opera concertante

Van Piet de Pot naar Pol Pot en verder

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Le Grand Macabre is één van de laat-twintigste-eeuwse opera’s die repertoire heeft gehouden, samen met bijvoorbeeld St Francois d’Assise, Lear, Die Soldaten en Nixon in China. Een mooi groepje. Natuurlijk wilde Ligeti eigenlijk geen opera schrijven, maar dat zeiden ze na Wagner bijna allemaal, bij wijze van spreken. Toch zit Le Grand Macabre – afgezien van wat ongebruikelijke instrumenten als claxons en deurbellen en een reeks plastische uitdrukkingen in het libretto – in mekaar als een ‘gewone’ opera, voor klassiek geschoolde stemmen, met een orkest in de bak, en met een zich keurig ontspinnende verhaallijn.

Maar wat een geweldige ‘traditionele’ opera is het! Bij een geënsceneerde uitvoering moet Le Grand Macabre de fantasie van de regisseur op allerlei manieren kunnen prikkelen. Al ging het Ligeti indertijd te ver toen Peter Sellars in Salzburg in 1997 er een metafoor voor milieuvervuiling door kernenergie in zag en het werk situeerde rond de nucleaire ramp in Tsjernobyl. De meer aan de verbeelding van de toeschouwer overlatende opvoering door de Reisopera een jaar later, geregisseerd door Stanislas Nordey en gedirigeerd door Reinbert de Leeuw, kon hem wél bekoren.

Toch is dit wel degelijk een althans deels politieke opera. Het gaat immers deels over een opportunistische en incapabele dictator, corrupte ministers, een inlichtingendienst die overal complotten ontwaart, massaexecuties en een volk dat radeloos, redeloos en reddeloos lijkt.

Ligeti, die na het verkeerd aflopen van de Hongaarse opstand zijn geboorteland was ontvlucht en wiens vader en broer in de Holocaust waren omgekomen, schreef de eerste versie van Le Grand Macabre in 1977, in de tijd waarin Breznjev, Ceaucescu, Mengistu, Suharto, Mobutu en Pol Pot aan de macht waren.

Maar de politieke dimensie is slechts één van de rode draden in het verhaal, en bovendien is die lijn geschreven in de groteske stijl van Gogol en Brecht. Daaromheen bewegen zich andere verhaallijnen waarin Venus, magie, duivels en de Dood in de persoon van Nekrotzar (de nekro-tsaar) hoofdrollen spelen.

Ook de muziek parodieert deels, met name Don Giovanni, Beethovens Eroica, Renaissance polyfonie, Verdi, Strawinsky, soms met snerpend koper of inderdaad deurbellen en claxons en allerlei slagwerkeffecten. Maar er zijn ook uitgebreide lyrische passages, zoals in de duetten tussen de jonge minnaars Amanda en Amando, die zo uit de Rosenkavalier of pakweg de Rheintöchter-scènes in Das Rheingold zouden kunnen zijn weggelopen.

Het is een korte opera, van de dramatische bondigheid van La Damnation de Faust en Falstaff, bij elkaar korter dan Das Rheingold, zelfs in de snelle versie zoals die vorige week in de Matinee klonk. Het (in deze uitvoering fantastisch zingende Groot-Omroep-)koor is in totaal maar een paar minuten te horen, maar in je beleving duurt het allemaal veel langer; en dat juist omdat het allemaal zo intens en rijk aan ideeën is. Dat besefte je in deze heldere uitvoering eens te meer.

In het verhaal volgen we de dronkaard Piet de Pot, die eerst door Nekrotzar wordt gedwongen om hem op zijn rug te nemen en door de wereld te sjouwen, maar tegen het einde Nekrotzar weet te verleiden het samen op een zuipen te zetten en hem onder de tafel drinkt. In benevelde staat lijkt Nekrotzar zich ten slotte gewonnen te moeten geven tegenover het leven, alhoewel dat niet zeker is; de slotscène lijkt een triomfzang over de overwonnen Dood, maar het aan de toeschouwer uit te maken of Nekrotzar echt de Dood vertegenwoordigt of alleen maar een charlatan is in een cabaretspel is, zoals de meeste andere personages. Ligeti had het werk ooit als poppenspel voorzien.

Le Grand Macabre is gebaseerd op het absurdistische toneelstuk Ballade du Grand Macabre van de Belgische auteur Michel de Ghelderode, dat zich afspeelt in ‘Brueghel-land’. Vermoedelijk dacht de oorspronkelijk auteur én aan Brueghels De Triomf van de Dood én aan Brueghels Vlaamse dorpsscenes die aanleiding hebben gegeven tot het begrip ‘Bruegheliaans’. Maar er is eigenlijk een enorm verschil tussen de ‘Bruegheliaanse’ Brueghel en de ‘doodernstige’ Brueghel van De Triomf van de Dood, geschilderd toen een pestepidemie rondwaarde, of het bijna existentalistisch-filosofische De Val van Ikarus of het politiek geëngageerde Kindermoord in Bethlehem, een aanklacht tegen hoe wreed de troepen van Alva in de Nederlanden huishielden. De combinatie van satire en religie vind je juist wel in het de hel verbeeldende rechterpaneel van Jeroen Bosch’ Tuin der Lusten.

Ook concertante komt de kracht van het werk prachtig tot uiting, vooral als het zo licht en luchtig klinkt als onder dirigent James Gaffigan, die het uitvoert met hetzelfde schijnbare gemak als waarmee hij ook zijn geweldige Prokofiev-symfoniecyclus dirigeerde. Overigens was deze concertante uitvoering wel degelijk geregisseerd en wat dat betreft werd het onderste uit de kan gehaald.

Nekrotzar werd meesterlijk gezongen en geacteerd door bas Martin Winkler. Samen met Piet de Pot (de ook sterk acterende stralende tenor Peter Hoare), die in het verhaal Nekrotzar op zijn rug door de wereld ronddraagt, vormde hij een mooi schlemielig duo.

Het was goed om bas-bariton Seth Carico, de Don Giovanni uit de recente Nationale Opera-productie, terug te zien als de mislukte magiër Astradamors. Ook in deze rol moest hij de dood tarten, en ook nu kreeg hij een reprimande voor zijn overmoedig gedrag, in een duet met Nekrotzar waarin Ligeti de reprimande van de Commendatore aan Don Giovanni lijkt te citeren.

Astradamors zit onder de plak bij zijn echtgenote, de furie Mescalina. De dramatische sopraan Heidi Melton nam die bijna Wagneriaanse rol op zich op een manier die laat horen dat ze ook Brünnhilde (de Ring) en Venus (Tannhäuser) op het repertoire heeft.

In Le Grand Macabre zit ook een Venus-rol, die door Ligeti werd toebedacht aan een coloratuursopraan. Deze werd vertolkt door Sara Hershkowitz, die in een dubbelrol ook het geslepen hoofd van de geheime dienst Gepopo zong. Bij tijd en wijle gaf ze swingend ook aan jazzy elementen uit de partituur gestalte en in haar eentje speelde ze overtuigend de twee haar toebedeelde antipoden.   

De feodale machthebber uit het verhaal, de 14-jarige Prince Go-Go, geniet van het goede van het leven en luistert nauwelijks naar de samenzweringen tegen hem die de directeur van zijn inlichtingendienst Gepopo telkens meent te ontwaren. Maar daardoor reageert hij wel te laat als het volk ten slotte echt in opstand komt. De jeugdig ogende countertenor Aryeh Nussbaum Cohen beeldde deze rol uit met een combinatie van allure en zelfspot die hem ook een ideale Prinz Orlovsky zouden maken.

Het Radio Philharmonisch Orkest had er zichtbaar plezier in, ook al zag ik af en toe iemand in de strijkerssectie de hand voor de oren houden als het slagwerk en het koper los gingen. Waarbij met name die orkestgroepen overigens een staalkaart van klankkleuren aan de dag legden.

Na afloop gaven dirigent en alle zangers uiting aan hun enthousiasme over de samenwerking; Aryeh Nussbaum Cohen alias Prince Go-Go met armgebaren alsof ze samen een sportwedstrijd hadden gespeeld, wat door het orkest en het koor met gejuich en voetgetrappel werd beantwoord – het volk bleek de heerser van voorheen toch wel te mogen.

Le Grand Macabre van György Ligeti. Libretto van de componist samen met Michael Meschke.
Gezien en gehoord Matinee op de zaterdag 27 november 2021, Concertgebouw Amsterdam.
Radio Filharmonisch Orkest
Groot Omroepkoor
James Gaffigan (dirigent)
Gijs Leenaars (koordirigent)
Mescalina: Heidi Melton (sopraan)
Nekrotzar: Martin Winkler (bas-bariton)
Amanda: Sofia Fomina (sopraan)
Amando: Marta Fontanals-SImmons (mezzosopraan)
Piet the Pot: Peter Hoare (tenor)
Prince Go-Go: Aryeh Nussbaum Cohen (countertenor)
Astradamors: Seth Carico (bas-bariton)
White-Party Minister: Paul Curievici (tenor)
Black-Party Minister: Tim Kuypers (bariton)
Venus / Gepopo: Sara Hershkowitz (sopraan)

Foto’s Foppe Schut

Sara Hershkowitz, Ligeti’s in Mysteries of the Macabre, BBC Scottish Symphony Orchestra

En in 2017 met het NNO olv Antony Hermus:




De nieuwe kleren van Wotan? Das Rheingold met ‘authentiek’ orkest.

Tekst: Neil van der Linden

De Ring op het instrumentarium uit dat tijd dat Wagner die schrijf, te beginnen met Das Rheingold. Schumann, Mendelssohn, Berlioz, Brahms op oude instrumenten wordt al lang gedaan.  In het Festival Oude Muziek weerklonk de Sacre al eens authentiek. En ook Wagner is hier en daar al eens aan de beurt gekomen, inclusief Das Rheingold bij het Orchestra of the Age of Enlightment onder Simon Rattle.

Toch is het verschil dat Concerto Köln nog eens heel diepgravend onderzoek heeft gedaan naar instrumenten, tempi en tekstuitspraak, en bovendien het voornemen heeft om de hele Ring uit te voeren. De spits is er in elk geval af.

Dirigent Kent Nagano heeft een lange staat van dienst in opera, inclusief laat negentiende- en vroeg twintigste-eeuws repertoire en hij had de Ring onlangs al gedirigeerd met ‘gewone’ instrumenten in Hamburg. Hoeveel musicologisch onderzoek men ook zou doen, zijn deelname zou in elk geval een mogelijk al te academische aanpak voorkomen. En drama kwam er sowieso genoeg in de hele opvoering. Dat was in goede handen bij Nagano, maar ook bij het door de bank genomen geweldige zangersensemble, dat niet alleen merendeels magnifiek zong maar ook heel goed acteerde.

Dat laatste begon meteen al bij de eerste scenes als Alberich, Daniel Schmutzhard, hip geknipt, aanvankelijk ogend als een aantrekkelijke man die je je bij wijze inderdaad skinnydippend (ja, want ze hadden in de Germaanse tijd toch nog geen zwemkleding…) samen met de drie aantrekkelijke Rijndochters kunt voorstellen, er achter komt dat hij zijn energie beter kan steken in geld en macht, in de vorm van het Rijngoud, dan in plaats van meisjes (En ja, het staat er echt in de tekst: hoewel ze het niet voor elkaar willen weten, voelt elk van de Rijndochters individueel best wel iets voor een avontuurtje met deze man.)

Knap is ook hoe hij dan al snel de metamorfose naar een engerd ondergaat, onder meer door zijn hoofd wat spastisch scheef te houden; misschien heeft hij goed gekeken hoe Bruno Ganz enge politieke leiders uitbeeldde. In elk geval had Schmutzhard, normaal meer een Lied-zanger, bij dit orkestvolume ook stemtechnisch geen enkele moeite met de rol.

Ook Derek Weltons Wotan klonk net zo jeugdig klonk als hij oogde. Ook hij kon gemakkelijk tegen dit orkest op en ook bij hem spatte het spelplezier ervan af; hij zou zo Godfather II kunnen spelen, met het klunzige komisch duo Donner (Johannes Kammler) en Froh (Tansel Akzeybek) als maffiose loopjongens.

Mezzosopraan Stefanie Irányi verklankte en verbeeldde met een warm, emotioneel geluid fraai Fricka’s zorgen om haar bijna door haar echtgenoot verkwanselde zuster Freia en de zorgen over de morele waarden die bij haar mede-Germaanse goden erop na houden.

Thomas Mohr als Loge was de oudste van de cast, maar dat klopt met het gegeven dat Loge slechts halfgod is, en daarom niet mag mee-eten van de magische appels waarmee Freia de echte goden eeuwige jeugd bezorgt. En wat een geweldige acteur is Thomas Mohr. Humor is niet iets dat je direct met Wagner associeert, maar met subtiele gebaren en gezichtsuitdrukkingen weet hij aan te geven hoe Loge eigenlijk lak heeft aan de goddelijk kliek; ik moest geregeld echt lachen.

Opvallenderwijs is het enige andere mannelijke personage dat er in deze opvoering karakterologisch een beetje goed van af komt: Mime, die zo zielig onder de plak van zijn broer Alberich zit. Dat werd superieur geacteerd door een krachtige, viriele Thomas Ebenstein. Op deze manier was het extra jammer dat Wagner Mime in Das Rheingold maar zo’n relatief kleine rol heeft toebedeeld. Maar goed, als Concerto Köln toekomt aan Siegfried krijgt Mime nog genoeg te doen. En naar ik begrijp komt Thomas Ebenstein hier te lande terug als het Rotterdams Philharmonisch Orkest de Rheingold komend voorjaar gaat uitvoeren onder Yannick Nézet-Séguin.

Jammer dat het van de twee reuzenbroers Fasolt is die door Fafner wordt vermoord en niet andersom, want de Fasolt van Tijl Faveyts was sterker dan de Fafner van Christoph Seidl, en het is Fafner die in Siegfried als draak opereert. Maar gelukkig vertelde Tijl Faveyts op Radio 4 dat hij bij de Komische Oper Berlijn, waaraan hij verbonden is, Gurnemanz gaat zingen, en dan is hij dus flink wat langer horen.

Een dan was er de indrukwekkende Erda van Gerhild Romberger, een diepe mezzo, die haar partij vanaf de trap naar boven zong, en die zo te horen zo Das Lied von der Erde kan zingen. De zangerscast was dus zeker geen vehikel voor een orkestraal experiment.

Maar hoe klonk het orkest uiteindelijk? Het befaamde openings-Es-akkoord op de in dit geval natuurhoorns riep niet per se de mystieke sfeer op die het anders wel genereert. Elders in de partituur wisten de authentieke koperinstrumenten met hun soms lastig onder bedwang te houden intonaties mooi-rauwe randjes aan de klank van het orkest toe te voegen. En de koperinstrumenten zijn de enige die niet veel minder luid dan tegenwoordig klinken, dus als ze los mochten gaan knetterden ze lekker boven alles uit. Darmsnaren, houten fluiten, houten paukenstokken, enz. zorgden voor een zachtere klank dan bij gebruikelijker concertante uitvoeringen.

Maar zoals ik met mijn concert-buurman Floris Don van het Rotterdams Philharmonisch Orkest besprak, zijn de klank en de omvang van het moderne orkest niet eigenlijk de gevolgen van wat een componist als Wagner toen van het orkest verlangde, en komen ze daarmee misschien wel dichter bij het ideaalbeeld dat Wagner voor ogen had?

Daar komt bij dat Wagner voor het orkest in zijn Festspielhaus in Bayreuth, waar de Ring in 1876 voor het eerst werd opgevoerd, een extra diepe orkestbak had laten ontwerpen, waarvan het geluid alleen via een ‘spleet’ de zaal bereikt. Ook dat vroeg om een luider orkest, waarvan het geluid dan bovendien omfloerst de zaal bereikte. Waarna al te snelle tempi die in een geluidsbrei zouden kunnen eindigen niet meer goed te handhaven waren.

De orkestopstelling van die we nu zagen lijkt op de orkestopstelling in Bayreuth: eerste violen links, altviolen naast de eerste violen, celli erachter, tweede violen rechts, contrabassen verspreid over links en rechts, koper allemaal bij elkaar op rechts, hoorns vooraan. Van de zeven contrabassen in deze uitvoering stonden er vier links, drie rechts.

In Bayreuth hield dat alles verband met de manier waarop het geluid eerst naar het podium moet worden gericht zodat de zangers het orkest kunnen horen (terwijl het orkest de zangers niet hoort). Het geluid van het orkest bereikt daarna pas via weerkaatsing samen het dat van de zangers het publiek. Dat alles droeg bij aan de klankrijkdom van een ‘onzichtbaar’ orkest rond de zangers die Wagner in gedachten had.

Maar inderdaad was het orkest zelf steeds luider geworden en as het steeds langzamer gaan spelen. Pierre Boulez wist in de door Patrice Chéreau geregisseerde Ring ter gelegenheid van het honderdjarig jubileum van de Ring in Bayreuth het orkest wel op te schonen en liet het sneller spelen, maar ook toen bleef die omfloerste klank.

Wat na erkenning van het unieke concept en vervolgens relativering daarvan overblijft is een stevige energieke uitvoering, met een perfect spelend orkest en een fantastische zangerscast. Het publiek was terecht een halve minuut stil alvorens in applaus en gejuich uit te barsten.

En natuurlijk wist ook Wagner dat zijn Ring overal elders ter wereld anders zou klinken dan in Bayreuth. Daarom zullen we misschien na deze Rheingold voortaan anders luistern naar Ringen in conventionelere omstandigheden.

Grapje: Alberich nam ná Wotan het applaus in ontvangst. Het publiek accepteerde het en gaf de volgens de gebruikelijke interpretatie grootste slechterik in het verhaal inderdaad het grootste applaus/

Gezien in het Concertgebouw 20 november 2021.

Concerto Köln olv Kent Nagano
Wotan: Derek Welton (bas-bariton)
Donner: Johannes Kammler (bariton)
Loge: Thomas Mohr (tenor)
Froh: Tansel Akzeybek (tenor
Fricka: Stefanie Irányi (mezzosopraan)
Freia: Sarah Wegener (sopraan)
Erda: Gerhild Romberger (mezzosopraan)
Alberich: Daniel Schmutzhard (bariton)
Mime: Thomas Ebenstein (tenor)
Fasolt: Tijl Faveyts (bas)
Fafner: Christoph Seidl (bas)
Woglinde: Ania Vegry (sopraan)
Wellgunde: Ida Aldrian (mezzosopraan)
Floßhilde: Eva Vogel (mezzosopraan)

Fotografie: Eduardus Lee

Geef mij maar opera concertante!

Opera concertante … Daar is veel voor te zeggen. Doordat er geen regisseur aan te pas komt, word je niet afgeleid door rare beelden en is er geen discrepantie tussen wat je hoort en ziet. Je kunt je eigen fantasie gebruiken en je zo beter op de muziek en de zang concentreren. Amsterdam heeft een jarenlange traditie van de ZaterdaMatinee, waar geen één echte operaliefhebber aan voorbij aan kon (en kan) gaan. Niet alleen is het programma zeer gevarieerd en spannend, ook de zangers en dirigenten zijn doorgaans van het hoogste niveau.

DIE MEISTERSINGER VON NÜRNBERG

7 februari 2009 was één van die middagen die nu al als legendarisch gelden, en dat niet vanwege de ongewone begintijd (11 uur ‘s morgens) en de lange duur (tot 17 uur in de namiddag). Jaap van Zweden tilde Die Meistersingertot een werkelijkongekend hoog niveau. En dan te bedenken dat het pas zijn tweede Wagner was, na de sensationele Lohengrin een jaar eerder.
Niet minder imposant was de bezetting: daar stonden ze, allemaal  de meistersingers  op een rij, of eigenlijk een paar rijen, want anders zouden ze niet passen op de toch niet kleine bühne van het Concertgebouw. Allereerst was er de Nederlandse bas Robert Holl (Hans Sachs), die de rol al jaren achtereen tijdens de Bayreuther Festspiele heeft gezongen  en er helemaal mee was vergroeid. Met zijn soepel gevoerde sonore bas riep hij allerlei gevoelens op – maar het meest die van een diepe bewondering. Wat een vertolking!

Ook Eike Willem Schulte (Beckmesser) kroop helemaal in zijn rol van een oude intrigant, waar best veel om te lachen viel. Burkhard Fritz was zeer geloofwaardig in zijn prachtig gezongen ‘Prijssong’ en Rainer Trost een mooie David.

Het is ondoenlijk om iedereen te vermelden, allemaal waren ze goed en vormden een volkomen eenheid met elkaar, de dirigent en het orkest. In tegenstelling tot de mannen liet de Nederlandse sopraan Barbara Haveman een gemengde indruk op mij achter. Het was de eerste keer dat ik haar live hoorde en ze viel me een beetje tegen. Ik had een groter (en ronder) geluid verwacht, maar misschien lag het aan de rol?

Om de sfeer te vergroten werd de foyer ingericht als een heuse bierstube: men kon plaats nemen achter lange, houten tafels en zich tegoed doen aan zuurkool met worst.

De uitvoering werd gelukkig op cd uitgebracht, op QuattroLive (2009014s). De opname is via de vakhandel en de webwinkel van het Koninklijk Concertgebouworkest te koop, maar voor zuurkool met worst en het biertje moet u zelf zorgen.

Wilhelm Tell van Rossini: herinneringen aan één van de beste Zateerda/Matinees ooit

Het Nederlandse operajaar 2009 sloot op 12 december met een ongeëvenaard concert waar, volgens mij niets aan kon tippen. Tijdens de ZaterdagMatinee werd Guillaume Tell van Rossini uitgevoerd. Concertante, uiteraard, maar dan wel zonder coupures. Een zit van bijna vijf uur, maar wát een onvergetelijke én spannende uren! Het publiek werd gewoon uitzinnig en brak zowat het Concertgebouw af. De kracht van de uitvoering zat hem voornamelijk in de voortreffelijke bezetting van alle rollen. Allemaal. Ook de kleinste.

                                          Marina Poplavskaya © Wiki

Marina Poplavskaya was een onweerstaanbare Mathilde. Vanaf haar eerste aria wist zij het publiek te betoveren en die betovering verbrak zij geen moment. Overtuigend tot en met en dat werd zij voor beloond met een daverend applaus. Die middag groeide zij uit tot een publiekslieveling.

Hieronder: Marina Poplavskaya zingt ‘Ils s’éloignent enfin… Sombre forêt, désert triste et sauvage’. De opname is uit 2012

                AP Photo/Keystone, Walter Bieri

De titelrol werd voortreffelijk gezongen door Michele Pertusi, een zowat uitstervend ras van echte bas-chantanten die het niet moeilijk hebben met hoge noten. In zij interpretatie klonk hij als een echte vrijheidsstrijder. Een die weet wat echte strijd inhoudt en daarbij zijn menselijkheid behoudt. Ik werd er stil van.

Pertusi als Tell tijdens de Rossini Opera Festival 1993:

John Osborn was een Arnold uit duizenden. Hij liet het verbijsterd publiek versteld staan vanwege de spetterende hoge noten en het ontroerende legato.

Hieronder: John Osborn zingt ‘Asile héréditaire’ (A Tribute to Gilbert Duprez, Delos)

 

Ilse Eerens ontroerde met haar lichte, heldere en toch krachtige vertolking van Jemmy en Manuela Custer (Hedwige) zowat een lesje in ‘hoe zingt een echte mezzo’ gaf.   Onvoorstelbaar en indrukwekkend hoeveel kleuren haar lage register heeft!

Het Groot Omroepkoor was, zoals altijd eigenlijk ongeëvenaard. Eigenlijk zongen zij de hoofdrol in de opera. Van ingetogen zacht tot triomfantelijk hard, van smartelijk klagend tot vrolijk juichend, dat alles hadden ze paraat.

De uitvoering stond onder de zowat ‘fanatieke’ leiding van Paolo Olmi die het Radio Filharmonisch Orkest soms tot bloedstollende hoogte opzweepte.

Tosca met allemaal vervangers en vervangers van vervangers was toch een groot succes

Dat de baan van een casting director geen sinecure is, ja, dat weten wij wel. Maar niemand kan zich voorstellen hoe rampzalig en stressy het soms is. Het gebeurt vaker dat de zangers afzeggen, maar dat alle hoofdrol vertolkers het laten afweten, nee, dat komt (gelukkig) niet zo vaak voor. Het overkwam Mauricio Fernandez, de casting director van Amsterdamse ZaterdagMatinee bij de concertante uitvoering van Tosca op 19 mei 2012

Eerst zegde Cavaradossi af. Toen Angelotti. En toen werden we op een echte soapopera getrakteerd want maar liefst vier (VIER!) Scarpia’s hebben laten afweten; de laatste nog maar een dag voor de voorstelling. Maar het noodlot was nog niet afgewend: op de avond vóór dé dag werd Tosca ziek.

De letterlijk ‘last minute’ vervangster, de Roemeense Cellia Costea kwam rond 11 uur die ochtend in Amsterdam aan en vers van het vliegtuig kreeg ze haar eerste (en enige) repetitie met het orkest.
Het resultaat was adembenemend goed. Costea beschikt over een mooie, donkere sopraan met soepele hoge noten. Indrukwekkend dramatisch in de tweede acte en net zo indrukwekkend lyrisch in haar liefdesduetten. Niet alleen kende ze de rol uit haar hoofd, zij wist het ook te acteren. Brava!!

Hieronder: Cellia Costea zingt ‘Vissi d’Arte’ bij de Griekse Nationale Opera in 2015


            Carlos Almaguer

De vijfde Scarpia, Carlos Almaguer vond ik niet zo sterk, soms had ik de indruk dat hij zichzelf overschreeuwde, maar gezien de omstandigheden was hij meer dan voldoende.

Giorgio Berrugi zong een ouderwets Italiaanse Cavaradossi, alle noten waren er en er ontbrak hem ook niet aan passie.

Hieronder Giorgio Berrugi zingt ‘E lucevan le stelle’ in opera van  Marseille

Tomislav Lučič was een voortreffelijke Angelotti en Luca Casalin een zeer overtuigende Spoletta.

                Pinchas Steinberg

Het was de eerste keer dat ik Pinchas Steinberg live hoorde en ik moet bekennen dat ik zowat van mijn stoel viel van bewondering. Hij leidde het Radio Filharmonisch Orkest met de vaste hand, legde de accenten op de juiste plekken en – wellicht allerbelangrijkste, zeker tijdens de uitvoering met allemaal invallers – hij volgde de zangers. Daar werd ik werkelijk stil van.

Guillaume Tell van Rossini in twee cd-opnamen en één gemiste kans

Tell schiller

Voor de meeste mensen is Zwitserland een prachtig, maar een saai land. Alles is er perfect geregeld en zelfs uit de uiers van de koeien komt meteen een echte mekchocolade. De banken en juweliers kunnen er gedijen en er gebeurt nooit wat, tenminste als ze niet over de hoogte van een minaret redetwisten.

Maar zelfs de Zwitsers hebben iets van een opstand meegemaakt en ook zij hebben hun nationale held en trots, al is het niet helemaal zeker of hij ooit heeft bestaan (neem van mij aan: niet).

Willem Tell, de Zwitserse nationale trots en vrijheidsstrijder, dankt zijn bekendheid voornamelijk aan het toneelstuk van Friedrich Schiller, die, zoals wij het niet anders van een romantische dichter verwachten, het niet zo nauw met de waarheid nam.

Tell Rossini

Nog bekender werd hij door een opera van Rossini. Alhoewel…. Echt bekend was de opera tot voor kort niet echt maar: wie kent de ouverture niet? Zelfs mijn kat kan het nafluiten.

CD’s

Tell Pappano

De opname die Antonio Pappano in 2011 maakte met het Orchestra e Coro dell’ Accademia Nazionale di Santa Cecilia Roma is verre van compleet. Jammer en gemiste kans, zeker ook omdat de uitvoering echt goed is.

Gerald Finley is een zeer goede Tell (is er iets wat hij niet kan zingen?), maar toch mist hij iets in de rol. Voor mij althans. Ik kan het niet beschrijven, het is meer spitzengevoel, maar dat ‘iets’ krijg ik wel als ik naar Gabriel Baquier luister, op de oude EMI-opname uit 1973.

Tell Gardelli

De cast van die opname, onder leiding van de zeer bezielde Lamberto Gardelli, heeft nog meer ‘plussen’. De grootste is de Mathilde van Montserrat Caballé. Ik neem aan dat ik u niet hoef te vertellen hoe mooi en vloeiend haar noten zijn, hoe zij als het ware door de noten ‘golft’ en hoe fluisterzacht haar pianissimo is. Nee, daar kan de op zich goede Malin Byström (Pappano) echt niet tegen op! Haar coloraturen zijn dan wel zuiver, maar daar is ook alles mee gezegd.


Een ander groot pluspunt is de Jemmy van Mady Masplé, de echte ‘oudgediende’ in het ‘kanarievak’. Zo ontzettend mooi! En Nicolai Gedda natuurlijk, een zanger die ooit door één van mijn collega’s ‘een kameleon onder de zangers’ werd genoemd (kent u een andere tenor die zo veel verschillende rollen met zo veel talent wist te zingen?). En bij dat alles kunt u nog de speelduur van bijna 238 minuten tegenover de gammele 208 minuten van Pappano optellen

Maar als u denkt dat ik Pappano afwijs, dan heeft u het mis! Orkestraal is hij beslist superieur aan Gardelli. Zijn koor klinkt mooier en subtieler en daar komt nog eens de klankkwaliteit bij. Het allergrootste pluspunt van de Pappano-opname is echter John Osborn, een tenor die de allerhoogste noten eruit gooit alsof het kinderspel is. Hij was het die de ZaterdagMatinee-uitvoering mede onvergetelijk maakte. De (concertante) opname is live gemaakt en dat verhoogt de sfeer, zeker met al die ‘bravo’s’.


ZaterdagMatinee 2009

Teel Johnny

John Osborn © Zemsky/Green Artists Management

Wat nooit op cd is uitgekomen (schande!) is de absoluut complete uitvoering in de onvolprezen NTR ZaterdagMatinee. Zonder coupures. Een zit van bijna vijf uur, maar wát voor onvergetelijke uren. Het publiek was uitzinnig en brak zowat het Concertgebouw af.

De kracht van de uitvoering zat hem erin dat werkelijk iedere rol briljant bezet was, tot aan de kleinste toe. Paolo Olmi dirigeerde een cast van meer dan fantastische zangers: Michele Pertusi, Marina Poplavskaya, Ilse Eerens en John Osborn. Het Groot Omroepkoor vervulde met verve zijn hoofdrol in de opera. Geen cd dus (even zachtjes vloeken), maar wel dierbare herinneringen.

Ik en opera’s van Haydn, zou het nog eens goed kunnen komen?

Haydn_-_Armida_-_titlepage_of_the_libretto,_1784

De ZaterdagMatinee opende haar seizoen in 2009 met Armida van Haydn. Ondanks de geweldige uitvoering van de topcast kon de opera mij niet boeien. Ik en opera’s van Haydn, zou het nog eens goed kunnen komen?

Op een kleine opleving in de jaren zeventig van de vorige eeuw na, toen Antal Dorati zich over het oeuvre heeft ontfermd, waren bijna alle opera’s van Haydn een stille dood gestorven. Ze werden bijna nooit meer uitgevoerd. Vergeten en onder een dikke laag stof verstopt. Terecht?

Daar kunnen we tegenwoordig makkelijk achter komen: we zijn in het Haydn-jaar beland (de componist is 200 jaar geleden gestorven) en dat zullen we weten ook. De ene na andere opera van hem wordt afgestoft en uitgevoerd.

Haydn Rinaldo_e_Armida,_Annibale_Carracci_001

Annibale Carraci: Armida en Rinaldo (1601)

Ook de ZaterdagMatinee heeft haar 49e seizoen geopend met Haydn: Armida, één van zijn meest bekende opera’s. Het verhaal van de tovenares Armida en de door haar in de val gelokte kruisridder Rinaldo was een inspiratiebron voor vele componisten. Ook Händel, Glück, Rossini en Dvorák (om een paar te noemen) hebben een opera over haar gemaakt.

Wat onderscheidt Haydn van zijn muzikale broeders? Voornamelijk heel erg veel noten. En heel erg veel da capo’s. Zonder fine. Een recitatief, een aria… Virtuoos, dat wel, en daar kun je, als je over mooie coloraturen beschikt, natuurlijk eindeloos in schitteren. Maar voor de toeschouwer is het allemaal toch iets te weinig om te boeien.

Althans voor mij. Heel erg dapper heb ik mij door de eerste helft geworsteld, met een zakdoek tegen mijn mond gedrukt (stel je voor dat ik betrapt werd tijdens het gapen!). Maar toen ik na de pauze op mijn goede zitplaats (de eerste rij balkon) plaatsnam en alvast begon te geeuwen, bedacht ik dat het misschien geen goed idee was om er langer te blijven.

Aan het orkest lag het niet. Onder de meer dan bezielde leiding van Jaap van Zweden speelden zij de sterren van de hemel. Strak, spannend, dramatisch, en waar nodig met de mooiste pianissimi. Hulde.

Aan de dirigent lag het ook niet. Jaap van Zweden deed alsof het de beste partituur was die hij in jaren op zijn lessenaar kreeg. Ik wou dat ik zijn passie voor die muziek kon delen.

Haydn MeaganMiller

Meagan Miller

Ook aan de zangers lag het niet. Meagan Miller (een last minute vervangster voor Eva Mei) was een felle Armida. Haar topnoten waren niet altijd zuiver en soms klonk ze een beetje schel, maar haar intensiteit en muzikaliteit waren meer dan indrukwekkend.

Haydn Gregory-Kunde_7396_credit-Chris-Gloag

Gregory Kunde © Chris Gloag / OnP

Gregory Kunde (Rinaldo) is een solide belcanto tenor met een mooi timbre en veel kleuren in zijn stem – daarmee is hij zonder meer één van de besten in zijn stemsoort.

Haydn

Mojca Erdmann ©Felix Broede

De nieuwe, onlangs door Deutsche Grammophon exclusief gecontracteerde ‘megaster’ Mojca Erdmann (Zelmira) klonk zoals de meeste ‘megasterren’ tegenwoordig klinken: e(so)therisch, hoog, licht en wendbaar.

Eenmaal thuis terug heb ik de radio aangezet, en toen kon ik opeens genieten. Wellicht moet je sommige opera’s op je gemak in je luie stoel beluisteren? Of misschien moet ik me maar met het idee verzoenen dat ik en Haydn (zijn opera’s, althans) elkaar niet liggen?

 

Frau ohne Schatten in Rotterdam: een werkelijk fabuleuze matinee

Tekst: Sander Boonstra

Frosch Yannick

Yannick Nézet-Séguin © Hans van der Eoerd

Hoe vaak kun je een al zelden in Nederland uitgevoerde opera aanschouwen onder een dirigent die onder andere in dit land zijn internationaal befaamde carrière startte. Dan moet je toch wel helemaal gek zijn om thuis te blijven? Ik heb het over Richard Strauss zijn Frau ohne Schatten: het ‘zorgenkindje’ van hem en librettist Hugo von Hofmannstahl. Het romantische equivalent van Mozarts Die Zauberflöte – in de hoop van Hofmannstahl zelfs de opvolger – werd in 1919 lauw door pers en publiek ontvangen. Was het het ingewikkelde verhaal? Of de bombastische partituur? Gelukkig heeft de opera in onze tijd een plekje veroverd in de opera-canon. En terecht!

Strauss’ muziek is werkelijk prachtig en het Rotterdams Philharmonisch Orkest laat onder hun oude chef Yannick Nézet-Séguin geen moment onbenut de partituur te laten sprankelen! Dat hier sprake is van een warme, hechte band en wederzijds vertrouwen en respect hoor je. In elke noot, in elke frasering, bij elk instrument, drie uur lang. Nézet-Séguin kiest hier en daar voor grotesk en theatraal, wat even prachtig en overdonderend is als zijn klein en intiem.

Op papier is de solistische bezetting om je vingers bij af te likken. Stuk voor stuk namen die je in deze rollen wilt horen. Op Thomas Oliemans als de Bode na maakt iedereen zijn debuut bij het Rotterdamse orkest. Niemand die voor een ander onder doet, hoe groot of hoe klein de rol ook is. Oliemans met zijn warme bariton, sopraan Katrien Baerts (stem van de valk) en tenor Bror Magnus Tødenes (Verschijning) met hun parel helder klinkende stemmen, en het uitstekend bij elkaar klinkende trio van Andreas Conrad, Michael Wilmering en Nathan Berg als de broers van Barak.

Michaela Schüster is een droom van een Amme: vanaf de eerste tot en met de laatste noot vult haar warme, volle stem in de hoogte en de laagte alle hoeken en gaten van De Doelen, en zet ze met haar bewegingen en blikken een voedster neer waarmee niet te spotten valt.

Lise Lindström is een krachtige Färberin met een groot bereik, maar is op haar manier van een heel ander kaliber dan Schüster. In de hoogte klinkt ze misschien wat schel, maar ik heb er geen moment moeite mee gehad.

Frosch Elza-van-den-Heever-foto-Jiyang-Chen-1

Elza van den Heever © Jiyang Chen

Elza van den Heever is een prachtige lyrische Kaiserin, die vocaal overtuigt in haar beslissing voor het geluk van het verversechtpaar te kiezen.

Stephen Gould en Michael Volle blijven in het geheel niet achter bij de dames. Gould’s heldentenor heeft geen last van ‘matinee-stress’ en klinkt als een klok bij zijn entree. Zijn solo in de tweede akte is een waar hoogtepunt van de middag: heroïsch en toch een prachtig lyrische zachte kant van de Kaiser.

Frosch Volle

Michael Volle © Bayrischer Rundfunk

Maar Volle steelt absoluut de show! Wat een stem, die alle facetten van de verver behelst: zoekend naar de liefde van zijn vrouw gaat het over naar zijn toorn voor haar, om te eindigen in een intens gelukkige drang te jubelen. Het semi-liefdesduet tussen Barak en zijn vrouw in de derde akte heeft me tot tranen geroerd.

En zo zetten dirigent, orkest, solisten, samen met de uitstekend zingende koren (Rotterdams Symphony Chrous en het Nationaal Kinderkoor) voor een nagenoeg uitverkochte zaal een fabuleuze middag neer, die me de treinreis Leeuwarden – Rotterdam elke minuut waard was!

Frosch Sander

© Sander Boonstra

Discografie: Het een en ander over Die Frau ohne Schatten

Francesca da Rimini: Italiaanse liefdesdrama, maar dan op zijn Russisch

Paton, Joseph Noel, 1821-1901; Dante Meditating the Episode of Francesca da Rimini and Paolo Malatesta

Paton, Joseph Noel; Dante Meditating the Episode of Francesca da Rimini and Paolo Malatesta; Bury Art Museum; http://www.artuk.org/artworks/dante-meditating-the-episode-of-francesca-da-rimini-and-paolo-malatesta-164312

Francesca da Polenta (1255 –1285), beter bekend als Francesca da Rimini was een tijdgenote van Dante Alighieri, die haar een plaats in zijn La Divina Commedia heeft ‘gegund’, maar dan in de vijfde cirkel. Droevig, want dat verdiende ze niet en, als God bestaat dan had hij haar al lang gratie verlengd.

Het verhaal in het kort: om de vrede tussen de huizen da Polenta en Malatesta te bezegelen moet Francesca met de oudste van de Malatesta broers, Lanciotto trouwen. Hij is echter zo afzichtelijk dat de kans dat ze ‘nee’ zegt buitengewoon groot is. Om haar om de tuin te leiden wordt zij aan zijn jongere broer, Paolo il Bello voorgesteld. Francesca valt als een blok voor de mooie Paolo en ook hij vat de allesomvattende liefde.

De werkelijkheid is gruwelijk: Francesca wordt wakker als de vrouw van Lanciotto. Zij doet haar best om in haar lot te berusten, want wat voor keuze heeft zij?  Lanciotto echter is dermate jaloers dat hij een list verzint: hij gaat een oorlog uitvechten en weet niet wanneer hij terugkomt. Niks geen oorlog: hij post zich achter een gesloten deur en wacht. Lang duurt het niet: Paolo leest Francesca voor uit de legende over koning Arthur en de liefde die zijn vrouw Guinevere en Lancelot voor elkaar hebben opgevat. De scène eindigt met een alleszeggende zin van Francesca: ‘en toen lazen we niet meer’. Dat is waar Lanaciotto op wachtte: hij stormt naar binnen en steekt beiden dood.

Romantiek ten top, geen wonder dat het een inspiratiebron voor een menig schilder, schrijver en een toondichter was. Het bekendste is, denk ik de opera van Zandonai. Niet dat het zo vaak wordt opgevoerd, maar daar hebben de klassieke muziekliefhebbers tenminste van gehoord. Hoop ik.

Maar ook het symfonische gedicht van Tsjaikovsky is niet algeheel onbekend, het wordt het en der opgevoerd. Persoonlijk vind ik het niet zijn sterkste werk. Waarom? Omdat er in de compositie weinig plaats is voor lyriek. Wat je (ik althans) erin hoort zijn voornamelijk woede-uitbarstingen. O ja, dat hoort er in, zeker, maar ik mis de liefde. De allesomvattende n verzengende liefde. En ik vraag mij af waarom hij er geen opera van heeft gemaakt?

De vraag wordt versterkt doordat een andere Russische componist, Sergei Rachmaninoff  het wel deed en dat nota bene op het libretto van Tsjaikovsky’s eigen broer, Modest. En het gekke is: Rachmaninoff associeer je niet gauw met de opera. Toch heeft hij er drie (plus drie onafgemaakte) gecomponeerd. De première van Francesca vond plaats in 1906 in het Bolshoi Theater in Moskou met op de bok de componist zelf.

 

Francesca poster

Het was een onvoorstelbaar goede zet van de ZaterdagMatinee om beide werken samen op het programma te zetten. Twee hartstochtelijke Russen die hun blik lieten vallen op één van de meest hartstochtelijke verhalen. Mooi bedacht. Maar heftig was het wel: veel forte en fortissimo, wat met de temperatuur in de zaal niet bevorderlijk was voor de concentratie.

https://i.ytimg.com/vi/bOUslVF-B14/maxresdefault.jpg

© Mrco Borggreve

Toch hoort u mij niet klagen. Het was de eerste keer dat ik de jonge dirigent Stanislav Kochanovsky live hoorde en de kennismaking beviel mij zeer. Ik werd buitengewoon gefascineerd door zijn manier van dirigeren. Met sierlijke gebaren leidde hij het orkest door alle valkuilen (en dat zijn er een paar!) in de partituur van Tsjaikovsky heen. En het middendeel, het liefdesduet, dat was zo mooi dat het pijn deed. Hij liet het Radio Filharmonisch Orkest werkelijk fluweelzacht spelen.

Rachmaninoff was natuurlijk een verhaal apart, want hier kregen we de stemmen. En die waren allemaal, stuk voor stuk goed, al had ik… Goed, om met een minpunt te beginnen: Paolo van Oleg Dolgov. Schitterende stem, prachtige tenor, maar hij stond daar als een ambtenaar bij, ik kon geen sprankje liefde, laat staan erotiek in ontdekken. En ik snap wel dat je bij concertante de partituur voor je neus hebt, maar: ze lazen toch een boek? Kon hij de partituur in zijn hand nemen en doen alsof hij Francesca voorlas?

©Lieneke Effern

Maria Bayankina was de laatst minuut invalster voor Venera Gimadieva. Mooie vrouw, mooie stem en zij deed het voortreffelijk. Dat er iets ontbrak schrijf op de conto van het laatst minute.

Dmitry Golovnin was een zeer betrokken en ontroerende Dante en Mikhail Kolelishvili een zeer imponerende geest van Vergilius.

©Lieneke Effern

Maar er kan maar één winnaar zijn en dat was gisteren de bariton Vladislav Sulimsky die de slechterik zong. Zijn monoloog waarin hij zijn lot betreurt was van een ongekende intensiteit, adembenemend. Daar werd hij terecht met een opendoekje voor bedankt.

Het Groot Omroepkoor was zoals altijd gewoon heel erg goed. Nu ja, gewoon….
Bravi!

Francesca Koch stage

 (c) Shizuo Kuwahara on mobile phone.

Maria Bayankina, Oleg Dolgov, Dmitriy Golovnin, Vladislav Sulimsky, Mikhail Kolelishvili
Groot Omroepkoor (koordirigent Benjamin Goodson), Radio Filharmonisch Orkest olv Stanislav Kochanovsky

Gehoord op 14 september 2019 in het Concertgebouw in Amsterdam

Daniel Harding dirigeert de tweede akte van Tristan en Isolde: grote namen en weinig emotie

https://www.concertgebouw.nl/media/cache/cdp_header__landscape/media/productionimage/image/fritz-luckhardt-richard-en-cosima-wagner-9-mei-1872-wenen-1280x608.jpg

Wie het onnozele plan heeft bedacht om de zangers in de uitvoering van de tweede akte van Wagners Tristan und Isolde achter het orkest op te stellen die verdient gewoon straf. Vanaf mijn eersterangs plaats kon ik niet alleen bijna niets zien maar ook weinig horen. Althans de zangers niet. Alles verdween in het orkest. Of moet ik zeggen: in het koper, want daar stonden ze opgesteld, linksachter, achter de koperblazers.

Wagner Tristan-und-Isolde-01

Tristan und Isolde, Neuschwanstein, Schlafgemach des Königs, Gemälde von August Spieß, 1881

Het beroemde liefdesduet (‘Liebesnacht’) vormt het emotionele hart van de opera. De dodelijk verliefde mensen, ziek van verlangen vallen elkaar eindelijk in de armen. Wat volgt is je reinste erotiek, extase, pornografie bijna. Een nacht dat abrupt wordt onderbroken door de waarschuwingskreet van Brangäne: koning Marke en zijn mannen komen er aan. De verliefden zijn verraden door Melot, Tristans beste vriend en vertrouweling. Dat verraad: dat staat ook genoteerd in de noten, dat is het geniale van de muziek van Wagner.

Maar die noten, die moeten gezongen worden, zo heeft Wagner het bepaald, anders had hij er geen opera maar een symfonie van gemaakt. En dat is nou waar het aan de concertante uitvoering van 31 augustus 2019 aan ontbrak. Aan goede zang. Wellicht doe ik de zangers een groot onrecht aan, maar echt kapot van wat ik hoorde was ik niet.

Hoe kan dat nou? Dat waren nu juist de namen die u allemaal naar het Concertgebouw lieten snellen, want zijn Stuart Skelton (Tristan) en Christine Goerke (Isolde) niet zowat de grootste namen in de Wagner-fach? Worden hun optredens niet overal bejubeld? Worden hun grote stemmen niet bewonderd?

Wagner 20190831_213641

© Ron Jacobi

Ik moet eerlijk bekennen dat wat ik gisteren hoorde was van het niveau okay, meer niet. Goed, ze kwamen boven het orkest uit, maar zelfs dat vaak niet. Maar nogmaals: lag het niet aan de idiote opstelling? Ik wou dat ik er een antwoord op kon geven. Wat ik het meest miste was precies dat waar de tweede akte van Tristan und Isolde over gaat: erotiek. Seks. En orgasme, een uur langdurende orgasme waar geen eind aan zal komen mits….

Claudia Mahnke (Brangäne) heb ik amper kunnen horen, maar Matthias Goerne zong een zeer fatsoenlijke koning Marke. In dit gezelschap van grote internationale namen viel mij de bijdrage van Mark Omvlee (Melot) zeer positief op. In zijn interpretatie hoorde ik de jaloezie en de afgunst, petje af dus.

Van die twee woorden die het aanstormende talent, de jonge Duitse bariton Stefan Astakhov (Kurwenal) te zingen had kan ik natuurlijk niets vinden. Ik kan alleen maar hopen dat men hem volgende keer wat meer laat zingen.

Wagner daniel-harding-pilot-768x432

Ergens las ik dat de dirigent Daniel Harding zijn vliegbrevet heeft gehaald, zijn Parijse orkest vaarwel heeft gezegd, alle optredens heeft geannuleerd en van plan is om minstens een jaar te gaan vliegen. Hij is aangenomen als piloot voor de Air France. Geen slecht idee. Zijn Tristan und Isolde in het Concertgebouw voelde alsof het gemaakt werd voor en vanuit de pilootcabine: groots maar vluchtig en zonder aandacht voor de details. Zo jammer.

Slotapplaus (© Ron Jacobi):

Richard Wagner – Tweede akte (uit ‘Tristan und Isolde’, WWV 90)
Christe Goerke, Stuart Skelton, Matthias Goerne, Clauda Mahnke, Mark Omvlee, Stefan Astakhov
Koninklijk Concertgebouworkest olv Daniel Harding

Gehoord in het Concertgebouw in Amsterdam op 31 augustus 2019