Opera Odessa brengt klassieke Trovatore

Tekst: Peter Franken

 

SAG_2998-1

Inmiddels geen nieuwkomer meer op de Nederlandse podia, Opera Odessa. Na korte tournees met Turandot, Pique Dame en Madame Butterfly treedt het gezelschap dezer dagen op in Nederland met een klassiek vormgegeven productie van Il Trovatore.

Il trovatore is in muzikaal opzicht een van Verdi’s populairste werken maar op het toneel wil het werk wel eens wat ongeloofwaardig overkomen. Ik ben een verklaard tegenstander van opera in concertvorm maar ben bijna geneigd voor dit werk een uitzondering te maken. Gewoon het verhaal volgen betekent onwaarschijnlijke wendingen zonder commentaar voor lief nemen.

In dat opzicht is Il trovatore toch wel een vreemde eend in de bijt als we kijken naar Verdi’s werken uit de periode 1849 – 1853. Hij schreef daarin vijf opera’s in evenzo vele jaren: Luisa Miller, Stiffelio, Rigoletto, Il trovatore en La traviata. Zowel muzikaal als inhoudelijk zie ik Il trovatore in deze reeks als een stap terug, een rommelig libretto dat nauwelijks enige betrokkenheid bij de bordkartonnen personages weet te genereren en daar overheen vooral spectaculaire muziek die naar mijn smaak te veel op effectbejag is gericht.

Een team onder leiding van regisseur Thilo Reinhardt brengt het werk in een naturalistische setting waarbij omwille van de eenvoud het verschil tussen binnen- en buitenruimte zo min mogelijk wordt benadrukt. Soldaten zijn voorzien van uniformen, degens en kurassen. Zigeuners lopen in kleurrijke kledij, slapende mannen maken snurkende geluiden. In het zigeunerkoor ‘Chi del gitano i giorni abbella’ waarin ze blèren dat er altijd troost is in de vorm van een zigeunerinnetje zijn het twee vrouwen die een zwaard smeden op een heus aambeeld terwijl de mannen hun ochtendkater aan het verwerken zijn. Na elke scène gaat het doek even dicht voor een decorwisseling, bewerkelijk doordat er relatief veel rekwisieten worden gebruikt.

In de kleinere rollen viel de bijdrage van Kateryna Lian op. Zij zette een mooie Ines neer, de vertrouweling van Leonora. Ook de Ferrando van Viktor Schevchenko kwam goed uit de verf. Zijn grote aria ‘Di due figli vivea padre beato’ waarin hij de voorgeschiedenis van het verhaal samenvat, werd met veel overtuiging gebracht, zozeer dat zijn mannen zich vervolgens schrik lieten aanjagen door een onverwacht geluid.

SAG_3298

Roman Strachov nam de rol van de spreekwoordelijke bariton voor zijn rekening die tussen de tenor en de sopraan in staat. Zijn Conte di Luna is een personage dat afwisselend ten prooi valt aan jaloezie, woede, wraakgevoelens en verbittering. Luna is geen moment gelukkig en dat liet Strachov zowel zingend als acterend redelijk tot uiting komen.

De lage mezzo Tatiana Spasskaya wist overtuigend in de huid te kruipen van de zigeunerin Azucena. Stimmlich kon ze me aanvankelijk niet erg bekoren. Haar grote vertelling ‘Condotta ell’era in ceppi’ klonk erg ongepolijst. In haar latere bijdragen was Spasskaya veel prettiger om naar te luisteren. Haar bereik bleek groot genoeg om ook de hoogste passages aan te kunnen en acterend stal ze de show. Ondanks haar onwaarschijnlijke verleden (wie gooit nu zijn eigen kind per abuis in het vuur?) wist ze zich te presenteren als het meest geloofwaardige personage.

Leonora was toevertrouwd aan Julia Tereshuk. Vocaal kan ze de rol prima aan maar toch vertoonde ze onnodig veel risicomijdend gedrag, met name bij het attaqueren van sommige hoge passages. Daarbij zette ze een keel op, om vervolgens in een volgende, vergelijkbare passage, mezzo forte te zingen. En bij de hoogste noten koos ze wat erg snel voor een lager alternatief. Verder niets dan lof voor deze Julia, ze was van begin tot einde een vast baken in deze roller coaster met als hoogtepunt een fraaie vertolking van Leonora’s topnummer ‘D’amor sull’ali rosee’.

Eduard Martyniuk nam de titelrol voor zijn rekening. Manrico heeft de bravoure van een man die in ‘alles’ uitblinkt, van minstreel tot vechtersbaas. Logisch dat Leonora voor hèm valt en niet voor zijn veel saaiere broer. Martinyuk wist dit vrij aardig over het voetlicht te brengen, al nam hij opvallend weinig risico in de lastige passages. Hij ging zoals verwacht direct los in ‘Di quella pira’ maar bleef bewust hangen onder de hoge C. Goede tenor maar niet de ster van de show.

SAG_3107

Il trovatore speelt zich af tijdens een burgeroorlog en Reinhardt laat dat zien zonder die context tot de kern van het stuk te verheffen. We zien een groepje nonnen die gewonden mannen verplegen en de suggestie wordt gewekt dat op de achtergrond een operatie wordt uitgevoerd. Gevechtshandelingen, plundering en wangedrag blijven buiten beeld. Des te meer valt de vrij expliciete suggestie van marteling op die Azucena ten deel valt als ze door Luna’s mannen is gevangen genomen.

Al met al is deze productie een vrij goed gelukte poging om dit rommelige werk dat het vooral van de muziek moet hebben librettogetrouw ten tonele te voeren. Dat op zich is een compliment waard. Ik kijk uit naar de volgende bijdrage van dit sympathiek gezelschap uit de fraaie stad Odessa, met zijn prachtige theater.

Bezocht op 14 oktober 2019

IL TROVATORE. Discografie

Il trovatore van Dmitri Tcherniakov, naar de opera van Verdi

IL TROVATORE in Amsterdam 2015

‘O tu, Palermo, terra adorata, De’ miei verdi anni – riso d’amor’. Ter nagedachtenis van Marcello Giordani

ALEXANDER ZEMLINSKY. Part 1: The Man

Zemlinsky

Alexander Zemlinsky at his desk

The women

Zemlinsky Alma Mahler

Alma Schindler in 1900

On the 11th of February 1900, during the world premiere of the Frühlingsbegräbnis, a cantata in memory of Brahms, Alexander Zemlinsky and Alma Schindler met for the first time.

She thought his appearance was terrible (in her autobiography she talks about a ‘hideous gnome’), but as a future composer she was only too eager to meet him: Zemlinsky was not only admired for his compositions, he also had the reputation of being the best composition and harmony teacher. By the end of that year Schindler was not only his pupil but also his lover.

Zemlinsky portret

It was not an obvious choice, as Zemlinsky was not really what we could call an attractive man. He himself felt quite badly about it: “Short and skinny (weak points: inadequate). Face and nose: impossible; every other part of the face: ditto. Hair too long, but something can be done about that. I looked more closely at myself in the bath ( with your permission!!): no excesses or deformities, muscles not too weak, amazingly well developed potential! Everything else as mentioned above. Hence the conclusion: hideous.”*

Does the description remind you of Der Zwerg, the ugly, deformed person from the opera of the same name who does not recognise his own reflection?

And yet Zemlinsky had the reputation of a real womaniser and his many mistresses cannot be counted. In 1907 he married Ida Guttmann, the younger sister of his former fiancée Melanie. It was not a happy marriage, Zemlinsky was a passionate philanderer.

Zemlinsky Luise Sachsel

Louise Sachsel

Around 1914 he met the then fourteen-year-old Louise Sachsel. A twenty-nine year younger girl, who was not only an aspiring singer but also a gifted painter, came to him to take singing lessons. Six years later they became lovers and in 1930, one year after Ida’s death, they got married.

Multicultural background

Alexander Zemlinsky was born in Vienna in 1871 into a highly multicultural family. His Slovakian grandfather and the Austrian grandmother on his father’s side were both Roman Catholics. His other grandmother was a Bosnian Muslim and his grandfather a Sephardic Jew. When his parents married the whole family converted to the Jewish faith. Alexander was born as a Jew and was raised as such, he also played the organ in his synagogue.  In 1884 he started his studies at the Conservatory of Vienna. He studied piano with Anton Door, music theory with Robert Fuchs and composition with Johann Nepomuk Fuchs and Anton Bruckner. It was also at that time that he began to compose.

In addition to being a composer, Zemlinsky was also appreciated as one of the best conductors of his time, and his remarkable interpretations of Mozart were widely praised.

Zemlinski conducts the overture from Don Giovanni. The recording probably dates from 1926:

He was a great advocate of the compositions of Gustav Mahler and his brother-in-law Arnold Schoenberg, and was regarded as a champion of contemporary music. His compositions can best be regarded as a kind of bridge between late romanticism and modernism.

Zemlinsky 1912 Mahler 8 met Sch en Sch

Philharmonic Chorus in 1912 in Praag tijdens de uitvoering van de achtste symfonie van Mahler. Zemlinsky, Schönberg en Schreker staan vooraan links op de foto

Zemlinsky-Schoenberg-Schreker 1912 -

 

Zemlinsky was also a great lover and connoisseur of literature. That his origins and upbringing influenced him in this is quite obvious: both his grandfather and his father were journalists and his mother’s family counted several publishers. His father had written the history of the Sephardic community in Vienna. Zemlinsky based many of his compositions on literary works, which resulted in Der König Kandaules after André Gide and in Eine florentinische Tragödie and Der Zwerg after Oscar Wilde.

Entartet

After the rise of the Nazis in 1933, Alexander Zemlinsky was declared ‘Entartet’ and his works were banned and forbidden. In 1936 he fled Berlin: first to Vienna and after the Anschluss in 1938 on to the United States, where he had great difficulty assimilating. He died on March 15, 1942 near New York, and no one paid any attention to his death.

Zemlinsky_aWien_11_Zentralfriedhof_Grab

Zemlinsky’s Memorial at the Zentralfriedhof in Vienna

And then he was forgotten, a fate he shared with most of the Jewish composers who were banned by the Nazis. His music disappeared from the concert and opera programs, and his name dissolved in the fog, as if he had never existed. It was only at the end of the 1980s that it became clear that Korngold was more than a composer of Hollywood scores; that without Schreker and Zemlinski there would probably not have been a Strauss either, and that Boulez and Stockhausen were not the first to experiment with serialism.

After a brief renaissance in the nineties, mainly thanks to James Conlon and Riccardo Chailly, things have become a little quiet around one of the greatest Jugendstil composers of the fin de siècle. Just ask the average music lover: he won’t get any further than the Lyrical Symphony. If he knows the name Zemlinsky at all.

Zemlinsky en Schönberg

But: who knows? His brother-in-law, friend and colleague Arnold Schönberg already said “Zemlinsky can wait.” In recent years, it seems as if Schönberg is gradually starting to prove himself right in this assertion.

*This quote is taken from the article by Ronald Van Kerckhoven in Erfgoedklassiek.

In Dutch: EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man

Channa Malkin and Izhar Elias in ‘Songs of Love and Exile, a Sephardic Journey’

Channa.jpg

Mario Castelnuovo-Tedesco (Florence, 3 April 1895 – Beverly Hills, 16 March 1968) was born into a Jewish family of Sephardic origin (Jews who were expelled from Spain in 1492). He was extraordinarily creative, and has numerous compositions to his name: piano works, concerts, opera’s…. His compositions were played by the greatest: Gieseking, Piatigorski, Heifetz, Casella. Nowadays we mainly know him from his guitar works, almost a hundred in total, mostly written for Andres Segovia.

In the early 1930s, the composer began to discover his ‘Jewish roots’, something that was reinforced by the rise of fascism and racial laws. His music was no longer performed. With the help of Arturo Toscanini, Castelnuovo-Tedesco and his family managed to leave Italy just before the outbreak of the Second World War.

Like most of the Jewish composers who fled Europe, Castelnuovo-Tedesco ended up in Hollywood. Thanks to Jascha Heifetz he was hired by Metro-Goldwyn-Mayer as a composer of film music. At that time he also composed new opera’s and vocal works inspired by American poetry, Jewish liturgy and the Bible.

Castelnuovo-Tedesco: “In my life I have written many melodies for the voice and published 150 of them (many remained in my drawer) on texts in all the languages I know: Italian, French, English, German, Spanish and Latin. My ambition and indeed, my deep motivation has always been to unite my music with poetic texts that stimulated my interest and feelings, to express their lyricism”.

In 1966 he composed The Divan of Moses Ibn Ezra. It is a setting of nineteen poems by, Rabbi Moses ben Jacob ibn Ezra also known as Ha-Sallaḥ (‘writer of penitential prayers’). Ibn Ezra was born in Granada around 1055 – 1060, and died after 1138 and is considered one of the greatest poets in Spain. He also had an enormous influence on Arabic literature. Castelnuovo-Tedesco composed the ‘divan’ (poems) on the modern English translation.

I very much regret that the duo Channa Malkin (soprano) and Izhar Elias only recorded six songs of the cycle. Not only because they have almost no competition (I only know two complete recordings of the songs myself), but also because their performance is really beautiful. Malkin’s lyrical soprano: girlish yet very focused fits the songs like a glove. She was born in Amsterdam, but her Jewish roots lie in Moldova, Russia and the Ukraine.

The guitarist Izhar Elias was also born in the Netherlands, but his roots lie in Iraq and India. And in Israel. What they have in common is the restlessness and the strong urge to do something with their own past. And you can hear that. You can hear that in the thirteen Sephardic folk songs that are presented here in arrangements by Joaquin Rodrigo and Daniel Akiva, among others.

What makes the CD stand out is the really excellent booklet with lots of information and all the lyrics.

Songs of Love & Exile – A Sephardic Journey
Channa Malkin (soprano), Izhar Elias (guitar)
Brilliant Classics 95652

https://www.channamalkin.com

In Dutch: Songs of Love & Exile – A Sephardic Journey

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Dame Joan Sutherland neemt afscheid van het operatoneel met Les Huguenots van Meyerbeer

Hugenoten Sutherland

Les Huguenots, ooit één van de meest succesvolle opera’s in de geschiedenis van de Parijse Opera, had het ongeluk om, samen met haar schepper, door de Nazi’s als ‘Entartet’ (ontaard) bestempelt te worden. Een van de redenen waarom het werk decennialang werd genegeerd en maar sporadisch uitgevoerd.

Marguerite de Valois is altijd één van de favoriete rollen van Dame Joan Sutherland geweest. Zij zong haar al in 1962 in La Scala en ze koos ervoor om haar te zingen in haar laatste operaproductie op het toneel, op 2 oktober 1990 in Sydney.

De stem van de ruim 60-jarige La Stupenda is niet zo vast meer, maar haar hoogte en haar coloraturen mogen er nog steeds wezen en op Amanda Thane (Valentine) en de werkelijk schitterende Suzanne Johnston (Page) na haalt geen van de zangers haar niveau. Er wordt wel heel erg goed geacteerd en ook het onvermijdelijke ballet is allesbehalve irritant.

De kostuums en het decor zijn natuurgetrouw en beeldend mooi, en het hele toneel lijkt het meest op een groot, zeventiende-eeuws schilderij. De zeer traditionele productie is niet alleen prachtig om te zien om ook waanzinnig spannend: zie hier het bewijs dat een goede regisseur (Lotfi Mansuri) geen concepten nodig heeft om een boeiend theater te maken.

Giacomo Meyerbeer
Les Huguenots
Joan Sutherland, Amanda Thane, Anson Austin, Suzanne Johnston; The Elisabethan Sydney Orchestra olv Richard Bonynge
Regie: Lotfi Mansuri
Opus Arte OA F4024 D

Overtuigende Les Huguenots in Brussel

Voortreffelijke Euryanthe uit Wenen

Euryanthe

Ik ben geen echte liefhebber van de Duitse romantische opera’s wat niet zegt dat ik er niet van kan genieten. Maar dan moet de uitvoering echt goed zijn. En dat is deze Euryanthe zeer zeker. De opera werd in december 2018 in Wenen live opgenomen, wat de sfeer alleen maar ten goede komt: je proeft als het ware het theater.

Het ORF Radio Symphony Orchestra is een streling voor het oor. De jonge Duitse dirigent Constantin Trinks heeft duidelijk affiniteit met het genre: alleen voor hem en zijn orkest is de aanschaf van deze cd een must. Maar onderschat het Arnold Schoenberg Chor niet! Ook zij dragen aan het slagen van deze productie bij en niet een beetje ook!

En dan zijn er nog de solisten. Jacquelyn Wagner is een zeer goede Euryanthe: haar romige sopraan en haar souplesse doen je echt geloven dat zij de onschuldige maagd is. Norman Reinhardt zingt een zeer overtuigende Adolar maar de erepalm gaat naar het schurkenpaar: Andrew Foster-Williams( Lysiart) en Theresa Kronthaler (Eglantine).

Robert Schumann vond de opera “Een ketting van glinsterende juwelen van begin tot het eind. Allemaal geestig en ingenieus”. Zo ver wil ik niet gaan, maar eerlijk is eerlijk: hier heb ik intens van genoten.


CARL MARIA VON WEBER
Euryanthe
Stefan Cerny, Norman Reinhardt, Jacquelyn Wagner, Andrew Foster-Williams;
Arnold Schoenberg Chor, ORF Vienna Radio Symphony Orchestra olv Constantin Trinks
Capriccio C5373

Il barbiere di Siviglia door de Nederlandse Reisopera: wat een topproductie!

Door Sander Boonstra

Il Barbiere_NRO024

Het gebeurt me niet vaak meer: vanaf de eerste noot tot en met de laatste op het puntje van m’n stoel zitten. Gisteravond gebeurde het..

Il Barbiere_NRO006

De Nederlandse Reisopera stond voor een bijna uitverkochte zaal in Stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden met Rossini’s Il barbiere di Siviglia. En hoe… Deze productie kent geen (zwarte) katten over het toneel of vallende decorstukken zoals bij de wereldpremière in 1816, maar wel een Vespa, een kleurrijk decor en een cast om je vingers bij af te likken.

Il Barbiere_NRO001

De avond begint met het Noord Nederlands Orkest onder de gelauwerde George Petrou. De ouverture begint stevig, lekker op tempo en nergens een ‘inkak’-moment. En die lijn wordt de hele avond volgehouden. Orkest en solisten staan in verbinding met elkaar door een uitstekend dirigerende Petrou: hij houdt alles goed bij elkaar en je merkt aan alles, dat hij de touwtjes in handen heeft.

Il Barbiere_NRO009

De solistenequipe wordt aangevoerd door German Olvera als Figaro en Neerlands trots Karin Strobos als Rosina. Stemmen als een klok die elk hoekje van de Aegon-zaal van De Harmonie vullen, zowel in de hoogte als de laagte. Tel daarbij op hun acteertalent en gevoel voor timing, en je hebt een fantastische avond.

Il Barbiere_NRO015

Mark Milhofer als Almaviva en Bruno Praticò als Bartolo stelen op hun geheel eigen wijze de show: Milhofer die een pot vocaal vuurwerk op het eind opentrekt (aria ‘Cessa, di più resistere’) en Praticò met zijn bijna onmogelijk kopieerbare versie van ‘A un dottor della mia sorte’.

Il Barbiere_NRO011

Regisseur Laurence Dale heeft oog voor personenregie en details. Komische effecten worden ingezet én afgemaakt, je komt het niet vaak meer tegen… Niet alleen voor de solisten, maar ook voor de uitstekend zingende mannen van Consensus Vocalis: ze zijn 100% onderdeel van de actie en niet zomaar een ‘achtergrondkoortje’.

Il Barbiere_NRO026

En het oog wil ook wat, natuurlijk. Met deze reprise van de voorstelling uit 2013 komt dat helemaal goed: decors zijn kleurrijk en multifunctioneel inzetbaar, en de kostuums zien er fantastisch uit.

Het was een avond die ik nog een keer wil meemaken, absoluut! Het slotapplaus kwam niet zomaar van de lucht. Daarom zeg ik: over 6 jaar maar weer doen.

Barbiere Sabnder

Cast en dirigent danken het uitbundige Leeuwarder publiek in Stadsschouwburg De Harmonie © Sander Boonstra

Gezien op 9 oktober 2019 in de Harmonie in Leeuwarden

Fotomateriaal: Marco Borggreve

https://reisopera.nl/producties/il-barbiere-di-sivigla/

Discografie: Il Barbiere di Siviglia

 

 

 

 

 

‘O tu, Palermo, terra adorata, De’ miei verdi anni – riso d’amor’. Ter nagedachtenis van Marcello Giordani

DE STAD

https://www.sicilie.nl/wp-content/uploads/2017/03/Palermo.jpg

© Sicilië.nl

En jij, Palermo, o gekrenkte schoonheid,
Jij, nog altijd even lieflijk in mijn verrukte ogen!”

(uit de ‘Siciliaanse Vespers’ van Giuseppe Verdi)


 

Merkwaardige stad, Palermo. Dankzij de lange en ingewikkelde geschiedenis van oorlogen, overheersingen en invloeden door en van verschillende naties en religies, heeft de stad zich ontwikkeld tot wat hij is: een unieke samensmelting van diverse culturen. Daar zijn de ettelijke kathedralen, kerken, gebouwen en pleinen een levendige getuigenis van. En ook in de taal en naamgeving zitten nog overblijfselen van de Arabieren, Moren, Grieken en Normandiërs (niet noodzakelijk in die volgorde). Mooie stad ook.

Palermo is een en al opera of op zijn minst een theater. Alles is hier theatraal – het verkeer (of moet ik zeggen een totale chaos, want niemand houdt zich hier aan de regels?), het getoeter van lukraak en driedubbel geparkeerde auto’s en ertussenin manoeuvrerende scooters.

Palermo market

© Market Italy magazine

Zeer theatraal zijn de vers-markten, die ook op zondag open zijn, die je aan de Arabische soeks doen denken en in niets op de Amsterdamse Albert Cuyp lijken. Verlicht met een kaal peertje, ook door de dag, scheppen ze een sfeer die regelrecht uit één van de Italiaanse opera’s of minstens films lijkt te komen. Het nauwe steegje tussen de kramen bedraagt niet meer dan een meter, maar ook daar wringen zich de scooters tussen de menigte door.

https://www.anni60news.com/wp-content/uploads/2018/01/nino-u-ballerino-01_1.jpg

Zeer theatraal is ‘Nino u’ ballerino’, de uitbater van Gastronomia, panineria, focacceria, waar hij van ’s middags twaalf (de trattoria zelf is al om zes uur ’s ochtends open) tot diep in de nacht broodjes milt draait, verpakt en verkoopt, daarbij dansend bij de zeer luide klanken van de buiten opgestelde tv. Als dat geen opera is.

Palermo is een paradijs voor zoetekauwen. Men ontbijt er met een kaneelbroodje met ijs (brioche con gelato) en de gebakken, gebakjes, taarten, taartjes en als fruit vermomde marsepein (paste reale) doen je op zijn minst watertanden, zelfs als je, zoals ik, niet van zoet houdt. Daar kan er geen schilderij tegenop

Massimo ijs

https://i.etsystatic.com/17699499/r/il/837d28/1550973205/il_794xN.1550973205_5g7g.jpg

TEATRO MASSIMO

Massimo-Franco-Lannino-1

Het Teatro Massimo opende zijn deuren in 1897 met Falstaff van Verdi. Er wordt gezegd dat Giovanni Battista Basite, de ontwerper van het werkelijk oogverblindend mooie operahuis, in zijn creatie beïnvloed werd door de plannen van Garnier voor de opera in Parijs. Best mogelijk, beide huizen lijken ook op elkaar, maar Massimo, met zijn zes etages goudkleurige loges en adembenemende plafondschilderingen, overtreft alles wat ik tot nu toe heb gezien.

Het werd in 1974 ‘tijdelijk’ gesloten voor de renovaties en het duurde maar liefst 23 jaar (maffia hè?) eer het theater werd heropend. Dat gebeurde in 1997 met Verdi’s Nabucco, net op tijd om het honderdjarig bestaan van het operahuis te vieren. Tegenwoordig telt Massimo 1250 plaatsen en behoort tot de grootste operahuizen van Europa.

https://gdsit.cdn-immedia.net/2016/10/teatro-massimo-esterno.jpg

© Il Giornale di Sicilia

Natuurlijk wil iedereen zich laten fotograferen op de beroemde trap (ik neem aan dat u Godfather 3 hebt gezien, met al die maffiosi die elkaar tijdens de voorstelling van Cavalleria Rusticana afknallen?), waardoor het er bijzonder druk is en het niet meevalt om de trap op (laat staan af!) te lopen.

LA SCHUOLA VA AL MASSIMO

Massimo-Franco-Lannino-2

© Franco Lannino

Maar wat Massimo het meest van al zijn collega-operahuizen onderscheidt, is het schoolproject, La Schuola va al Massimo. Ik kan mij natuurlijk vergissen, maar het Siciliaanse project om kinderen naar de opera te brengen, lijkt mij uniek in de wereld

Het project is in 2005 van start gegaan en er wordt op verschillende manieren vorm aan gegeven. Bestaande opera’s (Carmen, La Cenerentola) worden speciaal voor kinderen bewerkt, componisten krijgen een opdracht om een opera voor de doelgroep te componeren, kinderopera’s (De Globolinks van Menotti) worden op het toneel gezet of er worden voorstellingen rond een bepaald idee gecreëerd. Er worden vijftig voorstellingen per jaar gegeven en men bereikt er 50 à 60 DUIZEND kinderen mee. Doe het ze maar na!

De kinderen zijn in de leeftijd van zes tot zestien jaar, maar de oudere zijn er inmiddels zo met de opera vergroeid dat ze vanzelf al naar de bestaande voorstellingen gaan, alsof het om Idols gaat. Speciaal voor hen worden er tegenwoordig opera’s ook in de vroege namiddag vertoond.

Het laatste project, waarvoor het Massimo de prestigieuze prijs van The Italian National Association of Music Critics ontving, heet Bianco Rosso e Verdi. Het is een ‘monumento per Giuseppe Verdi, padre de la Patria’, wat met het oog op het Verdi-jaar en de 150e verjaardag van de éénwording van Italië niet meer dan logisch is. U weet toch wel dat de Italianen Verdi, samen met Garibaldi en Vittorio Emmanuele, als het symbool van de Unitá beschouwen?

Massimo-Franco-Lannino-5

© Franco Lannino

Bianco Rosso e Verdi is een potpourri met fragmenten uit verschillende opera’s van Verdi, met heel veel humor bijeengepraat door drie acteurs en, geholpen door het koor en het ballet van het huis, voortreffelijk gezongen door een vijftal jonge zangers.

De kinderen luisteren aandachtig, reageren alert en waar het kan, zingen ze mee. Alleen bij een, wat mij betreft, iets te lang fragment uit Otello gaat hun aandacht verslappen en gaan ze ongemakkelijk op de stoelen schuiven. Maar verder hebben ze dolle pret. Hulde!

Hieronder een klein fragment waarop je het enthousiasme (en actieve betrokkenheid!) van de kinderen kunt zien:

PALERMO – IL TROVATORE

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-4

Amarilli Nizza (Leonora) en Marcello Giordani (Manrico) © Franco Lannino

De productie die het Teatro Massimo in oktober 2011 op de planken heeft gebracht, komt oorspronkelijk uit Bologna en is zes jaar oud. En om meteen met de deur in huis te vallen: het was een productie van niets. De decors waren net niet van bordkarton en de regie (laat staan personenregie!) was non existente.

Men kwam van links, men kwam van rechts, men daalde de trappen af, men klom de trappen op (fijn voor de dames in hun lange, zware jurken!), men knielde, hief handen ten hemel… Meer beweging zat er niet in of het moest van de balletdansers komen, die de scènes voor ons uitbeeldden.

De regisseur (de Schotse Paul Curran) nam niet eens de moeite om naar Palermo te komen en liet de boel aan zijn assistent (?) Oscar Cecchi over. Zelden zie je de zangers zo ontzettend aan hun lot overgelaten, wat zich voornamelijk bij de tweede cast (men werkte met een dubbele bezetting) heeft gewroken.

Nou werden ze ook niet echt door de dirigent geholpen. Renato Palumbo, toch best een naam op het gebied van opera, wist niet precies welke tempi hij moest nemen. Soms was het te snel, soms tergend langzaam, in één woord: onevenwichtig.

Gustavo Porta (cast B) was een prima Manrico met een mooi ouderwets geluid, maar na de pauze raakte hij duidelijk vermoeid en begon te pushen. Nee, dan Marcello Giordani! Wat een geluid! Een Manrico uit duizenden met alles erop en eraan. Zijn prachtige hoge c in ‘Di quella pira’ was helemaal al punto en squilante, daar wordt een mens heel erg gelukkig van.

De Uruguayaanse María José Siri (een protégé van Ileana Cotrubas) was een aardige Leonora, maar ik vond haar hoogte nogal schel. Amarilli Nizza deed het duizend keer beter. Haar stem is inmiddels van bijna veristische afmetingen geworden, maar ze wist – herstellende van een zware, maandenlang durende ziekte – toch haar hoogte mooi en soepel te laten opbloeien en dan in de mooiste pianissimi te laten overgaan.

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-6

Roberto Frontali (Luna) © Franco Lannino

Juan Jesús Rodriguez (Luna) was geen partij voor Roberto Frontali. Wat de laatste demonstreerde, was de ware kunst van het echte Verdiaans zingen, dat hoort men nog maar zelden.

Mariana Pentcheva (cast A) zong Azucena met een enorme tremolo en ‘wijd vibrato’. De stem op zich was zeker indrukwekkend, warm, diep en laag, maar wat ze ermee deed, kon me absoluut niet bekoren.

Massimo Trovatore-Palermo-Franco-Lannino-1

© Franco Lannino

Anna Malavasi klonk in ieder geval frisser. Ze beschikte over een goede hoogte en laagte, al ging het niet zo diep als bij haar Bulgaarse collega. Erger was echter dat het leek alsof ze met twee stemmen tegelijk zong die elkaar nergens tegenkwamen – ergens tussen de laagte en hoogte in lag een enorm ravijn van stembreuk. Het kan ook aan haar jonge leeftijd liggen, maar iets zegt mij dat zij zich beter op de hogere mezzorollen kan concentreren en Azucena met rust moet laten.

Giovanni Battista Parodi en Francesco Palmieri (Ferrando) waren aan elkaar gewaagd, al beschikte Parodi over meer bühnepresence.

Hieronder de officiële trailer van de productie:

TRIVIA

Het publiek kleedt zich aan. Prachtige jurken, hoge naaldhakken, zelfs een bontje wordt uit de kast gehaald, ondanks de 22 graden buiten. In de pauze wordt er naar buiten gehold! Want er moet gerookt worden. Nergens ter wereld wordt er zo veel gepaft als in Palermo!

Op weg naar de benedenfoyer ruikt het naar oude spoelkeukens, maar de foyer zelf is mooi, ruim en rijkelijk voorzien van alles wat een hongerig en dorstig mens gelukkig kan maken.

Een glas voortreffelijke witte wijn kost 5 euro (je kan er mee de tuin in om van de laatste zonnestralen te genieten) en de verrukkelijke broodjes kosten iets meer dan 2 euro.

In de foyer hangen veel oude affiches. Tot mijn grote hilariteit lees ik in die van La Gioconda met Leyla Gencer uit 1969/70 dat Alvise gezongen werd door Anna di Stasio en La Cieca door Piero Cappuccilli. Tja ….. La vita é bella!