Giuseppe Sinopoli in memoriam

Op 20 april 2001 is Giuseppe Sinopoli tijdens het dirigeren van Aida in Berlijn overleden. Hij was net met de derde akte begonnen….. Sinopoli was 54 jaar oud.

Attila

Attila

Er zijn van die voorstellingen waar alles perfect op elkaar afgestemd is en waarbij je het gevoel krijgt dat het niet beter kan. Er wordt nog lang over nagepraat en ze verworden tot een legende.

Zo’n voorstelling was Verdi’s Attila in de Weense Staatsoper op 21 december 1980. Het was Giuseppe Sinopoli’s debuut in het huis, zijn naam was nog vrijwel onbekend, maar de aanvankelijke terughoudendheid bij het publiek veranderde in een uitzinnig enthousiasme al bij de eerste maten. Zo warmbloedig, vurig en teder tegelijk heeft men de – toch niet sterkste – score van Verdi niet eerder gehoord.

Nicolai Ghiaurov was een grootse Attila. Met zijn sonore bas gaf hij zijn personage niet alleen de allure van een veldheer maar ook de zachtheid van een liefhebbend man.

In haar rol als Odabella bewees Mara Zampieri dat ze niet alleen een fantastische zangeres is met een stralende hoogte en een dramatisch attaque, maar ook een actrice van formaat.

De stretta ‘E gettata la mia sorte’ in de tweede acte verlangt van de bariton de hoge bes. Piero Cappuccilli haalde die met gemak en souplesse, en werd door het uitzinnige publiek gedwongen tot bisseren, iets wat je maar zelden meemaakt in de opera. Een zeldzame ervaring.


Fliegende Holländer

Fliegende Hollander Sinopoli

Deze cd-opname uit 1998 (DG 4377782) is mij bijzonder dierbaar. Allereerst vanwege Cheryl Studer, toen wellicht de mooiste Senta die men zich kon voorstellen. Haar heerlijk lyrische sopraan met makkelijke en sensuele hoogte leek geschapen voor die rol.

De Holländer wordt hier gezongen door Bernd Weikl. Niet echt de jongste meer en dat hoor je, maar voor die rol zeer passend. Peter Seiffert is een pracht van Der Steuerman, en in de rol van Erik hoor je niemand minder dan Plácido Domingo, een luxe!

Maar het allermooist is het orkest: onder de werkelijk bezielde leiding van Giuseppe Sinopoli speelt het Orchester der Deutsche Oper Berlin sterren van de hemel.


Salome

Salome Studer

Ik realiseer mij wel dat velen van u het niet met mij eens zullen zijn, maar voor mij is Cheryl Studer één van de allerbeste Salome’s van de laatste vijftig jaar. Althans op cd, want zij heeft de rol nooit compleet op de bühne gezongen (DG 4318102). Als weinig anderen weet zij het complexe karakter van Salome’s psyche weer te geven. Luister alleen maar naar haar vraag ‘Von wer spricht er?’ waarna zij zich realiseert dat de profeet het over haar moeder heeft en op een verbaasde, kinderlijk naïeve manier zingt: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Meesterlijk.

Bryn Terfel is een zeer viriele, jonge Jochanaan (het was, denk ik, de eerste keer dat hij de rol zong), maar het allermooiste is de zeer sensuele, breedklankige directie van Giuseppe Sinopoli.

Dmitri Hvorostovsky in two live recitals


Songs and Dances of Death (VAI 4330)

Hvorostovsky Dutoit


After Hvorostovsky won the Cardiff Competition in 1989, record companies were queuing up to sign a contract with him. Philips was chosen and promptly a small number of recitals and a few complete operas were recorded with him.

Hvorostovsky in Cardiff:



It was all too premature, Hvorostovsky was not ready: he did not speak any languages but his own, and his repertoire was much too limited. His contract was not renewed, and things went downhill for him.

But he redeemed himself in a big way! On 18 July 1998, he gave a recital for thousands of enthusiastic listeners at the Festival de Lanaudière. He sang the Songs and Dances of Death by Mussorgsky, followed by a number of arias.



I have to confess that I had been planning to read a book to help me pass the time, but I never did. Instead I listened breathlessly to his velvety voice, his matchless legato and his flawless interpretation, which moved me to tears. As Hvorostovsky is such a very charismatic singer, it is a pure unadulterated pleasure to be watching him.

Hvorostovsky and Charles Dutoit in Rossini’s ‘Largo al Factotum’ (Barbiere di Seviglia by Rossini):



Russian Songs from the war years (VAI 4318)

Hvorostovsky War years


Patriotism has become an old-fashioned word. Everything has to be international, global, multicultural and cosmopolitan, and maybe that’s for the best. The Second World War ended seventy-five years ago, and it seems so long gone….

Yet there are still people alive who experienced ‘The Great Patriotic War’. There are still (personal) stories. And then there are the songs. I grew up with them; the Russian songs from that time. My mother, who had fought in the Red Army throughout the war, sang them instead of lullabies, and they made me dream about the lonely accordionist looking for his beloved.

None other than Dmitri Hvorostovsky brought them back to the concert hall, and on 8 April 2003 he performed them for no less than 6,500 spectators in the Kremlin Palace.

Below, Hvorostovsky sings  “Журавли” (Cranes) from the film “When the cranes fly over”, by Mikhail Kalatozov:



The arrangements have been slightly altered; they sound less over the top, they have been loosened up a little and they are foremost nostalgic. There is no ‘hurrah patriotism’.

Hvorostovsky sings in a clearly relaxed way, with a mild smile around his mouth, without any vocal exaggeration or obvious articulation. A bit like a crooner, a Sinatra or a Bing Crosby.

The audience sniffles softly and mouthes the words, soundlessly singing along. I too become fascinated and feel a tingling sensation in my eyes. Nostalgia? My Dutch friend, born on Curaçao, was just as moved. Very touching.

Chants Juifs, dertig jaar later


Toen deze cd op mijn ‘te doen’ stapel belandde, moest ik even mijn wenkbrauwen fronzen. Want: hè, hoezo nieuw? Deze cd heb ik al meer dan dertig jaar in mijn bezit? Toen het uitkwam was de opname echt iets uitzonderlijks, men werd er zich toen pas een beetje bewust van wat de fascisten en antisemieten hadden aangericht.

Dertig jaar oud dus. Maakt het uit? Ja en nee. Er zijn in die tijd meer opnamen uitgekomen met Joodse traditionele en liturgische muziek, maar de hernieuwde kennismaking met de celliste Sonia Wieder-Atherton en de pianiste Daria Hovora beviel mij zeer. Hun beider spel is emotioneel geladen, poëtisch en zeer aansprekend.

Aan de opname in 1989 is een bijzondere gebeurtenis voorafgegaan. De cineaste Chantal Akerman heeft een bijzonder document gefilmd, waar alle Joodse inwoners van Brooklyn aan mee mochten doen. Daar was de celliste ook bij betrokken en haar werd gevraagd om muziek bij de film te maken.

Aan het oorspronkelijke album zijn nu drie stukken van Ravel toegevoegd, in 2006 door het Sinfonia Varsovia olv János Fürst opgenomen en dat vind ik best jammer. De arrangementen van Maurice Delage doen afbreuk aan de poëtische en emotionele sfeer van de eerste 14 nummers. Het voelt alsof je na het nadromen wakker wordt geschud door keiharde heavy metal. Nou ja, niet echt want Delage stierf al in 1961, maar… moest het? Ook het geluid (of moet ik zeggen: de kleur?) van Athertons cello is veranderd, minder warm, afstandelijker.

De illustraties van Colette Brunschwig zijn zonder meer indrukwekkend maar ook angstaanjagend. Mijn advies: skip de laatste drie nummers en blijf dromen, daar zult u geen spijt van krijgen. Vandaar ook mijn hoge waardering.

CHANTS JUIFS
Sonia Wieder-Atherton (cello), Daria Hovora (piano)
Sinfonia Varsovia olv János Fürst
Alpha-Classics 666

La Sonnambula uit de Met, een terugblik

Tekst: Peter Franken

Een jaar geleden stond La Sonnambula op het programma bij de Opéra de Wallonie in Luik. De Georgische sopraan Nino Machaidze zou de rol van Amina zingen, de Amerikaanse tenor  René Barbera die van Elvino. Uiteraard is dat hele belcantofeest niet doorgegaan en het is maar afwachten of dit werk in een van de komende seizoenen op het programma zal komen te staan.

Maar gelukkig kunnen we ons in de tussentijd troosten met een alleraardigste opname uit de Met, in 2009 live uitgezonden en op dvd uitgegeven door Decca. Het betreft een productie van Mary Zimmerman met Natalie Dessay in de titelrol. De Peruaanse tenor Juan Diego Florez zorgt als Elvino voor de stratosferische noten bij de mannen en de Italiaanse bas Michel Pertusi voor de lage.

Er gebeurt niet zo heel veel in deze opera, echt belcanto zullen sommigen wellicht denken. Een flinterdun verhaaltje en vooral heel veel vocale acrobatiek. Dat klopt wel, in dat opzicht wijkt La Sonnambula sterk af van Norma met zijn dramatische handeling. Ook het orkest heeft hier weinig in te brengen. Hun bijdrage blijft grotendeels beperkt tot voortkabbelende huppelmuziek. Alles staat of valt met de zangers en het is aan de regie om ze niet helemaal aan hun lot over te laten.

La Sonnambula gaat over de vondeling Amina die het lieverdje van een Zwitsers dorp is. De jonge landeigenaar Elvino heeft zich niet laten afschrikken door Amina’s onbekende afkomst en haar ten huwelijk gevraagd. Dit tot chagrijn van zijn vroegere verloofde Lisa, de waardin van de herberg. Opkomst een onbekende man, de jaren eerder verdwenen graaf die al snel herkend wordt. Hij is aanvankelijk incognito en besluit een nachtje in Lisa’s herberg door te brengen, in afwachting van verdere ontwikkelingen. Zodra Lisa echter te horen krijgt dat ze de graaf in huis heeft, komt ze hem op zijn kamer bezoeken.

De graaf is nogal een charmeur, perfect geacteerd door Michele Pertusi, en dat heeft Amina ook al ondervonden toen hij zijn intrede deed. Elvino werd direct erg jaloers en ze kregen er zowaar een beetje ruzie over. Nu is de beurt aan Lisa die in haar tête à tête met de graaf wordt gestoord door een slaapwandelende Amina die zich in het bed van de graaf neervlijt en pas de volgende ochtend wakker wordt.

Drama alom, Elvino maakt het uit en staat op het punt met Lisa te trouwen als de graaf komt vertellen dat Amina onschuldig is en aan het slaapwandelen was. Niemand gelooft hem tot het arme kind in nachthemd over het besneeuwde dak aan komt schuifelen. En dan komt alles toch weer goed met Elvino.

Als je deze opera librettogetrouw wilt brengen, kom je bij een bergdorp terecht met spelers in klederdracht. Tijdens de eindeloze solo’s van Amina en in mindere mate Elvino hebben die lui niets te doen. Zimmerman heeft geprobeerd dit probleem te omzeilen door de handeling zich te laten afspelen in een grote repetitieruimte die op het toneel is nagebouwd, compleet met koffiehoek en watercooler. Iedereen draagt gewone dagelijkse kleren waarbij natuurlijk wel gezorgd is voor voldoende variatie. Elk koorlid is in dat opzicht uniek en herkenbaar.

Nu kan men ergens mee bezig zijn terwijl de solisten zingen: kleren en schoenen passen, een pruik uitkiezen. Ondertussen zijn de koorleden onderling met elkaar in gesprek, uiteraard onhoorbaar maar het is duidelijk dat er interacties plaatsvinden. Ook wordt er veel rondgelopen, bijvoorbeeld om even een bezem te gaan halen.

Pas tegen het einde blijkt dat het een gezelschap betreft dat wel degelijk een oer Zwitserse productie aan het voorbereiden was. Tijden hun verzoening worden Amina en Elvino even alleen gelaten en plotseling komen de anderen tevoorschijn in klederdracht en worden er zogenaamd folkloristische dansjes uitgevoerd. De toeschouwer ziet wat hij al die tijd heeft gemist en ik was Zimmerman er dankbaar voor.  

De bijrol van de afgewezen verloofde Lisa wordt heel aardig vertolkt door Jennifer Black. Afgezien van de aria ‘Lasciami de lieti auguri a voi son grata’ is haar rol vooral acterend van belang en dat doet ze heel subtiel en doeltreffend. Dat geldt ook het optreden van Michel Pertusi als Il conte. Fraai gezongen maar vooral leuk geacteerd, een echte charmeur in de 1e akte en de redder in nood in de 2e waarbij hij zich laat gelden als de autoriteit in het dorp. De regie pakt zijn mimiek goed op, zo nu en dan krijg je Pertusi in een heel korte close up te zien en dat werkt hilarisch.

Juan Diego Florez valt me een beetje tegen. Alle noten zijn er, hij beheerst zijn partij volledig. Maar hij is me te luid en in combinatie met de ‘metalen resonans’ in zijn stem vind ik dat onprettig. Met name als hij met een sprong de hoogte in moet, verdubbelt zijn stemvolume.  Verder acteert hij met te veel pathos, steeds ook met beide armen vooruit.

Natalie Dessay draagt zoals verwacht de voorstelling, niet alleen omdat ze het meeste zingen heeft maar vooral ook doordat ze bijna perfecte zang combineert met volstrekt natuurlijk ogend spel. Je leeft met het meisje mee dat voor een productie repeteert waarin ze Amina is en vergeet bijna dat je naar een actrice zit te kijken. Amina is een van Dessay’s paraderollen en deze dvd maakt eens te meer duidelijk waar dat door komt. Een mooiere Amina is nauwelijks denkbaar.

De overige rollen zijn heel behoorlijk bezet, het koor acteert overtuigend schijnbaar nonchalant en zingt prachtig.

De muzikale leiding is in handen van Evelino Pidó.

Die Opferung des Gefangenen by Egon Wellesz: an extremely interesting hybrid.


“This West Indian tragedy has remained the sole dramatic work of a heroic world in pre-Columbian times that, after a flourishing heyday, was abruptly terminated by foreign violence” (Egon Wellesz in 1925).

Die Opferung des Gefangenen; what exactly is it supposed to be?: it is both opera and ballet and at the same time it is neither an opera nor a ballet. It’s a hybrid, and an extremely interesting one indeed! Wellesz was always deeply invested in developing his own style, so that almost all his compositions speak a different ‘language’. He was trained by Schönberg who, in addition to the twelve-tone technique, also taught him to use a large dose of expressionism.

Die Opferung des Gefangenen has the subtitle ‘Ein Kultisches Drama für Tanz, Sologesang und Chor’ and it was composed on a libretto by Eduard Stücken after the Mayan play ‘Rabinal Achi’. It is about a conflict between the Quiché and the Rabinal Indian tribes, at the beginning of the fifteenth century. The premiere took place on 2 April 1926 in Cologne, and it was conducted by Eugen Szenkar.

After the Anschluss in 1938, Wellesz (Jewish and author of ‘Entartete Musik’) fled to Oxford where he died in 1974. Nowadays we rarely hear his music.

The recording that Capriccio has now (re?) released on CD is from 1995 and it is an absolutely good one, for which I am very grateful. But how I would love to experience this work live, because on CD you miss half of it, namely the ballet!
You can listen to the composition on the site of Naxos:

https://www.naxos.com/catalogue/item.asp?item_code=C5423

Weinberg en Kremer: match made in heaven?

Gidon Kremer behoort niet tot de violisten die beroemd zijn geworden om hun zoete vioolklank, zoals Itzhak Perlman. Of Michael Rabin. Hij klinkt vaak krasserig en zijn spel is vaak feller dan fel. Het pakt niet altijd goed uit, maar in geval van Weinberg kun je je, denk ik, geen betere vertolker bedenken.

Kremer was één van de eersten die de muziek van Weinberg op de kaart heft gebracht en sindsdien is hij de grootste pleitbezorger van de componist. Aan hem danken we o.a. de onvergetelijke opname van Weinbergs kamersymfonieën en diens pianokwintet (nog niet in huis? Meteen bestellen! ECM 2538/39 4814604).

Zijn enige vioolconcert componeerde Weinberg in 1959 voor Leonid Kogan, maar de eerste uitvoering vond pas twee jaar later plaats. Kogan speelde en Rozjdestvenski dirigeerde. Er zijn maar bar weinig opnamen van het concert (die van Kogan is uit de catalogus) en ik zou hier graag een 10 voor hebben gegeven als ik de opname met Ilya Gringolts onder Jacek Kaspszyk niet kende (Warner 0825646224838). Die is net zo onstuimig, maar hij heeft meer aandacht voor het Joodse sentiment in deel twee.

Madara Pëtersone vergezelt Kremer in de uit 1960 stammende sonate voor twee violen. Het was opgedragen aan de zus van Emil Gilels. Pedersone’s vioolklank is meer dan symbiotisch met die van Kremer waardoor je op bepaald moment naar meer rust verlangt. Maar wie echt fenomenaal is, is de dirigent. Daniele Gatti snapt de muziek wel.

MIECZYSŁAW WEINBERG
Vioolconcert op. 67; Sonate voor twee violen op. 69
Gidon Kremer, Madara Petersone (viool), Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Daniele Gatti
Accentus ACC30518

Edgar uit Turijn is nog steeds de enige op dvd

Tekst: Peter Franken

Voor velen begint de reeks Puccini opera’s pas met Manon Lescaut. Wat hij daarvoor componeerde heeft lang onder het stof gelegen en kan daar maar beter blijven, is de redenering. Dat is een lot dat die vroege werken delen met vergelijkbare opera’s van Strauss en Wagner. Daar beginnen we gemakshalve vaak te tellen bij Salome en Der fliegende Holländer.

Edgar was Puccini’s tweede opera, na de eenakter Le Villi. Het werk kende oorspronkelijk vier aktes maar werd na de première in 1989 veelal ingekort tot drie, waarbij uiteindelijk de partituur van de laatste akte geheel in de vergetelheid raakte. Deze dook pas een eeuw later weer op en met behulp hiervan werd het werk gereconstrueerd. In 2008 werd de gecompleteerde Edgar uitgevoerd in het Teatro Regio Torino met José Cura in de titelrol. De opname hiervan is tot op heden de enige die op dvd is uitgebracht.

Het verhaal draait om een man die voor de keuze staat tussen une femme fragile et une femme fatale, het dorpsmeisje Fidelia en de zigeunerin Tigrana. Laatstgenoemde is ooit als kind achtergelaten door een groep rondtrekkende zigeuners en als dochtertje van het gehele dorp door de gemeenschap grootgebracht. Maar eenmaal volwassen heeft ze zich ontpopt tot een vrijgevochten sensuele vrouw die het gehele dorp op zijn kop zet en daarbij nadrukkelijk blasfemie niet schuwt.

Voorspelbaar toont de regie haar als een aantrekkelijke donkerharige vrouw in een rode jurk. De wat timide Fidelia (blond en witte jurk) moet het tegen haar rivale afleggen. Na een enorme ruzie waarbij Edgar en Fidelia’s broer, de door Tigrana afgewezen Frank, elkaar met messen te lijf gaan, neemt Edgar met zijn zigeunerin de benen. Hij laat de door hem verafschuwde verstikkende dorpsgemeenschap voor altijd achter zich en om dat besluit te benadrukken steekt hij zijn voorvaderlijk huis in brand.

De tweede akte toont het hedonistische bestaan van Edgar met Tigrana waarbij die twee zich kennelijk de nodige rijkdom hebben verworven door langskomende reizigers te laten verdwijnen, roof dus. De regie voert Tigrana op als de Madam in een luxe bordeel waarin Edgar zich een poging tot een orgie van vijf meisjes laat welgevallen. Hij kan er echter geen interesse meer voor opbrengen, allemaal illusie en geen ware zuivere liefde zoals hij met Fidelia had kunnen beleven.

Tigrana maakt hem duidelijk dat dit is waar hij voor heeft getekend. Ze zal hem nooit laten gaan en al helemaal niet aan een ander laten. Een langstrekkende groep soldaten onder leiding van Frank biedt hem echter een ontsnappingsmogelijkheid. Uiteindelijk komt Edgar toch weer in zijn dorp terecht, staat op het punt alsnog met Fidelia te trouwen als Tigrana opduikt en de bruid neersteekt. De zigeunerin wordt gepakt en wacht executie door de beul.

Het is verleidelijk om de twee vrouwenrollen te vergelijken met Carmen en Michaëla. Maar gelet op het gebeuren in de tweede akte zie ik ook een duidelijke overeenkomst met Venus en Elisabeth. Net als Venus gaat Tigrana door roeien en ruiten om haar man bij zich te houden.

Opvallend is dat de handeling op een aantal punten afwijkt van latere Puccini’s. Zo is er een messengevecht op leven en dood en eindigt de rivaliteit tussen twee vrouwen in een koelbloedige moord. Het geeft Edgar duidelijk veristische tintjes, een aspect dat pas in Il tabarro zal terugkeren in zijn oeuvre. Tigrana is de enige grote rol voor een mezzosopraan in zijn werk. Tegelijkertijd is er ook al wel een andersoortige vergelijking te maken: Fidelia’s klaagzang in de vierde akte als ze haar grote liefde Edgar dood waant en zich opmaakt te sterven zodat ze hem in de hemel kan huwen, doet vocaal en in zijn dramatiek sterk denken aan Suor Angelica.

Hoe het ook zij, Edgar is met name de moeite van het bekijken en beluisteren waard voor diegenen die vertrouwd zijn met de opera’s die er nog op zouden volgen. Een soort speurtocht naar de Puccini die je al kent en tegelijkertijd het ondergaan van een veristisch werk met een op punten wat bizarre handeling.

José Cura excelleert als Edgar, hij zet alle zeilen bij om zijn toch wat bordkartonnen personage een zekere geloofwaardigheid te geven en slaagt daar vooral door zijn uitstekende zang vrij goed in. Fidelia is in goede handen bij Amarilli Nizza die een getrouw beeld geeft van het onschuldige meisje dat met bloesemtakjes probeert te concurreren met de rauwe seksualiteit van haar rivale. Bringing een knife to a gunfight. Haar grote solo in de vierde akte is vintage Puccini en wordt zeer ontroerend en muzikaal heel goed verzorgd gebracht.

De Russische mezzo Julia Gertseva weet moeiteloos te overtuigen als de verpersoonlijking van mannelijke fantasieën en is niet alleen een goede typecast als Tigrana maar geeft ook een prima vertolking van haar rol. Voor haar was het een uitstapje uit Carmen, een rol die haar op het lijf geschreven lijkt.

Yoram David heeft de muzikale leiding en zet daarmee een goed gelukte Edgar op de kaart.

Perséphone van Stravinsky. Michael Tilson Thomas of Kent Nagano?

Dat Michael Tilson Thomas affiniteit heeft met de muziek van Stravinsky dat wisten wij al lang. In een interview zei hij ooit zich het leven zonder muziek van Stravinsky niet te kunnen herinneren Niet gek als je bedenkt dat hij op een zeer jonge leeftijd bevriend raakte met de componist. Onder Stravinsky’s supervisie nam hij al de vierhandige versie van Le Sacre du printemps op en zijn cd getiteld ‘Stravinsky in America’ werd overal (terecht!) bejubeld. Dat hij ooit ook de bekendste werken van zijn held zou dirigeren was dus niet meer dan logisch.

Nu doet zich een probleem voor: hoeveel nieuwe opnamen van Het Lenteoffer en De Vuurvogel hebben wij nog nodig? En: wordt er iets wezenlijks aan de al bestaande toegevoegd? Tilson Thomas dirigeert spiritueel en met schwung maar de echte waarde van de box ligt voornamelijk in het derde stuk: Perséphone.

Stravinsky schreef de muziek bij de tekst van André Gide in 1933 op bestelling van Ida Rubinstein. Hij noemde het zelf een melodrama. Het verhaal van Persephone, dochter van Demeter, die in de Hades belandt na het ruiken van de geur van een narcis en één keer per jaar naar de aarde mag terugkeren wordt hier verteld door een spreekster, tenor en verschillende koren en bij de live uitvoeringen komen er nog ballet en pantomime bij.

Perséphone uit Teatro Real de Madrid:



Het stuk wordt nog maar zelden uitgevoerd en er zijn weinig opnamen van. Na Stravinsky zelf, Craft en Kent Nagano is dit de vierde. Vergelijking met Nagano heeft eigenlijk geen zin want beide orkesten zij aan elkaar gewaagd en de koren en de beide dames doen voor elkaar niet onder. Alleen de tenor (Anthony Rolfe-Johnson) vind ik bij Nagano beter.

Tilson Thomas:

Nagano:

L’oiseau de feu, Le Sacre du printemps, Perséphone
Stephanie Cosserat recitante, Stuart Neill tenor,
San Francisco Symphony Chorus, San Francisco Girls Chorus, Ragazzi, The Peninsula Boys Chorus, San Francisco Symphony olv Michael Tilson Thomas

De driehoeksverhouding tussen Billy Budd, Claggart en Vere

Een schitterend geënsceneerde naturalistische productie van Brittens zeeliedenopera uit Glyndebourne was voor Peter Franken aanleiding zich te verdiepen in wat er nu eigenlijk speelt tussen de drie hoofdpersonen. Het betreft de opname op Opus Arte uit 2010 met Jacques Imbrailo in de titelrol.

dvd_bri_billybudd

Dit mooie maar verontrustende werk zag ik een aantal malen in het theater en elke keer heb ik het verloop van het verhaal als onbevredigend ervaren. Een simpele tegenstelling als die tussen goed en kwaad spreekt me niet aan. Als je een personage neerzet als de duivel zelf hoef je natuurlijk niets uit te leggen, daar staat iemand op het toneel die het stichten van kwaad als enige bestaansdoel heeft. Hoezo uitleggen? Maar we kunnen het in elk geval eens proberen.

Billy Budd

Theodor Uppman, de eerste Billy

Ondanks dat hij een vondeling is heeft zijn omgeving hem kennelijk een redelijke start in het leven gegeven. Billy is een naïeve mooie sterke jongeman waar iedereen gemakkelijk mee weg lijkt te lopen. Binnen de kortste keren heeft hij aan boord de bijnaam Baby. Hij is ook bereid zijn schamele bezittingen te delen zoals uit de scène met de oude Dansker blijkt. Door de librettisten Forster en Crozier wordt hij neergezet als de verpersoonlijking van ‘het goede’ in de mens. En voor wie het nog niet heeft begrepen laat men hem ook naar de Indomitable overkomen vanaf een koopvaardijschip met de provocerende naam The rights of man. Als Billy zijn schip vaarwel toezingt en die naam noemt maakt hij zich ongewild verdacht. We zitten immers in 1797 op het hoogtepunt van de Eerste Coalitie Oorlog die op zee vooral tussen Frankrijk en Engeland wordt uitgevochten. De First Lieutenant geeft zijn Master at Arms onmiddellijk opdracht die nieuwe matroos in de gaten te houden.

John Claggart

John Mark Ainsley as Captain Vere, Jacques Imbrailo as Billy Budd and Phillip Ens as Claggart in the Glyndebourne production of Benjamin Britten’s “Billy Budd” directed by Michael Grandage and conducted by Mark Elder at Glyndebourne. (Photo by robbie jack/Corbis via Getty Images)

De Master at Arms van de Indomitable vormt de verbindende schakel tussen de officieren en de zeelui. Zijn macht is vrijwel onbeperkt en als die wordt gebruikt om strenge straffen op te leggen om kleinigheden, wekt dat kwaad bloed. Op de Indomitable hebben alle manschappen een hekel aan Claggart en ook de officieren mijden hem maar het liefst.

Claggart zingt in een lange monologue intérieur over zichzelf:
‘Would that I lived in my own world always, in that depravity to which I was born. 
There I found peace of a sort, there I established an order such as reigns in Hell.’

Hij wekt de indruk als het ware in een morele afgrond geboren te zijn, dus niet daar later in te zijn beland. Dat kan eigenlijk alleen maar duiden op homoseksualiteit, typisch een ‘afwijking’ waarvoor iemand in die tijd het etiket ‘depraved’ kreeg opgeplakt. Doordat Claggart zijn hele leven zich ten opzichte van andere mannen benadeeld en buitengesloten zal hebben gevoeld, zal hij zich in zijn eigen beperkte leefwereld sterk hebben gemaakt door alles en iedereen die daarin doordringt met de grond gelijk te maken. Het is zijn permanente wraak op zijn eigen gemankeerde bestaan.

En als daar plotseling zo’n knappe jongeman opduikt, werkt dat zeer ontregelend. Hij zingt:

‘The lights shines in the darkness comprehends it and suffers.
O beauty, o handsomeness, goodness!
Would that I had never seen you!
Having seen you, what choice remains to me?  
None, none! I’m doomed to annihilate you.’  
Alleen zo kan Claggart de rust en zekerheid in zijn eigen kleine universum herstellen.

Deze analyse zal niet iedereen kunnen overtuigen maar verdient mijns inziens de voorkeur boven de dooddoener Claggart is de duivel in persoon. Daarom nog een citaat:
“‘If love still lives and grows strong where I cannot enter,
what hope is there in my own dark world for me? 
No! I cannot believe it! That were torment to keen.’

Edward Fairfax Vere

Phillip Ens as Claggart, Jacques Imbrailo as Billy Budd and John Mark Ainsley as Captain Vere in the Glyndebourne production of benjamin Britten’s “Billy Budd” directed by michael Grandage and conducted by Mark Elder at Glyndebourne. (Photo by robbie jack/Corbis via Getty Images)

De kapitein van de Indomitable wordt door de crew op handen gedragen. Starry Vere noemen ze hem en iedereen is bereid voor hem door het vuur te gaan. Als Claggart bij hem komt en Billy van muiterij beschuldigt, vertrouwt Vere hem niet. Hij waarschuwt hem zelfs door erop te wijze dat valse beschuldigeigen met de dood worden bestraft.

Tegelijkertijd maakt hij zich wel degelijk zorgen over het gevaar van muiterij na het gebeuren op de Nore, the floating republic. Maar Billy kent hij inmiddels, prima jongen. Daarop stelt Claggart nogal uitdagend:
‘You do but note his outwards, the flower of masculine beauty and strength.’ 
Zinspeelt hij erop dat Vere een voorkeur heeft voor mooie jongens?

Hoewel Vere ervan overtuigd is dat Claggart liegt over Billy, laat hij die arme jongen toch zijn eigen kastanjes uit het vuur halen. Billy moet zichzelf maar verdedigen tegen die monsterlijke beschuldigingen en dan kan Vere in alle rust een besluit nemen. Hij ziet Claggart als het ware al aan de yard-arm hangen.

Maar doordat Billy zich in hoogste nood niet verbaal kan uiten als gevolg van zijn stotter en zijn vuist laat spreken, gaat die vlieger voor Vere niet op. Die laat Billy vervolgens als een hete aardappel vallen. Zijn officieren moeten rechtspreken en hun dringende verzoek om opheldering over de mogelijke beweegredenen van Claggart, wimpelt hij af.

Vere zou Billy vermoedelijk niet van de dood hebben kunnen redden, de Articles of War bieden geen enkele ruimte, maar hij doet zelfs geen enkele poging daartoe. Dat Billy hem prijst voor hij de dood ingaat zegt iets over zijn naïeve kijk op de wereld, Vere zou zich maar beter heel klein moeten maken in een hoekje.

Regisseur Michael Grandage speelt dit goed uit door Vere na het uitspreken van het doodvonnis helemaal buiten de handeling te plaatsen. En wat mij betreft heeft Vere alle reden in zijn latere leven op deze episode met een gevoel van schaamte terug te kijken.

Voorstelling

Alles is levensecht in deze productie, de contouren van een scheepsruim en dek, de kapiteinshut, de kostuums en de kanonnen. Erg confronterend wordt dit als op het toneel uitgerekend door Dansker de strop wordt gewikkeld, gewoon uit een willekeurig touw. En vervolgens houden Billy’s beste vrienden het touw vast waaraan hij komt te bungelen over de yard-arm. Ze zetten zich schrap als hij valt. Het is het meest aangrijpende moment van de hele voorstelling.

Muzikaal is het een topuitvoering met zoals gezegd Jacques Imbrailo als Billy. Vere wordt vertolkt door Joh Mark Ainsley en Claggart komt voor rekening van de zeer overtuigende Philip Ens. Mooie bijrol van Jeremy White als Dansker.

De muzikale leiding is in handen van Mark Elder.



Discografie:
Britten’s Billy Budd: brilliant music to a brilliant libretto

Karol Szymanowski’s Stabat Mater: masterfully performed masterpiece

cover_COVERfb-2

Good news: Karol Szymanowski is back. One after the other, his compositions are being dusted off, polished up, performed and recorded. His violin concertos are now among the most frequently played works for the instrument and his mysterious opera Król Roger is touring all the major opera houses. All this is not necessarily a given; not so long ago you were not supposed to even like his music. Or to appreciate it, really, because it was not ‘modern’ enough and it was a mixture of all styles: in one word: eclectic.

No one will deny that Szymanowski was influenced by Richard Strauss. Add to that the inspiration he got from the Impressionists, combined with an enormous love for Polish folklore. Do not forget the Arabic influences, plus a great fascination for anything exotic and mystical. This mix of influences allowed Szymanowski to create his very own style, which enables you to recognise his creative hand after just a few bars.

I think his Stabat Mater from 1926 is the most beautiful ever composed, perhaps only comparable with Poulenc’s Stabat Mater. Bizarre, actually, that the work is still so rarely performed.

Will the new recording with Jacek Kaspszyk leading the Warsaw Philharmonic Orchestra and Choir, combined with four famous soloists, change anything? I hope so. The performance is magnificent and the work, which is no less than a true masterpiece, deserves it.

Apart from the Stabat Mater, Kaspszyk has also included Szymanowski’s Litania do Marii Panny (Litany to Virgin Mary) and his third symphony Pieśń o nocy (Song of the Night), making the CD, in terms of chosen repertoire, identical to the one under Rattle in 1994.

Litania do Marii Panny is one of Szymanowski’s most mature works, but stylistically it is barely distinguishable from the Stabat Mater, which is four years younger. The Third Symphony from 1914-1916 is also clearly Szymanowski’s ‘Art Nouveau meets Catholicism’. With the unmistakable influences of Debussy and Scriabin and a strong tendency towards Orientalism – for his symphony he used the Polish translation of the poem by the Persian poet Jalāl ad-Dīn ar-Rūmī – that is Szymanowski alright! Eclectic, how so?

Szymanowski Aleksandra_Kurzak_by_Martyna_Gallaweb
Aleksandra Kurzak ©Martyna Gallaweb

Aleksandra Kurzak is nothing less than enchanting. Her beautiful, voluptuous, lyrical soprano, with its dizzyingly heights and its flawless pitch, is at the same time big, powerful and expressive. Her performance is impeccable and her interpretation moving. She turns the eight-minute Litania into a mini melodrama that will not leave you unmoved. Breathtaking.

SzymanowskiAgnieszka-Rehlis-2
Agnieszka Rehlis


In the Stabat Mater, she is assisted by the beautiful mezzo Agnieszka Rehlis. Rehlis has made oratorio her speciality and that is clearly audible. She keeps her large, warm voice well in check and her interpretation is subdued, which provides a wonderful contrast with the very dramatic Kurzak.

Szymanowski Rucinsi
Artur Rucinski © Andrzej Swietlik


Artur Rucinski impresses me very much with his bel canto baritone. I can imagine that you might find his part a little too operatic, but I find it very beautiful myself.

Szymanowski Korchak
Dmitri Korchak © Dmitri Korchak

Dmitri Korchak has a wonderfully sweet lyric tenor with a very pleasant timbre, I only wonder whether his voice is not too small for the imposing third symphony. One can easily compare the work with Mahler’s Das Lied von der Erde and for that you need a more stentorian voice. Korchak clearly reaches the limits of his possibilities here, but then again he has to compete with a really enormous (brilliant, by the way) chorus.

Unfortunately, he is not really helped by the conductor: Kaspszyk makes the orchestra erupt to the absolute maximum. Impressive, without a doubt, but with a little more mysticism and oriental perfume, he could have achieved absolute perfection. Nevertheless: magnificent!

It is a pity that the lyrics have not been printed, because, even had you mastered the Polish language, you would not have understood one word of it.