Charles_Workman

Krzysztof Warlikowski in De Munt: Lulu

Tekst: Peter Franken

In 2012 stond er een nieuwe productie van Lulu op het programma in De Munt, regie Krzysztof Walikowski en decors en kostuums van Małgorzata Szczęśniak, het koppel dat hier eerder veel succes had geoogst met Cherubini’s Médée. Het was een groot succes, vooral door het fenomenale optreden van Barbara Hannigan in de titelrol. Van de voorstelling is een opname op dvd uitgebracht.

Het begint zoals gebruikelijk met een introductie door de Tierbändiger alleen laat deze er een monoloog in slecht verstaanbaar Engels aan vooraf gaan waarin wordt gesproken over Lilith. Lulu vertoont veel gelijkenissen met dit mythische personage dat wordt beschouwd als de eerste vrouw van Adam, die werd verstoten wegens gebrek aan volgzaamheid en uit wraak in de gedaante van een slang Adam en zijn nieuwe vrouw Eva verleidde tot het eten van ‘de boom der kennis’.

Dietrich Henschel (Dr.Schön) en Barbara Hannigan (Lulu)

Dr. Schön heeft Lulu als meisje van twaalf letterlijk van de straat geplukt en haar tot zijn minnares gemaakt. Daarmee heeft hij haar voor een akelig lot als prostituee of nog erger behoed, maar tegelijkertijd Lulu haar jeugd ontnomen. Gevolg is dat ze zich bijna letterlijk aan hem heeft gehecht; weg van Schön is voor Lulu een situatie waarin ze niet compleet is. Haar missie is om met hem trouwen, maar zijn missie is om haar bij een geschikte man onder te brengen zodat hij van haar af kan raken. Beiden beseffen dat dit niet gaat lukken. Vandaar Lulu’s uitspraak als haar tweede echtgenoot, de portretschilder, zelfmoord heeft gepleegd: ‘Sie heiraten mich ja doch.’

Het toneelbeeld wordt bepaald door een grote ruimte met links een enorme trap waarlangs bezoekers hun opwachting maken. Rechts is een cabine met glazen wanden waarin de schilder aan het werk is. Al portretteert hij Lulu hier door haar te filmen. In de derde akte doet de ruimte dienst als vitrine voor jonge meisjes die op hun bestemming wachten in de vrouwenhandel, echo’s van Lulu’s beginjaren als kind hoertje.

Lulu’s droom om ooit een gevierd balletdanseres te worden maakt Warlikowski aanschouwelijk door Hannigan een groot deel van de tijd in balletschoenen te laten lopen waarbij ze regelmatig op de spitzen loopt te trippelen. Echt erop dansen kan ze niet maar gelukkig heeft ze Rosalba Torres Guerrero als dubbel voor een ingevoegde dansscène aan het einde van de eerste akte. Diezelfde danseres is nadien op de achtergrond actief om een indruk van de Lulu uit de eerste akte te wekken.

Wat Hannigan wel goed kan is werken met haar benen, haar hele lenige slanke lijf wordt als het ware teruggebracht tot die twee verleidingsobjecten. Het lijkt wel alsof ze gewoon automatisch op seksueel uitdagende wijze loopt, zit, hangt of staat, het gaat vanzelf en dat ze ook nog eens schaars gekleed is zet het effect extra aan. Als ze Dr. Schön het briefje aan zijn verloofde dicteert zien we hem een sms tikken met zijn hoofd in een intieme pose tussen haar dijen geklemd. Hier biedt de tekst overigens wel degelijk aanleiding toe. Zo vergelijkt Alwa later haar benen met een stuk muziek waarbij de bekroning het ‘andante van de wellust’ wordt genoemd. En daar verbergt hij lange tijd zijn gezicht in terwijl haar mimiek niets aan de verbeelding overlaat. Seks speelt een enorme rol in Lulu’s leven maar dit is de enige scène waarin dat nadrukkelijk wordt getoond.

Maar haar zeer fysieke wijze van acteren is slechts deel van het succes. Hannigan beheert haar partij tot in de puntjes en zingt, gilt, roept en schreeuwt al naar gelang de situatie daarom vraagt op een zodanige wijze dat je al gauw niet meer het idee hebt naar een theaterproductie te kijken, fenomenaal.  De overige spelers komen niet in de buurt van haar prestatieniveau.

Dietrich Henschel is een redelijke dr. Schön maar oogt veel te jong voor zijn rol. De Alwa van Charles Workman is heel behoorlijk maar het is moeilijk voorstelbaar dat die twee vader en zoon zijn.

Pavlo Hunka ziet er als Schigolch wel aardig uit als oudere man, doet het redelijk. Tom Randle is qua zang een prima Maler maar stelt acterend wat teleur. Ivan Ludlow geeft gestalte aan de Tierbändiger en de Athlet, zonder meer uitstekend. Frances Bourne treedt op in drie rollen met als voornaamste de Gymnasiast die door Schigolch en de Athlet wordt meegetroond op de wekelijkse ‘Beursmiddag’ voor een ontmoeting met Lulu, waar al velen hun seksuele initiatie hebben mogen beleven. Ze is gekleed en geschminkt als punkmeisje en wordt ook neergezet als vrouw. De seks gaat niet door en haar grootste zorg is nu dat ze van school gestuurd zal worden. Met de moord op Schön wordt dat uiteindelijk nog erger, een tuchtschool is haar lot.

Natascha Petrinsky is een opvallende Gräfin Geschwitz, de verliefde lesbienne die uiteindelijk door Lulu naar Londen wordt meegesleept. Schigolch ziet er niets in: die vrouw is niet geschikt om aan de liefde te verdienen, ze leeft in de liefde. Petrinsky brengt waardigheid en rust in het voortdurende pandemonium om haar heen, ze oogt voornaam en aandoenlijk mooi in haar berusting.

Ik herinner me mijn eerste Lulu in Keulen lang geleden met de ‘Vriendenbus’. In combinatie met de lange reisdag bleek dit een theaterervaring die me uitgeput in de bus naar huis van alle emoties liet bijkomen. Autorijden had er niet ingezeten. Een dergelijke ervaring zal Hannigans Lulu ook vele toeschouwers in de zaal hebben bezorgd, een emotionele rollercoaster die geen mens onberoerd kan laten. In 2021 werd de voorstelling hernomen, opnieuw met Hannigan, en ze stond er alweer. Wat een prachtvrouw.

Paul Daniël heeft de muzikale leiding.

Trailer van de productie:



Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012


LULU: discogr
afie

The merchant of Venice: de opera

TEKST: PETER FRANKEN

Dit werk is de enige opera van André Tchaikowsky (1935-1982). De opera kreeg pas zijn eerste opvoering tijdens de Bregenzer Festspiele van 2013. We kunnen we ons gelukkig prijzen dat er uiteindelijk toch een wereldpremière heeft plaatsgevonden waarvan een opname op dvd is uitgebracht.

De keuze voor de stof is opmerkelijk: de componist was een Poolse jood die de oorlog wist te overleven en na zijn emigratie de Britse nationaliteit aannam. Het zal zijn grote waardering voor het werk van Shakespeare zijn geweest die hier de doorslag gaf, de joodse woekeraar Shylock zal voor hem toch een wat minder aantrekkelijk personage zijn geweest.

Het libretto van John O’Brien doet nadrukkelijk recht aan de relevante delen van het originele toneelstuk maar de meer komische passages zijn grotendeels weggelaten. We kijken niet naar een blijspel met liefdesperikelen waarin toevallig ook nog een jood belachelijk wordt gemaakt, het gaat hier primair om de onbeantwoorde liefde die Antonio voelt voor zijn vriend Bassanio en om de joodse bankier Shylock die zich talloze keren door Antonio vernederd heeft gevoeld.

Die grenzeloze hopeloze liefde brengt Antonio er toe om met inzet van zijn eigen leven borg te staan voor een lening die Bassanio wil afsluiten, uitgerekend om de door hem beminde Portia het hof te maken. Shylock ziet zijn kans schoon om nu eens die gehate Antonio te vernederen door hem te laten instemmen met die onzinnige voorwaarde dat hij hem een pond van zijn vlees moet afstaan als de lening niet binnen de gestelde termijn is terugbetaald. En dan komen Antonio’s schepen niet terug, naar later blijkt gewoon niet op tijd. Shylock houdt vast aan het contract, accepteert geen vervangende betaling, ook niet na aandringen van de hertog. ‘Jullie scholden mij uit voor hond zonder enige aanleiding, nu zal ik je laten zien dat die hond tanden heeft.’

De verbittering van Shylock is tussentijds nog toegenomen doordat zijn dochter Jessica er met de christen Lorenzo vandoor is gegaan, met medeneming van het grootste deel van zijn dukaten en juwelen. Hierom werd hij uitgelachen en ruw bespot door de omstanders toen hij thuis kwam in een leeg huis, een situatie die doet denken aan Rigoletto, ook iemand die een dochter gevangen hield voor de boze buiten wereld.

In de tweede akte bevinden we ons in Belmont waar would be echtgenoten moeten kiezen uit drie kisten, van goud, zilver en lood, met in één daarvan Portia’s portret.

Tijdens de rechtszaak toont Shylock zich onverbiddelijk. Bassanio en zijn wat losbollige vriend Gratiano, die inmiddels is getrouwd met Portia’s vriendin Nerissa, putten zich uit in hyperbolen. Ze zouden graag het leven van hun vrouwen opofferen om Antonio te redden. Probleem is dat die twee inmiddels in de rechtskamer aanwezig zijn, vermomd als geleerd jurist en zijn griffier. Portia mompelt dan ook zachtjes dat een dergelijke uitlating door hun vrouwen niet in dank wordt afgenomen. Nadat Portia door een list Shylock op de knieën heeft gekregen, alleen vlees en geen bloed, en exact een pond op straffe van Shylocks dood wegens moord, eist ze van Bassanio een beloning. Ze wil de ring die hij draagt, uitgerekend de ring die hij van haar heeft gekregen. De opgeluchte Antonio brengt hem er echter toe de ring toch te geven, een kunstje dat Nerissa ook met Gratiano uithaalt.

Het drama is ten einde maar het is een blijspel dus komt er nog een lachmoment. Als de mannen zich weer melden in Belmont zijn de twee vrouwen net op tijd terug om hen te laten smeken om vergeving als blijkt dat ze ringloos zijn gearriveerd. Hieraan voorafgaande is er een lang duet van Jessica en haar geliefde Lorenzo die ook in Belmont waren opgedoken na die schaking en op Portia’s landgoed mochten passen tijdens haar afwezigheid.

Het toneelbeeld in de productie van Keith Warner wordt tijdens de eerste akte bepaald door verrijdbare dikke wanden waarvan het oppervlak oogt als een verzameling bankkluizen. Alles draait hier om geld. De ontmoeting van Antonio en Shylock vindt plaats in een zaal die zoiets als de verzekeringskamer van lloyds Register moet voorstellen, met veel werknemers achter lessenaars. Iedereen in Edwardian style kleding, ook Shylock. Het is de tijd dat joden nog redelijk goed geassimileerd en geaccepteerd leken, uiteindelijk vooral doordat ze de spil waren van de financiële wereld. Ook in Venetië kon iemand als Shylock wel degelijk zijn recht claimen, zonder hem en zijn collega’s voer er immers geen schip uit?

Met klein spel wordt de afkeer van Antonio voor Shylock belicht, tussen hen beiden bestaat regelrechte vijandschap. Het zegt vooral iets over Antonio’s crush voor Bassanio dat deze ontmoeting überhaupt plaatsvindt.

De tweede akte is vaudeville in vergelijking met het voorafgaande. Daarna zien we een rechtskamer waarin Shylock zijn koffer uitpakt. Er komt een eenvoudige weegschaal tevoorschijn en een set chirurgisch gereedschap. Over en weer worden beledigingen uitgewisseld die de kloof tussen joden en christenen reflecteren.

De countertenor Christopher Ainsly vertolkt de rol van de relatieve outsider Antonio die uiteindelijk alleen achterblijft, een formele relatie zit er voor deze homofiele man niet in. Op zich prima gedaan maar ik hou niet van zo’n stem. Zijn directe tegenspeler Shylock krijgt een fenomenale vertolking door Adrian Eröd, perfecte type cast mede dankzij de nodige kap en grime. Hij gaat helemaal op in zijn rol en weet bij de toeschouwer lange tijd een zekere empathie te bewerkstelligen. Maar net als bij Medea gaat dat verloren zodra hij daadwerkelijk een moord wil plegen om zijn gram te halen.

Charles Workman neemt de rol van Bassanio op zich, doet me iets teveel denken aan zijn graaf Elemer in Arabella maar kan ermee door. Portia en Nerissa zijn in goede handen bij respectievelijk Magdalena Anna Hofmann en Verena Gunz. En Kathryn Lewek mag zich uitleven als de rebelse dochter Jessica. De overige rollen zijn adequaat bezet.

De muziek doet denken aan Alban Berg en Benjamin Britten al heb ik met name in de tweede akte vooral associaties met Prokofjev. Wat daar gebeurt is uiteraard in zijn ongerijmdheid te vergelijken met diens The love of three oranges en muzikaal klinkt het navenant.

De Wiener Symphoniker staan onder leiding van Erik Nielsen.

André  Tchaikovsky spelt Beethovens Piano Sonata No.31, Op.110 in A flat major:

Armide. Christoph Willibald Gluck vond het zelf zijn beste werk. U ook?

Armida Agostino_Carracci,_Frontespizio_della_prima_edizione_illustrata_della_Gerusalemme_Liberata,_1590


Agostino Carracci (su disegno di Bernardo Castello), Frontespizio della prima edizione illustrata della Gerusalemme Liberata, Genova, 1590

Men kan zich afvragen waar het aan ligt dat juist Gerusalemme liberata van Torquato Tasso zo veel verschillende componisten uit zo veel eeuwen heeft geïnspireerd. En dan niet het hele epos, maar specifiek de Armida-episode. Ligt het aan het magisch-realistische verhaal vol onverholen haat, wraak, woede en passie? Met personages (mens of heks) die verscheurd worden door hun tegenstrijdige gevoelens, hun innerlijke strijd tussen liefde en plicht? Ik zou het niet durven zeggen. U?

Armida 7dd1839cd61799f99af3d9a583eaa105

Francesco Hayez, “Rinaldo en Armida”

De eerste bij het grote publiek bekend gebleven Armida werd gecomponeerd door Jean-Baptiste Lully, op het libretto van Philippe Quinault. Hetzelfde libretto heeft Gluck een kleine honderd jaar later gebruikt voor zijn vijfde ‘Franse opera’ Hijzelf beschouwde Armide als zijn allerbeste werk, maar het publiek (en de geschiedenis) dachten er iets anders over.

Zelf ben ik er ook nooit zo van gecharmeerd geweest. Maar hoe langer ik mij met de opera heb beziggehouden, hoe meer ik hem heb leren te waarderen.  De opera kent een paar schitterende aria’s en ensembles, met als een absoluut hoogtepunt het hartverscheurende ‘Enfin, il est en ma puissance’, een hysterische hartenkreet van de verliefd geworden furieuze tovenares Armide.

Armide-EMI

Ik ken maar twee complete opnamen van Glucks werk: onder Richard Hickox op EMI (6407282) en onder Marc Minkowski op Archiv (4596162). Merkwaardig eigenlijk als je bedenkt dat de opera tegenwoordig best vaker wordt uitgevoerd.

De opname van Hicox (3 cd’s) duurt ruim 26 minuten langer dan Minkowski. Ik ken de opera niet zo goed om te kunnen constateren of er bij Minkowski coupures zijn aangebracht, maar dat denk ik eerlijk gezegd niet. Zijn tempi zijn simpelweg behoorlijk aan de snelle kant – behalve de ouverture dan, daar is hij behoedzaam in.

Armide-Minkowski

Dat slepende van Hickox is op den duur behoorlijk irritant en ik ben een paar keer gewoon ingedut. De dertig jaar oude opname klinkt wel nog steeds mooi, al haalt de klank het heldere en transparante van Minkowski niet.

Ook wat de zangers betreft wint de Fransman het ruimschoots van zijn Engelse collega. Nou ben niet zo’n fan van Mireille Delunsch en ik vind haar ‘Enfin il est en ma puissance’ op Minkowski’s opname behoorlijk achterblijven bij de interpretaties van bijvoorbeeld Véronique Gens of Anna Catarina Antonacci (waarom is de voorstelling met Antonacci nooit officieel opgenomen?) Niettemin is Felicity Palmer (Hickox’ opname) ondanks haar perfecte dictie en onberispelijk tekstbegrip geen match voor haar.

Charles Workman (Renaut) weet een perfecte balans tussen de heldhaftige en de meer lyrische vinden – daar kan zelfs mijn geliefde Anthony Rolfe Johnson niet tegen op.

Laurent Naouri is een zeer macho Hidraot, maar wat de opname van Minkowski dat ‘superplus’ geeft, is het optreden van Ewa Podles in de kleine rol van La Haine (de Haat). Van haar stem en voordracht gaat het u duizelen. Vind maar eens een alt met een diepere klank, één die ook nog eens alle hoge noten paraat heeft en je met haar interpretatie sprakeloos achterlaat!

Hickox:


Minkowski:


En hieronder een curiositeit: een complete Armide uit Madrid, 1985, met Montserrat Caballé:

Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012

lulu-affich

Wanneer voor het laatst bent u kapot, maar dan ook totaal kapot van een opera teruggekomen? Mij overkomt het heel zelden, maar na Lulu van Alban Berg in de Brusselse Munt was ik totaal gevloerd. Niet zozeer door de opera zelf, maar vooral door de heftige regie van Krzysztof Warlikowski.

Alban Bergs opera zelf biedt al best heftige stof. Er wordt niet zachtzinnig met seks, dood en verderf omgegaan. Maar Warlikowski zou Warlikowski niet zijn geweest als hij niet er nog een schepje (zeg maar gerust een paar scheppen!) er bovenop had gedaan.

Hij koos ervoor om Lulu te benaderen “als een onthutsend requiem ter nagedachtenis aan een engel”. Komt de titel u bekend voor? Ja, zo heet het vioolconcerto van Alban Berg.

lulu_054

Barbara Hannigan (Lulu)

Wel een gevallen engel, want in zijn concept is Lulu ook Lilith, de eerste vrouw van Adam. Maar zij is ook Lolita en één van de kindvrouwtjes die uitgebuit worden door mannen en de maatschappij. Zij droomt ervan om danseres te worden en om haar droom te benadrukken gebruikt Warlikowski de wereld van het klassieke ballet als metafoor. Er worden dan ook jonge balletdansers ten tonele gevoerd, allemaal leerlingen van de Antwerpse balletschool.

lulu_039

Aan het einde van de eerste akte (er wordt, zoals bijna altijd tegenwoordig, de door Cerha voltooide versie gebruikt) komt er een in een ‘zwarte zwaanpakje’ gestoken danseres, die met ontbloot bovenlijf een soort kruising tussen de ‘stervende zwaan’ en de ‘flamenco’ danst.

Voor de opera goed en wel begint, nemen er in gala gestoken ‘toeschouwers’ plaats op het toneel, dat in het midden laat of wij nu in een theater of in een circus zitten. Zij (en wij dus ook) worden getrakteerd op het door Longchamp geschreven scheppingsverhaal en de legende van Lilith.

Vervolgens komt er van alles langs, en dan ook eens tegelijk. Wilde dieren, rariteitenkabinet, circusartiesten, travestieten, punks, artiesten, balletdansers. Plus zeer prominent geprojecteerde foto’s en video’s – de schilder uit Lulu is namelijk nu een fotograaf.

Dat alles maakt dat het mij duizelde en ik naar adem moest happen. Ik kon ook de meeste kleine rollen niet  van elkaar onderscheiden wat best verwarrend op mij overkwam.

lulu-barbara-hannigan

Barbara Hannigan (Lulu)

Muzikaal was de avond werkelijk niet kapot te krijgen. Barbara Hannigan is, behalve een fantastische zangeres en dirigent, ook een professionele balletdanseres en die mogelijkheid heeft Warlikowski met beide handen aangegrepen. Hij liet haar zowat de hele tijd op spitzen lopen en dansen (!) en haar in allerlei onmogelijke houdingen wringen. Haar lenigheid overschrijdt ook alle grenzen en is alleen vergelijkbaar met een circusartieste. En zij zong ook nog!

LULU

Dietrich Henschel (Dr.Schön) en Barbara Hannigan Lulu)

Lulu is niet de makkelijkste van alle rollen die er bestaan, niet alleen vanwege de zeer hoge noten (daar weet Hannigan heel goed raad mee), maar ook vanwege de heftigheid van het karakter. De meeste tijd was zij gekleed in een dun en doorzichtig lingeriesetje – zij kan het hebben – en ze maakte alle hevige seksscènes zeer aannemelijk, zonder dat ze ergens ordinair werd. Chapeau! Terecht werd zij beloond met een laaiende ovatie.

lulu_086

Natascha Petrinski (Geschwitz) en Barbara Hannigan (Lulu)

Maar ook de andere zangers waren allemaal voortreffelijk. Natascha Petrinsky (Geschwitz) is als zangeres behoorlijk gegroeid – haar mezzo is stevig en heeft een prachtige warme laagte. Haar smeekbedes aan Lulu waren zeer ontroerend en oprecht. En ook zij is een mooie verschijning met grote acteerkwaliteiten

LULU

Dietrich Henschel (Dr.Schön) en Barbara Hannigan (Lulu)

Dat moet ook gezegd worden van Dietrich Henschel (Dr. Schön en Jack the Ripper). Je hoorde ook dat hij behalve opera- ook een begenadigd liedzanger is, wat hem in zijn rol zonder meer heeft geholpen. Hij had genoeg kleuren tot zijn beschikking om Dr.Schön van alle nuances en twijfels te voorzien en zijn Jack the Ripper was zeer huiveringwekkend.

lulu_036

De Amerikaanse tenor Charles Workman zong zijn eerste Alva en dat deed hij voortreffelijk. Zijn stem is groot en resonerend en hij wist alle valkuilen van de rol te omzeilen en bleef lyrisch, zelfs in de meest heftige passages.

LULU

Barbara Hannigan (Lulu) en Tom Randle (Maler)

Tom Randle zette een zeer overtuigende Maler en Neger neer. Hij beschikt over een enorm charisma, waardoor hij beide rollen van een zeer persoonlijke klank, voordracht en uitstraling kon voorzien.

Het Symfonieorkest van de Munt speelde onder leiding van maestro Paul Daniel een beetje hard, maar geen van de zangers werd overstemd.

Na afloop was er een groot applaus voor de zangers en de musici, maar het productieteam moest het met een gedeeld bravo/boe geroep doen.

De voorstelling is door BelAir opgenomen en op dvd uitgebracht:

Fotomateriaal: (c) B. Uhlig / De Munt La Monnaie)

Bezocht op 14 oktober 2012 in De Munt in Brussel

Voor de productie van Lulu in Amsterdam zie:
LULU van Kentridge

Discografie:
LULU: discografie

Gesprek met Barbara Hannigan:
Barbara Hannigan : “In principe zing ik alles alsof het Mozart is”

Jenůfa door Alvis Hermanis in Brussel: alleen al vanwege Jeanne-Michèle Charbonnet (Kostelnička) een must

JENUFA

Sally Matthews als Jenufa

Men zegt Janáček, men denkt Moravië. Geen componist die de folklore van zijn vaderland zo prominent in zijn werken heeft uitgebuit zoals hij. Hij was niet alleen een verwoede verzamelaar van Moravische volksliederen, maar ook de gesproken taal heeft hem buitengewoon geïnspireerd. Daarmee creëerde hij zijn beroemde “spraakmelodieën” – een klank was voor hem synoniem niet met een noot, maar met expressie.

Dat is een wetenswaardigheid waarzonder je niet aan Janáček moet beginnen, en al helemaal niet aan Jenůfa. In zijn derde opera, gecomponeerd tussen 1894 en 1903, hoort je als het ware de Moravische bossen wuiven en de vogels tjirpen. En dat alles in een bepaald ritme, met sterk geprononceerde accenten.

De Letse regisseur Alvis Hermanis heeft het goed begrepen en het zich, wellicht iets te, ter harte genomen. De Moravische folklore vormt dan ook zijn inspiratiebron en het levert prachtige, kleurrijke beelden op. Helaas worden ze verstoord door de gebaren waarmee de personages zich bedienen: Hermanis ging uit van een soort “Moravische kabuki”.

JENUFA

Persoonlijk vond ik het storend, zeker in het begin. De gebaren (maar ook de danspassen van het “corps de ballet” en de manier waarop men liep) hadden voor mij iets dwingends, waardoor de nadruk meer op de “spelers” zelf werd gelegd dan op de intrige. En het kwam het ritme van de taal ook niet ten goede.

JENUFA

Toch, achteraf gezien snapte ik het concept wel. De eerste en de derde akte vormden een omlijsting voor het eigenlijke drama dat zich in de tweede akte afspeelde. Geen danspasjes en geen kleurrijke kostuums meer, maar een troosteloze woning in een communistische heilstaat begin jaren zestig. Geen kunstmatige Japanse gebaren, maar een overtrokken hyperrealistische ‘socrealism’ gezien door de ogen van Milos Forman, nog uit zijn Tsjechische periode. Zeer deprimerend en zeer, zeer ontroerend.

Sally Matthews zou niet mijn eerste keuze zijn voor de rol van Jenůfa. Althans, niet op papier, want in het theater heeft de keuze goed gewerkt. Nog steeds had ik moeite met haar beslist niet Slavisch klinkende, ‘blanke’ sopraan en nog steeds klonk ze te Mozartiaans voor mij, maar de intensiteit waarmee ze de rol vertolkte, ontroerde mij zeer. Het was haar roldebuut en ik weet zeker dat ze nog verder zal groeien in haar rol. Ze zou zich alleen wat meer op de uitspraak moeten concentreren, want ik kon geen woord verstaan van wat zij zong.

jenufa

Jeanne-Michèle Charbonnet (ook een roldebuut) was een fenomenale Kostelnička. De rol wordt (te) vaak gezongen door de dramatische zangeressen op leeftijd die zich noodgedwongen van veel geschreeuw bedienen, maar Charbonnet heeft ons laten zien hoe het moet. Haar stem vloeide samen met de ritmische lijnen van Janáček, maar zij schuwde het drama niet.In haar aria “Co chvíla” heeft zij mij tot tranen toe geroerd.

JENUFA

Jean_Mihelle Charbonnet (Kostelnicka) en Andrea Dankova (tweede bezetting Jenufa)

Fantastisch ook was Laca van Charles Workman. Iedere keer als ik hem hoor blijkt hij alweer beter te zijn dan ik dacht. Zo ook nu. Zijn Laca klonk precies zoals het moest: terughoudend, maar dan met een niet gespeelde innerlijke woede. Met zijn wendbare, soepele tenor met heroïsche ondertonen maakte hij alle gevoelens voelbaar. Zijn gevoel voor taal was evident: ieder woord was makkelijk te verstaan. Een grote  prestatie.

JENUFA

Števa werd gezongen door een jonge Schotse tenor, Nicky Spence. Ik vond zijn mooie, lyrische stem meer dan aantrekkelijk, maar voor mij was hij te weinig Števa. Hij was te lief, te aardig, te “teddybeer-achtig” om hem als een losbol en vrouwenversierder te kunnen geloven. Maar wat een stem!

jenufa

Nicky Spence (Steva), Sally Matthews (Jenufa), Carole Wilson (Starenka)

Carole Wilson (Stařenka Buryjovka) liet, zoals altijd trouwens, zien wat men zoal van een kleine rol kan maken!

Het orkest speelde zonder meer fantastisch (ach, die vioolsolo bij het gebed van Jenůfa!), jammer genoeg hoorde ik er te veel Stravinski in. Een beetje meer lyriek zou de uitvoering geen kwaad doen.

copyright foto’s © Forster / De Munt La Monnaie

Een fragment:

Leoš Janáček
Jenůfa
Sally Matthews, Charles Workman, Nicky Spence, Jeanne-Michéle Charbonnet, Carole Wilson e.a.
Symfonieorkest en koor van de Munt onder leiding van Ludovic Morlot
Regie: Alvis Hermanis

Bezocht 21 januari 2014 in de Munt in Brussel