsterdamse publiek heeft al zo lang een goede dirigent moeten missen dat er geen einde kwam aan het applaus en al na de eerste pauze werd hij beloond met (terechte) bravo’s. Met sierlijke gebaren leidde hij het transparant spelende orkest van het ene hoogtepunt naar het andere, soepel jonglerend tussen Wagneriaanse uitbarstingen en kamermuzikale pianissimi. Alleen al hoe hij de muziek aan het einde van de eerste acte liet uitdoven is onvergetelijk.

Foto credits: Clärchen und MatthiasBaus

Herinneringen aan de stad, de opera en de bouw van de metro: Ballo in Maschera in Düsseldorf

Ballo Duseldorf opera

Voor Amsterdammers deed Düsseldorf van een jaar of tien geleden zeer vertrouwd aan: men bouwde er een metro. Het was bijna ondoenlijk om het operahuis van de Deutsche Oper am Rhein te bereiken. Alles was op de schop, een doorgang was moeilijk te vinden, je struikelde over de blokken en de stenen, kreeg zand in de ogen en het lawaai maakt edat je zowat doof werd. Met één woord: chaos.

Het operahuis zelf (bouwjaar 1875) heeft ook een ‘make-over’ ondergaan. Eerst werd het huis grondig verbouwd en gemoderniseerd en toen stapte de volledige leiding op. Het seizoen 2009/2010 is dus het eerste van de Generalintendant Christoph Meyer en Generalmusikdirektor Axel Kober.

Zij mogen tevreden zijn. Het huis ziet er na verbouwing prachtig uit. Modern en toch klassiek, met heel erg veel licht. Je kan er in de pauze dineren en de prosecco (4 euro per glas, geen rijen) vloeit er rijkelijk.

Het publiek is jong. Op de door mij bezochte voorstelling van Un Ballo in Maschera was zeker de helft van de bezoekers rond de dertig. En de zaal was tot de laatste plaats gevuld.

De productie zelf komt niet op het conto van de huidige leiders: het is een herneming uit 2006. Dat is maar goed ook voor hen, want de Noorse regisseur Stein Winge maakt er een potje van. Wat ik hem voornamelijk kwalijk neem, is het gebrek aan logica. Nergens wil hij iets echt duidelijk maken. Er is zelfs geen ‘concept’ te bespeuren. Alsof hij helemaal niet wist wat hij ermee aan moest. Modern? Of toch maar terug naar de traditie?

Nou ja, Gustavo houdt in ieder geval van Amelia, dat is meegenomen… Maar zijn opkomst! Gekleed in een gele kamerjas en een blauwe broek lijkt hij een vleesgeworden Zweedse vlag. Hoera! Wij zijn in ieder geval goed geografisch bezig.

Ballo Eva Statsenko

©Frank Heller

En in de Galgenveldscène, na de ‘ontmaskering’ van Amelia (ze heeft slechts een petje op en haar echtgenoot herkent haar niet?!) trekken de samenzweerders kleine flesjes Absolut Wodka uit hun binnenzakken, die ze op het ritme van de muziek naar binnen gieten. Hoera! Wij zijn nog steeds in Zweden.

Een productie om gauw te vergeten, ware het niet dat Eva-Maria Westbroek de rol van Amelia zong. En eerlijk is eerlijk: zij was de reden dat ik mijn reisje naar Düsseldorf heb ondernomen.

Ze heeft me niet teleurgesteld. Integendeel. Ze zong in de mooiste traditie van de sopranen van weleer: haar portamenti en de manier hoe ze haar stem naar boven liet ‘bloeien’ waren van een ouderwetse schoonheid, waardoor ze mij aan Zinka Milanov liet denken.

Ballo Eva tenor

©Frank Heller

De rest van de cast was zo zo. Mario Malagnini (Gustavo) irriteerde niet, hij haalde zijn noten, was betrokken, maar af en toe had ik het idee dat zijn keel dichtgeknepen werd. Maar hij was beslist niet slecht.

Dat was Boris Statsenko (Renato) ook niet. Zijn stem is zeer zeker indrukwekkend, alleen had ik de indruk dat hij in de verkeerde opera was beland. Was het een Rigoletto dan was ik zeker onder de indruk. De kern zat er in, maar voor Renato miste hij de lyriek.

ballo dusseldorf

©Frank Heller

Ekaterina Morozova (Oscar) was totaal miscast. Op zich een geweldige zangeres, maar nergens de lichtvoetige spring-in-het-veld-adolescent. Daar tegenover stond een Ulrica van formaat. Mariana Pantcheva beschikte over de prachtige borsttonen, waar de Bulgaarse alten zo goed in zijn.

Bezocht in oktober 2009

Márai’s Gloed in sublieme operabewerking

Waarde Marai

Een literaire gebeurtenis van formaat: hoe vaak maken we dat tegenwoordig nog mee? We leven in de wereld van Kluuns, Kochs en Sonja Bakkers; tot pulp vermalen volksvermaak dat we tegenwoordig literatuur noemen.

Maar in 1989, een jaar nadat zijn auteur zelfmoord had gepleegd, kwam Gloed onze huizen en levens binnen. Niemand heeft er eerder van gehoord. Noch over de auteur noch over het boek, dat voor het eerst in 1942 werd uitgebracht. Er was geen ontkomen aan: iedereen ging het lezen, al was het pro forma.

Gloed ontketende een ware Sándor Marái hype, de ene na de andere roman van de schrijver werd aan de vergetelheid onttrokken en een paar jaar konden we ons onze literaire wereld niet meer zonder hem voorstellen. Voor zo lang het duurde.

In Nederland werd Gloed maar liefst tweemaal voor toneel bewerkt en het zou me niet verbazen als er nog ergens een filmscript op stapel lag. Maar een opera? Naar een boek waarin nagenoeg niets gebeurt?

Egon Kracht

Het idee kwam van de componist en contrabassist Egon Kracht: “De gelaten spanning die het boek bij mij opriep, vond ik weer spannend om te verwerken in een muziektheatervoorstelling”.

In de zomer van 2010 begon Kracht samen met Dick Hauser met het schrijven van het stuk. Op 17 februari ging het werk, getiteld WAAARDE, in première, in de Philharmonie te Haarlem.

Waarom heet de opera WAAARDE? En vanwaar die drie A’s? “De naam is afgeleid van het centrale thema van de voorstelling (vriendschap en verraad). De lange AAA-klank komt van aanspreekstitels die men wel eens gebruikt (wááárde heer of wááárde vriend). Het zegt ook iets over de waarde die je aan vriendschap hecht. En het trekt uiteraard de aandacht.

In WAAARDE draait het, net als in het boek, om de meest menselijke thema’s uit het leven: vriendschap en liefde, ontrouw en verraad. En om herinneringen die op een bepaald moment een eigen leven gaan leiden..”

41 jaar lang is Henrik blijven broeden op de prangende vraag wat er in werkelijkheid is gebeurd tussen hem en Konrad, ooit zijn allerbeste vriend. Heeft Konrad hem willen doden? Wilde hij samen met Henriks vrouw vluchten? Waarom is hij opeens verdwenen, alleen? Na 41 jaar komen hij en Konrad weer bij elkaar. Krijgt Henrik nu eindelijk antwoord op zijn vragen?

De manier waarop Kracht en Hauser het boek voor het toch niet voor de hand liggende medium hebben bewerkt, is ronduit geniaal. Of is subliem een beter woord? De voorstelling was zeer poëtisch, intiem en ontroerend. De toeschouwer was getuige van iets wat misschien niet eens plaatsvond, want wellicht speelde de ontmoeting zich alleen maar af in het hoofd van de ijlende Henrik? Het was tegelijk ook zeer spannend, want natuurlijk willen wij allemaal weten wat er is gebeurd. Als er al iets gebeurd is.

Wat de bewerking voor toneel ooit de das omdeed, tenminste voor mij, was de statische vertaling van het boek. De heren zaten met hun glaasje cognac bij de open haard. Het werkte niet.

waaarde2

Kracht en Hauser hebben er een eigenzinnige draai aan gegeven. De twee ooit beste vrienden gaan niet alleen met elkaar praten, maar gaan ook een gevecht met elkaar aan. Dat doen zij door met elkaar te schermen, een sport die ze vroeger samen beoefenden. Degens kruisen. Een briljante vondst.

De muziek is sterk. Egon Kracht heeft een zeer weemoedige, blues-achtige partituur gecomponeerd, waarbinnen genoeg ruimte was voor improvisaties. Het is net als het gesprek na 41 jaar: je weet wel waar je naar toe wilt, maar je weet niet of je er komt. En zeker niet wat je onderweg nog tegenkomt.

Kracht zelf bespeelt de contrabas en daar krijgt hij een werkelijk prachtige tegenspel bij van Angelo Verploegen op de trompet.

WAAARDE-1

WAAARDE wed gezongen door twee zangers/acteurs: Marc Drost (Henrik) en Henk Zwart (Konrad). Ze deden het fantastisch. Met zijn tweeën wisten ze de spanning er goed in te houden. Hun stemmen klonken doorleefd en hun hele optreden was zeer overtuigend.

Trailer van de productie:

Bezocht 1 maart 2011 in het Bellevue Cinerama in Amsterdam.

L’Orfeo van de Nederlandse Reisopera: nu al dé productie van 2020

Tekst: Sander Boonstra

Orfeo

© Marco Borggreve

Zangers die dansen, dansers die zingen… bij L’Orfeo van de Nederlandse Reisopera gebeurt het allemaal. Is het nu één lange choreografie op muziek van Montverdi of is het muziek van Monteverdi begeleid door dans en beweging? Die vraag hoef je niet te stellen: deze productie – een samenwerking tussen Monique Wagemakers (regie), Nanine Linning (choreografie), Lonneke Gordijn (Studio Drift), Marlou Breuls (kostuum) en Thomas Hade (lichtontwerp) – is een sublieme samensmelting van muziek, dans, zang, woord en beeld.

Claudio Monteverdi’s L’Orfeo (de oudste opera ter wereld) wordt in een compleet nieuwe jas gestoken. Geen gedoe met godenwereld, dodenrijk, stervelingen, nimfen en een schipper. Omdat Breuls iedereen hetzelfde kostuum geeft (alleen in de details zijn er verschillen te ontdekken), weet je eigenlijk niet wie wie is tot het moment dat er gezongen gaat worden. En vooral die keus zorgt ervoor, dat alle disciplines naadloos in elkaar overgaan en verweven worden tot één organisch geheel.

Orfeo ego

© Marco Borggreve

Aan de cast van deze L’Orfeo wordt door de hand van Gordijn een extra karakter toegevoegd. Een indrukwekkend karakter, die boven de actie zweeft, en op geheel eigen wijze reactie geeft op het gebeuren onder zich. ’Ego’, het onderbewustzijn of de gedachtenwereld van Orfeo: een imposante creatie van nylondraad die alles bij elkaar kan houden, liefdevol kan bedekken, maar ook zo klein kan worden, dat het in een doosje past.

In dat opzicht kom je ogen te kort om alles mee te krijgen, wat er op het podium gebeurt. Maar ook oren, want naast alle dans, beweging en fantastische acteerprestaties, wordt er door alle zangers loepzuiver gezongen.

Orfeo 1

© Marco Borggreve

Samuel Boden is een sterke en zeer overtuigende Orfeo, en zet na de pauze een verbluffende prestatie neer met zijn aria ‘Possente spirto’; de bassen Alex Rosen en Yannis François zijn een imposante Caronte en Plutone met hun diepe stemmen en mooi acteer- en danswerk; Luciana Mancini als onder andere Messagiera weet me diep te raken met haar stem en haar verdriet, dat ze Euridice niet heeft weten te redden

Orfeo view

© Marco Borggreve

De over het algemeen jonge bezetting (zangers én de dansers van Linning’s Dance Company) presteert boven verwachting en verdient een hele dikke pluim! De samenzang van de diverse herders/spiriti zijn prachtig om te horen; Laurence Kilsby als Apollo in het slotduet met Orfeo is om te janken zo mooi.

Het geheel wordt deskundig begeleid door La Sfera Armoniosa en staat onder leiding van Hernán Schvartzman, die zelf de recitatieven begeleid. Het ensemble doet zijn naam eer aan: het neemt een dusdanige begeleidende plaats is, dat het qua sfeer weer één geheel vormt met wat er op het podium gebeurt.

Het nieuwe jaar 2020 is misschien nog maar vers, maar wat mij betreft is deze L’Orfeo nu al de productie van het jaar. Een Gesamtkunstwerk anno nu waar Wagner met Argusogen naar had gekeken!

Orfeo Sander

slotapplaus © Sander Boonstra

Trailer van de productie

https://vimeo.com/388687890

‘Ontjoodste’ Nabucco op ongelukkig gekozen dag overtuigt maar matig, maar de zang is geniaal.

Tekst: Neil van der Linden

Nabucco costuum

Costume sketch for Nabucco for the original production

Nabucco vertelt het verhaal over de Babylonische koning Nebukadnezar die de Joden in ballingschap wegvoerde uit Palestina. In een vlaag van hoogmoed eist hij om als God te worden aanbeden. Hij wordt hij getroffen door de bliksem en raakt hij zijn verstand kwijt; zijn oudste dochter Abigaille, gebrand op macht, neemt de troon over. Haar zuster Fenene, verliefd op de Israëliet Ismael, heeft zich inmiddels bekeerd tot het Jodendom. Omdat de Joodse religie bedreigend is voor de Babylonische cultus, wil Abigaille het Joodse volk uitmoorden, en daarmee ook haar zus. Nabucco geneest nog maar net op tijd van zijn waanzin om het tij te keren. Abigaille komt tot inkeer in en pleegt zelfmoord. Maar het Joodse volk is bevrijd.

Verdi en zijn librettist baseerden zich op een succesvol Frans toneelstuk en een Italiaanse balletversie van dat toneelstuk. De historische Nebukadnezar nam inderdaad Jeruzalem in en deporteerde het grootste deel van het Joodse volk naar Babylon, maar de protagonist in Verdi’s opera heeft meer weg van Nabonidus, vijf Babylonische koningen verder, de laatste voor de Perzische koning Cyrus Babylon innam en de Joden de vrijheid gaf om terug te keren of te blijven. En van berouw bij Nabonides lijkt historisch geen sprake, evenmin als van machtige dochters; hij is de vader van Belshazzar, een regent, bekend van mene, mene, tekel, upharsin, “The writing’s on the wall”, de aankondiging van de val van Babylon.

De benadering van Verdi en zijn librettist lijkt meer bedoeld als aanleiding voor een grand opéra dan als een blijk van historische belangstelling, laat staan van begaanheid met het Joodse volk. Verdi gebruikte het verhaal als een metafoor voor de verhoopte eenwording van Italië en de bevrijding uit feodale systemen. Dus of dit de beste keuze was om op te voeren tijdens de Auschwitz-herdenking is de vraag. Bovendien zijn de Babyloniërs en het Joodse volk uit het libretto in deze enscenering aangekleed als de adel en de koninklijke familie enerzijds en het volk anderzijds in het Italië in de tijd van Verdi.

De Nederlandse première van deze van oorsprong Zwitserse productie vond plaats op de dag van 75 jaar herdenking van de bevrijding uit het concentratiekamp Auschwitz. Is dat een subtiel idee of een zeer onsubtiel idee?

Nabucco - De Nationale Opera ©Martin Walz 1920-120

©2020 Martin Walz martinwalz@arcor.de +49172-3233007 http://www.martinwalz.de

Het is niet de eerste keer dat een regisseur op het idee komt om een opera of toneelstuk te verplaatsen naar de tijd waarin het werk tot stand kwam, en het is ook niet de eerste keer dat iemand dat bedenkt omdat hij/zij vindt dat de componist of toneelauteur het over zijn/haar eigen tijd wilde hebben. Maar daardoor is deze uitvoering wel nog verder ‘ont-Joodst’, en dus eigenlijk om nog een reden misschien niet de juiste keuze voor 27 januari. Al gaat de tekst natuurlijk wel voortdurend over het Joodse volk en het lot van de Joden, vooral met boventiteling erbij valt daar niet aan te ontkomen.

Anderzijds verdient het misschien bijval dat er een poging is gemaakt. Gezien de vrijheden die Verdi en librettist namen, én de vrijheden die de regisseur neemt, kun je de opera vervolgens net zo goed interpreteren als een metafoor voor welke bevrijding dan ook, ook voor de bevrijding uit Auschwitz.

Als het inderdaad de bedoeling is geweest van de Nationale Opera om dat verband te leggen via een opera waarin het Jodendom ter sprake komt, dan is er geen populairder werk dan Nabucco. Moses und Aaron had gekund, en zou wel meer van toepassing zijn geweest, maar is moeilijker toegankelijk en moeilijker op te voeren. En La Juive is nog niet bekend genoeg, en ook toch vooral een grand opéra spektakel in plaats van een historisch stuk.

Verdi was 28 jaar toen hij Nabucco schreef, dit was zijn eerste echte succes. Het ligt misschien zowel aan onervarenheid als aan visie dat Nabucco radicaal afwijkt van wat in opera gebruikelijk was. Het koor heeft een ongekend groot aandeel en er zijn ongekend veeleisende zangpartijen, met name Abigaille, die al vrij snel na het begin hoog de hoogte in moet, maar ook veel lage passages heeft.

Onderhand kan iedereen in de wereld het Slavenkoor zingen. Maar het is aan het koor van de Nationale Opera om dat dan extra goed te doen, zoals nu gebeurde. Het moment aan het eind dat de noten van het koor zoemend wegsterven was ijzingwekkend. En ook voor het overige was het koor in topvorm.

Nabucco - De Nationale Opera ©Martin Walz 1920-144

Anna Pirozzi en George Patean ©2020 Martin Walz martinwalz@arcor.de +49172-3233007 http://www.martinwalz.de

Anna Pirozzi was ruim opgewassen tegen de eisen van de Abigaille-partij, al mocht ze misschien met het oog op mogelijke intonatieongelukken vanwege première-zenuwen bij die eerste hoge noten in een beetje achteraan staan, waardoor niet helemaal goed was te horen of ook die allerhoogste noot al vroeg aan haar partij allemaal wel goed ging.

Nabucco - De Nationale Opera ©Martin Walz 1920-202a

©2020 Martin Walz martinwalz@arcor.de +49172-3233007 http://www.martinwalz.de

Ook de overige rollen waren goed bezet. Met name was mooi dat de ‘supporting role’ van Fenena goed was bezet, met Alisa Kolosova, zowel vocaal, want ook die rol vereist de nodige virtuositeit, als theatraal: naast Nabucco, die een wat onnavolgbare mentaliteitsverandering ondergaat, heeft Fenena het meest uitgewerkte karakter, als ze zich tegelijkertijd uit liefde voor Ismaele (een mooi atmosferisch zingende lyrische tenor, Freddie De Tommaso) wil aansluiten bij het Joodse volk en toch de plichten tegenover haar steeds verwarder wordende vader niet wil verzaken.

Nabucco - De Nationale Opera ©Martin Walz 1920-009

©2020 Martin Walz martinwalz@arcor.de +49172-3233007 http://www.martinwalz.de

George eatean, Nabucco, presteerde wat zangtechnisch nodig was, en ondanks het onwaarschijnlijke plot en de wat onbehulpzame enscenering wist hij een invoelbaar karakter te creëren. Bas Dmitry Belosselskiy als Zaccaria gaat lekker laag, maar in de (zeker moeilijke) hogere noten had hij moeite en zijn stem vibreerde wat.

https://www.operaballet.nl/sites/default/files/styles/1400x/public/documents/Nabucco%202.jpg?itok=HtNBNe_K

©2020 Martin Walz martinwalz@arcor.de +49172-3233007 http://www.martinwalz.de

In deze enscenering is Zaccaria qua kleding niet te onderscheiden van het overige volk, hij is meer een leider van de opstand dan een priester. Daarmee wordt hij ook een volksmenner, niet minder fanatiek dan de Babylonische hardliners.

Hoe het libretto er overigens maar een beetje van alles bij haalt mag blijken uit de naam Ismael, weliswaar een naam uit het Oude Testament, maar door de Islam geclaimd, aangezien de Islam Ismael als stamvader van de Arabieren ziet, en hij in het Jodendom een slechte naam heeft; niemand zou zijn kind zo noemen. En dan loopt er ook nog een bediende Abdallo, Abdallah, echt een Arabische naam.

De regie was vaak wat houterig. Ja, het verhaal is wat houterig. Maar als je de dochter van de Babylonische koning hebt gegijzeld, zoals Zaccaria doet, dan ga je toch niet zo met haar smijten, zoals nu in de eerste acte gebeurt.

En ook al heb je zoveel mensen, van het gewone volk, op het toneel staan waarmee je iets kunt doen, moeten die dan zo overdreven reageren op wat de solisten doen, waardoor de mensen van het volk eigenlijk wat onnozel overkomen?

En er is een scène met Abigaille waarin terwijl zij zingt over de politieke plannen het koor dat de mannelijke bourgeoisie verbeeldt – allemaal met hoge hoeden op zoals we die van een bekende foto van Verdi kennen – synchrone danspasjes maakt. Is dit bedoeld als humor? Duitse humor dan. En het idee van de burgerij uit de tijd van het ontstaan van het werk laten zien was al mooier gedaan in de Tannhäuser vorig jaar in de regie van Christof Loy.

Trailer van de productie:

Giuseppe Verdi
Nabucco
George Petean, Freddie de Tommaso, Anna Pirozzi, Alisa Kolossova, Dmitry Belosselkiy
Koor van de Nationale Opera (instudering Ching-Lien Wu), Residentie orkest olv Maurizio Benini
Regie: Andreas Homoki

Bezocht op 27 januari 2020

Nabucco bij ZaterdagMatinee: een feest van gouden kelen

 

Claus Guth houdt Rodelinda interessant

Tekst: Peter Franken

Rodelinda

 Als enige barokopera brengt DNO dit seizoen Rodelinda, een werk uit Händels middenperiode. Het vertoont alle kenmerken van diens oeuvre: meerdere aria’s voor alle solisten, veel herhalingen en zodoende een enorme lengte. Zonder een pakkende enscenering wordt het al gauw langdradig en op dat punt schiet regisseur Claus Guth de componist te hulp met alle middelen die hem ten dienste staan, waaronder fraaie kostuums en een uitgekiend decor, beiden van de hand van Christian Schmidt.

Rodelinda Guth

Claus Guth © Opera online

Het verhaal begint met de broedermoord van Bertarido op Gundeberto om zodoende koning der Longobarden te worden. Hij wordt echter verdreven door een van zijn vazallen, Grimoaldo, die daarbij hulp kreeg van Bertarido’s zuster Eduige. Bertarido heeft zijn toevlucht genomen tot het rijk der Hunnen en van daar komt een bericht dat hij is overleden.

rodelinda-dena-s_2020_119

©  Monika Rittershaus/DNO

Grimoaldo maakt vervolgens Bertarido’s weduwe Rodelinda het hof maar zij wijst hem af. Pas nadat de intrigant Garibaldo zogenaamd namens zijn meester dreigt haar zoon Flavio te zullen ombrengen stemt Rodelinda toe. Ze ontpopt zich echter als een horror bruid door van haar aanstaande te eisen dat hij eigenhandig haar zoontje wurgt als voorwaarde voor een huwelijk. Op die wijze verliest hij zijn eer en toont hij zich aan de wereld als een nietsontziende tiran.

Rodelinda speelt hoog spel maar ze gokt erop dat Grimoaldo teerhartiger is dan hij zich doet voorkomen. Het is echter moeilijk voorstelbaar dat Flavio dit doorziet. Inmiddels is de doodgewaande Bertarido terug van weggeweest en beginnen de verwikkelingen pas goed. Uiteindelijk valt er maar een enkele dode, de laaghartige Garibaldo. Verder is het eind goed, al goed. Behalve voor Flavio want die zit de rest van zijn leven bij de psychiater.

rodelinda-dena-s_2020_043

©  Monika Rittershaus/DNO

Guth heeft de rol van de jonge Flavio enorm opgewaardeerd. Gespeeld door de ‘vertically challenged’ acteur Fabián Augusto Gómez is hij vrijwel permanent op het toneel aanwezig met stil spel, fysiek reagerend op de gebeurtenissen, zich uitend in de vorm van tekeningen die her en der worden geprojecteerd. Bij de psychiater zal hij wel poppen aangereikt krijgen om scènes na te spelen, slechts een wonder krijgt dat kind nog aan het praten. Net als de gehele opera wordt Flavio’s optreden van verloop van tijd nogal herhalend, maar hij brengt wel leven in de brouwerij.

Rodelinda psych

©  Monika Rittershaus/DNO

Gespeeld werd in een opengewerkte villa op een draaitoneel. De slaapkamer van Rodelinda bleek bij voortduring een belangrijke bestemming en ensemblescènes speelden zich veelal af in de eetkamer. Bij wijlen deed dit denken aan het disfunctionerende gezelschap uit Luis Buñuel’s Le charme discret de la bourgeoisie. Het meest pakkende moment kwam toen Rodelinda haar absurde eis op tafel legde en haar aanstaande toevoegde: ‘als jij mijn man bent en ik jouw vrouw, dan trouw ik met de wraak en jij met de dood’. Tegelijkertijd zorgde haar aria voor enig comic relief door de wijze waarop ze haar tegenstanders te lijf ging met delen van een eigenhandig in stukken gescheurde kreeft.

Rodelinda - De Nationale Opera © Monika Rittershaus_2020_002

©  Monika Rittershaus/DNO

Tot mijn grote opluchting bleek Händel de rol van Grimoaldo te hebben geschreven voor tenor. Ook de slechterik Garibaldo is een echte man, een volwaardige rol voor bas met meerdere aria’s. Zodoende waren er slechts twee countertenoren in de cast, Bertarido en zijn helper Unulfo. De Zwitserse tenor Bernard Richter zette zowel in zijn spel als zang een goed verzorgde Grimoaldo neer. Van meet af aan weet hij door zijn gedrag twijfels te wekken of hij wel erg geschikt is voor een leven als tiran, en hij eindigt dan ook met een verzuchting dat hij maar liever een herder was geweest. Uiteraard is dat ook weer een lange aria.

De Italiaanse bas Luca Tittoto gaf fraai gestalte aan de gewetenloze Garibaldo, mooi gezongen en met verholen humor geacteerd. De Amerikaanse counter Lawrence Zazzo nam Unolfo voor zijn rekening en wist deze bijfiguur redelijk onder de aandacht te brengen.

De grote ster was natuurlijk Bejun Mehta als Bertarido. Zijn personage is een schwankend type waar je als toeschouwer maar weinig sympathie voor kan opbrengen. Dat maakt het voor zijn vertolker extra lastig maar Mehta wist die hindernis prima te overwinnen. Ik ben niet gek op dit stemtype maar als alle countertenoren zouden zingen als Bejun Mehta ligt er in de toekomst wellicht een herwaardering in het verschiet.

rodelinda-dena-s_2020_050

©  Monika Rittershaus/DNO

De rol van Rodelinda’s schoonzus Eduige werd uitstekend vertolkt door de Servische mezzo Katarina Bradić. Aanvankelijk klonk ze wat dunnetjes maar dat werd allengs beter. Acterend was ze zeer overtuigend, duidelijk de bitch van dienst.

Rodelinda Flavio

©  Monika Rittershaus/DNO

Daar kon Rodelinda niet gemakkelijk tegenop zoals in het ‘zwarte zwaan tegen witte zwaan duet’ duidelijk werd. Maar allengs wist de arme weduwe zich op te werken tot bovenliggende partij. De Britse sopraan Lucy Crowe bleek een uitstekende keuze voor de titelheldin. Bij aanvang meende ik een heel lichte rasp in haar stem te bespeuren, denk aan Hildegard Behrens maar dan veel minder, die echter spoedig verdween. Kennelijk een stem om eerst even mee vertrouwd te raken.

rodelinda-dena-s_2020_074

©  Monika Rittershaus/DNO

In dit werk beperkt het orkest zich hoofdzakelijk tot bijna onopvallend begeleiden, pas tegen het einde mogen de blazers zich eens even uitleven, en in die situatie is een pitband als Concerto Köln natuurlijk een uitgesproken luxe bezetting. De algehele muzikale leiding was in handen van Riccardo Minasi.

Al met al een goede voorstelling van een werk waar wel een uurtje in geknipt had mogen worden. Na afloop mocht ik die constatering zelfs van verklaarde Händel adepten vernemen. De lengte is voor mij als ervaren Wagneriaan geen probleem, wel het gemis aan variatie. Maar uiteraard is dat een persoonlijke voorkeur.

Trailer van de productie: