live voorstellingen

Van het Mirakel aan de Kalverstraat tot een miraculeuze Upload aan het Waterlooplein en een klein mirakel in Bellevue.

Neil van der Lindens tien favoriete muziekevenementen van 2021. In willekeurige volgorde.

Polyfonie aan de Kalverstraat. De jonge Capella Sacelli met muziek uit de Codex Occo, een manuscript rond 1515 gemaakt in opdracht van de bankier Pompejus Occo voor de ‘Heilige Stede’, het bedevaartsoord aan de Kalverstraat in Amsterdam.

Die ersten Menschen van Rudi Stephan, door de Nationale Opera in het Holland Festival.

De door Corona noodzakelijkerwijs kleinere productie van deze te onbekende opera had geen betere vervanging kunnen zijn van de oorspronkelijk beoogde La Damnation de Faust.

Das Rheingold van Richard Wagner, in de Zaterdag Matinee

Ik vond het ‘andere’ van de ‘authentieke’ uitvoering minder anders dan anderen, maar het was hoe dan ook een geweldige ervaring.

Le Grand Macabre van György Ligeti, in de Zaterdag Matinee

Spectaculaire en aangrijpende uitvoering van één van de innovatiefste opera’s van de tweede helft twintigste eeuw.

Bewerkingen van muziek Ryuichi Sakomoto door Alexandre Kordzaia met het ASKO/Schönberg ensemble in het Holland Festival, vanwege het theaterbeeld van Boris Acket.

Baanbrekende Passies van Burck en Selle, Festival Oude Muziek, Utrecht, door Vox Luminis. Koude rillingen in de zomer, vawege 16e en vroeg 17eeuwse Protestantse muziek uit Duitsland, met de zangers overal door de Domkerk verspreid, onder meer een vierstemmig koor pal achter mij.

Larmes de Résurrection, muziek van Heinrich Schütz en Hermann Schein door La Tempête, Festival Oude Muziek, Utrecht. Live zo mogelijk nog beter dan de CD, met als evangelist George Abdallah, die, net als Jezus na de in de muziek uitgebeelde herrijzenis, in de kerk op onverwachte momenten op onverwachte plaatsen opdook.

Over de CD:

Knock-out, Jakop Ahlbom Company en ISH Dance Collective, gezien 15 september, DeLaMar theater Amsterdam. Virtuoos mimetheater in combinatie met virtuoos urban dance theater resulteerden in een eigen hilarische ode aan de film noir, kung fu filmsen slasher-movies.

Upload van Michel van der Aa bij de Nationale Opera.

Een met volmaakt in totaaltheater uitgebeeld visioen van een door techniek gedomineerde nabije toekomst, waarin mensen met emoties van nu moeten zien te overleven.

Vrouw of Vos naar Judith Herzberg door de Ulrike Quade Company met muziek van Rutger Zuydervelt, een ‘poor man’s Upload’, met simpeler maar nog steeds uiterst geraffineerde technische middelen vormgegeven sprookje met een vos in een bos, futuristisch en in het heden, in Theater Bellevue.

En als bonus twee toppers buiten wat ik recenseerde in Basia con Fuoco:

Franz Schmidt, Vierde Symfonie, Radio Filharmonisch Orkest onder Markus Stenz, Zaterdag Matinee. Midden in de lockdown kwam deze eerste echte kennismaking met dit tragisch werk en daarmee met Schmidt in het algemeen, geholpen door de programmatoelichting van Bas van Putten en het radiocommentaar van Hans Haffmans.

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/ntr-zaterdagmatinee/dfce5d77-3a54-43a5-acf6-34f0dff853ee/2021-07-24-ntr-zaterdagmatinee

Beginning van de Georgische Dea Kulumbegashvili, een soundtrack gecomponeerd door de Chileense elektronische muziek componist Nicholas Jaar. Interessant is dat de film geen noot muziek bevat, alleen subtiel geordende natuurgeluiden, die het dramatische geluidsdecor vormen van het ijzingwekkende verhaal over een vrouw in een gehate conservatieve gemeenschap,  Jehovagetuigen,  binnen een andere conservatieve gemeenschap, de orthodox-katholieke maatschappij, als zwijgen niet meer de enige manier van overleven kan zijn.

Het verhaal begint met een brandbom,

Ja, en als er meer plaats was geweest in een top tien had ik Der Müde Tod ook opgenomen, nieuwe muziek door Steven Kamperman voor Wishful Singing bij een klassieke film van Fritz Lang. En de Luistermutant van Micha Hamel, over het al dan niet universele van muziekbeleving, al was het alleen maar omdat ik meer dan ooit heb leren houden van Mendelssohns Die Hebriden. En ja, Summer of Soul was een ontroerend geweldig goed gemaakt document over Amerika’s zwarte muziek-cultuur eind jaren zestig.

Herinneringen aan Elektra in Brussel

Opnieuw wist de Belgische regisseur Guy Joosten mij volledig te overtuigen. Na zijn zeer geslaagde Lucia di Lammermoor had hij mij zeer verblijd met zijn visie op Strauss’ meesterwerk. Niet dat hij zoveel nieuwe concepten had gebruikt (gelukkig niet!): het verhaal speelde zich dan niet in de oudheid, maar de (vervallen) paleis en zijn bewoners waren intact gebleven. De maagden werden de geweren dragende vrouwelijke bewaaksters en verpleegsters van de door de nachtmerries geplaagde Klytämnestra. De Koningin zelf leek sprekend op een oude Diva (denk Norma Desmond in ‘Sunset Boulevard’): tot in de puntjes verzorgd en zich krampachtig vasthoudend aan dat wat voorbij is.

Drie topvrouwen in Brusselse Elektra | Place de l'Opera

Elektra was nu eens geen hysterische furie maar een koele, berekenende, op wraak ziedende vrouw. Het verschil tussen haar en haar naar vrouwelijkheid snakkende zus was het mooist verbeeld door de inhoud van hun koffertjes. In die van Chrysotemis al die ‘meisjes dingen’: sieraden, spiegeltje, make-up, een baby pop en de uitzet. In die van Elektra de spullen van haar vader: zijn jas, waarin ze zich van tijd tot tijd hult. En de bijl waarmee hij werd vermoord. Voor haar ook geen vreugdedans: nadat de wraak zich had voltrokken, kon Elektra eindelijk worden wat ze altijd al heeft gewild: haar eigen moeder.

De inhoud van het koffertje werd verbrand, zij stiftte haar lippen en versierde zich met sieraden. In haar nieuwe, mooie hoedanigheid rende ze de trap op en verdween achter de gesloten deur. Nooit komen we te weten wat er zich heeft afgespeeld, maar toen de deur opengerukt werd zagen wij Orestes badend in bloed staan, met in zijn armen zijn dode zusje. Piëta.

Vocaal stond de voorstelling als een huis, wat voornamelijk op het conto van de drie hoofdrolvertolksters moest worden geschreven.

Evelyn Herlitzius zong een verrassend lyrische Elektra, haar prachtige topnoten waren zuiver en gewoon mooi. Ze overschreeuwde zich nergens en toch kwam ze mooi boven het orkest uit. Ze leek onvermoeibaar en haar portrettering was geheel naar wens van de regisseur: koel en afstandelijk.

Wat een contrast met het meisjesachtige en naar liefde snakkende Chrysotemis van Eva-Maria Westbroek! Nog maar een maand eerder zong zij de heldhaftige en (ook) naar de liefde hunkerende Minnie in Amsterdam; nu was zij een en al passief verlangen. Daar wist zij haar stem ook naar te kneden: waren er in Amsterdam nog triomfantelijke tonen te horen, nu klonk ze er zeer verlaten bij.

In de rol van Klytämnestra was nou eens niet een uitgezongen zangeres te horen, integendeel! Doris Soffel had niet alleen alle noten paraat, zij wist ze ook als een kameleon naar haar hand te zetten en schakelde tussen het zingen en het sprechgesang in alsof het niets is. Fenomenaal.

Gerd Grochowski (Orestes) imponeerde met zijn klaroengeluid en Donald Kaasch was een prima Ägisth.

In de kleine rollen van de Maagden waren veel prominenten van vroeger (Graciella Arraya, Renate Behle, Mireille Capelle) te horen, en als de pleger van Orestes mocht de (inmiddels 85-jaar oude!) Franz Mazura opdraven.

Lothar Koenings dirigeerde ferm, maar ook een beetje terughoudend. Het was zijn eerste Elektra en wellicht moest hij er nog in groeien. Al met al: een voorstelling om niet gauw te vergeten.

Bezocht op 19 januari 2010

fotio’s: © Bernd Uhlig

Gürbaca’s Traviata is spijkerhard

TEKST: PETER FRANKEN

Tatjana Gürbaca is een begaafd regisseur die als geen ander haar visie op een opera tot uitdrukking weet te brengen. En na meerdere producties van haar gezien te hebben weet ik ook dat ze niet iemand is die ‘binnen de lijntjes kleurt’. Maar dat betekent geenszins dat ik die visie altijd in dank afneem en bij haar Traviata voor de Noorse Opera, hernomen voor DNO, is dat duidelijk het geval.

Gürbaca toont Violetta in de voorstelling die gisteren als matinee voor een uitgedund publiek in première ging als een vrouw die door zichzelf te verkopen een media persoonlijkheid is geworden in een tijd dat dit fenomeen zich nog grotendeels tot het roddelcircuit en de boulevardbladen beperkte. Niettemin ligt haar leven onder een vergrootglas en om dat aspect uit te lichten laat de regie het koor vrijwel permanent aanwezig zijn. Niet slechts waar het een voorgeschreven rol heeft zoals in de twee feestscènes, maar ook tijdens de meer intieme momenten. En het zijn beslist geen toeschouwers die zich onbetuigd laten, ze brengen hun eigen bedoening mee.

Gürbaca hanteert het koor als een ongetemde beestenboel om haar ‘stark seksualisierte’ visie op het hele gebeuren over het voetlicht te krijgen. Plat gezegd, het motto is ‘all you can fuck’. De kleinste aanleiding volstaat om elkaar uit te gaan kleden en natuurlijk ‘droog’ te neuken, immers ‘il y a des grenze’ zoals een oud-collega Frans placht op te merken als een leerling over de schreef dreigde te gaan.

MARK BIGGINS - conductor
Biggins © Anderas Grieger

Natuurlijk is Violetta gewoon een chique hoer zonder echt liefdesleven maar door een feestje en een orgie met elkaar te verwarren wordt dit aspect van haar leefomgeving wel erg fors aangezet en dat gaat ten koste van enige empathie die je voor de protagonisten zou kunnen ervaren. Overigens moet gezegd dat de wijze waarop het koor wordt geregisseerd en waarop het zich van zijn taak kwijt getuigt van enorm vakmanschap. Compliment voor de koorleden, hun dirigent Mark Biggins en vooral Gürbaca.

Gespeeld wordt op een kleine verhoging midden op het verder lege toneel. Het koor golft er grotendeels omheen wegens plaatsgebrek. In de laatste akte wordt twee derde van die verhoging weggehaald: Violetta’s leefomgeving is nu heel erg klein geworden en gelukkig betekent dat ook dat die voortdurende invasie van al die ‘clowns’ achterwege blijft. In haar doodsstrijd wordt de vrouw een beetje privacy gegund, maar vooral doordat niemand zich nog om haar lot bekommert. Ze is passé, haar ster is gedoofd. Dat werd al ruw ingewreven toen ze op Flora’s feest haar opwachting maakte met wat cadeautjes. Er werd ‘per ongeluk’ wijn over haar jurk gegooid, een taartje op haar uitgedrukt, geduwd en getrokken, uitgelachen. Ze was er vandoor gegaan als een verliefde tiener en had zodoende haar reputatie verpest, gewoon weer van onderop beginnen.

In de productie van Willy Decker valt Violetta ook vooral hoon ten deel in die scène maar hij laat iets aan de verbeelding van de toeschouwer over. Zo niet Tatjana Gürbaca, we krijgen alles uitgespeld. Zelfs als Germont zingt over zijn familie die Alfredo in de steek heeft gelaten krijgen we die lui te zien. Er wordt een eettafel met stoelen op de verhoging geplaatst en het gezinnetje zit aan de soep, compleet met de verloofde van Alfredo’s zusje, hier getoond als een wel heel jong kind.

Die kwam aan de hand van papa het toneel op waar het mannenkoor nieuwsgiering omheen dromt. Gelijk staat ze in het middelpunt en na enig crowdsurfing en aan- en uitkleden heeft zij Violetta’s kleren aan en loopt laatstgenoemde in een slecht vallend kinderjurkje. De mogelijke symboliek staat me zozeer tegen dat ik er niet verder op in ga.

En dan de zangers en de muziek. Die maakten heel veel goed deze middag. Opvallend was de invulling van Annina’s rol, vanaf het begin hoererend op het toneel aanwezig als cassière van haar madam die on the side wat bij verdiende. Ze was blij toen het uit was met Alfredo, een dweil van een vent die haar had beroofd van feestjes en extra inkomsten. En Inna Demenkova mocht aan het einde ook nog wat zingen. Flora kwam voor rekening van Maya Gour, met zo’n vriendin heb je geen vijanden meer nodig.

George Petean zong zijn Germont met veel overgave maar soms een tikje onzuiver. Hij kwam goed over als de man uit de provincie die in deze Parijse beestenboel niets te zoeken had.

Over de Alfredo van de Russische tenor Bogdan Volkov was ik beter te spreken, hij gaf werkelijk alles maar kon geen stempel op de gang van zaken drukken doordat hij zo nadrukkelijk werd getoond als outsider die geen moment serieus wordt genomen. En vermoedelijk ook niet echt door Violetta.

Gürbaca stelt dat Alfredo haar nieuwe project is, nu ze voelt niet lang meer te zullen leven probeert ze iets nieuws. Ze geeft zichzelf weg in plaats van zich te verkopen. Hij teert in zijn onnozelheid op haar kosten, als een gigolo.

Wat Alfredo aantrekkelijk maakte is dat hij als enige aandacht toont voor haar welbevinden, dat treft zelfs de meest geharde personen die al sinds jaar en dag in een gepantserde bubbel leven.

De Armeense sopraan Mané Galoyan bleek goed opgewassen tegen de eisen die de regie en de partituur aan haar stelden. Haar stem vertoonde in het begin nog een lichte schrilheid die gaandeweg geheel verdween. Ze is zeker in de hoogte hoewel ze in mijn beleving soms wel iets te sterk aanzette, temeer daar ze diezelfde noten een paar maten later gewoon ook heel zacht bleek te kunnen zingen. Met name in haar ‘Addio del passato’ was dit opvallend. Normaal gesproken is die scène en het daarop volgende verscheiden van de heldin een emotioneel moment. Dat heb ik deze keer volledig gemist, het liet me Siberisch. Maar dat lag zeker niet aan Galoyan, een groots optreden, heel mooi gedaan.

Andrea Battistoni leidde het goed spelende NedPho met groot enthousiasme, hoewel niet overal even subtiel. Zo werd het in elk geval in muzikaal opzicht een geslaagde middag.

Foto’s © Monika Rittershaus

Britten, zijn liederen en Ian Bostridge

JAMES GILCHRIST

Het vocale oeuvre van Britten is vrijwel onlosmakelijk verbonden met één zanger, Peter Pears. Jarenlang waren ze partners zowel in de kunst als in het dagelijks leven. Voor Pears componeerde Britten zijn liederen en opera’s, en met diens stem in zijn hoofd  maakte hij arrangementen van Engelse volksliedjes. Het valt dus niet mee, zeker voor een Engelse tenor, om hier iets nieuws en eigens aan toe te voegen zonder in extremen te vervallen. Daar is Robert Tear kampioen in geweest, maar ook Philip Langridge, Anthony Rolfe-Johnson en John Mark Ainsley konden er wat van.

Ook James Gilchrist is het prototype van een Engelse tenor. Zijn stem is zoetig en een beetje droog, net op de grens tussen een karaktertenor en een lyrico. De medeklinkers worden door hem sterk geprononceerd zonder dat het opdringerig wordt en hij speelt mooi met de tekst. Het past ook bij de liederen. Dat in onverdeeld enthousiast ben over de uitvoering de uitvoering ligt aan Gilchrists lage noten, die klinken iets te baritonaal. Op zich niet erg, maar er ik merk een breuk tussen de twee registers.

Anna Tilbrook is een ‘afwezige’ begeleidster – zij geeft alle ruimte aan de tenor over, maar misschien ligt het aan de opname.

De liederen die LINN (CKD 404) in 2012 heeft opgenomen behelzen tien van Brittens componistenjaren: van 1937 tot 1947. Britten was 24 toen hij de cyclus On this Island componeerde. In 1947 was hij nog steeds een jonge man, maar door wat er in die jaren gebeurde, werd hij ‘vroegoud volwassen’.

THE CANTICLES

The Canticles ontstonden in een periode van meer dan dertig jaar en vormen geen echt geheel, al hebben ze een paar dingen gemeen: het geloof en de (homoseksuele) liefde. Het zijn wondermooie liederen, kleine operaatjes eigenlijk. Of Ian Bostridge het allemaal waar weet te maken? Ooit vond ik van wel. Toen hij pas begon met zingen vond ik zijn stem mooi en zijn dictie en tekstbegrip buitengewoon goed. Daar ben ik nu van teruggekomen. Zijn nadrukkelijke articuleren is meer dan hinderlijk geworden en zijn duidelijk hoorbare genot van eigen stem is buitengewoon irritant. Jammer.

Ook heb ik moeite met de als toegift bedoelde volksliedjes en ook dat ligt aan de zangers. Christopher Maltman is, ondanks zijn mooie stem, te netjes en weinig opwindend, en David Daniels weet niet wat hij zingt.

Ian Bostridge, David Daniels, Christopher Maltman
Timothy Brown (horn), Aline Brewer (harp), Julius Drake (piano)
Virgin Classics 5455252

BOSTRIDGE EN DEATH IN VENICE


En nu ik het toch over Bostridge heb… Op 3 februari 2009 gaf de Brusselse De Munt in het KCG een semi-concertante uitvoering van Brittens Death in Venice. De opera bestaat eigenlijk uit een groot monoloog en de rol van Gustav von Aschenbach is een echte tour de force voor een tenor.

Niet voor Ian Bostridge, want hij zong en speelde voornamelijk … Ian Bostridge. Nergens was er iets van die tweestrijd in zijn hoofd voelbaar. Verward door de hem plotseling overkomen verliefdheid? Welnee, als hij al verliefd mocht zijn dan was het op zichzelf. En daar stond hij dan, een lichtelijk verveelde en blasé ijdeltuit, die maar geïnteresseerd was in zijn eigen mooie zingerij. Hij bestudeerde uitgebreid zijn nagels (beet zelfs er één af, ik zweer het), voor de rest liep hij wat rond met de handen in zijn zakken. Zou hij hebben geweten waar Brittens messcherpe en hartverscheurende zwanenzang over gaat?

Maar de rest van de cast was fantastisch, met de Engelse bariton Andrew Shore voorop. Het was werkelijk fenomenaal hoe hij, met kleine pasjes en gebaartjes, de gestalte kon geven aan zeven verschillende personages en ze bovendien individueel wist te kleuren, knap hoor! Ook het orkest en het koor (dirigent Paul Daniel) waren fabelachtig mooi.




Hoe De Nationala Opera de Nederland-Caraïbische cultuur in huis haalde

De Nationale Opera met  Hoe ANANSI de verhalen van de wereld bevrijdde  van componist Neo Muyanga en librettist Maarten van Hinte

Tekst: Neil van der Linden

Anansi betekent spin in het Akan, een taal uit een regio West-Afrika, samenvallend met het tegenwoordige Ghana. In de mythologie van die regio is de spin een boodschapper tussen de mensen en de goden. Een spin reist immers per web van de aarde naar de hemel en terug. Vervolgens werd Anansi in de verhalencultuur van de regio de naam van een komisch personage in allerlei lokale verhalen. Met de slavernij mee bereikte Anansi de Caräiben, waar hij ook in Suriname en de Antillen nog steeds voorkomt in de verhalencultuur.

Als karakter is Anansi wel wat vergelijkbaar met Tijl Uilenspiegel of misschien ook Arlecchino uit de Commedia dell’Arte; een sympathieke opportunist, een antiheld met een komische en tragische kant. Hij lijkt iedereen telkens te slim af te zijn, maar werkt zichzelf daarbij telkens in de nesten, en niet zelden is er een vrouw nodig om hem daaruit te redden. Dat gebeurt ook in deze opera, die qua opzet en enscenering ook wel aan Commedia dell’Arte doet denken.

In de plot van deze voorstelling moet Anansi in opdracht van koning Tigri (een tijger, de koning van het bos) een reeks andere gevaarlijke dieren zien gevangen te nemen, achtereenvolgens de slang die de rivier onveilig maakt en de hoornaars, een vervaarlijk  soort wesp, die je in het bos beter niet tegen kunt komen. En ook Tigri’s zuster Sisti, een luipaard, moet er volgens de koning aan geloven. In elk geval hoopt de koning met dit alles in het gevlei te komen bij de andere bewoners van het bos. Bovendien moet Anansi voor de koning op zoek gaan naar een geliefde die de koning telkens in zijn dromen ziet, prinses Vixen.

De deal voor Anansi is dat de koning dan de ‘verhalen van de wereld‘ vrijlaat. Die verhalen staan voor hoe we de geschiedenis kunnen kennen, niet alleen van de kant van de koning.  Het lukt Anansi allemaal, dat wil zeggen na raadpleging van zijn echtgenote Makuba, die een aantal listen verzint waarmee Anansi zijn doel kan bereiken. Ze komen erop neer dat hij de slang en de hoornaars met hun eigen ijdelheid paait en ze dan te pakken neemt.

Met de zuster van de koning pakt hij het op aanraden van Makuba anders aan. Ze blijkt veganist te zijn, dus niet zo gevaarlijk voor de andere dieren in het bos als de koning wil doen geloven en zij besluit Anansi te helpen met het bevrijdingsplan voor de verhalen. Ook krijgt hij prinses Vixen een paar keer te zien en kan de koning ervan overtuigen dat ze echt bestaat.

Maar de koning houdt zich niet aan zijn woord en doet alsof hij Anansi’s heldendaden zelf heeft verricht. Om Anansi gedeisd te houden biedt hij hem een baantje aan als ‘adviseur’ bij het hof. Iets wat dictatoren wel vaker doen. Maar het probleem voor zowel Anansi als voor de koning is dat al die slimmigheden natuurlijk bedacht waren door Anansi’s echtgenote Makuba en die is niet van plan het erbij te laten zitten. Uit angst dat de waarheid aan het licht komt zwicht de koning, Anansi erkent wie het uiteindelijk brein was en aan het eind breken alle dieren van het bos uit in een vrolijk feest.

De voorstelling bleek een teststraat voor veelbelovende jonge zangers. Anansi werd vertolkt door de krachtige Zuid-Afrikaanse tenor Zwakele Tshabalala, zijn echtgenote Makuba was Katia Ledoux, een mooie sopraan uit Frankrijk.

De koning Tigri is Agris Hartmanis, een mooie diepe bas uit Letland, woonachting in Nederland.


De slang was een sterke rol van bariton Martin Mkhize, ook uit Zuid-Afrika.
Sista Leopard is Carla Nahadi Babelegoto uit Italië, een mezzosopraan met een prachtige coloratuur (“mezzosoprano acuto di agilità” schrijft ze dan ook over zichzelf), die ook een fenomenaal danser bleek te zijn.

Princess Vixen is de coloratuursopraan Claron McFadden, altijd theatraal ook een betrouwbare kracht. k zou zeggen: zet deze cast nog een keer bij elkaar in een Mozart-Da Ponte-opera of Carmen neer en je krijgt ook dan een geweldig resultaat.

Ik had wat last van een fenomeen dat zich vaak voordoet als zangers van niet-Nederlandse komaf in het Nederlands zingen. Het blijkt dan toch moeilijk het Nederlands natuurlijk te laten klinken, zonder Engels klinkende klinkers. Iets waardoor ik mij overigens ook afvraag of Russisch publiek hetzelfde ervaart als Nederlanders Moussorgski en Tsjaikofski zingen.

Daar komt nog bij dat componist Neo Muyanga in de muzikale frasering niet altijd de klemtonen van het Nederlands volgt. Dus kreeg je in zanglijnen soms korte lettergrepen die lang werden en lange die kort werden. Een deel van de tekst werd echter gezongen in het Engels, waarmee deze problemen zich niet voordeden.

Gezien de technische mogelijkheden van het Muziektheater zou ik dit publiek  wel nog wat meer scenische ‘echte opera’-‘shock and awe’ hebben gegund. Nu werden af en toe wat decorstukken heen en weer gereden of van boven neergelaten. Het enorme podium van het Muziektheater voelt dan echt erg groot aan. Van de hoogte boven het podium werd nauwelijks visueel gebruik gemaakt. Bijna alles bewoog zich in een plat vlak, al leek dat platte vlak dan wel op een kolkend melkwegstelsel zoals we dat van de zijkant zouden kunnen bezien.

Het decor stoorde daar eigenlijk in, ik zou me kunnen indenken dat je het helemaal consequent tweedimensionaal had gehouden. Er was namelijk continu energieke en dynamische beweging op het toneel, waarvoor regisseur Kenza Koutchoukali en choreograaf Shailesh Bahoran zorg hadden gedragen. Bahoran, van Nederlands-Surinaamse komaf, is zelf ooit begonnen als breakdancer en danste eerder bij onder meer zowel ISH als bij Het Nationale Ballet, in Zwanenmeer Bijlmermeer II. Tot de mooiste momenten uit de voorstelling behoren die waarin klassieke dans en ‘urban’ (uit straatcultuur voortgekomen) stijlen samenkomen, en dat is vermoedelijk Bahorans signatuur.

Maar dit alles deerde het publiek niet. Er waren veel jongeren vanaf tien jaar, deels met ouders, ‘wit’ en ‘van kleur’. Iedereen reageerde dolenthousiast op woordgrappen, op uitdrukkingen afkomstig uit Carabaïsche talen en op jargon uit moderne urban jongeren‘straattaal’. Die zitten allemaal in het libretto van de hand Maarten van Hinte, zelf van (Portugees-Joodse) Surinaamse komaf, die jarenlang mede-artistiek leider was van de Amsterdamse multiculturele jongeren-muziektheatergroep Made in da Shade, die een lange reeks voorstellingen maakte met Nederlands-Caraïbische elementen en ook hiphop-cultuur.

Zo is in elk geval deze avond de Nationale Opera erin geslaagd een brug te slaan naar een wat jonger en diverser publiek en misschien enkele jonge zielen blijvend gewonnen voor het medium opera.

Libretto  Maarten van Hinte
Compositie  Neo Muyanga
Regie  Kenza Koutchoukali
Dirigent  Lochlan Brown 
Choreografie  Shailesh Bahoran
Decor en kostuums  Dieuweke van Reij

Anansi:  Zwakele Tshabalala 
Makuba:  Katia Ledoux 
Tigri, de koning:  Agris Hartmanis 
De Slang:  Martin Mkhize
Sista het Luipaard: Carla Nahadi Babelegoto
Princess Vixen: Claron McFadden
Hoornaars  Leonie van Rheden, Makudu Senaoana en Elenora Hu

Dansers: Luca Abdel-Nour, Katherine Bamford, Lily Carbone, Mila Caviglia, Joley Groeizaam, Lauren Hunter, Nicola Jones, Patrick Karijowidjojo, Isaac Mueller, Gregory Myles, Catarina Pires, Gabriel Rajah, Marchano Sarijoen, Guillermo Torrijos, Arjuna Vermeulen, Louisella Vogt, Lucinda Wessels, Sven de Wilde en Koyo Yamamoto. 

Gezien 13 november, Muziektheater, Amsterdam.
Volgende openbare voorstellingen op 20 en 21 november en er zijn schoolvoorstellingen.

Foto’s Bart Grietens

‘O tu, Palermo, terra adorata, De’ miei verdi anni – riso d’amor’. In the memory of Marcello Giordani

THE CITY

https://www.sicilie.nl/wp-content/uploads/2017/03/Palermo.jpg


“And you, Palermo, oh wounded beauty,
You, still lovely as ever to my enraptured eyes!”

(from Giuseppe Verdi’s ‘Sicilian Vespers’)



Strange city, Palermo. Thanks to its long and complicated history of wars with, and conquests and influences by, different nations and religions, the city has developed into what it is right now: a unique fusion of diverse cultures. The numerous cathedrals, churches, buildings and squares bear vivid witness to this. And the language and names also show remnants of Arab, Moorish, Greek and Norman civilisations (not necessarily in that order). Beautiful city too.

Palermo is opera, or at least, theatre, all over. Everything is theatrical here – the traffic (or should one say “total chaos”, because nobody sticks to the rules here?), the honking of haphazardly and triple-parked cars and scooters manoeuvring in between all of it.

Palermo market
© Market Italy magazine



Very theatrical too are the fresh markets, also open on Sundays, which remind you of Arab souks and look nothing like the Amsterdam Albert Cuyp. Illuminated with a bare light bulb, even during the day, they create an atmosphere that seems to come straight from one of the Italian operas or films. The narrow alleyway between the stalls is no more than a metre wide, but even there the scooters squeeze themselves in between the crowds.

https://www.anni60news.com/wp-content/uploads/2018/01/nino-u-ballerino-01_1.jpg



Very theatrical is ‘Nino u’ ballerino’, the manager of Gastronomia, panineria, focacceria, where he spins, packs and sells spleen sandwiches from noon (the trattoria itself opens at six in the morning) until late at night, dancing to the very loud sounds of the TV set outside. If that is not opera!?



Palermo is a paradise for a sweet tooth! You can have your breakfast with a cinnamon roll and ice cream (brioche con gelato) and the baked goods, cakes, tarts and also the marzipan disguised as fruit (paste reale) all make your mouth water, even if, like me, you don’t even like sweet foods. No painting can beat that

Massimo ijs
https://i.etsystatic.com/17699499/r/il/837d28/1550973205/il_794xN.1550973205_5g7g.jpg




TEATRO MASSIMO

Massimo-Franco-Lannino-1



The Teatro Massimo first opened its doors in 1897 with Verdi’s Falstaff. It is said that Giovanni Battista Basite, the designer of this truly stunning opera house, was influenced by Garnier’s plans for the Paris Opera. That is quite possible, since both houses dó resemble each other, but Massimo, with its six floors of gold-coloured boxes and breathtaking ceiling paintings, surpasses everything I have seen so far.


It was ‘temporarily’ closed for renovations in 1974 and it took 23 years (Mafia!?) to reopen. This happened in 1997 with Verdi’s Nabucco, just in time to celebrate the centenary of the opera house. Nowadays, Massimo has 1250 seats and is one of the largest opera houses in Europe.

https://gdsit.cdn-immedia.net/2016/10/teatro-massimo-esterno.jpg
© Il Giornale di Sicilia



Of course, everyone wants to be photographed on the famous staircase (I assume you have seen Godfather 3, with all those Mafiosi shooting each other during the performance of Cavalleria Rusticana), which makes it extremely crowded and difficult to walk up (let alone down!).


LA SCHUOLA VA AL MASSIMO

Massimo-Franco-Lannino-2
© Franco Lannino



But what distinguishes Massimo most from all its fellow opera houses is its school project, La Schuola va al Massimo. I could be mistaken of course, but the Sicilian project to introduce children to the opera seems to me unique in the world.

The project started in 2005 and is given shape in various ways. Existing operas (Carmen, La Cenerentola) are adapted especially for children, composers are commissioned to compose an opera for the target group, children’s operas (Menotti’s Globolinks) are put on stage or performances are created around a specific idea. Fifty performances are given per year, reaching between 50 and 60 THOUSAND children!

The children are between the ages of six and sixteen, but the older ones usually take such a liking to opera that they automatically also go to the already established performances. Like Idols, as it were.  Nowadays, operas are also shown in the early afternoon, especially for them.
The latest project, for which Massimo received the prestigious award from The Italian National Association of Music Critics, is called Bianco Rosso e Verdi. It is a ‘monumento per Giuseppe Verdi, padre de la Patria’, which, in view of the Verdi Year and the 150th anniversary of Italy’s unification, is only logical. You know that the Italians consider Verdi, together with Garibaldi and Vittorio Emmanuele, to be the symbol of Unity

Massimo-Franco-Lannino-5
© Franco Lannino



Bianco Rosso e Verdi is a potpourri of excerpts from various operas by Verdi, narrated with a great deal of humour by three actors and sung excellently by five young singers, assisted by the choir and the ballet of the house.
The children listen attentively, react alertly and, where possible, sing along. Only when a fragment from Otello is a little too long, in my opinion, does their attention wane and they shift uncomfortably on their chairs. But apart from that, they are having great fun. Congratulations!


Below is a small fragment showing the enthusiasm (and active involvement!) of the children:




PALERMO – IL TROVATORE Manrico out of thousands

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-4
Amarilli Nizza (Leonora) en Marcello Giordani (Manrico) © Franco Lannino



The production that the Teatro Massimo staged in October 2011 was originally from Bologna. And to get straight to the point: the production was no good at all! The sets were not quite made of cardboard and the direction (let alone the direction of the characters!) was non-existent.

One came from the left, one came from the right, one descended the stairs, one climbed the stairs (nice for the ladies in their long, heavy dresses!), one knelt, raised one’s hands to heaven… There was no more movement unless it came from the ballet dancers who enacted the scenes for us.

The director (the Scottish Paul Curran) did not even bother to come to Palermo and left things to his assistant (?) Oscar Cecchi. Rarely do you see the singers left to their own devices, which is mainly to the detriment of the second cast (they worked with a double cast).

The conductor did not really help them, either. Renato Palumbo, quite a name in the field of opera, did not know exactly which tempi to take. Sometimes it was too fast, sometimes agonisingly slow, in a word: unbalanced.

Gustavo Porta (cast B) was a fine Manrico with a nice old-fashioned sound, but after the interval he clearly became tired and started to push. No, then Marcello Giordani is the better choice! What a sound! A Manrico out of thousands complete with all the trimmings. His beautiful high C in ‘Di quella pira’ was completely al punto and squilante, that makes one very happy.

The Uruguayan María José Siri (a protégé of Ileana Cotrubas) was a nice Leonora, but I found her height rather shrill. Amarilli Nizza did it a thousand times better. Her voice has become of almost veristic dimensions, but she knew – recovering from a severe illness that lasted for months – to let her height blossom beautifully and smoothly and then to let it pass into the most beautiful pianissimi.

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-6
© Franco Lannino


Juan Jesús Rodriguez (Luna) was no match for Roberto Frontali. What the latter demonstrated was the art of true Verdian singing, which is rarely heard nowadays.
Mariana Pentcheva (cast A) sang Azucena with an enormous tremolo and ‘wide vibrato’. The voice in itself was certainly impressive, warm, deep and low, but I could not really like what she did with it.

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-1
© Franco Lannino



Anna Malavasi sounded fresher. She had a good height and depth, although not as deep as her Bulgarian colleague. Worse, however, was that it seemed as though she were singing with two voices at the same time. Two voices that, unfortunately, never met anywhere – somewhere between the low and high there was a huge ravine. It may also be due to her young age, but something tells me that she’d better concentrate on the higher mezzo roles and leave Azucena alone.

Giovanni Battista Parodi and Francesco Palmieri (Ferrando) were a match for each other, although Parodi had more stage presence.
Below is the official trailer of the production


Trivia:

The audience always dresses up. Beautiful gowns, high heels, and even furs are taken out of the closet, despite it being 22 degrees outside. Then during the break they all run outside! Because they have to smoke. Nowhere in the world is there so much smoke in the air as in Palermo!

On the way to the lower foyer, it smells like a lot of dishwashing is being done, but the foyer itself is beautiful, spacious and well stocked with everything that can make a hungry and thirsty person happy.
A glass of excellent white wine costs 5 euros (you can take it out into the garden to enjoy the last rays of sunshine) and the delicious sandwiches are just over 2 euros.

In the foyer there are many old posters hanging on the walls. To my extreme amusement, I read on the one for La Gioconda with Leyla Gencer from 1969/70, that Alvise was sung by Anna di Stasio and La Cieca by Piero Cappuccilli. Well ….. La vita è bella!


Visited on 22 and 23 October 2011







 Gezongen Hunger Games met prachtige jonge cast

Tekst: Neil van der Linden

Voorafgaand aan de uitvoering van Don Giovanni was er toevallig een lezing in Spui25, georganiseerd door Atheneum Boekhandel, over The Pre-Tinder Dating Era. En welaan, de opera Don Giovanni geeft in zekere zin een beeld van hoe het er in de achttiende bij een date aan toe kon gaan, in elk geval als je als man van adel was, en als je als vrouw het ongeluk had op iemand van adel te vallen. Naast een erotische zedenschets is Mozarts Don Giovanni immers een aanklacht tegen het feodale systeem.

In zijn weergaloze film liet Joseph Losey zijn hoe temidden van de prachtigste paleizen het feodale keurslijf zich binnen de kostuums en pruiken van Mozarts tijd moest blijven wringen. Sowieso is die film voor mij een Don Giovanni benchmark, maar ik moest er speciaal aan denken omdat deze enscenering twee zaken uit die film precies omdraait. De personages lopen in kleding van nu rond, met als grapje dat de lagere klassen in de opera de kleding van premierepubliek draagt en de hogere klassen juist meer casual gekleed zijn, tot op het slonzige af in het geval van Don Giovanni.

Het decor is een nachtelijk bos, een halve wildernis; ik waande mij even diep in de bossen bij Lage Vuursche waar het Holland Festival ons onlangs heenbracht in de voorstelling ‘Dans la Forêt’. Maar waar het in ‘Dans la Forêt’ ging om de beleving van de stilte, gedragen de personages zich in deze voorstelling voortdurend bij de beesten af; ‘The Hunger Games’ in opera.

Deze productie stamt uit 2016, net voordat de MeToo-beweging breed opgang maakte. In feite gaat Don Giovanni over een heleboel vragen die sindsdien een rol spelen.  Bij elk van de vrouwelijke personages kan de vraag kan worden gesteld in hoeverre ze vooral slachtoffer zijn of dat ‘zelf ook schuld hebben’. Zeker in deze cast waren de twee Donna’s, Donna Anna en Donna Elvira, geen weerloze slachtoffers, want ze zijn er telkens ook met hun verstand bij als toch nog maar weer eens een gokje wagen voor een fijne flirt met de Don.

Grappig is dat het personage van de Don eigenlijk tamelijk moe, lusteloos en bleek overkomt. Zijn knecht Leporello oogt veel gezonder en energieker. In deze rolopvatting van Don Giovanni zat eigenlijk al wat men in de negentiende eeuw vanaf Byron in Don Juan zag, een moedig tegen het lot en de maatschappij vechtende eenling.

Voor deze herneming was een compleet nieuwe cast aangetrokken. Een opera met zoveel rollen, die elk virtuositeit vergen, maar elk ook kort genoeg zijn, biedt de mogelijkheid om jonge zangers hun kunnen te laten zien en dat lukte prima, met zowaar twee Nederlanders, de Nederlands-Iraanse Lilian Farahani als een levenslustige, geweldig zingende en acterende Zerlina (binnenkort bij de Zaterdagmatinee Elvira in Rossini’s ‘L’italiana in Algeri’) en Frederik Bergman als Masetto, die zijn eerste rol op het grote podium zong na zijn opleiding bij de Opera Studio. Ze acteerden ook prima dat het ondanks het aanstaande huwelijk misschien helemaal niet zo goed zit tussen die twee.

Ook de Roemeense Adela Zaharia (Donna Anna) en de Amerikaanse Amanda Majeski (Donna Elvira) speelden de dubbelheid van hun rollen geweldig uit. Eerstgenoemde heeft hoorbaar een verleden als Lucia (Lucia di Lammermoor) en Violetta (La traviata), de tweede zie ik wat stem en acteren betreft nog wel eens beginnen aan een rol als Gutrune (Götterdämmerung). De Chinese Long Long was een prima Don Ottavio, zij het hier en daar wat onzeker in de hoogte.

En al vond ik het blijkbaar aan commedia dell’arte refererende veelvuldige drukke gebaren in de rol van Leporello wat veel van het goede, de veeleisende acrobatische toeren in zijn rol waren de Roemeense bas-bariton Adrian Sâmpetrean wel toevertrouwd, en ook zangtechnisch legt hij de nodige lenigheid en energie aan de dag.

Ook de Amerikaanse bas-bariton Seth Garico moest geregeld lenig in bomen klimmen en van een vervallen bouwwerkje, een soort bushokje afspringen. Grappig was dat de Don Giovanni en de Leporello niet alleen op elkaar leken, maar ook verhoudingsgewijs kort van gestalte waren; met name de twee Donna’s torenden boven beiden uit, wat in zekere zin de verhoudingen uit het verhaal nog verder omdraait.

Ik had het al over die eigenlijk wat Byroneske, 19e-eeuwse kant van deze Don Giovanni; hij leeft eigenlijk pas echt op als hij de dood met open vizier tegemoet treedt. Kunnen we in Seth Garico een toekomstige Holländer tegemoet zien?

Voor de Commendatore was met Rafał Siwek voor een relatief lichte bas gekozen. Dat maakte zijn rol minder ‘bovennatuurlijk’, minder ‘buitenaards’, maar menselijker. Natuurlijk is hij aan het begin woedend, als hij ontdekt dat Don Giovanni bij zijn dochter betrapt, maar aan het eind verschijnt hij niet als bewegend standbeeld, maar als doodgraver. Die eigenlijk gewoon zijn werk komt doen.

Ik zat op het eerste balkon enigszins aan de zijkant, zo dicht mogelijk op het Nederands Kamer Orkest. Dat onder leiding van ook jeugdige Jérémie Rhorer alles uit de partituur haalde en in de bekende dramatische momenten alles liet knallen. Wel hadden de zangers hier en daar moeite synchroon te blijven. Misschien blijkt dan de orkestbak eventjes te groot voor optimaal contact met de dirigent.

Don Giovanni door De Nationale Opera
Gezien 4 november in het Muziektheater, Amsterdam.
Muzikale leiding Jérémie Rhorer, regie Claus Guth, decor en kostuums Christian Schmidt
Don Giovanni Seth Carico, Il Commendatore Rafał Siwek, Donna Anna Adela Zaharia, Don Ottavio Long Long, Donna Elvira Amanda Majeski, Leporello Adrian Sâmpetrean, Masetto Frederik Bergman en Zerlina Lilian Farahani.

Foto’s Bart Grietens.

Trailer Don Giovanni met de huidige cast bij De Nationale Opera:

Trailer van Loseys Don Giovanni film:

Webpagina Don Giovani van De Nationale Opera

https://www.operaballet.nl/en/dutch-national-opera/2021-2022/don-giovanni

Mathilde Wantenaar betoont zich opnieuw een meester, maar de enscenering van Lied voor de Maan blijft daarbij achter.

Tekst: Neil van der Linden

Mathilde Wantenaar is onderhand de jeugdheld van de ‘nieuwe nieuwe’ muziek, dat wil zeggen muziek die is teruggekeerd naar de tonaliteit maar verre blijft van het repetitieve van de minimal. Haar orkestwerken zijn neo-impressionistisch, eigenlijk treedt ze in de voetsporen van Rudolf Escher. Misschien mede door de keuze van instrumenten voor het kleine ensemble in deze opera, met naast vier strijkers een klarinet/basklarinettist en gitarist, neigt de klank nu meer naar bijvoorbeeld de Kammersinfonieën van Schreker en Schönberg of bijvoorbeeld Hans Eislers ‘Vierzehn Arten den Reigen zu beschreiben’.

Het verhaal gaat over een eenzame mol die hoopt een zielsverwant te vinden in de maan, die nooit lijkt te lachen, en besluit een lied te schrijven om de maan op te vrolijken. Een sprinkhaan studeert het lied in met zijn orkest, tot ze het helemaal onder de knie hebben, en op een nacht geven ze een concert. Maar waarom kijkt de maan daarna juist heel triest? De oplossing wordt gevonden door in het lied van mollen (woordspeling op de mol) kruisen te maken. De mol lijkt daar niet helemaal gelukkig mee te zijn, maar als het orkest het lied in de nieuwe versie speelt lacht te maan en is ook de mol blij, iedereen blij.

Een lied voor de maan is gebaseerd op een boek van Toon Tellegen, een fabel over de kracht van muziek. Componiste Mathilde Wantenaar bewerkte het verhaal tot een “my first opera voor jonge bezoekers en hun ouders”,  met aansprekende personages en melodieën en tal van verwijzingen naar de muziekgeschiedenis, zoals trio’s en kwartetten die pastiches vormen op Verdi en Puccini, terwijl een virtuoos gezongen Koningin van de Nacht niet ontbrak,  en pop-hits, zoals ‘Tea for Two’.

Tellegen is een gewaardeerd kinderboekenschrijver. Toch vroeg ik mij af of de kwintessens in de plot zich niet boven de hoofden van het jongste publiek afspeelt. Dat van die mollen en kruisen – en ik neem aan dat dat ook aan Tellegens boek is ontleend – vergt enig begrip en bovendien gaan de ontwikkelingen in de plot juist op het moment dat dit wordt uitgelegd erg snel. Rond deze momenten er bij het jeugdige deel van het publiek flink wat geroezemoes, ook al bevonden zich onder dit premierepubliek vermoedelijk heel wat kinderen van ‘ingevoerde’ ouders. Maar misschien gaat dat straks bij schoolvoorstellingen anders.

Wat ook niet helpt is de aankleding, het decor en de dierenkostuums, inclusief poppen, die beide ogen als ouderwets kindertheater. De wijlen (net overleden) grote theaterideoloog Jan Ritsema stelde ooit dat je kinderen niet ‘kinderlijk’ moet benaderen, zoals het ook niet pedagogisch is om met peuters in peutertaal te praten. We zijn in Nederland al veel verder in jeugd- en poppentheater. Niet boven hun hoofd praten, maar je moet je ook niet ‘neerbuigend’ naar hun vermeende niveau.

Ok, mijn blik werd misschien verpest door de poppentheater-voorstelling Vrouw en Vos van Ulrike Quade, op tekst van Judith Herzberg naar het boek ‘Lady into Fox’ van David Garnett, die ik een paar dagen tevoren had gezien. Niet een jeugdtheatervoorstelling, maar wel jeugdig, mede dankij het directe taalgebruik van Judith Herzberg, maar ook dankzij het prachtige vossenmasker en hi-tech en toch aandoenlijk vos-pop, naast ingenieus, overweldigend mooi, maar simpel gebruik van licht en projecties.

Dus is het jammer dat de regie en het decorontwerp, waarvoor een Franse regisseur en een Duitse scènograaf waren ingeschakeld, achterbleven bij het niveau van het beste jeugdtheater en poppentheater dat we hier hebben. En die vos van Quade zou ook de kleinsten blijvend hebben beziggehouden.

Blijft over de fraaie muziek, al hoeft de ‘Tea for Two’-lolbroekerigheid voor de happy end-scene voor mij niet zo (bij Shostakovich kan ik er ook niet tegen), naast de enthousiaste zang van de jonge cast, met name van mol Vera Fiselier, en het uitstekende instrumentale ensemble, waarbij fluit- en piccolo-iste Mirna Ackers zich ook een ras-comédienne betoonde.

Libretto  Mathilde Wantenaar en Willen Willem Bruls naar het boek van Toon Tellegen
Regie  Béatrice Lachaussée
Decor en kostuums  Nele Ellegiers
Video  Coen Bouman
Licht  Cor van den Brink
Dramaturgie  Willem Bruls

De mol  Vera Fiselier
De veldmuis / de maan  C
De relmuis / de krekel  Eline Welle
De kikker  Jan-Willem Schaafsma
De sprinkhaan / de aardworm  Berend Eijkhout
De spitsmuis  Mirna Ackers 

Foto’s Kim Krijnen

Gezien 20 oktober in de Boekmanzaal van de Stopera.

https://www.operaballet.nl/de-nationale-opera/2021-2022

Vrouw of Vos: The hunter gets captured by the game?

Tekst Neil van der Linden

Alsof het bijna een prequel was voor Michel van der Aa’s Upload, zo ervoer ik Vrouw of Vos, een fantasierijke ontroerende voorstelling, op een tekst van Judith Herzberg, door het ensemble van Ulrike Quade. Er zijn parallellen en spiegelingen, in de uitvoering en in het verhaal.

Upload (onlangs bij de Nederlandse opera) ging over een toekomst waarin twee mensen, een vader en een dochter, elkaar zoeken en vinden. De vader is getransformeerd in een digitale file, de dochter is van menselijk vlees en bloed. Absurdistisch misschien, maar het kan in de toekomst een realiteit worden.

Vrouw en Vos gaat ook over twee mensen, een pasgetrouwd stel. En ook hier is er een transformatie: tijdens een wandeling in het bos verandert de vrouw in een vos. Nadat ze van de schrik zijn bekomen vinden ze een manier om voort te leven als mens en dier. Lastig is wel dat de man van beroep jager is.

Vrouw en Vos is niet een afschrikwekkend toekomstbeeld, als in Upload, maar, hoe absurdistisch ook, gaat het over het hier en nu, over vervreemding, toenadering, het onmogelijk en het toch wel mogelijke. Dit alles verwoord in de mooie dichterlijke en tegelijk nuchtere taal van Judith Herzberg, die het boek Lady into fox van David Garnett uit 1922 bewerkte tot toneeltekst. Vrouw en Vos gaat ook over afscheid, de eerste keer vanwege het besef van de onherroepelijkheid van de metamorfose, al wordt dit eerste verlies opgevangen doordat de man als een vos leert te leven, en we zien aandoenlijke scenes als de twee het huis waar ze aanvankelijk woonden ombouwen te vossenhol.

Ik trek de vergelijking met Upload nog wat verder door. In plaats van in digitale files als alter ego van personages zoals in Upload, zien we in Vrouw en Vos poppen, het metier van regisseur Ulrike Quade. En inderdaad zijn het niet zomaar poppen. De pop die de jager ‘speelt’ is een realistische dubbelganger van de man die de jager speelt (Marijn Klaver), maar in kleine jongens-formaat.

De andere pop, het alter ego van de vrouw (Annelinde Bruijs), is een vossenpop, zij het dat alleen de kop en de staart van de pop realistisch zijn. In plaats van het lijf en de ledematen zien we een metalen skelet met wervelkolom en poten.  Die echter uitermate realistisch bewegen, als een vos. Ik denk dat dit nog mooier werkt dan als men een complete vos had ‘nagebouwd’. Het geeft de jager in de tekst gelegenheid om ook nog iets liefs te zeggen over haar naaktheid en kwetsbaarheid, en op de een of andere manier is de pop op deze manier heel aandoenlijk. Naast de vossenpop gebruiken de acteurs ook een vossenmasker om het verhaal van de vos geworden vrouw uit te drukken.

Waar in Upload de twee personages elkaar uiteindelijk wél vinden in een, zoals ik onlangs schreef, Wagneriaanse finale droomscene, waarin de vader en dochter één worden, eindigt Vrouw en Vos zonder zo’n Wagneriaanse Verlossing. Heel ontroerend, wordt de man, die inmiddels bijna perfect als vos voortleeft, door andere jagers pardoes doodgeschoten als ze hem inderdaad voor een vos aanzien. Of is er toch een Verlossing: aan het eind van de voorstelling verschijnen drie robotwelpjes ten tonele. Daar had Michel van der Aa niet aan gedacht, om de vergelijking inderdaad ook helemaal tot het eind door te trekken.

Ook zoals bij Upload, zien we ook in Vrouw en Vos ingenieuze projecties op schuivende decorelementen, die prachtig het huis, het vossenhol, het bos en de schuilplaatsen van de twee verbeelden.

Net als bij Upload bestaat een deel van de muziek uit fraaie elektronische soundscapes, afgewisseld met lieflijke lichtelijk absurdistische liedjes, gecomponeerd door Rutger Zuydervelt, gezongen door Annelinde Bruijs, die in sfeer geweldig aansluiten bij Judith Herzberg lieflijke en licht absurdistische taalgebruik.

Trailer:

Ulrike Quade had eerder in een vergelijkbare opzet met twee spelers en twee poppen een prachtige voorstelling over (Alma) Mahler en Kokochka gemaakt en bij de Brusselse opera Madame Butterfly geregisseerd. Komende maart maakt het gezelschap Frank Martins Le Vin Herbé, zijn Tristan und Isolde interpretatie, samen met Capella Amsterdam.

Vrouw of Vos door de Ulrike Quade Company
Regie: Ulrike Quade
Tekst: Judith Herzberg naar de roman van David Garnett in de vertaling van Irwan Droog
Acteurs/poppenspeler: Annelinde Bruijs en Marijn Klaver
Decor en videomateriaal: Alexa Meyerman
Poppen gemaakt door: Gabriël Casanova Miralda, Sanne Visscher
Muziek: Rutger Zuydervelt
Foto’s Bas de Brouwer.

Gezien Amsterdam, Theater Bellevue, 17 oktober.

Er zijn nog voorstellingen in het land, 21/10 Hoofddorp, 24/10 Rotterdam, 04/11 Arnhem, 12/11 Enschede, 18/11 Oss, 24/11 Haarlem, 11/12 Roermond.

Prachtige zang in Der Schauspieldirektor

Tekst: Peter Franken

Het Orkest van de Achttiende Eeuw is momenteel op tournee met een pastiche van twee Mozart opera’s: de korte eenakter Der Schauspieldirektor en Die Zauberflöte. Aangezien het plannen van een volledige Toverfluit in deze tijd teveel risico inhield, heeft men zich beperkt tot de meest aansprekende aria’s uit Mozarts zwanenzang, aangevuld met het vaudeville niemendalletje over een theaterdirecteur die audities laat doen voor zijn gezelschap. Die opzet is tevens als aanleiding gebruikt om een reeks zangers die andere aria’s te laten zingen.

Roberta Alexander treedt op als Schauspieldirektorin en laat een reeks kandidaten opdraven om hun kunnen te tonen. Het geheel wordt aan elkaar gepraat om er een beetje eenheid in te krijgen. Ik woonde de voorstelling in De Doelen bij en was voorin de zaal gaan zitten. Naar verluidt was de verstaanbaarheid van de gesproken teksten, ondanks de versterking, nogal matig in andere theaters. Zelf heb ik zodoende in elk geval alles kunnen volgen en het moet me van het hart dat die anderen weinig hebben gemist. Het gesproken deel is van een niveau dat niet uitstijgt boven dat van een zelfgeschreven middelbare school voorstelling uit de jaren zestig, ik spreek uit ervaring. Maar lichaamstaal en stil spel van de zangers maakt zoveel goed dat je die teksten prima kan missen.

Jeroen de Vaal is als eerste aan de beurt en zingt Tamino’s aria ‘Dies Bildnis’. Of hij misschien ook iets in het Italiaans kan zingen? Zeker, dat kan hij en dan volgt de concertaria ‘Con osequio, con rispetto’. Jeroen is nerveus en heeft zijn vriendin meegebracht, die overigens nog nerveuzer lijkt dan hijzelf. Ze blijkt zelf ook aardig te kunnen zingen, wat een geluk. Ilse Eerens vertolkt vervolgens Pamina’s ‘Ach ich fühl’s’ en natuurlijk in het Italiaans ‘Chi sa, chi sa, qual sia’. Beide Italiaanse aria’s geven een mooi contrast met die gedragen Zauberflöte topstukken.

Zo gaat het spel verder. Henk Neven komt met ‘Der Vogelfänger bin ich ja’ en wordt in de wacht gezet, eerst Monostatos. Zodra Jan-Willem Schaafsma de gewraakte passage begint te zingen over de ‘zwarte man’ die in een ‘blanke omgeving’ niet aan de vrouw kan komen, natuurlijk ook nog eens omdat hij onderaan de sociale ladder staat in Sarastro’s paradijselijke maatschappij, tikt Alexander af. Schaafsma heeft echter een alternatieve tekst in het Nederlands achter de hand waarin het de buffo is die die nooit aan zijn trekken komt. Gelukkig heeft hij het off stage beter getroffen.

Berend Eijkhout komt op om te auditeren voor Sarastro maar in die vrouwonvriendelijke babbelaar heeft Alexander geen belangstelling. In plaats daarvan klinkt ‘Per questa bella mano’, een curieuze aria waarin de bas wordt begeleid door een contrabas, voorbeeldig gespeeld door Margaret Urquhart. Dat valt in de smaak en als dank mag Berend ook nog een meezinger ‘Ich möchte wohl der Kaiser sein’ ten gehore brengen, beetje alla turca waar alle zangers zich uiteindelijk in mengen en ook het orkest zich van zijn jolige kant laat zien.

Neven wurmt zich er tussen met ‘Ein Mädchen oder Weibchen’ en mag daarna nog samen met Eerens het duet ‘Bei Männern’ ten gehore brengen, waarbij de Vaal duidelijk jaloers is (stil spel!). Tenslotte komt Anne Sophie Petit met opgestoken zeil haar woede uiten omdat die hele Zauberflöte plotseling gecanceld blijkt te zijn, ja corona hè. ‘Der Holle Rache’ is hier wel op zijn plaats natuurlijk.

Na de pauze volgt de Duitse dans nr. 6, voluit alla turca ditmaal. En Katharine Dain die te laat is gekomen voor de audities zingt moederziel alleen dan maar de wonderschone aria ‘L’amero’ uit Il re pastore. Na weer wat amateurtoneel volgt tenslotte de complete Schauspieldirektor waarin Dain en Petit elkaar vocaal naar het leven staan. In ‘Ich bin die erste Sangerin’ probeert Jan-Willem Schaafsma de kijvende sopranen uit elkaar te houden. Dat lukt hem zowaar zonder gekrabd te worden.

Muzikaal is de pastiche een zeer geslaagde voorstelling. Je moet er vooral naar toe omdat er uitstekend wordt gezongen over de gehele linie. Door zangers er uit te lichten zou ik anderen te kort doen. Het orkest onder leiding van Kenneth Montgomery speelt als vanouds en gaat goed mee in de kleine muzikale grapjes die er zo nu en dan worden gemaakt. Al met al een vermakelijke avond.

Alle fotomateriaal : © Hans Heijmering