live voorstellingen

DON CARLOS in Antwerpen 2010

Carlos549883afcf961

© Annemie Augustijns

De Vlaamse Opera heeft met de Don Carlos van Peter Konwitschny in februari 2010 een zeer controversiële en tegelijk intrigerende productie in huis gehaald. Veel mensen liepen al in de pauze weg, ik vond het _toen_  iets hebben…..

Van geen enkele opera van Verdi bestaan zoveel versies als van Don Carlos. In Antwerpen heeft men op verzoek van de regisseur besloten om de Franse oerversie uit 1867 op te voeren. Daar ben ik heel erg blij om, want voor mij is de oerversie de meest logische die er bestaat. Zonder de eerste akte lijkt het alsof de latere handelingen van de hoofdpersonen uit de lucht komen vallen. Nu je weet wat er vooraf ging, begrijp je ook hun motivatie beter.

Ook muzikaal is het onontbeerlijk. Zonder de voorkennis van het bloedmooie liefdesduet snap je niet waar het steeds herhaalde thema vandaan komt en waar je aan moet denken als het alweer voorbijkomt. Denk aan Wagner!

De menselijke stem is het teerste instrument dat er bestaat. Je kan er nog zo goed voor zorgen, niet alles heb je in eigen hand. De winter weet niet van ophouden en de kou (plus de sneeuw en de regen) is niet het gezondste voor een mens, laat staan voor een zanger.

 

Carlos549883ae5a09f

© Annemie Augustijns

Voorafgaand aan de voorstelling kwam Aviel Cahn (de baas van de Vlaamse Opera) met de mededeling dat Eboli, die ziek was geworden bij de première, inmiddels ook Elisabeth had aangestoken, maar dat de dames hun best zouden doen om er toch wat van te maken

Nu weet ik niet hoe ze klinken als ze niet verkouden zijn, maar zaterdag waren ze allebei uiterst prettig om naar te luisteren. De Italiaanse Susanna Branchini (Elisabeth) beschikt over een fluwelen timbre met een zeer makkelijke hoogte en een aangeboren gevoel voor drama. Af en toe deed zij mij aan Mirella Freni denken, maar dan met iets meer body in haar stem.

Marianna Tarasova beschikt over een onmiskenbaar Russisch timbre, met veel borsttonen, maar het was nergens storend, integendeel. De zeer temperamentvolle zangeres zette een zeer betoverende Eboli neer.

De enige die ziek leek te zijn, was Jean-Pierre Furlan (Carlos). De toch al niet zo charismatische zanger begon niet al te best. Zijn zeer onstabiele stem was aan de dunne kant.

En ja hoor, halverwege de tweede akte ging het doek naar beneden en daar was Aviel Cahn weer. De tenor was ziek geworden, de dokter was al bij hem en voorzag hem van allerlei medicatie. Hij zou zijn best doen om de voorstelling te voltooien.

En dat deed hij. Heel erg dapper haalde hij het einde, waarna hij – erg ontroerend – te kennen gaf dat hij er ook niets aan kon doen en vervolgens een warm applaus in ontvangst mocht nemen.

 

Carlos 549883af1dd31

© Annemie Augustijns

Posa (Dario Solari) was hier een soort alter ego van Schiller, een vondst waar ik niet echt gelukkig mee was, want het maakte van hem niet alleen maar een deelnemer, maar ook een toeschouwer. Of een regisseur, die de boel even naar zijn zin zet.

Solari is een forse, mooie man. Zijn stem is een beetje wollig en hij moest er even inkomen, maar daarna ging het van mooi naar mooier. Met zijn grote volume en een warme geluid wist hij alle versieringen soepel te nemen. Bijzonder ontroerend was hij in zijn confrontatie met de koning en zijn sterfscène bezorgde hem terecht een open doekje.

 

CarlosHuijpen

©Annemie Augustijns

Francesco Ellero d’Artegna was een goede maar een beetje kleurloze Filips en Jaco Huijpen zong een huiveringwekkende Groot-Inquisiteur.

De Antwerpse enscenering van de hand van Peter Konwitschny (ja, dezelfde die in Amsterdam Salome heeft verprutst) was niet nieuw. Het was eerder al te zien in Wenen en Barcelona. De Weense voorstelling, met Ramón Vargas, Bo Skovhus, Iano Tamar, Alastair Miles en Nadja Michael (toen nog een mezzo) is ooit op dvd uitgekomen,

Konwitschny’s regie vond ik zonder meer goed en – voornamelijk – goed uitgewerkt. Aan het einde van de romantisch neergezette eerste akte (inclusief de sterrenhemel), kwam een witte kale muur naar beneden, waarin de personages tot het einde opgesloten zouden zitten, als in een doos.

 

Carlos549883b434b67

© Annemie Augustijns

Er waren deuren, maar die waren allemaal te klein, waardoor iedereen, inclusief Philippe en Le Grand Inquisiteur, moesten buigen om er in of uit te gaan. Mooie vondst. Het geeft aan dat een ieder eigenlijk een gevangene is, en dat zelfs de grootste heerser ergens voor moet buigen. Voor God? In de visie van Konwitschny lijkt het er sterk op, zeker met de prominente positie die hij aan Karel V (hier niet gestorven maar zich verbergend in een klooster) in zijn productie geeft.

 

Carlos549883ac80c8e

© Annemie Augustijns

In plaats van het ballet kregen wij (voor veel mensen vreemd, voor mij zeer goed bedacht) een soort pantomime, getiteld ‘Eboli’s droom’. Daarin blikt zij vooruit naar de truttigheid van de jaren vijftig en de ultieme droom van de meeste meisjes: trouwen, gezinnetje, (schijn)gezelligheid. Triest, heel erg triest.

 

Carlos549883b3961d6

© Annemie Augustijns

Op een vernuftige manier betrok Konwitschny ook het publiek bij het drama, waardoor je, willens en wetens, deel moest nemen aan de actie. Zonder dat je het goed in de gaten had, klapte je voor een dictator, waardoor je zelf medeverantwoordelijk werd voor tal van gruwelen. Manipulatie? Jazeker, maar het werkte wel….

Er waren ook veel minpunten: er werd, wat mij betreft veel te veel op de grond gevallen en gerollebold – af en toe zie je gewoon niets. Ook het te pas en te onpas herhalen van een Piëta –beeld werd op een bepaalde moment gewoon dodelijk saai.

 

De productie staat ook op You Tube. Hieronder deel 4: hoe de publiek meegesleurd wordt in het spektakel:

Bezocht op 20 februari 2010

 

ELEKTRA aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

© Hans van den Bogaard

Sommige dingen vervelen nooit. Het doet er niet toe hoe vaak je ze hebt gezien, gehoord of gelezen: goed is goed. Neem Willy Deckers Elektra bij De Nationale Opera. De productie stond in oktober 2011 voor de vierde (en laatste) keer op het toneel. Mooier en beter dan ooit tevoren.

Een goed geschreven boek dat ook nog eens ergens over gaat, wordt een klassieker. Zodoende lezen we nog steeds Tsjechov, Proust, Homerus en Oscar Wilde, om er een paar te noemen. Denkt u dat er na twintig jaar, laat staan na honderd, iemand nog weet wie Kluun of Heleen van Rooyen waren?

De opera’s van Mozart, Puccini, Wagner of Strauss hebben een eeuwigheidswaarde, maar denkt u dat alle producties die ooit van hun werken werden gemaakt ook de eeuwigheid mee in kunnen gaan?

De meeste niet, nee en alle conceptualisten en hun aanhang ten spijt – sommige van hun ‘scheppingen’ zijn al verouderd op het moment dat ze in première gaan. Dat heb je als je te veel wilt actualiseren en op het dagnieuws in wil te spelen.

Gelukkig waren er – en zijn er nog steeds – regisseurs die werkelijk dat beetje ‘extra’ aan een opera kunnen toevoegen. Zij weten er hun stempel op te drukken zonder het werk te willen veranderen en blijven trouw aan het libretto en zeer zeker aan de muziek. Ongeacht of ze traditioneel of modern te werk gaan.

Elektra Willy Decker

Willy Decker © GPD/Phil Nijhuis

Willy Decker is zo’n regisseur. Natuurlijk, niet alles van hem is geniaal (ook Mozart heeft niet alleen maar meesterwerken gecomponeerd), maar hij werkt nooit tegen de muziek in en in alles wat hij doet, blijft hij logisch en consequent.

Zijn Elektra ging bij De Nationale Opera voor het eerst in 1996 in première en is sindsdien nog twee keer herhaald, in 2000 en 2006. In het kader van het ‘Oresteia – jaar’ werd de productie in 2011 voor de derde (maar wel de allerlaatste!) keer teruggehaald.

Ook voor mij was het de vierde keer dat ik de productie in Amsterdam zag. Ik heb het altijd fantastisch gevonden. Het orkest was soms beter, soms minder, ook de solisten hadden niet altijd hetzelfde hoge niveau, maar het was altijd zeer spannend en het liet je nooit onberoerd achter.

Maar nu, alsof het inderdaad een ware zwanenzang betrof, heeft iedereen zichzelf overtroffen. Zo goed en zo mooi heb ik het nog nooit eerder gehoord. Voor het eerst in mijn leven (en ik heb Elektra, één van mijn meest geliefde opera’s, heel wat keren meegemaakt) hoorde ik er dingen in die ik nooit eerder heb gehoord.

Weemoedige Weense walsjes bijvoorbeeld. Momenten van stilte en bezinning. Ongekende lyriek. En dat alles met zo ontzettend veel liefde en betrokkenheid gespeeld! Voor het eerst in mijn leven hoorde ik een orkest dat niet zichzelf, maar de zangers de hoofdrol gunde en ze zo veel mogelijk ondersteunde. Dankzij onze nieuwe chef-dirigent, Marc Albrecht. Bravo, maestro!

Marc Albrecht over Elektra:

Orkestleden met wie ik na afloop van de voorstelling heb gesproken, hebben allemaal mijn indruk bevestigd. Zo lyrisch, zo ingetogen hebben ze de partituur inderdaad nog nooit eerder gespeeld. En Albrecht kunnen ze inmiddels op handen dragen.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Evelyn Herlitius (Elektra) ©Hans van den Bogaard

Evelyn Herlitius is geen onbekende in Amsterdam. In 2008 zong zij hier een zeer indrukwekkende Farberin in ‘Die Frau ohne Schatten’ – overigens ook onder de baton van Marc Albrecht, die hiermee zijn visitekaartje bij DNO afgaf.

Haar eerste Elektra zong zij in januari 2010 in Brussel (met Eva-Maria Westbroek als Chrysothemis) en de rol behoort inmiddels tot haar paradepaardjes. Waar ze de kracht vandaan haalt om de hele avond op bühne te staan en onafgebroken de meest heftige muziek te zingen, zonder zichtbare vermoeidheid en zonder dat haar stem het zelfs even opgeeft – het is mij een raadsel.

Haar Elektra was verrassend lyrisch, maar dan wel met een windkracht 10! Zij overschreeuwde zich nergens en toch kwam ze mooi boven het orkest uit! Haar prachtige topnoten waren zuiver en gewoon mooi. Men zei dat zij op de generale nog beter op dreef was, iets, wat ik mij eigenlijk niet eens kan voorstellen!

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Gerd Grochowski (Orestes), Michaela Schuster (Klytämnestra), Evelyn Herlitius (Elektra) © Hans van den Bogaard

Ook Gerd Grochowski (Orestes) hebben wij in Amsterdam al eerder gehoord: als een zowat volmaakte Kurwenal in Tristan und Isolde, maar ook in Elektra vijf jaar geleden. Zoals altijd wist hij met zijn diepe klaroengeluid te imponeren, om van zijn présence niet te spreken!

Zijn Orest was veel meer dan een ‘wraakinstrument’ in de handen van zijn zus, hij was verbeten en vastberaden en ook zonder haar had hij zijn ‘plicht” vervuld. Aan het eind werd hij, gestoken in de bebloede jas van zijn vader, getooid met de glinsterende kroon van zijn moeder.

Nu zijn zus ook dood is (anders dan bij Strauss/von Hoffmanstal danst zij zichzelf niet dood, maar pleegt zelfmoord door tegen het mes van Orestes te lopen – goed bedacht en zeer logisch), gaat hij regeren en ik denk niet dat het een prettige periode gaat worden. Nee, geen held om compassie mee te hebben.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Camilla Nylund (Chrysothemis), Evelyn Herlitzius (Elektra) © Hans van den Bogaard

Het was de eerste keer dat Camilla Nylund de rol van Chrysothemis zong en zij deed het voorbeeldig. Menig sopraan verkijkt zich op die rol, die veel zwaarder is dan men denkt. Met haar Marylin Monroe outfit en haar eeuwige tasje was zij echt meelijwekkend. Maar was zij werkelijk zo onschuldig zoals wij dachten? Stof tot nadenken.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Evelyn Herlitzius (Elektra), Camilla Nylund (Chrysothemis) © Hans van den Bogaard

Men vond haar stem aan de koude en afstandelijke kant, maar dat vond ik bij de rol, zoals Decker haar ziet, juist voortreffelijk passen. Ik denk, dat ze er nog in gaat groeien, maar al bij de première vond ik haar prestatie werkelijk bijzonder.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Michaela Schuster (Klytämnestra) © Hans van den Bogaard

In de rol van Klytämnestra was nou eens niet een uitgezongen zangeres te horen. Michaela Schuster had niet alleen alle noten paraat – zij wist ze ook als een kameleon naar haar hand te zetten en schakelde tussen het zingen en het sprechgesang alsof het niets was. Fenomenaal. Ook als actrice wist zij mij voor 100 procent te overtuigen. Haar vertolking was ontroerend in haar wanhoop en wellicht de meest meelijwekkende van allemaal.

Hubert Delamboye was een bijzonder goede Aegisth en wist in zijn korte scène een heel drama te stoppen, dat zelfs in een film niet zou misstaan.

Deze keer was Decker er zelf niet bij. De productie werd heringestudeerd door Wim Trompert, tussen 1992 en 2004 voornamelijk werkzaam als assistent-regisseur bij DNO, maar inmiddels zelf een regisseur van naam.

Trailer van de productie:

Richard Strauss
Elektra
Evelyn Herlituis, Michaela Schuster, Camilla Nylund, Hubert Delamboye, Gerd Grochowski, Tijl Faveyts e.a.
Het Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht
Regie: Willy Decker

Bezocht op 5 oktober 2011

DAS FLOSS DER MEDUSA

2_henzefloss hans_werner_1965

Hans Werner Henze in 1968 © NDR / Susanne Schapowalow

Soms vallen de dingen gewoon mee. Of tegen. Hangt van de kant af waar je het uit bekijkt.

Zo bang als de dood was ik voor de productie van Romeo Castelucci van Henze’s Das Floss der Medusa. Ik heb al eerder het een en ander van hem gezien en dat alles stemde mij niet vrolijk. Zijn uitspraken over de ‘actualisering’ en het naar ‘het heden halen’ van het verhaal; maar – bovenal – de vergelijking die hij trok tussen het negentiende-eeuwse drenkelingendrama met de (het kon niet uitblijven) vluchtelingenproblematiek deden mij het ergste vrezen.

Achteraf kon ik opgelucht ademhalen: het viel mij allemaal mee. In geen velden of wegen was er een vluchteling te bekennen en dat waar ik het meest bang voor was, het beeld van het aangespoelde jongetje in zijn rode T-shirt was ons, aan de goden lof bespaard gebleven.

floss schilderij

Théodore Géricault: Het vlot van Medusa,1819, Louvre

Castelucci, de door mij gevreesde enfant terrible bleek bij nader inzien een min of meer aaibare kunst te hebben geleverd waar de angel uit was getrokken. Dat was dus wat mij tegenviel. Wie het schilderij van Théodore Géricault ooit in het echt heeft gezien, heeft er op zijn minst een paar slapeloze nachten van hebben gehad want het gruwelijke lot van de opvarenden van het fregat Méduse is nooit beter zichtbaar gemaakt.

Niet zichtbaarder dan, maar wel hoorbaarder want het was Hans Werner Henze in 1968 gelukt om een oratorium over het onderwerp te componeren waar je daadwerkelijk angstvisioenen van kreeg. Dat kreeg hij voor elkaar door behalve een drietal solisten een werkelijk immens koor en orkest (alles bij elkaar meer dan 250 man!) in te zetten en ze de meest onzingbare muziek te laten uitvoeren.

Een kort radio-interview met Hans Werner Henze, gemaakt vlak voor de uitzending:

Dat het hem toen om Ché Guevarra ging voor wie het werk als Requiem bedoeld was zij hem vergeven. Het waren de jaren zestig, toen de ‘linker kant van de maatschappij’ nogal verblind op de werkelijkheid reageerde. Tegenwoordig kun je het stuk op alle onrecht van de wereld toepassen. Ook voor het gebrek aan zorg voor de zwakkeren in onze eigen maatschappij, om maar iets te noemen. Gebruik je hersenen, zou ik zeggen!

 

_floss_d_medusa_1968

De repetitie van het oratorium in het Ernst-Merck-Halle. © NDR / Hans-Ernst Müller

Even kort waar het verhaal over gaat:  in 1816 voer het fregat Méduse op een zandbank 60 mijl uit de westkust van Afrika. Aan boord was er een vlot waar 147 opvarenden opklommen die niet in de sloepen pasten of er niet op werden toegelaten. Van 5 tot 17 juli dobberde het vlot rond en toen het werd gevonden waren er nog maar twaalf mensen in leven. De anderen waren overboord geduwd, verhongerd of opgegeten.

Van dat alles kregen we (hier weer de opluchting) niets de zien. Wat we te zien kregen was een videoprojectie van de zee. Van links naar rechts en van boven naar beneden keken we ruim een uur lang tegen de ingeblikte beelden van blauwgroene, voortkabbelende zeemassa waar ik persoonlijk rustig van werd.

Op film: Mamadou Ndiayeop het toneel: Lenneke Ruiten (La MOrt)

Mamadou Ndiaye. Met op de voorgrond Lenneke Ruiten © DNO 2018/Monika Rittershaus

Er was ook een donkere man die onophoudelijk door het beeld zwom. Ik neem aan dat hij als symbool diende voor de vluchtelingen (dus toch een beetje). Maar hij was ook Jean-Charles, de mulat van het schilderij. Hij had ook een rode vlag bij zich: de vlag waarmee hij de aandacht van het naderende schip wist te trekken. Maar ook het symbool van jaren zestig dwaalidealisme van Henze. Denk ik.

 

floss_der_medusa_228

©  DNO 2018/Monika Rittershaus

 

Het koor was in – en achter – de zee opgesteld en grotendeels onzichtbaar. Er werd de suggestie gewekt van de dobberende mensen, je zag koppetjes op- en afspringen en je zag af en toe iemand er in verdwijnen. Aan het eind kregen we alleen handen te zien en voor het eerst die avond werd ik oprecht ontroerd.

Wat het werk van Henze normaliter zo ontzettend indrukwekkend maakt is – onder anderen – de positionering van het koor. Eerst zie je ze aan de ene kant van het podium staan maar zodra één iemand het leven laat, verplaatst die zich naar de andere kant, daar waar de Dood het voor het zeggen heeft. Dat alles heb ik gemist.

 

floss_der_medusa_173

©  DNO 2018/Monika Rittershaus

De Dood kwam hier in de gedaante van een New York Times-reporter, zij droeg een gele regenjas en witte laarzen. Het stoorde niet. Niet dat ik het echt snapte, maar ach… Wat wél belangrijk was, was dat de rol zo onwaarschijnlijk goed werd gezongen! Petje af voor Lenneke Ruiten! Hoe zij die hondsmoeilijke octaafsprongen en die onmenselijke hoogte de baas was… wow! BRAVA!

 

floss_der_medusa_065

 Mamadou Ndiaye,  Bo Skovhus, Lenneke Ruiten. Op de voorgrond: Dale Duesing. ©  DNO 2018/Monika Rittershaus

Ook Bo Skovhus (Jean-Charles) gaf de – voor mij – onuitvoerbare muziek de best mogelijke stem. Hij fluisterde, hij riep, hij smeekte en hij zong… dat laatste zowat perfect. Iemand die zo veel verschillende gevoelens weet over te brengen verdient een enorm applaus. En dat applaus, die kreeg hij ook.

 

Dale Duesing (Charon)

Dale Duesing ©  DNO 2018/Monika Rittershaus

Dale Duesing was een fantastische Charon (spreekrol), de veerman die de overledenen naar het dodenrijk brengt. Met een absoluut perfecte dictie wist hij alle gebeurtenissen stem te geven: zo duidelijk en zo verstaanbaar dat ik de boventiteling niet nodig had. Bij zijn laatste woorden: ‘Der Mulatte Jean Charles, der – den Blick auf das rettende Schiff gerichtet – den roten Fetzen geschwenkt hatte, lag in Agonie, als man ihn barg, und ist nicht mehr erwacht. Die Überlebenden aber kehrten in die Welt zurück: belehrt von Wirklichkeit, fiebernd, sie umzustürzen.” kreeg ik eindelijk de kippenvel waar ik de hele avond op heb gewacht. Waarvoor dank.

Ik ben geen fan van Ingo Metzmacher, maar in dit repertoire is hij waarachtig één van de besten. Met veel zeer voelbare liefde en een strakke hand leidde hij het Nederlands Philharmonisch Orkest langs alle valkuilen heen. Het meest ben ik hem er dankbaar voor dat hij het goddelijk spelend orkest dienstbaar heeft gemaakt aan de echte ‘hoofdpersoon’ van het oratorium: het koor.

Ik zeg: het koor, maar het waren er drie. Koor van De Nationale Opera, Capella Amsterdam en Nieuw Amsterdams Kinder- en Jeugdkoor (Nieuw Vocaal Amsterdam). Drie koren, samen meer dan honderd mannen, vrouwen en kinderen, allemaal zingend op het allerhoogste niveau en samen een onwezenlijk geluid voortbrengend: dat van mensen in nood. Hoe de drie dirigenten: Ching-Lien Wu, Daniel Reuss en Eline Welle het voor elkaar hebben gekregen?

Ze zongen zonder partituur, zonder tekst, zonder steun van een autocue of andere hulpmiddelen. Die hondsmoeilijke muziek met die onuitspreekbare teksten .. dat alles deden ze alsof ze nooit iets anders hebben gedaan.
Chapeau!

Vanwege de muziek en vanwege alle uitvoerenden: GAAN!

Trailer van de productie:

Zie voor meer informatie de website van De Nationale Opera.

Hans Werner Henze
Das Floss der Medusa
Dale Duesing, Bo Skovhus, Lenneke Ruiten
Koor van De Nationale Opera, Cappella Amsterdam, Nieuw Amsterdams Kinderkoor
Nederlands Philharmonisch Orkest olv Ingo Metzmacher.
Regie: Romeo Castellucci.

Bezocht op 13 maart 2018

Meer Henze:
HANS WERNER HENZE: esthetisch -theatrale wereldverbeteraar in drie opera’s en een biografie

HANS WERNER HENZE en zijn L’UPUPA

AUBER: De Zwarte Domino verbleekt bij La Muette de Portici

Door Peter Franken

 

Auber©Philharmonie-de-Paris-JM-Angles-

Daniel-François-Esprit Auber par Auguste Lemoine © Philharmonie de Paris, J.-M. Anglès

 

Op 27 februari van dit jaar bezocht ik in Luik Le domino noir van Daniel Auber. Die man was een veelschrijver, in zijn meest productieve periode schreef hij 40 opera’s in evenzo vele jaren. Dat is bij Le domino noir wel een beetje te merken aan de kwaliteit, erg eenvoudig, muziek afgestemd op ‘grappige’ dialogen die eindeloos lijken. Veel spreekrollen, weinig zang voor de bijfiguren. Als het stuk in een Nederlandse vertaling zou gaan, moeten we denken aan iemand als Joop Doderer in de bijrol van lord Elfort.

1._le_domino_noir_officielles_logo_c_lorraine_wauters_-_opera_royal_de_wallonie-25 (2)

Anne-Catherine Gillet als Angèle © Lorraine Wauters

Eigenlijk krijgt alleen de hoofdrol Angèle (uitstekend vertolkt door Anne-Catherine Gillet) iets fraais toebedeeld. Haar grote aria ‘La belle Inès fait florès’ draagt bij wijze van spreken de hele avond.

Wie de voorstellingen in Luik heeft gemist, kan toch nog zijn hart ophalen aan de complete opname van de opera met Sumi Jo in de hoofdrol:


LA MUETTE DE PORTICI

 

2011-2012 Opera Comique"LA MUETTE DE PORTICI" de D-F-E Auber
dir mus: Patrick Davin mes: Emma Dante

Elena Borgogni als Fenella © Elisabeth Carecchio

Anders is het gesteld met La muette de Portici, ook wel bekend als Masaniello. Dit is de grand opéra waar Auber zijn vroege faam aan ontleende. Over de gehele linie vind ik dit werk beslist beter dan Le domino noir. Daar doen die meer dan duizend voorstellingen in de 19e eeuw niets aan af. Ik zag La muette op 9 april 2012 in de Opéra Comique in Parijs. Het betrof een coproductie met De Munt maar van een uitvoering in Brussel is het nooit gekomen.

Dat de Opéra Comique, gevestigd in de Salle Favart, met La Muette kwam, lijkt op het eerste gezicht wat vreemd. De Comique brengt tegenwoordig echter Franse opera’s van elk genre dus waarom niet eens een grand opéra?

Omdat zoiets niet kon met het kleine Orchestre de Pasdeloupe, het huisorkest, werd gebruik gemaakt van het feit dat in De Munt twee voorstellingen liepen met gastensembles, waardoor koor en orkest geleend konden worden. Het trok veel belangstelling, opera minnend Parijs liep er voor uit zodat ik slechts met moeite een kaartje kon bemachtigen.

 De opera

Het verhaal speelt zich af in het Koninkrijk Napels dat onder Spaans bestuur staat. Centraal staat een opstand van een groep vissers uit het dorpje Portici die onder aanvoering staan van Masaniello. Zijn ‘stomme’ zuster Fenella is eerder verleid door Alphonse, de zoon van de Spaanse onderkoning. Hij heeft haar in de steek gelaten maar zij duikt uitgerekend weer voor hem op als hij net in het huwelijk is getreden met de Spaanse prinses Elvira. Dat geeft genoeg materiaal voor een spannend verhaal.

De vissers komen in opstand en dreigen Alphonse en Elvira te doden. Deze vluchten in vermomming en willen zich verschuilen in een hut…. die toevallig net die van Masaniello is. Op aandringen van Fenella (‘love trumps hate’) helpt hij hen ontsnappen. Dat verraad aan de opstand kost hem het leven, hij wordt vergiftigd door zijn vriend en medestander Pietro. De opstand mislukt en Fenella pleegt uiteindelijk zelfmoord .

Zeer bekend is het duet ‘Amour sacré de la patrie’ dat Masaniello en Pietro zingen in de tweede akte, waarin zij elkaar als het ware aanvuren om in opstand te komen tegen de Spaanse overheersers:

Mieux vaut mourir que rester misérable!
Pour un esclave est-il quelque danger?
Tombe le joug qui nous accable.
Et sous nos coups périsse l’étranger!
Amour sacré de la patrie,
Rends-nous l’audace et la fierté;
A mon pays je dois la vie;
Il me devra sa liberté.

Alfredo Kraus & Jean-Philippe Lafont in ‘Amour sacré de la patrie’:

Zoals bekend wordt dit duet in verband gebracht met het uitbreken van de opstand in Brussel die leidde tot de afscheiding van zuidelijk Nederland en de stichting van België. De huidige politieke verhoudingen in dat land, waarvan beide helften zich geknecht voelen door de ander, waren mede aanleiding voor De Munt om La Muette eerst in Parijs te spelen en pas een paar jaar later in Brussel. Zoals Peter de Caluwe het formuleerde: ‘Tegen die tijd zal België toch wel weer een regering hebben’. Dat is echter niet genoeg gebleken, het zal er nu wel niet meer van komen.

 

2011-2012 Opera Comique"LA MUETTE DE PORTICI" de D-F-E Auber
dir mus: Patrick Davin mes: Emma Dante

Église Gutiérrez (Elvira) en Maxim Mironov (Alphonse)  ©  Elisabeth Carecchio

De productie

Regisseur Emma Dante had ervoor gekozen om dansende acteurs in te zetten in plaats van balletdansers en dat met inbegrip van Fenella. Het effect was matig, rondhupsende soldaten en vissers en een niet zingende titelheldin die evenmin danstechnische hoogstandjes ten beste kon geven. Wat overbleef was een actrice die het publiek moest doen vergeten dat in haar plaats ook een sopraan had kunnen staan. Immers, een van de verhalen rond het ontstaan van dit werk luidt dat men geen geschikte zangeres voor de rol kon vinden, iemand die voldoende tegenwicht kon bieden tegen de beoogde Elvira, zodat maar besloten werd om La fille de Portici te veranderen in La muette de Portici.

Fenella heeft van Alphonse een rode sjaal gekregen die ze als attribuut gebruikt. Gaandeweg wordt die sjaal steeds groter tot het uiteindelijk een lap stof is waar ze min of meer in verstrikt raakt. Elena Borgogni speelde Fenella als een slangenmens, een furie met een overdaad aan ‘expressie’ en veel armgezwaai. Ze gooide zich geheel en al in haar rol maar het beperkte bewegingsrepertoire maakte dat haar ‘over the top act’ na verloop van tijd toch wat begon te vervelen.

De enscenering was eenvoudig: vrijstaande deuren die door figuranten heen en weer werden bewogen om de indeling van de ruimte te wijzigen, kroonluchters, vrouwen in hoepelrokken, poppen met opengewerkte hoepelrokken. De mannen (vissers, soldaten) speelden voortdurend met banieren (wit en rood), op een erg vrouwelijke wijze en qua uitvoering tamelijk basaal.

Al met al vond ik het werk tamelijk knullig gemoderniseerd en helaas geen bevestiging van de gedachte dat met dit genre iets moois verloren is gegaan. De befaamde revolutiearia viel me ook nog al tegen, weinig opzwepend. Als hierdoor een opstand is uitgebroken dan moet de tijd er wel heel erg rijp voor zijn geweest.

 

2011-2012 Opera Comique"LA MUETTE DE PORTICI" de D-F-E Auber
dir mus: Patrick Davin mes: Emma Dante

Mechanische poppen met hoepelrokken © Elisabeth Carecchio

De uitvoering

Église Gutiérrez (Elvira) was verkouden. Ze had weinig volume, zong heel zachtjes en voorzichtig maar haalde wel alle noten. Gelukkig heeft de Salle Favart een betrekkelijk klein auditorium waardoor haar rol toch redelijk uit de verf kwam.

De Amerikaanse tenor Michael Spyres overtuigde als Masaniello. Bijgaande link geeft hiervan een uitstekende indruk.

Michael Spyres zingt Massaniello’s ‘Spectacle affreux’ en ‘Ferme les yeux … Du pauvre seul ami fidèle’:

Laurent Alvaro (Pietro) heeft een krachtige bariton die bijna te groot is voor deze zaal. Gelukkig speelde hij de ‘slechterik’ in het stuk waardoor het gebulder eigenlijk wel goed uitkwam. De wat zachter zingende Maxim Mironov overtuigde als Alphonse.

Patrick Davin dirigeerde koor en orkest van De Munt op adequate wijze.

La Muette di Portici in Dessau:   LA MUETTE DE PORTICI

 

HANS HEILING als mijnbouwopera in Essen

Door Peter Franken

 

Hans Heiling

Scènefoto uit Hans Heiling © Thilo Beu.

Het sluiten van de laatste kolenmijn in het Ruhrgebied eind van dit jaar leidt aldaar tot ‘Bergwerk’ nostalgie. De Aalto Opera speelt hier op in met Hans Heiling, een zelden gespeeld werk van een bijna vergeten componist, Heinrich Marschner. De titelheld in Hans Heiling keert na een mislukt avontuur in de bovenwereld terug naar het ondergrondse rijk van de Aardgeesten, waardoor elk contact tussen beide werelden wordt verbroken. Evenzo wordt in het Ruhrgebied de enig nog resterende verbinding met een onderaardse wereld afgesneden.

Heiling Marschner

Marschner was een belangrijke Duitse componist ten tijde van de romantiek. Van de talrijke opera’s die hij schreef hadden er drie veel succes: Der Vampyr (1828), Der Templer und die Jüdin (1829) en Hans Heiling (1833). Zijn werk wordt – vooral bij gebrek aan andere voorbeelden – in brede kring gezien als schakel tussen de opera’s van Weber en Wagner.

 

Heiling kin Rotterdam

Hans Heiling is de zoon van de koningin van de Aardgeesten, te vergelijken met Wagners Nibelungen, en een aardse man. Hij is dus half mens, zijn verlangen naar de ‘bovenwereld’ is genetisch bepaald. Een affaire met het eenvoudige dorpsmeisje Anna loopt echter slecht af. Hoewel zij heeft beloofd met hem te zullen trouwen, vlucht ze in de armen van dorpsjongen Konrad wanneer ze door krijgt wie en wat Heiling eigenlijk is: geen geleerde rijke man, maar iemand uit de ondergrondse wereld, een Aardgeest. Die informatie heeft Anna overigens van Heilings moeder die haar voor de ernstige gevolgen waarschuwt als ze Hans niet los laat – ‘Hör auf mein Wort’. Moeder wil haar zoon gewoon weer terug waar hij hoort, zonder daarbij acht te slaan op diens wensen. Hoewel Heiling bij zijn vertrek al zijn schepen achter zich heeft verbrand wordt hij toch weer in genade aangenomen door zijn onderdanen. Hij wil wraak nemen op de mensen die hem bedrogen hebben, maar zijn dominante moeder weet hem hiervan te weerhouden – ‘Der Liebe Lust und Leid’. Daarmee is de orde hersteld: mensen en Aardgeesten leiden weer een geheel gescheiden bestaan.

Regisseur Andreas Baesler heeft het rijk van de Aardgeesten getekend naar het imperium van de familie Krupp. Alfred neemt de plaats in van Hans, zijn overheersende moeder Bertha speelt de rol van de koningin. Mijnwerkers in originele werkpakken vertegenwoordigen de Aardgeesten die hun heersers (werkgevers) rijkdommen moeten bezorgen. Tijdens de proloog zien we Alfred in een eikenhouten decor dat zo lijkt weggehaald uit Villa Hügel, het paleisachtige onderkomen van de familie Krupp. Zijn moeder is gekleed als Bertha zoals afgebeeld op het reusachtige familieportret dat in Villa Hügel hangt.

Marschner heeft de ouverture tot dit werk geplaatst na de prelude. Dit acht minuten durende orkestrale intermezzo werd verlevendigd door de vertoning van een film met originele beelden van de regionale ‘kolengeschiedenis’. Voor het Essener publiek pure nostalgie, voor buitenlui een fascinerend schouwspel. In de eerste akte treffen we Hans in een moderne jaren zestig bungalow, voorzien van open haard en een uitgebreide platenverzameling. Hier ontvangt Hans zijn verloofde Anna en haar moeder. Ook nu weer een parallel met Alfred die tegen de zin van zijn ouders een kantoormeisje trouwde en uiteindelijk Villa Hügel ontvluchtte door in een apart huis op het landgoed te gaan wonen. En net als de Koningin bij Hans wist ook Alfreds moeder het huwelijk van haar zoon te ruïneren.

Het over Hans Heiling heen gelegde Krupp familiedrama is nogal dwingend vorm gegeven maar toch ook weer niet zo dat het stoort. Voor het publiek is het een kwestie van hoe meer details men herkent, des te boeiender het wordt. Wat natuurlijk helpt is dat de gemeenschap als geheel in de kolenmetafoor wordt betrokken, inclusief werkkleding die aan haken omhoog wordt gehesen, een kantoortje waar men zijn loon afhaalt en een Bergwerkorkest dat tijdens de bruiloft van Anna en Konrad op de bühne speelt.

Hans Heiling

© Thilo Beu.

Muzikaal viel er veel te genieten tijdens de première op 24 februari. De Essener Philharmoniker onder leiding van Frank Beermann speelde als eigenlijk altijd, onberispelijk en vol overgave. Wat een geweldig orkest is dit toch, het beste van de gehele regio. Ook het koor wist te overtuigen, prima ingestudeerd door Jens Bingert.

Bij de zangers viel oudgediende Jeffrey Dowd weer eens te beleven, dit keer als Konrad. Verdienstelijk al merk je dat de jaren gaan tellen, zeker in de hogere passages. Maar wat heeft die man de afgelopen 20 jaar wel allemaal niet moeten zingen daar.

Rebecca Teem als Bertha Krupp ofwel de Koningin van de Aardgeesten vertolkte haar rol adequaat maar niet erg meeslepend. Een kouwe kikker en misschien was dat ook wel de bedoeling. Bettina Ranch nam de rol van Anna’s moeder Gertrude voor haar rekening, daar viel niet veel eer aan te behalen.

 

Hans Heiling

© Thilo Beu.

Heel anders was dit met de twee hoofdrollen. Jessica Muirhead is de nieuwe stersopraan van het gezelschap en die reputatie deed ze in haar vertolking van Anna alle eer aan. Wat een schitterende zangeres, puntgaaf optreden. Overigens had haar kleding iets minder lomp gemogen. Standsverschil hoeft nu ook weer niet overdreven te worden.

 

Hans Heiling

© Thilo Beu.

De titelrol was in handen van bariton Heiko Trinsinger. Ook over hem niets dan goeds, hij wist zijn personage volledig tot leven te wekken, van eenzame directeur via verliefde buitenstaander – ‘An jenem Tag’ – tot gedesillusioneerde op wraak beluste man. Aardig om te vermelden dat hij kort geleden ook de titelrol in Der Vampyr speelde voor de Komische Oper Berlin.

Hans Heiling is geen bekend werk. Muzikaal sluit het goed aan bij Weber en de jonge Wagner. Diens eerste opera Die Feen stamt zelf uit hetzelfde jaar als Heiling. Het werk geeft een goede indruk van wat er zoal nog meer werd gecomponeerd eerste helft 19e eeuw in Duitsland, behalve Der Freischütz en Euryante. Het verdient beslist aanbeveling om er voor naar Essen af te reizen. Er volgens nog voorstellingen tot eind juni.

Om een indruk te krijgen een paar muzikale voorbeelden uit de opera. Het betreft een productie van Theater an der Wien uit 2015.

‚An jenem Tag‘: Michael Nagy (Hans Heiling), Katerina Tretyakova (Anna), Stephanie Houtzeel (Gertrude):

‚Hör auf mein Wort‘: Angela Denoke (Die Königin), Katerina Tretyakova (Anna):

Slotscène ‚Der Liebe Lust und Leid‘‘:  Michael Nagy (Hans Heiling), Angela Denoke (Die Königin), Katerina Tretyakova (Anna), Peter Sonn (Konrad):

Heinrich Marschner
Hans Heiling

Heiko Trinsinger, Rebecca Teem, Jessica Muirhead, Jeffrey Dowd e.a.
Essener Philharmoniker en koor van het Aalto-Musiktheater olv Frank Beermann.
Regie: Andreas Baesler

Bezocht op 24 februari 2018

 

Meer Marschner: DER TEMPLER UND DIE JÜDIN

IGOR STRAVINSKY: De nachtegaal en andere fabels. Amsterdam 2012

 

nightingale_cover

© Monika Rittershaus

Igor Stravinsky mag dan componist van De nachtegaal en andere fabels zijn, het waren regisseur Robert Lepage en sopraan Olga Peretyatko die in de productie van De Nederlandse Opera in januari 2012 de show stalen. De één met visueel, de ander met vocaal spektakel.

Na de enorme successen in onder meer Toronto, Aix-en-Provence en Lyon mocht ook het Nederlandse publiek kennismaken met de betoverende sprookjes van Robert Lepage. Ja, Lepage, het is geen vergissing.

Natuurlijk zijn de composities van de hand van Igor Stravinsky, één van de grootste toondichters uit de eerste helft van de vorige eeuw en – zeker in zijn beginjaren – een grote vernieuwer. Maar ik moet heel eerlijk bekennen (al weet ik dat de meesten van u het mij kwalijk gaan nemen): ik houd niet van zijn muziek.

Ik houd niet van de spastische ritmen en ik houd niet van het pseudo-folklore. Ik houd niet van Boerenliederen, met of zonder een (licht) klassiek sausje, en de dierenfabels kunnen mij gestolen worden. Zo. Het is eruit.

nightingale Lepage

Robert Lepage

De Canadese regisseur, schrijver en acteur Lepage richtte in 1994 het multidisciplinaire gezelschap Ex Machina op en behalve toneel, opera en film regisseerde hij ook de voorstellingen van Cirque du Soleil. Ziehier zijn fascinatie voor het sprookjesachtige en het zoeken in het ongewone.

Zijn regies onderscheiden zich door een dankbaar gebruik van alles wat mogelijk (en onmogelijk) is. Als u zijn Ring bij de Metropolitan Opera hebt gezien, weet u wat ik bedoel. Licht, schaduwen, gestileerde choreografie, dans, acrobatiek… al die ingrediënten weet hij tot een fascinerend geheel te kneden.

Voor het ‘Stravinsky-project’ is hij een samenwerking aangegaan met de beroemde poppenmaker/ontwerper Michael Curry en engageerde hij de specialist op het gebied van schimmenspelen en goochelshows Philippe Beau (in het programmaboekje wordt hij de ‘shadowgrapher’ en goochelaar genoemd).

Hij liet het orkest naar het toneel verhuizen, want hun vertrouwde ‘bak’ werd gevuld met water. 50 ton, om precies te zijn. Dat water moet een constante temperatuur van 24 graden hebben en het moet iedere dag ververst worden. Geen sinecure!

De ‘vijver’ is luminescerend verlicht (lichtontwerp Étienne Boucher) en er komen bootjes en passanten voorbij. Ook een visser en de kokkin van de Keizer varen er, in hun zoektocht naar de nachtegaal.

Maar we hoeven niet bang te zijn dat de zangers een natte broek krijgen – onder hun oogverblindende kostuums (ontwerp van Mara Gottler) dragen ze een wetsuit. Bovendien zijn ze het al gewend; bijna allemaal hebben ze ook aan de productie in Aix-en-Provence (en andere steden) meegedaan en ze weten zich te redden.

De zangers worden ‘bijgestaan’ door Vietnamese watermarionetten. Volgens de verhandeling in het boekje is het een categorie apart die totaal anders is dan andere ‘hoofdbespelers’ van poppentheaters. Geloof ik onmiddellijk, maar wat voor mij alleen telt, is dat het heel erg mooi is en dat de voorstelling erdoor verrijkt wordt.

 

Xian Zhang (conductor), Robert Lepage (director), Sybille Wilson (preparation regie), Carl Fillion (sets), Mara Gottler (costumes), Étienne Boucher (light), Michael Curry (marionnettes design), Martin Genest (marionnettes choreography), Caroline Tanguay (preparation marionnettes choreography), Philippe Beau (concept Chinese shadow puppets)

De vos. Vlnr: Andreas Jaeggi (tenor 1), Edgaras Montvidas (tenor 2)

Maar voor wij aan De nachtegaal, zeg maar het hoofdgerecht van de avond beginnen, moeten wij ons voorgerecht opeten. Daar worden dus de Boerenliederen, Wiegenliedjes van de kat en de Onzinliederen (Pribaoetki) opgevoerd. Plus nog wat liederen, wat orkestrale stukken, waaronder drie voor klarinetsolo (bravo voor Hans Colbers!) en het korte operaatje De vos.

Xian Zhang (conductor), Robert Lepage (director), Sybille Wilson (preparation regie), Carl Fillion (sets), Mara Gottler (costumes), Étienne Boucher (light), Michael Curry (marionnettes design), Martin Genest (marionnettes choreography), Caroline Tanguay (preparation marionnettes choreography), Philippe Beau (concept Chinese shadow puppets)

Vier Russische boerenliederen: Dameskoor van De Nederlandse Opera © Monika Rittershaus

Schitterend gezongen, dat zeker. Een pluimpje voor de dames van het koor van De Nederlandse Opera! Maar het geheel is, ondanks het werkelijk betoverende schimmenspel en de adembenemende kunstjes van de acrobaten (hoe doen ze dat?), niet meer dan een vermakelijk avondje uit. Althans voor mij.

Het Residentieorkest was goed op dreef, maar soms vraag je je af waar een dirigent nog voor nodig is. Ik heb zo mijn vermoeden dat het orkest ook zonder de dirigent (de zeer bekwame Chinees-Amerikaanse Xiang Zhang ) net zo goed of wellicht zelfs beter had gespeeld (zeker wat de eerste helft betreft). En omdat zij met haar rug naar de zangers stond en er geen camera’s waren, konden zij elkaar niet zien. En toch ging het prima!

 

Xian Zhang (conductor), Robert Lepage (director), Sybille Wilson (preparation regie), Carl Fillion (sets), Mara Gottler (costumes), Étienne Boucher (light), Michael Curry (marionnettes design), Martin Genest (marionnettes choreography), Caroline Tanguay (preparation marionnettes choreography), Philippe Beau (concept Chinese shadow puppets)

Olga Peretyatko (De nachtegaal) © Monika Rittershaus

De zangers…. Ja, dat was een feestje apart. Om te beginnen was er DE nachtegaal: Olga Peretyatko. Van haar kon ik mijn ogen (en oren) niet afhouden. Ondanks alle poppen, vijvers en kleuren was zij het die de hele voorstelling beheerste, van haar eerste opkomst tot het einde. De momenten dat zij er niet was, zat ik verlangend te wachten tot ik haar zang weer kon horen. Wellicht was het net zoiets als een ‘Oslo-syndroom’ (of in dit geval ‘Nachtegaal-syndroom’), maar het werkte wel.

Xian Zhang (conductor), Robert Lepage (director), Sybille Wilson (preparation regie), Carl Fillion (sets), Mara Gottler (costumes), Étienne Boucher (light), Michael Curry (marionnettes design), Martin Genest (marionnettes choreography), Caroline Tanguay (preparation marionnettes choreography), Philippe Beau (concept Chinese shadow puppets)

Ilya Bannik (De keizer van China), op de achtergrond Olga Peretyatko (De nachtegaal) © Monika Rittershuis

Het was de eerste keer dat ik haar live hoorde en ik werd door haar betoverd. Haar hoogte, haar coloraturen en het kwinkeleren met haar stem zijn onnoembaar goed, maar wat haar van haar andere coloratuur-collega’s onderscheidt, is het gehele plaatje. Zij beschikt over een formidabele middenregister en haar stem is goed gefocust.

 

Xian Zhang (conductor), Robert Lepage (director), Sybille Wilson (preparation regie), Carl Fillion (sets), Mara Gottler (costumes), Étienne Boucher (light), Michael Curry (marionnettes design), Martin Genest (marionnettes choreography), Caroline Tanguay (preparation marionnettes choreography), Philippe Beau (concept Chinese shadow puppets)

Edgaras Montvidas (De visser) © Monika Rittershaus

Edgaras Montvidas, die onder andere de Visser zong, heb ik al eerder gehoord, maar nu heeft hij mij voor het eerst echt overtuigd. Drievoudig bravo.

 

Xian Zhang (conductor), Robert Lepage (director), Sybille Wilson (preparation regie), Carl Fillion (sets), Mara Gottler (costumes), Étienne Boucher (light), Michael Curry (marionnettes design), Martin Genest (marionnettes choreography), Caroline Tanguay (preparation marionnettes choreography), Philippe Beau (concept Chinese shadow puppets)

Yuri Vorobiov (De bonze), Nabil Suliman (De kamerheer), Elena Semenova (De kokkin) © Monika Rittershaus

Maryam Sokolova en Elena Semenova (verschillende rollen) waren zeer overtuigend en ook Ilya Bannik (de Keizer) deed het meer dan voortreffelijk.

Al met al een fascinerende voorstelling. Kon het niet tijdens de kerst geprogrammeerd worden? Een betere en mooiere familievoorstelling kan een mens zich niet voorstellen.

Trailer van de productie:

Igor Stravinsky
De nachtegaal en andere fabels
Olga Peretyatko, Edgaras Montvidas, Ilya Bannik, Maryam Sokolova, Elena Semenova, e.a.

Residentie Orkest en Koor van De Nederlandse Opera olv Xian Zhang.
Regie: Robert Lepage.

Bezocht op 12 januari 2012 in Het Muziektheater – Amsterdam.

 

THE RAKE’S PROGRESS in Amsterdam

 

Paul Appleby (Tom Rakewell0, Nick Shadow (Kyle Ketelsen), figuranten

Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

Stravinsky’s ‘The Rake’s Progress’ behoort tot de meest opgevoerde opera’s die gecomponeerd werden in de twintigste eeuw. Deels ligt het aan de aanstekelijke, toegankelijke muziek, deels aan het grote publiek aansprekend moralistisch verhaal. Met een goede regisseur – en een nog betere vormgever kun je zeker zijn van een daverend succes.

Ook in het Amsterdamse Muziektheater kon men van een daverend succes spreken. Het publiek was uitzinnig, men kwam niet meer bij van het lachen, men vrat het rauw. John Lanting zou tevreden zijn geweest.

Ik vond het maar niets en daarin ben ik, vrees ik, één van de zeer weinigen. Ik behoor – denk ik – tot de één van de drie, vooruit vier, mensen (meer gelijkgestemden kwam ik niet tegen) die er niet van hebben genoten…
Waarom niet? Omdat het verhaal – en de muziek van Stravinsky – onrecht werd aangedaan.

De zangers waren goed (al kon het beter), maar het orkest speelde middelmatig (de dirigent gaf niet goed aan, volgens mij) en de productie was verschrikkelijk over de top, waarbij de regisseur totaal voorbij was gegaan aan de clou van het verhaal. Alle angels waren er uit en van het woord ‘tragikomisch’, want dat is het werk in het echt, werd het eerste deel van het woord weggepoetst.

Het begon al door de rol van Baba de Turk aan een countertenor in travestie te vertrouwen. Dat klopt niet. Stravinsky heeft het niet zo bedoeld. In zijn opera hoort Baba gezongen te worden door een mezzosopraan en ik denk dat Stravinsky toch echt wist wat hij wilde!

 

Andrew Watts (Baba the Turk) en Paul Appleby (Tom Rakewell)

Andrew Watts (Baba the Turk), Paul Appelby (Tom) Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

Het eerste wat ik dacht toen hij/zij opkwam was: was Conchita Wurst niet beschikbaar? Het effect zou hetzelfde zijn geweest..  het zingen wellicht ook. Nu: het publiek vrat het! De lachsalvo’s volgden elkaar in rap tempo op en toen de diva met haar tieten ging zwaaien (dat doen queers immers altijd, toch?) kwamen de mensen niet meer bij. Lachuh! Dat is heel erg verkeerd, want Baba is niet om te lachen. In feite is zij een tragische figuur die nu door de regisseur om zeep werd geholpen. Ik noem het karaktermoord.

Geen cliché werd ons bespaard, dus maakte de diva haar entree met een hondje. Een Pekinees! Hoe verzin je dat! En wat deed het kind daar? Wie was zij überhaupt? Was zij het kind van Baba? Was zij haar jonge alter ego? Best, mogelijk, best mogelijk ……

Over andere ‘vondsten’ doe ik er het zwijgend toe, maar het veilen van het meisje (nog steeds op de bühne aanwezig) kon ik echt niet grappig vinden

Koor van De Nationale Opera, met op de voorgrond Julia Bullock (Anne)

Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

Muzikaal viel er veel meer te genieten, maar ook daar kan ik maar niet echt enthousiast over worden.

 

Paul Appleby (Tom Rakewell) en Kyle Ketelsen (Nick Shadow)

Paul Appelby en Kyle Ketelson Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

Paul Appelby (Tom Rakewell) kon mij goed overtuigen. In zijn interpretatie was Tom een naïeve, suffige domkop die maar niet zo goed snapte wat hem overkwam. Het is alleen jammer dat hij de sulligheid tot het eind heeft gehanteerd, want in de laatste scène wilde ik meer emoties in zijn stem kunnen horen, meer ‘madness’. Maar ik denk dat de akoestiek van het Muziektheater hier (ook) parten heeft gespeeld. Het was alles behalve optimaal.

 

Julia Bullock (Anne)

Julia Bullock (Anne) Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

Julia Bullock (Anne Truelove) is een verrukkelijke sopraan met een mooie, lieve stem, zeer ontroerend in zijn lyriek. Haar smeekbedes waren hartbrekend. Helaas is haar instrument aan de kleine kant waardoor niet alle nuances goed hoorbaar waren.

 

Paul Appleby (Tom Rakewell) en Kyle Ketelsen (Nick Shadow)

Paul Appelby (Tom) & Kyle Ketelosn (Nick) Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

Kyle Ketelsen (Nick Shadow) kon mij niet helemaal overtuigen. Voor een echte duivel miste hij eenmaal de gevaarlijke aantrekkelijkheid, dat – niet zo kleine – ‘iets’ wat maakt dat je je aan zo’n iemand totaal kunt overgeven en daar ook nog eens blij om wordt. Wat overigens ook in het libretto staat. Zijn bariton is rond en warm maar ik wil in die rol wat meer kruid horen, meer peper. Dat McBurney hem als een ambtenaar heeft uitgedost wilde ook niet helpen.

 

rakes_progress_142

Julia Bullock, David Piitsinger, Kyle Ketelson & Paul Appelby Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

David Pittsinger (Truelove) was voor mij de echte ster van de avond. Zijn stem is groot en resonerend waardoor hij niet alleen goed hoorbaar was maar ook al de nuances in zijn zang fantastisch wist over te brengen.

 

Voorgrond: Alan Oke (Sellem (veilingmeester)) en Koor van de Nationale Opera

Alan Oke (veilingmeester) en Koor van de Nationale Opera Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

Allen Oke zette een fenomenale veilingmeester neer, waarbij hij en passant ook les in acteren ten beste gaf.

Hilary Summers was een aardige maar niet echt overtuigende Mother the Goose. Haar interpretatie paste beter bij een moeder dan bij een bordeelmamma.

Evan Hughes (Keeper of the Madhouse/Nick Shadow II) wist mij met zijn grootse en een kruidige bariton zeer te imponeren wat mij een verzuchting heeft ontlokt: zong hij maar de duivel!

Over Andrew Watts (Baba The Turk) kan ik kort zijn: het was een gruwelijke vergissing. Ik reken het de arme countertenor niet aan, tenslotte deed hij wat de regisseur van hem verlangde. Dat de rol niet voor zijn stemtype was geschreven waardoor zijn tessitura niet toereikend was? Peanuts, toch? Moet kunnen…..

Ook over het koor kan ik kort zijn: geweldig! Alleen voor hun prestaties is het beslist de moeite waard om de opera te bezoeken!

Het orkest speelde goed, maar de echte bezieling ontbrak. Het was allemaal een beetje braaf, een beetje gewoontjes. Zeker vóór de pauze, want daarna, toen er wat minder te lachen viel, werd ook de orkestklank beter. Overigens: ik denk niet dat het aan de musici van het Nederlands Kamerorkest lag, (denk alleen al aan de schitterende trompetsolo van Ad Welleman!), de schuldige was ongetwijfeld Ivor Bolton. Er kwam zo ontzettend weinig inspiratie van hem af! Stravinsky – of je er van houdt of niet – is ‘all about ritme’ en laat dat nou hetgene te zijn wat ik het meest miste.

 

rakes_progress_133

Andrew Watts, Kyle Ketelson, Julia Bullock, Paul Appelby & David Pittsinger Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus

De moraal van het verhaal (denk aan Don Giovanni! Stravinsky kende heus zijn klassiekers!) werd door de protagonisten vóór de bühne gezongen en dus voor de bezitters van slechte(re) kaartjes waarschijnlijk niet te zien. Net als minstens een derde van de hele opera.

Was er werkelijk niemand die de regisseur op de verschillen – ook in de akoestiek, maar niet alleen – tussen Aix-en-Provence en de Stopera kon attenderen?

Trailer van de productie:

Igor Stravinsky
The Rake’s Progress
Paul Appelby, Julia Bullock, Kyle Ketelsen, David Pittsinger, Hilary Summers, Andrew Watts, Allan Oke, Evan Hughes
Koor van De Nationale Opera en het Nederlands Kamerorkest het olv Ivor Bolton
Regie: Simon McBurney

Discografie: IGOR STRAVINSKY: THE RAKE’S PROGRESS. Discografie