Angela Gheorghiu is als Magda in La Rondine in haar element

https://m.media-amazon.com/images/I/61GXQHfzsbL.jpg

Tekst: Peter Franken

Nu de Metropolitan Opera een streep heeft gehaald door het complete seizoen zullen we nog een jaartje moeten wachten op de eerste voorstelling in de serie Live from the Met, een groot gemis. Liefhebbers van Puccini die troost zoeken kunnen echter terecht bij een voorbeeldige uitvoering van La Rondine met Gheorghiu en Alagna in de hoofdrollen. Het is een opname van de uitzending uit 2009 maar beter een herhaling dan helemaal niets.

In 2005 stond La Rondine op het programma van het Théâtre du Châtelet in Parijs. Ruim tevoren was deze productie groots aangekondigd met Angela Gheorghiu en Roberto Alagna als trekpleisters. Gelijk een kaartje besteld. Natuurlijk zou er ook een opname van worden gemaakt en daarmee begon de ellende. Alagna’s huislabel lag dwars, exit de beoogde tenor. Bleef over Gheorghiu maar die meldde zich vlak voor de eerste reeks voorstellingen af. Uiteindelijk zong ze alleen de dernière. Ook al was Inva Mula een uitstekende vervanger, ik voelde me toch een beetje bekocht. Maar gelukkig is er een zeer geslaagde opname met dit tweetal in de handel en die heeft mijn teleurstelling van 15 jaar geleden helemaal goedgemaakt.

La Rondine is de minst gespeelde van de opera’s uit de Puccini canon. Het werk volgt op La fanciulla del West en komt net voor Il trittico. Het is vrijwel volledig doorgecomponeerd, ‘Chi il bel sogno di Doretta’ is de enige echte aria. De vele gezongen dialogen geven het werk ook bij vlagen het karakter van een conversatiestuk. De muziek ligt prettig in het gehoor en dat is een van de redenen dat deze door sommigen wordt weggezet als opgeklopte slagroom. Maar luister je aandachtig naar La Rondine, dan valt op dat dit onmiskenbaar een ‘echte Puccini’ is. Alleen de verhaallijn is nogal afwijkend: er gaat niemand in dood en iedereen gedraagt zich heel beschaafd.

De productie van regisseur Stephen Barlow en decorontwerper Ezio Frigerio is geplaatst in de jaren ’20 met een fraai toneelbeeld in art deco stijl. De kostuums van Franca Squarciapino zijn daar goed op afgestemd. Het verhaal past prima in dit tijdsgewricht. Vrouw die zich laat onderhouden door rijke oudere man wordt verliefd op jonge man uit de provincie. Ze beleven een korte idylle maar worden ingehaald door geldgebrek en door haar verleden dat niet verenigbaar is met zijn burgerlijke achtergrond. Ze beëindigt de relatie omdat ze weet dat ze zijn ouderlijk huis niet kan betreden. Doet beetje denken aan La traviata natuurlijk.

Magda wordt uitstekend vertolkt door Gheorghiu, toen al een van haar favoriete rollen. De muziek klinkt simpel maar kent zeer lastige passages die ze met het grootste gemak aankan. Verder is ze een plaatje om te zien en haar acteerwerk is goed verzorgd. Met haar toenmalige echtgenoot Alagna vormt ze een zeer natuurlijk ogend koppel. Ze traden in die tijd veel samen op en waren ook buiten de bühne natuurlijk zeer goed met elkaar vertrouwd. Alagna heeft er duidelijk schik in en veroorlooft zich onopvallend een paar vrijheden die erop duiden dat hij met zijn eigen vrouw op het toneel staat. Zijn zang mag er zijn en de wanhoop die hij aan het einde speelt komt zeer geloofwaardig over.

Waarschijnlijk omdat de plot nogal dun is, is er een tweede koppel aan het verhaal toegevoegd. De dichter Prunier die gelooft in de ware liefde maar eigenlijk niet verder wil kijken dan intrigerende beroemde vrouwen zoals Berenice, Francesca en Salome, daarmee impliciet te kennen gevend dat iemand als Magda beneden zijn stand is. Prunier heeft het voortdurend aan de stok met Magda’s vrijpostige dienstmeisje Lisette. Dat is echter maar schijn, hij is helemaal weg van haar en ze zijn in het geheim allang een stelletje.

Marius Brenciu geeft een prima vertolking van Prunier, die overigens het eerste deel van ‘Chi il bel sogno’ zingt. Lisette Oropresa excelleert als de brutale dienstmeid die door Preunier voortdurend als een Eliza Doolittle wordt behandeld. Mooi dat er zo’n topbezetting is gekozen voor de tweede sopraanrol.

Koor en orkest van de Met staan onder leiding van Marco Armiliato.

Arnold van Mill: is there someone who still remembers him?

Decca van Mill

The Dutch bass Arnold van Mill is almost completely forgotten nowadays. How unfair! His voice is a bit reminiscent of the young Kurt Moll, which of course is also due to the repertoire. Beautiful!

Below is the duet from Der Fliegende Holländer. Arnold Van Mill sings Daland and George London Der Holländer:

Van Mill was mainly famous for his Wagner roles. Unfortunately they are not on this CD. But his smooth bass was also very suitable for Singspiel and operetta. His Lortzing, Cornelius, Nicolai and Weber (all present on this CD) are a pure delight for the ear. All real collector items. Thank you, Decca!


The CD is complemented by Russian songs, sung by the Bulgarian bass Raphael Arié. Another great singer who is ompletely forgotten.

The combination is not really a happy one: not only does the repertoire differ like day and night, the voices are incomparable as well; which does not prevent me from enjoying him enormously! Hopefully Decca will have more of Arié on the shelf, because my wish list with his recordings is quite long!

Below Arié sings ‘Ella giammai m’amo’ from Don Carlo

Een paar woorden over Castor et Pollux van Rameau

In tegenstelling tot bij voorbeeld Händel heeft Jean-Philippe Rameau niet een echte renaissance gekend. En al bereiken zijn werken meestal niet het niveau van de Duits-Engelse grootmeester, toch zijn zij zeker meer dan de moeite waard. Al was het alleen vanwege de belangrijke plaats die zij nemen in de ontwikkeling van de muziekgeschiedenis. En persoonlijk (niet slaan! Het is maar mijn mening!) vind ik zijn muziek mooier, evenwichtiger en prettiger om naar te luisteren dan naar de meeste van zijn meer gewaardeerde tijdgenoten.

Castor et Pollux was Rameau’s tweede ‘tragedie en musique’. Het werd in 1737 voor het eerst uitgevoerd en in 1754 totaal gereviseerd, waarbij o.a. de proloog eruit werd geknipt. In 1992, één jaar na de live opvoeringen in Aix-en-Provence, nam William Christie voor Harmonia Mundi (HM 901435.37) de eerste versie op.

Het klinkt allemaal zeer bevlogen en er wordt voortreffelijk in gezongen, voornamelijk door Agnès Mellon (Télaire), Véronique Gens (Phébé) en Jérôme Corréas (Pollux). Persoonlijk had ik iets meer vibrato willen horen, maar vooralsnog heeft deze opname geen concurrentie. Althans voor mij.


Gerard Souzay. So we don’t forget him

Decca-Souzay-Liederkreis-op.-39

The in all respects beautiful baritone Gérard Souzay has made the big mistake to sing on for far too long. His last Philips recordings are unlistenable and with his hair dyed pitch black he looked rather pathetic. A great pity, because if you listen to his earlier recordings, you can only fall in love with him and his voice.

Souzay was without a doubt one of the greatest performers of French song and his Faurés and Ravels are a delight. But don’t underestimate his German lieder either! Listening to his recording of Schumann’s Liederkreis from 1965, one cannot escape the thought that this music should go like this, and not otherwise. Just listen to his ‘In der Fremde’; I want to bet you cannot escape the feeling of being displaced yourself.

Below Liederkreis:

His Dichterliebe is just as beautiful: with his light baritone and his sweet, sweet sound he makes you actually fall in love. The recording dates from 1953 and in addition to the cycle we get three separate Schumann songs, including an interpretation of ‘Nussbaum’, which moves me to tears:

In these recordings Souzay’s then regular accompanist Jacqueline Bonneau accompanies him. After 1954 she gave way to Dalton Baldwin (Bonneau did not like travelling). Souzay had a kind of musical marriage with Baldwin. Their collaboration guarantees ultimate beauty

Below is Dichterliebe:

Jakob Lenz van Wolfgang Rihm uitgebracht op dvd

Tekst: Peter Franken

 

In maart 2015 was Jakob Lenz te zien in de De Munt in een productie van Andrea Breth. De voorstelling werd verfilmd door Myriam Hoyer en de opname is in 2019 door Alpha Classics op dvd uitgebracht.

Wolfgang Rihm is een icoon van de hedendaagse muziek en met Jakob Lenz voegde hij in 1979 een tweede opera toe aan zijn alreeds omvangrijke oeuvre, kort na Die Hamletmaschine uit 1977. In deze productie wordt de titelrol vertolkt door bariton Georg Nigl, ook iemand met een grote staat van dienst in het moderne repertoire.

Jakob Lenz is een historische figuur. Hij was bevriend met Goethe en werd verliefd op diens vroegere geliefde Frederieke. Met haar werd het niets en dat was vermoedelijk wat de onder de oppervlakte aanwezige krankzinnigheid van Lenz naar boven bracht. De opera volgt de protagonist in zijn afglijden naar totale waanzin, steeds op zoek naar Frederieke die hij in een bloedstillende scène ook in een dood kind meent te herkennen.

Sta op en wandel, gebiedt hij haar. En als dat geen effect heeft komt niet geheel onverwacht de klacht dat zijn god hem heeft verlaten. Een zeskoppig koortje dat de stemmen laat klinken die Lenz in zijn hoofd hoort, moedigt hem aan te sterven. Dat is de enige manier om die dode Frederieke terug te vinden. Ze zetten in de stijl van het voorafgaande een houten kruis tegen zijn rug.

Behalve dat koortje zijn er nog twee personages die zich met Lenz bezighouden. Dominee Oberlin die hem in huis opneemt in de naïeve veronderstelling hem met wat stichtende praat wel weer op het padje terug te kunnen brengen en een wat vage figuur genaamd Kaufmann die een kennis is van Lenz. Als tegen het eind Lenz in een kennelijk door hem kapotgeslagen kamer door beide heren wordt bezocht, treffen ze hem besmeurd met zijn eigen uitwerpselen in volslagen reddeloosheid aan. Ze hijsen hem in een dwangbuis en laten hem alleen achter. Niks meer aan te doen.

Alle drie personages zijn historische figuren die leefden tweede helft 18e eeuw. Het verhaal van Lenz is opgetekend door Oberlin en door Georg Büchner in 1836 verwerkt in zijn novelle Lenz. In vergelijking met dit verhaal is Woyzeck een blijspel.

Het toneelbeeld is donker waardoor details moeilijk te onderscheiden zijn. Een opengewerkte doos op het toneel beschrijft het nog het beste. De kostuums schwanken wat tussen periode en eigentijds. De dramaturgie van Sergio Morabito stelt het incasseringsvermogen van de kijker behoorlijk op de proef.

Nigl geeft zichzelf volledig tijdens zijn optreden dat ruim een uur duurt. Hij is de perfecte keuze voor deze loodzware rol, indrukwekkend. Zijn tegenspelers bariton Henry Waddington als Oberlin en tenor John Graham-Hall als Kaufmann bieden goed tegenspel.

Franck Ollu geeft leiding aan een klein ensemble dat afkomstig is uit het symfonie orkest van de Munt. De twaalf musici bespelen celli, hout, koper en slagwerk. Ook is er een klavecimbel te horen. Muzikaal vergt het werk geen al te grote inspanning om te volgen, de handeling des te meer. Voor liefhebbers van modern repertoire een aanrader.

Is Giuseppe Valdengo really totally forgotten?

Decca Valdengo

In May 2014 Giuseppe Valdengo would have turned 100 years old. A fact that has escaped everyone, because the baritone born in Turin is now almost completely forgotten. How sad! And then to think that he was one of the beloved singers of Arturo Toscanini! He can still be admired on live radio recordings of Aida, Otello and Falstaff, led by the great maestro.

Opera News wrote about Valdengo: “Although his timbre lacked the innate beauty of some of his baritone contemporaries, Valdengo’s performances were invariably satisfying – bold and assured in attack but scrupulously musical”. How true!

Below is a tribute to the baritone, made on the occasion of his hundredth birthday:

I knew him from his performance in the film Great Caruso with Mario Lanza, but he really impressed me with his role of Alfio in the RAI filmed Cavalleria rusticana, with the inimitable Carla Gavazzi as Santuzza.

Alfio is missing on the 1949 CD recorded for London, but his Tonio from Pagliacci, a role with which he celebrated unprecedented triumphs, is included. Furthermore, two very moving arias from Rigoletto, plus the Italian sung Hamlet and Valentin (Faust), sound very touching.

Most of his recital, however, is taken up by Italian songs by Tosti, Brogi, Denza and Leoncavallo. Repertoire that fits him like a glove.


The romantic voice of Cesare Siepi

Decca Siepi broadway

It were not only Americans that considered Broadway as something to take seriously. The Don Giovanni and one of the biggest Verdi-basses of the second half of the last century, Cesare Siepi, didn’t look down on the musical theatre either.

His CD on which he gives his vision on the songs of Cole Porter is called Easy to Love. It sounds ‘easy’ indeed, but it is not at all. Porter’s music benefits from simplicity, coupled with the best vocal chords in the world, and Siepi has it all.

His interpretation of ‘Night and Day’ is one of the most beautiful ones I’ve heard in my life. Not to mention ‘So in love’ or the delicious ‘Blow, Gabriel blow’ from Anything Goes.

As a bonus we get to hear some of his best Verdis: Nabucco, Philip II and a Boccanegra like you don’t hear anymore.


 

Decca Siepi italiaans

This CD is entitled The romantic voice of Cesare Siepi and that is exactly what you get: a beauty of a voice that awakens all the romantic feelings in you! No Broadway here anymore, but popular Italian songs that fit Siepi like a glove: just delicious.

What really makes the CD special are the bonus tracks, with arias from Meyerbeers Robert le Diable and Les Huguenots, La Juive by Halévy and – for most people a real rarity – an aria from Salvator Rosa by Antônio Carlos Gomes. My goodness, what beautiful music! I ask (again): when do we get to see another opera by Gomes? After the performances of his Il Guarany in 1994 in Bonn it has remained silent for much too long around this Brazilian Verdi.

Below ‘Di Sposo Di Padre Le Gioie Serene’ from Salvator Rosa van Gomes, 1954:

The album was recorded in 1961 (songs) and in 1954 (arias) and the sound is excellent. In the arias Siepi is accompanied phenomenally well by the Orchestra dell’Accademia di Santa Cecilia and Alberto Erede. At that time Erede was considered a ‘decent’ conductor, but now he would be considered one of the greatest opera conductors of all. He gives his soloist all the space he needs and allows the orchestra to breathe with him.


twee maal Orfeo van Monteverdi op dvd

https://www.hdclub.ua/files/music_release/big/bigi4d3ed1a148ee5.jpg

Het komt niet vaak voor dat een (vroeg)barokopera uitgevoerd wordt in La Scala. Zeker in geval van Monteverdi heb je veel meer aan de intieme sfeer van een klein theater. Maar de in september 2009 in het Milanese toptheater opgenomen Orfeo van Robert Wilson bewijst dat het toch kan. En dat het werkt. Althans, op het scherm van je tv.

De beelden zijn zo zeer gestileerd dat je soms het gevoel hebt naar ‘film stills’ te kijken. Ik ben geen groot liefhebber van Robert Wilson, maar de voor hem zo typische bewegingen en gebaren werken hier wonderwel. Het klopt.

Het zeer statische maar o zo mooie bühnebeeld, met weinig decorstukken, geeft alle ruimte aan de muziek. De werkelijk betoverende belichting creëert heel veel sfeer en de kostuums zijn prachtig.

Rinaldo Alessandrini dirigeert gespierd, met nadruk op het dansante van de muziek. Zijn tempi zijn voortvarend, zonder gehaast te klinken.

Gerg Nigl een mooie Orfeo. Nooit gedacht dat hij na zijn optredens als Wozzeck nog zo veel lyriek in zijn stem zou hebben.

Iedereen van de verder uitstekende cast verbleekt echter bij Sara Mingardo (Messagera/Speranza). Haar stem is warm en vol kleuren. Ook permitteert zij zich gezichtsuitdrukkingen (bij Wilson meestal niet toegestaan), waardoor alle aandacht, zeer terecht, naar haar gaat (Opus Arte OA 1044 D).

Hieronder een fragment:

https://img.discogs.com/UmxE5cMetLBH3MkVUKvBLZB_Ags=/fit-in/426x600/filters:strip_icc():format(jpeg):mode_rgb():quality(90)/discogs-images/R-10561841-1499946253-5600.jpeg.jpg

De Amerikaanse choreografe Trisha Brown heeft in 1998 in Brussel een zeer dansante Orfeo geregisseerd. Als u heel erg veel van ballet houdt en Madama Butterfly van Wilson tot uw lievelingsvoorstellingen telt, dan zult u er erg van genieten. In alle andere gevallen: zet het beeld uit en geniet van het prachtige geluid, want René Jacobs dirigeert meesterlijk en Simon Keenlyside is een kanjer van een Orfeo (ja, hij danst ook!).

Er zit bij deze uitgave een aparte dvd met ‘the making of’ en de opera is ook Nederlands ondertiteld (Harmondia Mundi HMD 9909003.004).

Hieronder een fragment:

 

 

Léonore ou l’amour conjugal op dvd uitgebracht door Naxos

Tekst: Peter Franken

 

News from the Naxos Music Group – November 2018

Pierre Gaveaux (1761-1825) schreef in de periode die volgde op La Terreur de opera Léonore op een libretto van Jean-Nicolas Bouilly (1763-1842). Het werk is vandaag de dag vrijwel vergeten maar de titel komt elke operaliefhebber natuurlijk direct bekend voor. Beethoven baseerde zijn Fidelio op dit werk en de overeenkomsten zijn treffend.

Léonore ging in 1798 in première en werd goed ontvangen. Het verhaal over machtsmisbruik door een meedogenloze heerser en de moed van een vrouw die haar eigen leven in de waagschaal stelt om haar man van een zekere dood te redden, sprak veel mensen aan. Natuurlijk wordt de indruk gewekt dat de kritiek is gericht op het ‘Ancien Régime’ maar de uitwassen van Robespierre en consorten lagen nog te vers in ieders geheugen om de handeling daarvan los te kunnen zien.

Gaveaux was behalve componist ook zanger. Zo zong hij de rol van Iason bij de première van Cherubini’s Médée in 1797 en natuurlijk de rol van Florestan in zijn eigen Léonore. Het muzikale idioom van dit werk doet enigszins denken aan dat van Cherubini en Spontini, de vlaggendragers van de Frans postrevolutionaire stijl, en daar was Gaveau natuurlijk zeer mee vertrouwd geraakt. Dit is met name het geval voor de hoofdrollen Florestan en Fidelio en het koor van de gevangenen. De wat meer karikaturale karakters Marceline, Jacquino, Roc en Pizare leunen nog sterk op de typologie van de oude tijden. Vrij simpele gezongen mededelingen met veel herhalingen, duidelijk een licht komisch effect beogend.

De Naxos opname betreft een voorstelling van de Opera Lafayette uit 2017. Dit is een Amerikaans gezelschap dat gespecialiseerd is in het Franse repertoire en speelt op periode instrumenten. Op ad hoc basis worden solisten aangetrokken, de vaste kern wordt gevormd door het orkest. De enscenering is sober maar doeltreffend. Een stel grote kozijnen die kunnen draaien in een raamwerk, kleinere zetstukken, goed gekozen rekwisieten en een effectieve belichting roepen achtereenvolgens het huis van Roc en zijn dochter Marceline en de kerker van Florestan op. Er tussenin vult het achtkoppige gevangenenkoor nog zes minuten het toneel.

Sopraan Pascale Beaudin zet een alleraardigste Marceline neer. Wat ze te zingen heeft is niet erg verheffend maar met leuk acteerwerk weet ze er wel een aardig onderonsje met Jacquino van te maken. Haar personage is op zijn best in de relatie met Fidelio, met hem trouwen is haar doel en Beaudin zat alles op alles om iedereen te overtuigen van de oprechtheid van dat voornemen. Tenor Keven Geddes hobbelt er wat achteraan als Jacquino, aardig gezongen en natuurlijk goed voor een vleugje tragikomedie.

De bas Tomislav Lavoie als Roc en zijn chef de bariton Dominique Côté als Pizare zijn weinig opvallend, adequate casting. Mooi werk van het gevangenenkoor, je hoort er onwillekeurig Beethovens versie door heen.

Sopraan Kimy Mc Laren als Léonore a.k.a. Fidelio weet volledig te overtuigen. Haar partij zit volledig in de nieuwe stijl die tegen de eeuwwisseling in ontwikkeling was gekomen en dat maakt haar personage ook muzikaal erg interessant. Hetzelfde valt te zeggen over de Florestan van tenor Jean Michel Richer als vind ik zijn partij wel wat pathetisch klinken. Een aspect overigens dat me ook in Beethovens versie nogal stoort. Tegen het einde maakt Dom Fernand nog even zijn opwachting in de persoon van bas bariton Alexandre Sylvestre. Ik noem hem voor de volledigheid, hij zorgt voor het eind goed al goed aspect.

Ryan Brown heeft de muzikale leiding en heeft daarbij veel aandacht voor de individuele solisten in zijn orkest. Brown laat het geheel goed verzorgd klinken al moet ik stellen dat er in de ouverture en de eerste akte voor hen niet zoveel eer valt te behalen. Pas in de tweede akte als we afdalen in de kerker mag het orkest een eigen stem laten klinken, heel omineus natuurlijk.

De opera duurt ongeveer 80 minuten en is een must voor iedereen die nu eens wil weten waar Beethoven zijn idee vandaan heeft gehaald. Dit is de enige echte voorloper van zijn Fidelio.

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtube.com/embed/SEtf1mkGfZQ&#8221; frameborder=”0″ allow=”accelerometer; autoplay

Queen Elisabeth, Leicester en Mary Stuart: de geschiedenis door Rossini herschreven

Opera Rara Elisabetta

Deze opera behoort wellicht niet tot de meest interessante werken van Rossini, maar wat is het mooi! Het verhaal? Leicester, de geliefde van Elisabetta voert oorlog in Schotland, trouwt daar in het geheim met Matilde (een dochter van Mary Stuart) en neemt haar en haar broer Enrico mee naar Engeland. Hij vertrouwt Norfolk, die hij als zijn vriend beschouwt zijn geheim toe, maar die verraadt hem. Het komt allemaal goed, en – nog belangrijker – het verzekert ons van ruim drie uur vocaal genot.

Het was de eerste van negen opera’s die Rossini voor het Teatro San Carlo in Napels had geschreven. Het was ook zijn eerste opera voor Isabella Colbran en ook zijn eerste opera waarin alle recitatieven door de strijkers werden begeleid.

Voor de opname door Opera Rara in 2002 werd een speciale editie vanuit het manuscript vervaardigd en het werk werd voor het eerst helemaal compleet opgenomen.

De bezetting is fenomenaal. Jennifer Larmore (Elisabetta) en Majella Cullagh (Matilde) zijn beiden onweerstaanbaar. Bruce Ford is een mooie, lyrische Leicester en Antonino Siragusa een werkelijk spetterende Norfolk. Giuliano Carella leidt het geheel zeer geïnspireerd en met verve.

En als de ouverture u bekend voorkomt dan heeft u gelijk: Rossini hergebruikte het voor Il Barbiere di Sevilla (ORC22)