Thomas Adès by Thomas Adès: You can’t get it any better

Ades picos

Thomas Àdes (1971) is one of my beloved contemporary composers. In contrast to many of his (older, I admit) colleagues, he writes music that is not too complicated, without it becoming a tapestry of sound. His music is exciting, stimulating, progressive and yet accessible. In one sentence, he has brought the ‘classic’ and the ‘innovative’ to each other and melted them together. In addition, he does not shy away from horror-like outbursts and even dodecaphony, which makes his music extremely visual and often terrifying.

This is also the case with Totentanz, a composition for mezzo-soprano, baritone and orchestra based on an anonymous text from the fifteenth century, a story about the struggle between Life and Death. The latter always wins. Adès dedicated the work to Witold Lustoslawski and his wife. It was first performed at the Proms in 2013, with Christianne Stotijn and Simon Keenlyside.

This recording was made live in Boston in 2016 and I can’t imagine a better performance is possible. Mark Stone (Death) and Christianne Stotijn sing their roles chilling, melancholic, provocative and resigned. Just listen to the last two parts: it’s as if Schubert and Mahler run into each other and find each other in a deadly embrace. With the dying copper sound like the exhaling of the last breath.

Adès composed his piano concerto for the Russian master pianist Kirill Gerstein, an unprecedented virtuoso who combines his romantic beat with an enormous gift for improvisation. I had to listen to it a few times because the concert does not show itself quickly. Mainly because of the many colors and ‘intermediate colors’, which means more than just nuances.

The transitions between the parts are great, so the tension makes you gasp for breath. The fact that the composer himself stands in front of the really impressive performing orchestra from Boston can only be regarded as an enormous advantage. What a CD!

English translation: Frans Wentholt

THOMAS ADÈS
Concerto for Piano and Orchestra; Totentanz
Kirill Gerstein (piano)
Christianne Stotijn (mezzo-soprano)
Mark Stone (baritone)
Boston Symphony Orchestra conducted by Thomas Adès
DG 48379989

Bombastisch en nog steeds ontroerend: pianokwintet van Weinberg bewerkt voor orkest

Het pianokwintet van Mieczyslaw Weinberg behoort tot zijn beste en de meet succesvolle werken. Hij componeerde het in 1944 en het werd een groot succes. Het moet gezegd worden: Weinberg had toen de tijd mee: de Sovjets hadden iets anders aan hun hoofd dan de kunsten.

Voor deze cd werd een bewerking van Matthias Baier voor piano en orkest gekozen en dat vind ik jammer. Niet dat het slecht is, integendeel! Het is zonder meer schitterend en ik denk niet dat Weinberg er moeite mee zou hebben gehad, maar persoonlijk prefereer ik de kamermuziekversie want nu klinkt het zo verschrikkelijk bombastisch. Weinberg kun je een beetje vergelijken met zijn vriend en mentor Sjostakovitsj: het schrijnende en het pijnlijke konden ze als geen ander met kleine middelen weergeven.

Maar, toegegeven, ik vond het een aantrekkelijke kennismaking. Bovendien is de uitvoering echt goed en dat telt zwaar. Het is al de zevende opname van werken van Weinberg door Elisaveta Blumina en het is duidelijk dat zij haar Weinberg ‘under the skin heeft’.

‘Children’s Notebooks’ is niet een werk waar ik vaak naar zou willen luisteren, maar onder Blumina’s handen verandert het in een waar meesterwerk. De miniaturen zijn allesbehalve makkelijk om te spelen en het is werkelijk onvoorstelbaar wat zij met de stukjes doet. Het Georgische orkest onder maestro Ruben Gazarian klinkt zonder meer goed,


Mieczyslaw Weinberg: Piano Quintet, Op. 18 (orchestral version by Matthias Baier)
Children’s Notebooks, Op. 16 & 19
Elisaveta Blumina, piano
Georgian Chamber Orchestra Ingolstadt olv Ruben Gazarian
Capriccio C5366

Herinneringen aan een zeer geslaagde Il Viaggio a Reims in Antwerpen

Wanneer heeft u voor het laatst zo gelachen dat de tranen over uw wangen rolden en u niet meer wist hoe snel u in de pauze de toiletten moest bereiken, want uw buik en uw blaas (en eigenlijk uw hele lichaam) hadden ook mee gedaan? Het toilet: laat ik hier maar mee beginnen, want in de nieuwe en meer dan schitterende productie van Il Viaggio a Reims van Rossini in Antwerpen is dat kleine kamertje verheven tot één van de ‘hoofdrollen’.

Wij bevinden ons in een vliegtuig, dat wegens technische problemen niet kan opstijgen. Het geëmailleerde gezelschap van prominenten uit alle Europese landen plus het ‘klootjesvolk’ (wij zitten in een dubbeldekker, met boven de economie en onder de superplus class) is gevangen in een claustrofobische omgeving, waar ze niet uit kunnen ontsnappen. Nee, het is geen drama. Het is een satire.

Of het ook de bedoeling van Rossini was? Wellicht wel, maar daar komen wij nooit achter. Zelf beschouwde hij het als een ‘gelegenheidsstuk’, gemaakt ter – inderdaad, de gelegenheid – van de kroning van Charles X in 1825. De opera kende een groot succes, maar al na drie voorstellingen trok Rossini de stekker er uit. Veel van de muziek hergebruikte hij in Le Comte Ory, de rest verdween in verschillende laden in verschillende landen (hoe toepasselijk, vindt u niet?) en werd pas eind jaren zeventig van de vorige eeuw teruggevonden.

Terug naar het toilet: die is zowat continu bezet. Het wordt ook voor alles en nog wat gebruikt: er wordt er in gesnoven, gespoten, gerookt, gedronken en de liefde bedreven. En mocht de nood hoog zijn (en dat is, met al die wodka en champagne), dan nog steeds moet je geduld opbrengen, want bezet is bezet.

De ‘nood’, die heeft overigens een ongekend mooie choreografie, in de maat van de muziek opgeleverd. En omdat het programmaboekje geen aparte vermelding maakt voor de choreografie, neem ik aan dat de regisseur Marianne Clèmont daar zelf verantwoordelijk voor is. Brava!

In een interview zei zij dat ze de clichés over de landen en nationaliteiten zoveel mogelijk wilde vermijden. Een zowat onmogelijke taak, zeker met een opera als Il Viaggio, die de vooroordelen (heerlijk om het nog eens mee te maken) tot kunst heeft verheven. Maar het moet gezegd: het lukte haar wonderwel goed!

De productie zit vol geestige vondsten en de werkelijk geniale grappen zijn niet te beschrijven. En verwacht geen ‘theater van de lach’ want subtiliteit regeert er, ondanks de soms grove (en pijnlijke!) verwijzingen. Van mij mag het. Afijn.. genoeg over de regie en de productie. U moet mij geloven dat het werkelijk geweldig was.

De première en de meeste voorstellingen werden/worden gedirigeerd door de oude (83!) Rossini specialist, Alberto Zedda. Op de door mij bezochte middag stond een jonge Japanse dirigent, Ryuichiro Sonoda op de bok. Hij heeft een buitengewone liefde voor Rossini opgevat en heeft zich in hem en zijn muziek gespecialiseerd. Hij heeft al het een en ander (ook Il Viaggio) in Pesaro gedirigeerd.

De fascinatie was hoorbaar. Hij behandelde de partituur zo ontzettend liefdevol dat je niet anders dan verliefd op de score moest worden, mocht je het nog niet zijn geweest. Volgens Zedda is Il Viaggio de meest Rossiniaanse partituur die er bestaat en daar zijn de kenners en liefhebbers het mee eens.

De uitvoering kon gewoon niet beter. Alle, en dan bedoel ik alle, voornamelijk (zeer) jonge zangers waren voortreffelijk. De meesten zongen hun rol voor het eerst, wat een prestatie. Serena Farnocchia (Madama Cortese) werd verontschuldigd voor haar keelaandoening, nou – ik vraag mij af hoe zij zonder de keelaandoening zou klinken.

Beide sopranen (Elena Gorshunova en Elena Tsallagova) waren aan elkaar gewaagd, en hun coloratuurduel, met de citaten uit de Toverfluit, was niet te versmaden. De mezzo Anna Goryachova was een onweerstaanbare Marchesa Melibea – wat een charisma!

Ook de heren mochten er zijn. Om te beginnen de werkelijk fenomenale Carlo Lepore (don Profondo). Zijn “cataloog” aria ‘Medaglie incomparabili’ was voor mij één van de hoogtepunten. Robert McPherson als Cavalier Belfiore  en Josef Wagner als Lord Sidney waren meer dan goed en al de kleine en de kleinste rollen waren om te smullen.

Daar kan een mens dagenlang op teren en ik spreek uit ervaring: ik ben met een glimlach naar bed gegaan en ben met een glimlach wakker geworden.

Bezocht op 27 december 2011 in Antwerpen

alle foto materiaal © Annemie Augustijns

Minidiscografie van Il Viaggio a Reims

Didone Abbandonata als muzikale kennismaking met Mercadante

Tekst: Peter Franken

Naxos heeft een opname op dvd uitgebracht van Didone Abbandonata. Het betreft een voorstelling tijdens het Innsbruck Festival of Early Music in 2018. Muzikaal is dit vroege werk van Mercadante beslist de moeite waard, de regie van Jürgen Flimm is helaas een aanfluiting.

Saverio Mercadante was mij tot nu toe alleen van naam bekend. Hij is een van die veelschrijvers die tijdens hun leven veel succes genoten maar later min of meer in de vergetelheid zijn geraakt. Op zich is succes tijdens je leven natuurlijk het enige dat telt, wie zit er nu te wachten op een armoedig leven met pas roem na je dood. In dat opzicht heeft Mercadante met zijn ruim 50 opera’s het prima gedaan.

Didone dateert uit 1823 en was Mercadantes 12e opera, de eerste was uit 1820, iemand die snel werkte zogezegd. De jonge componist was in die tijd nog een uitgesproken Rossini epigoon, Didone zou gemakkelijk versleten kunnen worden voor een onbekend werk van zijn grote voorbeeld. Maar in zijn lange carrière ontwikkelde Mercadante duidelijk een andere muzikale stijl en vooruitstrevende dramatische opvattingen. Ik las daar het volgende over:

‘While composing Elena da Feltre (which premiered in January 1839) Mercadante wrote to Francesco Florimo, laying out his ideas about how opera should be structured. I have continued the revolution I began in Il giuramento: varied forms, cabalettas banished, crescendos out, vocal lines simplified, fewer repeats, more originality in the cadences, proper regard paid to the drama, orchestration rich but not so as to swamp the voices, no long solos in the ensembles (they only force the other parts to stand idle to the detriment of the action), not much bass drum, and a lot less brass band.’

Voor alle duidelijkheid, Elena da Feltre werd gecomponeerd toen Verdi’s eerste opera nog moest verschijnen. Het maakt Mercadante tot een missing link tussen Rossini en Verdi, of meer in het algemeen de componist die een grote bijdrage leverde aan het einde van belcanto als allesoverheersend genre.

In Didone is van dit alles nog niets te merken, zangtechnische hoogstandjes staan centraal en de herhalingen zijn niet van de lucht. Librettist Tottola heeft een eerdere versie van Metastasio als uitgangspunt genomen en daarmee zijn we ver verwijderd van Vergilius. Aan het thema ’ik moet gaan, ga niet, ik moet’ dat het emotionele touwtrekken tussen Dido en Aeneas bepaalt, is een extra variabele toegevoegd in de persoon van de Morenkoning Jarba uit Mauretanië die de hand van Dido opeist ongeacht of die indringer uit Troje nu wil vertrekken of niet. Het resultaat is een nogal chaotisch geheel met persoonsverwisselingen, duels, bedreigingen en op het einde de verwoesting van Carthago en Dido’s dood.

Het zal duidelijk zijn dat zoiets vraagt om een strakke regie, ter zake en zonder onnodige toevoegingen. Maar helaas is die wijsheid aan C niet besteed. Ondanks zijn zeer lange ervaring en hoge leeftijd kent Flimm nog immer het onderscheid niet tussen ‘leuk doen’ en humor. Hij volgt het libretto maar laat geen mogelijkheid onbenut de toeschouwer duidelijk te maken dat we deze flauwekul op het toneel vooral niet serieus moeten nemen. Daarbij wordt hij geholpen door het decor van Magdalena Gut die het kleine toneel van het Tiroler Landestheater nog verder heeft verkleind door er een draaitoneeltje op te plaatsen. Dit staat op zijn beurt weer op een verhoging waaromheen wat loopruimte vrij is gelaten.

Het draaitoneel staat volgepakt met onder meer een ruime zithoek, een grote kubus met een klein deurtje waardoor mensen op- en afgaan, een koelkast, koffers en reiskisten, kortom er is alles aan gedaan de loopruimte zoveel mogelijk te beperken. Dat wordt direct al pijnlijk duidelijk als het mannenkoor, overdreven knullig marcherende legionairs, opkomt en ze elkaar staan te verdringen in de minuscule vrije ruimte. Een ander attribuut dat de aandacht vraagt is een heuse knalrode betonmolen naast een paar metselende figuranten. Het kan niet op.

Die legionairs roepen associaties op met Laurel en Hardy in het Vreemdelingenlegioen maar dat is nu precies waar Flimm de plank misslaat. L&G zijn grootmeesters van de humor, Flimm komt niet verder dan pure knulligheid waar een beginnende amateurvereniging zich voor zou schamen.

Gelukkig wordt er goed gemusiceerd en dankzij de inbreng van maestro Alessandro de Marchi en de Academia Montis Regalis wordt de zangers een solide platform aangereikt waarop ze vocaal kunnen schitteren.

Tenor Carlo Vincenzo Allemano zet een uitstekende Jarba neer al moet hij zich als enige van de protagonisten zeer veel van Flimms eigengereidheid laten welgevallen. Zijn personage acteert aanvankelijk overdreven proleterig en tegen het einde is hij een dolgedraaide tiran die en passant Dido’s zus Selene verkracht, haar vertrouweling Osmida op gruwelijke wijze ombrengt en vervolgens Dido doodt nadat ze hem daarvoor heeft weten te doorsteken. Het kan Allemanno niet deren, hij slaat zich er op geweldige wijze doorheen.

Mezzo Katrin Wundsam is een voorbeeldige Enea, lankmoedig en trouw aan zijn vermeende opdracht. Hij weet als enige van de hoofdrolspelers te overleven, Flimm heeft het niet aangedurfd hem te laten verdrinken of iets dergelijks.

De Didone van Viktorija Miskunaité blijft geen moment bij haar directe tegenspeler achter. Het hoogtepunt van de voorstelling komt aan het begin van de tweede akte in ‘Idol mio’, het grote duet van deze twee die elkaar maar niet kunnen loslaten. Gelukkig heeft Flimm weinig vat op hun spel al probeert hij Dido wel een beetje belachelijk te maken door haar in het begin weg te zetten als een verveelde tiener, gekleed in een bruidsjurk haar nagels lakkend. Niet echt het toonbeeld van een zelfbewuste koningin.

Ik weet nu wat meer over Mercadante en zijn plaats in de operageschiedenis. In dat opzicht heeft deze dvd mij een goede dienst bewezen. Maar een cd was ook wel toereikend geweest.

Zwoel en geruststellend: Hagai Shaham speelt Bloch en Ben Haim

Rond zijn vijfentwintigste raakte Ernest Bloch geïnteresseerd in de ‘Joodse ziel’ die hij in zijn eigen taal, de muziek, wilde vertalen. Hij ontwikkelde een eigen stijl en in veel van zijn composities uit die tijd kun je de sfeer van Hebreeuwse gezangen proeven.

Voor de Baal Shem Suite (1923), één van zijn bekendste werken, werd hij geïnspireerd door Israel ben Eliëzer (Baal Shem Tov), de oprichter van het moderne Chassidisme, een beweging die is ontstaan in het achttiende-eeuwse Polen en gebaseerd was op mysticisme, spiritualisme en magische doctrines. Het verkondigde een soort van gelukzaligheid die alleen bereikt kon worden door middel van muziek, dans en gezang want alleen zo kon het directe contact met God bereikt worden.

Van alle uitvoeringen van die van ‘Baal Shem’ (en dat zijn er heel wat) zijn gemaakt is deze, gespeeld door Hagai Shaham en begeleid door Arnon Erez voor mij één van de dierbaarsten. Shahams toon is rond en warm met een gezonde dosis ‘schmalz’. En al balanceert hij vaak net op het randje, nergens ontaardt hij in banaliteiten.

De Berceuse Sfaradite van één van de bekendste Israëlische componisten, Paul Ben- Haïm, gebaseerd op een Sefardisch slaapliedje klinkt bij Shaham zwoel en geruststellend tegelijk. En de vioolsolosuites van beide toondichters, op verzoek van Yehudi Menuhin gecomponeerd veranderen in Shahams handen in vergeten meesterwerken. Prachtig.

https://www.allmusic.com/album/bloch-baal-shem-suite-suite-h%C3%A9bra%C3%AFque-ben-haim-sonata-in-g-mw0001858618

Ernest Bloch, Paul Ben-Haïm
Baal Shem Suite, Suites for solo violin, Berceuse sfaradite
Hagai Shaham (viool), Arnon Erez (piano)
Hyperion CDA67571

Opera nostalgia on the black and white fillm canvas

THE GLASS MOUNTAIN

This beautiful English film from 1949 is truly irresistible, and not only for opera lovers. The melodrama, about an English composer who crashed in the Alps with his plane during the Second World War and is rescued by a group of partisans led by a beautiful Italian, is a bit reminiscent of the classic The Brief Encounter. So, a handkerchief is not superfluous. The (married) composer falls in love with his rescuer and once back in London he writes an opera inspired by his experiences in the mountains. And it is more than a treat to come across many old opera stars, both in the story and on the stage of the Milanese La Scala.

Michael Denison who plays the leading role has the appearance of a Hugh Grant, and the enchanting music was composed by Nino Rota. Tito Gobbi plays a small but important role of a partisan who is an opera singer in daily life and who is of course given the leading role in the opera.

Directed by: Henry Cras
Music: Nino Rota
with (a.o.) Valentina Cortese, Michael Denison, Dulcie Gray and Tito Gobbi

LOUISE

Louise

In 1938 the great Abel Gance filmed the opera Louise of Gustave Charpentier. The leading part was played and sung by Grace Moore, perhaps the most famous Louise ever, who also made a great career in Hollywood as a film star. The charismatic French tenor Georges Thill (Julien) also played in several films and, besides having a singing career on stage, also made a name for himself as a great film actor.

There are many cuts, but since the film was supervised by the composer, we can assume that he agreed with them. Unfortunately, the film is not subtitled, but the booklet contains an extensive synopsis with a detailed description of all the scenes.

GUSTAVE CHARPENTIER
Louise
Directed by: Abel Gance
With a.o. Grace Moore and Georges Thill

Translation: Douglas Nasrawi

Schitterende Carmen uit de Opéra Comique in Parijs

Carmen van Bizet, gedirigeerd door Sir John Eliot Gardiner Gardiner… wie had dat vroeger voor mogelijk gehouden? En toch is het logischer dan u denkt. Want met de voorstelling uit 2009 bracht Gardiner de opera terug naar de plaats van haar wereldpremière en speelde het werk met instrumenten uit die tijd.

De (geniale!) regie van Adrian Noble is voornamelijk gefocust op de personages, de enscenering is zeer illustratief en het libretto wordt op de voet gevolgd. Het is realistisch, mooi en spannend. Het eenheidsdecor wordt aan iedere scène aangepast, waardoor je je op al die verschillende locaties waant.

De stemmen zijn aan de kleine kant, maar ik denk niet dat het destijds een probleem was in de Opéra Comique in Parijs, laat staan op dvd.

Andrew Richards is niet de beste José ooit, maar zijn invulling van de rol is fenomenaal. Hij begint als een aardige en zeer aaibare vreemdeling en eindigt als een soort Jezus, met de waan in zijn ogen.

Jammer genoeg heeft Nicolas Cavallier (Escamillo) onvoldoende sexappeal voor een macho toreador, maar hij compenseert veel door zijn mooie zang.

Anna Caterina Antonacci is één van de beste Carmens tegenwoordig. Mooi, sexy, uitdagend en nergens vulgair. Haar diepe, warme stem kent alle kleuren van de regenboog.

Gardiner heeft er duidelijk zin in. Zijn tempi zijn soms duizelingwekkend.

Georges Bizet
Carmen
Anna Catarina Antonacci, Andrew Richards, Anne-Catherine Gillet, Nicolas Cavallier; The Monteverdi Choir, Orchestre Révolutionnaire et Romantique o.l.v. Sir John Eliot Gardiner; regie: Adrian Noble
FRA Musica 004 (2DVD’s)

 

In Carsens Idomeneo is de titelheld allesbepalend

Tekst: Peter Franken

Opus Arte heeft een opname uitgebracht van de nieuwe productie van Idomeneo die Robert Carsen in 2019 maakte voor Teatro Real. Muzikaal is het top, het toneelbeeld suggereert een vluchtelingendrama.

Bij aanvang van Mozarts voorlaatste opera seria zien we Idamante, de zoon van de koning van Kreta die een groep Trojaanse krijgsgevangenen de vrijheid schenkt. Deze zijn kennelijk eerder gearriveerd dan de zegevierende koning Idomeneo en door niet de komst van zijn vader af te wachten maakt Idamante een wat eigengereide indruk, goed bedoeld natuurlijk maar toch vooral om de Trojaanse prinses Ilia voor zich in te nemen.

Carsen grijpt dit moment aan om de Trojanen te veranderen in aangespoelde bootvluchtelingen, het strand ligt later ook vol met rode zwemvesten. De vluchtelingen zijn voor een hoog ijzeren hek geplaatst met een afwerende groep Kretenzers die ze buiten de deur willen houden. Om de tegenstelling aan te scherpen zijn alle eilandbewoners in militaire uniformen gekleed. Carsen schakelt hier een tandje bij: Kreta is een militaristische dictatuur die vooral oog heeft voor het eigenbelang.

Maar daarmee is het klaar met die actualisering, de vluchtelingen komen hierna niet meer in het stuk voor maar gaan op in de Kretenzers, allemaal in uniform, een grauwe massa. Carsen heeft iets met militaire kleding, heb ik al eerder gemerkt. Zijn Lohengrin voor Opera Bastille en zijn Walküre voor Keulen werden er ook door getekend. Persoonlijk heb ik er ronduit een hekel aan, vooral ook vanwege het bijbehorend gesjouw met automatische wapens. Als Idomeneo aan het einde zwicht voor het onvermijdelijke en zijn kroon overhandigt aan Idamante, geeft hij hem in werkelijkheid een machinegeweer.

Het koor speelt een belangrijke rol in dit werk en om de indruk te wekken van een geheel volk dat slachtoffer dreigt te worden van de stupide hardnekkigheid van zijn na ruim tien jaar teruggekeerde heerser, heeft Carsen een honderdtal figuranten toegevoegd aan het uit vijftig zangers bestaande koor. Hij laat ze bewegen als een zwerm spreeuwen, wat een vakman is deze regisseur.

Idomeneo heeft Neptunus gepaaid met de belofte het eerste wezen dat hij bij behouden aankomst aan wal tegenkomt, te zullen doden. Ja, als dat een eenvoudige strandjutter was geweest, had dit geen enkel probleem opgeleverd. Maar nu het zijn bloedeigen zoon is, de mannen herkennen elkaar overigens niet na zo lange tijd, kan Idomeneo die belofte niet gestand doen. Daar speelt natuurlijk het eindeloze geharrewar van die Griekse goden een rol. Als je voldoet aan de opdracht van de ene, schend je de regels van een andere. In plaats van Neptunus direct aan te roepen en het op een akkoordje te gooien door zichzelf als zoenoffer aan te bieden, blijft Idomeneo de zaak eindeloos traineren met de uitroeiing van een groot deel van de bevolking door de woedende Neptunus als resultaat. Hij probeert zijn straatje snel schoon te vegen door de amnestie die Idamante de krijgsgevangenen heeft verleend als oorzaak van die woede aan te merken. Deze man is niet geschikt voor zijn ambt maar ook niet in staat dat zelf tijdig in te zien. Hij weigert gewoon te vertrekken, dictators gaan nu eenmaal niet met pensioen, ze sterven in het harnas.

Zoals vaker bij Carsen is het toneel vrijwel leeg. Dat eerder genoemde hek, een paar banken en tafels waaraan de ‘soldaten’ eten en drinken. Een legertent die als woning voor Elettra dienst doet. Visueel moet de productie het hebben van de projecties op het achterdoek. Een rustige zee die plotseling hoog opschuimt. Een dreigende bijna zwarte lucht, een tsunami die het toneel lijkt te overspoelen, als beeld voor het alles verslindende monster aan het einde van de tweede akte. Ook de belichting speelt bij wijlen bijna een hoofdrol, bijvoorbeeld waar Idomeneo staat te zingen als zwart silhouet tegen een lichte achtergrond, zeer kunstig gedaan.

Hoewel Mozart met Idomeneo afscheid neemt van het genre opera seria is er sprake van een vloeiende overgang naar zijn latere werk. De recitatieven gaan als vanzelf over in een aria waardoor het geheel bijna een doorgecomponeerde indruk maakt, veel meer dan zijn zwanenzang La clemenza di Tito. Alleen al hierom zou dit werk meer aandacht verdienen, zeker nu Clemenza definitief van onder het stof vandaan lijkt te zijn gehaald.

Muzikaal staat de uitvoering op een hoog niveau, mede door de bijdrage van het koor van Teatro Real. In het begin had ik even wat bedenkingen. Als in ‘Pietà! Numi, pietà’ het orkest geheel los gaat om de zeestorm te verklanken waarin Idomeneo zijn onderonsje met Neptunus heeft, klinkt de bijdrage van het koor een beetje houterig. Als ze zelf het tempo mogen bepalen gaat het beter. Wel lastig voor die vijftig zangers om het toneel te moeten delen met honderd figuranten zonder dat mag opvallen dat de meerderheid niet meezingt.

Twee prinsessen strijden om de liefde van een prins, de uit Argos aangespoelde refugee Elettra en de uit Troje als trofee meegenomen Ilia, dochter van Priamus. Idamante heeft zijn zinnen gezet op Ilia, waardoor het verhaal een ‘Romeo en Julia’ tintje krijgt. Idamante wordt hier gezongen door de tenor David Portillo. Hij heeft een betrekkelijk lichte stem die redelijk contrasteert met die van zijn vader Idomeneo, gezongen door de tenor Eric Cutler.

Oorspronkelijk was de rol van Idamante geschreven voor castraat, later veelal gezongen door een mezzo. Maar Mozart heeft zelf voor uitvoeringen in Wenen de partij aangepast om deze door een tenor te laten bezetten. Ik vind dat een hele vooruitgang, als was het misschien consequenter geweest om Idomeneo dan maar gelijk te herschrijven voor bariton. Maar ach, ook bij Rossini steken meerdere tenoren elkaar regelmatig naar de kroon. Overigens is de rol van Idomeneo’s vertrouweling Arbace, vertolkt door de tenor Benjamin Hulett, flink gecoupeerd door zijn twee aria’s te schrappen. Niet nog meer tenoren in een hoofdrol derhalve.

Anett Fritsch laat een prachtige Ilia zien en horen. Met name haar ‘Zeffiretti lusinghieri’ aan het begin van de derde akte is wonderschoon. Fritsch doet mooie dingen met haar handen waardoor haar optreden verrassend naturel lijkt. Eleonora Buratto zou haar als Elettra het liefst direct achter het behang willen plakken en als ze geconfronteerd wordt met haar nederlaag op het einde, zet ze alle registers open in een fenomenale ‘D’Oreste e d’Aiace’. Carsen laat haar vervolgens zelfmoord plegen, als uiterste consequentie van haar volledig mislukte leven. De poging het trauma van de moordpartijen thuis af te schudden en een nieuw begin te maken is op niets uitgelopen.

Carsen maakt in de slotscène handig gebruik van het ruim een minuut durende instrumentale tussenspel in ‘Scenda Amor, scenda Imeneo’ om het koor en de figuranten hun uniformen en laarzen uit te laten trekken zodat ze in hun burgerkloffie verder kunnen zingen. Het symboliseert het einde van de dictatuur, de uitsluiting van anderen en een nieuw begin onder een nieuwe heerschappij die zijn fundament heeft in de liefdesband van een Griekse prins en een Trojaanse prinses. Mooi idee natuurlijk. Overigens niet de eerste verkleedpartij in Carsens carrière, maar ja, zo heeft elke regisseur zijn gewoontes.

Carsen wordt bijgestaan door Luis F. Carvalho (decor en kostuums), Peter van Praet (belichting) en Marco Berriel (choreografie). Andrés Máspro is de koordirigent en verder horen we het orkest van Teatro Real. De muzikale leiding van Ivor Bolton levert een grote bijdrage aan het welslagen van het geheel.

Trailer van de productie:

Een paar woorden over Idomeneo van Mozart

Tussen goden en demonen: George London

En nu wil ik het even over George London hebben.  Geboren als George Burnstein in mei 1920 in Montreal in de familie van Russisch-Joodse emigranten. Hij groeide op in Los Angeles en zijn carrière begon hij begin jaren veertig als lid van het ‘Bel-Canto Trio’, met als de andere twee leden de sopraan Frances Yeend en … Mario Lanza.

    met Mario Lanza

London was de allereerste Amerikaan die Boris Godunov (in het Russisch!) in het Bolshoi in Moskou heeft gezongen en werd beschouwd als één van de beste Wotans/Wanderers van zijn tijd. Ook zijn Scarpia was al bij zijn leven legendarisch.

George London (in een perfecte Russisch!) als Boris, opname uit een concert uit 1962

Behalve voor zijn Boris Godunov en Scarpia was London voornamelijk beroemd voor zijn Don Giovanni. Over zijn ‘Don Juan’ was iedereen het eens: als je zo veel seks uitstraalt, dan kan het demonisch worden. Iets om over na te denken. Bij mijn weten bestaat er geen complete beeldopname van die opera met hem. Des te meer kan ik iedereen het portret van de zanger aanbevelen dat een paar jaar geleden bij Arthaus Musik (101473) verscheen. De documentaire draagt de alleszeggende titel Between Gods and Demons.

Een jaar of tien geleden heeft het budgetlabel Walhall twee historische opnamen van Tannhäuser op cd’s heruitgebracht. Het betreft resp. de door Leopold Ludwig in 1949 in Berlijn geleide voorstelling (WLCD 0145) met Ludwig Suthaus (Tannhäuser), Martha Musial (Elisabeth) en een piepjonge Fischer-Dieskau (Wolfram); en een voorstelling uit de MET (WLCD 0095), in 1955 gedirigeerd door Rudolf Kempe, met op de weinig idiomatische Astrid Varnay als Elisabeth na, een keur aan de grootste zangers uit die tijd: Blanche Thebom, George London, Jerome Hines en Ramon Vinay.

George London zingt ‘O du mein holder Abendstern’:

Decca London

Maar hij was ook een echte entertainer, die de populaire muziek serieus nam: voor hem waren het allemaal ‘artificial art songs’. Op de cd On Broadway  (Decca 4808163) geeft hij ons een les in hoe je de muziek van musicalcomponisten Rogers, Kern en Loewe moet zingen.

Hieronder zingt London ‘f I loved you’ van Rogers and Hammerstein’s

Wagner krijgt u als bonus.

Mislukte Tosca door Opera Zuid: samenloop van ‘omstandigheden’?

Omstandigheden, daar heb je geen invloed op. Denk je een opera-avond te kunnen beleven zoals een ‘gewone toeschouwer’ het doet: zonder pen bij de hand en zonder extreem gespitste oren, krijg je opeens te horen dat de ingeplande collega de voorstelling wegens omstandigheden niet kan bezoeken dus ….

Opera Zuid draag ik een warm hart toe. Met weinig middelen hebben ze de meest fantastische producties uitgebracht: Faust, Kát’a Kabanová, Madama Butterfly om maar n paar te noemen. Helaas valt de nieuwe Tosca van het gezelschap niet in die categorie. En, hoe graag ik het ook zou willen, voor deze Tosca kan ik niet warm lopen. Bezuinigen moet, dat snap ik wel, maar bezuinigen betekent niet dat je ook op het niveau moet beknibbelen?

Het inzetten van de plaatselijke amateurkoren is natuurlijk leuk, zeker voor de koorleden en hun familie en vrienden, maar het is niet voldoende voor een professioneel operagezelschap.

Daniel Henriks (Il Barone Scarpia),
met links Philips’ Philharmonisch Koor met Tjitte de Vries (Il Sacerdote, tevens koordirigent) en Marjolein Bonnema (La marchesa Attavanti)

In de scène voorafgaand aan de binnenkomst van Scarpia schrijft Puccini kinderen voor: dat doet hij niet voor niets! De overgang van de lachende hoge kinderstemmen naar de onheilspellende akkoorden en de beangstigende eerste noten van de barone boezemen je angst in. Niet bij Opera Zuid, want in plaats van de kinderen kregen wij vier volwassen kerels. Weg beklemming. Dag Puccini! Een klein kinderkoortje kost heus niet zo veel?

De regie is vrijwel traditioneel, met de min of meer herkenbare (al een zeer summiere) decor en kostuums en de obligate gebaartjes die we al ettelijke keren hebben gezien.

Helaas: zonder concepten hebben we tegenwoordig geen opera. Dat vindt Nicola Glück blijkbaar ook: haar Tosca gaat niet over de zangeres en superster Tosca, maar over het lijden van de Marchesa Attavanti. Floria en haar minnaar zijn maar bijzaak.

Over het zingen kan ik kort zijn: het was weinig soeps, al speelden de omstandigheden daar wel een rol bij. De oorspronkelijke Tosca, Rossana Potenza, moest één week voor de première plaatsmaken voor Capucine Chiaudani. Op haar cv staat dat zij de rol al eerder heeft gezongen, maar er wordt niet vermeld waar

Capucine Chiaudani (Floria Tosca), Adriano Graziani (Mario Cavaradossi)

Haar Tosca steeg niet boven een gemiddeld provinciaals niveau uit, maar ik wil haar nog het voordeel van de twijfel geven. Het kan ook aan de omstandigheden liggen. Zeker omdat het artistieke team het haar niet makkelijk maakte. Ze moest alle akten volbrengen in dezelfde gifgroene jurk (groen is jaloezie?), die ook nog eens slecht zat. Een diva die bij een feestelijk gala in dezelfde jurk komt opdagen als ’s morgens in de kerk? Of moet ik dat ook op het conto van de bezuinigingen schrijven?

Adriano Graziani (Cavaradossi) was duidelijk verkouden. Toch lukte het hem om zijn rol iets van een ‘Cavaradossi-gloed’ te geven. Nog niet zo lang geleden was hij als een fantastische Pinkerton te bewonderen, dus ik twijfel er niet aan dat hij, zodra hij zijn verkoudheid te boven komt, een gloedvolle Mario gaat neerzetten.

De Duitse bariton Daniel Henriks was niet meer dan een fatsoenlijke Scarpia, mar dan zonder enige uitstraling. Nee, voor hem zou ik niet bang zijn, laat staan dat ik mij erotisch tot hem aangetrokken zou voelen.

De enige die ik echt goed vond, was Elmar Gilbertsson als Spoletta. En Marjolein Bonnema als de Marchesa Attavanti. Nee, Puccini heeft voor haar geen noten geschreven, maar Nicola Glück wist beter. De arme zus van Angelotti was alle drie de akten op de bühne aanwezig. In de eerste bad ze in de kerk, legde de verkleedkleren voor haar broer neer en deed mee aan Te Deum. In de tweede was ze de bediende van Scarpia (sic!) en in de derde mocht ze nog een mopje meezingen: nadat ze verkracht, geschopt en geslagen was, hief ze liggend het herdersliedje aan…

Oh ja, er waren ook nog vluchtelingen (afgekeken van Herheims Onjegin?) Geen idee wat zij op de Engelenburcht deden en hoe ze daar überhaupt terechtkwamen…

Het orkest begeleidde onder Stefan Veselka ordentelijk, maar zonder passie.

Trailer van de productie:

Fotomateriaal © Morten de Boer

Giacomo Puccini
Tosca
Capucine Chiaudani, Adriano Graziani, Daniel Henriks, Marcel van Dieren, Martijn Sanders, Elmar Gilbertsson, Rubèn Plantinga, Marjolein Bonnema, Tjitte de Vries
Het Brabants Orkest en de plaatselijke opera- of oratoriumkoor olv Stefan Veselka

Bezocht op 24 mei 2013 in het Parktheater Eindhoven