opera concertante

Norma’s norm

Tekst: Neil van de Linden

Wat valt er te zeggen over een uitvoering van Norma? De dramaturgie is vrij statisch, en een groot deel van de handeling speelt zich af diep in een Gallisch woud bij maanlicht, dus in het theater kun je er zonder spectaculaire visuele ingrepen weinig anders van maken dan een mysteriespel, waarbinnen alleen de emoties van de personages voor beweging zorgen. Die worden evenwel vertolkt in lang uitgesponnen solo’s, met hoogstens hier en daar een duet en trio.

Concertante uitvoering, min of meer als oratorium, is dus prima, en gezien de theatrale opzet van de opera koos de Matinee ervoor om de vertolkers simpelweg op te laten komen zonder enige dramatische interactie uit te beelden, anders dan bij andere Matinee uitvoeringen geregeld het geval is.

Wie aan Norma denkt denkt aan Maria Callas. Terecht want als geen ander heeft zij een stempel op die rol gezet. Tussen 1950 en 1964 was ze de incarnatie van Norma. Elke vertolker van de titelrol wordt met haar vergeleken. Er is geen opera waarbij dat zo sterk geldt, en dat is niet helemaal eerlijk.

Hoe goed de andere hoofdrollen Adalgisa en Pollione ook bezet zijn, alle ogen, én vooroordelen, zullen bij een uitvoering van Norma gericht zijn op de vertolkster van de titelrol. Dat was in dit geval de in Rusland geboren Venera Gimadieva, die in de Deutsche Oper Berlin in La Sonnambula en I Capuletti e I Montecchi zong, In Teatro Real Madrid I Puritani en in Opernhaus Zürich Lucia di Lammermoor.

Welnu, haar timbre is prachtig. Veel dramatische inzet van de borststem, maar de rol gaat dan ook vaak heel laag. Vibrato onder controle. Verschijning imposant, al moest ze wat dit betreft ook opboksen tegen Nelly Miricioiù, de jarenlange verpersoonlijking van dit soort belcanto-sopraanrollen in de Matinee. Dramatisch gaf ze gestalte aan het conflict tussen plicht en passie, waarover het libretto handelt, de norm en afwijken van de norm. Wel had ik er last van dat ze geregeld intervallen smokkelde. Als ze een octaaf omhoog moest nam ze onderaan alvast een voorsprong door een kwarttoon omhoog te gaan en bovenaan een kwarttoon lager uit te komen.

Adalgisa, de mede-priesteres van Norma en onopzettelijke rivale in de liefde, is psychologisch bijna net zo sterk uitgewerkt als Norma, en vereist ook de nodige lyrische en dramatische kwaliteiten. Die had de Georgische sopraan Salome Jicia paraat.

De tenorrol van Pollione is ook een echte belcanto-rol, al gaven librettist Felice Romani en de componist zijn personage psychologisch nogal wat minder diepgang mee. Tenor Piero Pretti, kweet zich, met een ruime ervaring in het Italiaanse operavak, uitstekend in deze vocaaltechnisch veeleisend rol, en verdiende des te meer bewondering omdat zijn rol weinig ruimte laat voor empathie van de kant van de toeschouwer. Zelfs als Pollioni uiteindelijk besluit Norma op de brandstapel te volgen maakt dat hem der niet sympathieker op, want wat moet er van hun twee kinderen worden, zonder moeder én vader?

De bas Riccardo Fassi als de Gallische hogepriester Orovese werd door het orkest soms niet gegund om er goed bovenuit te komen, wat eraan kan liggen dat Bellini hem tijdens vrij luid bezette orkestpassages laat zingen. Maar hij heeft een fraai timbre, en gezien zijn uiterlijk zou hij het verdienen om nog eens in een opera met een amoureuzere rol terug te keren in plaats van de leider in een religie die van vrouwen kuisheidsgeloften afdwingt.

Voordeel van de concertante uitvoering is dat je het koor simpelweg kunt laten opstaan wanneer librettist en componist de respectievelijke priesteressen, priesters, Gallische soldaten en Gallische bevolking soms vrij plotseling uit het niets laten opdraven en er weer in laten verdwijnen. Dat deed het Groot Omroepkoor uitstekend en het versterkte de indruk van een fraai gezongen mysteriespel.

De nog relatief jonge dirigent Michele Mariotti heeft al een enorme staat van dienst, onder meer tien jaar muziekdirecteur van het Teatro Communale di Bologna en sinds kort muziekdirecteur van het Teatro dell’Opera in Rome. In de Matinee leidde hij eerder Rossini’s Semiramide. Dat was de opera die naar verluidt indertijd in 1824 de toen 23-jarige Bellini de weg wees als operacomponist. En nu was Mariotti’s uitvoering van Semiramide in 2020, een uitvoering die veel indruk maakte, dus de wegbereider voor deze Norma. En ja, Mariotti kan koor, orkest en solisten laten staan als een huis.

Extra interessant vond ik dat hij liet horen hoe Bellini niet alleen duidelijk een wegbereider was voor Verdi, die je er voortdurend al aan hoort komen, en ook invloeden op de grand-opera’s van Halevy en Meyerbeer die na Norma kwamen, maar ook op Wagner. Dat gebeurt al in de orkestrale voorspelen die zowel op de orkestrale voorspelen van La Traviata als Lohengrin leken te preluderen, en in de duetten en grotere ensembles. Het zou interessant zijn Mariottis aanpak van Wagners vroegere opera’s te horen.

Vincenzo Bellini 1801 – 1835
Norma, libretto Felice Romani
Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor, Michele Mariotti dirigent
Venera Gimadieva sopraan Norma
Salome Jicia sopraan Adalgisa
Piero Pretti tenor Pollione
Riccardo Fassi bas Oroveso
Maria Novella Malfatti sopraan Clotilde
Klaas-Jan de Groot, koordirigent en dirigent afzonderlijke banda-ensembles
Uitvoering NTR Zaterdag Matinee 10 september 2022

Foto’s Neil van der Linden en Simon van Boxtel

Een curiosum, een ‘authentieke uitvoering’, met Cecilia Bartoli, Sumi Jo, John Osborn en Michele Pertusi.

Tussen Gina Cigna en Renata Scotto, veertig jaar Norma in een mini-discografie

Venera Gimadieva steekt met kop en schouders boven haar leeftijd- en stemgenoten uit.

Memorabele concerten van weleer: La Wally met Eva-Maria Westbroek

Sopranen. Daar draaide het Nederlandse operaleven in februari en maart 2010 om. Bijna alle producties die in die twee maanden de revue passeerden waren gecentreerd rond de grote en minder grote diva’s.

Op 26 februari dat jaar maakte Eva-Maria Westbroek haar lang verwachte debuut in de titelrol van Catalani’s  La Wally tijdens de ZaterdagMatineein het Concertgebouw. Ze maakte alle hooggespannen verwachtingen waar en het publiek lag aan haar voeten.

Met haar volle, rijke en buitengewoon plezierige  stem; haar charisma en charme stelde zij ons niet teleur, al was ze naar mijn idee soms iets te eenzijdig in de karakterisering van haar personage. Maar met de meer dan intens gezongen slot maakte ze ons allemaal heel erg gelukkig.

Hagenbach zou oorspronkelijk gezongen worden door Nicola Rossi Giordano maar  hij werd ziek en werd vervangen door de Zweedse tenor Mats Carlsson. Zijn sten was op zich best mooi maar een maatje te klein voor die rol. Jammer.

Van de rest van de cast maakte vooral Kristof Klorek een enorme indruk op me. Met zijn ruwe, grootse bas zette hij perfect de macho Stromminger neer. Mooi en indrukwekkend was ook de bariton Piero Terranova als een agressieve, maar menselijke Gellner.

Eva Maria Westbroek en Piero Terranova in heet duet: ‘Sei tu?…:

Het Radio Filharmonisch Orkest en het groot omroepkoor gaven onder leiding van Giuliano Carella een kleurrijke en genuanceerde uitvoering van veel te weinig uitgevoerde Catalani’s meesterwerk.

Eva Westbroek zingt ‘Ebben… Ne andrò lontana’, de aria der aria’s die mede overbekend werd door de film Diva. Opname uit de Matinee:

Wilhelmenia Wiggins Fernandez in de scene uit de film:

 Hoe één zanger geweldige opera om zeep kan helpen: Death in Venice uit Brussel in Amsterdam 2009

Opera concertante …
Daar is veel voor te zeggen. Doordat er geen regisseur aan te pas komt, word je niet afgeleid door rare beelden en er is geen discrepantie tussen wat je hoort en ziet. Je kunt je eigen fantasie gebruiken en je zo beter op de muziek en de zang concentreren. Amsterdam heeft een jarenlange traditie van de zaterdagmiddag matinee, waar geen één echte operaliefhebber aan voorbij kan gaan. Niet alleen is het programma zeer gevarieerd en spannend, ook de zangers (en dirigenten) zijn doorgaans van het hoogste niveau. Maar soms wordt je teleurgesteld

Op 3 februari 2009 gaf de Brusselse De Munt in het Concertgebouw een semi-concertante uitvoering van Britens Death in Venice. De opera bestaat eigenlijk uit een groot monoloog en de rol van Gustav von Aschenbach is een echte tour de force voor een tenor.

Ian Bostridge zong hem zonder meer goed, maar hij speelde voornamelijk zichzelf.. Nergens was er iets van de tweestrijd in zijn hoofd voelbaar. Verward door de hem plotseling overkomen verliefdheid? Welnee, als hij al verliefd mocht zijn dan was het op zichzelf. En dus daar stond hij dan, een lichtelijk verveelde en blasé ijdeltuit, die maar geïnteresseerd was in zijn eigen mooie zingerij. Al zijn aandacht besteedde hij aan zijn nagels die hij nauwkeurig bestudeerde, liep heen en weer met zijn handen in de zakken.

En daar gaat het in Brittens messcherpe en hartverscheurende zwanenzang niet over.

Maar de rest van de cast was fantastisch, met de Engelse bariton Andrew Shore voorop. Het was werkelijk fenomenaal hoe hij, met kleine pasjes en gebaartjes de gestalte kon geven aan zeven verschillende personages en ze bovendien individueel wist te kleuren. Knap hoor!

Ook het orkest en het koor (dirigent Paul Daniel) waren fabelachtig goed.

Death in Venice: een autobiografisch testament?

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 3: Death in Venice

Karina Canellakis dirigeert sterke Kat’a Kabanova

Tekst: Neil van der Linden

Opmerkelijk hoe binnen vijf jaar vrouwelijke dirigenten hun vanzelfsprekende plaats hebben ingenomen.Vijf jaar geleden konden mannelijke collega’s nog schampere opmerkingen maken zonder dat daar een haan naar kraaide. Die tijd is nu echt wel voorbij.

Het is ook duidelijk dat een dirigent voor het echt tragische repertoire, zoals Kat’a Kabanova, niet per se ouder, sadder and wiser hoeft te zijn. Karina Canellakis was deze middag degene die het kwiekst de trap van het Concertgebouw op en af kwam, anderen zag je echt een beetje uitkijken en zelfs de leuning vastpakken. Maar misschien is het ook omdat Canellakis onderhand – gelukkig – vaak in het Concertgebouw heeft opgetreden. Ach, over nog eens vijf jaar hebben we het hier niet eens meer over.

Dit is natuurlijk opera waarin vrouwen de drijvende krachten zijn. Het gaat over het keurslijf van burgerfatsoen en dubbele moraal, waarmee vrouwen in een keurslijf werden gedwongen, terwijl mannen nog gemakkelijk met de dingen wegkwamen. En het loopt tragisch af.

Tragische ironie is dat de aanstichtster van dit alles in het verhaal zelf een vrouw is, de bazige schoonmoeder Kabanicha, die ongeveer een moreel schrikbewind voert over haar zoon Tichon en diens echtgenote Kat’a. Kat’a is heimelijk verliefd op een ander, Boris, maar wil de huwelijksmoraal hooghouden. Maar als echtgenoot Tichon op zakenries wordt gestuurd geeft Kat’a toch toe aan haar gevoelens.

Er zijn nog wat andere rollen, zoals Tichons pleegzuster Varvara, die zich minder gelegen laat liggen aan het bewind van Kabanicha en die vrijelijk geniet van haar romance met een jonge leraar in het dorp, Kudrjas. En Dikoj, een koopman, met wie, naar blijkt, Kabanicha een heimelijke verhouding heeft, ook al pretendeert ze de verpersoonlijking te zijn van de huwelijksmoraal. Dit alles drijft Kat’a tot waanzin, en ze verdrink zich aan het eind van het verhaal in de Wolga.

Toch zou het te simpel zijn om te stellen dat deze uitvoering zo geslaagd was omdat Canellakis zich speciaal voelde aangetrokken tot dit vrouwendrama. Dit werk leent zich uitstekend voor een dirigent die én zoals zo vaak al bleek zo goed gelaagde partituren tot klank kan brengen én zo goed gevoel heeft voor muziek met passie.

De openingsklanken waren uitermate spannend, met een enorme energie. Dat had wel tot gevolg dat het orkest nog op steroïden zat toen de zangers moesten beginnen, en ja, daardoor duurde het even voordat de juiste balans tussen orkestvolume en vocalisten was gevonden. Ook al was het orkest relatief bescheiden in omvang gehouden, aan het minimaal aantal hoorns bijvoorbeeld ontkom je niet, en bovendien houdt Janacek altijd van pauken.

Amanda Majeski was een ontroerende Kat’a. Mede gebruik makend van haar gedistingeerde gestalte spaarde ze de emotie op tot die echt tot uitbarsting moest komen. Daardoor kwam Kat’a’s uiteindelijke keus voor zelfmoord des te hartverscheurender over. Volgens het libretto loopt ze met gekruiste armen de rivier in. In deze opvoering liep ze naar haar laatste noten voor het podium langs en ging met gekruiste armen met de rug naar het publiek staan.

Karina Dalayman (Kabanicha) © Lodi Lamie

Katarina Dalayman maakt als Kat’a’s dictatoriale schoonmoeder Kabanicha gebruik van alle muzikale mogelijkheden om de furie uit te hangen, maar liet daarmee ook doorschemeren dat haar personage misschien zelf wel degene is die het meest verstrikt zit in sociale dwang.

Er staan in deze opera maar liefst drie lyrische tenoren op het toneel, maar de drie vertolkers leken in deze uitvoering perfect getypecast al naar gelang de persoonlijkheden. Marcel Beekman maakte van Tichon een goedzak. Als ervaren theaterman in vileinere rollen, zoals Rameaus Platée, legde hij in zijn partij vele subtiele accenten, en maakte hij toch gebruik van de mogelijkheden die de sobere enscenering bood, het soort personenregie dat inmiddels vaak wordt toegepast in concertante opera’s . Maar zag ik Marcel Beekmans Tichon niet toch een beetje jaloers kijken naar het vrijere jonge paar, zijn stiefzus Varvara en haar jonge blaag Kudrjas?

Dat jonge paar steelt geregeld de show. Van mezzosopraan Anna Lapkovskaja als Varvara verbaasde het mij niet dat ze ook Carmen zingt, zangtechnisch en qua uitstraling. Zij is in Minsk geboren, maar in Duitsland werkzaam.

Ik ben blij dat er blijkbaar geen reden was om de jonge Rus Boris Stepanov te cancelen.

Wellicht te veel hinein interpretierend leek het alsof hem dat een flinke dosis zang- en speelvreugde had gegeven, want telkens als hij opkwam straalde hij dat het een lust was. En er zit ook een klein beetje Lenski in zijn optreden, een rol (uit Eugen Onegin) die hij ook zingt. Maar ja, in het verhaal, naar Ostrovski’s toneelstuk Het Onweer, is hij tevens een Tsjechoviaanse jonge academicus die de ingeslapen feodale boel wat komt wakker schudden, waarbij hij al snel de piepjonge maar emotioneel al volwassen Varvara aan zijn zijde vindt.

Boris zou dan degene moeten zijn waarvan wij ook als publiek zouden moeten begrijpen wat Kat’a voor hem voelt. Dat lukte de Litouwse tenor Edgaras Montvidas zangtechnisch wel, maar qua uitstraling niet. Dat is misschien ook lastig met een personage waarvan je aannemelijk moet maken dat het hoe het met Kat’a afloopt hem eigenlijk tamelijk koud laat.   

Esther Kuiper, Tim Kuyper, Clive Bayley en Karina Dalayman © Lodi Lamie

De rol van Dikoj heeft Janáček muzikaal wellicht opzettelijk wat kleurloos gehouden. Een saaie, maar natuurlijk wel gevaarlijke man. En zo vertolkte de Engelsman Clive Bayley hem ook, die blijkens zijn CV bijvoorbeeld ook thuis is in vergelijkbare rollen als Biterolf, degene die als eerste Tannhäuser beschuldigt van godslasterij, en als de cynische Dokter in Bergs Wozzeck.

Wat mij betreft had paukenist Paul Jussen bij het slotapplaus samen met de vocalisten naar voren mogen worden gehaald. In deze opera mag hij lekker hameren op zijn instrumenten, maar dat moet ook een flinke inspanning zijn.

Toevallig: in de tekst van de opera zegt Kat’a zoiets gezegd als dat de dood eigenlijk zou moeten komen voordat het levensgeluk een einde neemt. Als volgt: ‘Tegenwoordig is het: al verlang je ernaar, de dood komt niet; blijf leven en mogen je zonden je kwellen!’

De dag ervoor werd dat even treffend verwoord in de tekst van de uitvoering die ik zag van Lassus’ Lagrime di San Pietro door het Nederlands Kamer Koor met de Oekraïense danser Alexandre Riabko.

Zoals in de tekst van Lassus’ Lagrime di San Pietro wordt gesteld: “Ach, hoeveel mensen, die ooit gelukkig waren in hun jeugd, heeft jouw (bedoeld is de dood) getreuzel langdurig lijden bezorgd. En dat terwijl ze, als ze vóór de komst van de ouderdom verlost waren geweest van de wereld, dood veel gelukkiger waren geweest.’ Over die eveneens fenomenale uitvoering dinsdag meer.

Kát’a Kabanova, Leoš Janáček
Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor, Karina Canellakis dirigent
Amanda Majeski Kát’a
Katarina Dalayman Kabanicha
Edgaras Montvidas Boris
Clive Bayley Dikoj
Marcel Beekman Tichon
Boris Stepanov Kudrjáš
Anna Lapkovskaja Varvara
En verder Tim Kuypers, Esther Kuiper, Lotte Verstaen.

Gezien 26 maart NTR Matinee Concertgebouw Amsterdam.

Foto’s Simon van Boxtel

Authentieke Italianen en Turken in het Concertgebouw. En de vrouwen winnen aan beide kanten.

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Rossini schreef L’italiana in Algeri toen hij 21 was. Wat deden wij toen wij 21 waren? Nadenken of je wel of niet van studie zou veranderen, bijvoorbeeld… Maar ja, een soort troost is misschien dat de 21-jarige componist zich dan weer klein zou hebben kunnen voelen vergeleken bij Alexander de Grote, die op zijn 22e begon aan de verovering van een groot deel van Azië en Afrika.

Opera’s met de Oriënt als onderwerp bestonden al langer, maar het Orientalisme in de kunst kreeg een hernieuwde impuls als gevolg van de uit militair-politiek oogpunt mislukte maar cultureel uitermate succesrijke expedities van Napoleon in Egypte van 1798–1801.

de eerste Isabella: Mariette Marcollini
de eerste Lindoro

de eerste Mustafa

Rossini’s ‘L’italiana in Algeri’ uit 1813 is gebaseerd op een libretto van Angelo Anelli dat vijf jaar eerder al eerder was gebruikt door componist Luigi Mosca. Met Mozarts Die Entführung aus dem Serail uit de eerste golf van het Orientalisme in de opera heeft L’Italiana gemeen dat het verhaal gaat over Europeaansen die ontsnappen uit een Oosterse harem. Bij Mozart ging het echter om een Turkse heerser bij wiens beschaving de dadendrang van de Europeanen bleekjes afsteekt. In L’italiana in Algeri komen ook vrouwelijke Oriëntaalse personages voor en zijn de Europese en de Oriëntaalse mannen allemaal onbehouwen, en steken de vrouwen, de Italiaanse en de Turkse, daar gunstig bij af. Rossini’s librettist had het kunnen hebben van Italiës grote achttiende-eeuwse toneelauteur Carlo Goldoni, in wiens toneelstukken de vrouwen de mannen ook altijd het nakijken geven. Wel, via de commedia dell’arte-invloeden lieten Mozart en zijn librettist Da Ponte dat ook gebeuren in Le Nozze di Figaro

Bij de uitvoering in het Concertgebouw hielp het dat die twee vrouwenrollen (en eigenlijk ook de kleinere derde vrouwenrol, Elvira’s bediende Zulma) ijzersterk waren bezet.

Als Scarlett Johansson mezzosopraan zou zijn geworden, zou dit haar rol zijn geweest. En zo zong en acteerde de Russische mezzosopraan Vasilia Berzhanskaya de rol ook. Haar manier van opkomen en gebiedende blik straalden uit dat ze als Elvira de verwikkelingen op het toneel geheel meester was. Intussen kon ze soeverein ook de grote hoeveelheid coloraturen in haar partij aan.

Doordat ook de andere vrouwelijke rol van Zulma voor mezzosopraan is geschreven had de Nederlands-Iraanse sopraan Lilian Farahani het rijk alleen in de hoogste zangregisters, waardoorheen ze zich zang-technisch moeiteloos bewoog en met haar gevoel voor de theatrale aspecten bovendien zowel het komische als het lyrische omhoog haalde. Dat had ze onlangs ook al gedemonstreerd als Zerlina in de enscenering van Don Giovanni bij De Nationale Opera.

Esther Kuiper (Zulma) © Lodi Lamie

Zulma, Elvira’s bediende, werd vertolkt door Esther Kuiper, die bij andere gelegenheden dramatischer rollen zingt (onder meer in de Matinee Waltraute in de Ring en Janacek-operas), maar hier Elvira op komisch gebied van repliek wist te dienen.

Ook bij de mannen was het een zang- en acteerfeestje. Met name de Bey, de Turkse heerser van Algiers, had in de persoon van de Chileense bas-bariton Ricardo Seguel zowel de lachers mét als óm zijn personage op zijn hand, en ging intussen schijnbaar moeiteloos om met lastige noten in de partituur.

Alasdair Kent (Lindoro) © Lodi Lamie

De Australische tenor Alasdair Kent legde in de rol van de wat sullige maar ook toegewijde Italiaanse geliefde en ‘redder’ van Isabella alle mogelijke diepte. Wat dramaturgisch hielp is dat hij een kleiner in postuur is dan Vasilisa Berzhanskaya; ook hierin leek tot uiting te komen dat hem in de persoon van Isabella zeker niet een slaafse echtgenote te wachten staat. Intussen ging Alasdair Kent ook schijnbaar moeiteloos om met om met de zang-technisch veeleisende rol en waagde hij het er in zijn laatste solo-aria op om met de slotnoot een kwart omhoog te gaan in plaats van een kwint naar beneden, al miste hij in de hoogste noot misschien een paar Hertz.

De Spaanse bariton Pablo Ruiz en de Boliviaanse bas José Coca Loza vulden het mannenkwartet fraai aan, ook weer zowel in zang als acteren.

Een uitermate geslaagde rolbezetting, vermoedelijk een verdienste van de casting-directeur van de Matinee Christian Carlstedt.

En als video © Monique Meeuwis

Het was ook een goed idee om voor het alleen uit mannen bestaande koor zangers van het barokensemble La Cetra te laten overkomen. Klank-technisch sloot het koor mooi aan bij het Orkest van de Achttiende Eeuw dat de orkestpartij voor zijn rekening nam. Inschakeling van een ‘authentiek’ orkest bekent dat de zangers niet tegen het volume van een modern symfonisch orkest hoeven op te zingen. En het leidt er natuurlijk ook dat de klank dichter kwam te staan bij de klankwereld waarmee Rossini vertrouwd was. We weten bijvoorbeeld dat Rossini onder de indruk was van Haydns ‘Surprise’ symfonie en in L’Italiana een aantal vergelijkbare ‘verrasings’-momenten inbouwde. Dankzij het authentieke koper en de pauken, die rauwer klinken dan hedendaags instrumentarium, kwamen die dan ook ten volle tot uiting. Het was waarschijnlijk ook de samenwerking tussen ensemble en doorgewinterde operadirigent Giancarlo Andretta (eerder in de Matinee met een reeks Verdi’s en Bellini) die bijdroeg aan deze chemie.

Ook bij de solozangers pakten deze samenwerking met authentiek instrumentarium fraai uit. Bijvoorbeeld in die tussen Vasilisa Berzhanskaya en fluitist Michael Schmidt-Casdorf in de aria ‘Per lui che adoro’.  De technische hindernissen in beide partijen, glansrijk overwonnen, leken de dilemma’s van de hoofdpersoon én haar vertrouwen in een goede afloop te onderstrepen.

We weten overigens dat Wagner op zijn beurt bewondering had voor Rossini. Horen we in de ruimte die het orkest het koor gaf om piano en pianissimo te zingen de bemanning van het spookschip van Der Fliegende Holländer er al aan komen?

Orkest van de Achttiende Eeuw
Dirigent: Giancarlo Andretta
Isabella: Vasilisa Berzhanskaya, mezzo-sopraan
Elvira: Lilian Farahani, sopraan
Elvira’s bediende Zulma: Esther Kuiper, mezzo-sopraan
Mustafà, de Bey van Algiers: Ricardo Seguel, bas-bariton
Lindoro, geliefde van Isabella: Alasdair Kent, tenor
Taddeo: Pablo Ruiz, bariton
Haly: José Coca Loza, bariton
La Cetra Vokalensemble Basel

 

 

.

Van Piet de Pot naar Pol Pot en verder

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Le Grand Macabre is één van de laat-twintigste-eeuwse opera’s die repertoire heeft gehouden, samen met bijvoorbeeld St Francois d’Assise, Lear, Die Soldaten en Nixon in China. Een mooi groepje. Natuurlijk wilde Ligeti eigenlijk geen opera schrijven, maar dat zeiden ze na Wagner bijna allemaal, bij wijze van spreken. Toch zit Le Grand Macabre – afgezien van wat ongebruikelijke instrumenten als claxons en deurbellen en een reeks plastische uitdrukkingen in het libretto – in mekaar als een ‘gewone’ opera, voor klassiek geschoolde stemmen, met een orkest in de bak, en met een zich keurig ontspinnende verhaallijn.

Maar wat een geweldige ‘traditionele’ opera is het! Bij een geënsceneerde uitvoering moet Le Grand Macabre de fantasie van de regisseur op allerlei manieren kunnen prikkelen. Al ging het Ligeti indertijd te ver toen Peter Sellars in Salzburg in 1997 er een metafoor voor milieuvervuiling door kernenergie in zag en het werk situeerde rond de nucleaire ramp in Tsjernobyl. De meer aan de verbeelding van de toeschouwer overlatende opvoering door de Reisopera een jaar later, geregisseerd door Stanislas Nordey en gedirigeerd door Reinbert de Leeuw, kon hem wél bekoren.

Toch is dit wel degelijk een althans deels politieke opera. Het gaat immers deels over een opportunistische en incapabele dictator, corrupte ministers, een inlichtingendienst die overal complotten ontwaart, massaexecuties en een volk dat radeloos, redeloos en reddeloos lijkt.

Ligeti, die na het verkeerd aflopen van de Hongaarse opstand zijn geboorteland was ontvlucht en wiens vader en broer in de Holocaust waren omgekomen, schreef de eerste versie van Le Grand Macabre in 1977, in de tijd waarin Breznjev, Ceaucescu, Mengistu, Suharto, Mobutu en Pol Pot aan de macht waren.

Maar de politieke dimensie is slechts één van de rode draden in het verhaal, en bovendien is die lijn geschreven in de groteske stijl van Gogol en Brecht. Daaromheen bewegen zich andere verhaallijnen waarin Venus, magie, duivels en de Dood in de persoon van Nekrotzar (de nekro-tsaar) hoofdrollen spelen.

Ook de muziek parodieert deels, met name Don Giovanni, Beethovens Eroica, Renaissance polyfonie, Verdi, Strawinsky, soms met snerpend koper of inderdaad deurbellen en claxons en allerlei slagwerkeffecten. Maar er zijn ook uitgebreide lyrische passages, zoals in de duetten tussen de jonge minnaars Amanda en Amando, die zo uit de Rosenkavalier of pakweg de Rheintöchter-scènes in Das Rheingold zouden kunnen zijn weggelopen.

Het is een korte opera, van de dramatische bondigheid van La Damnation de Faust en Falstaff, bij elkaar korter dan Das Rheingold, zelfs in de snelle versie zoals die vorige week in de Matinee klonk. Het (in deze uitvoering fantastisch zingende Groot-Omroep-)koor is in totaal maar een paar minuten te horen, maar in je beleving duurt het allemaal veel langer; en dat juist omdat het allemaal zo intens en rijk aan ideeën is. Dat besefte je in deze heldere uitvoering eens te meer.

In het verhaal volgen we de dronkaard Piet de Pot, die eerst door Nekrotzar wordt gedwongen om hem op zijn rug te nemen en door de wereld te sjouwen, maar tegen het einde Nekrotzar weet te verleiden het samen op een zuipen te zetten en hem onder de tafel drinkt. In benevelde staat lijkt Nekrotzar zich ten slotte gewonnen te moeten geven tegenover het leven, alhoewel dat niet zeker is; de slotscène lijkt een triomfzang over de overwonnen Dood, maar het aan de toeschouwer uit te maken of Nekrotzar echt de Dood vertegenwoordigt of alleen maar een charlatan is in een cabaretspel is, zoals de meeste andere personages. Ligeti had het werk ooit als poppenspel voorzien.

Le Grand Macabre is gebaseerd op het absurdistische toneelstuk Ballade du Grand Macabre van de Belgische auteur Michel de Ghelderode, dat zich afspeelt in ‘Brueghel-land’. Vermoedelijk dacht de oorspronkelijk auteur én aan Brueghels De Triomf van de Dood én aan Brueghels Vlaamse dorpsscenes die aanleiding hebben gegeven tot het begrip ‘Bruegheliaans’. Maar er is eigenlijk een enorm verschil tussen de ‘Bruegheliaanse’ Brueghel en de ‘doodernstige’ Brueghel van De Triomf van de Dood, geschilderd toen een pestepidemie rondwaarde, of het bijna existentalistisch-filosofische De Val van Ikarus of het politiek geëngageerde Kindermoord in Bethlehem, een aanklacht tegen hoe wreed de troepen van Alva in de Nederlanden huishielden. De combinatie van satire en religie vind je juist wel in het de hel verbeeldende rechterpaneel van Jeroen Bosch’ Tuin der Lusten.

Ook concertante komt de kracht van het werk prachtig tot uiting, vooral als het zo licht en luchtig klinkt als onder dirigent James Gaffigan, die het uitvoert met hetzelfde schijnbare gemak als waarmee hij ook zijn geweldige Prokofiev-symfoniecyclus dirigeerde. Overigens was deze concertante uitvoering wel degelijk geregisseerd en wat dat betreft werd het onderste uit de kan gehaald.

Nekrotzar werd meesterlijk gezongen en geacteerd door bas Martin Winkler. Samen met Piet de Pot (de ook sterk acterende stralende tenor Peter Hoare), die in het verhaal Nekrotzar op zijn rug door de wereld ronddraagt, vormde hij een mooi schlemielig duo.

Het was goed om bas-bariton Seth Carico, de Don Giovanni uit de recente Nationale Opera-productie, terug te zien als de mislukte magiër Astradamors. Ook in deze rol moest hij de dood tarten, en ook nu kreeg hij een reprimande voor zijn overmoedig gedrag, in een duet met Nekrotzar waarin Ligeti de reprimande van de Commendatore aan Don Giovanni lijkt te citeren.

Astradamors zit onder de plak bij zijn echtgenote, de furie Mescalina. De dramatische sopraan Heidi Melton nam die bijna Wagneriaanse rol op zich op een manier die laat horen dat ze ook Brünnhilde (de Ring) en Venus (Tannhäuser) op het repertoire heeft.

In Le Grand Macabre zit ook een Venus-rol, die door Ligeti werd toebedacht aan een coloratuursopraan. Deze werd vertolkt door Sara Hershkowitz, die in een dubbelrol ook het geslepen hoofd van de geheime dienst Gepopo zong. Bij tijd en wijle gaf ze swingend ook aan jazzy elementen uit de partituur gestalte en in haar eentje speelde ze overtuigend de twee haar toebedeelde antipoden.   

De feodale machthebber uit het verhaal, de 14-jarige Prince Go-Go, geniet van het goede van het leven en luistert nauwelijks naar de samenzweringen tegen hem die de directeur van zijn inlichtingendienst Gepopo telkens meent te ontwaren. Maar daardoor reageert hij wel te laat als het volk ten slotte echt in opstand komt. De jeugdig ogende countertenor Aryeh Nussbaum Cohen beeldde deze rol uit met een combinatie van allure en zelfspot die hem ook een ideale Prinz Orlovsky zouden maken.

Het Radio Philharmonisch Orkest had er zichtbaar plezier in, ook al zag ik af en toe iemand in de strijkerssectie de hand voor de oren houden als het slagwerk en het koper los gingen. Waarbij met name die orkestgroepen overigens een staalkaart van klankkleuren aan de dag legden.

Na afloop gaven dirigent en alle zangers uiting aan hun enthousiasme over de samenwerking; Aryeh Nussbaum Cohen alias Prince Go-Go met armgebaren alsof ze samen een sportwedstrijd hadden gespeeld, wat door het orkest en het koor met gejuich en voetgetrappel werd beantwoord – het volk bleek de heerser van voorheen toch wel te mogen.

Le Grand Macabre van György Ligeti. Libretto van de componist samen met Michael Meschke.
Gezien en gehoord Matinee op de zaterdag 27 november 2021, Concertgebouw Amsterdam.
Radio Filharmonisch Orkest
Groot Omroepkoor
James Gaffigan (dirigent)
Gijs Leenaars (koordirigent)
Mescalina: Heidi Melton (sopraan)
Nekrotzar: Martin Winkler (bas-bariton)
Amanda: Sofia Fomina (sopraan)
Amando: Marta Fontanals-SImmons (mezzosopraan)
Piet the Pot: Peter Hoare (tenor)
Prince Go-Go: Aryeh Nussbaum Cohen (countertenor)
Astradamors: Seth Carico (bas-bariton)
White-Party Minister: Paul Curievici (tenor)
Black-Party Minister: Tim Kuypers (bariton)
Venus / Gepopo: Sara Hershkowitz (sopraan)

Foto’s Foppe Schut

Sara Hershkowitz, Ligeti’s in Mysteries of the Macabre, BBC Scottish Symphony Orchestra

En in 2017 met het NNO olv Antony Hermus:




De nieuwe kleren van Wotan? Das Rheingold met ‘authentiek’ orkest.

Tekst: Neil van der Linden

De Ring op het instrumentarium uit dat tijd dat Wagner die schrijf, te beginnen met Das Rheingold. Schumann, Mendelssohn, Berlioz, Brahms op oude instrumenten wordt al lang gedaan.  In het Festival Oude Muziek weerklonk de Sacre al eens authentiek. En ook Wagner is hier en daar al eens aan de beurt gekomen, inclusief Das Rheingold bij het Orchestra of the Age of Enlightment onder Simon Rattle.

Toch is het verschil dat Concerto Köln nog eens heel diepgravend onderzoek heeft gedaan naar instrumenten, tempi en tekstuitspraak, en bovendien het voornemen heeft om de hele Ring uit te voeren. De spits is er in elk geval af.

Dirigent Kent Nagano heeft een lange staat van dienst in opera, inclusief laat negentiende- en vroeg twintigste-eeuws repertoire en hij had de Ring onlangs al gedirigeerd met ‘gewone’ instrumenten in Hamburg. Hoeveel musicologisch onderzoek men ook zou doen, zijn deelname zou in elk geval een mogelijk al te academische aanpak voorkomen. En drama kwam er sowieso genoeg in de hele opvoering. Dat was in goede handen bij Nagano, maar ook bij het door de bank genomen geweldige zangersensemble, dat niet alleen merendeels magnifiek zong maar ook heel goed acteerde.

Dat laatste begon meteen al bij de eerste scenes als Alberich, Daniel Schmutzhard, hip geknipt, aanvankelijk ogend als een aantrekkelijke man die je je bij wijze inderdaad skinnydippend (ja, want ze hadden in de Germaanse tijd toch nog geen zwemkleding…) samen met de drie aantrekkelijke Rijndochters kunt voorstellen, er achter komt dat hij zijn energie beter kan steken in geld en macht, in de vorm van het Rijngoud, dan in plaats van meisjes (En ja, het staat er echt in de tekst: hoewel ze het niet voor elkaar willen weten, voelt elk van de Rijndochters individueel best wel iets voor een avontuurtje met deze man.)

Knap is ook hoe hij dan al snel de metamorfose naar een engerd ondergaat, onder meer door zijn hoofd wat spastisch scheef te houden; misschien heeft hij goed gekeken hoe Bruno Ganz enge politieke leiders uitbeeldde. In elk geval had Schmutzhard, normaal meer een Lied-zanger, bij dit orkestvolume ook stemtechnisch geen enkele moeite met de rol.

Ook Derek Weltons Wotan klonk net zo jeugdig klonk als hij oogde. Ook hij kon gemakkelijk tegen dit orkest op en ook bij hem spatte het spelplezier ervan af; hij zou zo Godfather II kunnen spelen, met het klunzige komisch duo Donner (Johannes Kammler) en Froh (Tansel Akzeybek) als maffiose loopjongens.

Mezzosopraan Stefanie Irányi verklankte en verbeeldde met een warm, emotioneel geluid fraai Fricka’s zorgen om haar bijna door haar echtgenoot verkwanselde zuster Freia en de zorgen over de morele waarden die bij haar mede-Germaanse goden erop na houden.

Thomas Mohr als Loge was de oudste van de cast, maar dat klopt met het gegeven dat Loge slechts halfgod is, en daarom niet mag mee-eten van de magische appels waarmee Freia de echte goden eeuwige jeugd bezorgt. En wat een geweldige acteur is Thomas Mohr. Humor is niet iets dat je direct met Wagner associeert, maar met subtiele gebaren en gezichtsuitdrukkingen weet hij aan te geven hoe Loge eigenlijk lak heeft aan de goddelijk kliek; ik moest geregeld echt lachen.

Opvallenderwijs is het enige andere mannelijke personage dat er in deze opvoering karakterologisch een beetje goed van af komt: Mime, die zo zielig onder de plak van zijn broer Alberich zit. Dat werd superieur geacteerd door een krachtige, viriele Thomas Ebenstein. Op deze manier was het extra jammer dat Wagner Mime in Das Rheingold maar zo’n relatief kleine rol heeft toebedeeld. Maar goed, als Concerto Köln toekomt aan Siegfried krijgt Mime nog genoeg te doen. En naar ik begrijp komt Thomas Ebenstein hier te lande terug als het Rotterdams Philharmonisch Orkest de Rheingold komend voorjaar gaat uitvoeren onder Yannick Nézet-Séguin.

Jammer dat het van de twee reuzenbroers Fasolt is die door Fafner wordt vermoord en niet andersom, want de Fasolt van Tijl Faveyts was sterker dan de Fafner van Christoph Seidl, en het is Fafner die in Siegfried als draak opereert. Maar gelukkig vertelde Tijl Faveyts op Radio 4 dat hij bij de Komische Oper Berlijn, waaraan hij verbonden is, Gurnemanz gaat zingen, en dan is hij dus flink wat langer horen.

Een dan was er de indrukwekkende Erda van Gerhild Romberger, een diepe mezzo, die haar partij vanaf de trap naar boven zong, en die zo te horen zo Das Lied von der Erde kan zingen. De zangerscast was dus zeker geen vehikel voor een orkestraal experiment.

Maar hoe klonk het orkest uiteindelijk? Het befaamde openings-Es-akkoord op de in dit geval natuurhoorns riep niet per se de mystieke sfeer op die het anders wel genereert. Elders in de partituur wisten de authentieke koperinstrumenten met hun soms lastig onder bedwang te houden intonaties mooi-rauwe randjes aan de klank van het orkest toe te voegen. En de koperinstrumenten zijn de enige die niet veel minder luid dan tegenwoordig klinken, dus als ze los mochten gaan knetterden ze lekker boven alles uit. Darmsnaren, houten fluiten, houten paukenstokken, enz. zorgden voor een zachtere klank dan bij gebruikelijker concertante uitvoeringen.

Maar zoals ik met mijn concert-buurman Floris Don van het Rotterdams Philharmonisch Orkest besprak, zijn de klank en de omvang van het moderne orkest niet eigenlijk de gevolgen van wat een componist als Wagner toen van het orkest verlangde, en komen ze daarmee misschien wel dichter bij het ideaalbeeld dat Wagner voor ogen had?

Daar komt bij dat Wagner voor het orkest in zijn Festspielhaus in Bayreuth, waar de Ring in 1876 voor het eerst werd opgevoerd, een extra diepe orkestbak had laten ontwerpen, waarvan het geluid alleen via een ‘spleet’ de zaal bereikt. Ook dat vroeg om een luider orkest, waarvan het geluid dan bovendien omfloerst de zaal bereikte. Waarna al te snelle tempi die in een geluidsbrei zouden kunnen eindigen niet meer goed te handhaven waren.

De orkestopstelling van die we nu zagen lijkt op de orkestopstelling in Bayreuth: eerste violen links, altviolen naast de eerste violen, celli erachter, tweede violen rechts, contrabassen verspreid over links en rechts, koper allemaal bij elkaar op rechts, hoorns vooraan. Van de zeven contrabassen in deze uitvoering stonden er vier links, drie rechts.

In Bayreuth hield dat alles verband met de manier waarop het geluid eerst naar het podium moet worden gericht zodat de zangers het orkest kunnen horen (terwijl het orkest de zangers niet hoort). Het geluid van het orkest bereikt daarna pas via weerkaatsing samen het dat van de zangers het publiek. Dat alles droeg bij aan de klankrijkdom van een ‘onzichtbaar’ orkest rond de zangers die Wagner in gedachten had.

Maar inderdaad was het orkest zelf steeds luider geworden en as het steeds langzamer gaan spelen. Pierre Boulez wist in de door Patrice Chéreau geregisseerde Ring ter gelegenheid van het honderdjarig jubileum van de Ring in Bayreuth het orkest wel op te schonen en liet het sneller spelen, maar ook toen bleef die omfloerste klank.

Wat na erkenning van het unieke concept en vervolgens relativering daarvan overblijft is een stevige energieke uitvoering, met een perfect spelend orkest en een fantastische zangerscast. Het publiek was terecht een halve minuut stil alvorens in applaus en gejuich uit te barsten.

En natuurlijk wist ook Wagner dat zijn Ring overal elders ter wereld anders zou klinken dan in Bayreuth. Daarom zullen we misschien na deze Rheingold voortaan anders luistern naar Ringen in conventionelere omstandigheden.

Grapje: Alberich nam ná Wotan het applaus in ontvangst. Het publiek accepteerde het en gaf de volgens de gebruikelijke interpretatie grootste slechterik in het verhaal inderdaad het grootste applaus/

Gezien in het Concertgebouw 20 november 2021.

Concerto Köln olv Kent Nagano
Wotan: Derek Welton (bas-bariton)
Donner: Johannes Kammler (bariton)
Loge: Thomas Mohr (tenor)
Froh: Tansel Akzeybek (tenor
Fricka: Stefanie Irányi (mezzosopraan)
Freia: Sarah Wegener (sopraan)
Erda: Gerhild Romberger (mezzosopraan)
Alberich: Daniel Schmutzhard (bariton)
Mime: Thomas Ebenstein (tenor)
Fasolt: Tijl Faveyts (bas)
Fafner: Christoph Seidl (bas)
Woglinde: Ania Vegry (sopraan)
Wellgunde: Ida Aldrian (mezzosopraan)
Floßhilde: Eva Vogel (mezzosopraan)

Fotografie: Eduardus Lee

Geef mij maar opera concertante!

Opera concertante … Daar is veel voor te zeggen. Doordat er geen regisseur aan te pas komt, word je niet afgeleid door rare beelden en is er geen discrepantie tussen wat je hoort en ziet. Je kunt je eigen fantasie gebruiken en je zo beter op de muziek en de zang concentreren. Amsterdam heeft een jarenlange traditie van de ZaterdaMatinee, waar geen één echte operaliefhebber aan voorbij aan kon (en kan) gaan. Niet alleen is het programma zeer gevarieerd en spannend, ook de zangers en dirigenten zijn doorgaans van het hoogste niveau.

DIE MEISTERSINGER VON NÜRNBERG

7 februari 2009 was één van die middagen die nu al als legendarisch gelden, en dat niet vanwege de ongewone begintijd (11 uur ‘s morgens) en de lange duur (tot 17 uur in de namiddag). Jaap van Zweden tilde Die Meistersingertot een werkelijkongekend hoog niveau. En dan te bedenken dat het pas zijn tweede Wagner was, na de sensationele Lohengrin een jaar eerder.
Niet minder imposant was de bezetting: daar stonden ze, allemaal  de meistersingers  op een rij, of eigenlijk een paar rijen, want anders zouden ze niet passen op de toch niet kleine bühne van het Concertgebouw. Allereerst was er de Nederlandse bas Robert Holl (Hans Sachs), die de rol al jaren achtereen tijdens de Bayreuther Festspiele heeft gezongen  en er helemaal mee was vergroeid. Met zijn soepel gevoerde sonore bas riep hij allerlei gevoelens op – maar het meest die van een diepe bewondering. Wat een vertolking!

Ook Eike Willem Schulte (Beckmesser) kroop helemaal in zijn rol van een oude intrigant, waar best veel om te lachen viel. Burkhard Fritz was zeer geloofwaardig in zijn prachtig gezongen ‘Prijssong’ en Rainer Trost een mooie David.

Het is ondoenlijk om iedereen te vermelden, allemaal waren ze goed en vormden een volkomen eenheid met elkaar, de dirigent en het orkest. In tegenstelling tot de mannen liet de Nederlandse sopraan Barbara Haveman een gemengde indruk op mij achter. Het was de eerste keer dat ik haar live hoorde en ze viel me een beetje tegen. Ik had een groter (en ronder) geluid verwacht, maar misschien lag het aan de rol?

Om de sfeer te vergroten werd de foyer ingericht als een heuse bierstube: men kon plaats nemen achter lange, houten tafels en zich tegoed doen aan zuurkool met worst.

De uitvoering werd gelukkig op cd uitgebracht, op QuattroLive (2009014s). De opname is via de vakhandel en de webwinkel van het Koninklijk Concertgebouworkest te koop, maar voor zuurkool met worst en het biertje moet u zelf zorgen.

Wilhelm Tell van Rossini: herinneringen aan één van de beste Zateerda/Matinees ooit

Het Nederlandse operajaar 2009 sloot op 12 december met een ongeëvenaard concert waar, volgens mij niets aan kon tippen. Tijdens de ZaterdagMatinee werd Guillaume Tell van Rossini uitgevoerd. Concertante, uiteraard, maar dan wel zonder coupures. Een zit van bijna vijf uur, maar wát een onvergetelijke én spannende uren! Het publiek werd gewoon uitzinnig en brak zowat het Concertgebouw af. De kracht van de uitvoering zat hem voornamelijk in de voortreffelijke bezetting van alle rollen. Allemaal. Ook de kleinste.

                                          Marina Poplavskaya © Wiki

Marina Poplavskaya was een onweerstaanbare Mathilde. Vanaf haar eerste aria wist zij het publiek te betoveren en die betovering verbrak zij geen moment. Overtuigend tot en met en dat werd zij voor beloond met een daverend applaus. Die middag groeide zij uit tot een publiekslieveling.

Hieronder: Marina Poplavskaya zingt ‘Ils s’éloignent enfin… Sombre forêt, désert triste et sauvage’. De opname is uit 2012

                AP Photo/Keystone, Walter Bieri

De titelrol werd voortreffelijk gezongen door Michele Pertusi, een zowat uitstervend ras van echte bas-chantanten die het niet moeilijk hebben met hoge noten. In zij interpretatie klonk hij als een echte vrijheidsstrijder. Een die weet wat echte strijd inhoudt en daarbij zijn menselijkheid behoudt. Ik werd er stil van.

Pertusi als Tell tijdens de Rossini Opera Festival 1993:

John Osborn was een Arnold uit duizenden. Hij liet het verbijsterd publiek versteld staan vanwege de spetterende hoge noten en het ontroerende legato.

Hieronder: John Osborn zingt ‘Asile héréditaire’ (A Tribute to Gilbert Duprez, Delos)

 

Ilse Eerens ontroerde met haar lichte, heldere en toch krachtige vertolking van Jemmy en Manuela Custer (Hedwige) zowat een lesje in ‘hoe zingt een echte mezzo’ gaf.   Onvoorstelbaar en indrukwekkend hoeveel kleuren haar lage register heeft!

Het Groot Omroepkoor was, zoals altijd eigenlijk ongeëvenaard. Eigenlijk zongen zij de hoofdrol in de opera. Van ingetogen zacht tot triomfantelijk hard, van smartelijk klagend tot vrolijk juichend, dat alles hadden ze paraat.

De uitvoering stond onder de zowat ‘fanatieke’ leiding van Paolo Olmi die het Radio Filharmonisch Orkest soms tot bloedstollende hoogte opzweepte.

Tosca met allemaal vervangers en vervangers van vervangers was toch een groot succes

Dat de baan van een casting director geen sinecure is, ja, dat weten wij wel. Maar niemand kan zich voorstellen hoe rampzalig en stressy het soms is. Het gebeurt vaker dat de zangers afzeggen, maar dat alle hoofdrol vertolkers het laten afweten, nee, dat komt (gelukkig) niet zo vaak voor. Het overkwam Mauricio Fernandez, de casting director van Amsterdamse ZaterdagMatinee bij de concertante uitvoering van Tosca op 19 mei 2012

Eerst zegde Cavaradossi af. Toen Angelotti. En toen werden we op een echte soapopera getrakteerd want maar liefst vier (VIER!) Scarpia’s hebben laten afweten; de laatste nog maar een dag voor de voorstelling. Maar het noodlot was nog niet afgewend: op de avond vóór dé dag werd Tosca ziek.

De letterlijk ‘last minute’ vervangster, de Roemeense Cellia Costea kwam rond 11 uur die ochtend in Amsterdam aan en vers van het vliegtuig kreeg ze haar eerste (en enige) repetitie met het orkest.
Het resultaat was adembenemend goed. Costea beschikt over een mooie, donkere sopraan met soepele hoge noten. Indrukwekkend dramatisch in de tweede acte en net zo indrukwekkend lyrisch in haar liefdesduetten. Niet alleen kende ze de rol uit haar hoofd, zij wist het ook te acteren. Brava!!

Hieronder: Cellia Costea zingt ‘Vissi d’Arte’ bij de Griekse Nationale Opera in 2015


            Carlos Almaguer

De vijfde Scarpia, Carlos Almaguer vond ik niet zo sterk, soms had ik de indruk dat hij zichzelf overschreeuwde, maar gezien de omstandigheden was hij meer dan voldoende.

Giorgio Berrugi zong een ouderwets Italiaanse Cavaradossi, alle noten waren er en er ontbrak hem ook niet aan passie.

Hieronder Giorgio Berrugi zingt ‘E lucevan le stelle’ in opera van  Marseille

Tomislav Lučič was een voortreffelijke Angelotti en Luca Casalin een zeer overtuigende Spoletta.

                Pinchas Steinberg

Het was de eerste keer dat ik Pinchas Steinberg live hoorde en ik moet bekennen dat ik zowat van mijn stoel viel van bewondering. Hij leidde het Radio Filharmonisch Orkest met de vaste hand, legde de accenten op de juiste plekken en – wellicht allerbelangrijkste, zeker tijdens de uitvoering met allemaal invallers – hij volgde de zangers. Daar werd ik werkelijk stil van.