opera/operette/oratorium/koorwerken

Acht minder bekende opera’s van Donizetti

葛塔諾·多尼采蒂wiki | TheReaderWiki
Portret van Gaetano Donizetti door Giuseppe Rillosi, 1848

75 opera’s heeft hij geschreven, de belcanto reus uit Bergamo. Vijfenzeventig! Tel daarbij, ik citeer: 16 symfonieën, 19 strijkkwartetten, 193 liederen, 45 duetten, 28 cantates en nog wat soloconcerten, sonates en kamermuziek. En hoeveel van al dat moois horen we tegenwoordig? Een doorsnee muziekliefhebber komt niet verder dan Lucia di Lamermoor, L’Elisir d’amore, Don Pasquale… Wellicht nog de Tudor-drieluik (Anna Bolena, Maria Stuarda en Roberto Devereux. En, o ja, La Fille du Regiment, vanwege al die hoge C’s op een rijtje.

PIA DE TOLOMEI

Opera rara Pia

Het verhaal van Salvatore Cammarano, auteur van o.a. Maria di Rudenz en Il Trovatore over een ten onrechte van overspel beschuldigde echtgenote van een kasteelheer speelt zich af tegen de achtergrond van een oorlog tussen Florence en Siena en is door Donizetti voorzien van de mooiste aria’s en duetten.

De bezetting, met een werkelijk weergaloze Majella Cullagh als Pia en Manuela Custer als haar broer Rodrigo voorop, is zoals altijd bij Opera Rara, werkelijk subliem. (ORC 30)

ROSMONDA D’INGHILTERRA

Opera Rara Rosmonda

Het verhaal speelt zich in het Engeland van de twaalfde eeuw af. Koning Henry II is getrouwd met Leonora van Aquitanië, maar houdt ook nog een maîtresse op na. Deze minnares (Rosmonda) zit opgesloten in een toren, en de page Arturo, die op haar moet letten is zelf verliefd op haar geworden. Een – heerlijke, dat wel – draak van een verhaal, maar de muziek is goddelijk mooi: lyrische passages worden afgewisseld met heftige ensembles.

Renée Fleming is de zoetgevooisde Rosmonda, en Nelly Miricioiu de verbitterde koningin Leonora. Beide dames komen elkaar tegen in de laatste scène, wat resulteert in een van de spannendste duetten. (ORC 13)

PARISINA

Opera Rara Parisina

Hergebruiken… Daar was vroeger niemand vies van, ook Donizetti niet. Zeker als de première voor de deur stond en het libretto op zich liet wachten. Voor Parisina heeft hij het een en ander van zichzelf geleend, en voor het gemak ‘knipte en plakte’ hij de (schitterende, overigens) ouverture die hij eerder voor Ugo, Conte di Parigi componeerde. Ondanks de krappe componeertijd (Donizetti heeft er niet meer dan een paar weken over gedaan) werd de opera zeer enthousiast ontvangen en bleef regelmatig op het repertoire staan, ook in het buitenland. Terecht. Felice Romani was een werkelijk begenadigd dichter, en met Parisina heeft hij een van zijn mooiste libretto’s afgeleverd. Alles zit erin: liefde, moord, opoffering, bedrog … En met de prachtige cantilenen van Donizetti erbij kan je niet anders dan snotteren en genieten.

Parisina is tegen haar wil uitgehuwelijkt aan een oude man, Azzo. Al jaren is zij (wederzijds, doch platonisch) verliefd op Ugo, die, naar later blijkt, de zoon is van Azzo en zijn eerste, door hem uit jaloezie vermoorde vrouw. Parisina verraadt haar gevoelens tijdens haar slaap (kunt u zich nog de droom van Cassio in Otello van Verdi herinneren?), Ugo wordt omgebracht en zij sterft van verdriet.

Carmen Giannattasio, José Bros en Dario Solari zingen hun rollen zeer verdienstelijk. Een onmisbare cd voorvoor een Donizetti (en niet alleen) verzamelaar (Opera Rara(ORC 40).

IMELDA DE’LAMBERTAZZI

Imelda

De opera speelt zich af in het door oorlogen tussen de Ghibellijnen en de Welfen verscheurde Bologna. Imelda en Bonifacio worden verliefd op elkaar, maar zij is een Ghibellijn en hij een Welf, dus op een goede afloop hoef je niet te rekenen.

Nicole Cabell zingt een mooie titelheldin, en haar stem mengt goed met James Westman’s lichte, bijna tenorale bariton.

Hun bijdrage verbleekt echter bij de formidabele prestaties van beide tenoren. Frank Lopardo’s stem is in de loop der jaren donkerder en mannelijker geworden, toch heeft hij niets aan zijn souplesse verloren. Massimo Giordano beschikt over een pracht van een lyrische tenor, waarmee hij ook overtuigend weet te acteren.

Het perfect spelende Orchestra of the Age of Enlightment wordt met verve gedirigeerd door Mark Elder (Opera Rara ORC36)

LES MARTYRS

martyrs

Les Martyrs is zijn leven als Poliuto begonnen. Het libretto van Eugène Scribe was gebaseerd op het toneelstuk Polyeucte van Pierre Corneille uit 1642 en droeg sterk de levensvisie van de schrijver uit: de wil is een bepalende factor in het leven. De première in Napels werd afgelast: het verbeelden van de Christenvervolging op toneel was toen in Napels verboden.

In Parijs heeft Donizetti bij Scribe een nieuw libretto besteld en componeerde er een nieuwe ouverture en een paar solo’s voor de hoofdrol bij. Hij veranderde de finale van de eerste acte en voegde de, in Parijs onmiskenbare balletmuziek toe. Daarbij heeft hij de romantische verwikkelingen behoorlijk afgezwakt en legde nog meer nadruk op het religieuze aspect.

Ondanks het aanvankelijk succes zijn ‘De Martelaren’ van de affiche verdwenen: daarvoor kwam weer, al is het mondjesmaat, ‘Poliuto’ voor terug. Na de 1920 werd de opera nog maar sporadisch uitgevoerd (een curiosum: in 1942 werd de opera opgevoerd ter gelegenheid van het bezoek van Hitler aan Mussolini, de hoofdrol werd toen gezongen door Benjamino Gigli).

Joyce El-Khory is een perfecte Pauline: dromerig, liefhebbend en als een leeuw (nomen omen) vechtend voor het leven van haar christen geworden echtgenoot. Een echtgenoot die zij niet eens liefheeft, want in de veronderstelling dat haar voormalige verloofde dood is, liet zij zich aan de protegé van haar vader uithuwelijken.

Michale Spyres is een zeer heroïsche Polyeucte en in  “Oui, j’irai dans leurs temples” laat hij een perfecte, voluit gezongen hoge “E” horen.

Michael Spyres in cavatina and cabaletta ” Mon seul trésor” & “Oui, j’irai dans les temples”:

Het orkest onder leiding van Sir Mark Elder speelt de sterren van hemel (Opera Rara ORC52)

LE DUC D’ALBE

duc

Het verhaal in het kort: hertog Alva, de bloederige afgezant van koning Philips, bestiert het Vlaanderen met ijzeren hand. Hij heeft de graaf van Egmond laten onthoofden en Hélène, Egmond’s dochter, zweert wraak. Haar geliefde Henri de Bruges blijkt in werkelijkheid de zoon van Alva te zijn en als Hélène de tiran wil vermoorden, werpt hij zich tussenbeide. Henri dood, Hélène verbouwereerd en de naar Lissabon vertrekkende Alva wanhopig van verdriet. Einde opera. Als het libretto u enigszins bekend voorkomt dan heeft u gelijk. Verdi gebruikte het ook in zijn Les vêpres siciliennes.

Donizetti componeerde de opera in 1839 voor Parijs, maar het werk is onafgemaakt gebleven. Al een paar jaar na de dood van de componist werden er pogingen gedaan om de opera te voltooien: men ging toen uit van de Italiaanse vertaling van het libretto. Her en der waren er opvoeringen, maar echt populair werd de opera nooit. Jammer eigenlijk, want hiermee is de weg naar Verdi en zijn Don Carlo geplaveid.

Opera Rara (Opera Rara ORC54) beperkt zich met deze opname tot het onaffe origineel, waardoor het verhaal eindigt met de arrestatie van Henri. De rest moeten wij er bij fantaseren.

Met Laurent Naouri is de rol van Alva meer dan perfect bezet. Zijn bariton klinkt autoritair en bij vlagen angstaanjagend. Maar ook smekend. Je zou medelijden met hem hebben!

Angela Meade is een zeer ferme Hélène. Haar coloraturen zijn stevig en secuur maar verwacht geen flauwvallende heldin a’la Lucia of Elvira: deze dame heeft guts!

Wat niet zegt dat zij ook niet fluisterend lief kan hebben, maar dat wraak haar prioriteit is, is nogal wiedes. Luister even naar het liefdesduet in de tweede akte: “Ah! Oui, longtemps en silence” en de daaropvolgende heldhaftige “Noble martyr de la patrie”, waarin Hélène de boventoon voert.

Michael Spyres’ Henri is, ondanks zijn heroïsche timbre, het meest softe personage. Niet in zijn zangprestaties, o nee, want met zijn rol zet hij een nieuwe maatstaf voor belcanto in het Frans; maar als karakter. In confrontatie met zijn vader laat hij zich van zijn meest gevoelige kant zien. De scéne is trouwens één van de hoogtepunten van de opera. Donizetti op zijn best, hier had Verdi zich niet voor hoeven te schamen.

ENRICO DI BORGOGNA

Donizetti Enrico

Wat de opname werkelijk onweerstaanbaar maakt is de enscenering. Nu is ‘theater in het theater’ niet echt iets nieuws, maar Silvia Paoli weet er een eigen draai aan te geven en het resultaat is niet alleen hilarisch maar ook echt goed. Tel de prachtige kostuums er bij…. Schitterend!

Waar gaat de opera over? Liefde, wraak en gerechtigheid, uiteraard. Enrico’s vader werd van de troon gestoten door zijn broer Ulrico wiens zoon Guido nu niet alleen de troon maar ook Elisa, de geliefde van Enrico voor zich wil houden. Bent u er nog? Mooi, want wees gerust: het komt allemaal goed.

Maar het is niet alleen de enscenering die de opname zo ontzettend de moeite waard maakt, ook de zangers zijn zonder meer goed. Anna Bonitatibus zingt een voortreffelijke Enrico en zijn tegenstander Guido wordt uitstekend vertolkt door Levy Sekgapane. Sonia Ganassi zingt een zeer virtuoze Elisa.

Alessandro de Marchi laat de Academia Montis Regalis spetteren. (Dynamic 37833)

Katie Mitchell verfilmde The turn of the screw

Tekst: Peter Franken

Deze opera van Benjamin Britten stamt uit 1954 en is gebaseerd op een novelle van Henry James uit 1898. De titel is ontleend aan de tekst waarmee James zijn ghost story inleidt en houdt op geen enkele wijze verband met het feitelijke verhaal. Het is opmerkelijk dat librettist Myfanwy Piper er niet een eigen titel voor heeft bedacht. Maar misschien was dat gewoon om mee te liften op de naamsbekendheid van James’ werk.

Ik zag de opera tweemaal in het theater, een uitstekende productie in De Munt (1998) en een eveneens geslaagde productie van de Reisopera (2002). Katie Mitchell regisseerde in 2005 een filmversie van het werk wat zeer veel mogelijkheden gaf om de geestverschijningen van de huisknecht Quint en de gouvernante Jessel in de handeling te betrekken.

Verder spelende kinderen op alle verdiepingen van het landhuis en in het omringende park, zeer sfeervol allemaal. Toch wist met name de voorstelling in De Munt me indertijd meer te boeien, onder meer vanwege het arrogante mannelijke gedrag van Miles als hij tijdelijk bewoond wordt door de geest van Quint.

De kinderen Miles en Flora zijn al vroeg wees geworden en het enig overgebleven familielid is hun oom. Die zal het huis wel hebben geërfd en daarmee de zorg voor de kinderen. Hij heeft het echter veel te druk daarvoor en neemt een nieuwe gouvernante aan die de nadrukkelijke boodschap meekrijgt dat ze de vrije hand heeft maar ook volledig verantwoordelijk is voor alles met betrekking tot de kinderen en het huis. Hij mag onder geen beding lastig worden gevallen.

Al gauw wordt duidelijk dat er iets niet klopt in dat huis. Bij zijn vertrek had de oom zijn huisknecht Quint de leiding gegeven en die had zich veel vrijheden veroorloofd met Miles en Miss Jessel. De gouvernante had zich zelf verdronken in een vijver en Quint was uitgegleden op het ijs en vermoedelijk op zijn achterhoofd gevallen. Daar was hij blijven liggen en pas de volgende ochtend dood aangetroffen. Dat is althans wat de nieuwe gouvernante uiteindelijk van de huishoudster Mrs Grose te horen krijgt.

We krijgen hier het fijne niet van mee maar het is niet onaannemelijk dat Miss Jessel zwanger was van Quint en dat ze hem tijdens een ruzie hierover had doodgeslagen. Gewoon onverwacht van achteren met een koekenpan, zoiets. En daarna zelfmoord gepleegd. Wat er tussen Quint en Miles is gepasseerd laat zich raden, misbruik in enigerlei vorm ligt voor de hand.

Sindsdien spoken die twee rond en proberen als verdoolde zielen hun leven te rekken door dat van de twee kinderen over te nemen. Mrs Grose heeft Flora daar al heel wat over horen uitkramen in haar dromen en als de nieuwe gouvernante vertelt een man te hebben gezien die door het raam naar binnen keek en hem daarbij tamelijk precies beschrijft, roept Mrs Grose iets in de trant van: kan die Quint ons nu niet eindelijk eens met rust laten. De twee schimmen hebben eigen zangpartijen en hebben ook een scène samen waarin ze elkaar verwijten maken.

Het einde van het verhaal is dat Mrs Grose met Flora vertrekt om haar in veiligheid te brengen voor Miss Jessel en de gouvernante Miles zover krijgt dat hij de geest toeroept: ‘Peter Quint, you devil!’ Helaas ligt hij daarna levenloos in haar armen. Opmerkelijk is de sensitiviteit van de gouvernante die de twee geesten ook daadwerkelijk lijkt te kunnen waarnemen. Niet echt natuurlijk maar ze bespeurt nadrukkelijk hun aanwezigheid en kan Quint zelfs heel precies beschrijven.

In het verhaal is de gouvernante een zeer jonge onervaren vrouw en de goed zingende Lisa Milne oogt duidelijk te volwassen voor deze rol, ook al was ze pas 34 tijdens de opname. Naast haar ziet de veel oudere Mrs Grose er onvoldoende uit als iemand die haar moeder had kunnen zijn. Die rol wordt goed ingevuld door Diana Montague. De twee kinderen Miles en Flora zijn prima gecast met de opvallend naturel acterende en goed zingende Nicholas Kirby Johnson en Caroline Wise. Het verdoemde koppel Quint en Jessel komt voor rekening van Mark Padmore en Catrin Wyn Davies.

Muzikaal heeft de opera de vorm van een openingsthema gevolgd door 15 variaties met titels als The window, The Lake, Colloquy and Soliloquy. Eenvoudig te begrijpen teksten worden afgewisseld met zeer cryptische, met name gezongen door Miles. Het klinkt sfeervol maar is bij wijlen toch wel een beetje minimalistisch, met name als er langere tijd sprake is van stil spel.

In de tijd van James moet men er bij het knapperend haardvuur wel een paar gevoelige zielen mee hebben kunnen ontregelen maar ruim een eeuw later is er van die spanning weinig meer over. Vooral voor liefhebbers van Brittens muziek.

Het City of London Sinfonia staat onder leiding van Richard Hickox.

Gerald Finley excelleert in Owen Wingrave

Tekst: Peter Franken

Owen Wingrave (TV Movie 2001) - IMDb

Benjamin Britten was een overtuigd pacifist en zijn voorlaatste opera Owen Wingrave uit 1970 is een indrukwekkend pleidooi voor deze levenskeuze. Het werk werd indertijd uitgebracht als televisiefilm en die opzet werd in 2001 herhaald in een film met Gerald Finley in de titelrol, op dvd verschenen bij Arthaus (100373).

Wingrave is de enig overgebleven mannelijke erfgenaam van een ‘soldatengeslacht’ dat zich erop beroept al voor god en vaderland te hebben gestreden sinds de middeleeuwen. Owens vader is gesneuveld bij El Alamein, de verloofde van zijn tante en de vader van zijn eigen verloofde Kate zijn eveneens omgekomen in een van de vele oorlogen die Engeland heeft gevoerd in alle uithoeken van de wereld. Zowel de mannen als hun vrouwen zien dit als een keuze: sneuvelen voor het god gegeven recht om over de wereld te heersen is een plicht en een eer.

Owen is in 1958 op de militaire academie beland en begint te twijfelen aan zijn lotsbestemming. Opgeleid worden om leiding te geven aan destructieve activiteiten vervult hem steeds meer met weerzin. Als zijn vriend Lechmere het hele oorlogsgebeuren loopt op te hemelen waarin de vijand moet worden verpletterd, herinnert hij hem eraan dat wijzelf ook de vijand zijn.

Als Owen zijn besluit kenbaar maakt bij Spencer Coyle, de hoofddocent van het officiersklasje waarin hij sinds een paar maanden het vak leert, stuit dat op onbegrip en verontwaardiging. Maar die storm zinkt in het niet vergeleken met de orkaan die hem te wachten staat in het voorvaderlijk landhuis Paramore waar hij wordt ontboden door zijn tante, een ijzer vretende furie. Daar wonen ook moeder en dochter Julian, een oorlogsweduwe die haar kind in relatieve armoede heeft grootgebracht en nu al haar hoop heeft gevestigd op het voorgenomen huwelijk van dochter Kate met haar jeugdvriendje Owen om eindelijk uit de geldzorgen te raken.

Het hele huis hangt vol portretten van strijdende en gesneuvelde voorouders waaronder degene die zijn zoon, een kind nog, heeft doodgeslagen toen hij had gezien dat die weigerde te vechten met een speelkameraadje. De man was op onverklaarbare wijze zelf ook overleden, was dood aangetroffen in het kamertje waar hij zijn kind had bestraft. Sindsdien is die kamer niet pluis, het spookt er, de geesten van die twee waren er rond.

Owens grootvader gaat door het lint als hij hoort wat zijn kleinzoon zich in zijn hoofd heeft gehaald maar vooral dat hij de eer van dit grote soldatengeslacht bij de vuilnisbak wil zetten. Gevolg is dat Owen wordt onterfd en Kate zich ter plekke in de armen van Lechmere stort, niet rijk maar wel een echte man die haar een eerbaar bestaan als officiersvrouw kan bieden.

Uiteraard is dat emotionele chantage maar Owen geeft geen krimp. Als ze hem later uitmaakt voor lafaard omdat hij niet in de ‘spookkamer’ durft te slapen, geeft hij toe. Hij heeft zijn pleit immers beslecht en impliciet ook afgerekend met de loodzware druk van zijn voorgeslacht. Kate doet de deur achter hem op slot maar als ze spijt krijgt en die na een tijdje weer opent blijkt Owen te zijn gestorven. De strijd die je als pacifist voert tegen het militaristische gewoonte-gelijk is nooit gestreden en kan niet door een enkel individu gewonnen worden.

De film is opgenomen op verschillende locaties. We zien het officiersklasje, een paar oorlogsmonumenten in Londen en het landhuis Paramore van binnen en buiten. De zangers zijn vooral acteurs, meestentijds horen we hen wel maar zien we hen niet zingen. Elke interne monoloog komt zodoende zeer natuurlijk over. Het huis vol met portretten, waaronder ook die van de kolonel en zijn zoontje, dragen bij aan verstikkende sfeer waarin Owen zijn strijd moet voeren.

Finley geeft een uitstekende vertolking van de titelheld en Josephine Barstow leeft zich geweldig uit in de rol van de in haar eigen gelijk vastgeroeste tante. Bij Kate en haar moeder kan je nog in aanmerking nemen dat ze een financieel voordelig huwelijk aan zich zien ontglippen maar tante heeft alleen maar oog voor de militaire eer. Een Wingrave dient te sneuvelen en in het gunstigste geval overleeft hij een leven vol gevaar. In dat opzicht is ze bijna nog strijdbaarder dan haar vader, Sir Philip Wingrave, tamelijk voorspelbaar vertolkt door Martyn Hill. Die heeft nog prachtige herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog, zo blijkt als hij vol enthousiasme spreekt over de keer dat hij in 1915 zijn troepen aanvoerde in een grote aanval. Hij heeft het in elk geval overleefd, de meeste anderen niet.

Toevallig had ik recent de mooi ingehouden film  ‘1917’ gezien over een incident dat weergaloos wordt verfilm in een doorlopend shot en waarin de waanzin van de loopgravenoorlog zonder enig commentaar in beeld wordt gebracht. Zodoende kon ik om die karikaturale oude Wingrave eigenlijk alleen maar glimlachen, typisch een voorbeeld van ‘the monocled idiot’ waarvan er in de Vlaamse modder zoveel rondstruinden.

Coyle, vertolkt door Peter Savidge, keurt Owens keuze af maar kan nog wel waardering opbrengen voor zijn strijdbaarheid. Zijn vrouw vindt het allemaal heel vreselijk en zou willen dat ze nooit naar Paramore waren gekomen om te assisteren bij het klein krijgen van die weerbarstige Owen. Anne Dawson ziet al haar mans pupillen als ware het (tijdelijk) haar zonen maar moet er stiekem niet aan denken dat een echte zoon naar het slagveld gestuurd zou worden.

Charlotte Hellekant laat als Kate haar verloofde en jeugdvriendje Owen vallen als een baksteen als morele pressie niet helpt. Haar opportunistische toenadering tot de gretige Lechmere is schrijnend om te zien. Owen weet zich nu alleen, letterlijk weggezet als afvallige door zijn tante. Alles is hij kwijt en in een futiele poging tot rehabilitatie laat hij het leven. Een pacifist is geen lafaard, zo stelt hij. Maar de pressie kan hen wel teveel worden.

Dit is een prachtige opera met een indrukwekkende inhoud. De verfilming geeft een extra dimensie aan het geheel waardoor je er volledig door gegrepen wordt.

Kent Nagano geeft leiding aan het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin.

Die Liebe der Danae in Berlijn

Tekst: Peter Franken

In 1920 stuurde Hugo von Hofmannsthal een uitgewerkt scenario naar de componist met de titel ‘Danae oder die Vernunftheirat’. Ondanks dat Strauss zich hierover zeer lovend uitliet, bleef Danae lange tijd liggen.

Na de dood van Von Hofmannsthal in 1929 moest Strauss op zoek naar een andere librettist. Op aangeven van Stefan Zweig kwam hij terecht bij Joseph Gregor. Die kon echter niet in de schaduw staan van Von Hofmannsthal en Strauss was dan ook allerminst tevreden over de samenwerking. De nieuwe librettist bewerkte het scenario van Danae ingrijpend, waarna Strauss in 1937 met componeren begon. Op 28 juni 1940 werd de compositorische arbeid aan Danae beëindigd. Vervolgens bleef het werk liggen, naar verluidt omdat Strauss het pas geruime tijd na het einde van de oorlog opgevoerd wilde hebben.

De opera is een heitere Mythologie en combineert twee thema’s: het Midasverhaal en de Danae-mythe, waarin Jupiter, altijd op vrijersvoeten, Danae bezoekt in de vorm van een gouden regen en haar bezwangert, waarna Perseus geboren wordt. Goud is in deze synthese van mythen het leidmotief. De muziek laat zich beluisteren als een ware anthologie van straussiaanse thema’s, voor ingewijden een feest van herkenning. Het is zeker niet één van de meest toegankelijke werken, maar dat geldt bijvoorbeeld evenzo voor Die Frau ohne Schatten.

Jupiter is in de operaversie van de mythe al wel aan Danae verschenen, maar heeft haar nog niet zwanger gemaakt. Om zijn jaloerse vrouw Juno te slim af te zijn, stuurt hij Midas op Danae af om in zijn plaats met haar te huwen. Later zullen beide heren dan van plaats wisselen. Dat wil zeggen: Midas gaat weer naar huis en Jupiter blijft bij Danae.

Midas staat bij Jupiter in het krijt vanwege de hem verschafte gave om zaken in goud te kunnen laten veranderen. Om die reden is Midas voor de vader van Danae, de berooide koning Pollux, een ideale huwelijkskandidaat. Hij heeft zelfs vier neven, collega-koningen, naar Midas gestuurd met een portret van Danae om hem over te halen naar haar hand te dingen. In dat opzicht lijkt het verhaal een beetje op dat van Arabella.

Uiteindelijk verraadt Midas alles, niet in staat om zich beheersen omdat hij zelf voor Danae is gevallen. Uit wraak verandert Jupiter Midas’ gave zodanig dat nu álles wat hij aanraakt in goud verandert, dus ook Danae. Maar na enig soulsearching verzacht Jupiter zijn wraak door Danae weer tot leven te wekken en weg te laten gaan met Midas, die hij heeft terug veranderd in een berooide ezeldrijver.

Jupiter probeert Danae daarna nog een keer voor zich te winnen, maar haar liefde voor Midas is sterker dan haar liefde voor rijkdom. Een romantisch slot derhalve.

De opkomst van de vier neven met hun echtgenotes zorgt in de eerste akte voor de nodige opwinding. De vier koninginnen Semele, Europa, Alkmene en Leda vormen een hilarisch stel. Alle vier hebben ze een liefdesaffaire met Jupiter gehad en ze doorzien hem dan ook onmiddellijk en maken tijdens het verdere verloop van de handeling voortdurend gebruik van zijn nabijheid om te proberen hem tot een nieuw avontuurtje te verleiden. Zelfs in de derde akte laten ze hem niet met rust, reizen hem na als hij op zoek gaat naar Danae.

Danae heeft een prachtige lange solo, waarin ze haar goudenregendroom bezingt voor haar dienares Xanthe. Bij vlagen is deze scène een soort Zdenka-Arabella-duet van twee gelijkwaardige sopranen.

De rol van Midas is geschreven voor tenor en klinkt een stuk minder onvriendelijk voor de zanger dan veel andere muziek die Strauss voor dit stemtype heeft geschreven. In de dialoog met zijn tegenstrever Jupiter kan hij zich goed weren, maar de eer gaat toch naar de bariton, net als zo vaak bij Verdi het geval is..



In 2011 was ik bij de première van een nieuwe productie van dit werk in de DOB. Deze kwam voor rekening van toenmalig intendant Kirsten Harms die zoals te verwachten Manuela Uhl in de titelrol had gecast. Een opname van de voorstelling is door

Opvallend detail in het toneelbeeld is de vleugel die omgekeerd aan het plafond hangt. Die is opgehesen tijdens het pandemonium waarin de schuldeisers alles proberen mee te nemen dat enige waarde lijkt te hebben. Die vleugel toont de volledige ontreddering van het hof van Pollux. Harms volgt het libretto vrij nauwgezet, er is in elk geval veel goud te zien, met name in de gewaden van Danae en Midas.

Verder is de kostumering vooral eigentijds waarbij de vier koninginnen getoond worden als barbiepoppen in witte cocktailjurken en met hoog opgestoken platinablonde haren. De avonturen die zij elk met Jupiter hebben beleefd liggen al enige tijd achter hen maar zijn nog springlevend in hun herinnering. Hoe geweldig was het niet toen hij hen bezocht in de gedaante van een wolk (Semele), een stier (Europa), een zwaan (Leda) of gewoon als hun echtgenoot.

Dat laatste was het geval bij de zwangere Alkmene die door Jupiter opnieuw bezwangerd werd zodat ze gelijktijdig twee zonen baarde met verschillende vaders. Stuk voor stuk zijn dit verhalen die in de mythologie geheel op zichzelf staan en gecombineerd met de mythes van Midas en Danae lopen er dus in totaal zes door elkaar. In comic book termen zou je kunnen spreken van de ultieme cross over. 

Manuela Uhl is een prachtige Danae, een wendbare sopraan met een fraai timbre en een plaatje om naar te kijken. Matthias Klink weet de rol van Midas een grote emotionele lading te geven gepaard aan sterke zang. Mark Delavan overtuigt als manipulerende oppergod die echter niet goed opgewassen is tegen het opdringerige gedrag van zijn vier exen en duidelijk de hulp van Merkur, mooie kleine rol van Thomas Blondelle, nodig heeft om de schade van zijn optreden te beperken.

Andrew Litton heeft de muzikale leiding. Deze opera is niet vaak ergens te zien en alleen al daarom voorziet deze opname voor Straussianen in een behoefte.

Mathis der Maler uit Wenen eindelijk op BluRay uitgebracht

Tekst: Peter Franken

Met een lange vertraging is er door Naxos in 2021 een opname van Mathis der Maler in Wenen op BluRay uitgebracht en de productie van Keith Warner uit 2012 is het wachten meer dan waard geweest. Warner omschrijft zichzelf als een ‘dyed in the wool’ atheist en beziet de religieuze component van de opera vooral door een antropologische bril. Als zaken zoals devotie rond de gekruisigde christus en heiligenverering voor zoveel mensen een belangrijke rol in hun leven spelen, dan is het zaak daar serieus naar te kijken. Ik kan het daar alleen maar van harte mee eens zijn, past volledig in mijn eigen beleving van dat merkwaardige verschijnsel religie.

Het personage Mathis uit de titel is losjes gebaseerd op de schilder Matthias Grünewald, die vooral bekend is geworden van zijn altaarstuk voor het klooster van Isenheim. Dit drieluik toont de ‘verzoeking van de heilige Antonius’. Vermoedelijk heeft Grünewald hieraan gewerkt in de ongeveer vijf jaar die direct aan het begin van de door Luther geïnitieerde Reformatie (1517) voorafgingen. Grünewald was in dienst van de aartsbisschop van Mainz en werd naar verluidt door hem ontslagen wegens reformatorische sympathieën.

Tegen de achtergrond van de worsteling van de lutheranen om hun nog wankele beweging te versterken ten koste van de Rooms-Katholieke Kerk en de boerenopstanden die zich als een olievlek over de Duitse vorstendommen verspreidden, speelt zich de artistieke crisis af waarmee de titelfiguur te kampen heeft. Kan Mathis als kunstenaar simpelweg volstaan met zijn roeping volgen, in zijn geval schilderen, of heeft hij hogere verplichtingen aan de maatschappij? Hierin spiegelt zich Hindemiths eigen dilemma: wat kan ik als componist anno 1938 doen in het aanschijn van een wereld vol geweld en onrecht?

Het Isenheim altaar is een fenomeen in de kerkelijke kunstgeschiedenis, thans te bewonderen in Colmar na net zo vaak van land te zijn gewisseld als de stad zelf. Wat permanent getoond wordt is het primaire beeld, een afbeelding van christus aan het kruis geflankeerd door de heiligen Sebastiaan en Antonius. Door achtereenvolgens tweemaal panelen open te klappen worden het secundaire en tertiaire beeld zichtbaar. Die christus aan het kruis is door Warner als het ware uit het tafereel gehaald en als pars pro toto in de vorm van een gigantisch beeld op het toneel geplaatst. Het doet denken aan die enorme reclining Buddha’s die je in Myanmar aantreft.

Het beeld beheerst het volledige toneel maar doordat dit kan draaien kijken we soms tegen de achterkant aan waardoor het gedeeltelijk uit het zicht verdwijnt. Ook selectieve belichting bewijst in dit opzicht goede diensten in sommige scènes.

Mathis’ atelier oogt als een puinhoop waarin zich in de schaduw van het grote beeld de eerste scène afspeelt: Mathis biedt de opstandelingenleider Schwalb hulp om te ontsnappen aan zijn achtervolgers. Het hof van kardinaal Albrecht zit aan de ander kant van het draaitoneel en oogt heel wat beter. Mooie scène tussen Roomsen en Lutheranen met als apotheose de boekverbranding waarvan de Lutheranen zeggen dat het slechts papier is dat wordt vernietigd, de ideeën leven voort.

Mathis sluit zich aan bij de opstandige boeren maar is daar zoals verwacht niet op zijn plaats. Het blinde geweld vervult hem met afschuw. In een andere verhaallijn proberen de Lutheranen Albrecht aan Ursula te koppelen, de dochter van de rijke Lutherse burger Riedinger. Dat lukt niet, hij blijft trouw aan ‘zijn’ kerk maar trekt zich terug in een leven als kluizenaar.

Mathis vraagt zich af wat er geworden is van de schilder die het altaarstuk van Isenheim heeft gemaakt. In een visioen ondergaat hij verschillende verzoekingen, alsof hij de plaats heeft ingenomen van de heilige Antonius uit zijn eigen altaarstuk. Nadat hij op die wijze is geconfronteerd met weelde, roem, kennis en sensuele genoegens, verschijnt Albrecht, die hem zegt: ‘Ga heen en schilder.’ Eenmaal ontwaakt staat Albrecht in werkelijkheid bij hem en biedt Mathis verblijf in zijn woning aan. Deze weigert dit. Hij voorvoelt zijn naderende einde, neemt symbolisch afscheid van alle wereldlijke geneugten en vertrekt om zijn laatste dagen in eenzaamheid door te kunnen brengen.

Ursula gaat na de afwijzing door Albrecht op zoek naar haar oude liefde Mathis en komt in zijn visioen terug als bedelaar, hoer en martelaar. Dat maakt Ursula tot een belangrijke rol en de door mij zeer bewonderde Manuela Uhl stelt niet teleur met een ronduit schitterende vertolking van dit beproefde personage. Uhl heeft een prachtige heldere stem met een mooi herkenbaar timbre, zoiets als Cheryl Studer vroeger. Alleen al haar aanwezigheid is voldoende reden deze opname te bekijken.

Wolfgang Koch is een uitstekende Mathis maar ik vind zijn voorkomen te weinig artistiek, nauwelijks te onderscheiden van de leider van de opstandige boeren Schwalb, gezongen door de tenor Raymond Very.

Tenor Kurt Streit neemt kardinaal Albrecht voor zijn rekening. Hij heeft niet echt de uitstraling van een kerkvorst en het lamenteren over geldgebrek, vooral nu die lastige Luther het verkopen van aflaten aan de kaak heeft gesteld, bevestigt dit beeld. Streit zingt op zich goed maar mist allure, klinkt teveel als een straatvechter.

In historisch opzicht is kardinaal Albrecht von Brandenburg het meest interessante personage. Op jeugdige leeftijd wist hij voor veel geld en dankzij enorme politiek patronage het ambt van aartsbisschop van Mainz te verwerven. Om hem tegemoet te komen kreeg hij van de paus wel ruime rechten tot het verkopen van aflaten maar niettemin zat hij van meet af aan diep in de schulden. De gedachte hem voor het Lutheranisme te strikken, een geloofsrichting waar hij zeker niet afwijzend tegenover stond, door hem te laten trouwen met een rijke burger komt dus niet uit de lucht vallen. Het zou maar zo kunnen dat men dit inderdaad heeft geprobeerd.

Het is een prachtige voorstelling, deze Mathis uit Wenen, echt een aanwinst. Over de gehele linie vocaal van hoog niveau, solisten, het Slovaaks Philharmonisch koor en de Wiener Symphoniker. En prachtig om te zien.

De muzikale leiding is in handen van Bertrand de Billy. 

Foto’s: © Werner Kmetitsch

Generazione dell’80: Riccardo Zandonai, Ildebrando Pizzetti and Arrigo Boito in a couple of live recordings

francesca-zandonai
Riccardo Zandonai


Riccardo Zandonai was once considered Puccini’s successor. He was a pupil of Mascagni and he is perhaps the last of the verists. He wrote about thirteen operas, of which actually only Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) and Giulietta e Romeo (1921) were ever really successful. Nowadays, they are seldom performed and the average opera lover gets no further than Francesca da Rimini. A pity, because his operas are a pure pleasure to listen to.

Romeo Zandonai



Giulietta e Romeo
(GOP 66352) was recorded in Milan in 1955. The main roles are sung by Annamaria Rovere, a fine soprano with a voice typical for the time, and Angelo Lo Forese, who irritates me slightly. Fantastic, however, is Renato Capecchi as Tebaldo.

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/81KTzkL3PhL._SL1000_.jpg

Il Bacio (GOP 66351) had its very first performance in 1954 in Milan (Zandonai had died in 1944, leaving the opera unfinished). Fortunately for us, the performance was recorded by RAI and put on CD. The publisher apologises for the absence of the libretto, but there is no synopsis either, so one can only guess at the opera’s content. No problem, the music is captivating enough, and it is beautifully sung by, among others, Lina Pagliughi in the role of Mirta.


https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/3/37/Ildebrando_Pizzetti_%28before_1968%29_-_Archivio_Storico_Ricordi_FOTO002672_%28cropped%29.jpg/640px-Ildebrando_Pizzetti_%28before_1968%29_-_Archivio_Storico_Ricordi_FOTO002672_%28cropped%29.jpg
Ildebrando Pizzetti


Ildebrando Pizzetti belonged – along with, among others, Respighi, Zandonai, Alfano and Malipiero – to the so-called ‘Generazione dell’80’, a group of Italian composers born around 1880. Once a pupil of Puccini, he turned against his teacher at the age of 30 and developed a ‘neo-classical’ style of composition. His main sources of inspiration were Gregorian chant and Italian Renaissance polyphony.

pizzetti-debora



Debora e Jaele (a.o. GOP 66354), composed in 1921, is loosely based on the biblical story about the prophetess Debora and the struggle of the Israelites against the Canaanites and their army commander, Sisera. Unlike in the Bible, Jaele falls in love with her enemy and kills him to save him from being lynched by the angry mob. Under the direction of Gianandrea Gavazzeni, a splendid performance of this special work was given in Milan in 1952, with Clara Petrella as Jaele, Gino Penno as Sisera and Cloe Elmo as Debora.

https://lastfm.freetls.fastly.net/i/u/770x0/38466e9191554eb1aeacf53d49345c21.jpg
Arrigo Boito


Arrigo Boito worked on Nerone for almost 60 years, but when he died in 1918, the opera was still unfinished. After the composer’s death, the manuscript was found by Toscanini, who completed the score and conducted a successful premiere of the opera in 1924.

https://d1iiivw74516uk.cloudfront.net/eyJidWNrZXQiOiJwcmVzdG8tY292ZXItaW1hZ2VzIiwia2V5IjoiNzk4OTUxMC4xLmpwZyIsImVkaXRzIjp7InJlc2l6ZSI6eyJ3aWR0aCI6OTAwfSwianBlZyI6eyJxdWFsaXR5Ijo2NX0sInRvRm9ybWF0IjoianBlZyJ9LCJ0aW1lc3RhbXAiOjE0OTM2NTYwMzR9



Nerone is still rarely performed and there are very few recordings. Until recently I knew of only one, on Hungaroton, but that was, despite two good female roles (Ilona Tokody and Klára Tákacs) only mediocre, so the release by Bongiovanni (GB 2388/89-2) is more than welcome. It is a live recording from Turin 1975, and I am very enthusiastic about the performance.

Gianandrea Gavazzeni conducts a truly phenomenal cast including Bruno Prevedi (where can we find more tenors like him?) as Nerone and Ilva Ligabue as Asteria. The intense contribution of the latter alone makes it an absolute must for opera lovers.

Donizetti’s Lucrezia Borgia, Edita Gruberova in memoriam

Edita Gruberová - Hilbert Artists Management

Lucrezia Borgia, once a seldom-performed opera, is being performed more and more often today. The leading role has been a showpiece for the greatest bel canto singers of history: Caballe, Gencer, Sutherland …

lucrezia-grub


In 2009, Edita Gruberova, at 63!, added this role to her repertoire. Her particularly dramatic portrayal of the poisoner with the maternal heart was recorded in Munich. Her voice sounds crystal clear on the recording and her ornamentation is impeccable. She really has no equal! Just listen to ‘Comé è bello’, if that is not bel canto singing, I don’t know what is.

The young Slovakian tenor Pavol Breslik is ideally cast as Gennaro. He is a good-looking, charismatic singer, with an expressive and supple voice. He sounds and acts like an adolescent, exactly as the role is meant to be.


Alice Coote is a very impressive Orsini and Franco Vassallo is imposing as the vicious Don Alfonso. His very intense singing of ‘Vieni! La mia vendetta’, rightly earns him an open curtain call.

I love the modern production directed by Christof Loy. It is simple and effective, and very moving too.

Included as a bonus there is an extremely interesting documentary about the diva, The Art of Bel Canto.

Dame Joan Sutherland says goodbye to the operatic stage with Meyerbeer’s Les Huguenots

Hugenoten Sutherland


 Les Huguenots, once one of the most successful operas in the history of the Paris Opera, had the misfortune, along with its creator, to be labelled ‘Entartet’ (degenerate) by the Nazis. One of the reasons why the work was ignored for decades and was only sporadically performed.

Marguerite de Valois has always been one of Joan Sutherland’s favourite roles, she sang her in 1962 at La Scala, and she chose to sing her in her last opera production on stage, on  October 2, 1990 in Sydney.

The voice of the over 60-year old La Stupenda is not so solid anymore, but her height and her coloratura are still very much present, and apart from Amanda Thane (Valentine) and the really splendid Suzanne Johnston (Page), none of the singers manage to perform at her level. The acting is very good and the inevitable ballet is anything but irritating.SusSuzanne_Johnston



The costumes and the scenery are true-to-life and evocatively beautiful, and the entire stage most resembles a large, seventeenth-century painting. The very traditional production is not only beautiful to look at, but also insanely exciting: this is proof that a good director (Lotfi Mansuri) does not need concepts.

Bernstein’s Mass:Theatre piece for singers, players and dancers.

Bernstein Mass

Did you know that the FBI shadowed Leonard Bernstein for decades? He was suspected of having communist sympathies. One of the reasons was – at least according to
The New Yorker – the planned premiere in 1971 of his Mass, an eleven-part ‘Theatre piece for singers, actors and dancers’, based on the Latin mass, with English texts by Stephen Schwartz (and Bernstein himself) and dedicated to the assassinated President J.F. Kennedy. According to the FBI, Bernstein “concocted a left-wing plot to embarrass the, then-President, Nixon, with an ‘anti-war’ composition.”

Berstein Schwartz
L) L-R Gordon Davidson, Leonard Bernstein, Stephen Schwartz (R) Leonard Bernstein, Stephen Schwartz; Opening Night; Kennedy Center for the Performing Arts – 1971
©2018 Stephen Schwartz.

It is a story – briefly put – about a boy who is forced by his friends to become a priest while he prefers to honour God with his guitar and his songs: ‘Sing God a simple song…. for God is the simplest of all’. At the end, he desecrates the altar and regains his trust in God.


To me, the work with its strong reminiscences of ‘Hair’ and ‘The Age of Aquarius’ feels quite dated, and the rock-solid performance under Yannick Nézet-Séguin can’t do anything to change that.

Yannick Nézet-Séguin on Bernstein and his Mass:


I am very surprised that the Mass has not been released on DVD. For although the composition is really strong and the purely vocal/instrumental part may be called grandiose: the whole still lacks an essential part of what Bernstein had in mind.



LEONARD BERNSTEIN
Mass
A Theatre piece for singers, players and dancers
Diverse solisten en koren
The Philadelphia Orchestra olv Yannick Nézet-Séguin
DG 4835009 (2cd’s)

Robert Wilson ensceneerde Turandot in Madrid

Tekst Peter Franken

De zeer specifieke stijl van Wilson is algemeen bekend onder operaliefhebbers. Dat betekent overigens wel dat al zijn producties nogal sterk op elkaar lijken, zoiets als bij Giancarlo del Monaco en Otto Schenk, maar dan precies tegenovergesteld. Wilson schuwt elke vorm van naturalisme, houdt zijn producties abstract en ingetogen waardoor ze doen denken aan aan het Japanse Noh theater, ook een kunstvorm met gestileerde gebaren waarin veel aan de verbeelding van de toeschouwer wordt overgelaten.

De productie van Turandot die in 2018 in première ging in Teatro Real Madrid is in alle opzichten een echte Wilson. Het toneelbeeld is sober en wordt vooral bepaald door de belichting en kostumering. Grote schuivende panelen voeren op de achtergrond een ballet uit waardoor steeds een ander beeld ontstaat. Het licht is vooral vele tinten blauw met alleen rood als Turandot verschijnt. Uitgerekend de ijsprinses die zichzelf niet menselijk noemt maar een dochter van de hemel krijgt de kleur van liefde. Zo weten we al direct hoe het gaat aflopen.

In de tweede akte lijken de spelers zich in een rechthoekig blauw vlak te bevinden. Het vergroot het effect van een reusachtige poppenkast dat aansluit bij de wijze waarop Wilson de drie ministers Ping, Pang en Pong ten tonele voert. Dat houdt het midden tussen mime en poppenspel met koddige gebaartjes, sprongetjes, draaien in de rondte en overdreven gelaatsuitdrukkingen.

Goed beschouwd heeft Wilson deze Turandot geënsceneerd als een oratorium. De zangers staat steeds naast elkaar met hun gezicht naar het publiek. Van interactie is geen sprake en men beperkt zich tot wat houterige gebaren, liefst synchroon.Toch is het fascinerend om naar te kijken dankzij de spanning die van de tekst uitgaat en het schitterende lichtpaleis waarin alles in vervat.

De kostuums zijn fantasie oosters chinees en een stel geharnaste figuranten lijkt zo te zijn weggelopen uit het terracottaleger in Xian. De leden van het koor zijn donker gekleed en zingen steeds in een weinig verlicht deel van het toneel. Alleen hun zang mag op de voorgrond treden, overigens Puccini’s enige opera waarin dat nadrukkelijk het geval is.

Yolanda Auyanet mag zich in de sympathie van het publiek verheugen als Liù, een geslaagd optreden. Andrea Mastroni is een adequate Timur. Raúl Giménez als Imperatore Altoum klinkt wat moeizaam.

Verrassend is de casting van de zestiger Gregory Kunde als een onherkenbare Calaf. Dat geldt overigens alle zangers, iedereen is wit geschminkt en helemaal ‘ingepakt’. Kunde is zonder meer voortreffelijk in deze veeleisende rol, echt een genoegen om hem weer eens te horen.

De titelrol is weggelegd voor Irene Theorin. Op zich kan ze de partij goed aan maar het klinkt mij wat te geknepen allemaal. Natuurlijk is het ook onmogelijke muziek, nergens eens een prettige melodische lijn, steeds maar die uithalen.

De overige rollen zijn adequaat bezet, met name de drie ministers die als enigen ook acterend het nodige te doen krijgen.

De instudering van het uitstekende zingende koor komt voor rekening van Andrés Maspero. Nicola Luisotti heeft de muzikale leiding.

Van twee voorstellingen in december 2018 is een opname gemaakt die door BelAir op Blu-ray is uitgebracht, zeer aanbevolen.

Mini disc