The Yiddish Cabaret: Jerusalem Quartet’s hommage aan hun grootouders

Jiddish Cabaret

Het Jerusalem Strijkkwartet stelt nooit teleur. Nooit. Wat ze ook spelen. Het gaat niet alleen om de perfectie maar ook, of misschien voornamelijk om hun aandacht voor het verhaal achter de noten. Voor hun betrokkenheid bij de stukken die ze spelen. En hun zoektocht naar de waarheid die wellicht niet eens bestaat. Maar met deze album zijn ze ver boven zichzelf en hun eigen norm gestegen. Wat wellicht te maken kan hebben dat ze de stukken zelf mochten kiezen, stukken die geen van allen alledaags zijn?

Met hun keuze hebben ze ook een statement gemaakt. Iets wat we eigenlijk allemaal weten maar nog steeds niet hardop willen toegeven want daar voelen we ons ongemakkelijk over? Over de invloed van Joden en hun aandeel in onze Westerse cultuur?

Nu zijn Schulhoff en zeker Korngold niet zo’n rariteit meer, al worden van de laatste tegenwoordig voornamelijk zijn opera’s uitgevoerd. En dat, terwijl zijn kamermuziekcomposities echt niet te versmaden zijn. Neem alleen zijn tweede strijkkwartet! Bij de eerste noten al krijg je het nostalgische gevoel van een onbereikbare geliefde en een intens verlangen. Mooi en pijnlijk tegelijk. Het zijn niet alleen de goddelijk mooie noten, het is ook de uitvoering. Smachtend en vol verlangen.

De vijf stukken voor het strijkkwartet van Erwin Schulhoff zijn een soort brug richting de titel van het album: het Joodse Cabaret. Leonid Desyatnikov componeerde zijn ‘Jiddisch’ in 2018. Die vijf liederen zijn gebaseerd op de Jiddische liedjes uit het Poolse interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen, die gezongen werden in de cabarets in Warschau en Lódz. De sopraan Hila Baggio weet in de liedjes de juiste toon te treffen. Lichtvoetig. Denk aan de zeer jonge Lotte Lenya.

Het album is opgedragen aan de grootouders van de leden van het kwartet. Ik permiteer mij om ook mijn eigen grootouders die ik nooit heb gekend erbij te betrekken.


The Yiddish Cabaret
Erich Wolfgang Korngold: Strijkkwartet nr. 2 op. 26
Erwin Schulhoff: 5 Stukken voor strijkkwartet
Leonid Desyatnikov: Jiddisch – 5 Lieder für Stimme und Streichquartett (2018)
Hila Baggio (sopraan), Jerusalem Quartet
Harmonia Mundi HMM 902631

Ramallah in Mokum.

Tekst: Neil van der Linden

palestine-youth-orchestra-fares-s.-mansour-1280-608-2

Palestine Youth Orchestra © Bryan MacCormack

Ik ga eerst even wat met vooroordelen spelen. Van de contrabassisten zijn er drie vrouwen, één met een hoofddoek, de andere twee niet. En ja, om de een of andere reden stonden de vrouwen geheel op links, de mannen op rechts, gescheiden dus; de Telegraaf of De Dagelijkse Standaard zouden daar van alles achter kunnen zoeken. Twee van de vijf slagwerkers waren vrouwen. Het koper bestond voor de helft uit vrouwen. De harpist was een vrouw ja. Het hout allemaal vrouwen. En de violen en altviolen tegen de helft vrouwen. In elk geval zijn vrouwen ruim vertegenwoordig in het Palestine Youth Orchestra, en ook in de vaak als minder vrouwelijk beschouwde orkestsegmenten.

Het orkest is het levenswerk van Suhail Khoury, één van de oprichters van het conservatorium van Ramallah. Ik was geregeld in de West Bank toen dit nog een beginnende muziekschool was. Dat was in de jaren van het optimisme over de situatie in de regio, ten tijde van de Oslo akkoorden. Het conservatorium werd al snel een toeleverancier van het door de Palestijnse politicoloog en pianist Edward Said, en dirigent en pianist Daniel Barenboim opgerichte West-Eastern Divan Orchestra. Na het overlijden van Said werd het omgedoopt tot Edward Said Academy, en bezocht Barenboim het geregeld.

Naast studenten en oud-studenten van de Edward Said Academy en Arabische musici uit Israël, onder meer Haifa en het Druzische dorp Maghar in het noorden, namen musici uit Jordanië met zijn grote Palestijnse gemeenschap, Egypte en Irak deel. Het orkest telt tegen de tachtig leden. De gemiddelde leeftijd is ongeveer 22 jaar.

PJO Vincent

Vincent de Kort © Concertgebouw

Dirigent Vincent de Kort heeft al een paar keer voor het Amman Symphony Orchestra gestaan, vandaaruit dat het gemakkelijk was ook musici uit Amman te rekruteren. Die eerste samenwerking was trouwens mede dankzij een regeling van het voormalige Muziek Centrum Nederland. Het optreden was het sluitstuk van een tournee door Scandinavië, Duitsland en Nederland. In Apeldoorn had men de dag ervoor gespeeld met het Nationaal Jeugdorkest onder Antony Hermus. Soliste was de Palestijnse zangeres Nai Barghouti, onlangs afgestudeerd aan het conservatorium Amsterdam, naar ik begreep met tienen, op dwarsfluit en in jazz-zang.

IMG_8344

© Neil vd Linden

Het repertoire, gegroepeerd rond De Liefde als thema, bestond uit stukken uit het Westerse romantische repertoire, Tchaikovski’s symfonisch gedicht Romeo en Julia, de Bacchanale uit Saint-Saëns’ Samson et Dalila, de ‘Liebestod’ uit Wagners Tristan und Isolde en de suite uit Bizets Carmen. Dan waren er twee orkestrale stukken uit het Midden-Oosten, Remembrance van Salvador Arnita en Palestinian Rhapsody van Faris Badarni.

In Tchaikovski, een sterke binnenkomer, viel meteen al de warme klank van de strijkers op, mooi aangevuld met de houtblazers. De opstelling, met zoals gezegd de contrabassen links en rechts, eerste violen vooraan links, tweede violen vooraan rechts, altviolen, cello’s en houtblazers gecentreerd rond het midden, werkte hier wonderwel. De opstelling is ontleend aan ‘authentieke’ orkesten als die van John Eliot Gardiner en William Christie, en naar ik begreep zet men in de Musikverein in Wenen de contrabassen ook op in deze ‘stereo’-configuratie.

Salvador Arnita (1914-1985) werd geboren in Jeruzalem, waar hij muziekdocent was en dirigent van het Jeruzalem Radio Orkest, tot hij in 1948 naar Libanon vluchtte. Daar leidde hij vervolgens de muziekafdeling van de American University. Verschillende orkestwerken in een romantisch idioom bezorgden hem de bijnaam de Brahms van Palestina, maar dit werk, met Midden-Oosterse percussie heeft een Orientaalse sfeer.

PJO nai-barghouti-mutaz-kawasmi

Nai Barghouti © mutaz-kawasmi

Nai Barghouti trad nu eerst op in twee liederen geschreven door leden van de Rahbani familie, ‘Saaltek habibi’ geschreven voor de grote zangeres Fairouz, door Assi en Mansour Rahbani, samen de beroemde Rahbani Brothers, en een stuk van Elias Rahbani, die eigenlijk altijd wat kitschachtiger componeerde. Saillant is dat beide liederen uit 1975 stammen, het jaar waarin de grote Libanese oorlog begon.

Nai Barghouti’s stem past goed bij het typische Libanese repertoire, dat lyrischer is dan de Egyptische zangstijl zoals groot gemaakt door de befaamde Umm Kulthum. Het onderscheid wordt bepaald door de religieuze achtergrond, de Libanese traditie komt voort uit de kerkzang en de Egyptische is verwant met de Quran-recitatie, die je in Westerse klassieke muziektermen als spinto in plaats van lyrisch kunt omschrijven.

In de context van dit concert, door een Palestijns orkest dat Europa bezoekt, is misschien moeilijk om wat dan ook toevallig te laten zijn, maar de keuze voor Saint-Saëns’ Bacchanale lijkt dat in elk geval niet. Het komt uit de opera (van een componist die trouwens geregeld in Egypte en Algerije verbleef en daar elementen uit Noord-Afrikaanse muziek oppikte) over een Bijbels-Israëlische leider die wordt verleid door een Filistijnse, die uiteindelijk zijn lot bezegelt (hoewel hij op het laatst nog wel even met zijn spierkracht één van hun ’heidense’ tempels omverduwt), dat kan niet echt toeval zijn. Maar daarnaast is het ook gewoon een fraaie muzikaal-Oriëntalistische dijenkletser, een mooie uitsmijter voor vóór de pauze.

De keuze voor Wagners ‘Liebestod’ meteen na de pauze vond ik minder gelukkig, niet zozeer vanwege de postume implicaties van Wagners gedachtengoed die door sommigen als minder passend worden ervaren in Midden-Oosterse context, al heeft onder meer Daniel Barenboim dat beeld bijgesteld. Nee, de Liebestod is gewoon een erg zwaar stuk, zeker te zwaar om als opwarmer na de pauze te dienen, en als je het zonder het Vorspiel speelt is het ook nog eens aan de korte kant om weer op gang te komen. Bovendien leunt het zwaar op de hoorns, en tsja, dat zijn moeilijke instrumenten, dus in die sectie was niet iedere muzikant even zeker van zijn of haar zaak, misschien juist door de druk die op hen werd uitgeoefend – ach ja, koper is in alle orkesten wel eens moeilijk. Ik zou bijvoorbeeld een Berlioz hebben gekozen, uit Romeo et Juliette of Les Troyens; het laatste zou ook mooi Mediterraans zijn geweest. Maar goed, een recensent moet niet op de stoel van het orkest gaan zitten.

De Palestijnse Rhapsodie van Faris Badarni daarentegen was echt een passend stuk. Orkestraal goed geschreven, door deze ook weer ongeveer 22-jarige componist. Hij komt uit Haifa, maar woont in München. Met succes werpt hij zich ook op als filmcomponist. Zijn veelzijdigheid is te horen in de muziek voor een klassieke tekenfilm, waarmee hij een prestigieuze Zwitserse prijs won:

Het volgende stuk zou Bizets suite uit Carmen zijn, en dat werd het ook, maar niet dan nadat het orkest met Nai Barghouti, zingend vanaf het balkon eerst een tahrir had uitgevoerd, een Oriëntaalse vocalise-improvisatie, die wonderwel overvloeide naar de eerste tonen van de prelude uit de eerste Carmen suite, waarvan de op Andalusische muziek geënte melodie natuurlijk aansloot op Nai Barghouti’s zanglijn. Ik zat er twee meter vandaan; kippenvel.

En toen was het officieel tijd voor het laatste stuk, weer een lied van de gebroeders Rahbani en ook bekend geworden door Fairouz: ‘Zaahrat al Madinat’ (Bloem der Steden). Dat komt van het album Al Quds fil Bal (Jeruzalem in mijn hart) uit 1967; het jaar van de Zesdaagse Oorlog. De tekst gaat over Jeruzalem als stad van de vrede, waarin moskeeën en kerken in harmonie bijeen staan (synagogen worden niet genoemd). Het lied was alom in het Midden-Oosten te horen na de Israëlische bombardementen op Libanon in 2006. In elk geval zong Nai Barghouti het voorbeeldig. Zelf houd ik niet zo van de wat martialer passages voor orkest uit het stuk. Er zijn zelfs passender stukken in het repertoire van Fairouz die gaan over ontheemding en verlatenheid, het prachtige melancholische Shady bijvoorbeeld.

PJO

© Vincent de Kort

Hoe het ook zij, de – uitverkochte – zaal reageerde uitzinnig op het hele concert. Nai gaf een toegift, een vocalise in scat-jazz stijl geïnspireerd door Bach. Daarna deed het orkest een ‘Dudamelletje’, Conga del Fuego van Arturo Marquez, vaak ook een uitsmijter als Gustavo Dudamel bij zijn thuishaven het Venezolaanse jeugdorkest dirigeert. Tot besluit werd de entrée van de toreadors uit Carmen herhaald, en toen kon de avond al helemaal niet meer stuk voor een luid meeklappend publiek.

IMG_8353

Een ontspannend ‘Havana’ na afloop © Neil vdLinden

Het Palestine Youth Orchestra onder leiding van Vincent de Kort met zang van Nai Barghouti, Concertgebouw Amsterdam 16 augustus 2019, in de Bankgiroloterij zomerconcerten.

De Neus: bittere satire van het allerhoogste niveau

De Neus

De Neus, de eerste opera van Dmitri Sjostakovitsj is gebaseerd op de gelijknamige novelle van Nikolaj Gogol. Voornamelijk dan, want hij gebruikte ook Gogols andere verhalen en van Fjodor Dostojevski heeft hij een volksliedje uit zijn Gebroeders Karamazov ‘geleend’

Het volstrekt absurde libretto verhaalt over de verdwijning, een desperate zoektocht en de wonderlijke terugkomst van de neus van majoor Kovaljov. Is het een droom? Een werkelijkheid? Het doet er eigenlijk niet toe. De opera is een bittere satire op een kleinburgerlijk milieu en de communistische maatschappij. Onder de groteske bovenlaag ligt heel wat leed verscholen: corruptie, onnozelheid en onbekwaamheid.

Er zijn maar liefst zeventig personages en de opera speelt zich op verschillende locaties af. Soms krijg je het gevoel midden in een film te zijn beland, zeker ook doordat de gebeurtenissen elkaar in een rap tempo opvolgen. De hoofdpersonen krijgen allemaal een persoonlijke begeleiding van een bepaald instrument, waardoor er een soort leidmotief wordt gecreëerd.

Het orkest speelt niet minder dan briljant, al legt Valery Gergiev voor mijn gevoel te veel nadruk op het groteske, waardoor de ernst van het verhaal het onderspit moet delven. Maar het klinkt werkelijk fantastisch.

De solisten zijn van het allerhoogst niveau, met Vladislav Sulimsky (Kovaljov) en Sergei Semishkur (de Neus) voorop.


Vladislav Sulimski, Alexei Tanovitski, Sergei Semishkur,Tatiana Kravtsova e.a.
Mariinski Soloists, Orchestra, and Chorus olv Valery Gergiev
Mariinsky MAR0501

 

Marcel Beekman: as a character tenor I am able to conquer the world!

MARCEL BEEKMAN - photo © Sarah Wijzenbeek

Marcel Beekman © Sarah Wijzenbeek

Marcel Beekman flies around the world to perform, as far as the Middle East. The tenor cannot be praised enough. We knew (or should have known!) for a long time that he is an all-rounder in his profession. His voice seems to know no boundaries and sometimes climbs esoterically high, but with a spectrum of colours. He doesn’t only feel the music, he sometimes seems to be connected to it in a compelling way.

Beekman calliope-tsoupaki-ruud-jonkers-02

Calliope Tsoupaki © Ruud Jonkers

According to Calliope Tsoupaki, the new Composer Laureate of the Netherlands, he is the best Dutch tenor. And she should know, because he has sung in many of her compositions. She composed the 1-minute opera Vesuvius 1927 for him, based on the text of P.F. Thomése, which had its premiere on the Dutch TV show ‘De Wereld Draait Door’:

But he also sang in her famous St. Luke’s Passion and saved the performance of her Greek Love Songs, performed at the Holland Festival in 2010. In June 2014 he also appeared in her opera Oedipus

Beekman oidc3adpous-calliope-tsoupaki-foto-janiek-dam

© Janiek Dam

And now she is composing a big new work for him – and for the countertenor Maarten Engeltjes. In addition to the singers, an instrumental ensemble, PRJCT, Maarten Engeltjes’ own ensemble, is also taking part. This work will have its premiere at November Music 2019 and may be programmed in other cities as well.

Other Dutch composers such as Jeff Hamburg, Elmert Schönberger and Martijn Padding (to name but a few) have written compositions with his voice in mind as well.

THE BEGINNING

The first time we met five years ago in his beautiful house in the Blaeu Erf, a kind of courtyard in a side street of the exceedingly busy Gravenstraat, right behind the Nieuwe Kerk. It is an oasis of peace, where hardly any sounds penetrate. We had tea (his secret mixture, which tasted very good to me) and talked about his early years, the discovery of opera and his many foreign performances, which even brought him to countries in the Middle East.

“I come from a provincial town and studied at a small conservatory, which meant that I was actually destined to become an oratorio singer. Or a teacher. At that time, no one thought of opera, not even I did. That only came when I was asked to do the opera/musical Jona de Neezegger by Willem Breuker. It came as a bit of a shock and I started to develop a taste for it. I wanted more!”

bEEKMAN JOna

In Jona de Neezeger © Pieter Boersma

You sing both old and new music. Did you consciously choose to do that or did it happen that way?

“I am indeed fluttering between the old and the modern. I’m pragmatic and communicative and I find it particularly exciting to work on a new score. The aspect of the new is like creating a new prism. You are not only a performing medium, but also a bit of a creative artist. It’s also nice to be able to talk to the composer, and yes – they also want to listen to you and change the notes. Sometimes I ask for extra high notes, they laugh about that, they like it.”

“I don’t mind being a kind of ‘tool’ in the hands of a composer, so if I’m required to be non-vibrato then I will. And I have to honestly say that sometimes I find it very beautiful, it has something pure, something natural.”

DIRECTORS

“Let me start with a cliché: rehearsals can be very different. The real eye-opener for me was Salome under Simon Rattle at the Salzburg Osterfestspiele. Rattle wanted us to come to Berlin first to read the score. That worked really well, because most of the time you hear the orchestral sound for the first time when the first ‘sitzprobe’ comes. A revelation.

I used to like Stuttgart, especially working with Jossi Wieler and Sergio Morabito. They are friendly, everything is done with mutual agreement and the atmosphere is pleasant. And – most important of all – they are so very respectful. Not only does that make things pleasant, but it also makes you open up. When you are treated like this, your heart opens and you want to do everything for them. The other way around, your door closes, and then you shut down. Of course you cooperate, you have to open up, otherwise you might as well sit behind the cash register at Lidl.”

Marcel Beekman WOZZECK

As Hauptmann in Wozzeck at DNO © Ruth Waltz

In the 2016/17 season we were able to admire Beekman in two major productions at the National Opera in Amsterdam: Wozzeck by Alban Berg and Salome by Richard Strauss. Especially Wozzeck, in which he sang both the Hauptmannn and the Narr, was very important for the tenor in that season, the recording of that production was recently released by Naxos (21110582).

SALZBURG 2019

Beekman BarrieKosky

Barrie Kosky © Gunnar Geller

Today, Beekman is one of the most famous and sought-after character tenors in the world, with a busy schedule. His 2019/2020 season has just been revealed and it’s indeed full He mentions the most important productions:

“In 2019 I will sing Pluton (Orphée aux Enfers by Jacques Offenbach) in Salzburg, in the new production of Barrie Kosky, the Australian director who is best known for his work at the Comic Oper in Berlin. The premiere will be on August 14th during the Salzburger Festspiele. Enrique Mazzola conducts the Vienna Philharmonic and as colleagues I get a.o. Kathryn Lewek (Euridice), Joel Prieto (Orfeo) and Anne Sophie von Otter (L’Opinion Publique). I’m really looking forward to that. I’ve never worked with Kosky before but I really admire his work. And then the idea that there will be an operetta in Salzburg! And of course Pluton is a real role for me.”

Beekman Pluto

Lustspiel in Luxus-Ausstattung: Marcel Beekman als Pluto (links) mit Martin Winkler. © apa/Neumayr/Leo

“German composer Christian Jost is currently writing the opera Voyage vers l’Espoir in which I will perform several roles. The premiere will take place at the end of March 2020 at the Grand Théâtre de Genève”.

Beekmanjost-christian

Christian Jost © Dutch Philharmonic Orchestra\\

In 2019, Les Arts Florissants celebrates its 40th anniversary: the reason for William Christie to program a grand international festive tour in December 2019. The programme includes works by Lully and Rameau, among others, and in addition to Beekman, several soloists, including Sandrine Piau and Christophe Dumaux, will be present.

BeekmN Platee-in-Paris-I-2014-Vincent-Pontet

Marcel Beekman as Platée in Paris © Vincent Pontet

Rameau’s Platée, directed by Carsen, one of Beekman’s biggest roles, will be performed in three different countries in December 2020. Unfortunately, the Netherlands is not one of them. His other starring role, Nutrice (L’Incoronazione di Poppea by Monteverdi from Salzburg 2018) has fortunately been recorded for DVD and will be released by Harmonia Mundi in September 2019.

Marcel Beekman L'INCORONAZIONE DI POPPEA

Marcel Beekman as Nutrice © Andreas Schaa

His schedule also mentions many separate projects, including a tour with Israel Camerata in June 2019 with the 1940 Cantata for Shabbath by the Israeli composer Mordechai Seter (1916-1994).

Beekman M_Seter

Mordechai Seter

Beekman: “I look forward to that. I love that country and every time I’m there, there’s a bit of recognition”. “I’m looking into my past. It is not for nothing that I feel so at home in Israel. The Jewish, that appeals to me. Is there anything in the past? There was once a Beckman, with a “c”… But does it matter? Not really. I feel involved with minorities”.

“I’ve refocused my accents and changed my priorities, adjusted them. That included selling Blaeu Erf. I don’t care about the money, I sold the house to live, to enjoy. I don’t have a partner and do I want one? I don’t know, but I am happy this way: my life is on the right track and it brings me what I love most: music, art, life! It took me a while to find my way, but as a character tenor I am able to conquer the world!

For the complete schedule of Marcel Beekman see his  website.

Translated with www.DeepL.com/Translator

Interview in Dutch: Marcel Beekman: als karaktertenor kan ik de hele wereld veroveren!

Perzische gedichten over de geneugten van de wijn, door een Tsjechische Jood op muziek gezet

Ulmaan Matuszek

De Perzische dichter Hafiz heeft ook behoorlijk veel westerlingen beïnvloed. Zijn ghazels (korte gedichten die voornamelijk over liefde en wijn gaan) waren de inspiratiebron voor Goethe’s  West-östlichen Divan. Maar ook veel componisten hebben zijn gedichten op muziek gezet, onder anderen Karol Szymanowski en Victor Ullmann.

Ullmann componeerde zijn Liederbuch des Hafis in 1940. De heerlijk lichtvoetige, humoristische en lyrische liederen zijn een lust voor het oor en zouden een zeer aangename uitbreiding van het liedrepertoire kunnen zijn. Het kan bij mij dan ook niet in waarom ze niet vaker gezongen worden. Ullmann is tenslotte één van de grootste componisten van de twintigste eeuw en zo onbekend is hij toch ook niet meer?

In 1942 werd Ullmann naar Terezín (Theresienstadt) gedeporteerd. Hij schreef er veel van zijn belangrijkste werken, o.a. zijn derde strijkkwartet en de opera Der Kaiser von Atlantis. Uit die tijd stammen ook de liederen Der Mensch und sein Tag op.47 en de Drei Chinesische Lieder.

De Tsjechische bariton Petr Matuszek beschikt over een zeer fraai en warm timbre, hij zingt verstaanbaar en met veel gevoel. Zijn repertoire is zeer gevarieerd: behalve Schubert, Schumann, Brahms en Zelenka (!) zingt hij ook veel hedendaagse composities. Bovendien heeft hij zowat alle liederen van de ‘Theresienstadt componisten’ opgenomen.

Hij wordt uitstekend begeleid door Aleš Kanka op de piano en in het lied ‘Herbst’ (hier onterecht aangeplakt bij de cyclus Der Mensch und sein Tag) wordt hij bijgestaan door een strijktrio.


Victor Ullmann
Songs
Petr Matuszek bariton
Aleš Kanka piano, Pavel Eret viool, Libor Kanka altviool, Vladan Kocí cello
Supraphon SU 3284-2 231

A frank conversation with Pablo Heras-Casado

pablo-burkhard-scheibe

© Burkhard Scheibe

For some people different standards apply than for ordinary mortals and everything they touch turns into gold, and they don’t get caught up in it. Pablo Heras-Casado is such a homo universalis. The young Spaniard (Granada 1977) was voted the ‘2014 Conductor of the Year’ in December 2013 by the prestigious Musical America’s. Rightly so? Premature? Considered on potential growth?

pablo

Heras-Casado masters all genres of classical music: from baroque to modern and from chamber music to opera. He conducts the largest symphony orchestras of the world, but he is equally fond of the Freiburger Barochokester and the Ensemble Intercontemporain.

The conductor is therefore busy. Very busy. Today he is, so to speak, still in New York, tomorrow in Amsterdam and the day after in Freiburg. Or Madrid, Vienna, Barcelona, Brussels… If you look at his diary, you’ ll start to feel dizzy.

He doesn’t like Skype, hates e-mails and the telephone connection fails twice. But three times is a charm and that’s where we are now: me in Amsterdam and him in Neumarkt, where he is on a Schumann tour with his “Fabulous Freiburger BarockOrchester” and his “dream team” with Isabelle Faust, Alexander Melnikov and Jean-Guihen Queyras. Then comes Carmen in St. Petersburg, a concert with all modernists in New York and Die Zauberflöte (the successful Amsterdam production of Simon McBurney) at the Festival d’Aix-en-Provence.

He started his career as a singer and his roots lie in early music. What made him decide to conduct? And, since he’s an all-rounder, does he have a preference for a particular style? Period? Genre?

“Singing has always been prominent in my life, that’s how it started. It was (and still is) the most important factor in my life and in my career. Why did I start conducting? Because I wanted to share my ideas, my energy. Besides singing, I also play the piano and violin, but conducting gave me the opportunity to really open up to the outside world and to make my mark on a work. In this way I was able to make my voice be heard better, that was also what I insisted on. I made the decision when I was 14, 15, so I was a very curious boy.”

“I have no preferences. I am a musician, that’s how I feel and I want – and I hope, that I can do it – to embrace all music. I can’t say that Schumann, a composer who is now on my menu every day and whom I adore, is a bigger composer than, for example, de Victoria. Or Praetorius.”

“I love everything, I’m really an omnivore and I want to try everything. I don’t tell you anything new when I tell you that I love most what I’m doing right now. Right now it’s Shostakovich, I’ve come to love him sincerely and for the time being I can’t get enough of him.”

pablo-heras-casado-2014-01-11

© ZaterdagMatinee

You made your debut at the Met with Rigoletto, it was a revival and the orchestra and the choir had already rehearsed the work with someone else, perhaps at a completely different tempo. It strikes me as very difficult…

“I have very few rehearsals, yes. Actually only one orchestral rehearsal and then the two dress rehearsals. And a special rehearsal with the singers. But it wasn’t difficult at all. We are talking about a world class orchestra and Rigoletto is part of the standard repertoire: it has to be possible. And don’t forget that every performance is actually different! Even if we’ve already had the premiere, you can still control things, which is quite nice.”

Nowadays you hear many singers complain that because the orchestras play so loudly, they get into trouble if they want to sing softly. In an interview, Samir Pirgu, a young Albanian tenor, quoted a statement by Harnoncourt, in which the latter said that it is actually difficult for orchestras to play piano. Forte and fortessimo are much easier.

“It is indeed a problem, the orchestras often play too loudly. And many conductors have no idea at all about singers and their possibilities. I think it’s different for me, also because I started out as a singer myself.”

“You can’t escape a conflict that needs to be resolved, especially when you’re working on a large project, which is always the case with opera. Working with a director also requires diplomacy. Still, I think that you can solve all problems and disputes through dialogue, there must always be a way to get closer together. But you have to be open-minded and I am, I’m open to everything.”

pablo-domingo

As part of the Verdi year, you recorded a CD with Plácido Domingo’s baritone arias together with him. How did you get involved in that project?

“It was the maestro himself who asked me for the project. It was really amazing to be able to discover Verdi’s beautiful music that way. We had a lot of time for it and we took a lot of that time. It was the chance of my life to get to know Verdi through Domingo.”

Trailer of Making of:

“For Archiv, the label for which I have now become the ‘ambassador’, I am going to record a lot of early music, a lot of unknown works, also many premieres. Including a lot of music by of all the Praetoriuses.”

“I find it very exciting, it is also a huge challenge. As I said, I love to be challenged and to try everything. That’s how I felt about the very first project I did for Archiv, El Maestro Farinelli.

pablo-farinelli

 I actually find the title misleading. The CD is called Il Maestro Farinelli and there are only two vocal numbers on it, even though Farinelli was in fact a singer? You’ d expect some more vocal fireworks, wouldn’t you?

“It’s a little complicated. Of course Farinelli was the greatest singer of his time! But it’s all about connecting. Farinelli has sung everywhere: in several Italian cities (Milan, Florence, Venice), but also in Munich, Vienna, London. He had signed a contract with the London group of Nicola Porpora, at the time the most notorious rival of Handel, but his connection with Spain was of a different, and also very emotional, nature.”

“In 1737 he broke his London contract to come and sing at the personal request of Queen Elisabeth Farnese for her manic-depressive husband, Philip V. Every evening he serenaded the king (he sang ‘Alto Giovane’ by Porpora for him) and a miracle happened: the king was cured. Farinelli stayed in Spain and until his death in 1745 he continued to sing for the king.”

“But of course his merit was much greater. Not only did he cure the king of his melancholy, but he also established a connection between Italian and Spanish – and German – music. The enormous repertoire, the diversity of works and composers, the enormous musical boost, we all owe that to him. You could say that Farinelli was a factotum between Italian and Spanish music.”

“I wanted to put forgotten composers on the map, hence José de Nebra, after all he was the father of the Spanish opera and the zarzuela. It is unbelievable that this beautiful music is almost never performed any more! Or take the Armida overture by Tommaso Traetta: the music is infectiously beautiful! Of course, these are not all pure masterpieces, but: should they?”

trailer of his Farinelli CD:

In the NTR documentary that the Dutch TV has made on you, you come across as very energetic. Do you owe it to the countless double espressos that you knock back one after the other? Are they meant to keep you awake?

Laughing: “I really love espresso, I love the taste and the smell. And – yes, I need it too, it keeps me alert. It has also become a kind of routine, without which I don’t go on, I need my espresso. I do drink it a lot, but I don’t drink it all day! And certainly not in the evening, then I prefer something else”.

The NTR documentary about Pablo Heras-Casado can be found on the website of NTR Podium.

Interview in Dutch:
Een openhartig gesprek met PABLO HERAS-CASADO

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

De Arena op zijn kop

Tekst Sander Boonstra

Domingo 50

© Sander Boonstra

In 1969 zette de mens zijn eerste schreden op de maan. Datzelfde jaar (toevallig ook dezelfde dag) zette een jonge Plácido Domingo zijn eerste stappen op het immense toneel van de Arena van Verona, naast Birgit Nilsson als ‘zijn’ Turandot. Afgelopen zondag vierden we, dat deze operalegende al vijftig jaar lang de arena bespeelt, als zanger of als dirigent.

Trailer

Speciaal voor deze avond creëerde regisseur Stefano Trespidi samen met set designer Ezio Antonelli een multifunctioneel decor voor scènes uit NabuccoMacbeth en Simone Boccanegra. Effectief: weinig omballingen, alleen de nodige aanpassingen, die vooral tijdens de pauzes werden gedaan. Waar Nabucco in een ‘Bijbelse’ setting werd gespeeld, was Macbeth modern aangekleed; Simone Boccanegra ademde de sfeer uit van de dogetijd zelf, met slechts drie rode gordijnen in het overwegend bruine en grijze decor.

De avond begint wat moeizaam: dirigent Jordi Banàcer heeft het orkest van de Arena nog niet helemaal in de vingers bij de ouverture tot Nabucco. Het klinkt niet zoals ik het graag had willen horen. Bij het ‘Va, pensiero’ lopen koor, orkest en dirigent ook nog niet helemaal gelijk, en het lijkt erop, dat dat gaandeweg de vierde akte van deze opera pas oplost. Bij Macbeth en Boccanegra is van dit alles niets meer te merken.

Arturo Chacón-Cruz presteert van alle tegenspelers van Domingo boven verwachting: een gegriefde Macduff en een Adorno vol emotie. Een stem die nergens geforceerd wordt, al wil deze nog wel eens wegvallen bij ensemblewerk in combinatie met vol orkest en koor. Anna Pirozzi moet opwarmen gedurende de avond: als Amelia is zij wat mij betreft het overtuigendst. De kleinere rollen zijn verder prima bezet, zeker Géraldine Chauvet als een fantastische Fenena!

En dan de man waar het deze avond allemaal om draait: Plácido Domingo. Vol energie en met zichtbaar enthousiasme om een uitverkochte arena te laten genieten. En dat lukt hem. Na zijn opkomst als Nabucco moet Benàcer een moment staken om een ovatie de vrije loop te laten; ‘Dio di Giuda’ wordt ademloos ontvangen en meer dan ruimschoots beloond; na Macbeth’s aria (‘Perfidi! all anglo’) gaat het toch al niet aanwezige dak er af. Domingo is goed bij stem, zingt de sterren áán de hemel en acteert met een natuurlijke flair en overtuiging, waar menig acteur jaloers op kan worden. Het slotapplaus – nadat Arena-crew, koorleden, creatives, solisten en dirigent reeds hun aandeel in ontvangst hebben genomen – is niet van de lucht, wanneer de zichtbaar geëmotioneerde jubilaris zijn opwachting maakt. Minutenlang staat de Arena op zijn kop. En terecht!

Domingo Sander

Sander Boonstra met Plácido Domingo © Sander Boonstra

Bravo’s en gejuich overstemmen mijn traan van bewondering en adoratie. En even denk ik aan de avond ervoor, toen ik mijn grote held bij Ristorante Maffei aan het Piazza Erbe in levenden lijve mocht ontmoeten…