Ouverturen van Lortzing meesterlijk gedirigeerd door Jun Märkl

Lortzing Ouvertures

Albert Lortzing (1801-1851) behoort tot de meest uitgevoerde componisten, althans in Duitsland. Geen wonder: zijn muziek is zeer Duits. Meeste muziekliefhebbers kennen hem als de schepper van romantische sprookjes, maar Lortzing was meer dan dat. In zijn opera’s behandelt hij een keur aan verschillenden onderwerpen wat zijn werken meer dan interessant maakt.

Hij was ook politiek betrokken, wat hem op een heus verbod kwam te staan. Neem zo’n Regina bij voorbeeld: het verhaal speelt zich af in een fabriek, waar, behalve de romantische verwikkelingen ook heuse stakingen plaatsvinden en waar arbeiders in opstand komen. Helaas kun je niets van dat alles in de ouvertures sec horen, waardoor de cd een niet meer dan een leuk niemendalletje is. Ergens las ik dat de werken onbekend zouden zijn, maar dat is niet zo. Vijf van de ouvertures zijn overbekend en zelf kende ik alleen de Andreas Hofer uit 1832 niet.

Maar de uitvoering is zonder meer goed. Alles klopt, de tempi, de noten, de betrokkenheid. En toch ontbreekt er iets. Het ligt aan de muziek zelf, denk ik. Het zijn noten, heel erg veel aangename noten die nergens iets te vertellen hebben. Mijn petje af dus voor Jun Märkl die de ouvertures behandelt als waren ze door Mozart, Wagner of God zelf gecomponeerd.


ALBERT LORTZING
Opera Ouvertures
Malmo Opera Orchestra olv Jun Märkl
Naxos 8573824

Liefde zonder zinnelijkheid is geen liefde. Het een en ander over Tannhäuser

Tannhäuser_en_el_Venusberg,_por_John_Collier

In the Venusburg (Tannhauser), 1901 (oil on canvas) by John Collier

Tekst: Peter Franken

Wagners opera Tannhäuser und der Sängerkrieg auf Wartburg beleefde zijn première op 19 oktober 1845 in Dresden. De componist had er vanaf 1842 aan gewerkt en eigenlijk heeft hij de opera nooit tot eigen tevredenheid kunnen voltooien. Kort voor zijn overlijden in 1883 uitte Wagner nog de verzuchting dat hij de wereld nog een Tannhäuser verschuldigd was.

Tannhauser premiere dreseden

In 1875 had hij zelf nog een opvoering in Wenen geleid maar die was niet geheel naar wens verlopen. Daar klonk overigens wel de virtuoze muziek voor de violen die eigenlijk voor Parijs was gecomponeerd, feitelijk was er dus sprake van een Weense versie.

Uitvoeringspraktijk

Tannhauser Paris

Dat Wagner een groot deel van zijn leven is blijven sleutelen aan de partituur werd vooral veroorzaakt door de uitvoeringspraktijk. Hij was hierover nooit echt tevreden, vooral doordat zangers hun rol niet aankonden maar ook door gebrek aan kwaliteit van de uitvoerende orkesten. In 1860 verscheen er een herziene druk van de partituur. Een jaar later vond de  mislukte reeks voorstellingen in Parijs plaats. Hier liet Wagner de ouverture direct overgaan in een stormachtige scène in de Venusberg, het bacchanaal. De opvoeringen in Parijs werden in het Frans gezongen. Wat nu bekend staat als de ‘Pariser Fassung’ is een terugvertaling in het Duits.

Doordat de voor de rol van Walther von der Vogelweide geëngageerde zanger over onvoldoende kwaliteiten bleek te beschikken, moest zijn bijdrage aan de zangwedstrijd worden geschrapt. Die coupure is bepalend geworden voor de latere uitvoeringspraktijk van de Parijse versie en dat is een ernstig gemis. Een ‘schwärmerisch’ type als Walther die zingt over de zuivere bronnen van de liefde waaraan men slechts mag nippen, voegt veel toe aan de tegenstelling tussen Tannhäuser en zijn collega zangers. Nu heeft hij alleen Wolfram als tegenspeler, de bijdrage van Biterolf is van een heel andere aard, die roept op tot geweld.

Al met al zijn er 36 varianten in de partituur aanwijsbaar die allemaal voortkomen uit de problemen die Wagner ondervond bij het ‘uitvoerbaar’ maken van deze opera. Blijven spreken van een Dresdener en een Parijse versie is feitelijk achterhaald, er zijn er veel meer. Toch blijft men in het algemeen vasthouden aan die twee hoofdversies vanwege de herkenbaarheid die vooral zit in de ouverture en het daarop volgende bacchanaal. Het is echter niet ongebruikelijk om een hybride van beide versies te spelen, bijvoorbeeld door Walther zijn aria te laten zingen in de voor het overige Parijse versie.

Het verhaal

tannhauser2-wishful thinking

Tannhauser’s time in a den of sensual pleasures sends him on a pilgrimage to redeem his soul.

Wikimedia Commons

Zoals gebruikelijk schreef Wagner zelf het libretto. Hierin combineerde hij de legende van de minnezanger Tannhaüser met de legendarische zangwedstrijd op de Wartburg. Het werk behandelt de ontregeling van een verstard in zichzelf gekeerd milieu door de komst van een ongeremde vrijbuiter.

In die sociale omgeving weet men niet goed om te gaan met seksualiteit en erotiek wat heeft geleid tot het verheerlijken van de geestelijke liefde. Minnezanger Tannhaüser heeft echter heel andere ervaringen, opgedaan bij de bron, de Venusgrot. Geestelijke liefde is als onvruchtbare aarde: daarin groeien geen bloemen. Liefde zonder zinnelijkheid is geen liefde.

 

Tannhaüser

Tannhäuser_1845

Joseph Tichatschek (Tannhäuser) and Wilhelmine Schröder-Devrient (Venus); premiere in 1845

Uit het verhaal kan worden opgemaakt dat Heinrich Tannhaüser een minnezanger is die voorheen aan het hof van de landgraaf van Thüringen heeft geleefd. Op een bepaald moment moet het keurslijf van dit hofleven teveel zijn gaan knellen en is hij vertrokken, zonder dat iemand weet waarheen.

Duidelijk is dat hij erg wordt gemist, met name door Elisabeth, de nicht van de landgraaf. En door zijn collega’s, die zijn weliswaar een concurrent kwijt maar kunnen daar geen voordeel uit halen omdat Elisabeth heeft besloten geen zangwedstrijden meer bij te wonen. Zodoende is de hele zaak doodgebloed.

Bij aanvang van de opera verblijft Tannhaüser al geruime tijd bij de liefdesgodin Venus en haar dienaressen. Op het punt van erotiek en seks komt onze held niets tekort, sterker nog, hij raakt ermee overvoerd. En teveel is natuurlijk ook weer niet goed: ‘all sex and no play makes Heinrich a dull boy’.

Tannhauser-et-Venus-par-Otto-Knille-1873-©-Nationalgalerie-der-Staatlichen-Museen-zu-Berlin

Tannhäuser et Vénus, par Otto Knille, 1873 © Nationalgalerie der Staatlichen Museen zu Berlin

Venus gaat door het lint als hij voorzichtig aangeeft weer eens de buitenlucht op te willen zoeken. Wat wil hij daar in vredesnaam, in die kille starre omgeving waarin mensen als robots permanent bezig zijn hun vermeende zielenheil te behoeden? Hij was dat alles toch niet voor niets ontvlucht, hij Heinrich, de vrije vogel? Maar het helpt niet, Tannhaüser verveelt zich niet alleen maar vreest voor zijn plaats in het hiernamaals. Venus bespot hem hierom maar kan hem niet vasthouden.

Eenmaal in het vrije veld ontmoet de minnezanger zijn voormalige collega’s die hem meetronen naar de Wartburg met als belangrijkste argument dat Elisabeth daar op hem wacht. Voor henzelf is hij een soort werkgelegenheidsgarantie.

Wolfram

Wolfram von Eschenbach is de zanger die Tannhaüser het meest na staat. Wolfram heeft duidelijk zijn zinnen op Elisabeth gezet, maar zij leeft met de geïdealiseerde herinnering aan Tannhaüser en heeft geen oog voor andere mannen. Door Elisabeth met zijn rivaal te confronteren en zodoende weer tot een doorsnee persoon te maken, hoopt hij zijn kansen bij haar te vergroten.

Hij brengt Tannhaüser naar Elisabeth toe als die staat te zwijmelen in de Grote Zangershal (‘Dich, teure Halle, grüß’ ich wieder’) en blijft op de achtergrond aanwezig om een oogje in het zeil te houden bij hun ontmoeting. Hoewel die twee vrijwel onmiddellijk de liefde in elkaars ogen herkennen, hoeft Wolfram zich geen zorgen te maken, Tannhaüser weet zichzelf voor de ogen van het gehele hof op spectaculaire wijze onmogelijk te maken. Maar tegen de verwachting in blijft Elisabeth hem koesteren en laat Wolfram slechts in haar nabijheid toe als ‘goede vriend’. Meer dan een ‘Will and Grace verhouding’ zit er voor hem niet in.

Hermann Prey als Wolfram:

Elisabeth

tannhauser-elisabeth-2011 Camilla Nylund

Camilla Nylund als Elisabeth in 2011

Deze op het oog zo kuise dame is aan het hof het boegbeeld van de geestelijke liefde, de hoofdprijs voor diegene die het beste kan voorwenden daarin oprecht te geloven. Wolfram en Walther von der Vogelweide beijveren zich om hun aanspraken zo goed mogelijk te verwoorden tijdens de zangwedstrijd. Maar zij heeft eigenlijk alleen maar oog voor haar geheime liefde Heinrich. Ze hoeft hem alleen nog maar even die wedstrijd te laten winnen en hij is van haar. Als hij nu maar niets doms doet….

Het is duidelijk dat Elisabeth onder haar verplicht stijve uiterlijk geen onvruchtbare aarde is. Zij wil wel degelijk bloemen laten bloeien: ‘all song and no sex makes Elisabeth a dull girl.

Maar er openlijk voor uitkomen kost haar moeite, eigenlijk is ze gewoon een beetje verlegen, meer niet.

Geïnspireerd door zijn verblijf bij Venus en uitgedaagd door Wolfram en Walther laat Tannhaüser zich helemaal gaan. Alles en iedereen valt over hem heen, zijn leven loopt gevaar. En het is Elisabeth die hem redt. Het is onnodig hierover te spreken in gewichtige termen als opoffering en Erlösung, ze houdt gewoon van hem en laat hem niet vallen.

Hieronder ‘Dich, teure Halle’, gezongen door Leonie Rysanek:

De pelgrims

Bayreuth, Festspiele, "Tannhäuser", Schluss

Final scene, Bayreuth Festival 1930

Het pelgrimskoor is een van de bekendste melodieën van de opera. Deze lieden spelen op de achtergrond een belangrijke rol. Ze passeren de Wartburg ten tijde van Heinrichs deconfiture en hij wordt geprest om met hen mee te gaan naar Rome om vergiffenis te vragen voor zijn zonden. En die zijn groot naar kerkelijke maatstaven gemeten: hij is zich te buiten gegaan aan buitenechtelijk geslachtsverkeer en gaat daar prat op. Dat staat gelijk aan het negeren van een maatschappelijke code en zijn aanwezigheid wordt dan ook ervaren als bedreigend voor de samenleving. In sociaal opzicht is hij een spookrijder, iemand die de regels aan zijn laars lapt en daarmee anderen in gevaar brengt.

Als de pelgrims terugkeren blijkt Tannhaüser er niet bij te zijn tot wanhoop van Elisabeth. Zijn ontbreken in de groep duidt erop dat hij geen absolutie heeft gekregen van de paus. En dat betekent dat hij een outcast aan het hof zal blijven. Dat laatste is voor Elisabeth de genadeklap, ze kan het niet meer aan en sterft.

Venus

Tannhäuser verschijnt en doet de verbijsterde Wolfram verhaal van zijn mislukte pelgrimstocht. Hij wil terug naar Venus aangezien het leven in deze vorm hem niets meer te bieden heeft en het weinig zin heeft nog op een hemels hiernamaals te hopen. Venus krijgt hier lucht van en ziet haar gelijk bevestigd. Ze had het hem nog zo gezegd. Wat moet een man nu met Maria als hij bij Venus kan zijn, forever? Ze zingt hem verleidelijk toe: ‘Willkommen ungetreuer Mann’.

Tannhaueser The_Redemption_of_Tannhauser_1890

The Redemption of Tannhauser, Sir Francis Dicksee 1890

Op het nippertje weet Wolfram hem nog voor de kerkelijke versie van het bestaan te behouden. Hij wijst hem op Elisabeth die in de hemel bidt voor zijn zielenheil. Daar kan Venus uiteindelijk niet tegenop. Haar Dionysische wereld legt het af tegen de Apollinische van het middeleeuwse christendom.

Het artikel is, in de ingekorte versie al eerder op operamagazine.nl verschenen

Stiffelio in Parma: Graham Vick stelt niet ‘teleur’

Stiffelio Vick

Ik vermoed dat Stiffelio één van de meest problematische opera’s van Verdi is. Een protestantse dominee die zijn overspelige vrouw vergeeft met een citaat uit het Johannes-evangelie, ‘Laat hij die is zonder zonde de eerste steen werpt’ is niet een thema waar Italiaanse publiek op zat te wachten. ‘Een Italiaan vergeeft zijn overspelige echtgenote niet, hij steekt haar neer’. La Vendetta!

Het is pas de laatste tijd dat Stiffelio wat vaker wordt uitgevoerd, al is het voornamelijk concertante. Daar is zonder meer iets voor te zeggen, zeker met in het vooruitzicht een moderne conceptuele regisseur die het libretto naar zijn eigen concepten en (waan)ideeën ombuigt.

Graham Vick behoort tot die categorie regisseurs, en ook nu werd ik niet ‘teleurgesteld’. In Vicks visie is Stiffelio een conservatieve sekteleider die geconfronteerd wordt met vrouwen- en gayright’s activisten en verder klopt er ook niets van. Het begint al met de ouverture die gespeeld wordt als de toeschouwers binnenlopen en … blijven staan, er zijn namelijk geen stoelen. In Vickers visie figureren ze letterlijk in de actie die zich op een soort mobiele platformen afspeelt.

Gelukkig kunnen wij (ik deed het wel) ogen dichtdoen, waarna we onbeschaamd kunnen genieten van de fantastische zangers en hun prestaties (bedenk hoeveel moeite ze moesten doen om de dirigent op al die monitors te kunnen volgen!).

Lucio Ganci is een fantastische Stiffelio, met de juiste uitstraling en een stem uit duizenden. Maria Katzareva zingt een zeer dramatische Lina en Francesco Landolfi is een zeer overtuigende Stankar.

Guillermo Garcia Calvo dirigeert het orkest uit Bologna met veel elan. Waarom hebben ze de opname niet op gewoon op cd uitgebracht?

GIUSEPPE VERDI
Stiffelio
Luciano Ganci, Maria Katzarova, Francesco Landolfi, Emanuele Cordaro, Blagoj Nacoski, Cecilia Bernini
Coro del Teatro Comunale di Bologna (Andera Faidutti), Orchestra del Teatro Comunale di Bologna olv Guilermo Garcia Calvo
Regie: Graham Vick
Naxos 2110590

The Arthur Rubinstein International Piano Master Competition. A competition with a human face

Rubinstein 2014Which pianist does not dream of being the new Rubinstein? Or at least Emanuel Ax, winner of the first prize at the very first Arthur Rubinstein International Piano Master Competition in Tel Aviv forty-three years ago?

It is claimed that ‘the public’ is crazy about competitions, and I certainly believe that. Already in ancient times, people managed to keep their minds calm with bread and games; and all kinds of competitions were organized, also for singers, poets and philosophers. One wants to be entertained and the tension is tempting. Also for the spectators, but first and foremost for the participants, for whom a lot is at stake: commitments, record contracts and – who knows? – a great career and eternal fame.

The world is getting tougher, so are the competitions. Rivalry, not only among the participants but also among the competitions themselves, is increasing. In that world, the Tel Aviv competition feels a bit like a warm bath, at least that is what is claimed.

Idith Zvi © Eyal Fisher

Idith Zvi, artistic director of the Competition for thirteen years, likes that: “We want to be a competition with a human face. It is – and remains – a competition, but we must not lose sight of the human aspect, it is stressful enough for the participants.

Rubinstein Bistrizky

Jan Jacob Bistrizky with Arthur Rubinstein

It was Jan Jacob Bistrizky, himself a pianist and – before he emigrated to Israel in 1971 – one of the leaders of the Chopin Competition in Warsaw, who took the initiative to found a similar competition in Tel Aviv. His main intention was to enrich Israeli cultural life, but also to honour the name and artistic heritage of his friend Arthur Rubinstein.

Rubinstein Bistrizky met

Arthur Rubinstein and Jan Jacob Bistrizky

Since its foundation, the competition has also focused on promoting the work of Israeli composers. All participants are obliged to study a work of an Israeli composer ordered by the competition. There are always two of them, a man and a woman (in 2014 there were Ella Sheriff and Benjamin Yusupov) in Israel gender equality is more than important.

01_LOGO_RUBINSTEIN_2012

The enormous success of the first three editions led to the founding of the Arthur Rubinstein International Music Society in 1980. The year 2014 took a special place in the history of the competition: it was forty years ago that the competition was founded and ten years since the first ‘Piano Festivities’ had taken place. In 2014 it was also five years since the death of Bistrizky.

A few figures: in forty years fourteen competitions were held, there were six hundred participants, 43 pianists have won prizes, 180 often world famous musicians have been a member of the jury and the prizes amount to more than half a million dollars.

Idith Zvi is a famous pianist. She was the founder and director of the chamber music festival in Kfar Blum in the Upper Galilee, director of the Israel Chamber Orchestra and for many years head of the classical department of Kol Israel (Israeli radio). She became involved in the competition fourteen years ago.

How did it all start?
“In 2000 I was approached by Arie Vardi, chairman of the jury but also a well-known pianist and piano pedagogue. Among his students he counts among others Yundi. Was I interested in becoming Deputy Director? With the promise that I would succeed Bistrizky after his withdrawal. However, I first had to be interrogated by the members of the Supervisory Board and Bistrizky himself. I was elected. Three years later Bistrizky retired and I took his place as Director General.

Rubinstein Zvi Arie Rub

Idith Zvi and Arie Vardi, with the portrait of Arthur Rubinstein © Daniel Tchetchik

 “I had known him for years, also because I had done the competion’s radio broadcasts from the start. Bistrizky was a very erudite, intelligent man who was well organised and knew exactly what he wanted to achieve. It was not difficult to succeed him: what he left behind was a very well oiled and excellent running competition.”

“This year we have 39 participants, more than usual. The level of the candidates, therefore, was very high, it was not easy to choose. The medals the winners receive are decorated with drawings by Picasso of Rubinstein, with a fascimile signature of the maestro himself. Plus the emblem of the State of Israel”.

Rubinstein Picasso

Een bijschrift invoeren

Once you said that you don’t have to be a pianist to be asked for the jury.
“I still stand behind that. We are looking for real musicians in heart and soul, people we know and respect.”

“This year we have an ex-rocker, Yoni Rechter, among the jury members. He comes from the better pop music, but don’t be mistaken: he has also studied at the conservatory and has a great sense of music! But anyway: there should be at least one pianist, don’t you think? For the first time this year we have a fantastic Egyptian pianist in the jury, Ramzi Yassa.”

Ramzi Yassa talking to Arik Vardi about the Rubinstein competition. Only the introduction is in Hebrew:

“Fortunately, I am not a member of the jury and I don’t have to make any decisions! I think I would have a lot of arguments with the others!

What about the repertoire that candidates have to play? What are the rules?
“At the recitals they play what they want, they have no restrictions. Lately you see a shift towards ‘modern’ and ‘less common.’ We had a participant who had Ligeti on his list and Igor Levit, our second prize winner from 2005, played Reger and Hindemith.”

Igor Levit plays Suite 1922 Op. 26 pt 1 by Paul Hindemith:

No modern composers at the obligatory concerts? The list from which candidates may choose does not go beyond Prokofiev and Bartók?
“This is true, but how many good piano concerts from the twenty-first century do you know? The chamber music section changes each time. The emphasis is on the type of ensemble we have in mind, this year we have selected repertoire for wind ensembles”.

Among the 39 candidates there are many Russians (10) and Asians (11); do you have an explanation for this?
“It is of course due to music education and discipline. Perseverance and personal ambitions also play a significant role. Now you should not start to generalise right away. Nor should you lump all Asians together, because the differences between them are immense. Also the often heard comment that they lack emotions is not true! For example, the Chinese use a lot of expression in everything they play, more so than the Japanese, but that is also generalising and I don’t want to be guilty of that.”

What strikes me is the total lack of participants from the Netherlands. Can’t the Dutch play the piano? Or have they just not heard of the competition?
“Is our competition so unknown to you? That scares me! We need to do more about that!

“But the explanation may also be that there are few Russians studying at your conservatories. If you look closely at the list of participants, you will see that many of the American candidates, for example, originate from Russia. Or from one of the Asian countries”.

Meanwhile, the winners take over the international stages by storm. Daniil Trifonov, the sensation of 2011, has also won other competitions within a few months and signed an exclusive contract with DG.

Igor Levit, the somewhat timid winner of the second prize in 2005, has also fared well and has a CD out for Sony with Beethoven’s last piano sonatas – an absolute must for every music lover:


From 25 April to 11 May 2017, the fifteenth edition of the International Arthur Rubinstein Piano Master Competition was held. How will things turn out for Szymon Nehring, the latest winner of the competition? Time will tell, but I predict a great future for him.

Nehring plays Rachmaninoff’s third piano concerto:

And playing chamber music in Gabriel Fauré’s first piano quartet:

And what do you think of the Israeli participant Yevgeni Yontov? Below he plays Prokofiev ’s third piano concerto:

Weergaloze Liszt-recital door Boris Giltburg

Daniil Trifonovs weergaloze Rachmaninoff: cd van het jaar?

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Herinneringen aan La Juive in Amsterdam

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Het seizoen 2009-2010 van De Nationale Opera (toen nog de Nederlandse Opera) in Amsterdam begon zeer sterk met La Juive van Jacques Fromental Halévy. Deze productie was al eerder te zien geweest in Parijs, waar het, ondanks de mislukte première (het operapersoneel ging weer eens staken en er was geen belichting) hoge ogen gooide.

De regie van Pierre Audi was bijzonder mooi en doeltreffend. Zoals het (bijna) altijd bij hem het geval is waren de beelden gestileerd, esthetisch en prachtig om te zien. De onderkoelde esthetiek werkte perfect bij de zeer emotionele muziek, om van het onderwerp niet te spreken.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

© Ruth Walz

De grandioze belichting van Jean Kalman vormde een belangrijk onderdeel van het regieconcept, waardoor de eindscène waarin Eléazar en Rachel hun dood rustig tegenmoet lopen tot de meest ontroerende momenten in de operageschiedenis maakte. Ik kon het niet droog houden en ik was niet alleen. Ook het decor van George Tsypin: een stalen kathedraal die ook dienst deed as de gevangenis was zeer indrukwekkend.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

John Osborn (Léopold) en Angeles Blancas Gulin (Rachel) © Ruth Walz

Muzikaal was het gewoon een droomvoorstelling. Dennis O’Neill was gewoon Eléazar. Niet zo jong meer, getormenteerd, vol wraakgevoelens, maar ook twijfelend – een waarlijk perfecte bezetting. Zijn grote aria zong hij vol gloed en passie, en met de nodige snik. En al was het her en der niet helemaal perfect, ontroerend was het wel.

De stem van Angeles Blancas Gulin (Rachel), met haar zeer herkenbaar timbre is niet echt alledaags. Bij vlagen metaalachtig en scherp en toch warm en rond. Haar portrettering van een jong meisje verscheurd tussen plicht en liefde was zeer geloofwaardig en haar angst fysiek voelbaar.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Angeles Blancas Gulin (Rachel) en Annick Massis (Eudocxie) © Ruth Walz

John Osborn (Léopold) en Annick Massis (Eudoxie) waren ook in Parijs van de partij. Beide zangers beschikken over een werkelijk fenomenale belcanto techniek en duizelingwekkende, soepele hoge noten.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Alastair Miles (Brogni), Dennils O’Neill (Eléazar) en Angeles Blancas Gulin (Rachel) © Ruth Walz

Alastair Miles (Brogni) had misschien niet de beste lage noten, maar zijn uitstraling was zeer imposant.

Carlo Rizzi dirigeerde het voortreffelijk spelende Nederlands Filharmonisch Orkest met de nodige vaart en het Nederlands Operakoor (instudering: Martin Wright) was zoals altijd onweerstaanbaar goed. Een grote BRAVO voor allemaal.

trailer van de productie:

LA JUIVE: discografie

LA JUIVE Tel Aviv 2010

LA REINE DE CHYPRE

CLARI

Weergaloze Liszt-recital door Boris Giltburg

Liszt Giltburg

Allemachtig wat is die cd geweldig! Viel Giltburgs uitvoering van het Derde Concerto van Rachmaninoff mij een beetje tegen (ik vond het te krachtpatserig en te gejaagd), nu moet ik gewoon toegeven dat ik mij wellicht had vergist.

Neem alleen de ‘Rigoletto parafrases’ waarmee hij zijn recital opent: mamma mia! Bij de eerste maat al veer ik op want zo moet dat, zo en niet anders. Het spettert de boxen uit, maar wat nog belangrijker is: Giltburg neemt ruimschoots de tijd om de poëtische, salon-achtige zo je wilt, kant van Liszt naar boven te brengen. Hier word ik echt stil van.

Maar het draait uiteraard om de twaalf Études d’exécution transcendante, werken die vroeger onspeelbaar werden geacht en waar alleen de aller-allergrootste meesterpianisten zich waagden. Giltburg speelt ze – allemaal – vanzelfsprekend, gedecideerd, alsof het niets is. Goed: zijn attaque kan nog steeds fel uitpakken, maar hij kan ook adembenemende, betoverende pianissimo uit de toetsen toveren. En die glissandi!

Boris Giltburg spelt Bach -Busoni ‘Chaconne in D minor op de Arthur Rubinstein Piano Master Competition:

De Israëlische, in 1984 in Moskou geboren pianist Boris Giltburg (1984) studeerde in Tel Aviv bij de legendarische Arie Vardi. In 2011 won hij de tweede prijs op de Arthur Rubinstein Piano Master Competition en in 2013 was hij de winnaar van het Koningin Elisabethwedstrijd. Met deze cd heeft Giltburg bevestigd dat hij tot de allergrootsten behoort.


FRANZ LISZT
Paraphrase de concert au Rigoletto; 12 Études d’exécution transcendante S 139/R 2b – 3; Études de concert S 144/R 5 (nr. 2 La leggierezza)
Boris Giltburg
Naxos 8.573981

International Arthur Rubinstein Piano Master Competition. Wedstrijd met menselijk gezicht

Boris Giltburg speelt Rachmaninoff

Merel Vercammen en Dina Ivanova: sprookjesachtig cd-debuut

Symbiosis cover

Hier word ik heel blij van. Een fantastische jonge violiste die niet zit te wachten tot een platenmaatschappij zich aandient en het heft in eigen handen neemt. Wat, behalve het (grote, geef ik toe) gemis aan reclame en ondersteuning eigenlijk alleen maar voordelen oplevert. Althans voor ons, luisteraars, want nu worden we niet getrakteerd op de zoveelste Bach of Mozart. Ook niet op Wieniawski (al horen we van hem de laatste tijd niet zo veel meer) maar wel op zijn dochter, Irene Régine (1879-1932).

Symbiosis Irena-Wieniawska-P

Poldowski (Irene Régine Wieniawska)

De weinig bekende dochter van de grote Pools-Joodse virtuoos Henryk Wieniawski werd geboren in Brussel maar al gauw na zijn dood (hij stierf toen Irene tien maanden oud was) verhuisde zij met haar Britse moeder naar Londen. Zij studeerde in Brussel, woonde in Parijs en was getrouwd met Sir Aubrey Dean Paul, 5th Baronet. Zij wilde noch de naam van haar echtgenoot noch van haar vader willen gebruiken, zij wilde louter op haar muziek worden beoordeeld. Vandaar dat ze het pseudoniem Poldowski heeft aangenomen.

Ik kende een paar vaan haar liederen (chansons, eigenlijk), maar de Vioolsonate betekende voor mij de eerste kennismaking met de componiste in een wat ‘klassieker’ genre. En mensen, mensen, wat is het mooi! Waarom wordt het nooit gespeeld?

Symbiosis Mathilde Wantenaar

Mathilde Wantenaar © Karen van Gilst

De naam van Mathilde Wantenaar is helemaal nieuw voor mij. De in 1993 geboren componiste schrijft in een zeer romantische stijl, wat niet alleen zeer prettig is voor mijn oren maar mij ook een beetje doet verzuchten: hèhè, eindelijk weer eens iets waar ik voor het slapen gaan naar kan luisteren. De drie Sprookjes voor viool en piano doen hun titel eer aan. Ook de uitvoering is betoverend.

Merel Vercammens stokvoering is zacht en liefdevol en haar toon zoet. Toverachtig, eigenlijk. En zo passend bij die prachtige werkjes! Als ook bij de net zo toverachtige Vioolsonate van César Franck, het enige bekende werk op het recital. In de toelichting schreef Vercammen dat zij al sinds haar vijftiende verliefd is op die sonate en dat is te horen. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik het werk zo mooi uitgevoerd heb gehoord, niet sinds mijn geliefde opname van het duo Mintz/Bronfman. Daarin (en niet alleen daar in!) wordt ze fenomenaal bijgestaan door Dina Ivanova, één van de prijswinnaars op het laatste Liszt-Concours. Over symbiose gesproken!

De opname klinkt helder en de toelichting – van de hand van Merel Vercammen zelf – is zeer lezenswaardig. En nu: naar de winkels en kopen! Dat moet van mij!

Trailer van de album:

Symbiosis
Poldowski: Vioolsonate in d
Mathilde Wantenaar: Sprookjes voor viool en piano
César Franck: Vioolsonate in A
Merel Vercammen (viool), Dina Ivanova (piano)
Gutman Records CD 191