opera/operette/oratorium/koorwerken

Domenico Scarlatti: sacrale werken

Scarlatti Stabat Mater

Domenico Scarlatti kennen we voornamelijk als de componist van de klaviersonates. Hij heeft er 555 geschreven, ze worden ook met grote regelmaat uitgevoerd. Tegenwoordig meestal op de klavecimbel maar gelukkig bestaan er ook veel opnamen op de piano. Meesterwerkjes zijn dat die ook nog eens van grote invloed waren op de ontwikkeling van de klaviermuziek.

Anders is het gesteld met zijn geestelijke werken; op Stabat Mater na krijg je ze zelden te horen. Echt verwonderlijk is het niet. Zo vooruitstrevend zoals hij met zijn sonates was, zo ouderwets toont hij zich als de componist van de liturgische muziek.

‘Miserere’, ‘Te Deum’ en ‘Salve Regina’ borduren voort op de uit de renaissance stammende polyphonie. De zevendelige ‘Stabat Mater’ is dan iets ambitieuzer. Scarlatti componeerde het tienstemmig werk tussen 1713 en 1720, toen hij maestro di capella was aan de Basilica Giulia in Rome.

Het Belgische vocaal ensemble Vox Luminis werd in 2004 door Lionel Meunier opgericht, het bestaat uit vier sopranen, twee countertenoren, twee tenoren en twee bassen. Deze opname dateert al uit 2007 en is al eerder op de markt geweest. Ik was er toen niet kapot van en dat ben ik nu nog minder. Er wordt niet altijd zuiver geïntoneerd en het geheel klinkt gewoon monotoon.

Maar ook de uitvoering van de twee sonates door Anne Nissinen kan mij maar matig boeien. Het kan ook aan het instrument liggen: een orgel klinkt eenmaal zwaarder en gewichtiger dan een klavier.


DOMENICO SCARLATTI
Te Deum Laudamus, Salve Regina, Stabat Mater, Miserere; Sonates K.87 & K417
Vox Luminis olv Lionel Meunier
Ricercar RIC 258

Jiří Belohlávek wervelt in Smetana’s Prodaná Nevěsta

Smetana Verkochte bruid

Mařenka en Janík houden van elkaar, maar haar vader wilt haar aan de zoon van een rijke landeigenaar uithuwelijken. Met behulp van een slimme list komt uiteindelijk alles goed, want het blijkt dat Janík de oudste zoon van de rijkaard is.

Prodaná Nevěsta, de eerste nationale Tsjechische opera, was vanaf het begin een enorme hit. De heerlijke melodieën, de aanstekelijke volksdansjes, het feelgoodverhaal… zeg daar maar eens nee tegen!

De populariteit van de opera beperkte zich niet tot de Tsjechische landsgrenzen, al lijkt het bij de grens van Nederland wel op te houden. Want voor zover ik weet werd de opera hier de laatste 30 jaar nergens uitgevoerd.

Er bestaan een paar goede opnamen van, maar de meeste zijn oud en veelal in het Duits, een nieuwe is dus meer dan welkom.

Ik ben een enorme fan van dirigent Jiří Belohlávek en mijn bewondering voor hem stijgt met de dag. Zelden heb ik de muziek van De verkochte bruid zo aanstekelijk horen spelen. Zo wervelend, zo uitnodigend tot glimlachen.

De mij onbekende zangers zijn allemaal goed. Dana Burešova (Mařenka) doet mij Lucia Popp niet vergeten (wie wel?), maar haar timbre is heerlijk licht, net van een mokkend kind.

Thomáš Juhás lijkt een beetje op de jonge Peter Dvorský en Aleš Voráček is een voortreffelijke Vašek.


Bedřich Smetana
Prodaná Nevěsta
Dana Burešova, Thomáš Juhás, Aleš Voráček, Jozef Benci e.a.
BBC Symphony Orchestra olv Jiří Belohlávek
Harmondia Mundi HMC 902119.20

“ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll: KINDERDINGE. Een requiem voor een oude dokter en zijn weeskinderen

Korczak met de kinderen

Korczak en de kinderen

 

Zijn echte naam was Henryk Goldszmit. Het pseudoniem Janusz Korczak gebruikte hij voor het eerst in 1898 toen hij deelnam aan een literaire wedstrijd, georganiseerd door de beroemde pianist – en de eerste minister-president in het na de Eerste Wereldoorlog bevrijde Polen -Ignacy Paderewski.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak werd geboren in Warschau in een geassimileerd Joods gezin. Na zijn studie medicijnen werkte hij een korte periode als kinderarts en in 1912 kreeg hij de leiding over Dom Sierot, een weeshuis voor Joodse kinderen. Hier bracht hij zijn utopische idealen over een Kinderrepubliek in praktijk: een kindergemeenschap met een eigen parlement, rechtbank en krant, dat alles geleid door kinderen. Na de Eerste Wereldoorlog stichtte hij een tweede weeshuis, Nasz Dom (Ons Huis)

 

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Het weeshuis in de Krochmalnastraat

Behalve arts en leider van een weeshuis was Korczak ook pedagoog, leraar, schrijver en schriftgeleerde. Hij werkte bij de Poolse radio en gaf lezingen. Zijn roem was immens, ook buiten de Poolse grenzen werden zijn boeken en artikelen gepubliceerd en geroemd, en zijn pedagogische methoden nagevolgd.

Korczak en kinderen

 

In november 1940 werd het weeshuis gedwongen naar het ghetto van Warschau te verhuizen en begin augustus 1942 werden de kinderen, samen met Korczak en zijn helpster Stefania Wilczynska op transport gezet. Zelfs de nazi’s hadden ontzag voor de beroemde pedagoog – er werd hem een ontsnappingsmogelijkheid geboden. Trouw aan zijn idealen, weigerde hij echter en ging de kinderen voor in de dood. Allen werden vergast meteen na hun aankomst in Treblinka op 7 augustus 1942.

 

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak en de kinderen” in Yad Vashem

Over Korczak:

In 1972 werd aan Korczak  postuum de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse boekhandelaren toegekend. Er zijn boeken over hem geschreven en films over hem gemaakt en in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Duits-Nederlandse componist Burhardt Söll muziekstuk gecomponeerd ter nagedachtenis van Korczak en zijn kinderen, getiteld Kinderdinge. Voor de songteksten tekende sociologe en pedagoge Manuela du Bois-Reymond en in het dagelijks leven de echtgenote van de componist.

 

KOrczak KInderdinge

De wonderschone compositie bestaat uit korte stukjes (kinderscènes) die in elkaar vloeien. De eerste scène ‘Canto d’amore’ wordt opgevolgd door het geluid van kleppers (The only instruments). Er wordt rijkelijk geciteerd  uit de klezmer muziek en Jiddische lieder. Er zijn treingeluiden, grimmige ‘Mars van koffers, schoenen  en jassen’ en er zijn songs.

Song één over het schrikken, song twee over kindermeubels die geen vertrouwen (meer) inboezemen en song drie over het opgesloten zitten in een donkere kast. Een kast die zo klein is dat er plaats is voor maar één been. Alle drie vervuld van immense angst en duisternis en dood (“bei den toten ist mein haus und in der finsternis ist mein bett gemacht”).

De vierde en laatste song (‘The End. What really happened’) is gebaseerd op het ooggetuigenverslag van Marek  Rudnicki, dat gepubliceerd werd in het Poolse Tygodnik Powszechny in 1988.

 Kinderdinge  is een concertversie van Söll’s eigen muziektheaterstuk getiteld Ach und Requiem uit 1994/1995. En dááraan is de in 1991 geschreven Little requiem vooraan gegaan.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

De vraag waarom een muziektheaterstuk over Korczak, vanwaar de interesse in de lotgevallen van de oude dokter en zijn kinderen en of het überhaupt mogelijk is het in de muziek te vertellen vormde voor mij de aanleiding voor de ontmoeting met de componist die sinds in 1977 woont in Leiden.

Burkhardt Söll werd in 1944  in Marienberg geboren: zijn moeder was Joods. Bij de eerste vioollessen, die hij bij zijn tantes volgde moest hij bij de ene wel en mocht bij de ander niet klezmermuziek spelen.

Söll studeerde altviool bij de vermaarde Rudolf Kolisch. Al tijdens zijn schooltijd componeerde hij voor het schoolorkest. Zijn opleiding vervolgde hij aan de Hochschule der Künste in Berlijn. Hij studeerde er compositie bij Boris Blacher en Paul Dessau en schilderen bij Horst Antes. Daarna werkte hij geruime tijd als assistent van Bruno Maderna en Ottomar Suitner aan de Berlijnse Opera Unter den Linden.

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll Zelfportet

In de jaren zeventig was Söll betrokken bij een onderzoek over de esthetische leermethodes voor kinderen en ontwikkelde een methode om kinderen te leren muziekcomposities met de schilderkunst te combineren. Sinds 1977 woont hij in Leiden  en  in 1985 werd hij benoemd als docent aan de Kunstacademie in Utrecht. Zijn schilderijen werden tentoongesteld in o.a. Berlijn, Frankfurt, Parijs en Den Haag.

Korczak koning matthijse

Janusz Korczak en zijn boeken kent hij vanaf zijn prille jeugd en Krol Macius I (Koning Matthijsje de eerste) is nog steeds zijn lievelingsboek. De levensgeschiedenis van de oude dokter heeft hem altijd gefascineerd: iemand die zijn leven in dienst van (wees)kinderen heeft gesteld en die zijn eigen idealen tot de dood trouw bleef.

Voor het schrijven van het muziektheaterstuk werd Söll geïnspireerd door het zien van de ontwerpen van Reinhart Büttner  van kindermeubels: zwart en vervormd. Ach und Requiem werd in 1995 maar één keer uitgevoerd, gelukkig bestaat er een opname van. Het is alleen jammer dat het fraai ogende tekstboekje met op de cover een vioolspelend Joods kind helaas absoluut onleesbaar is. De letters zijn veel te klein en de kleurencombinatie (donkerbruin en lichtblauw) maakt het allemaal nog minder duidelijk.

Fragmenten zijn hier te beluisteren:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Ontleend aan de novelle van Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn  en geïnspireerd door een lied van Itzhak Katzenelson Dos Kelbl, geschreven in het ghetto van Warschau na de dood van zijn vrouw en kinderen. Het lied  werd in de jaren zestig wereldberoemd onder de titel ‘Donna, donna’.

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (sopraan),
Mary Oliver (altviool), Alison McRae (cello), Huub van de Velde(contrabas), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (slagwerken), Dil Engelhard (fluit), Jan Jansen (klarinet), Henri Bok (saxofoon)
Directie: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703

Ljubka Biagioni zu Guttenberg helpt La Traviata vakkundig om zeep

La Traviata Ljubka Biagioni.jpg

Oempa..pa…paa…. paa…. Pfff…. De prachtige ouverture wordt bij de eerste maat al om zeep geholpen en dat is pas het begin! Kan het nog langzamer? Nog valser? Nog minder in de maat? Kan het nog erger??? Blijkbaar wel, want: daar komen de zangers!

Marta Torbidoni (Violetta) is de scherpste en de meest onaangename soubrette-stem die ik ooit in mijn leven heb gehoord. Wie is zij? In het tekstboekje kan ik alleen een korte info – in drie talen, dat weer wel – over de tenor en de bariton vinden, over de sopraan geen woord. Ook geen foto. Als dat geen teken aan de wand is!

Anton Keremidtchev (vader Germont) schreeuwt de boel bij elkaar en vals dat hij zingt! Maar eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat de tenor Michail Michailov (Alfredo) best oké klinkt. Zijn stem beschikt over een ‘typisch’ timbre die zo karakteristiek is voor Bulgaarse tenoren: behoorlijk Italiaans maar met een ‘accentje’. Deze Michailov is het enige lichtpuntje in deze – ook nog eens slecht klinkende – opname.

Het koor klinkt als een samengeraapt zooitje ongeregeld, maar allemaal verbleken ze bij de totaal onbekwame dirigente Ljubka Biagioni zu Guttenberg, want ik kan mij waarachtig niet voorstellen dat het filharmonisch orkest uit Sofia zo ontzettend slecht speelt.

Waardeloos.


GIUSEPPE VERDI
La Traviata
Marta Torbidoni, Michail Michailov, Anton Keremidtchev e.a.
National Philharmonic Choir, Sophia Philharmonic Orchestra olv Ljubka Biagioni zu Guttenberg
Profil PH16050

Opera Rara en drie onbekende ‘serieuze’ Rossini’s

ERMIONE

Opera rara ermione

Stof tot nadenken: men zegt ‘Rossini’, men denkt ‘lachen’. Terwijl meer dan de helft van zijn opera’s zogenaamde opera seria’s zijn!

Zo ook Ermione. Het werk werd voor het eerst in maart 1819 in Napels uitgevoerd en het is nog steeds niet bekend waarom het al in april dat jaar van het programma verdween.

Zijn (concertante) comeback maakte Ermione bijna 150 jaar later. Maar pas in 1987, na de eerste scenische uitvoering in Pesaro (met in de cast onder andere Montserrat Caballe als Ermione en Marylin Horne als Andromaca) werd het werk voor het eerst op zijn waarde geschat.

De (complete) opname uit Pesaro:

Het op Andromaque van Racine gebaseerde libretto van Andrea Leone Tottola is nogal verwarrend. Het is, althans voor mij, volstrekt onduidelijk wie van wie houdt en wie op wie wraak wil nemen. Maar aan het eind is zowat iedereen dood.

Het dramatische verhaal wordt muzikaal ondersteund door spannende aria’s en wondervolle duetten en nonetten, waar het sextet uit Lucia di Lammermoor peanuts bij is. En toch is het onmiskenbaar Rossini, met adembenemend vocaal trapezewerk en salto’s mortales in noten.

Daarvoor heb je zangers van formaat nodig en dat zijn ze ook. Allemaal. Het valt niet mee om tussen de mannelijke Pirro (Paul Nilon) en de lieflijke Oreste (Colin Lee) te kiezen. Laat staan tussen de dames: Carmen Giannattasio (Ermione) is één en al furie en Patricia Bardon een meelijwekkende tragédienne. (ORC42)

Carmen Giannattasio en Colin Lee zingen Un’ Empia mel rapi’:

ELISABETTA REGINA D’INGHILTERRA

Opera Rara Elisabetta

Deze opera behoort wellicht niet tot de meest interessante  werken van Rossini, maar wat is het mooi!

Het verhaal? Leicester, de geliefde van Elisabetta voert oorlog in Schotland, trouwt daar in het geheim met Matilde (een dochter van Mary Stuart) en neemt haar en haar broer Enrico mee naar Engeland. Hij vertrouwt  Norfolk, die hij als zijn vriend beschouwt zijn geheim toe, maar die verraadt hem. Het komt allemaal goed, en – nog belangrijker – het verzekert ons van ruim drie uur vocaal genot.

Het was de eerste van negen opera’s die Rossini voor het Teatro San Carlo in Napels had geschreven. Het was ook zijn eerste opera voor Isabella Colbran en ook zijn eerste opera waarin alle recitatieven door de strijkers werden begeleid.

Voor de opname door Opera Rara in 2002 werd een speciale editie vanuit het manuscript vervaardigd en het werk werd voor het eerst helemaal compleet opgenomen.

De bezetting is fenomenaal. Jennifer Larmore (Elisabetta) en Majella Cullagh (Matilde) zijn beiden onweerstaanbaar. Bruce Ford is een mooie, lyrische Leicester en Antonino Siragusa een werkelijk spetterende Norfolk. Giuseppe Carella leidt het geheel zeer geïnspireerd en met verve.

En als de ouverture u bekend voorkomt dan heeft u gelijk: Rossini hergebruikte het voor Il Barbiere di Sevilla (ORC22)

ZELMIRA

Opera Rara Zelmira

Halverwege de opera, als de door iedereen valselijk voor de moord op haar vader beschuldigde Zelmira haar zoon aan Emma toevertrouwt, krijgen beide dames een duet te zingen, die in zijn schoonheid alleen maar te vergelijken is met ‘Ovi Songe’ uit ‘Bianca e Falliero’ van Bellini. Begeleid door een harp en een Engelse hoorn, laten ze hun stemmen versmelten in de droevige melodieën, die ze in lange lijnen tot de mooiste borduursels laten spinnen.

Van het libretto moet de opera het niet hebben, maar de muziek is er niet minder mooi om. Het was de laatste, die Rossini voor Napels componeerde en valt te vergelijken met zijn andere ‘Napolitaanse opera’s’: Otello, bij voorbeeld. Of  Maometto II.

De opera werd in 2003 live opgenomen in Edinburgh. Het publiek was duidelijk overenthousiast, en terecht. Zelmira werd gezongen door Elizabeth Futral, een pracht van een zangeres met schitterende dramatische coloraturen, af en toe een tikje te scherp, maar dat past bij de rol van de gekwelde prinses.

Prachtig mooi is ook de Antenore van Bruce Ford, een solide zanger in het belcanto repertoire. De meeste bravo’s echter gingen naar Manuela Custer (Emma) en Antonino Siragusa (Ilo). Daar had ik graag bij willen zijn!  (ORC27)

Finale van de eerste acte ‘Sì fausto momento’:

Het verhaal achter Opera Rara Gefascineerd door onbekende opera’s: op bezoek bij OPERA RARA.

Interview met Jennifer Larmore JENNIFER LARMORE

Interview met Carmen Giannattasio CARMEN GIANNATTASIO

Opera Rara en vijf vergeten Donizetti’s

ROSMONDA D’INGHILTERRA

Opera Rara Rosmonda

Het verhaal speelt zich in het Engeland van de twaalfde eeuw af. Koning Henry II is getrouwd met Leonora van Aquitanië, maar houdt ook nog een maîtresse op na. Deze minnares (Rosmonda) zit opgesloten in een toren, en de page Arturo, die op haar moet letten is zelf verliefd op haar geworden. Een – heerlijke, dat wel – draak van een verhaal, maar de muziek is goddelijk mooi: lyrische passages worden afgewisseld met heftige ensembles.

De uitvoering kan niet beter: Renée Fleming is de zoetgevooisde Rosmonda, en Nelly Miricioiu de verbitterde koningin Leonora. Beide dames komen elkaar tegen in de laatste scène, wat resulteert in een van de spannendste duetten. (ORC 13)

PIA DE TOLOMEI

Opera rara Pia

Opera Rara kan trots zijn op haar ontdekkingen. Pia de Tolomei, een totaal vergeten juweeltje van Donizetti, doet de harten van de belcanto verzamelaars (en liefhebbers sneller kloppen.

Het verhaal van Salvatore Cammarano, auteur van o.a. Maria di Rudenz en Il Trovatore over een ten onrechte van overspel beschuldigde echtgenote van een kasteelheer speelt zich af tegen de achtergrond van een oorlog tussen Florence en Siena en is door Donizetti voorzien van de mooiste aria’s en duetten.

De bezetting, met een werkelijk weergaloze Majella Cullagh als Pia en Manuela Custer als haar broer Rodrigo voorop, is zoals altijd bij Opera Rara, werkelijk subliem. (ORC 30)

IMELDA DE’LAMBERTAZZI

opera rara imelda

Met de volkomen vergeten opera Imelda de’ Lambertazzi doet Opera Rara zijn naam eer aan. De zeldzame opera zit vol prachtige melodieën, die uitstekend uitgevoerd worden door de solisten.

Imelda de’Lambertazzi speelt zich af in het door oorlogen tussen de Ghibellijnen en de Welfen verscheurde Bologna. Imelda en Bonifacio worden verliefd op elkaar, maar zij is een Ghibellijn en hij een Welf, dus op een goede afloop hoef je niet te rekenen.

Niet echt een verrassend gegeven, en toch is Imelda anders dan de meeste opera’s uit die tijd. Er is geen ouverture en de mannelijke hoofdrol wordt gezongen door een bariton.

Nicole Cabell zingt een mooie titelheldin en haar stem mengt goed met James Westmans lichte, bijna tenorale bariton.

Hun bijdrage verbleekt echter bij de formidabele prestaties van beide tenoren. Frank Lopardo’s stem is in de loop der jaren donkerder en mannelijker geworden, maar hij heeft niets aan souplesse verloren. Massimo Giordano (onthoud die naam!) beschikt over een pracht van een lyrische tenor, waarmee hij ook overtuigend weet te acteren.

Het perfect spelende Orchestra of the Age of Enlightment wordt met verve gedirigeerd door Mark Elder.

Of het echt een meesterwerk is, weet ik niet, maar de opera zit barstensvol prachtige melodieën en de sterfscène van Imelda (bewaar de appendix voor later) behoort tot de ontroerendste in de operaliteratuur. (ORC36)

PARISINA

Opera Rara Parisina

Hergebruiken… Daar was vroeger niemand vies van. Ook Donizetti niet. Zeker als de première voor de deur stond en het libretto op zich liet wachten. Voor Parisina heeft hij het een en ander van zichzelf geleend en voor het gemak knipte en plakte hij de (overigens schitterende) ouverture die hij eerder voor Ugo, Conte di Parigi componeerde ervoor.

Ondanks de krappe componeertijd (Donizetti heeft er niet meer dan een paar weken over gedaan) werd de opera zeer enthousiast ontvangen en bleef regelmatig op het repertoire staan, ook in het buitenland. Terecht.

Felice Romani was een werkelijk begenadigd dichter en met Parisina heeft hij één van zijn mooiste libretto’s afgeleverd. Alles zit erin: liefde, moord, opoffering, bedrog… En met de prachtige cantilenen van Donizetti erbij kan je niet anders dan snotteren en genieten.

Parisina verraadt haar gevoelens tijdens haar slaap (kunt u zich nog de droom van Cassio in Otello van Verdi herinneren?) Ugo wordt omgebracht en zij sterft van verdriet.

Carmen Giannattasio, José Bros en Dario Solari zingen hun rollen zeer verdienstelijk. Een onmisbare cd voor een (Donizetti-)verzamelaar. (ORC 40)

Carmen Giannattasio zingt ‘Sogno talor di correre’:

LINDA DI CHAMOUNIX

Opera rara Linda

Linda di Chamounix is één van de laatste opera’s van Donizetti. Een doorsnee operaganger kent er waarschijnlijk maar één aria uit: ‘O luce di quest’anima’, een zeer virtuoos trapezewerk, waarmee menig coloratuursopraan stemmencompetities onveilig maakt

Merkwaardig genoeg werd de aria pas na de première aan de opera toegevoegd, speciaal voor Eugenia Tadolini, de tweede vertolkster van de titelrol. Van haar wordt verteld dat haar lyrische coloratuursopraan zeer expressief was en over veel kleuren beschikte.

Daar moest ik, luisterend naar Eglise Gutiérrez, aan denken, want zo moest Tadolini waarschijnlijk geklonken hebben. Zeer virtuoos, maar ook met zeer veel gevoel voor drama zingt Gutiérrez de gekwelde titelheldin die zeer spectaculair haar verstand verliest en het niet minder spectaculair hervindt.

Stephen Costello (onthoud de naam!) is een nieuwkomer aan de ‘lyrische-tenoren-horizon’. Zijn timbre is zeer prettig en zijn hoogte soepel en aangenaam. In zijn rol van de schilder Carlo, die eigenlijk De Sirval heet en een burggraaf is (daar word je inderdaad gek van) is hij bijzonder overtuigend.

Marianna Pizzolato beschikt over een mooi, rond, licht en een zeer wendbaar mezzo. Meer een sopraan eigenlijk, maar dan iets donkerder getimbreerd. Het is ook buitengewoon aangenaam naar haar te luisteren waardoor ze zowat een perfecte cast is voor Pierotto, Linda’s vriend en vertrouweling.

Zowel Ludovic Tézier (vader van Linda) als Bálint Szabó (de prefect) zijn aan elkaar gewaagd en de oudgediende Alessandro Corbelli weet perfect raad met de buffa-rol van markies di Boisfleury. (ORC 43)

Eglise Gutierrez & Stephen Costello zingen ‘Non so; quella canzon’:

Meer Donizetti van Opera Rara:
Les Martyrs
LE DUC D’ALBE

Nieuwe Luisa Miller overtuigt mondjesmaat

Luisa Miller Marina Rebeka

Aan het begin van het seizoen 2017-2018 werd de Kroatische dirigent Ivan Repušić aangesteld als de chef-dirigent van het Münchner Rundfunkorchester. Zijn debuut in die hoedanigheid maakte hij op 22 september 2017 met de concertante uitvoering van Luisa Miller van Verdi. De opera werd toen live opgenomen en ik weet eigenlijk niet of ik er zo blij mee ben. Aan de ene kant toch wel, want de opnamen van die prachtige opera zijn nog steeds schaars.

Helaas is de uitvoering niet echt briljant te noemen. Na een zeer aarzelend begin herstelt het orkest zich uitstekend en er zit goed vaart in, al had ik wat meer luchtigheid in willen horen. Marina Rebeka is een prima zangeres maar voor Luisa klinkt zij niet kruidig genoeg.

De jonge Siciliaanse tenor Ivan Magrì beschikt over een buitengewoon aangenaam timbre. Zeer Italiaans ook, het type Vittorio Grigolo, zeg maar. Maar Rodolfo is voor hem nog te hoog gegrepen. Rodolfo is een zware rol, daar heb je toch meer kracht voor nodig, meer gevoel voor drama. Ik weet zeker dat het er ooit van gaat komen, maar nu was het nog te vroeg.

George Petean is een doorsnee Miller en alleen Ante Jerkunica (Wurm) weet van zijn rol iets meer te maken.


GIUSEPPE VERDI
Luisa Miller
Marina Rebeka, Corinna Scheurle, Judit Kutasi, Ivan Magrì, George Petean, Marko Mimica, Ante Jerkunica
Chor des Bayerischen Rundfunks, Münchner Rundfunkorchester olv Ivan Repušić
BR Klassik 900323

Zie ook: Twee maal LUISA MILLER op dvd