John Williams speelt gitaarconcerten van Giuliani en Schubert

Schubert John Williams

Niet schrikken! Het ligt echt niet aan u, Schubert heeft heus geen gitaarconcert geschreven. Arpeggione, een muziekinstrument dat maar kort in het gebruik was aan het begin van de negentiende eeuw werd ook gitaarvioloncel genoemd. De keuze om het meesterwerk van Schubert op een gitaar te spelen is dus minder vreemd dan u denkt en meer voor de hand liggend dan de bewerkingen voor fluit of klarinet bij voorbeeld.

Het concert van Mauro Giuliani werd al eerder door Williams opgenomen, in 1968. Sindsdien is er het een en ander in de muziekopvattingen veranderd en het gebruik van de authentieke instrumenten werd bijna een must. Op deze opname uit 1999 bespeelt Williams een Guadagnini uit 1814. Hij gebruikt ook de oorspronkelijke partituur, dat alles onder de supervisie van Carlo Barone, een expert op het gebied van de Italiaanse gitaarmuziek uit die tijd.

John Williams behoort beslist tot de beste en meest veelzijdige gitaristen uit onze tijd. Met net zoveel gemak verzorgt hij de plaatpremières van hedendaagse composities, maakt hij uitstapjes naar de jazz en bezorgt kippenvel aan de liefhebber van de romantische muziek van Tárrega. Ook op deze opname worden wij niet teleurgesteld, al hoor ik de Arpaggione het liefst gespeeld op de cello, met de pianobegeleiding. En dan graag  door het duo Maisky/Argerich.


John Williams gitaar
Australian Chamber Orchestra olv Richard Tognetti
Sony SK63385

Walk like Egyptian: Verdi’s Aida door Robert Wilson

Aida Wilson

Verwacht geen olifanten in deze Aida uit Brussel. Ook geen grote massa scènes en – voornamelijk – verwacht geen emoties. Bij Robert Wilson moet alles minimalistisch en esthetisch verantwoord, wat ontegenzeggelijk leuke plaatjes oplevert maar in discrepantie blijft met de muziek. De zangers bewegen zeer langzaam, bijna in slow motion en hun (spaarzame) gebaren zijn gestileerd naar de oud-Egyptische tekeningen.

Niemand raakt niemand aan, sterker: er wordt niet eens naar elkaar gekeken. Alle personages zijn voornamelijk met zichzelf en hun eigen leed bezig, wat volgens de regisseur wellicht de sleutel is tot het drama. Voor mij te ver gezocht.

De enscenering wordt gedomineerd door de kleuren zwart en blauw, er zijn amper decors en/of rekwisieten. Dodelijk saai.

De, werkelijk geweldige zangers lijken gevangen te zitten in een keurslijf van emotieloos acteren, al lukt het Ildiko Komosi (Amneris) af en toe een gebaar te smokkelen. Samen met Norma Fantini (Aida) zorgt zij voor de meeste spanning en ontroering, en hun duet in de eerste acte is vocaal een hoogtepunt.

Marco Berti is een prima Radames met een prachtige hoogte en een vleugje ‘Pavarotti’ in zijn timbre, en ook de rest van de bezetting is eersteklas. Kazushi Ono dirigeert bedaard, met alle aandacht voor de details.

Terugkerend naar de regisseur: Robert Wilson lijkt zich keer op keer te herhalen. Heb je ooit een enscenering van hem gezien, dan heb je ze allemaal gezien. Hoezo ‘opera is geen museum’?

Giuseppe Verdi
Aida
Norma Fantini, Marco Berti, Ildiko Komlosi e.a.
Symphony Orchestra&Choire of La Monnaie-De Munt olv Kazushi Ono
Opus Arte OA 0954 D

Madama Butterfly: drie (cd) opnamen waar ik niet zonder kan

Butterfly

Female Attendant Helps Madama Butterfly to Dress Giclee Print by C.d. Weldon | Art.com

Het leven van een operaliefhebber is incompleet zonder minstens één Madama Butterfly op de plank – tenzij u natuurlijk een Puccini-hater bent (ze bestaan echt!), maar in dit geval leest u het toch niet….

RENATA SCOTTO

Butterfly Scotto

Voor mij een absolute ‘numero uno’ is de in 1966 bij EMI (tegenwoordig Warner 0190295735913) verschenen opname onder Sir John Barbirolli. Renata Scotto bewonder ik niet alleen vanwege haar prachtige stem, maar ook (en misschien voornamelijk) vanwege haar totale identificatie met iedere rol die ze ooit gezongen heeft.

Begonnen als een lyrische coloratuursopraan, schitterde ze voornamelijk in opera’s van Bellini en Donizetti, om in de jaren zestig langzamerhand ook zwaardere rollen op haar repertoire te zetten. Madama Butterfly was er één van, en daarmee zette ze een standaard die nog steeds niet is geëvenaard.

Hieronder: privé opname van het liefdesduet met Renata Scotto en Giacomo Giacomini

Je kan je een lyrischer of juist een meer dramatische Cio Cio San indenken; eentje met minder metaal in haar stem of eentje met kinderlijker stem. Maar geen andere zangeres wist zo het complexe wezen van het meisje te doorgronden en haar verandering van een naïef kind in een volwassen, door immens verdriet gebroken vrouw zo te karakteriseren.

Hieronder: Scotto zing ‘Con onor muero’ in Arena di Verona in 1987

Vijftien is Cio Cio San als de opera begint en nog maar achttien bij haar tragische einde, maar in die drie jaar heeft zij een ontwikkeling doorgemaakt, waar een gewoon iemand een heel leven voor nodig heeft. En dat alles hoor ik in Scotto’s interpretatie.

Carlo Bergonzi is een prachtig gezongen, een ietwat afstandelijke Pinkerton en Rolando Panerai een zeer warme Sharpless.


CLARA PETRELLA

Butterfly Petralla

Op nummer twee op mijn lijstje staat een Italiaanse Rai-opname uit 1953 (Urania URN22.311) met in de hoofdrol Clara Petrella. Deze verschrikkelijk ondergewaardeerde sopraan is een zeer dramatische Butterfly, met een intensiteit die je bij het beluisteren gewoon pijn doet.

Feruccio Tagliavini roept met zijn zoete, lyrische stem een sfeer van liederen van Tosti op: dit is een Pinkerton om verliefd op te worden.


VICTORIA DE LOS ANGELES

Butterfly de los Angels

Op nummer drie ook een oudje: een in 1954 door EMI opgenomen en inmiddels op Regis (RRC 2070) heruitgebrachte opname met Victoria de los Angeles en Giuseppe di Stefano. De los Angeles is een Butterfly met een kinderlijke warmte, broos, breekbaar. Haar te kwetsen voelt alsof je de Madonna zelf gekwetst hebt. Daar past Giuseppe di Stefano met zijn zeer macho tenor wonderwel bij.


Is verismo dead? Part 1: Cavalleria Rusticana

cavalleria-rusticana-mascagni

La Morte de Verismo: Verismo is dead. In recent years, this heartfelt cry has been the subject of intense discussion on opera mailing lists, in opera groups on Facebook and during emotional conversations and discussions among many fans of the genre. But is it true? Is verismo dead?

People say verismo and think: Mascagni and Leoncavallo. Rightly so? Cavalleria Rusticana and certainly Pagliacci are among the most popular operas ever. The most tragic as well. But that is not only because of their content. They are about passion, love, jealousy, revenge and murder, but that and also the rough realism does not make them more violent than Carmen. And we have also experienced ‘ordinary people’ and ‘present time’ in operas before, in La Traviata for example.

No, what actually makes these operas so tragic is the fate of their creators. Both works caused a huge sensation and left their creators with a blockbuster they could never equal again. Not that they composed nothing else or that the quality of their later operas leaves much to be desired. On the contrary. La Bohème by Leoncavallo or L’Amico Fritz by Mascagni, for example, are true masterpieces.

The ‘why’ is difficult to answer, although many explanations have been given. Mascagni would not have remained true to his style and started to compose in the romantic style again. But that is not true: Cavalleria contains many passages that are just as lyrical as L’Amico Fritz, for example,  and Cavalleria is no more dramatic than lets say Iris.

pietro-miscagni-bbc-archives

Pietro Mascagni. Photo courtesy BBC archives

“Crowned before I became king”, Mascagni sarcastically remarked (‘Cavalleria’ was his first opera, composed when he was 26 years old), and that goes for Leoncavallo as well. Whatever the cause may be, both composers have, inseparably linked, gone down in history as composers of only one opera.

The same thing happened to their contemporaries and/or contemporaries of style (they preferred to call themselves ‘La Giovane Scuola’ – ‘The Young School’). The few people who have heard of Giordano, Catalani, Franchetti or Cilea probably cannot name more than one opera. Or even worse: one aria.

It is difficult to say what caused this, and is worth exploring, but the fact is that after the thirties and forties (and also the early fifties) the genre suddenly became ‘not done’. Intellectuals considered the genre as beneath themselves and the sobs in the aria ‘Vesti la giubba’ from Pagliacci became the example of bad taste.

Cavalleria Rusticana and Pagliacci have always remained popular with audiences, though. The real lovers have never taken any notice of this intellectual criticism (especially the eighties and nineties of the last century were ruthless for verismo).

CAVALLERIA RUSTICANA

mascagni

The premiere of Cavalleria Rusticana took place in 1890, three years after Otello and three years before Falstaff by Verdi. The leading roles were sung by Gemma Bellincioni as Santuzza and her husband Roberto Stagno as Turiddu.

cavalleria-bononcioni-met-man

Thanks to Edison and his invention we know how the first Santuzza sounded, because in 1903 Bellincioni recorded ‘Voi lo sapete, o mamma’  (SRO 818-2). What do we hear? Bellincioni has a light soprano, with an easy height, but with a dramatic core. It seems that she had had little success with the then standard repertoire, but her presence, her acting and interpretation made her very suitable for the new operas composed in the verist style.

Bellincioni sings ‘Voi lo sapete o mamma’:

How does a perfect Santuzza sound? You have to have power, that is clear. You also have to be able to act, especially with your voice, because few roles have so much duality in them: her eternal nagging gets on your nerves and you get tired of it, but at the same time she is pitiful and you have sympathy for her. As in real life, and that real life must also be reflected in the interpretation, which cannot be achieved by just singing beautifully.

That’s why the greatest singing actresses have recorded the best Santuzzas. You notice that too when looking at the list of Santuzzas: Giannina Arangi-Lombardi, Zinka Milanov, Carla Gavazzi, Eileen Farrell, Giulietta Simionato, Maria Callas, Elena Souliotis, Renata Tebaldi, Renata Scotto. And Lina Bruna Rasa of course, the beloved Santuzza of Mascagni.

cavallerie-bruna-rasa-cav

Milan 1940

In 1940 the 50th anniversary of Cavalleria was celebrated with special performances at La Scala, after which the whole cast went into the studio to make a recording of it. The line-up was the best possible, with next to Lina Bruna Rasa, Benjamino Gigli as Turiddu, Gino Becchi as Alfio and Giulietta Simionato as Mamma Lucia (strangely enough Simionato often sang the role of Santuzza afterwards).

cavalleria-1940

The first thing that stands out in Mascagni’s conducting is the emphasis he places on lyricism and a lilting tone , which makes the melodic lines stand out more clearly. On no other recording does the prelude sound so idyllic, and nothing better indicates the drama that is about to take place, which contrasts sharply with the Santuzza – Turiddu duet.  It makes the drama more poignant, more intense.

Gigli was one of the best Turiddu’s in history: seductive and frivolous, and (sorry, but it is true) only in Domingo did he get a worthy competitor. Because neither Giuseppe di Stefano (too light), nor Jussi Björling (too nice), nor Mario del Monaco (too roaring), nor José Carreras (although he comes close) could give Turiddu a hint of three-dimensionality.

Gigli as Turiddu. Recording from 1927:

At the time of the recording Bruna Rasa was 33 years old and since a few years she suffered from terrible depressions. The first symptoms of a mental illness had also manifested themselves and she had trouble remembering the text. Yet there was no question that anyone else would sing that role, and Mascagni helped her as much as he could.

Lina Bruna Raisa sings’ Voi la sapette o mamma’:

The original recording appeared on 2 CDs on EMI which were filled up with arias from other Mascagni operas sung by Gigli. Unfortunately on the re-release on Naxos (8110714-15) some orchestral preludes and intermezzi from different operas, all performed by the Berlin State Opera Orchestra conducted by Mascagni are added instead. Both EMI and Naxos start with a short speech by the composer.

Below the complete opera, conducted by the composer:

The Hague 1938

Afbeeldingsresultaat voor animal

Two years earlier, in 1938, the widow of Maurice De Hondt brought Mascagni and his opera to The Hague. The performance of 7 November was recorded live and was released on CD (Bongiovanni BG 1050-2 ).

The live recording sounds pretty good, especially for its age, and the stage sounds (including a very audible prompter) and the coughing audience are not really disturbing. The tempi are a bit faster than on the Naxos recording, but still a little on the slow side.

Cavalleria Bruna Raisa NL

The line-up is slightly less spectacular than two years later, but still very good. Antonio Melandri is a baritone Turiddu and Alfro Poli gives excellent shape to Alfio. Of course Mascagni had brought Bruna Rasa, and what she shows here surpasses everything: so intense, so desperate, so heartbreaking, like no other Santuzza ever sounded. Because of her interpretation alone, this special document is invaluable.

Franco Zefirelli

cavalleria-domingo

This part movie/part studio recording of Franco Zefirelli (DG 0734033) could have been the ultimate adaptation if it had not been for Elena Obraztsova who plays the role of Santuzza. That she is a bit older and unattractive – ok, that fits the story. But her voice is lumpy, sharp and her chest register is painful to the ears. She also suffers from over acting which makes her an extremely unsympathetic Santuzza.

One can’t blame Turiddu (Domingo at his best) for preferring to look at Lola (nice Axelle Gall). Just look at his eyes and his corners of the mouth, which speak volumes! For the rest nothing but praise for this recording, which (how could it be otherwise?) is coupled with ‘Pagliacci’, with again Domingo in top form and an excellently acted Nedda by Teresa Stratas.

In 1956 in the Rai studios one of the most beautiful Cavallerias was recorded, with Carla Gavazzi, Mario Ortica and Giuseppe Valdenga.

This recording can now be found on Youtube:

DOMENICO MONLEONE

cavalleria-monleone-portret

What many people don’t know: there are actually two (and even three if you include La Mala Pasqua by a certain Stanislao Gastaldon from 1888) Cavalleria Rusticana’s. Domenico Monleone (1875 – 1942), a composer not unknown  at the time, also used the story of Giovanni Verga for his one-acter, which his brother Giovanni converted into a libretto.

cavalleria-monleone-painting

Illustration Gamba Pipein. Courtesy Boston Public Library, Music Department

Sonzogno, Mascagni’s publisher, accused Monleone of plagiarism (and indeed: careful study shows that Monleone’s libretto is closer to Mascagni than to Verga’s original story), after which the opera was not performed anywhere for a long time.

Until 1907, when Maurice de Hondt brought Monleone to Amsterdam, where his opera had its belated premiere. Coupled with … yes! Cavalleria Rusticana.

Both works were directed by their composers: it apparently did not bother Mascagni that his colleague had ‘borrowed’ his libretto from him.

cavalleria-monleone

Il Mistero

cavalleria-il-mistero

Nevertheless, Monleone had to accept the court ruling, which meant that he had to find a new libretto for his music.

It was changed into Il Mistero, another story by Verga, and this time the author himself had helped Giovanni Monleone with the libretto.

Both operas with the same music but on two different libretto’s were released by Myto on CD’s (Cavalleria: 012.H063; Il Mistero: 033.H079). In both works the leading role (Santuzza/Nella) is sung by Lisa Houben, originally from the Netherlands.

Duet Santuzza/Turiddu, sung here by Denia Mazzola-Gavazzeni and Janez Lotric. Recording was made in Montpellier, in 2001:

An amusing video: eight times ‘A te la mala Pascua’:

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

In Dutch: IS VERISMO DOOD? Deel 1: Cavalleria Rusticana

Het geheim van Susanna

Il Segreto di Susanna

Susanna heeft een geheim. Heeft zij een minnaar? Dat is precies wat haar jaloerse echtgenoot Gil denkt. In het huis hangt een rookgeur, dus..? Nou, nee. Susanna heeft geen minnaar en de sigaretten, die rookt zij zelf. Dat is dus haar geheim. Het is een gegeven van niets, maar Ermanno Wolf-Ferrari wist van het niemendalletje één van de leukste komische opera’s ooit te maken.

Zijn muziek is goddelijk mooi. Meer, eigenlijk. In zijn noten wist hij alle gemoedstoestanden te vangen. Boos, blij, verontrustend, kwaad, gelukkig… Je hoort het. Geniaal. Dat de opera nog maar zelden wordt uitgevoerd heeft alles te maken met onze verachting van alles wat naar verisme ruikt. Voor de gemoedsrust van de verisme-haters: nee, Il Segreto di Susanna is geen veristische opera, het is meer een commedia dell arte. Of, plat gezegd, een heerlijk tussendoortje.

De – live – opname uit 2006 is uitstekend. Ángel Ódena is een meer dan de overtuigende echtgenoot en Judith Howarth een zoetgevooisde Susanna. Dat laatste is voor mij meteen (het enige) minpunt van de opname: Susanna mag toch best wat meer uitgesproken zijn! Wie de opname met Renata Scotto kent weet wat ik bedoel.

Als bonus krijgen we Wolf-Ferrari’s jeugd werk, een Serenade voor strijkers. En mooi dat het is! Het  uitstekend spelende Oviedo Filarmonia staat onder de zeer enthousiasmerende leiding van Friedrich Haider.


ERMANNO WOLF-FERRARI
Il Segreto di Susanna
Serenade voor strijkers
Judith Howarth, Àngel Òdena
Oviedo Filarmonia o.l.v. Friedrich Haider
Naxos 8.660385

Ermanno Wolf-Ferrari: TALITHA KUMI

La Damnation de Faust: Rattle doet het goed, maar Davis deed het beter

Faust Berlioz Rattle

Opera? Geen opera? Of toch wel? Berlioz zelf gaf zijn compositie de naam ‘dramatische legende’, dat als een concertstuk uitgevoerd diende te worden. Maar nu we zelfs het Requiem van Verdi of de Matthäus Passion van Bach scenisch opvoeren, ach… waarom niet? En toch is er veel voor te zeggen, voor ‘akoestisch only’, voor het kiezen voor muziek sec, zonder (veelal) verstorende beelden.

De voorliggende live opname uit Barbican in Londen (opgenomen in september 2017) is daar het klinkende bewijs van. Het London Symphony Orchest is gepokt en gemazeld in het oeuvre van Berlioz. Hun eerste opname van La Damnation de Faust onder Pierre Monteaux stamt al uit 1962 en we mogen natuurlijk Colin Davis niet vergeten: hij nam het werk twee keer op, in 1973 en 2001. De nieuwe opname onder Simon Rattle bevestigt nogmaals de verwantschap die de Londenaren met Berlioz hebben. Het is zonder meer prachtig, al prefereer ik lichtelijk de visie van Davis.


Wat deze opname tot een echte ‘must have’ maakt is de werkelijk onnavolgbaar schitterende Marguerite van Karen Cargill. Haar ‘D’amour l’ardente flamme’ zingt ze met een tot tranen toe roerende inleving, ik althans hield het niet droog.

Bryan Hymel is een uitstekende Faust en Christopher Purves een goede Mefisto.


HECTOR BERLIOZ
La Damnation de Faust
Karen Cargill, Bryan Hymel, Christopher Purves
Tiffin Boys’Choir, Tiffin Girls’ Choir, Guildhall School Singers,
London Symphony Choir- and Orchest o.l.v. Simon Rattle
LSO Live LSO 0809

Nabucco bij ZaterdagMatinee: een feest van gouden kelen

Nabucco Vassallo

Franco Vassallo (Nabucco) in het Concertgebouw (credits: Facebook)

U gelooft mij waarschijnlijk niet, maar ik heb Nabucco, toch één van de bekendste opera’s van Verdi zaterdag 13 april 2019 voor het eerst _live_ gehoord. En ik was de enige niet. Hoe dat komt? Tja… Omdat de programmeurs van onze operahuizen het te min vonden? Te grote ‘meezing-gehalte’?  Omdat regisseurs er niets mee konden, de opera leent zich immers niet goed voor het updaten? Niet dat het tegenwoordig als argument kan worden gebruikt. Wat dan ook: eindelijk, eindelijk, eindelijk kwam Nabucco op bezoek naar Amsterdam. Het was het wachten waard, want de uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw was gewoon waanzinnig goed.

De uitvoering was godzijdank concertante, waardoor we niet gestoord werden door niet ter zake doende beelden en konden ons volledig op de geniale muziek concentreren. De première in La Scala in 1842 was een groot succes, zo groot zelfs dat ‘Va, pensiero…’ werd het officieuze volkslied van Italië.

Nabucco koor

Het Groot Omroepkoor Foto: Lodi Lamie

Het was voor Groot Omroepkoor (instudering Klaas-Jan de Groot) een enorme uitdaging, want wie kent het slavenkoor niet? Ik denk, nee, ik weet zeker dat het de beroemdste koor-aria is die ooit werd gecomponeerd. Ik vermoed dat iedereen daar zat op te wachten, al biedt de opera uiteraard veel en veel meer. Welnu: de uitvoering was in één woord gewoon TOP! Formidabel. Met ogen dicht waande ik mij aan de oevers van Eufraat en droomde mee over de terugkomst naar Jeruzalem, naar Sion. Naar huis. Bravi.

Gelukkig heeft Giancarlo Andretta hier geen rustpauze ingelast waardoor we meteen door gingen met de handeling. En waardoor het niet ontspoorde in een (op dit moment in de opera niet echt gewenst) applaus. En waardoor ‘Niuna pietra’, de grote aria van Zaccaria nu alle aandacht kreeg die het verdiende.

Nabucco meer Relyea in Minnesota

John Relyea als Zaccaria in Minnesota

Zaccaria werd gezongen door de Canadese bas, John Relyea. Het was de tweede keer dat ik hem live hoorde. De eerste keer, in het Requiem van Verdi werd ik een beetje teleurgesteld en die indruk heeft hij nu ruimschoots goedgemaakt. Zijn bas is immens groot en beschikt over veel kleuren. Onvoorstelbaar prachtig hoe hij al die verschillende emoties met zijn stem wist te uiten. Streng, troostend, hoopgevend, treurend… Alles zat er in. Schitterend.

John Relyea over Nabucco :

 

Een goede Nabucco valt of staat met de juiste zangers voor de twee hoofdrollen: Nabucco en Abigaile en zijn niet gauw gevonden. Abigaile is een killer van een rol die van haar vertolkster een dijk van een stem met een enorm bereik (van het lage mezzo tot de hoogste regionen van het dramatische sopraanregister) verlangt. Heel wat zangeressen hebben hun stem daar kapot op gezongen, om te beginnen met Giuseppina Strepponi, haar eerste vertolkster en de latere mevrouw Verdi. Laat het maar aan Tatjana Serjan over! Wat een strot! Wat een volume! En wat een inlevingsvermogen! En nu denk niet dat zij voortdurend forte en fortissimo zong (al vereist die rol het best vaak), want Serjan beschikt ook over prachtige fluisterende tonen en in haar berouwaria wist zij mijn hart diep te raken met haar piano en pianissimo

NABUCCO_TATIANA-SERJAN_

Tatiana Serjan als Abigaille in de Lyric Opera in Chicago. ©: Cory Weaver

Nabucco werd gezonden door de Italiaanse Franco Vassallo. Ook voor hem was het niet de eerste keer dat hij de rol zong en dat was goed te horen. Ooit dacht ik dat de echte dramatische Verdi-baritons uitgestorven waren, bleek er toch eentje de operawereld onveilig te maken. Daarbij moet ik toegeven dat hij als Nabucco veel beter op zijn plaats is (was) dan als Don Carlo (La Forza del Destino).

Iris van Wijnen was een mooie lyrische, licht getimbreerde Fenena. Een klein beetje onzeker in het begin, wat eigenlijk die rol goed ten pas kwam. Zeker in haar gebed in de laatste acte wist zij mij buitengewoon te ontroeren. Maar in haar confrontatie scène met Abigaile liet zij horen dat haar mooie mezzo meer te bieden heeft dan lyriek alleen.

De Italiaanse tenor Giordano Lucá was een zeer goede Ismaele. Wellicht minder lyrisch dan die rol doorgaans wordt gezongen, maar met de mooie kleurschakeringen in zijn stem wist hij mij goed te overtuigen.

Jeannette van Schaik was zeer goed in haar kleine rol van Anna en Jasper Leever leverde een uitzonderlijke prestatie als Il Gran Sacerdote. Wat boffen we toch in Nederland met zo veel groots zangtalent!

Nabucco giancarlo-andretta-foto-mats-b-ckernieuw

Giancarlo Andretta © mats-b-ckernieuw

Het Radio Filharmonisch Orkest was goed op dreef. Onder de zeer inspirerende leiding van Giancarlo Andretta speelden ze de noten alsof hun leven ervan afhing. Soms misschien een beetje té: het geluid, zeker voor de pauze was soms niet te harden! Al met al: alweer een Matinee om nooit te vergeten!

Radio Filharmonisch Orkest | NTR ZaterdagMatinee | Ouverture uit Verdi’s ‘Nabucco’

Gehoord op 13 april 2019 in het Concertgebouw in Amsterdam