Plácido_Domingo

A few words about Mara Zampieri, one of the greatest soprano’s of the last thirty years of the 20th century

© Tamino autographs

IL GIURAMENTO


Some forty years ago, I paid a real fortune for those two badly copied cassette tapes of Saverio Mercadante’s Il Giuramento, recorded live in Vienna on September 9, 1979. And now that the Austrian broadcaster ORF is digging up one after the other live recorded opera from their archives and transferring them to CDs, this splendid opera also came on the market – for little money and in an excellent sound quality (Orfeo C 6800621).

Il Giuramento is, just like La Gioconda, based on Victor Hugo’s play ‘Angelo, Tyrant de Padoue’, but there is a world of difference between the two works. La Gioconda is a very passionate, at times overwhelming, opera and contains a selection of (over)famous arias. Think of ‘Suicidio’ or ‘Cielo e mare’. Il Giuramento is smaller and more intimate. Think of Bellini with a touch of early Verdi.

The whole opera is really nothing but a succession of the most beautiful melodies, which force you to listen without even wanting to sing along. Or it must be ‘Compita è ormai la giusta e terribil vendetta’, a beautiful aria sung with much melancholy and elan by Domingo.



Domingo rehearsed the role, which was completely new to him, in four days (!) and stepped in – after only one rehearsal – for the sick Peter Dvorsky. Who else would be capable of pulling this off?

Mara Zampieri, unlike many of her contemporary colleagues, had a very individual sound that you may or may not like, but you cannot not possibly confuse her with anyone else. Her silver-coloured, sensuous soprano blends in beautifully with the golden velvet of Agnes Baltsa (then still without the ugly register break that marred her later performances so much) and in ‘Oh! Qual nome pronunziaste’ their voices melt together into a wonderful unity that is so beautiful it hurts.


ATTILA



There are those performances where everything is just in perfect harmony and you get the feeling that it could not be any better. People keep talking about them and they become legends.

Verdi’s Attila was such a performance, at the Vienna State Opera on 21 December 1980. It was Giuseppe Sinopoli’s debut in the house, his name was still virtually unknown, but the initial reluctance of the audience turned into frenzied enthusiasm from the very first bars. Verdi’s score – not the strongest – has never been heard before with such warmth, fervour and tenderness.

Nicolai Ghiaurov was a great Attila. With his sonorous bass, he gave the character not only the allure of a general but also the gentleness of a loving man.

In her role as Odabella, Mara Zampieri proved that she is not only a fantastic singer with a radiant height and a dramatic attack, but also a great actress.

The stretta ‘E gettata la mia sorte’ in the second act requires the baritone to sing the high b flat. Piero Cappuccilli hit it with ease and suppleness, and then was forced to encore by the frenzied audience, something one seldom experiences in opera. A rare occurrence.



Met Plácido Domingo in La Fanciulla del West

Mara Zampieri sings verismo

And try to find this one, You can’t live without this recording, believe me!
Just  few examples



https://www.youtube.com/watch?v=3H_xnGJemW8

Domingo in de Met, deel 4 Samson et Dalila

Tekst: Peter Franken

In 1998 werd het dertigjarig jubileum van Domingo aan de Met gevierd met een voorstelling van Samson et Dalila als seizoen opening. Toenmalig burgemeester Giuliani zat in het publiek en was ook een van de sprekers na afloop bij deze heuglijke gebeurtenis. Uiteraard werd het live uitgezonden en later op dvd uitgebracht.

Het betrof hier de productie van Elijah Moshinsky. In 1998 wilde men liever niet het Palestijns Israëlisch conflict op het toneel naspelen dus werd de handeling verplaatst.

Palestijnen zijn inwoners van Palestina, de naam die de Romeinen aan het gebied hadden gegeven. Van een directe link met de Filistijnen die in de grijze oudheid een smalle kuststrook bewoonden is echter geen sprake. De bijbel voert hen echter op ter versterking van een vijandbeeld en als voorbeeld van wat er gebeurt als de Israëlieten van de rechte leer afwijken.

We zien de Filistijnen hier op het toneel als donkere mensen, halfnaakte beschilderde mannen met speren en schilden. De Hebreeërs hebben ook een tintje. We zitten duidelijk in Afrika. Je zou er Falasha’s in kunnen zien die mot hebben met ‘ongelovige’ Ethiopiërs.

Het toneelbeeld wordt bepaald door de mooie kleding en decors van Richard Hudson, eerder verantwoordelijk voor The lion king. Hudson maakt veel gebruik van helle kleuren: blauw, oranje en magenta. De Hebreeërs zijn in grauwe kledij, grijs en zwart. Alleen Samson heeft een wit shirt en blauwe mantel. De satraap Abimélech heeft idioot lange nagels waardoor hij oogt als Edward Scissorhands. We zien veel cliché’s van ‘Afrikaanse wilden’ en spectaculaire dansscènes met als hoogtepunt het bacchanaal.

De liefdesrelatie tussen Samson en Dalila ligt al in het verleden als het verhaal begint. Hij is een uitverkorene, moet wel want hoe komt hij anders aan die enorme kracht, zij heeft haar volk verraden door zijn minnares te worden. Van beide kanten zal er met weinig sympathie naar gekeken zijn. Kijken we echter wat preciezer naar de tekst dan blijkt dat Dalila hoereert voor haar volk. Van liefde is geen sprake, ze is louter uit op wraak voor de nederlaag die Samson haar volk zo ongeveer in zijn eentje heeft toegebracht al moet gezegd dat Dalila’s beweegredenen slechts worden geuit in de beslotenheid van een monologue intérieur.

Ondanks verwoede pogingen is ze echter niet in haar missie geslaagd: hem ertoe brengen dat hij het geheim van zijn uitzonderlijke kracht aan haar prijsgeeft. Dat is en blijft iets tussen hem en zijn god, hij is immers zoveel als een ‘richter’, een spiritueel leidsman. Dalila heeft het opgegeven maar nu wil de Filistijnse hogepriester haar voor zijn karretje spannen. Ze moet hem opnieuw zien te verleiden om zodoende dat geheim aan de weet te komen.

Het verleiden van een man met het doel misbruik te maken van zijn post coïtale sluimer komt op verschillende plaatsen voor in bijbelse mythen. Dalila is in dat opzicht een collega van Debora en Judith die korte metten maken met hun vijand. Probleem is echter dat Dalila geen jodin is en dus in het verkeerde kamp zit. Zodoende laten de bijbelschrijvers haar slechts het voorbereidend werk doen, zodat Samson alsnog de Filistijnen de genadeklap kan geven en het uitverkoren volk aan het langste eind kan laten trekken.

De gedachte dat Samson zijn bovenmenselijke kracht zal verliezen door zijn haar af te knippen wordt geparafraseerd in Lohengrin. Ortrud bezweert Telramund dat Lohengrin zijn magische krachten onmiddellijk kwijt zal raken als hij ook maar een klein deel van zijn lichaam zou verliezen, het topje van zijn pink is al voldoende.

Dalila sputtert tegen maar gehoorzaamt uiteindelijk. Hij vertrouwt haar niet, maar laat zich toch inpalmen. Zij bedriegt hem en als toeschouwer zien we het stereotiepe beeld van de bitch die hoereert voor geloof en volk. In ‘Mon coeur s’ouvre à ta voix’, volgens Susan Graham het volkslied voor mezzosopranen, spint Olga Borodina op kunstige wijze een web om Samson. Pas als ze haar huis inloopt, het wordt weer niks met die man, gaat Samson voor de bijl en volgt hij zijn hormonen.

Sergei Leiferkus als de hogepriester zingt goed maar klinkt niet mooi, zijn stem lijkt minder geschikt voor de Franse taal. Olga Borodina is geweldig als Dalila, ze beeldt perfect uit wat ze zingt.

Domingo zingt een prima Samson, vol overgave. Hij kan echter niet verhullen dat zijn personage eigenlijk een hersenloze krachtpatser is. In een interview liet hij blijken gefascineerd te zijn door rollen waarin een sterke man te gronde gaat door toe te geven aan een zwakheid. Het is bijna profetisch te noemen, met de kennis van wat Domingo zelf nog te wachten zou staan.

James Levine heeft de muzikale leiding. Al met al een mooie opname om nog eens terug te zien.

Meer Samson van Domingo:

https://basiaconfuoco.com/2022/12/02/just-a-few-words-about-three-recordings-of-samson-et-dalila-by-saint-saens/





Plácido Domingo in his lesser-known recordings

Isaac Albéniz Merlin

The present recording offers a great opportunity for a musical game. The composer came from Spain, the orchestral sound is Wagnerian and the sung text is in (Old) English: who, oh who?

Isaac Albéniz (because this is about him) lived for quite some time in London where he befriended Lord Francis Burdett Money-Coutts, a wealthy banker with great ambitions and literary aspirations. His greatest dream was creation of an English counterpart to the Ring of the Nibelungen, and the story of King Arthur lent itself perfectly to that.

Albéniz received all possible support from the librettist/commissioner and in 1897 Merlin was created, which should have been the first part of the trilogy. The opera was never performed in its entirety and the score lay scattered between Madrid and London. That it was found and restored is thanks to conductor José De Eusebio, who, bolstered by a star-studded cast, was also allowed to record it for Decca.

The truly great cast is led by Plácido Domingo at his best as Arthur. As Merlin, we hear Carlos Álvarez: a dream of a baritone, warm, round and blessed with an almost old-fashioned morbidezza

https://open.spotify.com/album/40MeVLGOC3RuN7hwsQd441?si=aNCEPU5NQKuZan3eGiAJXQ

Beethoven Fidelio

If you want thunder and lightning in your Fidelio: choose for Daniel Barenboim’s

recording. Here, not only is the orchestra (Staatskapelle Berlin) of almost Wagnerian proportions, so are the singers: Waltraud Meier (Leonore), Plácido Domingo (Florestan), Falk Struckman (Don Pizarrro), René Pape (Rocco), Kwangchul Youn (Don Fernando).


On the other hand the roles of Jaquino (Werner Güra) and Marzelline (Soile Isokoski) are wonderfully lyrical (although more heavily cast than usual). The tempi are solid but never punishing, and Barenboim conducts with verve.

Bretón La Dolores

I know Tomas Bretón as one of the best zarzuela composers and his La Verbena de la Paloma regularly ends up in my CD player. From La Dolores, I knew – until not so long ago – only one aria and a single duet, as those belong to my Domingo collection.

Plácido Domingo sings ‘Jota’ from La Dolores:



This CD was a very exciting and very pleasant first encounter with the complete work and I sat up straight at the very first notes. The beautiful colours that the orchestra here displayed could only be the work of an important maestro.

The prelude strongly reminded me of Cavalleria Rusticana, which was only reinforced by the choral part that followed. But just when I thought I had heard it all before (besides the already mentioned ‘Cavalleria’, I also thought I recognised ‘Carmen’), it took a totally different turn.

Yes, it is unmistakably Spanish and often I was also reminded of El Gato Montés by Manuel Penella Moreno, especially in the brilliant scenes preceding the bullfight. But what most surprised me: why was La Dolores not recorded earlier? The first performance in 1895 was a huge success and the opera was even filmed.

Manuel Lanza (no relation) has a beautiful baritone voice that reminded me strongly of Carlos Álvarez.

Tito Beltrán has recorded a few solo CDs since 1993, when he won the Cardiff Competition, and it felt good to hear him in a complete opera recording.

And Plácido Domingo is, as (almost) always, superior.

Alberto Ginastera



The music of Alberto Ginastera, arguably the most important Argentine composer, is still terra incognita for most of us. Warner Classics has collected several of his vocal works on a new CD, with shining contributions from Plácido Domingo and Virginia Tola.
The scenes from ‘Don Rodrigo’ are no less than a gift, but: why only these two scenes? There is still no official recording of the opera, which is best described – in terms of musical structure – as the Argentine Wozzeck.

Plácido Domingo already sang the lead role at the opera’s US premiere in 1966 (!), at the New York City Opera. It is hard to compare his voice then and now, but his great aria “Señor del Perdón”, still rings as clear as a bell.

Domingo sings”Señor del Perdón”, recording from 22 February 1966:



In 1966, the role of Rodrigo’s beloved Florinda was sung by Jeannine Crader, an American soprano who was also the first to record Ginestera’s cantata Milena.

In the new recording, Domingo is joined by the brilliant Argentine soprano Virginia Tola. Her voice is childlike naïve and dramatic at the same time. Her last words after Rodrigo’s death will continue to haunt you.




Händel Tamerlano




A production directed by Graham Vick and conducted by Paul McCreesh was recorded at the Teatro Real in Madrid in 2008 (Opus Arte OA Bd7022 D). The cast was undoubtedly good, with Sara Mingardo leading the way as an outstanding Andronico.

Plácido Domingo (Bajazet) was making his debut in a baroque opera, but even he, my great idol, could not prevent me from falling asleep all the time. At his ‘Figlia mia non pianger’, I woke up and was momentarily moved, but that was it.

Much of the boredom is undoubtedly down to the director. Vick’s production is bare, bleak and (I assume?) aesthetically pleasing.


Below, Domingo in ‘Figlia mia non pianger’

Mare Nostrum: Plácido Domingo honours the Mediterranean Sea


Plácido Domingo recorded this CD in 2016. The ‘Mar’ in this case is the Mediterranean Sea. The singer who never takes a break, as Domingo is widely known, has collected songs from numerous Mediterranean countries. A surprising selection…

The Romans called the Mediterranean Sea ‘Mare Nostrum’, our sea. And that is true: the sea belongs to all of us. Domingo states on the album: “I bow before your grandeur. I am deeply grateful for the privilege of having been born in Spain, the land that is always caressed by your waters. I honour you in the only way I can: by singing your songs.”

The countries that surround the sea are all different and you can hear that in their songs. Domingo’s choice is surprising. Besides the not very exciting ‘Torna a Surriento’ and ‘Plaisir d’Amour’ (both in a new arrangement by Robert Sadin), he sings, among others, the Spanish classic ‘Del Cabello Más Sutil’ by Fernando Obradors, one of the most beautiful songs ever.

Very exciting and surprising are the Corsican polyphonic ‘Anghjulina’, sung with Barbara Fortuna and ‘Potho Reposare’, a beautiful love song from Sardinia.

I am less happy with ‘Aranjuez’, which in my opinion has already been completely milked dry, although the arrangement here is very refreshing. In its place I would have liked to hear something from Greece, because the traditional Cypriot song ‘To Yasemi’ certainly tastes like more.

There are more things of beauty on the CD. ‘Adio Kerida’ for example, sung in Ladino, one of the best known songs of the Spanish Jews.

Or the Israeli ‘Layla Layla’ by poet Natan Alterman, sung in perfect Ivrit. Or ‘Lamma Bada Yatathana’, a ‘muwashshah’ from Arab Andalusia, from the 12th century, with a typical North African rhythm (samai thaqil).

Trailer:






Mozart Idomeneo



In 1996, Deutsche Grammophon (4477372) recorded the opera conducted by Maestro James Levine with just about the Metropolitan Opera’s biggest stars of the time. No idea if it is idiomatic, but I find it HUGE!

Levine’s muscular conducting brings out hidden treasures and in no other performance can you hear how progressive the music is! The tempi are obviously brisk, but nowhere rushed, and most of the voices are overwhelming.

Plácido Domingo’s Idomeneo is exactly what we expect from him: with his beautiful, warm tenor, his regal recitation and his commitment, he makes Idomeneo a very emotional and mostly very humane king.

Rossini Barbiere di Sevilglia



In 1992, Deutsche Grammophon (4357632) presented a very special recording of the work: in fact, the role of Figaro was sung by none other than Plácido Domingo.

He does it very convincingly, proving that he has not only a beautiful voice but also a comical talent.



Arias by Verdi, but now as a baritone



The Domingo phenomenon …. No, I am not going to bombard you with facts and trivia, all of which you will have known for a long time because the press can’t get enough of them.

It so happens that, besides being a real fan, I am also a critical listener and I do my best not to let my ratio and my anima get in each other’s way. Whether I succeed is up to you, my reader, to judge.

Shaking my head, I read what some of my colleagues write about Domingo. He is blamed for singing baritone roles when he is not a real baritone. No, he is not (do I hear anything about Ramon Vinay?), but what bothers me most is that those are the same critics who have never even considered Domingo to be a real tenor. Everything, and certainly a human voice is mostly a matter of taste. But how you construct your criticism (or not) is more than that, it’s also about decency.
And now back to what this is all about: CD of baritone-Verdi arias by tenor/baritone Plácido Domingo.

Domingo has a Verdi curriculum to match, so he had already sung live in most of Verdi’s operas. But there is more, as he has also recorded all his major tenor arias.

It is a bit of an unreal experience to hear him now; singing his former rivals or the fathers in the same operas. His advantage: he knows the operas inside out. Your advantage as a listener: a totally different approach to those roles than you are used to. He understands the other side too!

That his Simon Boccanegra makes the most impression is not surprising: he has had that role in his repertoire for a few years now and has performed it all over the world (no, not in the Netherlands, somehow the Netherlands no longer count as part of “the world”).

Domingo sings ‘Plebe! Patrizi’ from Simon Boccanegra (Met 2010):



‘Ecco la spada’ is of such intensity that it renders me breathless. In this, he is assisted by (among others) Angel Joy Blue, a soprano who also partnered him at the Ziggo Dome in Amsterdam. We are going to hear more from that lady.

His father Germont (La Traviata) and Rigoletto also betray a his powerful experience of the stage: in ‘Cortigiani, vil razza dannata’ he sounds no less than heartbreaking.
He has also made Luna (Il Trovatore) his own by now. ‘Il balen’ already sounds impressive, but in ‘Qual suono’, with the more than excellent contribution of the Valencia choir, he lets himself go all the way and the result is stunning.

The Orquesta de la Comunitat Valenciana conducted by Pablo Heras-Casado sounds very competent and it gives the star all the space he needs to shine, which he amply does.
The making of:

Bonus

Plácido Domingo in “The Enchanted Island” (2011): “Who dares to call me? – Gone forever”


One more bonus:

Domingo in The Met, deel 3: Simon Boccanegra

Tekst Peter Franken

Placido Domingo heeft talloze malen in de Met gezongen en veel daarvan is live uitgezonden en zodoende later op dvd uitgebracht, zo ook een uitvoering van Simon Boccanegra.

Dit werk ging in 1857 in première in Venetië. Verdi was tijdens de voorbereiding nog druk doende in Parijs met Les vêpres siciliennes waardoor het een beetje een haastklus werd. Dat gevoegd bij het feit dat het werk gaat over Venetië’s aartsrivaal Genua, maakt achteraf de matige ontvangst van deze opera wel enigszins begrijpelijk.

Simon Boccanegra raakte nog net niet in de vergetelheid maar een succes vergelijkbaar met Verdi’s werken uit zijn rijpe periode bleef uit.

In 1881 ging een compleet omgewerkte versie in première met een klankbeeld waaruit duidelijk blijkt dat de componist inmiddels zijn topwerken Don Carlos en Aida heeft voltooid. De nieuwe Boccanegra verdient zeker een plek in de rangorde tussen deze twee, de muziek is wonderschoon. De keuze van het onderwerp en het weliswaar enigszins aangepaste libretto hebben echter ook nadien een zegetocht in de weg gestaan.

Toch zou het helpen als in een chronologisch overzicht van Verdi’s werk Simon Boccanegra geplaatst wordt na Aida, al is het maar om aan te geven dat het hier een opera betreft waarin Verdi alles heeft ingebracht aan kennis en ervaring dat hij vervolgens in een soort nagekomen bericht nog eens tentoon zou spreiden in Otello en Falstaff.

De handeling speelt zich af in de 14e eeuw, de tijd dat Venetië en Genua samen de dienst uitmaakten in de Middellandse Zee en Genua bovendien haar invloed wist uit te breiden in het gebied rond de Zwarte Zee. In de stad is een eindeloos conflict gaande tussen de plebejers en de patriciërs. Deze groepen staan lijnrecht tegenover elkaar en een oplossing is niet in zicht, zal er ook nooit echt komen. Net als in een periode van oorlog of revolutie zet dat de verhoudingen op scherp als persoonlijke belangen de virtuele maatschappelijke scheidslijn overschrijden.

De proloog begint met een grote groep plebejers die een coup voorbereiden. Ze rekenen erop dat de dienstopdracht zal zijn dat men de kandidatuur van Lorenzo als nieuwe Doge moet steunen, maar de ambitieuze Paolo Albiani heeft andere plannen. Deze is in gesprek met hun aanvoerder Pietro. Ze worden het eens, Simon Boccanegra, de plaatselijke Piet Hein, zal geprest worden een verkiezing tot Doge te aanvaarden. Met Paolo als macht achter de schermen zullen zodoende de belangen van de plebejers beter worden behartigd.

Simon voelt echter weinig voor het plan maar laat zich overhalen. Als Doge zal hij een betere kans maken zijn geliefde Maria, dochter van de patriciër Fiesco, te trouwen. Al gauw blijkt dit ijdele hoop. De plotseling opduikende Fiesco weigert hem te vergeven dat hij zijn dochter heeft verleid. Slechts als Simon hem het dochtertje uit deze relatie bezorgt, is hij bereid zijn wrok te laten varen. Het kind in kwestie is echter ontvoerd en niemand weet waar ze is gebleven. Bovendien is Maria uitgerekend die avond gestorven. Daarmee bevat de proloog alle ingrediënten voor een verhaal met fatale afloop.

Robert Loyd zingt Il lacerato spirito:

De voorstelling die in 1995 ‘live from the Met’ te zien was is door DG op dvd uitgebracht. De enscenering van Giancarlo del Monaco en Michael Scott is op en top naturalistisch, zozeer dat het bijna gaat  irriteren. Zware kledij, wapens, alles volgens het boekje, maar is het 14e eeuw?

Act 2 trio: Placido Domingo,Vladimir Chernov, Kiri Te Kanawa

Vladimir Chernov is een ideale Boccanegra, fenomenaal met name in de tweede en derde akte.

Zijn sterfscène doet denken aan Boris Godoenov. Dat effect wordt onbedoeld versterkt door de aanwezigheid van Robert Lloyd als Fiesco

Hoewel Domingo min of meer als vanzelfsprekend wordt gepresenteerd als het boegbeeld van de productie is dit duidelijk geen romantische ‘tenor opera’. Gabriele Adorno is feitelijk een grote bijrol maar Domingo haalt er alles uit wat er inzit. Zijn personage is een heetgebakerde edelman en in de tweede akte kan hij zich behoorlijk uitleven. Chernov blijft echter de hoofdpersoon in woord, gebaar en zang.

Lloyd is een prima Fiesco maar ik blijf er zijn Boris in zien. Kiri te Kanawa brengt een mooie Amelia maar wordt door de regie een beetje truttig neergezet.

James Levine heeft zoals gebruikelijk de muzikale leiding.

U kunt de opera ook op de FB van Plácido Domingo bekijken

https://www.facebook.com/watch/?v=322913778833895

Domingo in de Met, deel 2: Otello

Tekst: Peter Franken

Plácido Domingo heeft in zijn glorieuze carrière de rol van Otello honderden keren gezongen. Toen hij er in 1995 mee in de Met optrad stond de teller al op 200. Van een van de voorstellingen is een opname op dvd uitgebracht. Het betreft een productie van Elijah Moshinsky die het libretto zeer getrouw weet te volgen.

De protagonist die de handeling initieert en gaande houdt is Iago. Alle anderen zijn slechts marionetten in zijn spel. Om die reden was er wel wat voor te zeggen geweest de opera ‘Iago’ als titel te geven, wat librettist Boito ook daadwerkelijk heeft overwogen. De bekendheid van het ‘merk’ Otello en de gedachte dat het publiek zich liever identificeert met een tragisch slachtoffer dan met een doortrapte schurk, zal de doorslag hebben gegeven bij de titel van Shakespeares drama te blijven.

Die Iago vind ik een moeilijk te duiden personage ook al doet hij veel moeite zichzelf uit te leggen in zijn credo, het muzikale hoogtepunt van zijn optreden. Het wil er bij mij niet in, die tekst, veel te glad. In plaats van de slechtheid in persoon doet Iago meer denken aan iemand die dwangmatig alles de grond inboort wat niet tot zijn grimmige belevingswereld behoort. Als een doorgeschoten criticus die parasiteert op de creatieve energie van anderen. En zoals iemand met hoogtevrees de zuigende werking van de diepte voelt, zal Iago de sterke drang ervaren alles wat mooi en goed is in zijn omgeving te vernietigen. Hij is een ordinaire psychopaat die net zo goed voor een carrière als seriemoordenaar had kunnen kiezen. Dat hij is gepasseerd voor promotie heeft zijn gedrag getriggerd, de lont aangestoken. Maar het kruitvat was er al die tijd al.

Het toneelbeeld is zeer klassiek, een echt kostuumdrama en Otello is zwart geschminkt, net als Amonasro in Moshinsky’s productie voor de Royal Opera het jaar ervoor.

Otello weet zich door zijn afkomst niet geaccepteerd in zijn nieuwe functie van gouverneur. Als veldheer was hij meer op zijn plaats mede doordat daar de krijgsdiscipline in zijn voordeel werkte. Als politicus staat hij er alleen voor en dat maakt hem onzeker. Vandaar ook dat hij zo’n gemakkelijke prooi is voor Iago.

Behalve dat aspect speelt natuurlijk ook onverholen racisme een rol. Wat moet die zwarte man met zo’n mooie blanke vrouw. Is het nog niet erg genoeg dat hij tot gouverneur is benoemd? Desdemona in bed met Otello is voor zijn omgeving like adding insult to injury. Zo bekeken is die zwarte schmink ook wel functioneel. De toeschouwer wordt gedwongen de man te zien door de ogen van zijn ondergeschikten.

James Morris is een uitstekende Iago maar wordt een beetje gehinderd door het beeld dat ik van hem heb als Wotan. Kijk je daar doorheen dan zie je een zeer vilein personage, precies zoals het moet zijn.

Renée Fleming is een prachtige Desdemona, mooi en heel naïef maar haar onvermogen om non verbale signalen op te pikken wordt haar fataal. Ze blijft maar doorzeuren over Cassio terwijl toch duidelijk is dat Otello daar niet van is gediend. Dat ze zijn jaloezie aanwakkert ontgaat haar volledig, zozeer overtuigd van haar eigen onschuld dat het kennelijk niet in haar opkomt zich af te vragen of zij de oorzaak is dat haar echtgenoot met rook uit zijn oren rondloopt. Fleming acteert prima en zingt wonderschoon.

Domingo is de man waarom alles draait. Zijn aftakeling begint al vrijwel direct en hij snelt met open ogen zijn einde tegemoet. De scène waarin hij Desdemona wurgt wordt door beiden zeer realistisch geacteerd. Daarna is Domingo’s Otello nog slechts een wrak.

James Levine heeft de muzikale leiding.

Domingo in de Met, deel 1: Francesca da Rimini

Tekst: Peter Franken

Plácido Domingo heeft een enorme staat van dienst in de Metropolitan Opera en vertolkte daar vele rollen uit het ijzeren repertoire. Maar daar bleef het niet bij, in 1984 stond de befaamde tenor op het toneel als Paolo in Zandonai’s weinig gespeelde opera Francesca da Rimini.

Dit werk ging in 1914 in première en heeft sindsdien een leven in de luwte geleid. In New York was de opera elfmaal te zien tijdens het seizoen 1916-17. Daarna zou het tot 1984 duren vooraleer de Met het opnieuw probeerde, met twee wereldsterren als het gedoemde liefdespaar: Renata Scotto en Placido Domingo. Een opname uit die reeks is op dvd uitgebracht door DG.

Het verhaal van Francesca da Polenta en Paolo Malatesta is gebaseerd op personages uit de 13e eeuw. Paolo, bijgenaamd Il bello, wordt naar Francesca gestuurd als huwelijksmakelaar voor zijn oudere broer, de weinig aantrekkelijke manke Giovanni. De twee worden op slag verliefd en beginnen een affaire. Ze worden echter ontmaskerd door Malatestino, de jongste broer van het stel en die zorgt ervoor dat Giovanni het koppel in flagrante weet te betrappen. Beiden worden samen aan het zwaard geregen en sterven in hun laatste omhelzing.

Francesca wordt wel de Italiaanse Tristan genoemd. Ook hier de aantrekkelijke jonge man die een bruid moet werven voor een onaantrekkelijke partij. Giovanni in de rol van Marke en Malatestino als Melot. Saillant detail is echter dat in de literatuur geen nadrukkelijk moreel oordeel over die liefdesrelatie wordt geveld. Dit in tegenstelling tot die van Francesca en Paolo, met dank aan Dante en zijn Goddelijke Komedie. Dante plaatst het tweetal in Canto 5 in de Tweede Kring van de hel, op zich ver verwijderd van Canto 34 in de Negende Kring waar Lucifer te vinden is, maar evengoed in de hel. Het is de straf voor diegenen die zich niet hebben kunnen beheersen en zich overgaven aan wellust. In een wervelende wind is het liefdespaar voor eeuwig aan elkaar gekoppeld, ze delen het verblijf in de hel. Daarmee vergeleken is het aardse huwelijk een korte flirt. Een plekje in het Purgatorio zou ons vandaag de dag voor Francesca wat meer geëigend hebben geleken.

Francesca heeft vele componisten geïnspireerd tot het schrijven van een opera. Als ik goed heb geteld was die van Zandonai nummer 26. Zijn librettist Tito Ricordi baseerde zich op een toneelstuk van Gabriele d’Annunzio waarbij hij zich vooral concentreerde op de liefdesaffaire van de protagonisten. Bij Ricordi komt Paolo er een stuk slechter af dan Francesca. Eerst bedriegt hij haar om zijn oudere broer een dienst te bewijzen en vervolgens dringt hij zich zo aan haar op, zonder acht te slaan op smeekbeden haar met rust te laten, dat ze door de knieën gaat. Francesca valt weinig te verwijten, ze heeft zich tot het uiterste tegen zijn avances geweerd. Paolo verdient eerder een plek in de Achtste Kring, ergens in Canto 18 of 23, in elk geval de straf voor bedrog en verleiding.

Francesca da Rimini’s Act II battle between the Guelphs and the Ghibellines, with Paolo, Gianciotto and Malatestino on the ramparts and Francesca below (Plácido Domingo as Paolo, Cornell MacNeil as Gianciotto, William Lewis as Malatestino and Renata Scotto as Francesca

De productie van Pierro Fagioni is overdadig en verzuipt bijna in de naturalistische details. De kostumering is een parade van laat middeleeuwse clichés. In de tweede akte zien we een groot aantal figuranten die de belegering van het slot van de Malatesta’s aanschouwelijk moeten maken. Hier spreken van een librettogetrouw kostuumdrama is bijna een eufemisme.

De cast is goed verzorgd, over de volle breedte. Van de hofdames en de intriganten tot de drie broers Malatesta en hun gemeenschappelijk liefdesobject Francesca, immers Malatestino is ook verliefd op haar. Nicole Lorange heeft een aardig optreden in de eerste akte als het jongere zusje Samaritana die bij Francesca op de kamer slaapt, het zijn duidelijk nog tieners die twee.

Isola Jones is een prachtige Smaragdi, in beeld en geluid. Een echte eyecatcher die als Francesca’s huisslavin door haar relatief eenvoudige kledij veel overtuigender overkomt dan al die opgetutte vrouwen om haar heen.

Bariton Cornell Macneil als Giovanni is een griezelige potentaat, je begrijpt direct dat alleen bedrog een huwelijk met de jonge mooie Francesca mogelijk heeft kunnen maken. Iets waar overigens beide families volledig aan mee hebben gewerkt.  Zijn zang is dienovereenkomstig, overheersend en bedreigend. Hij doodt zijn broer Paolo en krijgt vermoedelijk van Dante een plaatsje in de Zevende Kring.

Het liefdespaar komt zoals gezegd voor rekening van Scotto en Domingo. Scotto gaat voluit in haar poging een geloofwaardige Francesca op het toneel te zetten maar ik kan er niet echt van onder de indruk raken. Domingo weet zich beter raad met de rol van de verliefde jongeman die net als Tristan het daglicht ziet als zijn vijand en het liefst alleen nog maar ’s nachts wil leven. Er zit zeker in de vierde akte erg veel Tristan in het libretto, het is bijna een commentaar op Wagners verhaal. Goed beschouwd is Domingo’s optreden de enige reden om deze opname nog eens te bekijken.

De muzikale leiding is zoals gebruikelijk in handen van James Levine.

Finale:

Voor wie dit op prijs stellen: 10 beste Francesca’s op een rijtje althans volgens Opera News

https://www.operanews.com/Opera_News_Magazine/2020/7/Department/10_Essential_Francesca_da_Rimini/Zandonai_Clips_to_Enjoy_%28At_Home%29.html

Francesca da Rimini van Zandonai in Parijs. Waarom nooit in Amsterdam?

Just a few words about three recordings of Samson et Dalila by Saint-Saëns


EMI (now Warner) recorded the opera in Paris in 1991. The conductor was Myung-Whun Chung and there is the rub: he does not really know the opera. But he was not the only culprit! Someone came up with the unfortunate idea of having Dalila sung by Waltraud Meier. Forget it.




The other studio recording, this time on DVD (DG 0730599), also has a Dalila that just doesn’t work for me: Olga Borodina. It was recorded at the Metropolitan Opera in 1998. I was there and didn’t like it – and I still don’t like it.



But, I’ll go for the San Francisco recording every time! It was directed by Nicolas Joel and Dalila was sung by the really sexy Shirley Verrett (Arthaus Video 100 202)




Une soirée fantastique oftewel Plácido Domingo in Luik

Tekst: Sander Boonstra

Eerlijk is eerlijk: ik had gemengde gevoelens, toen ik afgelopen zaterdag in de auto zat richting het operahuis in Luik. Ik merkte aan mezelf, dat ik toch onbewust wat beïnvloed werd door alle berichten op de sociale media en websites als het ging over de recentste prestaties van míjn operaheld Plácido Domingo op het toneel van de Opera van Luik Een orkest dat weigerde op te staan, optredens waar het nodige op aan te merken viel, terwijl in 2019 een uiterst kwieke bijna 80-jarige tijdens zijn Veronese galaconcert de sterren naar de hemel zong.

Allerlei gedachtes die door mijn hoofd schieten zelfs als de ouverture tot I vespri Siciliani al door het auditorium van de Luikse opera klinkt. Een wat trage start: tempo-keuzes van Giampaolo Bisanti, de kersverse muzikaal directeur van het huis, die ik niet begrijp en ook niet gewend ben. Het huisorkest speelt overigens de hele avond op hoog niveau, waarschijnlijk ook aangemoedigd door het feit, dat ze een ware operalegende mogen begeleiden.

Want daar kan toch niemand onder uit: los van smaak of nieuwsberichten is Plácido Domingo (voor mij) nog steeds de king of opera. De zaal is na de ouverture wat zenuwachtig zwijgzaam, maar barst in een ovatie los als de man of the evening met een brede glimlach en een map teksten ten tonele verschijnt.

Het ziet er vervolgens wat ongemakkelijk uit: je ziet dat Domingo wil zingen, maar Bisanti toogt pas naar de bok als het applaus al wegsterft. Domingo’s aandeel van de avond wordt aangevangen met (inmiddels) zijn paradepaardje ‘Nemico della patria’ uit Giordano’s Andrea Chénier, waar ik toch een bepaalde frisheid hoor in zijn stem die ik in 2019 ook hoorde. Misschien dat Operalia hieraan ten grondslag ligt: hij heeft meer dan een week niet gezongen, heeft zich op talentbegeleiding gericht, waardoor de stem toch heeft kunnen rusten.

Ook Macbeth’s aria ‘Perfidi! …” uit de vierde akte staat als een huis, al is de frisheid er al wel wat af. Niet zo gek: ook Domingo’s stem is al 81 jaar oud en presteert al meer dan 60 jaar op ongekend hoog niveau, dan is het logisch dat het hier en daar wat kraakt, dat van een natuurlijk vibrato niet echt sprake meer is en sneller vermoeid raakt. Maar de man doet het nog steeds en hij doet het ongekend goed!

Voor het concert in Luik is de Amerikaanse sopraan Jennifer Rowley ingevlogen als side-kick. Een stem waar ik niet echt warm van word, maar in duet met Domingo tot leven komt, dynamisch is en zijn tenorale bariton mooi aanvult. En waar ze in haar aria’s wat verloren op het toneel staat, weet ze zich prima te bewegen met de Spaanse maestro naast haar.

De eerste verwachtingen zijn ingelost en we maken ons na de pauze op voor Domingo’s grote passie: de zarzuela. Deze Spaanse vorm van de operette past hem als een handschoen en met hem geniet het publiek mee. De ovaties die klinken na ‘Quiero desterrar’ en ‘Mi aldea’ zijn niet van de lucht. Natuurlijk valt het op, dat de stukken flink naar beneden getransponeerd zijn, maar dat neemt niet weg, dat Domingo nog steeds dé interpreet bij uitstek is van dit genre. Het mag dan ook geen verrassing zijn, dat ‘No puede ser’ uit La taberna del puerto en ‘Granada’ van Augustin Lara al klaar liggen op de lessenaar als het officiële programma ten einde is.

In de auto terug naar Maastricht moet ik mijn metgezel bekennen, dat de avond mij aangenaam verrast heeft. De media en tegenstanders hebben de legende Domingo misschien van zijn voetstuk geschopt, het gaat mij om het aandeel in de muziekgeschiedenis van de zanger Domingo, wat hij gedaan en betekent heeft voor de opera-industrie. Laten we het vanaf nu daar weer over hebben. En het is misschien niet meer de tenor van vroeger, in het bariton-repertoire vindt hij zijn weg wel. Kijkend naar de kwaliteit van de stem echter, dan is het in mijn ogen legitiem om te zeggen “doe het iets rustiger aan”, want ergens ben ik wel bang, dat de man anders een karikatuur wordt van zijn verleden. En dat zou ik oprecht spijtig vinde

Al mijn gedachtes zijn inmiddels overstemd door een fantastische avond. Ik ben onder de indruk van wat ik heb gezien en gehoord. En misschien ben ik ook een beetje opgelucht, dat ik niet heb hoeven zien, wat ik de afgelopen maanden allemaal gelezen heb.

Foto’s © ORW-Liège – J. Berger en © Sander Boonstra

Eerder gepubliceerd op 7 november 2022 op: https://www.sanderboonstra.nl/blog/blogs/une-soiree-fantastique/.

A brief summary about Cheryl Studer in some of her best roles

SALOME BY MASSENET: HERODIADE



Orchestrally, this recording is really top-notch. Michel Plasson conducts the orchestra from Toulouse very energetically, with a lot of verve and drive, and he also knows how to allow space for all the subtleties. Exciting and beautiful. That is how I like to hear opera.

José van Dam is an impressive Phanuel and Nadine Denize an excellent Hérodiade., although her intonation is not always pure.

Hérode is not really a role for Thomas Hampson, but he sings it very beautifully. Something that unfortunately cannot be said of Ben Heppner’s Jean. A heroic tenor in that role is nothing but a terrible mistake.

Cheryl Studer, on the other hand, is a Salomé of everyone’s dreams: girlish, innocent and naive. Her voice shines and sways and her final words “Ah! Darned Queen, if it is true that your cursed loins have given birth to me, look! Take back your blood and my life!” leave you shuddering and desperately weeping. Brava.

STRAUSS:

SALOME


I realise that many of you will not agree with me, but for me Cheryl Studer is the very best Salome of the last fifty years. At least on CD, because she has never sung the complete role on stage (DG 4318102). Like few others, she knows how to portray the complex character of Salome’s psyche. Just listen to her question ‘Von wer spricht er?’ after which she realises that the prophet is talking about her mother and then she sings in a surprised, childishly naive way: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Masterly.

Bryn Terfel is a very virile young Jochanaan (it was, I think, the first time he sang the role), but most beautiful of all is Giuseppe Sinopoli’s very sensual, wide- sounding conducting.


ELEKTRA



This stage production from Vienna (Arthaus Musik 100 048) 1989 is more than extraordinary. Harry Kupfer’s direction is extremely gripping and terrifying, and although he is very realistic in his approach, he limits himself to the directions in the libretto.

The scene is dominated by grey in all its shades and is particularly dark. The only colour in the performance looms when Chrysotemis, at her heartfelt cry that she wants to live and bear children, rips open her blouse and reveals a red vest.

Eva Marton (Elektra) is exceptionally convincing: moving in her longing for her father, repulsive in her contempt for her sister and terrifying during her confrontation with her mother.

Cheryl Studer is a splendid Chrysothemis. With her slightly sweet, lyrical, yet still exceptionally powerful soprano, she can portray a very strong character: her Chrysotemis is a girl disappointed in life with a strong desire to escape, but without the decisiveness to actually bring it about.
Also phenomenal is Brigitte Fassbänder in her portrayal of the mentally ill queen, plagued by nightmares and guilt. Both the mother and her two daughters would be on Freud’s couch in no time – talk about hysterical women!
Franz Grundheber is an exemplary Orest and Claudio Abbado conducts with an intensity that borders on the impossible.




FRAU OHNE SCHATTEN


In 1992, Solti conducted a complete performance of the work in Salzburg. Götz Friedrich’s direction was considered particularly strong at the time, but I do not find it entirely satisfactory. The mise-en-scène is undoubtedly excellent, but it fails with the direction of the characters, causing the singers to run from place to place in a rather awkward way.

The stage design is beautiful with very minimalist but realistic sets, but the costumes are a bit bizarre at times. There is a lot of use of strobe lighting, which combined with violent musical passages may come across as rather violent.

Cheryl Studer is a dream of an Empress. Her voice, with its very recognisable timbre and beautiful pitch, is soaring, transparent almost, innocent and erotic at the same time. Thomas Moser is an attractive Emperor, perhaps a tad too light for the role, causing him occasional breathlessness and pressed notes, but his singing is fine.

Marjana Lipovšek is a truly phenomenal Amme. What that woman has at her disposal in terms of colour nuances and how she handles her (very warm) mezzo borders on the miraculous. In the process, she is also a gifted actress; I couldn’t take my eyes off her. (Decca 0714259)

WAGNER

TANNHÄUSER



I have never been a ‘Wagnerian’. I could never muster the patience to sit through hours of his operas. I found them bombastic. Pathetic. And even though I had to admit that there were some beautiful melodies, I felt that I really needed a pair of scissors and radically shorten them

That this feeling has totally changed, I owe to Domingo. In my collector’s mania (I had to have everything he had done), I bought Tannhäuser (DG 4276252) in 1989. And then it happened: I became addicted.

Later, I learned to appreciate the music for itself and to this day, Tannhäuser is not only a very beloved Wagner opera, but also one of my absolute favourites.

I still consider this recording, conducted very sensually by Giueseppe Sinopoli, to be one of the best ever. Also because all the roles (Cheryl Studer as Elisabeth and Agnes Baltsa as Venus, such wealth!) are excellently cast. At the time, in the eighties and early nineties, this was not necessarily a given.


DER FLIEGENDE HOLLÄNDER



This CD recording from 1998 (DG 4377782) is particularly dear to me. First of all because of Cheryl Studer, at the time probably the most beautiful Senta one could imagine. Her wonderfully lyrical soprano with its easy and sensual height seemed made for the role.

The Holländer is sung here by Bernd Weikl. Not really the youngest anymore and you can really tell, but still very suitable for the role. Peter Seiffert is a splendid Steuerman, and in the role of Erik we hear none other than Plácido Domingo, a luxury!

But best of all is the orchestra: under the truly inspired leadership of Giuseppe Sinopoli, the Orchester der Deutsche Oper Berlin performs in a really magnificent way.




La Dolores  

La Dolores

I know Tomas Bretón as one of the best zarzuela composers and his La Verbena de la Paloma regularly ends up in my CD player. From La Dolores, I knew – until not so long ago – only one aria and a single duet, as those belong to my Domingo collection.

Plácido Domingo sings ‘Jota’ from La Dolores:



This CD was a very exciting and very pleasant first encounter with the complete work and I sat up straight at the very first notes. The beautiful colours that the orchestra here displayed could only be the work of an important maestro.

TjomasBr;eton



The prelude strongly reminded me of Cavalleria Rusticana, which was only reinforced by the choral part that followed. But just when I thought I had heard it all before (besides the already mentioned ‘Cavalleria’, I also thought I recognised ‘Carmen’), it took a totally different turn.

Yes, it is unmistakably Spanish and often I was also reminded of El Gato Montés by Manuel Penella Moreno, especially in the brilliant scenes preceding the bullfight. But what most surprised me: why was La Dolores not recorded earlier? The first performance in 1895 was a huge success and the opera was even filmed.

Manuel Lanza (no relation) has a beautiful baritone voice that reminded me strongly of Carlos Álvarez.

Tito Beltrán has recorded a few solo CDs since 1993, when he won the Cardiff Competition, and it felt good to hear him in a complete opera recording.

And Plácido Domingo is, as (almost) always, superior.



The main interest, however, lies in the music itself and it is to be hoped that the Decca recording from 1999 is still for sale, because I gave up hope of ever hearing it live a long time ago




Tomas Bretón
La Dolores
Elisabete Matos, Raquel Pierotti, Plácido Domingo, Tito Beltrán, Manuel Lanza, Stefano Palatchi
Cor del Gran Teatre del Liceu, Orquestra Simfònica de Barcelona i National de Catalunya olv Antoni Ros Marbà
Decca 4660612