opera/operette/oratorium/koorwerken

Why don’t we see Martinů’s Greek Passion more often?

Greek Passion martinu-600 Universal Edition Magazine

Once, years ago I begged the gods (and the staff of DNO) to put by Bohuslav Martinů’s The Greek Passion on the repertoire list. In vain. It doesn’t even have to be a new production, on the contrary! There is a beautiful staging made by David Pountney. It was first performed in 1999 in Bregenz (this was the first version of the opera), and a few years later at the Royal Opera House in London.

I saw the production in London and was very moved by it. In the performance I attended, the main parts were played by Christopher Ventris as Manolios (Christ) and Douglas Nasrawi as Panait (Judas), and since then I have hoped that one day a DVD will be released. In vain, so it seems …

‘Christ was crucified again’

Greek Passion Kazantzakis

Nikos Kazantzakis © Universal Edition Magazine

The subject: refugees, corruption, religious fanaticism, humanism and the search for identification was, is and will always remain topical. Bitter, tragic, but also beautiful and very humane. Martinů himself wrote the libretto for it, based on the novel ‘Ο Χριστός ξανασταυρώνεται’ (Christ was crucified again) by Nikos Kazantzakis. The book (and the opera) tells a story of the survivors of a Turkish massacre who seek shelter in a Greek village where the local population is preparing for their annual ‘Passion performances’.

FILM

Greek Passion film

There are two versions of the opera. The original version was rejected by the then management of the Royal Opera House in 1957. The score, which was drastically adapted by Martinů, was not performed until 1961 in Zurich, after the composer’s death. This ‘revision’ was recorded by Supraphon in 1981 and filmed for television in 1999 (Supraphon SU 7014-9).

For the time being, we should be satisfied with that, at least as far as the image is concerned. Not that it’s bad, on the contrary, because there’s a lot to enjoy, but it’s a film and the roles are played by professional actors who really do their best to make us believe that they’re singing too.

The film is strongly reminiscent of Zeffirelli. If you have seen his Cavalleria Rusticana, you know what I mean. There are beautiful images of the arid landscape and the heat and drought are almost palpable.

The soundtrack comes from the recording by the Brno Philharmonic Orchestra conducted by Charles Mackerras (need I say more?) with a cast including John Tomlinson as the priest Grigoris, John Mitchinson as Manolios, Helen Field as Katerina and the soloists of the Welsh National Opera.

CD

Greek Pasion Kaftan

Recently, the first, original version of the opera was published on Oehms (OC 967), recorded live in Graz in March 2016. The performance is definitely good. The Swiss tenor Rolf Romei is a very moving Manolios and Dshamilja Kaiser a convincing Katerina. The Grazer Philharmonisches Orchester is conducted very idiomatically and very appealingly by Dirk Kaftan.


Judging by the pictures in the textbooklet (and the fragments on You Tube) the production was also beautiful to see. Why is this not on DVD?

In Dutch: BOHUSLAV MARTINŮ: The Greek Passion

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Advertenties

Walk like Egyptian: Verdi’s Aida door Robert Wilson

Aida Wilson

Verwacht geen olifanten in deze Aida uit Brussel. Ook geen grote massa scènes en – voornamelijk – verwacht geen emoties. Bij Robert Wilson moet alles minimalistisch en esthetisch verantwoord, wat ontegenzeggelijk leuke plaatjes oplevert maar in discrepantie blijft met de muziek. De zangers bewegen zeer langzaam, bijna in slow motion en hun (spaarzame) gebaren zijn gestileerd naar de oud-Egyptische tekeningen.

Niemand raakt niemand aan, sterker: er wordt niet eens naar elkaar gekeken. Alle personages zijn voornamelijk met zichzelf en hun eigen leed bezig, wat volgens de regisseur wellicht de sleutel is tot het drama. Voor mij te ver gezocht.

De enscenering wordt gedomineerd door de kleuren zwart en blauw, er zijn amper decors en/of rekwisieten. Dodelijk saai.

De, werkelijk geweldige zangers lijken gevangen te zitten in een keurslijf van emotieloos acteren, al lukt het Ildiko Komosi (Amneris) af en toe een gebaar te smokkelen. Samen met Norma Fantini (Aida) zorgt zij voor de meeste spanning en ontroering, en hun duet in de eerste acte is vocaal een hoogtepunt.

Marco Berti is een prima Radames met een prachtige hoogte en een vleugje ‘Pavarotti’ in zijn timbre, en ook de rest van de bezetting is eersteklas. Kazushi Ono dirigeert bedaard, met alle aandacht voor de details.

Terugkerend naar de regisseur: Robert Wilson lijkt zich keer op keer te herhalen. Heb je ooit een enscenering van hem gezien, dan heb je ze allemaal gezien. Hoezo ‘opera is geen museum’?

Giuseppe Verdi
Aida
Norma Fantini, Marco Berti, Ildiko Komlosi e.a.
Symphony Orchestra&Choire of La Monnaie-De Munt olv Kazushi Ono
Opus Arte OA 0954 D

Madama Butterfly: drie (cd) opnamen waar ik niet zonder kan

Butterfly

Female Attendant Helps Madama Butterfly to Dress Giclee Print by C.d. Weldon | Art.com

Het leven van een operaliefhebber is incompleet zonder minstens één Madama Butterfly op de plank – tenzij u natuurlijk een Puccini-hater bent (ze bestaan echt!), maar in dit geval leest u het toch niet….

RENATA SCOTTO

Butterfly Scotto

Voor mij een absolute ‘numero uno’ is de in 1966 bij EMI (tegenwoordig Warner 0190295735913) verschenen opname onder Sir John Barbirolli. Renata Scotto bewonder ik niet alleen vanwege haar prachtige stem, maar ook (en misschien voornamelijk) vanwege haar totale identificatie met iedere rol die ze ooit gezongen heeft.

Begonnen als een lyrische coloratuursopraan, schitterde ze voornamelijk in opera’s van Bellini en Donizetti, om in de jaren zestig langzamerhand ook zwaardere rollen op haar repertoire te zetten. Madama Butterfly was er één van, en daarmee zette ze een standaard die nog steeds niet is geëvenaard.

Hieronder: privé opname van het liefdesduet met Renata Scotto en Giacomo Giacomini

Je kan je een lyrischer of juist een meer dramatische Cio Cio San indenken; eentje met minder metaal in haar stem of eentje met kinderlijker stem. Maar geen andere zangeres wist zo het complexe wezen van het meisje te doorgronden en haar verandering van een naïef kind in een volwassen, door immens verdriet gebroken vrouw zo te karakteriseren.

Hieronder: Scotto zing ‘Con onor muero’ in Arena di Verona in 1987

Vijftien is Cio Cio San als de opera begint en nog maar achttien bij haar tragische einde, maar in die drie jaar heeft zij een ontwikkeling doorgemaakt, waar een gewoon iemand een heel leven voor nodig heeft. En dat alles hoor ik in Scotto’s interpretatie.

Carlo Bergonzi is een prachtig gezongen, een ietwat afstandelijke Pinkerton en Rolando Panerai een zeer warme Sharpless.


CLARA PETRELLA

Butterfly Petralla

Op nummer twee op mijn lijstje staat een Italiaanse Rai-opname uit 1953 (Urania URN22.311) met in de hoofdrol Clara Petrella. Deze verschrikkelijk ondergewaardeerde sopraan is een zeer dramatische Butterfly, met een intensiteit die je bij het beluisteren gewoon pijn doet.

Feruccio Tagliavini roept met zijn zoete, lyrische stem een sfeer van liederen van Tosti op: dit is een Pinkerton om verliefd op te worden.


VICTORIA DE LOS ANGELES

Butterfly de los Angels

Op nummer drie ook een oudje: een in 1954 door EMI opgenomen en inmiddels op Regis (RRC 2070) heruitgebrachte opname met Victoria de los Angeles en Giuseppe di Stefano. De los Angeles is een Butterfly met een kinderlijke warmte, broos, breekbaar. Haar te kwetsen voelt alsof je de Madonna zelf gekwetst hebt. Daar past Giuseppe di Stefano met zijn zeer macho tenor wonderwel bij.


Het geheim van Susanna

Il Segreto di Susanna

Susanna heeft een geheim. Heeft zij een minnaar? Dat is precies wat haar jaloerse echtgenoot Gil denkt. In het huis hangt een rookgeur, dus..? Nou, nee. Susanna heeft geen minnaar en de sigaretten, die rookt zij zelf. Dat is dus haar geheim. Het is een gegeven van niets, maar Ermanno Wolf-Ferrari wist van het niemendalletje één van de leukste komische opera’s ooit te maken.

Zijn muziek is goddelijk mooi. Meer, eigenlijk. In zijn noten wist hij alle gemoedstoestanden te vangen. Boos, blij, verontrustend, kwaad, gelukkig… Je hoort het. Geniaal. Dat de opera nog maar zelden wordt uitgevoerd heeft alles te maken met onze verachting van alles wat naar verisme ruikt. Voor de gemoedsrust van de verisme-haters: nee, Il Segreto di Susanna is geen veristische opera, het is meer een commedia dell arte. Of, plat gezegd, een heerlijk tussendoortje.

De – live – opname uit 2006 is uitstekend. Ángel Ódena is een meer dan de overtuigende echtgenoot en Judith Howarth een zoetgevooisde Susanna. Dat laatste is voor mij meteen (het enige) minpunt van de opname: Susanna mag toch best wat meer uitgesproken zijn! Wie de opname met Renata Scotto kent weet wat ik bedoel.

Als bonus krijgen we Wolf-Ferrari’s jeugd werk, een Serenade voor strijkers. En mooi dat het is! Het  uitstekend spelende Oviedo Filarmonia staat onder de zeer enthousiasmerende leiding van Friedrich Haider.


ERMANNO WOLF-FERRARI
Il Segreto di Susanna
Serenade voor strijkers
Judith Howarth, Àngel Òdena
Oviedo Filarmonia o.l.v. Friedrich Haider
Naxos 8.660385

Ermanno Wolf-Ferrari: TALITHA KUMI

La Damnation de Faust: Rattle doet het goed, maar Davis deed het beter

Faust Berlioz Rattle

Opera? Geen opera? Of toch wel? Berlioz zelf gaf zijn compositie de naam ‘dramatische legende’, dat als een concertstuk uitgevoerd diende te worden. Maar nu we zelfs het Requiem van Verdi of de Matthäus Passion van Bach scenisch opvoeren, ach… waarom niet? En toch is er veel voor te zeggen, voor ‘akoestisch only’, voor het kiezen voor muziek sec, zonder (veelal) verstorende beelden.

De voorliggende live opname uit Barbican in Londen (opgenomen in september 2017) is daar het klinkende bewijs van. Het London Symphony Orchest is gepokt en gemazeld in het oeuvre van Berlioz. Hun eerste opname van La Damnation de Faust onder Pierre Monteaux stamt al uit 1962 en we mogen natuurlijk Colin Davis niet vergeten: hij nam het werk twee keer op, in 1973 en 2001. De nieuwe opname onder Simon Rattle bevestigt nogmaals de verwantschap die de Londenaren met Berlioz hebben. Het is zonder meer prachtig, al prefereer ik lichtelijk de visie van Davis.


Wat deze opname tot een echte ‘must have’ maakt is de werkelijk onnavolgbaar schitterende Marguerite van Karen Cargill. Haar ‘D’amour l’ardente flamme’ zingt ze met een tot tranen toe roerende inleving, ik althans hield het niet droog.

Bryan Hymel is een uitstekende Faust en Christopher Purves een goede Mefisto.


HECTOR BERLIOZ
La Damnation de Faust
Karen Cargill, Bryan Hymel, Christopher Purves
Tiffin Boys’Choir, Tiffin Girls’ Choir, Guildhall School Singers,
London Symphony Choir- and Orchest o.l.v. Simon Rattle
LSO Live LSO 0809

Over Abigaille’s van Maria Guleghina

nabucco-1996-con-guleghina-351672lmn

Renato Bruson (Nabucco) en Maria Guleghina (Abigaile). La Scala 1996

Nabucco, één van de populairste en meest geliefde opera’s van Verdi, werd de laatste – twintig? dertig? – jaar helemaal niet zo vaak uitgevoerd, zeker niet in de grote en gerenommeerde operahuizen, Arena di Verona daargelaten. Dat komt, denk ik – onder andere – door de regisseurs die er geen raad mee weten want echt updaten lukt de opera niet. Tenzij je een absurd politiek sausje aan wilt geven (hopelijk breng ik niemand op een idee).

Een beetje ligt het ook aan Abigaile, een killer van een rol die van haar vertolkster een dijk van een stem met een enorm bereik (van het lage mezzo tot de hoogste regionen van het dramatische sopraanregister) verlangt. Heel wat zangeressen hebben hun stem daar kapot op gezongen, om te beginnen met Giuseppina Strepponi, haar eerste vertolkster en de latere mevrouw Verdi.

Juist met die rol heeft Maria Guleghina in 1996 haar debuut in Verona gemaakt en sindsdien werd het haar paradepaardje. Terecht. Met haar bitchy en zelfverzekerde uitstraling is ze het prototype van Abigaile. Haar kernachtige, metalige stem met een goede laagte en een stralende hoogte, met fantastische registerovergangen en voldoende overtuigingskracht, lijkt er zowat voor geschapen.

Nabucco Tokyo

In 1998 zong ze haar in Tokyo, met naast zich een zeer ontroerende Renato Bruson in de hoofdrol, een autoritaire Ferrucio Furlanetto (Zaccaria) en de toen nog zeer lyrische Fabio Armiliato (Ismaele). Guleghina heeft een speciale band met Japan, ze wordt daar zowat op handen gedragen, en het enthousiasme van het publiek is op de live opgenomen cd’s duidelijk hoorbaar (Naïve V 5158)


Nabucco Guleghina New York

In 2002 zong zij Abigaille in een mooie, zij het iets statische productie van Elijah Moshinsky in de Metropolitan Opera in New York. James Levine koos voor nogal langzame tempi, en Samuel Ramey (Zaccaria) heeft duidelijk zijn beste tijd gehad. Maar Juan Pons in de hoofdrol was bij vlagen zeer ontroerend en Gwyn Hughes Jones zong een stralende Ismale. Het Slavenkoor werd gebisseerd, toen nog een unicum in de MET. (DG 0730779)

Guleghina zingt ‘Anch’io dischiuso un giorno’ en ‘Salgo già del trono aurato’ in New York:

Stiffelio in Parma: Graham Vick stelt niet ‘teleur’

Stiffelio Vick

Ik vermoed dat Stiffelio één van de meest problematische opera’s van Verdi is. Een protestantse dominee die zijn overspelige vrouw vergeeft met een citaat uit het Johannes-evangelie, ‘Laat hij die is zonder zonde de eerste steen werpt’ is niet een thema waar Italiaanse publiek op zat te wachten. ‘Een Italiaan vergeeft zijn overspelige echtgenote niet, hij steekt haar neer’. La Vendetta!

Het is pas de laatste tijd dat Stiffelio wat vaker wordt uitgevoerd, al is het voornamelijk concertante. Daar is zonder meer iets voor te zeggen, zeker met in het vooruitzicht een moderne conceptuele regisseur die het libretto naar zijn eigen concepten en (waan)ideeën ombuigt.

Graham Vick behoort tot die categorie regisseurs, en ook nu werd ik niet ‘teleurgesteld’. In Vicks visie is Stiffelio een conservatieve sekteleider die geconfronteerd wordt met vrouwen- en gayright’s activisten en verder klopt er ook niets van. Het begint al met de ouverture die gespeeld wordt als de toeschouwers binnenlopen en … blijven staan, er zijn namelijk geen stoelen. In Vickers visie figureren ze letterlijk in de actie die zich op een soort mobiele platformen afspeelt.

Gelukkig kunnen wij (ik deed het wel) ogen dichtdoen, waarna we onbeschaamd kunnen genieten van de fantastische zangers en hun prestaties (bedenk hoeveel moeite ze moesten doen om de dirigent op al die monitors te kunnen volgen!).

Lucio Ganci is een fantastische Stiffelio, met de juiste uitstraling en een stem uit duizenden. Maria Katzareva zingt een zeer dramatische Lina en Francesco Landolfi is een zeer overtuigende Stankar.

Guillermo Garcia Calvo dirigeert het orkest uit Bologna met veel elan. Waarom hebben ze de opname niet op gewoon op cd uitgebracht?

GIUSEPPE VERDI
Stiffelio
Luciano Ganci, Maria Katzarova, Francesco Landolfi, Emanuele Cordaro, Blagoj Nacoski, Cecilia Bernini
Coro del Teatro Comunale di Bologna (Andera Faidutti), Orchestra del Teatro Comunale di Bologna olv Guilermo Garcia Calvo
Regie: Graham Vick
Naxos 2110590