opera concertante

Frank van Aken schittert in de Amsterdamse ‘Boris Godoenov’

Godunov_Score

Title page of the 1874 Piano Vocal Score

Aristoteles (overgenomen uit het zeer informatieve programmaboekje geschreven door Francis Maes): “In de kunst gaat het er niet om weer te geven wat echt is gebeurd, maar wat had kunnen gebeuren”. Hoe waar! Maar ga het aan de hedendaagse regisseurs vertellen die op de barricaden van de politieke correctheid van kunst een agitprop willen maken waar alleen maar de in hun ogen juiste uitspraken worden getolereerd. En waar alles gerelateerd moet worden aan de echte gebeurtenissen van nu.

Gelukkig werkt de ZaterdagMatinee zonder regisseurs waardoor ze ons dat kunnen geven waar we voor komen: onvervalste Kunst. Zonder verwijzingen naar het heden en zonder corrigerende aantekeningen. Vandaar dat we nu een uitstekende Boris Godoenov van Moesorgski hebben kunnen horen waar behalve de muziek ook het libretto werd gerespecteerd.

Ik ga nu niet over de verschillende versies van Boris Godoenov schrijven. Bij de Matinee werd gekozen om de versie uit 1872 te gebruiken, inclusief Moesorgski’s laatste verbeteringen uit 1873 met de toen toegevoegde Poolse acte.

Ik houd bijzonder veel van de zich in Sandomir spelende derde bedrijf. Het voegt de muzikale couleur locale toe (de polonaise) en introduceert ook een ‘love interest’, wat in de – zeker negentiende-eeuwse – opera’s bijna onontbeerlijk was. En al denk ik dat het misschien beter voor de opera (en de toeschouwers) is om de opera zonder die acte op te voeren, toch heb ik het liever mét. Het zorgt voor de nodige ‘rustpauze’ tussen al die heftige scenes.

Pablo Heras-Casado dirigeerde zeer elegant, misschien zelfs een tikkeltje té. Zelf had ik wat meer power – en daarmee bedoel ik niet de geluidssterkte, daar was niets mis mee – en nog donkerdere ondertonen gehoord, meer grimmigheid.

In de aanloop tot de tweede tafereel in het Proloog vond ik de articulatie iets te puntig. Daarbij miste ik het ‘mistige’ en het mysterieuze. Het klonk een beetje alsof er schaduwen ontbraken op het kleurenpalet van het verder fantastisch spelende orkest.

Pablo Heras-Casado over Boris Godunov:

Alexander Tsymbalyuk (Boris) zong heel erg mooi. Te mooi eigenlijk. Zijn warme bas is voornamelijk lyrisch met weinig ‘zwarte tonen’, wat op zich niet echt een probleem hoeft te zijn. Maar het ontbrak hem aan présence, voor mij was hij niet autoritair genoeg. Hij hield zijn emoties in bedwang waardoor zijn – prachtig gezongen, dat wel – sterfscène mij niet naar de keel greep.

Ik denk dat hij de rol de rol te veel vanuit het belcanto benaderde wat in werkelijk prachtige lijnen en bogen resulteerde maar waardoor het grimmige karakter van Boris niet – of weinig – aan bod kwam. Het psychologische was een beetje op de achtergrond geraakt.

 

Franz van Aken

Frank van Aken via het Concertgebouw

Bij wie ik emotioneel meer dan betrokken raakte dat was Sjoejski van Frank van Aken. Allemachtig wat was hij goed! Hij zong die rol niet: hij acteerde hem. Sterker: hij wás Sjoejski! Wat ook hielp: van Aken zong vrijwel zonder partituur en door zijn weergaloze dictie en perfecte visuele weergave van wat hij zong hoefde men niet eens om naar de boventitels te kijken om te snappen waar hij het over had. Daarbij: zijn Russisch was onberispelijk. Hulde!

 

Godoenov Kolosova courtsy BBC picture

Alisa Kolosova courtesy of BBC Picture

Het tweede hoogtepunt van de middag was voor mij het optreden van Alisa Kolosova in de rol van Marina Mniszek. Kolosova was de last minute vervangster van de aangekondigde Ksenia Dudnikova en ik kan mij werkelijk geen mooiere en betere vervanging wensen. Met haar schitterende, wendbare en toch zeer stevige mezzostem en haar enorme charisma was zij het stralende hoogtepunt van de Poolse acte.

Ante Jerkunica was een fantastische Pimen en Vladislav Sulimsky en Alexander Krasnov waren aan elkaar gewaagd als resp. Rangoni en Varlaam.

Jammer genoeg was Dmitry Golovnin die de rol van de valse Dmitri vertolkte niet van hetzelfde niveau. Ik vond zijn tenor geknepen klinken en met zijn ambtenaars-uitstraling miste hij het diabolische en het verleidelijke.

Olivia Vermeulen was een goede  maar niet echt rol dekkende Fyodor, daarvoor klonk zij te vrouwelijk. Maar wat een mooie stem heeft die jonge mezzo!

De kleine(re) rollen waren wisselend bezet. Zelf genoot ik bijzonder van Cécile van de Sant als Xenia’s voedster en van Boris Pinkhasovich als Sjtsjelkalov.

Groot Omroepkoor en Vlaams Radio Koor (instudering Martin Wright) klonken niet anders dan dat ik van ze gewend ben, gewoon top.

Modest Moesorgski
Boris Godoenov (Versie 1869/1872)

Alexander Tsymbalyuk , Olivia Vermeulen, Tetiana Miyus, Cécile van de Sant, Frank van Aken, Boris Pinkhasovich, Ante Jerkunica, Dmitry Golovnin, Alisa Kolosova, Vladislav Sulimsky, Alexander Krasnov, Mark Omvlee, Yulia Mennibaeva, James Kryshak e.a.
Groot Omroepkoor | Vlaams Radio Koor (instudering Martin Wright); Radio Filharmonisch Orkest olv Pablo Heras-Casado

De opera is terug te beluisteren op:
https://www.nporadio4.nl/ntrzaterdagmatinee/uitzendingen/624406:2018-09-08-ntr-zaterdagmatinee

Bezocht op 8 september 2018 in het Concertgebouw in Amsterdam

Discografie: BORIS GODOENOV

‘DAS GEHEGE’ van Wolfgang Rihm: een moderne versie van ‘SALOME’? ZaterdagMatinee december 2011

Gehege-en-Salome affiche

Hoeveel moord, doodslag, demonen, op wraak zinnende goden en furies kan een mens in de drie laatste donkere maanden van het jaar verwerken? Veel, als het aan de programmeurs van De Nationale Opera en de ZaterdagMatinee in 2011 lag.

Al vanaf het begin van het seizoen was het moord en doodslag in Amsterdam. Bij de Nationale Opera werdt er eerst zowat iedereen aan allerlei goden opgeofferd. Dan kwam Elektra met haar bijl zwaaien en daarna sloeg Orest in de nieuwste opera van Manfred Trojahn– met de hulp van zijn zus, dat wel – met de boormachine om zich heen.

Let op, het is geen waardeoordeel! Ik ben gek op Elektra en de productie bij DNO was meer dan prachtig. Ook de muziek van Manfred Trojahn vond ik goed, helaas werd zijn opera door de in mijn ogen idiote regie om zeep geholpen.

Vroeger konden we nog troost uit de ZaterdagMatinee putten. Maar dit jaar droeg ook De Matinee bij aan het programmageweld en op zaterdag 10 december 2011 mochten we kennis maken met Das Gehege van Wolfgang Rihm, een soort monodrama  uit 2004.

Gehege Rihm

Wolfgang Rihm tijdens een repetitie (foto akg-images / Marion Kalter)

Rihm componeerde het werk op verzoek van Kent Nagano als aanvulling op – of een moderne versie van – de opera Salome. Waarom????? Daarom, denk ik, een andere reden kan ik er niet voor bedenken.

Gelukkig duurde het maar een drie kwartier, want er was geen lol aan te beleven. Ik vond de muziek verschrikkelijk gedateerd – Schönberg heeft het al honderd jaar geleden in zijn Erwartung gedaan, maar dan duizend keer beter.

Gehege en salome hellen_kwon

Hellen Kwon

Er was een lichtpuntje: Hellen Kwon. Zij zong ‘de vrouw’ die  zo gefascineerd wordt door een adelaar, dat zij hem aan het eind vermorzelt. Haar vertolking van de hondsmoeilijke partituur was werkelijk adembenemend en daar neem ik mijn pet voor af.

Na de pauze kregen we Salome. Nu hoort u mij niet echt klagen, want Salome behoort tot mijn lievelingsopera’s. Maar om mijzelf te citeren: hoeveel moord, doodslag, demonen, op wraak zinnende goden en furies kan een mens in de drie laatste donkere maanden voor het eind van jaar verwerken?

Stephan Rügamer was een prachtige, gloedvolle Narraboth. Met zijn stem maakte hij zijn fascinatie voor Salome meer dan duidelijk.

Susan Bullock was een fatsoenlijke Salome, maar niet meer dan dat. Haar stem miste het Lolita-achtige van een vroegrijp meisje, een meisje dat ook nog eens om hulp smeekt die zij niet krijgt. Natuurlijk niet, want alle hulpverleners hebben alleen de mond vol met woorden. Werkelijk helpen doen zij niet.

Net zo min als dirigenten die zo van zichzelf en van hun eigen geluid houden dat ze niet eens meer aan de zangers denken. Ziehier meteen mijn kritiek op Edo de Waart. Het orkest speelde zonder meer prachtig, maar zo waanzinnig hard dat de plafonds van het Concertgebouw er zelfs van trilden. Kom er als zanger maar eens bovenuit!

Gehege Michael-Volle-Winfried-Hösl

Michael Volle (foto: Winfried Hösl)

Toch lukte het Michael Volle (Jochanaan) wonderwel goed. Wat een persoonlijkheid, wat een geluid en wat een voordracht. Daar word je inderdaad verliefd op.

Ook Roman Sadnik (Herodes) was buitengewoon goed. Ook van hem kon ik mijn ogen (en oren!) niet afhouden.

Maar nu is het genoeg. Laat de operaheldinnen maar lekker sterven, hoort erbij, maar mag het, alsjeblieft, tbc zijn? En waar blijft het vergeten belcanto?

Wolgang Rihm
Das Gehege
Hellen Kwon – sopraan

Richard Strauss
Salome
Susan Bullock, Michael Volle, Roman Sadnik e.a.
Radio Filharmonisch Orkest olv Edo de Waart

Bezocht op 10 december 2011 in Het Concertgebouw – Amsterdam.

 

LA CLEMENZA DI TITO door het Orkest van de Achttiende Eeuw

Clemenza affiche

Ik geef toe: ik houd van grote stemmen. Stemmen die dragen, die resoneren, stemmen die vanzelf je oren en daarvandaan je hart en de rest van je lichaam bereiken. Stemmen waar je geen moeite voor hoeft te doen om ze te horen, om te verstaan wat ze je willen vertellen. Althans: in de concertzaal, want met de manipuleer-knoppen en de tegenwoordig onuitputtelijke technische mogelijkheden in de studio’s kun je zelfs van een muizenstem stem een Brünhilde maken. Of een Otello.

 

La_clemenza_di_Tito_1642_C0012_000152

Deirdre Angenent (Vitellia) en Paula Murrihy (Sesto)

Maar dat is de reden niet – althans niet de voornaamste – dat ik Deirdre Angenent zo geweldig vond in haar rol als Vitellia. Haar woede-uitbarstingen waren zo uit het leven gegrepen en net zo echt klonk ook haar spijt en berouw. Een levensechte vrouw, die haar gekrenkte trots wilde wreken, maar tegen welke prijs? Tel daarbij haar koninklijke uitstraling – een echte prinses waardig, haar charisma en haar présence: top! Daar stond een zangeres van een werkelijk wereldklasse.

La_Clemenza_di_Tito_9982_foto_HansHijmering

Paula Murrihy en Deirdre Angenent

Soms deed zij mij aan Caroll Neblett denken, ook zij had die fenomenale dramatische uitbarstingen paraat zonder dat haar legato er onder leed. Neblett was ooit een fantastische Minnie (La Fanciulla del West), maar daarvoor zong zij – voor mij althans – één van de beste Vitellia’s ooit. Wellicht de indicatie in welke richting het prachtige instrument van Argenent zich gaat ontwikkelen?

Deirdre Angenant zingt ‘Ecco il punto…Non più di fiori’  op het vijftigste IVC in den Bosch. Opgenomen tijdens finales op 14 september 2014:

 

Fenomenaal was ook de Ierse mezzosopraan Paula Murrihy als Sesto. Murrihy beschikt over een soepele en smeuïge stem met warme ondertonen, waarmee zij ook fantastisch wist te acteren. Haar Sesto was meelijwekkend maar nergens pathetisch, iets waar die rol vaak in wil ontaarden. Haar grote aria Parto, parto, ma tu, ben mio’ was van een ontroerende schoonheid.

 

Clemenza_di_Tito_9965_foto_HansHijmering

Rosanne van Sandwijk (Annio) en Laetitia Gerards (Servillia)

Rosanne van Sandwijk (Annio) en Laetitia Gerards (Servilia) waren aan elkaar gewaagd. Hun stemmen pasten perfect bij elkaar wat resulteerde in een werkelijk schitterend gezongen duet ‘Ah, perdona al primo affetto’. Dat hun rollen er niet echt uit sprongen ligt vermoedelijk aan de personages zelf: echt geprononceerd werden ze door Mozart niet neergezet.

 

La clemenza di Tito, Photo and Copyright © Hans Hijmering, hanshij@xs4all.nl

Henk Neven (Publio), Rosanne van Sandwijk (Annio) en Paula Murrihy (Sesto)

Toch…. Dat er ook uit een niet echt uitgesproken rol wat valt te maken, dat heeft Henk Neven bewezen met zijn schitterend gezongen en geacteerde Publio. Jammer eigenlijk dat Mozart hem niet wat meer noten heeft gegeven!

 

Clemenza

Henk Neven (Publio) en Andres Dahlin (Tito)

Helaas viel de Zweedse tenor Andres Dahlin (Tito) mij een beetje tegen. Zijn op zich mooie stem was gewoon een maatje te klein voor de rol, daar had ik toch echt meer geluid willen horen. Bij een keizer, al is hij een ‘doetje’ verwacht je wat meer overwicht en autoriteit en dat had Dahlin niet in zich. In zijn vertolking hoorde ik smeekbedes om lief en aardig gevonden te worden, wat op zich wel klopt, maar dan meer met een beetje te veel ‘sorry dat ik besta’ gehalte. Bedenk dat de rol ooit paradepaardje was van Werner Hollweg en Nicolai Gedda! En dat het zelfs, nog niet zo lang geleden gezongen werd door Jonas Kaufmann…

 

La_clemenza_di_Tito_0061

Paula Murrihy (Sesto) en Andres Dahlin (Tito)

In het programmaboekje stond dat we extra op het aandeel van de obligato klarinet in de grote aria’s aria van Sesto en Vitellia moesten letten. Mozart componeerde het speciaal voor de klarinettist Anton Stadler die het instrument wist te verrijken met vier extra lage tonen. Nu weet ik uiteraard niet hoe Stadler zijn instrument bespeelde, maar om de schitterende bijdrage van Eric Hoeprich kon echt niemand heen.

Het Orkest van de Achttiende Eeuw onder zeer energieke leiding van Kenneth Montgomery speelde zonder meer fenomenaal. Er zat goed vaart in, en zowel drama als lyriek zijn voldoende aan bod gekomen.

De opera werd semi-geënsceneerd (regie: Jeroen Lopes Cardozo) opgevoerd en deze vorm van een voorstelling beleven bevalt mij zeer. Er werd voldoende aandacht en interactie besteed, de belichting was uitstekend (de scène met de brandende Colosseum!) en met een kleine detail (gedrapeerde sjaals) werd ook de tijd waarin het verhaal zich afspeelde prima geduid.

Introductievideo ‘La Clemenza di Tito’ Orkest van de Achttiende Eeuw:

Alle foto’s: © Hans Hijmering

Bezocht op 18 oktober 2017 in het Concertgebouw in Amsterdam

SEMJON KOTKO. ZaterdagMatinee november 2016

kotko-sjevtsjenko

Taras Sjevtsjenko door Ivan Kramskoj

“When I am dead, bury me In my beloved Ukraine […] Oh bury me, then rise ye up
And break your heavy chains…. And water with the tyrants’ blood The freedom you have gained. And in the great new family, The family of the free, With softly spoken, kindly word
Remember also me.”

Taras Sjevtsjenko ’Zapovit’ (Testament), Engelse vertaling John Weir

Opera is het echte leven. Politiek speelt er – naast liefde, vriendschap en macht – de belangrijkste rol in. De meeste opera’s gaan erover. Niet zelden worden ze voor propagandadoeleinden misbruikt, waarbij zelfs de meest afschuwelijke geschiedvervalsing niet wordt geschuwd. Het doel heiligt de middelen en zo wordt een (soms nietsvermoedende) luisteraar emotioneel zo gemanipuleerd dat hij met de “foute personen” meeleeft.

Maar een menselijk geweten is een wonderbaarlijk iets. Naarmate de tijd verstrijkt gaan de ooit zo pijnlijke (politieke) gebeurtenissen tot een verleden behoren. Niemand stoort zich nog aan de geschiedvervalsing in, pak ‘m beet, Don Carlo, moeilijker wordt het zodra het een recent verleden aangaat.

kotko-boekomslag

 

Semjon Kotko van Sergej Prokofjev is een onvervalste socialistisch-realistische agitprop. Het libretto van de hand van de componist is gebaseerd op de novelle Ik ben de zoon van werkvolk van Valentin Katajev. Het speelt zich af in Oekraïne in 1918, een land verscheurd tussen verschillende belangen waar iedereen vecht tegen iedereen en de bolsjewieken de good guys zijn.

Daar heb ik moeite mee, ik ken de geschiedenis maar al te goed. Diep in mijn achterhoofd doemt een vraag: wat als Semjon Wolfgang heette en de actie zich in 1938 in München afspeelde? Je moet er natuurlijk niet met je verstand naar luisteren, maar ik merk dat het best moeilijk is. Er is meer in het spel: gewoon een knop in je hoofd omzetten werkt niet.

 

kotko-prof

Sergej Prokofjev

Maar de muziek is weergaloos. Bij het begin al word ik emotioneel meegesleept, want Prokofjevs partituur is zeer filmisch. Geen wonder: daar was hij een ware meester in. Het verhaal wordt zeer dramatisch verteld, er is geen tijd voor verveling. De in de ouverture aangekondigde idylle verandert gaandeweg in een drama met als hoogtepunt de waanzinnig spannende derde acte.

Geen enkele emotie wordt ons bespaard. De boel dreigt te ontploffen, er vallen een paar doden, maar de liefde van de jonge soldaat Semjon en de dochter van zijn vijand, Sonja overwint alles, het kwaad wordt vernietigd en de revolutie zegeviert. Wat je ook verder van het verhaal en de emotionele manipulaties mocht denken: muzikaal zit het helemaal snor.

(meer…)

PASCAL DUSAPIN: Faustus, The Last Night. ZaterdagMatinee 2010

dusapin2

Pascal Dusapin

Dusapins opera Faustus, The Last Night beleefde 13 november 2010 een onvergetelijke Nederlandse première tijdens de ZaterdagMatinee. Een betere uitvoering dan die onder leiding van Jonathan Stockhammer en met solisten als John Hancock en Jaco Huijpen is moeilijk denkbaar.

dusapin-dirigent

Jonathan Stockhammer

Allemaal dromen wij wel eens van de eeuwige jeugd, perfecte gezondheid, gelukkige liefde en vrijheid om te doen wat wij willen. En daar hebben we soms heel erg veel voor over, desnoods een pact met de duivel. Zie hier de inspiratiebron voor talloze boeken, gedichten, opera’s, muziekstukken en schilderijen.

Wij, mensen, wij houden van dromen. En van sprookjes. Maar duivels, mochten ze al bestaan, hebben iets beters te doen dan ons een paar decennia te dienen in ruil voor ons ziel. Ook de hemel en de hel zijn niet vanzelfsprekend en wellicht ook verzonnen?

Daar gaat Faustus, The Last Night van Pascal Dusapin (1955) over. Vergeet Goethe, want Mephistopheles is niet geïnteresseerd in de ziel van Faustus en Faustus wil niets verkopen. Er is ook geen Marguérite, geen liefde en ook geen kunstenaarschap. Er is NIETS. Een ‘nulla’, zoals verwoord door Iago in Otello van Verdi. En een totaal nihilisme van Mefistofele, uit de gelijknamige opera van Boito.

Dusapins opera, een werk in één nacht en elf scènes, werd voor het eerst in 2006 uitgevoerd in de Staatsoper unter den Linden in Berlijn:

Lyon en Spoleto volgden en nu was Amsterdam aan de beurt, met een opvoering tijdens de ZaterdagMatinee. Gelukkig concertante, waardoor je niet gestoord werd door de (waan)concepten van een mallote regisseur.

Alhoewel, concertante? Er gebeurde best veel op het podium van de Grote Zaal. Er werd dankbaar gebruik genaakt van de trappen en van de balkons. Alle zangers kenden hun rol uit hun hoofd (de meesten hebben de opera ook al elders gezongen), waardoor ze zich niet alleen maar op de hondsmoeilijke partituur, maar ook op het acteren konden concentreren.

De opera zelf is eigenlijk één lange conversatie over het wel of niet bestaan van dingen. En de zin of onzin van het leven. Existentialisme ten top.

Dusapin is niet makkelijk in een la te stoppen. Hij heeft les gehad van Franco Donatoni en Iannis Xenakis, maar heeft hun ideeën niet overgenomen. Hij heeft gelukkig ook een afkeer van ‘systemen’ en maakt dankbaar gebruik van alles wat er in de loop der jaren is ontwikkeld: jazz, elektronica, banda’s, toegevoegde pauken en blazers… Wat je ook niet bedenkt: Dusapin weet er raad mee.

Eclectisch? Jazeker, maar dat is gelukkig geen scheldwoord meer. Makkelijk? Nee. Maar zo waanzinnig fascinerend!

Behalve Faustus en Mephistopheles voert Dusapin nog twee personages er bij: Togod, (een anagram van Godot, denk aan het toneelstuk van Beckett) – een half God, half duivel. En Sly, een dronkelap en een risee, en alweer een citaat. Niet alleen uit Shakespeare maar ook uit de opera van Wolf-Ferrari.

En dan hebben we ook nog een blinde engel, die zelf ook niet te zien is en die aan de hoofdpersoon alleen weet te vertellen dat hij opnieuw geboren moet worden. In de totale chaos die volgt, wordt de engel verteerd door vlammen.

Aan het eind dooft het vuur en fluisterend zacht dooft ook de muziek en worden de toeschouwers in het ‘Niets’ aan hun eigen lot overgelaten. Adembenemend mooi en pijnlijk ontroerend.

Over de uitvoering kan ik zeer kort zijn: TOP! Hoe en waar vindt men zulke schitterende zanger/acteurs? Toegegeven, ze werden versterkt, maar dat kon niet anders, tegen het geweld van pauken, trombonnen en elektronica is geen (menselijk) stem bestand. En toch … Versterkt of niet – ik neem mijn petje voor ze af, allemaal.

Heather Buck (Engel) ‘wandelde’ met een doodsgemak door de haar voorgeschreven sprongen van maar liefst twee octaven. Adam Klein was bij vlagen hilarisch als de continu dronken Sly en toch wist hij ook de ernstiger kant van zijn rol te benadrukken.

De Nederlandse bas Jaco Huijpen was een zeer imponerende Togod en Stephen West was een niet te versmaden Mephistopheles.

dusapin-jaco

Jaco Huijpen

John Hannock was een Faustus uit duizenden. Eigenlijk kan ik het nog steeds niet bevatten hoe hij de rol heeft ingevuld. Zijn stem leek van elastiek. Sprechgesang? Belcanto? Dramatisch? Alles kon en deed hij. En hoe!

Het Radio Kamer Filharmonie onder leiding van Jonathan Stockhammer klonk alsof ze met de muziek van Dusapin vergroeid waren, maar misschien is dat ook zo. Onvergetelijk.

dusapin-faustus

Het slotapplaus met in het midden Pascal Dusapin en Jonathan Stockhammer

Pascal Dusapin
Faustus, the Last Night
John Hancock, Stephen West, Jaco Huijpen, Adam Klein en Heather Buc
Radio Kamer Filharmonie olv Jonathan Stockhammer

Bezocht op 13 november 2010 in het Concertgebouw in Amsterdam

SIMPLICIUS SIMPLICISSIMUS

hartmann

Karl Amadeus Hartmann

De dertigjarige oorlog heeft aan acht miljoen Duitsers het leven gekost, tweederde van de gehele bevolking. Tweederde …..  Kunt u zich er iets bij voorstellen? Ik niet. En bedenk maar dat u een simpele ziel bent en uw wereld niet verder gaat dan uw ouders, uw dorp, uw kudde schapen en …. de wolf.

De wolf zelf heeft u nog nooit gezien, maar het is u verteld dat hij het ultieme kwaad is. Hij is een charmeur, hij houdt zich schuil boven in de boom, hij moordt, verbrandt de dorpen en verkracht de vrouwen. Hij is alles waar u bang voor bent en waar u geen verklaring voor hebt.

Hans Jacob Christoffel von Grimmelshausen (1621 – 1676) zou op zijn dertiende gekidnapt zijn door de Kroatische en Hessische huursoldaten. Hij vocht mee in de Dertigjarige Oorlog en zijn ervaringen verwerkte hij in zijn roman Simplicius Simplicissimus. Drei Scenen aus seiner Jugend. Een leuk weetje: hij is ook de auteur van Mutter Courasche (ja, ‘die van Brecht’).

220px-hans_jakob_christoffel_von_grimmelshausen_bw

von Grimmelshausen

 

Het was de beroemde dirigent Hermann Scherchen, die bij de jonge Hartmann met het idee kwam om van het boek een opera te maken. De eerste versie (er bestaan er twee) ontstond tussen 1934 en 36 en de première heeft (uiteraard) pas na de oorlog plaatsgevonden, in 1949.

hartmann-scherchen

Hermann Scherchen

In 1956 reviseerde Hartmann het werk. De vele gesproken dialogen werden geschrapt en een paar van de belangrijkste op muziek gezet. In de eerste versie deed Hartmann een aantal verwijzingen naar de actualiteit van toen, die na de oorlog, volgens zijn eigen zeggen, er eigenlijk niet meer toe deden.

De ouverture is wel hetzelfde gebleven, maar er is veel muziek bijgekomen. En die muziek is niet eenvoudig te vatten. Hartmann bedient zich niet alleen van veel stijlen en hij strooit rijkelijk met citaten. Bach is alom vertegenwoordigd, maar je hoort ook jazz, Kurt Weill, Stravinsky (Le Sacre!) en Sjostakovitsj (de muziek bij de ‘Drie dansen met de Dame’ lijkt sprekend op diens seksscène uit Lady Macbeth van Mtsensk). Ook Joodse melodieën ontbreken niet.

(meer…)

HANS WERNER HENZE en zijn L’UPUPA

henze-berliner-philharmoniker

Hans Werner Henze. Foto: Berliner Philharmoniker

 

Merkwaardige man, die Henze.
Links georiënteerd, sociaal betrokken en politiek geëngageerd. Ooit flirtte hij met het communisme en droomde van een wereldrevolutie. Maar hij was ook een estheet en een erudiet. Lichtelijk snobistisch, dat wel, maar ook zeer aimabel, makkelijk benaderbaar, lief, aardig en … zeer controversieel.

In 1953 verhuisde Henze naar Italië. Niet zozeer om Duitsland, als wel om de Duitse avant-garde muziek te ontvluchten. Hij heeft het er nooit zo op gehad met de strenge regels van het serialisme; en het twaalftoons systeem combineerde hij zeer eigengereid met het expressionisme en een behoorlijke dosis romantiek. En sensualiteit, want Henze’s muziek is bovenal sensueel.

“Men vindt mijn muziek vulgair” zei hij ooit. “Wellicht omdat ik zo van ritme, van dans en springen houd? Ik ben opgegroeid met een enorme sehnsucht naar de muziek, en de muziek betekent voor mij voornamelijk novocento. En Mozart. Dat hele strenge, dat heb ik nooit gewild”.

Zijn muziek is altijd zeer theatraal geweest. Ook voelde hij zich nauw verbonden met de opera, die hij, in tegenstelling tot de toenmalige hardliners van de avant-garde, nooit als verouderd had bestempeld. Zijn discografie vermeldt dan ook meer dan twintig muziektheaterwerken, die met grote regelmaat worden opgevoerd.

Zijn eerste grote succes bereikte hij met de Boulevard Solitude (zeg maar: een moderne versie van Manon Lescaut) en Der Prinz von Homburg. En in 1964 ging met een groot succes zijn wellicht grootste meesterwerk, het beklemmende Die Bassariden, in Salzburg in première.

Bijna veertig jaar later werd er in Salzburg een nieuwe opera van Henze opgevoerd: L’Upupa und der Triumph der Sohnesliebe. De bijna 80-jarige, zieke componist beweerde dat het zijn laatste zou zijn, maar dat bleek gelukkig niet waar te zijn.

(meer…)