live voorstellingen

Herinneringen aan een zeer geslaagde Il Viaggio a Reims in Antwerpen

Wanneer heeft u voor het laatst zo gelachen dat de tranen over uw wangen rolden en u niet meer wist hoe snel u in de pauze de toiletten moest bereiken, want uw buik en uw blaas (en eigenlijk uw hele lichaam) hadden ook mee gedaan? Het toilet: laat ik hier maar mee beginnen, want in de nieuwe en meer dan schitterende productie van Il Viaggio a Reims van Rossini in Antwerpen is dat kleine kamertje verheven tot één van de ‘hoofdrollen’.

Wij bevinden ons in een vliegtuig, dat wegens technische problemen niet kan opstijgen. Het geëmailleerde gezelschap van prominenten uit alle Europese landen plus het ‘klootjesvolk’ (wij zitten in een dubbeldekker, met boven de economie en onder de superplus class) is gevangen in een claustrofobische omgeving, waar ze niet uit kunnen ontsnappen. Nee, het is geen drama. Het is een satire.

Of het ook de bedoeling van Rossini was? Wellicht wel, maar daar komen wij nooit achter. Zelf beschouwde hij het als een ‘gelegenheidsstuk’, gemaakt ter – inderdaad, de gelegenheid – van de kroning van Charles X in 1825. De opera kende een groot succes, maar al na drie voorstellingen trok Rossini de stekker er uit. Veel van de muziek hergebruikte hij in Le Comte Ory, de rest verdween in verschillende laden in verschillende landen (hoe toepasselijk, vindt u niet?) en werd pas eind jaren zeventig van de vorige eeuw teruggevonden.

Terug naar het toilet: die is zowat continu bezet. Het wordt ook voor alles en nog wat gebruikt: er wordt er in gesnoven, gespoten, gerookt, gedronken en de liefde bedreven. En mocht de nood hoog zijn (en dat is, met al die wodka en champagne), dan nog steeds moet je geduld opbrengen, want bezet is bezet.

De ‘nood’, die heeft overigens een ongekend mooie choreografie, in de maat van de muziek opgeleverd. En omdat het programmaboekje geen aparte vermelding maakt voor de choreografie, neem ik aan dat de regisseur Marianne Clèmont daar zelf verantwoordelijk voor is. Brava!

In een interview zei zij dat ze de clichés over de landen en nationaliteiten zoveel mogelijk wilde vermijden. Een zowat onmogelijke taak, zeker met een opera als Il Viaggio, die de vooroordelen (heerlijk om het nog eens mee te maken) tot kunst heeft verheven. Maar het moet gezegd: het lukte haar wonderwel goed!

De productie zit vol geestige vondsten en de werkelijk geniale grappen zijn niet te beschrijven. En verwacht geen ‘theater van de lach’ want subtiliteit regeert er, ondanks de soms grove (en pijnlijke!) verwijzingen. Van mij mag het. Afijn.. genoeg over de regie en de productie. U moet mij geloven dat het werkelijk geweldig was.

De première en de meeste voorstellingen werden/worden gedirigeerd door de oude (83!) Rossini specialist, Alberto Zedda. Op de door mij bezochte middag stond een jonge Japanse dirigent, Ryuichiro Sonoda op de bok. Hij heeft een buitengewone liefde voor Rossini opgevat en heeft zich in hem en zijn muziek gespecialiseerd. Hij heeft al het een en ander (ook Il Viaggio) in Pesaro gedirigeerd.

De fascinatie was hoorbaar. Hij behandelde de partituur zo ontzettend liefdevol dat je niet anders dan verliefd op de score moest worden, mocht je het nog niet zijn geweest. Volgens Zedda is Il Viaggio de meest Rossiniaanse partituur die er bestaat en daar zijn de kenners en liefhebbers het mee eens.

De uitvoering kon gewoon niet beter. Alle, en dan bedoel ik alle, voornamelijk (zeer) jonge zangers waren voortreffelijk. De meesten zongen hun rol voor het eerst, wat een prestatie. Serena Farnocchia (Madama Cortese) werd verontschuldigd voor haar keelaandoening, nou – ik vraag mij af hoe zij zonder de keelaandoening zou klinken.

Beide sopranen (Elena Gorshunova en Elena Tsallagova) waren aan elkaar gewaagd, en hun coloratuurduel, met de citaten uit de Toverfluit, was niet te versmaden. De mezzo Anna Goryachova was een onweerstaanbare Marchesa Melibea – wat een charisma!

Ook de heren mochten er zijn. Om te beginnen de werkelijk fenomenale Carlo Lepore (don Profondo). Zijn “cataloog” aria ‘Medaglie incomparabili’ was voor mij één van de hoogtepunten. Robert McPherson als Cavalier Belfiore  en Josef Wagner als Lord Sidney waren meer dan goed en al de kleine en de kleinste rollen waren om te smullen.

Daar kan een mens dagenlang op teren en ik spreek uit ervaring: ik ben met een glimlach naar bed gegaan en ben met een glimlach wakker geworden.

Bezocht op 27 december 2011 in Antwerpen

alle foto materiaal © Annemie Augustijns

Minidiscografie van Il Viaggio a Reims

Mislukte Tosca door Opera Zuid: samenloop van ‘omstandigheden’?

Omstandigheden, daar heb je geen invloed op. Denk je een opera-avond te kunnen beleven zoals een ‘gewone toeschouwer’ het doet: zonder pen bij de hand en zonder extreem gespitste oren, krijg je opeens te horen dat de ingeplande collega de voorstelling wegens omstandigheden niet kan bezoeken dus ….

Opera Zuid draag ik een warm hart toe. Met weinig middelen hebben ze de meest fantastische producties uitgebracht: Faust, Kát’a Kabanová, Madama Butterfly om maar n paar te noemen. Helaas valt de nieuwe Tosca van het gezelschap niet in die categorie. En, hoe graag ik het ook zou willen, voor deze Tosca kan ik niet warm lopen. Bezuinigen moet, dat snap ik wel, maar bezuinigen betekent niet dat je ook op het niveau moet beknibbelen?

Het inzetten van de plaatselijke amateurkoren is natuurlijk leuk, zeker voor de koorleden en hun familie en vrienden, maar het is niet voldoende voor een professioneel operagezelschap.

Daniel Henriks (Il Barone Scarpia),
met links Philips’ Philharmonisch Koor met Tjitte de Vries (Il Sacerdote, tevens koordirigent) en Marjolein Bonnema (La marchesa Attavanti)

In de scène voorafgaand aan de binnenkomst van Scarpia schrijft Puccini kinderen voor: dat doet hij niet voor niets! De overgang van de lachende hoge kinderstemmen naar de onheilspellende akkoorden en de beangstigende eerste noten van de barone boezemen je angst in. Niet bij Opera Zuid, want in plaats van de kinderen kregen wij vier volwassen kerels. Weg beklemming. Dag Puccini! Een klein kinderkoortje kost heus niet zo veel?

De regie is vrijwel traditioneel, met de min of meer herkenbare (al een zeer summiere) decor en kostuums en de obligate gebaartjes die we al ettelijke keren hebben gezien.

Helaas: zonder concepten hebben we tegenwoordig geen opera. Dat vindt Nicola Glück blijkbaar ook: haar Tosca gaat niet over de zangeres en superster Tosca, maar over het lijden van de Marchesa Attavanti. Floria en haar minnaar zijn maar bijzaak.

Over het zingen kan ik kort zijn: het was weinig soeps, al speelden de omstandigheden daar wel een rol bij. De oorspronkelijke Tosca, Rossana Potenza, moest één week voor de première plaatsmaken voor Capucine Chiaudani. Op haar cv staat dat zij de rol al eerder heeft gezongen, maar er wordt niet vermeld waar

Capucine Chiaudani (Floria Tosca), Adriano Graziani (Mario Cavaradossi)

Haar Tosca steeg niet boven een gemiddeld provinciaals niveau uit, maar ik wil haar nog het voordeel van de twijfel geven. Het kan ook aan de omstandigheden liggen. Zeker omdat het artistieke team het haar niet makkelijk maakte. Ze moest alle akten volbrengen in dezelfde gifgroene jurk (groen is jaloezie?), die ook nog eens slecht zat. Een diva die bij een feestelijk gala in dezelfde jurk komt opdagen als ’s morgens in de kerk? Of moet ik dat ook op het conto van de bezuinigingen schrijven?

Adriano Graziani (Cavaradossi) was duidelijk verkouden. Toch lukte het hem om zijn rol iets van een ‘Cavaradossi-gloed’ te geven. Nog niet zo lang geleden was hij als een fantastische Pinkerton te bewonderen, dus ik twijfel er niet aan dat hij, zodra hij zijn verkoudheid te boven komt, een gloedvolle Mario gaat neerzetten.

De Duitse bariton Daniel Henriks was niet meer dan een fatsoenlijke Scarpia, mar dan zonder enige uitstraling. Nee, voor hem zou ik niet bang zijn, laat staan dat ik mij erotisch tot hem aangetrokken zou voelen.

De enige die ik echt goed vond, was Elmar Gilbertsson als Spoletta. En Marjolein Bonnema als de Marchesa Attavanti. Nee, Puccini heeft voor haar geen noten geschreven, maar Nicola Glück wist beter. De arme zus van Angelotti was alle drie de akten op de bühne aanwezig. In de eerste bad ze in de kerk, legde de verkleedkleren voor haar broer neer en deed mee aan Te Deum. In de tweede was ze de bediende van Scarpia (sic!) en in de derde mocht ze nog een mopje meezingen: nadat ze verkracht, geschopt en geslagen was, hief ze liggend het herdersliedje aan…

Oh ja, er waren ook nog vluchtelingen (afgekeken van Herheims Onjegin?) Geen idee wat zij op de Engelenburcht deden en hoe ze daar überhaupt terechtkwamen…

Het orkest begeleidde onder Stefan Veselka ordentelijk, maar zonder passie.

Trailer van de productie:

Fotomateriaal © Morten de Boer

Giacomo Puccini
Tosca
Capucine Chiaudani, Adriano Graziani, Daniel Henriks, Marcel van Dieren, Martijn Sanders, Elmar Gilbertsson, Rubèn Plantinga, Marjolein Bonnema, Tjitte de Vries
Het Brabants Orkest en de plaatselijke opera- of oratoriumkoor olv Stefan Veselka

Bezocht op 24 mei 2013 in het Parktheater Eindhoven

Spectaculaire Ercole Amante in Amsterdam

https://i0.wp.com/pers.operaballet.nl/repository/midres/3/3/14.ercoleamante0060.jpg

Pauzes: daar houdt men in Amsterdam niet van. Soms krijg je zelfs de indruk dat men ze het liefst helemaal zou willen schrappen. In het ruim vijf (!) uur durende Ercole Amante van Francesco Cavalli mochten we er maar één hebben. Dat dat toch geen lange zit werd, en dat de verveling niet toe sloeg (want laten we wel zijn: Cavalli is geen Purcell, Händel of Monteverdi) is geheel te danken aan de spectaculaire regie van David Alden.

Alden heeft een spannende wereld gecreëerd waarin het verleden met het heden werd verweven, en waarin historische personages en Griekse goden getransformeerd werden tot stripfiguren (Conan the Barberian!). Alles zat er in: horror, humor, promiscuïteit; bovendien schuwde Alden geen uitvergrotingen en persiflages, en strooide rijkelijk met filmcitaten (Don’t look now, Child’s Play).

De opera werd geactualiseerd, zonder dat ze ge-updated werd. Zeg maar: barokke tradities met een knipoog naar het heden. Knap, hoor! En alles werd letterlijk uitgebeeld, wat een collega een zucht uitlokte dat ze echt niet hoeft te zien wat ze toch in het libretto leest. Hoezo? Zeker een onbekende opera is daar alleen maar mee gediend? De kostuums en decors waren kleurig en rijk, en de gavotte ging gepaard met disco en house.

https://i1.wp.com/pers.operaballet.nl/repository/midres/3/3/27.ercoleamantegeneral0018.jpg

Luca Pisaroni zette een voortreffelijke Ercole neer. Zijn soepel gevoerde bariton met een heerlijke sexy ondertoon paste de machoheld als een handschoen. Ook als acteur was hij meer dan overtuigend. Geen wonder dat Deianira (een zeer ontroerende Anna Maria Panzarella) hem niet kwijt wilde en best raar dat Iole (een mooie, maar een maatje te klein Veronica Cangemi) zijn saaie zoon Illo (een inderdaad saaie Jeremy Ovenden) boven hem verkoos.

Zelf was ik behoorlijk onder de indruk geraakt van Anna Bonitatibus (Giunone). Haar stem was ouderwets mooi: met vibrato, met expressie en met soepele overgangen.

https://i2.wp.com/pers.operaballet.nl/repository/midres/3/3/15.ercoleamanteorchdress0002.jpg

Het orkest (Concerto Köln) onder leiding van Ivor Bolton speelde goed, maar een beetje hoekig, voor mij mocht er meer sprankeling in, maar misschien was er niet meer uit de muziek te halen.

Gezien bij De Nationale Opera in Amsterdam in januari 2009

Fotomateriaal: © Ruth Walz

Weergaloze Barbara Haveman triomfeert in een onweerstaanbare Manon Lescaut

Manon Alden

Als u 6 juli 2011 niet in het Concertgebouw was, heeft u één van de beste uitvoeringen van Manon Lescaut gemist. Zomeropera Alden Biesen gaf Puccini’s opera aangrijpend vorm, met een glansrol van Barbara Haveman.

Eerlijk is eerlijk: voor de pauze had ik mijn bedenkingen. Het lag voornamelijk aan het geluidsniveau: ik vond het orkest te hard spelen, waardoor de zangers slecht te horen waren.

Daar werden voornamelijk de tenoren de dupe van: de licht lyrische Erik Rieger viel af en toe helemaal weg en van Mickael Spadaccini had ik de indruk dat hij zichzelf overschreeuwde. Mede daardoor vond ik ze een maatje te klein voor hun rollen.

Hoe onterecht! Na de pauze werd de balans tussen het orkest en de zangers ‘hervonden’ en er stond mij niets meer in de weg om te genieten en te treuren. En dat deed ik!

Met volle teugen genoot ik van het prachtige Zomeropera Orkest, dat voornamelijk bestaat uit muziekstudenten. Onder leiding van de meezingende Frederico Santi wisten ze een zinderend drama uit hun instrumenten te halen zonder de heerlijke Pucciniaanse ‘schmalz’ te vergeten en bij de Crisantemi, oftewel het Intermezzo tot de tweede akte, wiegden ze mij rechtstreeks de zevende hemel in.

Ik genoot van de zangers van het kleine Zomerkoor, die met hun denderend geluid de schijn van tientallen kelen wekten.

Manon-Luk-Monsaert-1

Scène uit Manon Lescaut (foto: Luk Monsaert).

Maar het meeste genoot ik van de solisten. Barbara Haveman heeft de rol van Manon al vaker gezongen, onder andere aan de Weense Staatsoper. Ik heb haar daar gehoord en was behoorlijk onder de indruk, maar gisteren heeft zij zichzelf overtroffen.

Manon Haveman fidelio hingaars

Barbara Haveman

Met huid en haar is zij in de persoon van de wispelturige heldin gekropen. Ze flirtte, had lief, verveelde zich, zij leed en stierf zoals een Puccini meisje betaamt – een onvergetelijke melodie zingend. Maar anders dan haar ‘zusters’ wilde ze niet in haar lot berusten: zij wilde niet dood en dat liet ze ons weten ook. Haveman heeft het goed begrepen. Haar schrijnende ‘Non voglio morire’ deed werkelijk pijn en wie het droog kon houden die heeft geen hart.

Mickael Spadaccini (Des Grieux) is een naam om in de gaten te houden. De jonge Belg (geboren te Charleroi) heeft al een behoorlijk repertoire opgebouwd, dat voornamelijk uit spinto rollen bestaat. Zijn stem is krachtig, zijn hoogte makkelijk en zijn timbre donker. Hij deed mij een beetje aan Mario del Monaco denken: heroïsch, maar dan met meer subtiliteiten. Ook in zijn spel was hij meer dan overtuigend.

Het is altijd leuk om de oudgediende Piet Vansichen (Geronte/Zeekapitein) tegen te komen. Weinig zangers kunnen zo ontzettend goed met hun rollen omgaan zoals hij: ontegenzeggelijk een echt bühnebeest, maar dan een met een bulderende stem, waarmee hij zowel komisch als dreigend (soms beide tegelijk!) uit de voeten kan.

Eric Rieger (Edmondo/Lantaarnopsteker/Dansleraar) heeft mij, na mijn afhankelijke aarzeling, volkomen overtuigd in al zijn drie rollen. Zijn stem is niet al te groot, maar dat hoeft ook niet – het contrast met Spadaccini werd er alleen maar beter door.

Emilio Marcucci was een aardige, niet echt hemelbestormende Lescaut, wat hij met zijn zeer prettige verschijning wist te compenseren.

Manon Van Laecke_Frank

Frank Van Laecke © Belgaimage

De productie kwam uit de Zomeropera Festival in Alden Biesen en de regie was in handen van Frank van Laecke, een meesterlijke sfeertekenaar die heel wat beroemdere collega’s les zou kunnen geven in de begrippen ‘mise-en-scéne’ en ‘personenregie’.

Speciaal voor het Concertgebouw heeft hij de boel aan de zaal en het publiek aangepast. Heel erg slim maakte hij gebruik van al die trappen, het orgel en de balkons en liet de zangers zoveel mogelijk met hun gezicht naar de zaal toe zingen.

Maar denk niet dat hij concessies aan de opbouw van het drama heeft gedaan! Nog steeds speelde hij met de kostuums en de rekwisieten, voegde een licht symboliek toe en liet Manon sterven, zoals we het nog nooit eerder hebben gezien. Niet op de grond – de laatste rijen zouden het zeker niet hebben kunnen zien – maar tergend langzaam de trap oplopend. Zo verdween ze ‘achter de horizon’, maar net zo goed kon ze ter hemel zijn opgenomen. Ik vond het een heel erg mooie vondst.

Van Laecke heeft wel de ‘madrigalen scène’ uit de tweede akte uitgeknipt, maar het zij hem vergeven. Als je met zo weinig middelen zo iets geweldigs kan bereiken dan ben je niet minder dan een genie.

Barbara Haveman, Emilio Marcucci, Mickael Spadaccini, Piet Vansichen, Eric Rieger, Koen van Agtmael
Zomeropera Orkest en Koor olv Frederico Santi
Regie: Frank van Laecke

Holland Festival 2010: aangrijpende double bill van Birtwistle valt tegen en dat ligt niet aan de muziek

Corridir

Sir Harrison Birtwistle © Holland Festival

Het Holland Festival voerde op 21 juni 2010 de double bill Semper Dowland, semper dolens/The Corridor van Sir Harrison Birtwistle op. Het zijn aangrijpende, zielsverscheurende stukken, maar veel was daar niet van te merken in het Muziekgebouw aan ’t IJ.

Sir Harrison Birtwistle (1934) wordt beschouwd als één van de grootste nog levende Engelse componisten. Terecht. Je kunt hem, zoals het eigenlijk bij alle goede componisten het geval is, geen etiket opplakken. Hij is een serialist, maar anders dan zijn ‘streng in de leer’-collega’s schuwt hij de emotie niet en zijn muziek heeft een thema..

En geen abstracte ook: Birtwistle is sterk beïnvloed, niet alleen door Stravinski maar ook door het Griekse theater. Hij is geobsedeerd door de mythologie, voornamelijk door de mythe van Orfeus en daar is hij nog steeds niet over uitgepraat (of uitgemusiceerd). Daar kan ik me helemaal in vinden, want inderdaad: daar is het laatste woord nog niet over gezegd.

De doublebill van Semper Dowland, semper dolens (letterlijk: ‘altijd Dowland, altijd smartelijk’, een bewerking van liederen en instrumentele stukken van de renaissance-componist John Dowland) en The Corridor (Birtwistle’s visie op de mythe van Orfeus) beleefde zijn première in 2009 in Aldeburgh. Het Holland Festival haalde de productie naar Amsterdam.

Het zijn zeer aangrijpende, op het eerste gezicht metershoog van elkaar verwijderde stukken. Maar als je er aandachtig naar gaat luisteren, ontdek je dat ze eigenlijk dicht bij elkaar staan.

Beide werken, met als belangrijkste thema spijt en onvervulde verlangens, versterken elkaar niet alleen inhoudelijk. Ook de muziek – hoe gek het ook mag klinken – heeft vrijwel dezelfde impact op je ziel. Birtwistle schrijft zielsverscheurende muziek, vol pijn en kwaad. Maar in zijn lyrische momenten is hij betoverend mooi.

Helaas was daar pijnlijk weinig van te merken. Pierre Audi maakte een mise-en escape. Deze keer betekende het een echte regie, met een echt decor en een soms oogverblindende belichting – en dat bedoel ik letterlijk.

De zaal werd helemaal ‘verbouwd’ en het publiek mocht plaats nemen op stoelen tegenover elkaar. Op zich een goede vondst, want daardoor ontstond een soort halletje, een corridor. Het decor bestond uit stoelen waarop vellen papier (met liederen? Muziek?) lagen. De vellen papier werden af en toe omgegooid (waarom? Uit woede?) en er werd met de stoelen geschoven. Of erop geklommen. Het nut ervan ontging mij, maar ja, wie ben ik?

Na de pauze hadden de stoelen plaats gemaakt voor de zuilen, waar de hoofdpersonen tegen leunden om hun leed uit te drukken. Allemaal zinloze gebaren, met als het hoogtepunt de hand van Orfeo op de harp aan het eind. Zo middelbareschoolachtig!

CorridorElizabeth-Atherton-©-Malcolm-Watson

Elizabeth Atherton © Malcolm Watson

Dat allemaal zou ik op de koop toe nemen als de uitvoering goed was, maar dat was het niet. Het kleine orkestje olv Reinbert de Leeuw speelde mooi en zacht, en toch werden de zangers (in de kleine zaal met een zeer goede akoestiek, nota bene) versterkt. Waarom? Het leverde een zeer onnatuurlijke klank op, wat in het geval van de Elizabeth Atherton (Eurydice) bijzonder pijnlijk uitpakte: haar stemgeluid bezorgde mij letterlijk pijn in mijn oren.

Over de tenor (John Graham Hall) kan ik kort zijn – slecht. Zijn timbre (voor zover ik het kon beoordelen) was op zich mooi. Blank en zeer Engels. Maar hij had amper ademsteun en zijn hoogte was geknepen. En kaal. Hij was er zeer intensief bij betrokken, wat hem, als Orfeus, zeer kwetsbaar en aangedaan maakte. Maar dat was absoluut onvoldoende voor het gedeelte vóór de pauze, waar ingetogenheid en stemschoonheid absoluut vereist werden.

Er bestaat geen mooiere muziek dan de Lachrimae van John Dowland. Het is het absolute summum van wat een Orfeus van vlees en bloed kan bedenken. Daarmee open je niet alleen poorten van Hades, maar ook alle zielen en harten. De mijne bleven krampachtig gesloten.

Dowlands ‘Lachrimae’ gespeeld door Jordi Savall en zijn Ensemble Hesperion XX:

Sir Harrison Birtwistle
Semper Dowland, semper dolens / The Corridor
Elizabeth Atherton (sopraan), John Graham Hall (tenor)
Asko|Schönberg olv Reinbert de Leeuw.
Regie: Pierre Audi.
Bezocht op 21 juni 2010 in Muziekgebouw aan ’t IJ – Amsterdam

E

Wat hebben ‘La Voix Humaine’ en ‘L’Enfant et les sortilèges’ met elkaar te maken en wat maakt het uit?

Op 28 januari 2009 werd in Rotterdam een niet voor de hand liggende double bill gepresenteerd: La Voix Humaine, het keel snoerende (melo)drama van Poulenc werd gekoppeld aan L’Enfant et les sortilèges van Ravel. Op papier zag het er behoorlijk vreemd uit maar het pakte goed uit. Het publiek was super enthousiast, wat mede (voornamelijk?) te danken viel aan de geweldige uitvoerenden.

Rotterdam Miricioiu NRC

Nelly Miricioiu had een nieuwe glansrol aan haar repertoire toegevoegd waarin ze niet alleen overtuigde maar ook bijzonder ontroerde. Zij is een fenomenale actrice maar bovenal een zeer begenadigde zangeres: met haar kruidige sopraan, haar zeer karakteristieke timbre en haar tot de perfectie beheerste vibrato behoort ze tegenwoordig tot de uitstervende ras van de echte diva’s, type Callas, Scotto of Olivero. Haar portret van de verlaten vrouw, die net een zelfmoordpoging achter de rug heeft en op het punt staat het opnieuw te gaan doen, greep mij, letterlijk direct naar de keel.

Na de pauze werd het luchtiger. De éénakter van Maurice Ravel is niet echt makkelijk te realiseren, zeker niet concertante. Iets wat onder andere ligt aan de vele rollen, die dan (hoe kan het anders?) drie- en zelfs vierdubbel bezet werden.

Het sprookje over het verveelde rotjongentje dat door zijn slachtoffers teruggepakt wordt werd zeer vernuftig in scène gezet door Rieks Swarte en zijn firma. Door middel van het gebruik van knipsels en kindertekeningen werd een soort poppenspel gecreëerd, dat door een handbediende videocamera op spectaculaire wijze op de achterwand geprojecteerd werd. Zeer innovatief en verrassend.

De (jonge) zangers waren stuk voor stuk goed, met de mezzo’s Barbara Kozelj (het kind) en Helen Lepelaan (o.a. de moeder, het kopje en de kat) als de echte uitschieters.

Een apart applaus verdient het Limburgs Symphony Orkest dat onder de zeer bezielde directie van Ed Spanjaard de sterren van de hemel speelde.

Katibu di Shon: de eerste Curaçaose opera

Katibu affiche

In juli 2013 heeft De Nederlandse Reisopera (toen nog De Nationale Reisopera) de eerste opera in het Papiaments gepresenteerd: Katibu di Shon, gebaseerd op een novelle van Carel de Haseth en gecomponeerd door Randal Corsen.

Katibu boek

In 2013 was het 150 jaar geleden dat de slavernij werd afgeschaafd. In Nederland dan, want andere landen waren ons al voorgegaan.

Helaas bestaat slavernij nog steeds. Ook in Nederland, ja. Nee, er zijn geen plantages in de polder, maar nog steeds worden er mensen uitgebuit. Oost-Europese arbeiders die als slaven onze asperges plukken. Meisjes uit alle hoeken van de wereld die onder verzinsels ons land worden binnengelokt en hier onder dwang hand- en ****arbeid verrichten, om ons van onze frustraties af te helpen. Ze zijn allang niet meer donker; hun huid kleurt steeds lichter en dat van hun ronselaars steeds donkerder.

Wat ik van de slavernij weet, weet ik alleen maar uit boeken en publicaties, want Polen, het land waar ik geboren werd, heeft nooit aan koloniën gedaan, maar des te meer aan discriminaties. En Polen was – en is – geen uitzondering.

Vanwaar de lange introductie? Omdat ik, als oprechte mensenrechten verdediger, het tijd vind om genuanceerder met de geschiedenis om te gaan. Zwart/wit bestaat niet meer, alle prachtige foto’s van weleer ten spijt. Ze waren net zo gekleurd als de digitaal gefotoshopte foto’s van nu, al hebben de laatsten wat meer mogelijkheden. Geschiedenis is een vak.

Terug naar waar het om gaat: de allereerste opera in het Papiaments, die 1 juli 2013 zijn première in de Amsterdamse Schouwburg heeft beleefd. De verwachtingen waren hoog gespannen en het publiek was beslist niet alledaags te noemen. Wanneer zie je zo veel mooie, prachtig geklede vrouwen bij elkaar? Daar zouden de ‘noordelingen’ eens bij in de leer bij moeten gaan – wat maakt van een vrouw een vrouw; en van een man een man, seksuele voorkeur daargelaten.

Het begon te laat, iets wat ik ook uit ervaring ken (in Israël begint ook alles te laat). Toen kwamen de speeches, waar ik niet op in wil gaan, want anders zijn we morgen nog niet klaar.

Nationale Reisopera  Katubi di Shon Persfoto's
Fotografie: Marco Borggreve

De opera zelf vond ik behoorlijk teleurstellend. Ik snapte wel – en ik verwachtte eigenlijk niet anders – dat de muziek eclectisch zou zijn, daar vraagt de geschiedenis van het eiland ook zonder meer om. Ik vind het niet erg, want een compilatie van verschillende stijlen kan soms juist verhelderend werken en komt de spanning ten goede, maar hier was nergens een echte richting te vinden. Veel jazz, uiteraard, en snoopy cosy, maar er was niets Antiliaans aan te ontdekken.

Voordat u mij van alles gaat verwijten: nee, ik ben geen expert op het gebied van Antilliaanse muziek, maar mijn beste vriendin, die daar vandaan komt, wel. Zij was er gisteren ook. Vandaar dat ik u ook kan vertellen dat het Nationaal Opera en Concert Koor het werkelijk fantastisch deed – ieder woord was te verstaan. BRAVO!

Nationale Reisopera  Katubi di Shon Persfoto's
Fotografie: Marco Borggreve

Het verhaal had een groot ‘De hut van oom Tom’-gehalte en Kunta Kinte (The Roots) was ook nergens ver weg. Dat lag niet zozeer aan het verhaal zelf, dat net zo goed aan operalibretti deed denken, maar aan de vormgeving. Videobeelden met slaven aan kettingen, muren opgebouwd van schedels van omgebrachte slaven… het lag zo voor de hand dat het (vergeef mij!) soms een beetje lachwekkend werd.

Katibu tania

Tania Kross (Anita) deed werkelijk meer dan haar best om ons in haar oprechte liefde voor twee mannen (de slaaf en de meester, ‘Katibu di Shon’) te doen geloven, maar dramaturgisch was het niet goed uitgewerkt.En – vergeef uw arme recensente – maar het deed me aan de toestanden op de Tahiriplein denken, wat, neem ik aan, niet de bedoeling was. Vrouwenverkrachtingen en vrouwenmishandeling zijn net zo oud als Adam en Eva, maar hier deed het behoorlijk vreemd aan. Ook omdat het niet uitgewerkt werd.

Katibu love

De Britse bariton Peter Branthwaite (slaaf Luis) had de looks, maar ik denk dat er veel meer uit zijn rol te halen was.

Katubi-di-Shon-Marco-Borggreve-Nationale-Reisopera-1

Jeroen de Vaal (slaveneigenaar Wilmu) had meer hulp van de regisseur mogen hebben, maar zijn personage kwam toch het beste naar voren.

De opera verdient een tweede kans, want er zit echt muziek in. Een driehoeksverhouding doet het altijd goed, zeker als de twee mannen niet alleen rivalen maar ook beste vrienden zijn.

Ik denk oprecht dat er een fantastische musical in zit en als grote musicalliefhebster ben ik er vrijwel van overtuigd dat het in die vorm een overlevingskans heeft. Sterker nog, het kan een regelrechte hit worden. Het verhaal is er meer dan geschikt voor en de muziek – mocht het nog verrijkt worden met een hit – heeft het ook in zich.

Een opvolger van Miss Saigon? Wie gaat Joop van den Ende bellen?

Fragment uit de uitzending van De Halve Maan (NTR, Ned 2) van vrijdag 17 mei 2013 waarin Tania Kross vertelt over Katibu di Shon:

Alle foto’s © Marco Borggreve / Nederlandse Reisopera

Black tie en DJ’s: 50 jaar van De Nationale Opera

Je vijftigste verjaardag vier je in stijl. Dat had De Nationale Opera goed begrepen. In aanwezigheid van prinses Beatrix trakteerde het Amsterdamse operahuis zijn publiek vrijdag 6 november 2015 op een heus Opera Gala, vol muzikale juweeltjes, waarbij de bubbels rijkelijk vloeiden en men kon zich vergapen aan de meer of minder bekende Nederlanders.

De dresscode voor de avond, black tie, werd gelukkig door de meeste gasten ter harte genomen. En het moet gezegd: heren in smoking en de in avondjaponnen of glinsterende cocktailjurken (zelfs de bontstola’s ontbraken er niet) gestoken dames waren een ware lust voor het oog. Toch even wat anders dan de obligate spijkerbroek met een slobbertrui.

Kunt u zich nog de betovering van de fluwelen rode gordijn en het gevoel van “nu gaat het beginnen” nog herinneren? Nou, die was er weer. Het doek liet zich in zijn volle pracht bewonderen, alvorens het opzij schoof voor een compilatie van foto’s en videobeelden uit de vijftigjarige geschiedenis van DNO. Dat alles op de spetterende klanken van de ouverture van Bernsteins Candide. Marc Albrecht zweepte het orkest op en de stemming zat er meteen in. Het feest kon beginnen.

Robert Carsen bedacht wel een concept. Een goede ook nog, maar die was, door (denk ik?) de vele afzeggingen en de daaropvolgende wijzigingen in het programma een beetje in de war geraakt. Tot er niets meer van overbleef.

Gala Westbroek

Het programma begon zeer toepasselijk met ‘Dich teure Halle’ uit Tannhaüser van Wagner. Eva Maria Westbroek bracht haar aria, die zij nog vóór – en opkomend op – het toneel zong, bij wijze van groet aan de zaal en de toeschouwers. Met de daaropvolgende optreden van het koor in ‘Einzug der Gäste’ bleven we in Tannhaüser. En in de feestelijke sfeer.

Westbroek zong haar aria groots, met veel passie en overgave. Waarmee zij alleen overtroffen werd door haar eigen zelf, in ‘Voi lo sapete’ uit Cavalleria Rusticana, vlak vóór het einde van de avond. Een keuze die vreemder lijkt dan dat het is: Westbroek zat tussen Tannhaüser in New York en Cavalleria Rusticana in Londen in. En wat zag zij er prachtig uit!

gALA uRMANA
Veel Nederlandse operaliefhebbers herinneren zich nog de fantastische Eboli (Don Carlo) van Violetta Urmana van een jaar of tien geleden. Haar ‘O don fatale’ die zij voor het gesloten doek zong was niet meer zo vlekkeloos als toen, maar zeker indrukwekkend.

gALA nOZZE

De finale uit de tweede acte van Le nozze di Figaro voelde als een echte uitsmijter. Het werd gezongen door louter Nederlandse zangers: hoezo kunnen we geen opera meer met alleen maar Nederlanders bezetten? En weer viel het mij op hoe geweldig goed Roger Smeets (Antonio) is! Hij en Marcel Beekman stalen de show in de verder echt hilarisch en goed gezongen (en geacteerde!) scène. Thomas Oliemans, Judith van Wanroij, Lenneke Ruiten, André Morsch, Florieke Beelen, Dennis Wilgenholf: jullie waren allemaal fantastisch!

Gala Rose

Een van de hoogtepunten van de avond was voor mij het optreden van Peter Rose. De bas, begeleid door Peter Lockwood, zong (en acteerde!) Bottom’s Dream uit A Midsummer Night’s Dream van Britten op zo’n fenomenale manier dat ik alleen maar op een vervolg kan hopen.

gALA sABINE

Met het moeiteloos en virtuoos gezongen ‘Aux langueurs d’Apollon’ uit Platée van Rameau kreeg Sabine Devieilhe de zaal op de stoelen. De zeer ingetogen door Adriana Pieczonka gezongen Morgen van Richard Strauss voelde een beetje als een vreemde eend in de bijt, maar mooi was het wel.

 

Gala Willems

Hartverscheurend vond ik het terugzien met de, té jong en té abrupt gestorven Jeroen Willems in een fragmentje uit La Commedia van Andriessen.

Gala koor

Enorm genieten waren de door het DNO-koor aanstekelijk en opzwepend gezongen ‘Polovtsiaanse dansen’ uit Vorst Igor van Borodin. Hopelijk wordt in de nabije toekomst de hele opera op de planken gezet. Het koor is er klaar voor!

gALA tAN dUN

‘Passacaglia: Secret of Wind and Birds’, de nieuwe compositie van Tan Dun kon mij niet bekoren. Dat het publiek uit zijn dak ging is niet verwonderlijk. Gefluit van vogels dat in een swingende jazzy uitbarsting à la Bernstein uitmondt voelt natuurlijk lekker. Het slot mooi bij de Candide- ouverture, maar voor mij klonk het als een slap aftreksel uit In the Waterfront.

GALA BALLET

Ik ben geen grote liefhebber van ballet, maar snap wel dat het niet op een gala van Nationale Opera en Ballet mag ontbreken. Het is dan ook fijn dat er, speciaal voor de gelegenheid een nieuw ballet (choreografie: Krzysztof Pastor) ontworpen werd. Maar of de overheerlijke maar ook de overbekende Crisantemi van Puccini zich er hiervoor leent? De muziek hoor je te ondergaan bij een gesloten doek.

De onoverkomelijke afzeggingen leidden niet tot de grote rampen. Nu ja, een kleintje dan. De stem van Paolo Fanale (vervanger van de aangekondigde Atalla Ayan) was gewoon te klein voor Alfredo. In het duet ‘Parigi o cara’ uit La traviata, dat hij zong met de mooie Eleonora Buratto, was hij amper te horen.

De avond was verder buitengewoon sfeervol, maar als ik toch even mag klagen: mag in het vervolg de dj na afloop vervangen worden door een strijkje? Want afgezien van het afschuwelijke lawaai: 30-plussers in gala zien ‘shaken’ is echt geen gezicht.

Gala fred

Er was één iemand die vrijdag node gemist werd. Fred Lingen, boegbeeld en verpersoonlijking van de opera, had hierbij moeten zijn. Ik troostte me met de gedachte dat er tegenwoordig in de hemel vast ook live-streams worden uitgezonde

Foto’s: Hans van den Bogaard

Peter Grimes in Gent: herinneringen aan een prachtige productie

GrimesGent3

Stel je één van de mooiste steden ter wereld voor, badend in de namiddagzon na een flinke onweersbui. Eerst overheerlijke frietjes, weggespoeld met een verrukkelijk ‘bolleke’ op een terrasje. En dan mag je naar de opera.

Het operahuis zelf is net een bonbonnière. Het lijkt een beetje op die van Antwerpen, maar dan kleiner en nog mooier, met wellicht de fraaiste foyer die je je kan bedenken.

Raar maar waar: het was mijn eerste bezoekje aan het operahuis in Gent. Een bezoekje dat niet anders dan een enorm succes kan worden genoemd. Niet alleen vanwege die oogverblindende entourage, die uiteraard slechts buitenkant was, maar vooral vanwege de opera zelf. Daar kan ik kort over zijn: meesterlijk.

Peter Grimes van Benjamin Britten is geen gemakkelijke opera. Niet omdat de muziek zo moeilijk is. Britten spreekt een zeer begrijpelijke taal, die het midden houdt tussen Berg (Wozzeck), Kurt Weill en Cole Porter (ja, echt waar!). Een taal die bovendien sterk in de Verdiaanse traditie is verankerd.

Nee, het is het verhaal, het thema dat ons ongemakkelijk op onze stoelen laat schuiven. Want laten we wel zijn: hebben we ons er allemaal niet minstens een keer aan bezondigd? Aan het veroordelen zonder de feiten te kennen? En hebben we allemaal niet wel eens moeite met een vreemdeling (gehad)? Iemand die zich niet wil/kan aanpassen? Die bovendien zelf een gespleten persoonlijkheid heeft? Aan de ene kant hunkert hij naar liefde en geborgenheid, aan de andere wilt hij niets anders dan onafhankelijk en zichzelf blijven zonder zich te hoeven conformeren. Tel daarbij een gezonde portie zelfhaat…

GrimesGent2

De productie van David Alden, oorspronkelijk voor de English National Opera gemaakt, werd vorig jaar bekroond met de prestigieuze South Bank Show Award. Hoe terecht! Zelden zie je een regie waarin traditie, vooruitstrevendheid en begrip voor de menselijke psyche zo hand in hand samengaan.

Alden oordeelt niet, dat laat hij aan ons over. Hij laat ons kennismaken met de moeilijke hoofdfiguur, die wellicht schuldig is, maar misschien ook niet. En hij laat ons kennismaken met de maatschappij die hem uitspuugt. Onder de dunne schil van het pseudo-fatsoen gaat hun eigen onfatsoen schuil: zuipen, spuiten, slikken, seksueel misbruik, bemoeienissen met andermans levens, roddels, geruchten. En waar een opgewonden menigte is, is een lynch nooit ver weg.

Mrs. Sedley (een bijzonder sterke, hoewel misschien iets te jong ogende Carol Wilson) is verslaafd aan kalmeringsmiddelen en is beslist niet vies van mannen. Haar obsessie met de misdaad doet het Nederlandse publiek niet alleen aan de in wezen lieve Miss Marple of Jessica Fletcher denken, maar ook (of misschien wel voornamelijk) aan onze eigen misdaadopspoorder, Peter R. de V.

Grimes Gent 549884d279266

Auntie (een fantastisch ogende en dito zingende Rebecca de Pont Davies) is hier geen goedmoedige kroeg- en bordeeluitbaatster. Het meeste lijkt zij op Otto Dix en zijn schilderijen. En een beetje op Marlene Dietrich. Noch man, noch vrouw. Haar expressionistische, decadente verschijning roept herinneringen op aan het Berlijn en haar vluchtelingen uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Eén van de (lichte) verwijzingen naar de tijd van de handeling. Maar ook een nadenkertje.

Grimes Gennt nichtjes

De beide ‘nichten’ (Liesbeth Devos en Tineke Van Ingelgem) lijken net een Siamese tweeling. Ze zijn eeuwig aan elkaar verbonden en lijken in hun autisme zowat de zusters van John, de nieuwe leerjongen van Grimes. Over psychodrama gesproken!

De grotesk aandoende, cokesnuivende Ned Keene had geen betere vertolker dan de jonge Leigh Melrose kunnen krijgen en Philip Sheffield was een werkelijk fenomenale Reverend Horace Adams.

Grimes Gent 549884d4189ed

In de visie van Alden is kapitein Balstrode fysiek gehandicapt. Hij heeft maar één arm en loopt met een stok. Gek genoeg heb ik het al eerder gezien, in de Düsseldorfse productie geregisseerd door Imre Karaman. Toeval?

Peter Sidhom was in de rol van Balstrode een meer dan ideale bezetting. Hij heeft een sterke, bronzen geluid, wat hem een zeker overwicht geeft. Je snapt dan ook meteen waarom iedereen naar hem luistert en waarom Grimes zonder morren zijn raad opvolgt. Maar hij kan ook fluisteren. En acteren.

Ellen Orford (bij vlagen een beetje scherpe Judith Howard) is bij Alden iets anders dan wij haar kennen. Het gaat te ver om haar onverschillig te noemen, maar op de een of andere manier wilt ze toch van het eventuele misbruik van het kind door Grimes niets weten. In de hoop dat haar droom niet verstoord wordt?

Grimes Gent 549884d367276

Peter Grimes (een fabuleuze Jorma Silvasti) zet een mens van vlees en bloed neer. Normaal, of juist niet. Geen brullende ‘Wagner-tenor’, maar een bij vlagen lyrische dromer. Standvastig in zijn beslissingen, maar ook bang voor zichzelf. En voor wat komen gaat.

De meesterlijk opgebouwde scène waarin hij – opgeschrikt door de naderende menigte – het touw laat vallen waardoor John dodelijk verongelukt, is werkelijk huiveringwekkend. Maar dan, aan het eind, als hij het lichaam van het dode kind zachtjes in zijn armen wiegt, dan laat hij voor het eerst zijn echte gevoelens zien. Hartroerend.

Het was de eerste keer dat Leif Segerstam Peter Grimes dirigeerde en hij deed het voortreffelijk. De zee uit de partituur was onder zijn handen woest tijdens de storm en fluisterzacht aan het eind. Petje af!

Ook het koor van de Vlaamse Opera (koordirigent Yannis Pouspourikas) kweet zich voortreffelijk van zijn moeilijke rol.

Niet onvermeld mogen blijven de magische en zeer fascinerende belichting van Adam Silvermann en een werkelijk slimme, ter zake doende en mooie choreografie van Maxine Braham.

Ik kan eigenlijk helemaal geen minpunten bedenken, of het moet het zeer moeilijk verstaanbare Engels van Judith Howard zijn. Of de niet helemaal vlekkeloze cellosolo. Maar dan ben je echt op zoek naar futiliteiten.

Bezocht op 3 juli 2010 in Vlaamse Opera Gent

Alle foto’s © Annemie Augustijns.

Hommage aan Boris Blacher

Vloed affiche

Tijdens het Grachtenfestival in 2011 presenteerde KamerOperaProject een bijzondere muziektheaterproductie: Vloed! In de productie werden drie korte Duitse opera’s uit de periode 1929-1953 aaneengesmeed, twee van Boris Blacher en één van Karl Amadeus Hartmann.

Vloed Blacher

Boris Blacher

Boris Blacher (1904 – 1975) is voor veel muziekliefhebbers terra incognita. Als ze al zijn naam kennen, dan is het van zijn Paganini Variaties, terwijl hij zo veel fantastische werken heeft gecomponeerd.

Verwonderlijk? Niet echt. Hij was van alle markten thuis: vooruitstrevend, maar niet revolutionair genoeg. Politiek en sociaal geëngageerd, maar zonder lidmaatschap van de communistische partij. Experimenterend, maar zonder de grenzen te overschrijden. Hij hield net zo veel van een mopje foxtrot als van ‘variabele metriek’, een manier van componeren waarvan hij de uitvinder was.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij noch collaborateur noch een meeloper, maar hij nam ook geen deel aan verzet en bleef gewoon in Duitsland. Na de oorlog werd hij door zowel de West-Duitsers als de Ossi’s geaccepteerd. Een allemansvriend is zelden echt geliefd. Gelukkig denken we niet meer in hokjes.

KamerOperaProject heeft Blacher in het zonnetje gezet en zijn beide opera’s en zowat alle liederen geprogrammeerd. Om het allemaal in goed perspectief te kunnen plaatsen, werden wij door middel van lezingen, films en (archief)videobeelden met Berlijn in de eerste jaren na de oorlog geconfronteerd

Er zijn maar liefst drie dagen voor het project uitgetrokken. Het ‘hoofdgerecht’ (als ik het zo oneerbiedig mag zeggen) was Vloed!, een uiterst boeiende voorstelling die samengesteld werd uit drie korte opera’s: Blachers Die Flut uit 1946, aangevuld met zijn Abstrakte oper nr.1 uit 1953 en Der Mann der vom Tode auferstand van Karl Amadeus Hartmann uit 1929.

Vloed film

 

Het ‘voorgerecht’ bestond uit een lezing, die ik voortijdig heb verlaten (het was niet te verstaan!) en de eerste naoorlogse Duitse film: Die Mörder sind unter Uns van Wolfgand Staudte, met in de hoofdrollen Ernst Wilhelm Borcher en Hildegard Knef. De film, gedraaid in de puinhopen van de stad, is inmiddels een klassieker en eigenlijk een must.

Het verhaalt over een jonge arts die beschadigd uit de oorlog is gekomen. Hij zint op wraak op zijn vroegere commandant die oorlogsmisdaden op zijn geweten heeft, maar weet zich met behulp van de liefde van een jonge vrouw, een kampoverlevende, uit zijn malaise te onttrekken.

Vloed-3

Scène uit Vloed! © Ronald Knapp

Vloed! liet ons kennismaken met een bankier, die zo in een hoorspel opging dat hij dacht te zijn doodgeschoten door de revolutionairen. Zijn vrouw vond hem radeloos aan, maar dat was maar een verbeelding.

De echte nachtmerrie begon toen de bankier en zijn vrouw een uitstapje maakten naar een in zee liggend scheepswrak, waar ze door de vloed werden verrast. Het resulteerde in heftige emoties: erotiek, jaloezie, doodsangst, bedrog en verlangen en aan het eind werd de bankier daadwerkelijk vermoord.

Volgens de inleiding zou er een parallel bestaan tussen de hoofdpersonen in de film en de opera, maar eerlijk gezegd zag ik het verband niet. Want al kan je, met enigszins goede, of liever, kwade wil nog iets gemeenzaam tussen de staalmagnaat/commandant uit de film en de bankier ontdekken, de Jonge Man en de dokter liggen mijlenver uit elkaar.

De opera zou ook een vingerwijzing zijn naar de oorlogsmisdadigers maar vijfenzestig jaar later was het verband niet zo duidelijk. Vandaar ook dat ik het zeer verstandig van KamerOperaProject vond om de actie naar onze tijd te verplaatsen. Juist nu we te maken hebben met de economische crisis, frauderende bankiers (denk alleen aan de bonussen!), rebellerende (pseudo)revolutionairen en de meelopende massa die het allemaal niets kan schelen.

De voorstelling was waanzinnig spannend. Er werd voortreffelijk in gezongen en geacteerd. Ik werd met name gecharmeerd door de bariton Alistair Shelton Smith (visser). De begeleiding door de zes musici tellende ensemble was voorbeeldig.

Als ‘nagerechten’ werden er twee recitals met liederen en kamermuziek van Blacher geserveerd. De voorstelling Herzenverstand kwam bij mij niet over. Het voelde als een samengeraapte mengelmoes aan liederen en muziekfragmenten waar ik geen rode draad in kon ontdekken.

Op zich zou het niet eens zo erg zijn geweest, als we maar eens wisten wat er werd gezongen. Er was geen boventiteling en de liedteksten ontbraken. Daar hielpen de op de schermen geprojecteerde tekeningen van Paul Rosié niet, al gaven ze tenminste enige aanwijzing.

Rosanne van Sandwijk beschikt over een ongetwijfeld mooie mezzo, met een prettige timbre. Het kan natuurlijk aan haar leeftijd en onervarenheid liggen, maar zij is nog veel te voorzichtig, zowel in haar voordracht als in haar interpretaties. Zij moet leren wat meer van zichzelf te geven, zich een beetje te laten gaan

André Morsch behoort tot de meest getalenteerde zangers van zijn generatie. Zijn bariton is zeer warm en zijn dictie voorbeeldig. Het ontbreekt hem alleen aan voldoende ‘overwicht’ om voor twee te boeien

 

Vloed Mann_und_Frau_1-1-400x533

Tekening van Paul Rosié uit 1946

Ornamente für Kate Kühl (Ode aan de Berlijnse Trümmerfrau) met de ongepubliceerde liederen van Blacher was daarentegen ongemeen spannend. De voorstelling werd opgebouwd als een vocaal en filmisch portret van de anonieme Berlijnse vrouw uit de jaren 45-47.

In de begeleidende teksten, hier in de vorm van een fictief dagboek (tekst: Paul Oomens) die een periode tussen april en juni 1945 omvatte, kwamen alle belevenissen van ‘de vrouw’ aan bod. Bombardementen, puinruimen, verkrachtingen, verlangens en hoop op een betere toekomst. En het weerzien met een doodgewaande geliefde – een scène die mij het meeste heeft geraakt

“Daar stond hij dan, Geerd. Met een zak aardappels en spek. En ik voelde niets, ik huilde niet, ik lachte niet. Ik ging ook niet naar hem toe” (ik citeer uit mijn hoofd). Huiveringwekkend.

Vloed Evi-De-Jean-Coen-Bouman

Evi De Jean © kameroperaproject

Evi De Jean is een begenadigd artieste. Zij is een zeer knappe vrouw, die in haar oranje jurk de reïncarnatie leek te zijn van de vrouwen uit die tijd. Bij het voorlezen was haar stem zacht, aaiend bijna, waardoor dat wat ze voorlas nog tragischer overkwam. Maar in de liederen klonk zij stevig. Niet zo stevig en staalachtig als Kühl zelf (we mochten ook een paar door haar gezongen fragmenten horen), maar zij kwam wel dicht in de buurt.

Kate Kühl:

De begeleiding (en verzorging van muzieksolostukken) van beide recitals lag in handen van Jeroen Sarphati (piano) en Arthur Rusanovsky (viool). Sarphati toonde zich een voorbeeldig vertolker van de muziek uit die tijd, daar heeft hij zonder meer affiniteit mee en in de jazzy stukken was hij helemaal in zijn element. Maar het meeste was ik onder indruk van de toen 17-jarige (!) violist Arthur Rusanovsky.

https://www.kameroperaproject.nl/vloed/