Layale Chaker in de Metaalkathedraal. Weerzien met de Libanese violiste in de groene stadsgrens van Utrecht.

Tekst: Neil van der Linden


In Utrecht verrijst de ene nieuwe cultuurplek na de andere. Nog steeds is Tivoli/Vredenburg een gebouw waarin je je thuis voelt. Maar er worden ook allerlei gebouwen die in het verleden een andere functie hadden omgesmeed tot kunstlocatie. Waardoor niet een groot deel van de kunstbegroting voornamelijk in stenen wordt belegd. Het Huis Utrecht zit in een wijkgebouw in een oude woonwijk; in de voormalige gevangenis aan het Wolvenplein gebeurt van alles en oude fabriekscomplexen zoals die van Werkspoor en Demka worden omgebouwd, zoals de ruimte waar het innovatieve Springfestival onder meer de voorstelling ‘The Narcosexuals’ toont. Ook de vernieuwende makers en gezelschappen als Dries Verhoeven, (Boukje) Schweigman& en Holland Baroque, de aloude Bachvereniging en het altijd aan de weg timmerende Festival Oude Muziek zijn ook in Utrecht gevestigd.

De Metaalkathedraal is gevestigd in een voormalige neo-gothische kerk in wat vroeger, toen ik opgroeide in Utrecht, als aan de andere kant van de horizon werd beschouwd, achter het Amsterdam Rijnkanaal. Maar het blijkt nu verrassend dichtbij te liggen, vanaf het station in twintig minuten fietsen, langs de fraaie Leidsekade en aan de overkant van het kanaal een klein stukje landelijk De Meern in. De Vinexwijk die daar ook is verrezen gaat inmiddels mooi schuil achter lommerrijk groen.

De Metaalkathedraal is een verbouwde vroeg-neogotische kerk. Het was oorspronkelijk de rooms-katholieke Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopnemingkerk van de buurtschap Oudenrijn bij De Meern. De verbouwing is niet per se een teken van recente ontkerstening. Vanaf 1941 was in het gebouw de zijspanfabriek Hollandia gevestigd en vanaf 1977 werd het een metaalfabriek. Sinds 2011 is het in gebruik als ecologisch cultureel centrum. Dat betekent allerlei evenementen die in het teken van holistische levensvisies staan, waaronder een veganistisch restaurant.

Hoe dan ook ziet het gebouw er prachtig uit. Het is horizontaal in tweeën gesneden door een tussenvloer. Beneden zou de ruimte al uitermate geschikt zijn voor concerten waarbij een flinke nagalm welkom zou zijn, zoals koormuziek. Het Festival Oude Muziek moet hier ook eens komen kijken. Boven is de ruimte nog wat intiemer, met een ‘gehalveerde kerkakoestiek’ en met zicht op het op de gotiek geïnspireerde gewelf.

Op de zonnige zondagmiddag van 23 mei trad hier de Libanees-Palestijnse violiste Layale Chaker op met het ensemble Sarafand. Chaker studeerde viool aan het conservatorium van het Beiroet, Westers en Orientaals. Later ging ze verder aan het Conservatoire Regional in Paris en de Royal Academy of Music in Londen en door het BBC Music Magazine werd zij beschouwd als rising star.

Dus ja, haar muzikale wereld ligt op het snijvlak van klassieke hedendaagse muziek, jazz, Arabische muziek en improvisatie. Ze werkte al samen met Daniel Barenboim en het West-Eastern Divan Orchestra, Ziad Rahbani (zoon van de Libanese Feiruz), het Alderburgh Festival, Junger Kunstler Festival Bayreuth, het Beethoven Festival Bonn en met onze eigen Holland Baroque, waar ze tijdens het Newlands Festival 2018 in het BIMhuis duelleerde met concertmeester Judith Steenbrink in het Orientaals en barok-occidentaals omspelen van noten in een programma dat zowel de barok en het oude muziekrepertoire van beide zijden van de Middellandse zee verenigde.

Het programma in Utrecht was gebaseerd op haar recentste CD ‘Inner Rhyme’ uit 2019 waarin ze de kant van modal jazz opging, gecombineerd met klassieke viooltechniek en tegelijkertijd meanderende melisma’s uit de Arabische muziek, die net als modal jazz immers ook vaak is opgebouwd uit voortmodulerende melodische lijnen.

Haar geregeld in fraaie flageolettonen spelende viool werd mooi gelaagd ingebed door de cello van Jake Charkey en de contrabas van Sam Minaie, leden van het ensemble Sarafand waarmee ze optrad. Voor enkele harmonische elementen werd gezorgd door Phillip Golub op de piano, duidelijk thuis in zowel de impressionistische pianomuziek en bijvoorbeeld Skrjabin, maar ook Cecil Taylor is hoorbaar een inspiratiebron. De slagwerker Qasim Naqvi ondersteunde dit alles met prachtige klanken uit zijn drumstel en aanvullend slagwerk. Naqvi heeft zijn sporen elders ook ruim verdiend als componist, onder meer bij het Chicago Symphony Orchestra.

Layele Chaker speelt eigen composities en laat zich leiden door Arabische poëzie en de daarin besloten ritmiek en melodie. Voor het merendeels zijn dat eigentijdse gedichten, bijvoorbeeld van een Irakese dichter die zich vanwege zijn linkse gedachtengoed genoodzaakt zag zijn eigen land te verlaten en neerstreek in Beirut, toen dat een pleisterplaats was voor vrijdenkers uit de wijde omtrek. Maar een ander stuk was gebaseerd op een eigen ervaring, toen ze eens vanuit het zuidelijkste deel van Libanon uitkeek over een nachtelijk landschap en door het donker de grens niet hoefde te zien.

Over de Metaalkathedraal::
https://www.metaalkathedraal.nl

Website Layale Chaker
ttps://layalechaker.com/

Inner Rhyme, haar recentste CD, uit 2019, op Spotify

Delen van Inner Rhyme op live in een studio

Over Qasim Naqvi:
https://www.newamrecords.com/artists/qasim-naqvi

Eigen iPad-opnamen tijdens het concert in Utrecht, op Facebook.

Foto’s © Neil van der Linden
Portretfoto © Anna Rakhvalova
Foto met Barenboim © Manuel Veca

Fagot en harp: een gouden combi of…?

Laat ik maar meteen een ding zeggen: aan de musici ligt het niet. Zowel de Israëlische harpiste Rachel Talitman als de Grieks-Cypriotische fagottist Mavroudes Troullos zijn meer dan voortreffelijk. Echte vakmensen, virtuoos en inspirerend. Maar de muziek….

Laat ik het anders zeggen: ooit hadden we zoiets als huismuziek. Iets wat inmiddels vervangen is door house music (nomen omen?). Of zoiets. Niemand die nog luistert, het gaat om de alles verhullende herrie. Maar, als ik goed nadenk, is er eigenlijk iets veranderd, behalve de decibellen? Hebben de mensen van toen daadwerkelijk geluisterd? Ik weet het niet, ik was toen nog niet geboren.

Van de overleveringen en verhalen weet ik dat er ene Chopin was geweest die zijn pianostukjes ten gehore bracht. Er waren ook zangers die een mopje van Bellini zongen. Ik neem aan dat ook harp toen uitgebreid in the picture was. Maar van fagot weet ik niets. Mooi instrument, dat wel, maar wanneer hoor je die in de hoofdrol?

Een paar weken geleden werd er een cd ten doop gehouden met zes sonates voor harp en fagot van ene Luigi Concone. Niet alleen is de combinatie bijzonder, de componist zelf is het ook. Wat weten we van hem? Weinig, bitter weinig.

Hij werd ergens in de eerste helft van de negentiende eeuw in Turijn werd geboren, maar het gros van zijn leven woonde hij in Parijs. Daar werd ook het grootste deel van zijn composities bij de uitgever Richault gepubliceerd. Tijdje later deed ook de beroemde Italiaanse uitgevershuis Ricordi er ook aan mee. Rond 1900 werden zijn 30 ‘Progressieve Studies’ op. 26 in Parijs door Costallat uitgegeven.

Hebben we iets gemist? Dat denk ik niet. Ik weet het, ik weet het, het hoeft niet altijd kaviaar te zijn, maar soms denk ik: laat maar. Maar van de andere kant: ook de middelmaat hebben we nodig, alleen dan kunnen we de grootsheid waarderen. Bovendien, als het zo sprankelend wordt uitgevoerd dan moeten we de musici dankbaar zijn dat ze iets voor ons hebben gevonden waar niemand nog iets van wist. En dat is heel erg veel waard.

Luigi Concone: Zes Preludes gevolgd door Zes Progressieve Sonates op. 2
Rachel Talitman (harp), Mavroudes Troullos (fagot)
Harp & Co CD5050-47

Renata Scotto: a brief overview of her many roles

Renata Scotto, ‘la mia Divina Assoluta’, was born on 24 February 1934 in Savona. She made her opera debut at the age of eighteen as Violetta (La Traviata). Her ‘official’ debut was the next day in Milan. Shortly afterwards, she sang Madama Butterfly in Savona.

Because there was no chance to hear her in the Netherlands, I travelled with a few friends, they were also great fans, to Paris, where she gave a recital. It was sold out and I really only remember the huge queue in front of her dressing room: people wanted her autograph, they came with flowers, chocolates, gifts…. I had never seen anything like that in the Netherlands.

But the day finally came and she sang in Amsterdam! On 19 October 1996 she performed in the Netherlands for the first time since 1963. During the Amsterdam Saturday Matinee she sang before the interval Chausson’s  Poème de l’amour et la mer and after the interval Poulenc’s La voix humaine. She made a real performance out of it: there was a table with a telephone on it, and with the telephone cord she strangled herself at the end. Those who were there will never forget it.

This recording comes from Barcelona 1996:



During her long career, Scotto performed in operas written by 18 composers and her repertoire included some forty-five roles. And then there are the studio recordings. I cannot possibly discuss everything, so I will restrict myself to a few recordings.
The order is random.



LA WALLY


In 1953 she auditioned at La Scala for the role of Walter in Catalani’s La Wally with Renata Tebaldi and Mario del Monaco, amongst others. Giulini was to conduct. It is told that afterwards Victor de Sabata, one of the jury members, said: “Forget about the rest.”

La Wally premiered on December 7, 1953, and Scotto happily accepted fifteen curtain calls. Tebaldi and del Monaco got seven each.



LA SONNAMBULA



In Edinburgh, Milan’s La Scala staged Luchino Visconti’s production of La sonnambula, with Maria Callas as Amina. The production had been so successful that La Scala had decided to add another performance. But Callas was tired, and besides, she wanted to go to the party that Elsa Maxwell was giving for her in Venice. So she told the Scala people that she would definitely not be singing this. Nevertheless, La Scala announced the extra performance with Callas. And Callas refused. With only two days’ notice, Scotto took over the role of Amina and replaced Callas on 3 September 1957. The performance was a great success, and the 23-year-old Scotto became an international opera star overnight.

This recording with Alfredo Kraus is from 1961:




RIGOLETTO



My all-time favourite is a Ricordi recording from 1960 (now Sony 74321 68779 2), with Ettore Bastianini in the lead. Renata Scotto sings a girlishly naive Gilda, who is transformed into a mature woman through her love for the wrong man. She understands better than anyone that the whole business of revenge can lead nowhere and she sacrifices herself to stop all the bloodshed and hatred.

Bastianini and Scotto in the finale:




LA TRAVIATA




Renata Scotto has (or should I say had?) something that few other singers possessed: a perfect technique that enabled her to sprinkle her coloraturas like it was nothing at all. Her high notes sounded a bit steely but they were undeniably flawless. She possessed the gift of acting with her voice (and not only with her voice!), and because of her perfect articulation you could not only literally follow what she was singing, but also really understand it.

Her perhaps most beautiful (there are several recordings) Violetta she recorded in 1963 (DG 4350562), under the very exciting direction of Antonino Votto. Alfredo is sung by the sweet-voiced Gianni Raimondi, and Ettore Bastianini is a warm, indeed fatherly, Giorgio Germont.



And don’t think that in the old days, when everything was done by the book, the performances were static and boring! In 1973, La Scala was on tour in Japan, and there, in Tokyo, a legendary performance of La Traviata was recorded (VAI 4434).

The leading roles were played by the then still ‘curvy’ Scotto and 27-year-old (!) José Carreras. DVD does not mention the name of the director, perhaps there was none, and the singers (and the conductor) did it all themselves? Anyway, the result is really beautiful, moving and to the point. I am not going to say any more about it, because this recording is an absolute must for every opera lover.

Finale of the opera:




L’ELISIR D’AMORE


To the younger generation I would especially recommend the DVD with Renata Scotto, Carlo Bergonzi and Giuseppe Taddei (Hardy Classic Video HCD 4014). It is not only the beautiful voices of the past that impress (Scotto, Bergonzi, Taddei – who can still sing like them?), the eye is also given a lot to enjoy.

Do not think that they just enter the stage, sing an aria facing the audience and then take a bow. It is theatre pur sang and a better acting singer than Scotto has yet to be born.

Renata Scotto sings ‘Prendi, per me sei libero’:



TURANDOT



I can be very brief about this: there is no better Liu. Renata Scotto is a very fragile and moving Liu, which is in stark contrast to Corelli’s macho and seductive Calaf and Birgit Nilsson’s chilling Turandot.



MADAMA BUTTERFLY



For me an absolute ‘numero uno’ is the 1966 recording by EMI (now Warner 0190295735913) under Sir John Barbirolli. One might imagine a more lyrical or alternatively a more dramatic Cio Cio San; one with less metal in her voice or maybe one with a more childlike voice. But no other singer was able to grasp the complex nature of the girl so well and to characterise her change from a naive child into an adult woman, broken by immense grief, so impressively





LUCIA DI LAMMERMOOR



Renata Scotto never recorded the role in the studio. However, there are several pirate recordings of her in circulation, with Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi and Gianni Raimondi as Edgardo.

Of these four, the recording with Raimondi is dearest to me, not least because of the very energetic and dramatically balanced direction by Claudio Abbado. It was recorded at La Scala in December 1967 and it once appeared on Nuova Era (013.6320/21). Unfortunately, that recording is very difficult to obtain, but those who search….

Scotto’s interpretation of the tormented heroine is available on DVD (VAI 4418). The production was recorded in Tokyo in 1967. It circulated for years on pirate video, but since the sound and picture quality was particularly poor, the commercial release has made many opera lovers very happy. The sound is a little sharp, making Scotto’s high notes sound even more metallic than usual, but who cares?

Her interpretation is both vocally and scenically of an unprecedented high level. With a childishly surprised expression (my brother does this to me?) on her face, she agrees, albeit not without grumbling, to the forced marriage with Arturo (an Angelo Marchiandi who is hideous in every way).

Below, Scotto sings ‘Il dolce suono’. Try to follow her example!




LA BOHÈME



History was made with La Bohème from the Met in 1977 (DG 0734025): it was the very first direct transmission from the New York opera house on TV. The production was in the hands of Pier Luigi Pizzi, who at that time was not yet obsessed with excessive ballets and the colour red.

Although I was never a big fan of Pavarotti, I cannot deny that he produces a fresh sound here and that his high notes stand like a house. Acting was never his cup of tea, but here he does his best.

It becomes really exciting when Mimì enters: in 1977, Renata Scotto was at her unprecedented peak. She spins the most beautiful pianissimi and her legato and mezza voce are so beautiful they make you want to cry. The rest of the cast is no more than adequate, but the young James Levine conducts as if his life depended on it!

Scotto sings ‘Si mi chiamano Mimì’:



Musetta was not really a role with which we associate Scotto. Neither did she herself, but she accepted the challenge with both hands. In the Zefirelli Met production of 1982, she sang a Musetta to die for. Alongside the very moving José Carreras and Teresa Stratas, she was the undisputed star of this recording (DG 073 4539 9).

Scotto as Musetta:



LUISA MILLER



In 1979, Renata Scotto sang her first Luisa at the Metropolitan Opera and she did so with her usual devotion. But before she could start her first big aria, a ‘joker’ caused a scandal by shouting ‘brava Maria Callas’ at the top of his lungs.

Sherrill Milnes, here in the guise of Luisa’s father, took the emotional Scotto in his arms and so saved her concentration. And the performance. And the day.

All this was broadcast live on TV and thus it ended up on the pirate videos in circulation. I had been cherishing mine for years, and now the performance has been released on DVD by Deutsche Grammophon, with the necessary cuts, including that famous incident. A pity, but after all it is not about the incidents but about the opera and the performance. And there is absolutely nothing wrong with that.



In the video below, the main actors (Scotto, Domingo, Milnes and Levine) discuss Verdi’s opera and the 1979 production:




ANDREA CHENIÉR



My favourite CD recording was recorded by RCA (GD 82046) in 1976. The cast is delightful: Renata Scotto sings Maddalena, Plácido Domingo Cheniér, Sherrill Milnes is Gérard, and in the minor roles we hear Jean Kraft, Maria Ewing, Michel Sénéchal and Gwendolyn Killebrew, among others. James Levine, who conducts the National Philharmonic Orchestra, understands exactly what the opera is about. It is so beautiful that it will make you cry.

Scotto sings ‘La Mamma morta’:




MANON LESCAUUT



Here I can be very brief: buy the Menotti production with Renata Scotto and Plácido Domingo from the Metropolitan Opera (1980) and you are set for life. There is no other production that even comes close to it and I don’t expect that to happen any time soon. Scotto sings and acts Manon as no other has done before and together with Domingo she provides us with an evening of old-fashioned weeping. Menotti’s very realistic, true to life and oh so exciting production simply could not be any better. (DG 0734241)



IL TRITTICO



In November 1981, Scotto sang all three heroines at the Metropolitan Opera in New York, with Levine conducting. Once a pirate released it in its entirety and it was briefly on YouTune. Too briefly, unfortunately. It is possible, however, to find fragments of all three.

Il Tabarro



Suor Angelica:



Gianni Schicchi:


On CD, the recording under Maazel from 1977 is my first choice. Certainly because of Scotto’s Angelica, nobody comes close to that. Add to that Marylin Horne as her evil aunt and the young Cotrubas as the quick-witted sister Genovieffa. In Il Tabarro, too, it is Scotto who demands all the attention as Giorgetta, helped along by a very macho Domingo and Ingvar Wixell in one of his best roles.

https://open.spotify.com/album/4ZNfRJekmwwYCYf1kN7Yim?si=KMGmDc0xRf2pTxTWrbAp4A


LA GIOCONDA



But don’t forget La Gioconda from San Francisco 1979! For her interpretation of the role, Scotto received an Emmy award. It also meant a violent quarrel with Luciano Pavarotti, whom she did not even mention by name in her autobiography “More than a diva”. He became “A certain tenor”.


FRANCESCA DA RIMINI



And no one should miss Francesca da Rimini by Zandonai from the MET:








Pelléas et Mélisande in Zürich

Tekst: Peter Franken

Dit werk uit 1902 is de enige opera die Debussy (1862-1918) wist te voltooien. In 2016 bracht Opernhaus Zürich een nieuwe productie van ‘Pelléas’ die in 2019 op dvd is verschenen.

De keuze van Debussy voor het verhaal van Maurice Maeterlinck werd sterk bepaald door de afwezigheid van dramatiek, context en het naspelen van het ‘echte’ leven. Veel te gekunsteld allemaal, de toeschouwer zou door de summiere handeling en de veelal onderkoelde uitspraken van de protagonisten veel dieper kunnen doordringen in hun emoties.

Uit de dialogen maken we op dat het een sombere boel is op het kasteel waar Golaud zijn in het bos gevonden Mélisande naartoe heeft gebracht. Hoge bomen laten alleen in de zomer wat direct zonlicht toe, het leven wordt beheerst door het ziekbed van Pelléas’ vader en in de omgeving heerst hongersnood. Ingmar Bergman had er een mooie film van kunnen maken, wellicht nog beklemmender dan de opera, immers zonder zang. Mélisande voelt zich opgesloten in haar omgeving en in haar huwelijk met de oudere Golaud. ‘Je ne suis pas heureuse ici’ zingt ze in de tweede akte. Veel meer komen we over haar gevoelens niet aan de weet.

Pelléas probeert Mélisandes gezelschap aanvankelijk te mijden maar gaandeweg trekken ze steeds meer met elkaar op. Van een affaire is geen sprake maar de wederzijdse liefde groeit, zonder dat een van beiden dat wil toegeven. Pelléas besluit te vertrekken als hij er niet meer tegen kan. Een laatste ontmoeting met zijn schoonzus wordt hem fataal, zijn halfbroer steekt hem dood. Mélisande baart een dochter maar overlijdt kort daarna, vermoedelijk aan kraamvrouwenkoorts.

Dmitri Tcherniakov heeft in zijn productie voor Zürich uit 2016 de aan Maeterlinck ontleende middeleeuwse locaties gelaten voor wat ze zijn. Hij concentreert zich op het schimmige personage Mélisande en de impact die haar aanwezigheid heeft op de mensen om haar heen. Ze is emotioneel zeer sterk beschadigd en dat biedt de mogelijkheid er een psychiatrisch tintje aan te geven. In een prachtige modern vormgegeven hoge ruimte die zowel een woon- eetvertrek als een behandelkamer voorstelt ondergaat Mélisande haar therapie.

Toepasselijk staan er verschillende wit leren chaises longues als meubilair klaar zodat ook meerdere personen tegelijkertijd in dat proces betrokken kunnen worden. En dat gebeurt ook.

Golaud is psychiater en Mélisande zijn patiënt. Zo nu en dan activeert hij een in de wand gebouwd videoscherm en zien we opnames van eerdere sessies. Mélisande ondergaat daarin zo te zien aanvankelijk dwangverpleging. Die terugblikken moeten hem vermoedelijk sterken in de gedachte dat hij met Mélisande veel vooruitgang heeft geboekt ook al functioneert ze nog steeds in zeer beperkte mate, zowel verbaal als emotioneel.

De rest van de familie participeert in de sessies door met Mélisande alles na te spelen waarover in de opera wordt gerept. De locaties worden aan de verbeelding overgelaten, de gesprekken en in toenemende mate handtastelijkheden bepalen de voortgang.

Hoewel de indruk wordt gewekt dat alle betrokkenen een vergelijkbare scholing hebben gehad als Golaud en dus als zelfstandig hulpverlener kunnen optreden, vervaagt dit aspect feitelijk zodra Golaud er niet direct bij betrokken is. Dan zien we een disfunctionerende familie waarin de onduidelijk verwantschappen – Genevieve was de vrouw van Arkels oudste zoon en is na zijn dood met de jongste getrouwd – nog eens extra vertroebeld zijn door die inwonende patiënt die Golaud zozeer onder de huid is gekropen dat hij haar minnaar is geworden.

Jacques Imbrailo geeft fraai gestalte aan de rusteloze Pelléas. Zijn personage is tragisch, hij wordt geleefd. Zijn grootvader Arkel, mooie rol van Brindley Sherrat, verbiedt hem om een stervende vriend te bezoeken omdat hij zijn eigen langdurig zieke vader niet alleen mag laten. En hij wil de wijde wereld in om niet in de verleiding te komen zijn broer te bedriegen met die mooie onwereldse Mélisande die hem vanaf haar binnenkomst al fascineert. Ondanks zijn goede bedoelingen wordt hij gedood maar dat schijnt eigenlijk niemand van zijn familieleden echt te deren. Que sera, sera.

Kyle Ketelsen is een goede keuze als Golaud, groter en dominanter dan zijn jongere halfbroer en zeer geloofwaardig in zijn toenemende frustratie als duidelijk wordt dat Mélisande liever bij Pelléas is dan bij hem. Hij heeft haar dan wel een beetje op de rails gekregen maar door haar minnaar te worden is hij tegelijkertijd een herinnering aan het grote onheil dat ze was ontvlucht, zoiets in elk geval. Vocaal uitstekend verzorgd en binnen de bewegingsruimte die de rol biedt een geloofwaardige middelbare man die transformeert van een oprecht verliefde minnaar in een achterdochtige jaloerse potentaat die meer waarde lijkt te hechten aan de zekerheid dat zijn jonge vrouw hem niet heeft bedrogen, dan aan haar overleven. Als ze sterft moet hij tenminste een zuivere herinnering aan haar hebben.

De solist van de Tölzer Sängerknaben Damien Göritz is zeer goed opgewassen tegen de eisen die hem worden gesteld. Zijn partij is relatief eenvoudig maar hij moet die zingen terwijl zijn vader hem in toenemende mate ruw behandelt. Staat sterk in zijn schoenen die jongen.ne Naef is verantwoordelijk voor de moederlijke inbreng maar die beperkt zich hoofdzakelijk tot zingend toekijken.

Corinne Winters is een prachtige wereldvreemde Mélisande, oogt door haar zwarte sportkleding kleding een beetje jongensachtig en wil het liefste alleen maar met haar ‘broertje’ Pelléas spelen. Een soort terug naar vroeger, onschuldiger tijden. Van emotionele ontwikkeling is bij haar personage niet veel te merken, ze is een gevangen vogel zonder verleden en naar blijkt ook zonder toekomst. Tot het laatst probeert Golaud ‘de waarheid’ over haar omgang met Pelléas uit haar te kloppen, zonder resultaat. Grootvader Arkel ziet als enige een lichtpuntje: het nieuwe meisje zal Mélisandes plaats gaan innemen in de familie.

Uitstekend gezongen door Winters en overtuigend geacteerd. We zouden nog meer van haar horen in de jaren erna, denk aan Rachel, Halka, Jenufa, Katia, Giorgetta en Suor Angelica.

Maestro Alain Altinoglu heeft de muzikale leiding, groot compliment.

Trailer van de productie:


Voorstelling foto’s © Toni Suter    

Memories of Philippe Boesmans

REIGEN


Peter Franken:

In 1999 I saw Boesmans’ opera Reigen in the production of the Reisopera. The opera is based on a work by Arthur Schnitzler from 1897 which was not released until 1920. It is a controversial play with provocative sexual themes. Schnitzler explores the sexual morality and class ideology of his time through successive encounters between characters.

The action is set in 1890s Vienna. The dramatic structure is determined by ten interlocking scenes between love couples. Each character appears in two successive scenes, with the whore from the first scene returning in the last.

Luc Bondy adapted the play into a libretto for the opera of the same name, which premiered at La Monnaie in Brussels in 1993. The play, and also the opera, offers a disconcerting picture of the pursuit of sexual pleasure and the hangover that must surely follow. The cold, cold lust and the hunt for empty sex are mercilessly dissected.

In the Reisopera production, the act is set on a turntable with only sketchy locations: a lamppost representing a street scene and a scene in a park between a whore and a soldier, and between that soldier and a chambermaid; then a door turns as if to separate the sultry thoughts exchanged between the chambermaid and the young gentleman of the house.

The Count, a well-characterised presentation by baritone Roger Smeets, meets the whore (Janny Zomer) who was already seen in the beginning and who now is the last character in the round dance, or Reigen. In between we met Ellen van Haaren as the singer, Annelies Lamm as the chambermaid and Kor Jan Dusseljee as the soldier.



Ellen van Haaren, the ‘singer’ in the production of the Netherlands Opera:

Ellen van Haarden als Amelia in Ballo in Maschera


I was preparing for a rehearsal when Louwrens Langevoort approached me with a book/piano excerpt of the new modern opera Reigen by Philippe Boesmans, which they wanted to perform with the Reisopera. “Here, go and have a look, this is a great part for you! “

I spent the next few days thinking that this was nót for me. And, however honoured I felt, I gave it back. I really didn’t think it was for me! Some time passed; I was rehearsing Die Lustige Witwe at the time and there was Louwrens again, with the book!

” Listen”, he said, “I can’t find anyone who could do it better! You can do it, this part is perfect for you”. And I thought, o.k., this I cannot and will not refuse. It was very short notice, I think five or six weeks before the premiere. All right, I said, I’ll do it, but with whom can I rehearse it? “With Aldert Vermeulen. And the composer, Boesmans, is also coming to watch, he wants to be present at the rehearsals.



OMG ..it was so scary!!! The next day came with learning, still more learning, memorizing, and singing it through.  And the thing I had been so afraid of, not being able to meet everyone’s expectations, shrank away bit by bit. It became more and more familiar to me, it became a part of myself and maestro Patrick Davin soon joined in. And we also had a connection straight away!

And suddenly there was Philippe Boesmans, the genius! The creator of this special opera. So calm and modest and friendly and encouraging. Through him I knew and felt…I can do this. He gave me the confidence! And from that day on, it was as if the sun broke through. The adventure I had embarked on became very enjoyable, it was really great fun! We laughed a lot at the rehearsals, about little things that Andrea ( xxxx the director BJ) and I had thought up… He was so happy and satisfied. That sweet modest man with his subtle humour!

Elen van Haaren met Janny Zomer in Reigen



And now this fine man and fantastic composer is no more. Thank you very, very much for the wonderful, special, beautifully catchy music! And thank you for the wonderful and fantastic memories of Reigen! R.I.P.



JULIE

Lisa Mostin, Kristin in Julie in the production of the Opéra National de Lorraine:

Dean Murphy, Irene Roberts et Lisa Mostin, le trio de chanteurs qui interprète « Julie », sous la direction d’Emilio Pomarico, dans la mise en scène de Silvia Costa. Photo ER /Cédric JACQUOT



“I met him for the first time in the corridors of the Nancy opera house after the Orkesterhauptprobe (Orchestra stage rehearsal). He didn’t recognise me as one of the singers without my makeup on, because it looked so different and sinister.

© Jean-Louis Fernandez



He let us do it all by ourselves during the production process. He never came to say how he wanted a certain line. He always said in interviews that once an opera is written, he wants to let go of the piece and he accepts how the world will treat it. He did not only say this, he also did it, out of a wonderful feeling of acceptance and letting go, but I personally think also because he wanted to be surprised. Just as if you send your child out into the world and then, when they return from their wanderings, you will see what they have learned on their path of growing independence.

After the dress rehearsal, he came on the stage and realised for the first time that I was the one singing Kristin and that I was a Belgian singer. He first started in French and when he heard that I had a Flemish accent, like a true Brussels- born, he immediately switched to Dutch. It was extraordinary that two Belgians met like that in France. He said he hadn’t known there was an Antwerp coloratura soprano singing Kristin and said he would like to write another piece for me. I would have loved to sing whatever he would have composed for me, but unfortunately it is not going to happen in this world.

© Jean-Louis Fernandez



All the rest is not easily put into words, he had something that all the greats have. An energy that touches you and an unconditional love that radiates from him, I think that is what has stayed with me the most. An enormously amiable person.”



Meeting between Philippe Boesmans and Silvia Costa, who handled the production:



Philippe Boesmans died on Sunday 10 April 2022. His operas are performed regularly and both Julie(2004), after the play Fröken Julie by August Strindberg, and Reigen, after a play by Arthur Schnitzler, belong to the standard repertoire in opera houses all over the world.



Scene from Reigen performed by Operastudio Nederland (Daphne Ramakers & Pascal Pittie)



Below Julie from the Fondanzione teatro Comunale e Auditorium Bolzano directed by Manfred Schweigkofler:

A fraternizing passion for music

Take an Israeli, a Frenchman and an Iranian born in Austria, put all them together on a stage in Aix-en-Provence with the scores of the Russian and Czech masters in front of them. They then record it live and the result is just about the best CD of the year 2019.


The Tchaikovsky and Dvorák piano trios recorded on 5 April 2018 are of course ‘gefundenes fressen’ for a lover of chamber music. After all, the opening bars of Tchaikovsky’s opus 50 alone will surely stay in your mind.

Whether this performance is better than that of the Beaux Arts Trio or the trio of Perlman/Ashkenazy/Harrell (to name but two)? No, I do not think so. But it is definitely more exciting. I don’t want to put the word refreshing in my mouth, but of course it is. What you hear here is the unpolished sound of a real live performance. You can hear the passion.


The three protagonists, Laham Shani (piano), Renaud Capuçon (violin) and Kian Soltani (cello) not only know how to bring to life the sad stories behind the notes, but they also make them more tangible. Intense. No, these performances will not leave you unmoved.

If the supporters of BDS (Boycott, Divestment, Sanctions) had their way, this CD would never have been recorded. The reason is simple: Lahav Shani, in everyday life chief conductor of the Rotterdam Philharmonic Orchestra and also a gifted pianist, is an Israeli. And those well-meaning pseudo do-gooders of course want none of that. Fortunately, there is still such a thing as music, where all people can actually become ‘brothers’ and where playing together is elevated to the highest level..



Tchaikovsky: Piano Trio in A, op. 50
Dvorák: Piano Trio No. 3 in F, op. 65
Lahav Shani (piano), Renaud Capuçon (violin), Kian Soltani (cello)
Warner 0190295525415

De maagd van Orléans

Tekst: Peter Franken

Dit werk van Tsjaikovski had première in 1881 in het Mariinsky Theater en staat zodoende tussen Evgeni Onegin en Mazeppa. Het werk heeft niet het intieme van Onegin maar lijkt met zijn martiale scènes meer op Mazeppa, al zijn er wel momenten van kleinschalige lyriek in de twee liefdesduetten, tussen Charles VII en zijn vrouw Agnès Sorel en tussen Jeanne en Lionel. Verder klinkt er veel van de vijfde symfonie in de orkestratie door. Al met al is het werk volledig herkenbaar als een opera van Tsjaikovski.

Er is een opname gemaakt door een Britse crew onder leiding van Brian Large van een voorstelling in het Bolshoi, in 1993 dus artistiek nog geworteld in de Sovjet tijd. De betreffende dvd is echter zeer moeilijk te krijgen maar gelukkig staat de gehele voorstelling op YouTube zodat iedereen er toch kennis van kan nemen.

Het libretto volgt de geschiedenis van Jeanne d’Arc vrij nauwkeurig, zij het in gecomprimeerde vorm. Jeanne wijst een huwelijk met dorpsgenoot Raymond af omdat ze een hogere roeping heeft. Als er bericht komt dat Parijs in handen van de Engelsen in gevallen en Orléans zal worden belegerd, voorspelt ze tot verbijstering van alle aanwezigen en vooral haar vader dat de overwinning nabij is. Ze geeft gehoor aan wat de Heilige Maagd haar heeft ingefluisterd en trekt ten strijde.

In de tweede akte bevinden we ons aan het hof van Charles VII in Château de Chinon waar de vorst zich laat onderhouden door zijn mistrelen en een groep dansende pages, zigeuners en clowns. Hij is van de wereld vervreemd, leeft in volledige ontkenning en heeft alleen nog oog voor zijn vrouw Agnès. Na bericht van weer een nederlaag wil hij vluchten in zuidelijke richting, in elk geval de Loire over. Zijn belangrijkste adviseur Dunois wijst hem erop dat hij zelf de troepen moet gaan aanvoeren maar dat weigert Charles. God heeft het zo beschikt, hij zal berooid en zonder troon sterven.

Plotseling komt er bericht van een grote overwinning, natuurlijk door toedoen van Jeanne. Omdat ze weet te vertellen wat Charles in zijn gebeden heeft gezegd krijgt ze zijn vertrouwen, dit moet wel iemand zijn die directe lijn heeft met de Heilige Maagd.

In de derde akte stuit Jeanne op de Bourgondische edelman Lionel die aan de kant van de Engelsen strijdt. Ze weet hem te verslaan maar raakt zozeer in verwarring door zijn verschijning dat ze hem niet kan doden. Op zijn beurt raakt hij ook van haar onder de indruk. Eind van het liedje is dat hij overloopt naar het Franse kamp om bij Jeanne te kunnen  zijn. Deze beseft echter dat ze verliefd is geworden op die knappe man en zodoende de gelofte van absolute kuisheid heeft geschonden die haar in staat had gesteld onder de banier van Maria voor Frankrijk te strijden. Het is als bij het afknippen van Samsons haar, de ban is gebroken.

Als Charles haar wil huldigen met een altaar, ze is immers heilig in commissie, komt haar vader roet in het eten gooien. Hij wil haar ziel redden ook al kost dat Jeanne het leven, overtuigd als hij is dat zijn dochter niet heilig is maar in de ban van de duivel. Hij vraagt Jeanne antwoord te geven op de vraag of ze heilig en rein is om zo haar onschuld te bewijzen. Jeanne geeft geen antwoord omdat ze twijfelt aan haar eigen ‘reinheid’ nu ze zichzelf heeft gegeven aan een mens ook al is daar geen fysieke relatie aan te pas gekomen. Men keert zich tegen haar, vooral nadat er bliksem is ingeslagen.

In de vierde akte is Jeanne op de vlucht en treft in een bos haar geliefde Lionel. Kort daarna worden ze door Engelsen omsingeld. Lionel wordt gedood en Jeanne gevangen genomen. Het einde is de terechtstelling in Rouen waar Jeanne sterft op de brandstapel.

De productie uit het Bolshoi leunt sterk op het inzetten van een overdaad aan personeel. Voortdurend staan er grote koren paraat om zingend in te vallen, in fraaie eigentijdse uitgaanskledij. Bij elke nieuwe ontwikkeling wordt Jeanne omgeven door een groep in witte jurken geklede figuranten. Zo is er permanent een levend decor van tientallen medewerkers. Midden op het toneel is een kleine vierkante verhoging geplaatst waarop het merendeel van de feitelijke handeling zich afspeelt. Aan het einde wordt Jeanne met verhoging en al opgetakeld waarbij eronder een rode gloed en veel rook zichtbaar wordt, een ‘realistisch’ einde.

Anders dan de koren zijn de zangers allemaal gestoken in fraaie periode kostuums. Jeanne ziet er gewoon uit als herderinnetje en Charles is herkenbaar als koning. Jeannes vader oogt, speelt en zingt als een monnik uit een opera van Moessorgski, denk aan Varlaam als hij niet dronken is. Dit komt voor rekening van de bas Vyacheslav Pochapsky.

Charles VII wordt vertolkt door de tenor Oleg Kulko, vooral mooi om te horen in zijn liefdesduet met sopraan Maria Gavrilova als zijn vrouw Agnès Sorel. Bariton Mikhail Krutikov probeert als Dunois zijn koning enige realiteitszin bij te brengen. Als er voor hem is opgetreden wil hij iedereen als dank een gouden ketting geven. ‘Die zult u dan met uw eigen woorden meten rijgen, de schatkist is leeg.’ Overigens is het ballet van die pages, zigeuners en clowns gecoupeerd, alleen de minstrelen komen zingend aan bod.

Lionel, de would be minnaar van Jeanne, is een mooie rol van bariton Vladimir Redkin. En de titelrol wordt voorbeeldig vertolkt door sopraan Nina Rautio. Ze staat lange tijd op het toneel en heeft veel te zingen wat haar uitstekend afgaat, zeer goede beheersing van de partij. Regisseur Boris Pokrovsky laat haar wel erg zelfverzekerd overkomen in de eerste twee aktes, alsof ze de aanwezigheid de Heilige Maagd direct aan haar zijde ervaart. Het is het enige voorbeeld van specifieke personenregie dat ik in deze voorstelling heb kunnen ontwaren. De decors en kostuums zijn van Valery Levental. Alexander Lazarev heeft de muzikale leiding.

De Maagd van Orléans is een rariteit buiten Rusland en dat zal ook wel zo blijven. Muzikaal is deze opera beslist minder interessant dan Evgeni Onegin en Pique Dame en feitelijk geef ik ook aan Mazeppa de voorkeur boven dit werk. Niettemin toch wel prettig het nu eens gezien te hebben.

Anna Bolena, tussen Henry, Jane en Percy en tussen Rossini, Wagner en Verdi

Tekst: Neil van der Linden

Anna Bolena uit 1830 was het eerste grote succes op het operapodium van de op dat moment 33-jarige Donizetti, waarmee hij zich kon meten met Rossini en Bellini. Het is onderdeel van drie (niet als een geheel bedoelde) opera’s die zich rond koningin Elisabeth de Eerste, Anna Bolena (de moeder van Elisabeth), Maria Stuarda en Roberto Devereux afspelen, en die als trilogie zullen worden opgevoerd bij De Nederlandse Opera

Het is lang geleden in de voorgeschiedenis van De Nederlandse Opera dat er een Donizetti-opera is opgevoerd en het is de eerste keer dat Anna Bolena op het repertoire werd gezet

Dat ligt er misschien aan dat het werk moeilijk op de juiste manier te bezetten is en dat het hele belcanto-genre niet een grote favoriet is in het ‘regie-theater’. Met al die lange aria’s, die deels bedoeld zijn om de virtuositeit van zangers uit te laten komen, is het moeilijk deze opera’s geloofwaardig te maken. Toch is regisseur Jetske Mijnssen daar wel in geslaagd.

Anne Boleyn was de tweede echtgenoot van Hendrik VIII. In september 1533 schonk zij het leven aan de latere koningin Elizabeth I van Engeland. In de daaropvolgende drie jaar had zij ten minste drie miskramen en Hendrik was van mening dat er een vloek op dit huwelijk rustte. (Tegenwoordig veronderstelt men zonder dat daar overigens bewijzen voor zijn dat Anna resusnegatief was en Hendrik -positief. Bij deze combinatie verloopt de eerste zwangerschap normaal maar door opgebouwde antistoffen eindigen latere zwangerschappen dan wat vaker in miskramen of vroeggeboorten.)

In mei 1536 werd Anna gearresteerd en overgebracht naar de Tower of London op beschuldiging van overspel, waaronder incest en hekserij. Haar vijf zogenaamde minnaars werden onthoofd en zij zelf twee dagen later. De vermeende minnaars werden door Donizetti samengevoegd tot Anna’s broer George Boleyn, de hof-musicus Mark Smeton en Riccardo Percy, de vroegere verloofde van Anna die in werkelijkheid Henry Percy heette. Mark Smeton was van de vijf de enige die bekende dat hij een minnaar van Anna Boleyn was geweest.

De historische Mark Smeton (van Vlaamse komaf; Franco-Vlaamse musici waren in de 15e en 16e eeuw overal in Europa geliefd als hof-musicus) kreeg in Donizetti’s opera een Cherubino- tot en met Octavian-achtige Hosenrolle, en in de opera is hij inderdaad – heimelijk – verliefd is op Anna. Naar verluidt bekende hij na foltering. We zien hem in deze enscenering dan ook strompelend en bebloed opkomen nadat hij kennelijk bekend heeft. Dat hij de enige was die bekende kan liggen aan het feit dat de andere verdachten van adel waren en in het Engeland van Hendrik VIII de adel niet aan martelingen mocht worden blootgesteld.

De historische eerdere verloofde van Anna, Henry Percy, was in werkelijkheid niet bij dit vermoedelijk door Hendrik opgezette complot betrokken en werd anders dan zijn evenknie in deze opera Riccardo niet door Hendrik geëxecuteerd. Hij werd, anders dan de gewoonte was, niet met de hakbijl onthoofd, maar door een voor de gelegenheid overgekomen beul uit Calais, waar de Franse gewoonte werd gebruikt: onthoofding met het zwaard.

Hendrik de Achtste trouwde vervolgens met Jane Seymour, al een tijd maîtresse van de koning en voorheen hofdame en vertrouwelinge van Anne.

Net zo belangwekkend als het opvoeren van Donizetti’s ‘Tudor-trilogie’ is dat De Nederlandse Opera meteen na Anna Bolena nog een baanbrekend vroeg-achttiende-eeuws werk programmeert: komende juni krijgen we Von Webers Der Freischütz uit 1821. Het is in alle opzichten duidelijk dat Donizetti de weg plaveide voor Verdi; bij hele stukken in Anna Bolena kun je zo Il Trovatore, La Traviata en Don Carlo door-neuriën. Ook wordt gezegd dat Von Weber de weg plaveide voor Wagners magisch-mythologische verhaaltrant.

Het is algemeen bekend dat Wagner bewondering had voor Donizetti. Zo maakte hij een instrumentale bewerking van een deel uit Donizetti’s La Favorita. Maar belangrijker nog: klinken in de grote massascenes uit Tannhäuser en Lohengrin niet de grote finales in de verschillende scenes zoals we die bij Donizetti (en natuurlijk Meyerbeer) terugvinden. En nog belangrijker: is de dramaturgie van Tristan und Isolde, het reduceren van de complexe historische verhaallijnen tot een luttel aantal relationele verhoudingen en die vervolgens muzikaal uitbenen, misschien schatplichtig aan wat Donizetti met name in de eerste helft van de tweede akte van Anna Bolena deed?    

Donizetti en zijn librettist hadden net zomin als Wagner echte interesse in de historische figuren, maar projecteerden op hun personages hun visie op onze menselijke drijfveren, waarbij Wagner in vergelijking met Donizetti gebruik maakt van gemiddeld dertig jaar meer voortschrijdend inzicht over achterliggende menselijk drijfveren, en van voortschrijdend muzikaal vernuft om die uit te beelden.

Interessant is dat Donizetti tegen de historische opinie in eigenlijk ook sympathie wil wekken voor Hendrik de Achtste, als slachtoffer van personen die hopen dankzij hem aanzien en macht te verwerven, waaronder dus ook Anna. Nou ja, dat komt dan dramatisch ook beter uit. Daarmee is Anna Bolena in elk geval geen opera van sjabloon-personages. Dat komt in de regie van Jetske Mijnssen dan ook sterk naar voren. Ze concentreert zich karakterologisch op de vierhoek Anna, Hendrik alias Enrique, Riccardo Percy en Jane (Giovanna) Seymour, vertrouweling en tegelijk rivale van Anna.    

Het koor treedt volgens de partituur op allerlei momenten op die in principe de intimiteit van scenes zouden kunnen verstoren. Misschien hadden Donizetti en librettist de functie van het koor in het antieke Griekse drama voor ogen, en de tekst van het koor zou je vaak ook kunnen zien als de stem des volks, de volksopinie, die het hare dacht over wat er zich aan het hof afspeelde. Want ja, in veel opzichten is dit ook een politieke opera, over feodale willekeur en autocratische verhoudingen.

Tegelijkertijd wilde Donizetti met het koor het spektakelelement optimaliseren. Resultaat is dus dat het geregeld eigenlijk in de weg zit. Maar daar heeft Mijnssen vaak vernuftige oplossingen voor gevonden, bijvoorbeeld door ze buiten het toneel te laten optreden, of ze juist uitdrukkelijk in de weg te laten zitten, soms zelfs zwijgend, bijvoorbeeld in een prachtige scène die eigenlijk over de intieme wederwaardigheden tussen Henry en Anna gaat, waarbij het koor over de volle breedte van het toneel zwijgend met de rug naar het publiek zit, met de witte pruiken op die de Engelse rechterlijke macht nog steeds draagt. Hoe onpartijdig de rechterlijke macht ook zou moeten zijn, uiteindelijk liet het zich meeslepen in de intriges van het hof.

Mijnssen legt aldus een sterk accent op de opera als psychologisch drama en slaagt daar prachtig in. Daarmee kun je dan meteen verhullen dat een belcanto-opera eigenlijk een categorie zangers verlangt die tegenwoordig eigenlijk niet eens beschikbaar is, en anders ook onbetaalbaar. De schaduw van de Maria Callas categorie blijft bijna als een vloek aan dit soort opera’s kleven.

Niet dat de cast zich niet uitstekend van haar taak kwijt. Zeker in deze opzet is Marina Rebeka een overtuigende Anna, dramatisch, en ook vocaaltechnisch kan ze alle noten aan. Misschien krijgt ze in de loop van de uitvoeringen net dat overwicht over de partituur die haar ook muzikaal volledig overtuigend maken.

Raffaella Lupinacci als Giovanna Seymour drukt met gemak vocaal en theatraal alle aspecten van haar rol uit. Je gelooft in haar ambivalentie. De rol van Enrico is eigenlijk wat kleurloos geschreven en Adrian Sâmpetrean laat dat eigenlijk zo. Waardoor de rol van Lord Riccardo Percy meer ruimte krijgt; Ismael Jordi is een prima spinto-tenor, die opgewassen zou zijn tegen Verdi’s tenorrollen in Rigoletto en Il Trovatore. Als belcanto-tenor, wat bij Donizetti ook een vereiste is, liet hij af en toe een steek vallen. Dat werd gecompenseerd door de bravoure die hij dramatisch in de rol legde. Acterende is hij een onstuimige Percy, die echter ook zichtbaar met Anna mee lijdt. 

De beklemmende sfeer aan het hof wordt fraai weergegeven door het decor van verschuivende wanden die alleen in de scene waarin de vijf mannen worden terechtgesteld even een blik op de buitenwereld werpen, op een mistig vaal beschenen executieterrein. Zelfs aan het eind van Anna’s waanzinsscene, als haar onthoofding spoedig gaat plaats vinden, zien we haar omsloten door loodrecht oprijzende paleiswanden. De stilering van het decor en ook de costumering zijn meer in de stijl van de vroege negentiende eeuw, de tijd van de totstandkoming van de opera, net voor de aanvang van het Victorianisme, de tijd waarin Romantische pathos botste met steil moralisme.  

In de wisselwerking zoals die in deze vormgeving is weergegeven tussen Anna en Seymour moest ik ook geregeld denken aan het prachtige The Favourite, het weergaloze kostuumdrama van Yorgos Lanthimos over een even ongelukkige vroeg achttiende-eeuwse Britse Koningin Anne en haar jonge vertrouwelinge, geliefde en uiteindelijk Nemesis Abigail Masham, in de film fenomenaal vormgegeven door Olivia Colman en Emma Stone, aan wie respectievelijk Marina Rebeka en Raffaella Lupinacci absoluut herinneren.

 

Een niet door Donizetti en zijn librettist voorgeschreven hoofdrol is in deze voorstelling weggelegd voor de jonge prinses en latere koningin Elisabeth I, die historisch inderdaad de dochter van Anna Bolena is, al kan Elisabeth tijdens het leven van Anna gezien de korte duur van diens voortijdig beëindigde huwelijk, iets meer dan drie jaar, niet de leeftijd hebben bereikt die de in deze enscenering ten tonele gevoerde Elisabeth heeft, zo ongeveer tien jaar.

Maar het gaat om het idee, de omstandigheden waarin de toekomstige vorstin opgroeide en de wetenschap die zij later moet hebben gehad. Misschien wordt dat verbeeld in de poppen die de jonge Elisabeth meedraagt, waarin we Anna, Henry en Jane herkennen. Het is interessant dat Shakespeare in zijn laatste koningsdrama, Henry the Eighth, Elisabeth, die ten tijde van Shakespeare regeerde, als een blijde geboorte toont, zonder veel ruimte te geven aan Anna Boleyn als personage. Meer details zouden misschien pijnlijk zijn geweest.

Al zien we in deze enscenering Elisabeth vooral in de buurt van haar vader, in een hartverscheurende laatste scene met de jonge prinses, voordat Anna alleen in waanzin achterblijft, het kind op de moeder afrennen.  Ook het kind lijkt waanzinnig.

Overigens: of Anna in deze enscenering echt waanzinnig is, dan wel diep aangeslagen een uiteindelijk min of meer een pre-Wagneriaanse Liebestod sterft, wordt in het midden gelaten. In een hoek van de paleiszaal blijft ze als een hoopje wanhoop achter.

Marina Rebeka zingt ‘Al dolce guidami’

Helaas werd de orkestbegeleiding ontsierd door herhaaldelijke intonatieproblemen met name bij de hoorns, en ook incidenteel bij een hobo. Misschien heeft het Nederlands Kamerorkest de muziek onderschat. Instrumentaal is de muziek veel kleurlozer dan die van Rossini, laat staan die van Von Weber in de Wolfsschlucht-scène uit Der Freischütz. Maar de uitvoering mag wel kloppen. Aan de dirigent lag het waarschijnlijk niet, want die wist de zangers redelijk bij elkaar te houden en de geregeld gecompliceerde Mozartiaanse tot en met Verdiaanse ensemblepassages.  

Muzikale leiding  Enrique Mazzola
Nederlands Kamerorkest, koor van de Nederlandse opera.
Regie  Jetske Mijnssen
Decorontwerp  Ben Baur
Dramaturgie  Luc Joosten
Enrico VIII  Adrian Sâmpetrean
Anna Bolena  Marina Rebeka
Giovanna Seymour  Raffaella Lupinacci
Lord Riccardo Percy  Ismael Jordi
Lord Rochefort  Frederik Bergman
Smeton  Cecilia Molinari
Signor Hervey  Ian Matthew Castro
Foto’s: © Ben van Duin

Jetske Mijnssen over Anna Bolena:

hVg

Zauber der Bohème or ‘dream couples’ in opera

©Marjan Kiepura

The term ‘dream couple’ has lost much of its original meaning. For, say it yourself: how many of these ‘dream couples’ did you see come and go without there being anything left of their idyll afterwards? Gheorghiu/Alagna ended in a very hostile divorce , Netrebko/Villazon only existed on paper and – who knows? – in the tenor’s dreams….



But it is not always just a beautiful fable, because once such a dream couple did exist in real life. Polish tenor Jan Kiepura and Hungarian soprano Martha Eggerth not only achieved their fairytale status of being made for each other, but they also remained there. And that both on the stage, on the movie screen and in real life.



In Géza Von Bolváry’s 1937 film, Zauber der Bohème, we are introduced to two young, would-be singers in love, whose lives are running parallel, both in real life and on the stage. Their fates are very similar to those of the fictional characters they perform on the stage, but here death is real and insurmountable: after her last notes, Denise/Mimi (Eggerth) dies in the arms of René/Rodolfo (Kiepura). Curtain!

Besides arias from Giacomo Puccini’s La Bohème, there are also two songs, written specially for the film by Robert Stolz and Ernst Marischka: ‘Ich liebe Dich!’ and ‘Weine nicht, bricht eine schöne Frau Dir das Herz’.

‘Ich liebe Dich’:




Jan Kiepura sings ‘Weine nicht, bricht eine schöne Frau Dir das Herz.’





The last scene from the film:




One handkerchief is not enough against all this emotional outpour, but you have to be able to cope with a very poor image and the quality of the sound is also quite bad. But honestly: who cares?

And here is the whole film, unfortunately without subtitles:




Postscript: in 1938 Marta Eggerth and Jan Kiepura, both Jews, fled Austria and Europe just in the nick of time. They took the ‘vanished’ Austria and the Viennese flair with them to New York.






Der Rosenkavalier op cd’s: kleine selectie

Lisa Della Casa

Hugo von Hofmannsthal, Risë Stevens, Hilde Güden, Ralph Herbert & Lisa  Della Casa | Play on Anghami

Della Casa is één van mijn geliefde zangeressen, zeker in het Duitse ‘fach’. Haar mooie, romige stem met een vloeiende hoogte en een zeer sensuele ondertoon maakt haar tot één van de beste vertolksters van de muziek van Strauss. Haar ‘Vier Letzte Lieder” vind ik zelf het allermooist van allemaal.

Zo ook haar Marschallin. Voor mij heeft ze alles, wat de wat ouder (nou ja, ouder, zij is pas 34!) wordende vrouw ook voor een jonge jongen aantrekkelijk maakt. Zelfbewust en toch enigszins kwetsbaar. Koninklijk en speels. Vrolijk en melancholisch.

Della Casa was een zeer mooie vrouw, zeer elegant ook. Het is daarom echt jammer dat haar Feldmarschallin voor zover ik weet niet is vastgelegd op dvd. Er zijn diverse cd-opnamen met haar verkrijgbaar, allemaal live en in de meeste gevallen niet in een optimale geluidskwaliteit.

Ik wil even stilstaan bij de productie die op 18 januari 1956 werd opgenomen in de Metropolitan Opera (Walhall WLCD0313). De geluidskwaliteit is zeer pover en scherp, wat niet wegneemt dat er zo ongelofelijk veel valt te genieten!

Het Met-orkest onder leiding van Rudolf Kempe klinkt ouderwets mooi: zoetig en weemoedig. Wenen ten top. Af en toe moest ik ook aan oude films denken – toch geen straf.

Della Casa is onweerstaanbaar en zo is ook haar Octavian, Risë Stevens. Tel daar de onnavolgbare Hilde Güden als Sophie bij op en dan weet je wat voor hemel je in de ‘Hab’mir’s gelobt’ kunt verwachten.

Elisabeth Schwarzkopf

Review | Gramophone

Nu ga ik mij op glad ijs begeven. De Karajan-opname uit 1956 ((Warner Classics 5099996682425) heet legendarisch te zijn. Maar ik houd niet van Elisabeth Schwarzkopf: ik vind haar zingen vaak gemaniëreerd en haar nadrukkelijke dictie maakt dat ik mij vaak ongemakkelijk voel. Ook haar glansrol, de Marschallin, vind ik te geaffecteerd en bovendien zeer onderkoeld.

Von Karajan kan mij hier ook moeilijk bekoren. O ja, het orkest onder zijn leiding speelt werkelijk fenomenaal, maar ik vind er te weinig ‘Weense bonbons’ en te veel ‘Pruisische dril’ in. Maar wellicht ligt het aan mij?

Christa Ludwig is echter een wonderschone Octavian en Teresa Stich-Rendall een Sophie in de beste Mozartiaanse traditie. Otto Edelmann is een heerlijke baron Ochs.

Montserrat Caballé

Der Rosenkavalier CD (Glyndebourne 1965)

Onlangs bereikte mij een cd-opname uit Glyndebourne 1965. Het is een in alle opzichten merkwaardige voorstelling geweest: de rol van de Marschallin werd toen gezongen door niemand minder dan Montserrat Caballé.

Wij kunnen het ons nu niet meer voorstellen, maar toen was het volstrekt voor de hand liggend. Caballé is haar carrière in Duitsland begonnen en heeft zelfs een prachtige Salome op haar repertoire staan. Er is ook helemaal niets op haar Duits aan te merken. Ze is een mooie, jonge en kruidige Marschallin, die de rol ‘op z’n Caballés’ verrijkt, met de mooiste pianissimo’s en legato’s.

Teresa Zylis-Gara is een verrukkelijk licht klinkende Octavian en Edith Mathis een als een vijftienjarig meisje klinkende Sophie. Otto Edelmann (Ochs) completeert de fantastische opname (GFOCD 010-65).

Trailer:

Claire Watson

Rosenkavalier Kleiber

Net als voor zijn vader Erich, was ‘Der Rosenkavalier’ een paradepaardje van Carlos Kleiber, een van de meest charismatische dirigenten van de laatste 50 jaar.  In 1973 werd de opera live geregistreerd tijdens het Münchner Festival en een jaar of twee geleden op Orfeo (C 581 083 D) uitgebracht.

Bij de enthousiast ontvangen première een jaar eerder werd de Marschallin gezongen door Gwyneth Jones (er bestaat een DVD-opname van), nu werd ze vervangen door Claire Watson, jarenlang het boegbeeld van het Münchense ensemble. Watson is een wat rijpere Marschallin, weemoedig, bitterzoet en niet gespeend van humor. Ik vind het mooi.

Karl Ridderbush is werkelijk kostelijk als Ochs: lomp en over alles heen walsend, maar in zijn walsjes klinkt hij toch oprecht ouderwets melancholisch. De Sophie van Lucia Popp is onnavolgbaar: kwikzilverig, flirterig en kwetsbaar. Haar pure meisjesachtige sopraan smelt in perfecte harmonie met de donkere mezzo van Brigitte Fassbaender, twee stemmen die daadwerkelijk verliefd op elkaar zijn geworden.

Maar het mooiste is het orkest. Kleiber ontlokt de beoogde ‘zilverklank’ en vervlecht het natuurlijke sentiment met ironie en een zekere hang naar vroeger.

De opname werd al eerder op verscheidene piraten-labels te koop aangeboden, maar nu kunnen we hem eindelijk in een goede geluidskwaliteit beluisteren.

Anna Tomowa-Sintow

Tomowa-Sintow behoorde tot de lievelingszangeressen van Herbert von Karajan. Begin jaren zeventig haalde hij haar naar Salzburg, waardoor ze internationaal kon doorbreken. Zij heeft ook veel opnamen onder de maestro gemaakt, voornamelijk Mozart en Strauss. De Marschallin had ze onder zijn leiding al in 1984 voor Deutsche Grammophon opgenomen, maar ik ken die opname niet.

Wel een andere, op 3 maart 1995 live opgenomen in Covent Garden (Opus Arte OA CD9006). In 1995 was ze al een rijpe vrouw en zo klinkt ze ook. Maar haar vertolking is meer dan roldekkend: ze zingt niet alleen doorleefd maar heeft ook allure.

Ann Murray (ach! Wat een zangeres!) is een verrukkelijke Octavian en Barbara Bonney een wellicht niet voor de hand liggende, maar wel een heerlijke Sophie.

De walsjes zijn onder handen van Andrew Davis heel erg luchtig, wat ook de hele opname een opvallend milde toon geeft.