La bellezza del canto: over Olga Peretyatko’s eerste cd, tien jaar na de verschijning

Olga Peretyatko is meer dan de zoveelste ‘rising star’ uit één van die landen die vroeger eufemistisch ‘het Oostblok’ heette. Niet alleen ziet zij er werkelijk prachtig uit en kan ze goed acteren, zij kan eveneens – en dat is natuurlijk het allerbelangrijkste – zingen. En hoe!

Zij heeft een lichte, zeer wendbare stem met een stralende hoogte en haar coloraturen zijn gewoon perfect. En denk niet dat zij de zoveelste ‘kanariepiet’ is! Olga Peretyatko is een echte nachtegaal.

Op donderdag twaalf januari 2012 zong ze bij de Nationale Opera de première van (hoe toepasselijk!) De Nachtegaal van Igor Strawinsky en in april dat jaar kwam ze terug voor Il Turco in Italia van Rossini.

Trailer van Nachtegaal:

Trailer van Il Turco in Italia:

Op haar debuut-cd bij Sony, met een zeer toepasselijke titel La bellezza di canto, ontbreekt ook de aria van Fiorilla niet. Voor de rest veel Donizetti en nog een Rossini: ‘Canzone del salice’, de aria van Desdemona uit Otello. Dat je daar van moet huilen, ligt uiteraard voornamelijk aan de muziek, maar zo mooi en zo ontroerend gezongen heb ik het zelden gehoord.

Verder staat er van alles en nog wat. Gilda, Manon (Massenet), Adele (Die Fledermuis)  … Ook “Het lied aan de maan” uit Rusalka ontbreekt er niet.

Eerlijk gezegd is het een beetje ratjetoe, maar als het zo gezongen wordt dan mag het van mij ook een telefoonboek zijn. Ik ben zeer onder de indruk.

Olga Peretyatko
La belezza del canto
Aria’s van Rossini, Donizetti, Massenet, Offenbach, Dvořák, Puccini en Johann Strauss
Münchner Rundfunkorchester olv Miguel Gómez-Martínez
Sony 88697785442

Ein Stern fallt vom Himmel: het korte leven van Joseph Schmidt

Op 16 november 1942 stierf Joseph Schmidt, nog maar 38 jaar oud. Op zijn graf staat, “Ein Stern fällt”, een verwijzing naar één van zijn meest succesvolle films.

De hele film:

Schmidt werd geboren op 4 maart 1904 in het dorpje Davydivka in het hertogdom Boekovina (tegenwoordig Oekraïne), dat toen deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije. Hij was gezegend met een schitterende tenorstem en algauw zong hij in de synagoge van Czernovitz waarheen zijn familie na de eerste wereldoorlog verhuisde.

Hieronder zingt Schmidt ‘Ano Avdoh’, een Aramees gebed (opname uit 1934)

In 1924 verhuisde hij naar Berlijn, dromend van een carrière als acteur. En opera. Helaas, zijn geringe lengte (Schmidt was maar 1.54 lang) stond zijn droom in de weg. Tijdens de ettelijke audities werd zijn stem uitzonderlijk genoemd, maar zijn lengte… Gelukkig voor hem werd in die tijd een nieuwe medium ontdekt: de radio.

In 1929 maakte Schmidt zijn debuut als Vasco da Gama in Meyerbeers L’Africaine in de Berlijnse Rundfunk

Het succes dat volgde is niet te beschrijven: Schmidt werd een wereldster. In totaal heeft hij in 37 opera’s gezongen, waaronder veel Mozart en, voornamelijk Verdi.

Hieronder zingt Schmidt ‘Di quella pira’ uit Il Trovatore:

In mei 1933 is met enorm succes zijn eerste film Ein Lied geht um die Welt in première gegaaan

Maar al in februari 1933 trad Schmidt voor het laatst op voor een Duitse omroep. Een week later werd hem de toegang tot de studio’s ontzegd. In december dat jaar verhuisde hij naar Wenen waar zijn filmcarrière echt begon

Heut’ ist der schönste Tag in meinen Leben:

In 1937 maakte hij zijn debuut in Carnegie Hall in New York

Hieronder zingt hij Du bist de Ruh van Schubert:

Zijn succes was immens. Hij trad met de grootste zangersacteurs uit die tijd, Maria Jeritza, Grace Moore om maar een paar te noemen

Joseph Schmidt en Grace Moore in La bohéme :



In die tijd verdiende hij 3000 dollar voor een paar minuten zingen. Waarom ging hij terug naar Wenen? Wat bezielde hem? Was hij zo naïef dat hij niet geloofde wat er komen gaat? Dacht hij werkelijk dat zijn roem en zijn sterrendom hem zou beschermen? Of was het gewoon heimwee? Wie zal het zeggen.

Na de Anschluss vluchtte hij naar België. Daar is zijn grootste droom in vervulling gegaan, een optreden op de operabühne; hij zong Rodolfo in La Bohème. Zou dat de reden zijn dat hij niet vluchtte toen het nog kon?

Een bijzonder warm plekje in zijn hart had hij voor Nederland, hier trad hij voor het eerst op voor de Vara Radio in 1936 (hij zong er in I Masnadieri van Verdi)

En hij zong ook in het Nederlands!

In 1940 vluchtte hij naar Parijs en daarna naar Zuid Frankrijk. Daarvandaan deed hij nog vergeefse pogingen om America te bereiken. Helaas. Wanhopig probeerde hij het nu met Zwitserland, iets wat hem in de nacht van 7 op 8 maart 1942 uiteindelijk lukte. Nog geen drie jaar geleden vierde hij er triomfen als de wereldster, nu werd hij in de interneringskamp opgesloten. Hij kreeg er longontsteking en last van hartklachten. Totaal berooid, zonder een cent te maken, niet in staat om een goede arts te betalen werd hij opgenomen in een ziekenhuis. Na twee weken werd hij er ontslagen, wegen simulatie.

Twee dagen later stierf hij, 38 jaar oud. Op zijn gaf op het Joodse kerkhof staat . Op zijn graf staat: “Ein Stern fällt”, Joseph Schmidt – kamersänger



Herinneringen aan Maria Ewing

TEKST PETER FRANKEN

Zondag 9 januari overleed Maria Ewing. We deelden geboortejaar 1950 en zo’n detail brengt het allemaal wat dichter bij. Ik zag haar één keer live, als Elle in La voix humaine, een productie van de Reisopera in 2011.

Maria Ewing tijdens de repetitie van La voix humaine:

Mijn eerste kennismaking met Maria Ewing was in 1985 toen ik haar in een uitzending vanuit Glyndebourne zag als sigaar rokende Carmen, zeer overtuigend. Een vergelijkbaar personage zette ze neer in de productie van ROH die in 1991 door ArtHaus werd uitgebracht.

Deze productie van Nuria Espert is zeer klassiek en laat in de vierde akte zelfs twee picadores te paard op het toneel verschijnen. Dat laat onverlet dat het acteren van de protagonisten buitengewoon realistisch is, een klassieke enscenering hoeft niet betekenen dat er een ouderwetse voorstelling ten tonele wordt gevoerd, met zangers als houten klazen. De vonken vliegen er van af, met name door het fenomenale optreden van Ewing.

Maria Ewing als Carmen in Glyndebourne:

Haar Carmen is aanvankelijk nogal arrogant. Het stoort haar dat Don José haar gewoon geen blik waardig te gunt en dat na haar ‘Oiseau rebelle’. Zoiets kan ze niet over haar kant laten gaan, die man moet ze hebben. Als ze vraagt wat hij aan het doen is en als reactie krijgt dat hij met zijn insigne bezig was antwoordt ze ‘Vraiment’ op zo’n sarcastische manier dat het met José daarna onmogelijk nog goed kan komen.

Maria Ewing en Barry McCauleyL

Dat ze hem uit zijn ‘eigen leven’ weghaalt en zodoende zijn burgerlijke toekomst verpest, deert haar niet. Easy come, easy go, als hij lastig en jaloers wordt is het tijd om hem af te danken, hij moet maar zien wat er van hem terecht komt na zijn desertie uit het leger om harentwil en vooral ook door haar toedoen.

Eveneens uit de Royal Opera stamt een dvd met daarop Maria Ewing als een werkelijk uitnemende Salome in een volstrekt klassieke productie van Peter Hall. De opname is gemaakt in 1992. Hall volgt het libretto tot in de kleinste details, van de maan in de eerste scène tot het moment waarop Salome wordt doodgedrukt tussen de schilden van de paleiswachters.

En uiteraard zijn er zeven kledingstukken die tijdens de sluierdans worden afgeworpen, of eigenlijk vijf en twee echte sluiers. Ewing eindigt volledig naakt op het toneel, tot verrukking van Herodes die natuurlijk direct daarop in de tang genomen wordt.

Michael Devlin is zeer overtuigend als de profeet Jochanaan, goed gebouwde jong ogende man die slechts gekleed in een lendendoek de blikken van Salome op zich gericht weet en daarvan gruwt. Hoe meer ze zich aan hem probeert op te dringen, des te groter wordt zijn afkeer. Totdat hij plotseling uit een ander vaatje begint te tappen. Zij is nog niet verloren, moet de Mensenzoon opzoeken, zich voor zijn voeten werpen en om vergeving voor haar zonden vragen. Kan zijn dat de profeet dat echt meent, maar je ziet haar alleen maar denken aan wat ze hem eerder vroeg: ‘is die Mensenzoon net zo mooi als jij?’.

Kortom: hij ijlt en zij geilt, dat laatste heel duidelijk als ze wat op de grond ligt te kronkelen tijdens het orkestrale tussenspel voordat Herodes naar buiten komt. Narroboth kon het al lang niet meer aanzien en heeft zichzelf doodgestoken, goed gezongen door Robin Leggate, wel een beetje pathetisch geacteerd.

Herodes wordt redelijk goed vertolkt door Kenneth Riegel, al klinkt zijn Engels wel een beetje door in de Duitse zang. Gillian Night is adequaat als een licht hysterische Herodias. Terwijl die twee ruziën over de op handen zijnde dans trekt Ewing zich even terug om wat meer kleren aan te trekken, anders kan het helaas niet doorgaan. Ze beweegt heel behoorlijk, dansen is een groot woord, maar de spanning zit hem natuurlijk in de onderliggende erotiek die de kijker beleeft door de ogen van Herodes.

Muzikaal wordt de voorstelling gedragen door Michael Devlin maar vooral door Maria Ewing die er een absoluut topoptreden van maakt.

Een beetje gecensureerd:

Natuurlijk had ze toen de vocale mogelijkheden daarvoor maar die weet ze dan ook volledig te benutten, zonder waarneembaar te doseren om vooral het einde te kunnen halen.

Maria Ewing in de laatste scene  van Salome:

Haar vertolking van Sjostakovits’ Lady Macbeth heb ik op cd, heel jammer dat daar geen dvd van bestaat, had haar graag ook in die rol willen bewonderen. RIP Maria.

Gustav Mahler: Symfonie nr. 4 door het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink, met  Maria Ewing – sopraan, Jaap van Zweden – viool. Opname van de Kerstmatinee 1982:

Chamber works by Paul Ben-Haim

ben-haim

Slowly, much too slowly and actually much too late, but the music world is waking up.
One gap after another is finally being filled and the (consciously or unconsciously) ‘forgotten’ composers are at long last coming to our CD players.

Paul Ben-Haim's Evocation: what a discovery | Basia con fuoco
Paul Ben-Haim

Who among you has ever heard of Paul Ben-Haim? If not, why not?
The composer was born as Paul Frankenburger in Munich in 1897 and died in Tel Aviv almost 90 years later. And he left behind a really spectacular oeuvre.

Many vocal works, orchestral pieces, chamber music…. What not, actually?
Most of his works are influenced and inspired by Jewish, Israeli and Arab melodies, so you may call his music “nationalistic”. Nothing wrong with that word.

Just take the opening of his 1941 clarinet quintet! The dancing clarinet part reminds one of swinging klezmer, but in a Brahmsian way.

The ARC Ensemble perform the opening movement of Paul Ben-Haim’s Clarinet Quintet at the Enav Center, Tel Aviv:

This is even more pronounced in his “Two Landscapes” for viola and piano, in which he sings the praises of his new homeland’s beauty.

Steven Dann and Dianne Werner prepare to record The Landscapes for viola and piano:



The “Improvisation and Dance”, dedicated to Zino Francescati, betrays influences from Yemeni folklore and only his oldest work on the CD, the Piano Quartet from 1920, does not yet have its own “face”.

The (very infectious playing!) members of the Canadian ARC Ensemble all work at the Glenn Gould Conservatory in daily life. A CD to cherish.

Paul Ben-Haim
Clarinet Quintet, Two Lanscapes, Canzonetta, Improvisation and Dance,
Piano Quartet
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10769

Sly by Wolf-Ferrari: have your handkerchief ready!

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is sly.jpg

The operas of Ermanno Wolf-Ferrari (1876-1948) are still rarely performed. We do not even need to guess at the reason. That it is not because of the quality, is proven by the recording of Sly ovvero La leggenda del dormiente risvegliato (Sly or the legend of the awakened sleeper), released in 2001 on Koch Schwann.

The tragicomic story tells us about a poor poet who, blind drunk, is brought to the palace of the Count of Westmoreland to be made a fool of. He is dressed up in expensive clothes and, as soon as he comes to, he is led to believe that he is the earl and that he has just recovered from a long illness. The Count’s lover Dolly pretends to be his wife but gradually falls in love with him.

“No, io non sono un buffone” (No, I am not a fool) he sings at the end and cuts his wrists with a broken bottle. His beloved Dolly, like Charlotte in Werther, arrives too late. The music is a cross between opera buffa, surrealism and mainly verism, although one should not forget the Wagnerian influences.

There was already a recording of the opera in German (Accanta) with Deborah Polaski, and the Italian original was eagerly awaited. This recording was made live in Barcelona. The lead role is sung by José Carreras, who celebrated his 30th anniversary with it. He is a very moving Sly. His voice sounds very fragile and his performance leaves you in tears.

Sherill Milnes once again proves his reputation as the interpreter of villainous roles, but the greatest praise goes to the Zairean soprano Isabelle Kabatu. Her voice is a little reminiscent of Leontyne Price’s: velvety and slightly shrouded.

Maria Stuarda van Edita Gruberova. Een herinnering zonder voorbeelden

De, onlangs overleden Edita Gruberova had zich jarenlang toegelegd op het zingen van belcanto. Op haar eigen label Nightingale had zij zich, onder anderen al eerder over de twee Tudor koninginnen, Anna Bolena en Elisabetta in Roberto Devereux ontfermd.

Ook Maria Stuarda behoorde tot één van haar glansrollen, het was ook niet de eerste keer dat zij de opera opnam. Haar stem was niet ieders favoriet, bovendien had zij met de jaren wat aan de hoogte en souplesse ingeboet, maar haar pianissimo was toen nog steeds indrukwekkend en haar interpretatie van die rol stond als een huis en dwong respect af.  Luister alleen maar naar “Quando di luce rosea” en dan weet u wat ik bedoel.

Carmen Oprisanu, die de rol van Maria’s rivale Elisabetta voor haar rekening neemt, heeft wel een hele mooie stem, maar klinkt voornamelijk triest. De rest van de jonge cast is zeer goed.

Octavio Arèvalo kennen wij al uit eerdere opnamen met Gruberova. Hij beschikt over een soepele en welluidende lyrische tenor. De Poolse bariton Marcin Bronikowski zingt een prachtige Cecil, een grote belofte in het belcanto vak.

Het orkest onder bezielde leiding van Marcello Viotti speelt met verve en, aangezien er amper concurrentie bestaat, zeker aan te bevelen. Helaas bestaat er geen opname van, noch op Youtube, noch op Spotify.

Donizetti
Maria Stuarda
Edita Gruberova, Carmen Oprisanu, Octavio Arévalo, Marcin Bronikowski, Duccio Dal Monte
Münchner Rundfunkorchester, Chor des Bayerischen Rundfunks olv Marcello Viotti
NC1902092

Semyon Kotko uit het Mariinski Theater

Een menselijk geweten is een wonderbaarlijk iets. Niemand stoort zich aan het geschiedenisvervalsing in, bij voorbeeld, Maria Stuarda. Of Don Carlo(s).

Zodra het echter een recent verleden aangaat, wordt het wat moeilijker. Semyon Kotko  van Prokofjeff heeft zowat het belachelijkste libretto ter wereld: er bestaat geen weldenkend mens meer, die in die socrealistische onzin en in de ‘gelukkige Oekraïne’ gelooft: miljoenen mensen stierven er de hongerdood. Toch: ik denk dat je er naar moet luisteren zoals je naar Verdi’s Don Carlos luistert: met je oren en niet met je verstand; en dan valt best veel te genieten.

Om met de ouverture te beginnen: een lange melodische lijn, diep verankerd in de Russische traditie. De klanken kondigen een idylle aan, zoals het in een film gebeurt. En een film wordt het, daar was Prokofjeff tenslotte een meester in.

De eerste ontmoeting tussen Semyon en zijn moeder, het gedwongen uithuwelijken van Sofya en haar redding op het laatste moment… De in de ouverture aangekondigde idylle verandert gaandeweg in een drama, geen enkele emotie wordt ons bespaard, maar de liefde van Semyon en Sonja overwint uiteraard alles, het kwaad wordt vernietigd en de revolutie zegeviert.

De muziek is werkelijk subliem. Het verhaal wordt zeer dramatisch verteld, er is geen tijd voor verveling. En er is zelfs een leidmotief waarmee Prokofjeff, heel slim, de opera laat eindigen.

De, mij nog steeds onbekende zangers doen het allemaal voortreffelijk.

Deze productie werd ook ooit op dvd uitgebracht, helaas heb ik die niet gezien

Beatrice di Tenda

TEKST: PETER FRANKEN

Dit werk stamt uit 1833 en is Bellini’s voorlaatste opera. Bij de première werd het slecht ontvangen en die weinig geslaagde start is het nooit te boven gekomen, ingeklemd als het is tussen de succesnummers Norma en I Puritani.

Ik zag Beatrice di Tenda in 2007 in een zeer complete geënsceneerde voorstelling van de Rotterdamse Opera met Waldin Roes in de titelrol, een geslaagd optreden.

Opmerkelijk genoeg komen de hoofdfiguren in de handeling vrij goed overeen met hun historische voorbeelden. Beatrice leefde van 1372 tot 1418 in Lombardije. Ze was getrouwd met Faccino Cane, een condottiero in dienst van de Visconti’s. In hedendaagse termen zouden we hem een krijgsheer noemen en hij wist voor zichzelf een groot gebied en bijbehorend fortuin te veroveren ten koste van vooral het hertogdom Milaan.

Na zijn dood trouwde Beatrice met Filippo Maria Visconti, die kort daarvoor zijn vermoorde broer als hertog van Milaan was opgevolgd. Hij was door het wanbeheer van zijn broer min of meer genoodzaakt een politiek huwelijk te sluiten en Beatrice was in dat opzicht een goede partij aangezien ze land en goed van haar man had geërfd. Ze was echter zo’n twintig jaar ouder dan haar nieuwe echtgenoot en dat leidde ertoe dat hij al gauw weer van haar af wilde.

Na een kleine zes jaar was het zover. Beatrice had regelmatig gezelschap van haar favoriete troubadour en die aanleiding werd opgeklopt tot de beschuldiging van overspel. Voor een vrouw in de middeleeuwen stond daar al gauw de doodstraf op en zo geschiedde.

In de opera zien we dit verhaal terug waarbij de maîtresse van Filippo, Agnese del Maino, een belangrijke rol krijgt in de plot. Zij is verliefd op die troubadour, hier bij de naam van Orombello, maar die is al sinds hun kinderjaren verliefd op Beatrice. Hun ontmoeting is bijna een kopie van die tussen Eboli en Carlos. Agnese voelt zich in haar hemd gezet en zweert wraak. Ze steelt het dagboek van Beatrice en geeft dat aan Filippo die daarin voldoende bewijzen meent te vinden voor politieke en persoonlijke ontrouw. Later krijgt ze spijt als blijkt dat haar actie de dood van zowel Orombello als Beatrice tot gevolg heeft. Een aanbod van Filippo om de nieuwe hertogin te worden houdt ze daarom af.

In 2015 was ik in Catania en stond daar op een middag even voor het Teatro Massimo Bellini. Er was helaas niets te doen maar een bezoekje aan Bellini’s geboortehuis maakte dat wel aardig goed. In 2010 ging in dit theater een fraaie productie van Beatrice, zo blijkt uit een opname die door Dynamic is uitgebracht.

Beatrice wordt vertolkt door Dimitra Theodossiou, een Griekse sopraan die ik alleen ken van twee opnames uit de reek Tutto Verdi. Ze kan de partij redelijk goed aan maar moet nodeloos forceren als ze tegen beter weten in er een heel hoge noot uit wil persen. Een andere oplossing lag daar voor de hand.

Haar tegenspeelster is de heel mooie mezzo  José Maria Lo Monaco als Agnese, je begrijpt direct waarom Filippo zijn oude vrouw voor haar wil inruilen, zeker nu de zakelijke deal zijn beslag heeft gekregen. Mooi spel van Lo Monaco als haar wraak zich lijkt te gaan voltrekken, ze geniet zichtbaar van de ‘ontmaskering’ van Orombello en Beatrice en geeft Filippo in het voorbijgaan even een aai op de mouw om haar beschikbaarheid te tonen.

Filippo Maria Visconti wordt uitstekend vertolkt door Michele Kalmandi, prachtig invulling van zijn rol. Even aarzelt hij Beatrices doodvonnis te ondertekenen, hij heeft immers veel aan haar te danken ook al is hun huwelijk een schijnvertoning. Maar als het bericht komt dat haar vroegere onderdanen optrekken naar het hertogelijk paleis om haar te bevrijden, zet hij woedend alsnog zijn handtekening.

Alejandro Roy neemt de nogal onverantwoord handelende Orombello voor zijn rekening. Hij streeft naar beantwoorde liefde door het tonen van politieke loyaliteit en dat kost hen beiden de kop.

Het toneelbeeld van Henning Hermann Brockhaus en Giancarlo Colis is een reden op zich om deze opname goed te bekijken. Op het toneel staat een grote donkere stolp waarop zo nu en dan lichtbeelden worden geprojecteerd. Door de stolp op te halen wordt de buitenruimte zichtbaar waarin we onder meer Agnese een verleidelijk lied horen zingen waar Orombello op afkomt omdat hij denkt Beatrice daar te treffen.

Later is het toneel leeg op een grote kop van de overleden Faccino Cane na. Kort daarna wordt het door de mannen van Filippo omgeduwd, die tijd is voorbij. Ook de andere scènes krijgen een mooie achtergrond in de vorm van projecties en grote decorstukken. Als Beatrices einde nabij is zien we een sofa die het midden houdt tussen een bruidsbed en een doodsbaar. Op de achtergrond is de derde versie van Böcklins Toteninsel geprojecteerd, treffend beeld.

De dames van het koor, aangevuld met acht figurerende danseressen, zijn allen in tamelijk fel gekleurde loshangende jurken gestoken, ze zien er prachtig uit. De mannen gaan in smoking en tegen het einde zijn ook de vrouwen in stemmig donkere kostuums gekleed. Zodoende is er voortdurend veel te zien op het toneel zonder dat de aandacht teveel afleidt van de zang.

Antonio Pirolli heeft de muzikale leiding.
Een aanrader, ondanks de toch iets achterblijvende prima donna.

Josqun, The Undead, forever, althans tot en met 2021

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Hoe zou ‘oude muziek’ in de tijd van de componisten hebben geklonken? Dat is dezelfde vraag als wat legitiem is bij een uitvoering van een Brahms-symfonie of een Verdi-opera: wat stond de componist voor ogen?

Een groot probleem is dat we van persoonlijke opvattingen van componisten van vóór ongeveer Bach in veel gevallen bitter weinig weten, en bij componisten van 1600 weten we soms überhaupt nauwelijks iets over hun leven, soms niet eens hun naam. Bovendien was een groot deel van de muziek van vóór 1600 aan het eind van de eeuw daarop al bijna vergeten.

Maar gelukkig is er in de uitvoeringspraktijk van muziek van voor 1600 steeds vaker een vraag bijgekomen, namelijk hoe kan die muziek klinken op een manier waarbij een hedendaags publiek misschien iets van hetzelfde ervaart als een toehoorder van toen, ook als we niet precies weten hoe die toen klonk?

De CDs die het afgelopen jaar verschenen ter herdenking van het vijfhonderdste sterfjaar van Josquin des Prez bieden een mooie gelegenheid om te zien hoe in de meest recente muziekpraktijk met dit vraagstuk wordt omgegaan.

Aanvankelijke waren het Engelsen die het voorbeeld gaven in meer authentieke benaderingen: het Hilliard Ensemble, de Clerks’ Group en de Tallis Scholars. De eerste twee bestaan niet meer en de Tallis Scholars vervallen wel eens in mooizingerij, ‘glass’ zoals een recensent van de BBC het onlangs uitdrukte. Gelukkig kwamen er Belgische ensembles bij die hun Vlaamse meesters als het ware terugvorderden: het Huelgas Ensemble, Capilla Flamenca en Graindelavoix. En Franse, Italiaanse en Spaanse ensembles (met Jordi Savall voorop) legden zich ook overtuigend toe op deze componisten, waarvan een groot deel hun geluk in het Europese zuiden hadden beproefd, zoals Josquin des Prez. Het Josquin des Prez resulteerde aldus in zes kenmerkende CDs door ensembles uit elk van deze invloedssferen.

Stile Antico is een typisch Engels gezelschap, dat mij tijdens het afgelopen Festival Oude Muziek (in een Dowland-programma) nogal tegenviel. Hun bijdrage aan het Josquin-jaar heet The Golden Renaissance: Josquin des Prez. Beslist welluidend. Ze klinken een beetje zoals de Tallis Scholars in het begin, en die begonnen hun Josquin CD reeks ook met de Missa Pange Lingua. Maar toch echt meer voor wie van de strakgestrokken Engelse vibratoloze zangstijl houdt.

Het Vlaamse Graindelavoix bracht een album uit met de intrigerende titel Josquin – The Undead, Laments, Deplorations and Dances of Death. Wil het gezelschap suggereren dat Josquin een voorloper was van ‘zombie-muziek’? De titel kan ook slaan op de onsterfelijkheid van Josquins oeuvre. Sterker nog, en dat is waarschijnlijk de reden van de titel: hij was zo onsterfelijk dat muziekuitgevers na zijn dood nog allerlei stukken uitgaven onder de naam Josquin waarvan de toeschrijving twijfelachtig is. Op deze CD staat een aantal stukken waarvan het auteurschap kan worden betwijfeld. Maar als het om namaak ging gaat het in elk geval om goede namaak. Maar misschien vandaar Undead.

Graindelavoix maakt er intussen een levendige boel van. Elk arrangement verschillend, wat een beetje het idee geeft als vroeger bij een nieuwe Beatles of Stevie Wonder-LP indertijd: elke song is anders. En eigenlijk behandelt Graindelavoix de stukken als popsongs. En daarbij bedoel ik niet het aanbrengen van jazzy basjes of blue-notes op een zinc. Je kunt je bij elk chanson of motet een gelegenheid voorstellen waarbij het werd uitgevoerd, een Bourgondisch of Toscaans banket, een kroeg waar de gasten massaal een chanson meezongen, een mis waarbij de hertogelijke of keizerlijke (Karel de Vijfde) familie aanzat, een begrafenis. Graindelavoix laat ons stylistische en emotioneel alle hoeken van de kamer zien, of liever gezegd de kathedraal, of eigenlijk de privékapel; ook mooi is hoe Graindelavoix in elk stuk laat horen hoe intiem deze muziek eigenlijk was.

Nymphes, Nappes van Josquin

Musae Jovis, epitaph for Josquin van Nicolas Gombert

Niet Spaans maar wel Argentijns zijn de musici die halverwege het jaar The Josquin Songbook uitbrachten: Maria Cristina Kiehr, sopraan, Jonathan Alvarado (tenor), Ariel Abramovich, luit en vihuela.

Een wondermooie combinatie. Kiehr, die vroeger vaak zong bij Savall als een muzikaal alterego van Montserrat Figuerras, blijkt nu wat lager en ook mannelijker te zingen. Wel kan de formule op den duur eentonig worden. Is Dulces Exuviae, met nog kleinere bezetting, namelijk Romain Bockler, zang, en Bor Zuljan, luit, dan niet nog net iets afwisselender?

Het Franse ensemble Metamorphoses bracht een CD met de missen Malheur Me Bat en L’Ami Baudichon. De authentieke intervallen worden knap gezongen, maar ik mis focus op individuele stemmen en het geheel wordt op den duur wat eenvormig.

Ik vond Rebecca Stewart bij Capella Pratensis altijd wat droog-wetenschappelijk, een beetje gekunsteld. Maar dit album, opgenomen met de piepjonge mensen van Seconda Pratica en Cantus Modalis, overtuigt wel. Ook al geloof je nog steeds niet dat de zangers indertijd altijd zo hun best deden om mooi te klinken, je zou je toch ook kunnen voorstellen dat er indertijd een hertog of aartsbisschop was die juist gecharmeerd was van deze wat gemaniëreerde manier van zingen. Maar dat maakt het vaak ook mooi. Ze laveren tussen Graindelavoix en pakweg the Hilliard Ensemble. De interpretatie is ook filmisch gedetailleerd. Choreografen en filmmakers zouden eens aan deze muziek moeten denken, in deze uitvoering.

Interview Rebecca Stewart:

https://www.nporadiReo4.nl/klassiek/vrije-geluiden/6942024d-f55d-488f-bc54-dd9ef673fab8/orgel

De laatste noten van de opname:

Om de verfijnde architectuur van Josquins muziek te beseffen ben je ook goed uit bij de Gesualdo Six, op de CD Josquin’s legacy. Ik had niet gedacht dat een op zichzelf typische representant van de serene Engelse stijl me zo bij de keel zou grijpen. Engels, maar intenser dan ooit.

Hyperion zet geen CDs op Spotify. Deze Youtubeclips geven een indruk.

Diezelfde Gesualdo Six hebben ook een CD gemaakt samen met het Italiaanse Odhecaton, Giosquino, Josquin Desprez in Italia. Allemaal werken voor Italiaanse broodheren, onder meer de Missa Hercules dux Ferrariæ, gecomponeerd voor de hertog van Ferrara Ercole I d’Este. Als het om helderheid gaat, geef ik wel de voorkeur aan de Gesualdo Six zonder Odhecaton, maar het is het verschil tussen een groot en klein bezette Matthäus.

Rita Streich: Queen of the coloraturas

Streich.jpg

High coloratura soprano is one of the most admired voice types. It’s only logical, because what these ladies do falls a bit into the category of “nightingale on a trapeze”. Sometimes it really is a bit like a circus; there are those ladies who have made it their profession to perform tricks, forgetting that their high notes should also be music.

Not so Rita Streich, for me the very best and most beautiful coloratura soprano ever. Of course, her voice is light as a feather and her embellishments impeccable, but in contrast to many of her colleagues, her repertoire is actually unlimited: opera, operetta, songs, oratorios…

She is not equally good at everything. I find her Schubert a little too light-hearted, so that much of the text is lost. But in the opera genre she is much more in her element. I am referring, of course, to her unearthly Queen of the Night (Die Zauberflöte, Mozart) and to her other showpiece: Zerbinetta (Ariadne auf Naxos, Strauss).

Streich sings the role of Zerbinetta in such a superior way that you do not even notice its virtuosity; it sounds so natural. Just listen to her performance of  ‘Großmächtige Prinzessin’. Where many of her colleagues in that aria remind you of someone juggling notes, Streich manages to add the most important element: feeling. Note also the warm glow of her singing, which does not lose its lustre even at the highest notes.

<



Have you ever heard her performance of the Moon Song from Dvořak’s Rusalka? As volatile and elusive as sea foam, but filled with the desires of an adolescent girl in love:


I find Streich at her very best in light songs by Saint-Saëns, Delibes and Eva Dell’Acqua, among others. With the light golden sheen to her voice, she reminds me of an old-fashioned porcelain dancer.


Below, as an example, is ‘The Nightingale’ by Alabiev. She sings it in perfect Russian, a language that she, as a Russian-born daughter of a Russian mother and a German father, has mastered well.



Various composers
Rita Streich
Königin der Koloratur: Das Beste aus Oper und Konzert
The Intense Media 600