Joodse muziek

Sefardisch Feest

Tekst: Neil van der Linden

Onder de titel ‘Sefardisch Feest’ gaven sopraan Channa Malkin en het ensemble La Sfera Armoniosa een concert in de Vondelkerk. Het was een onderdeel van een festival genaamd Muze van Zuid, dat verspreid plaats vindt over Amsterdam Oud-Zuid en dat zowel aansluiting zoekt bij de geschiedenis van muziek en musici die in Amsterdam Zuid hebben geleefd en gewerkt als bij de straatnamen in Zuid, waarvan er veel naar componisten zijn vernoemd.

Het concert begon en besloot met een aantal Sefardische liederen, muziek van de Joodse gemeenschap in Moors Spanje. De taal was Ladino, een Romaanse taal die een afsplitsing was van Oud-Spaans. Na de val van het laatste bastion van het Moorse rijk, Granada, werden de Joodse religie en de Islam verboden en ontvluchtten vele Joden en Moslims het land. Dientengevolge verspreidden de Ladino taal en cultuur zich over Portugal (dat aanvankelijk Spanjes voorbeeld niet volgde), Noord-Afrika, de Balkan,  Italië, Frankrijk en later, met name nadat ook Portugal het Jodendom verbood, meer noordelijke delen van Europa, Engeland en de Nederlanden. Het Ladino is nog steeds een levende taal, bij kleine gemeenschappen uit Griekenland en de Balkan.

Het concert is een weergave van het Amsterdamse muzikale landschap vanaf het laatste deel van de zestiende eeuw, toen veel Portugese Joden zich in Amsterdam hadden gevestigd, tot aan het eind van de zeventiende eeuw.

Veel Ladino liederen bevatten unieke verhalen. Zo zong Channa Malkin een lied over een ridder die verliefd op een vrouw wordt en haar uitnodigt mee te komen naar zijn voorvaderlijk kasteel om daar te trouwen. Aangekomen bij het kasteel beseft de vrouw dat zij daar ook is geboren. Ze blijkt de verloren gewaande zuster van de ridder. Een simpele naïef volksverhaal?

Maar je kunt je van alles bij zo’n ballade voorstellen. De combinatie van vreugde van het weerzien tussen zus en broer en de teleurstelling over het daarmee afscheid moeten nemen als geliefden. En ja, bebben ze onderweg misschien de liefde al bedreven, of elkaar op zijn minst innig gekust? Intrigerend is ook het idee dat de Joodse gemeenschap over het algemeen niet tot de ridderkaste werd toegelaten en dat er daarom geen Joodse kasteelheren waren. Dus dit Joodse lied ging over bijna ongrijpbare ‘anderen’. Is het een metafoor voor het onbereikbare? Zo’n lied heeft vele dubbele bodems. Een ander lied gaat over een moeder die een dochter ervan weerhoudt in zee te springen vanwege een ongelukkig liefde.

Channa Malkin vertelde net drie weken tevoren moeder te zijn geworden en sprak half bij wijze van grap de hoop uit nooit hetzelfde te hoeven meemaken. Later in het programma volgde een lied  en een tekst samengevat als ‘Om één uur ben ik geboren, om twee uur ben ik opgegroeid, om drie uur werd ik verliefd en om vier uur ben ik getrouwd”. In wezen een diep-filosofisch lied. En: bestaan er nog meer coupletten over nog meer uren en hoe lopen die af?

Ook het beroemde Durme, Durme, Durme, ofwel Slaap, slaap, slaap ontbrak niet, een slaaplied dat Channa voor haar kind zong al voordat het was geboren en nu ook weer zingt. Het lijkt mij een prettige aankomst op aarde voor een kind.

Zouden deze liederen in Amsterdam hebben geklonken? Als je naar de Portugese synagoge in Amsterdam gaat zie je wel nog veel Portugees-Joodse namen en Iberische parafernalia. Maar tussen de definitieve verdrijving uit Spanje in 1492, de daaropvolgende verdrijving uit Portugal en vervolgens ook nog eens de Val van Antwerpen in 1585 (de verovering door de Spanjaarden van de stad waar een deel van de Portugees-Joodse gemeenschap eerst een goed heenkomen had gezocht) en de opbloei van de Portugees-Joodse gemeenschap in Amsterdam kan veel cultuur verloren zijn gegaan.

Aan de andere hand is het zeker dat ook een deel van het culturele erfgoed, in volksverhalen en muziek, nog lange tijd werd gekoesterd, zonder dat daarvan tekenen resten, omdat ze in de volksmond vanzelf spraken, en omdat daarom niemand ze opschreef. Daarmee kan deze Ladino muziek deel hebben uitgemaakt van het Amsterdamse muzikale panorama dat Sweelinck (geboren in Deventer) en later Rembrandt (geboren in Leiden) aantroffen in de stad. Toch is de Ladino volkscultuur hoe dan ook beter bewaard gebleven in het Ottomaanse Rijk en in Marokko. Van dat Durme, durme, durme bestaan nog vele varianten, waarvan een deel nog steeds tot de levende cultuur behoort.

De rest van het programma bestond uit andere muziek uit de toenmalige tijd.Bijzonder fraai waren een paar liederen uit de bundel Tonos Humanos van de Spaanse barokcomponist José Morín (1619–1699), hoorbaar een componist die naar Italiaanse tijdgenoten had geluisterd. Hij was ook een vermaard bespeler van de harp en de gitaar, twee instrumenten die ook in het ensemble van de avond waren vertegenwoordigd, de gitaar in de vorm van een kleine variant, de vihuela, bespeeld door ensembleleider Mike Fentross.

Wellicht drong indertijd de muziek van de in Heusden geboren en in Utrecht werkzame Jonkheer Jacob van Eyck (1590-1657) ook tot in Amsterdam door. In elk geval vormden een prachtig van achter uit de kerk gespeelde solo voor blokfluit, gespeeld door Emma Huijsser, gevolgd door een ook van achter uit de kerk gezongen smachtend (Sefardisch?) lied fraai aan bij de sfeer van het concert, een prachtige inleiding bij twee liederen van Adriaen Valerius (1575 – 1625, nog zo’n ‘buitenlander’, uit Middelburg, en nog wel via zijn vader van Franse komaf, Valéry). Valerius is natuurlijk vooral bekend van de tekst van het Wilhelmus en van geuzenliederen, maar hij schreef ook liederen over het landleven, meestal op basis van aangepaste melodieën van bestaande liederen.

Vervolgens klonk een lied, in het Frans, van Van Eycks neef Constantijn Huygens (1596 –1687), die weliswaar Haags was, maar wiens invloed, ook muzikaal, zeer wel tot in Amsterdam kan hebben gereikt. Het gaat hier om de vader van de broers Constantijn en Christiaan, secretaris van Frederik Hendrik en Willem II.

De historisch recentste werk in het programma was afkomstig uit wat wel wordt beschouwd als de eerste Nederlandse opera, Bacchus, Ceres en Venus uit 1686, op muziek van de jonge, later in Duitsland succesvolle componist Johan Schenck (1660-1712). Muziek, ballet en wagens die door de lucht vlogen: het merendeel van het publiek vond het prachtig. Misschien vonden sommigen het toen regisseursopera, want Amsterdamse aanhangers van de Franse theaterstijl – die bij de hoogste kringen in zwang was – waren woedend. De hoofdpersonen zijn Bacchus (de wijngod), Ceres (de graan- en vruchtbaarheidsgodin) en Venus (de liefdesgodin). De liefhebbers verdedigden de opera met het devies van de opera: ‘zonder spijs en wijn kan geen liefde zijn’.

Ooit had de klassieke Romeinse blijspeldichter Terentius geschreven dat de liefdesgodin zou bevriezen zonder gezelschap van Bacchus en Ceres. Dat thema werd in de Renaissance en de Barok vaak uitgebeeld, vooral als naaktscène. In deze opera laten Bacchus en Ceres Venus in de steek en zetten zij hun volgelingen tegen haar op. Oppergod Jupiter stuurt dan zijn bode Mercurius naar de aarde om een oplossing te vinden en na veel moeite wordt uiteindelijk de vrede weer gesloten.

De opera was misschien niet in de laatste plaats een succes vanwege de zeer schaars geklede Venus, maar ook de spectaculaire scènes waarin Mercurius dankzij een liftmechaniek uit de hemel nederdaalde oogstten applaus. De productie werd minstens tien keer opgevoerd.

Turkse uitvoering van Durme, durme, durme:

Commentaar bij de clip: ‘This traditional lullaby is sung in Ladino, a Jewish hybrid language also known as Judeo-Spanish. Performed by the Janet and Jak Esim Ensemble (Antik Bir Huzun / Judeo-Espanyol Ezgiler – Kalan Muzik, 2005). Many varieties of the lyrics are sung throughout Europe and North Africa, attesting to the widespread influence of the Sephardic Diaspora.

In de begeleiding horen we onder meer een Turkse Orientaalse luit, de oud.

Andere Turkse versie:

Afwijkende melodie meerstemmig gezongen in Sarajevo, arrangement Laura Hassler van Musicians without Borders:

De in Nederland wonende Nani Noam Vazana en ensemble:

Durme Durme door de Marokkaans-Sefardische zangeres Françoise Atlan:

Andere versie:

Durme durme hermosa donzella. Jordi Savall, Montserrat Figueras, Pedro Esteban:

 

Durme, Durme, Gaia Nostra:

Durme, Durme, Yasmin Levy en Gil Shohat:

(Durme Durme kent vele varianten en vele opnamen. Om nog maar te zwijgen over Uskudara, vernoemd naar stadsdeel van Istanbul, hier door Françoise Atlan. https://open.spotify.com/track/0ttnBtm593tbSNoe0tsL16?si=8b528de439144c1d)

José Marín door Montserrat Figuerras met Rolf Lislevand en ensemble, waaronder Arianna Savall.

La Sfera Armoniosa – Que ferons-nous – Constantijn Huygens :

La Sfera Armoniosa en Channa Malkin, muziek van Willem de Fesch (1687-1761):

Uit de opera Ceres Bacchus en Venus van Johann Schenk door Camerata Trajectina:

Sefardisch Feest
Avondconcert in de Vondelkerk, Amsterdam, 17 september 2022
Channa Malkin, sopraan en La Sfera Armoniosa onder leiding van Mike Fentross, vihuela.

Foto’s: © Neil van der Linden

Zie ook : Songs of Love & Exile – A Sephardic Journey

Mario Castelnuovo-Tedesco: meer dan componist van gitaarwerken

Mario Castelnuovo–Tedesco (Florence, 3 april 1895 – Beverly Hills, 16 maart 1968) werd geboren in de Joodse familie van Sefardische afkomst (Joden die in 1492 werden verdreven uit Spanje). Hij was buitengewoon creatief, op zijn naam staat van alles: pianowerken, concerten, opera’s…. Zijn composities werden gespeeld door de grootsten: Walter Gieseking, Gregor Piatigorsky, Jascha Heifetz, Casella.

Heifetz spelt het tweede vioolconcert van Mario Castelnuovo-Tedesco: ‘I Propheti’. Opname uit 1954:

Tegenwoordig kennen we hem voornamelijk van zijn gitaarwerken, bijna honderd in totaal, veelal geschreven voor Andres Segovia.

Segovia speelt het Gitaarconcert No.1 in D majeur, Op. 99; live opname uit 1939:

Het was begin jaren dertig van de vorige eeuw dat de componist zijn ‘Joodse roots’ is gaan ontdekken, iets wat versterkt werd door het opkomend fascisme en de rassenwetten. Zijn muziek werd niet meer uitgevoerd. Geholpen door Arturo Toscanini heeft Castelnuovo-Tedesco, samen met zijn gezin vlak voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog Italië weten te verlaten

Zoals de meeste Joodse componisten die Europa ontvluchtten belandde ook Castelnuovo-Tedesco in Hollywood. Waar hij dankzij Jascha Heifetz door Metro-Goldwyn-Mayer werd aangesteld als componist van filmmuziek.

Op speciale verzoek van Rita Hayworth componeerde hij muziek voor de film The Loves of Carmen met Hayworth en Glenn Ford. Hieronder de dansscène uit de film:

In die tijd componeerde Castelnuovo-Tedesco ook nieuwe opera’s en vocale werken geïnspireerd door Amerikaanse poëzie, Joodse liturgie en de Bijbel: Amerika bood hem mogelijkheden om zijn Italiaanse muzikale erfenis en zijn Joodse spiritualiteit te verdiepen en te ontwikkelen. Hij droomde ervan zijn Sacred Service “once in the synagogues of Florence” te horen. De première vond plaats in 1950, in de New Yorkse Park Avenue Synagogue.

Uit 1956 dateert de opera Il mercante di Venezia naar Shakespeare’s The Merchant of Venice (Castelnuovo-Tedesco was een grote Shakespeare liefhebber) werd in 1961 uitgevoerd tijdens Maggio Musicale in Florence. Franco Capuana dirigeerde en de hoofdrollen werden gezongen Renato Capecchi (Shylock) en Rosanna Carteri (Portia). De voorstelling werd opgedragen aan Arturo Toscanini

In 1966 componeerde hij The Divan of Moses Ibn Ezra. Het is een setting van negentien gedichten van Rabbi Moses ben Jacob Jacob ibn Ezra, ook bekend als Ha-Sallaḥ (‘schrijver van boetvaardige gebeden’).

Ibn Ezra werd geboren in Granada rond 1055 – 1060, en overleed na 1138 en hij wordt beschouwd als één van de grootste dichters van Spanje. Die ook nog eens een enorme invloed op de Arabische literatuur heeft gehad. Castelnuovo-Tedesco componeerde de ‘divans’ (gedichten) op de moderne Engelse vertaling

Roberta Alexander zingt The Divan of Moses Ibn Ezra

Channa Malkin en Izhar Elias in ‘Fate has blocked the way’:

Zijn celloconcerto schreef de componist voor Gregor Piatigorsky, de première vond plaats in 1935, Arturo Toscanini dirigeerde het New York Philharmonic. En dat was het dan. Sindsdien werd het concerto totaal vergeten, tachtig jaar lang. Totdat Raphael Wallfisch zich daarover ontfermde

Raphael Wallfisch speelt het Allegro Moderato uit het celloconcert van Castelnuovo-Tedesco

Na de Tweede Wereldoorlog werd Castelnuovo-Tedesco, net als meerdere Joodse componisten die noodgedwongen moesten vluchten en hun heil haddenn gezocht in Hollywood beschuldigd van conservatisme en sentimentaliteit. Dat hij in veel van zijn werken geïnspireerd  werd door De Spaanse folklore werd hem evenmin niet in dank afgenomen.

Castelnuovo-Tedesco:

“Ik heb in mijn leven veel melodieën voor zangstem geschreven en er 150 van uitgegeven (in mijn la bleef veel liggen) op teksten in alle talen die ik ken: Italiaans, Frans, Engels, Duits, Spaans en Latijn. Mijn ambitie en sterker nog, mijn diepe drijfveer is altijd geweest om mijn muziek te verenigen met poëtische teksten die mijn belangstelling en gevoel prikkelden, om de lyriek ervan tot uitdrukking te brengen”.

In 2019 werd zijn biografie verfilmd in de film Maestro. Hieronder de trailer:

Officiëele website van Mario Castelnuovo-Tedesco:

https://mariocastelnuovotedesco.com/

Ein Stern fällt vom Himmel: the short life of Joseph Schmidt


On 16 November 1942, Joseph Schmidt died, only 38 years old. On his grave is written, “Ein Stern fällt”, a reference to one of his most successful films.

The whole film:



Schmidt was born on 4 March 1904 in the village of Davydivka in the Duchy of Bukovina (today Ukraine), which was then part of Austria-Hungary. He was blessed with a beautiful tenor voice and soon he was singing in the synagogue of Czernovitz where his family had moved after the First World War.

Below, Schmidt sings ‘Ano Avdoh’, an Aramaic prayer (1934 recording)

In 1924, he moved to Berlin, dreaming of a career as an actor. And dreaming of the opera. Unfortunately, his short height (Schmidt was only 1.54m) stood in the way of his dream. At his many auditions, his voice was considered exceptional, but his height… Luckily for him, a new medium was discovered at that time: the radio.



In 1929, Schmidt made his debut as Vasco da Gama in Meyerbeers L’Africaine on Berlin’s Rundfunk

The success that followed is indescribable: Schmidt became a world star. In total, he sang in 37 operas, including many Mozart and, mainly, Verdi.

Below, Schmidt sings ‘Di quella pira’ from Il Trovatore:

In May 1933, his first film, Ein Lied geht um die Welt, premiered with great success

But already in February 1933, Schmidt performed for a German broadcasting company for the last time. One week later, he was denied access to the studios. In December of that year, he moved to Vienna, where his film career really took off.



In 1937, he made his debut at Carnegie Hall in New York


Du bist die Ruh by Schubert:



His success was immense. He performed with the greatest singer-actors of the time, Maria Jeritza, Grace Moore to name but a few.

Joseph Schmidt and Grace Moore in La Bohème



In those days, he earned 3000 dollars for just a few minutes of his singing. Why did he go back to Vienna? What possessed him? Was he so naive that he did not believe what was coming? Did he really think that his fame and stardom would protect him? Or was it just homesickness? Who knows?

After the Anschluss, he fled to Belgium. There his greatest dream came true, a performance on the operatic stage; he sang Rodolfo in La Bohème. Could that be the reason for not fleeing when it was still possible?

He had a particularly warm place in his heart for the Netherlands, where he first performed for Vara Radio in 1936 (he sang in Verdi’s I Masnadieri).


And he also sang in Dutch!



In 1940 he fled to Paris and then to the South of France. From there, he made unsuccessful attempts to reach America. Alas. Now desperate, he tried to go to Switzerland, which he finally managed to reach in the night of 7 to 8 March 1942. Less than three years before, he had celebrated triumphs as a world star there; now he was locked up in an internment camp. He contracted pneumonia and developed a heart condition. Totally penniless, not making any money and unable to pay for a good doctor, he was admitted to a hospital. After two weeks he was discharged there, his medical state was not taken seriously at all.

Two days later he died, 38 years old. He was buried in the Jewish cemetery. On his grave is written: “Ein Stern fällt”, Joseph Schmidt – “Kammersänger”

The grave of Joseph Schmidt at the Israelite Cemetery Unterer Friesenberg in District 3 of Zurich-Wiedikon, Switzerland. – Photo: Jakob Vetsch, 24 May 2010.

Chamber works by Paul Ben-Haim

ben-haim

Slowly, much too slowly and actually much too late, but the music world is waking up.
One gap after another is finally being filled and the (consciously or unconsciously) ‘forgotten’ composers are at long last coming to our CD players.

Paul Ben-Haim's Evocation: what a discovery | Basia con fuoco
Paul Ben-Haim

Who among you has ever heard of Paul Ben-Haim? If not, why not?
The composer was born as Paul Frankenburger in Munich in 1897 and died in Tel Aviv almost 90 years later. And he left behind a really spectacular oeuvre.

Many vocal works, orchestral pieces, chamber music…. What not, actually?
Most of his works are influenced and inspired by Jewish, Israeli and Arab melodies, so you may call his music “nationalistic”. Nothing wrong with that word.

Just take the opening of his 1941 clarinet quintet! The dancing clarinet part reminds one of swinging klezmer, but in a Brahmsian way.

The ARC Ensemble perform the opening movement of Paul Ben-Haim’s Clarinet Quintet at the Enav Center, Tel Aviv:

This is even more pronounced in his “Two Landscapes” for viola and piano, in which he sings the praises of his new homeland’s beauty.

Steven Dann and Dianne Werner prepare to record The Landscapes for viola and piano:



The “Improvisation and Dance”, dedicated to Zino Francescati, betrays influences from Yemeni folklore and only his oldest work on the CD, the Piano Quartet from 1920, does not yet have its own “face”.

The (very infectious playing!) members of the Canadian ARC Ensemble all work at the Glenn Gould Conservatory in daily life. A CD to cherish.

Paul Ben-Haim
Clarinet Quintet, Two Lanscapes, Canzonetta, Improvisation and Dance,
Piano Quartet
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10769

REDSTU MAMALOSHEN?

mamaloshen

If you are asked this question, people want to know if you speak Yiddish. Yiddish, the language of Eastern European and German Jews, was in danger of dying out, along with the ghettos and shtetls. Integration, assimilation, emigration and (in)tolerance ensured the building of a future without prejudice and without the burden of the past.

Did it work? Obviously not. The second, third and now fourth generations of Shoah survivors have also rediscovered Yiddish in their search for their roots. Mandy Patinkin was no exception.

Patinkin, one of the biggest Broadway stars of the moment, has not taken any chances. With the help and support of specialists, he learned the language and searched for the repertoire. What bothered him most was the question why American Jewish composers such as Hammerstein, Sondheim and Berlin did not compose Jewish music. His conclusion: the music was really Jewish, but the language was English. So the lyrics of the well-known songs were translated into Yiddish.

The result is worthwhile, even if it is a little awkward to hear ‘Ikh khulem fun a vaysn Nitl ‘ instead of ‘I’m dreaming of a white Christmas’. ‘Maria” from Bernstein’s ‘West Side Story‘ has been changed to ‘ Mayn Mirl’ and ‘Got bentsh Amerike’ means nothing but ‘God bless America’.

Naturally, Patinkin also sings the well-known and less well-known Yiddish songs and he does this in his own unique’Patinkin way’. His voice and style of singing are instantly recognisable. He turns every song into a complete show with laughter and tears and does not shy away from exaggeration (a Jewish characteristic par excellence).

In ‘Belz’, which is sung with a healthy dose of schmalz, and the beautiful ‘Song of the Titanic’, he is assisted by Judy Blazer, and in ‘Der Alter Tzigajner/White Christmas’ Nadja Salerno-Sonnenberg takes care of the violin solo.


A little advance warning: anyone who thinks that klezmer music should be played on authentic instruments and Yiddish only sung by centenarians who spoke the language every day in a shtetl before the war, should stay away from this CD. For those who enjoy it: ‘hob fargenigen’ (have fun)

MAMALOSHEN
Mandy Patinkin
Nonesuch 7559-79459-2

Jascha Nemtsov and Jewish Music

Jascha Nemtsov - Pianist
Jascha Nemtsov © Susanne Krauss

It was Rimsky-Korsakoff who, in St. Petersburg at the beginning of the last century, encouraged his Jewish students to show more interest in their national culture.
His advice did not fall on deaf ears: they started collecting synagogal and folk music, which they soon incorporated into their own compositions. Thus was born the Society for Jewish Music, which was banned by Stalin in 1929.

Some of the composers were exiled to the camps, a few managed to emigrate, but all were forgotten. The renewed interest in their music is mainly due to the pianist Jascha Nemtsov, one of the greatest ambassadors of Jewish music.

Jewish

On the CD with the title Jewish Chamber Music we find works by composers who belonged to this Jewish School, supplemented by one of the best compositions by Ernest Bloch: the ‘Suite for Viola and Piano’ from 1919.

Not all compositions are on the same high level. A real highlight for me is Alexander Weprik’s ‘Totenlieder’, but the whole CD is worthwhile, not least because of the excellent performance. The viola player Tabea Zimmerman has a beautiful tone on her instrument: low, warm and melodious but it is clearly the pianist, Jascha Nemtsov, who is at the helm.

Alexander Weprik, Alexander Krejn, Michail Gnesin,  Grigorij Gamburg, Ernest Bloch
Jewish Chamber Music
Tabea Zimmermann (viola), Jascha Nemtsov (piano)
Hänssler CD93008

Jewish songs

Have you ever heard of Abraham Krejn, a klezmer musician, and his seven children? They were called the Jewish Bachs and that makes sense, even if the comparison sounds a bit strange to you. Especially since there is a good chance that you have never heard the name before. You are not alone there.

All seven Krejn children were musicians. Most famous were brothers Alexander and Grigori, both active members of the Society for Jewish Music.

The most original compositions on the CD Jewish Songs Without Words were written by Grigori Krejn. On the basis of synagogal songs, he created his own world, full of melancholic desires.

The ‘Three Hebrew songs without words’ by Grigori’s thirteen-year-old son Julian reveal not only a special talent, but also show influences of Berg and Debussy.

Simeon Bellinson, one of the most famous clarinettists of his time, also worked as a composer and arranger. For his Suite, he arranged original compositions by Grzegorz Fitelberg, Jacob Weinberg and Boris Levenson.

Almost all the compositions on this CD are world premieres. They are fascinating works, a reminiscence of a world that has been irrevocably lost.

The clarinettist Wolfgang Meyer is an excellent musician, but for me his tone could have been a bit warmer.
Jewish Songs Without Words is the fourth CD in a series that Jascha Nemtsov made for Hånssler and, as always, his performance is not only impeccable but also heart-warming.



Grigori Krejn, Julian Krejn, Israel Brandman, Simeon Bellinson
Jewish Songs Without Words
Wolfgang Meyer (clarinet), Jascha Nemtsov (piano)
Hänssler Classic CD 93.094

Tabea Zimmermann and Jascha Nemtsov in ‘Ornaments – 3 Songs without Words, op. 42 by Alexander Krein:

Chants Juifs, dertig jaar later


Toen deze cd op mijn ‘te doen’ stapel belandde, moest ik even mijn wenkbrauwen fronzen. Want: hè, hoezo nieuw? Deze cd heb ik al meer dan dertig jaar in mijn bezit? Toen het uitkwam was de opname echt iets uitzonderlijks, men werd er zich toen pas een beetje bewust van wat de fascisten en antisemieten hadden aangericht.

Dertig jaar oud dus. Maakt het uit? Ja en nee. Er zijn in die tijd meer opnamen uitgekomen met Joodse traditionele en liturgische muziek, maar de hernieuwde kennismaking met de celliste Sonia Wieder-Atherton en de pianiste Daria Hovora beviel mij zeer. Hun beider spel is emotioneel geladen, poëtisch en zeer aansprekend.

Aan de opname in 1989 is een bijzondere gebeurtenis voorafgegaan. De cineaste Chantal Akerman heeft een bijzonder document gefilmd, waar alle Joodse inwoners van Brooklyn aan mee mochten doen. Daar was de celliste ook bij betrokken en haar werd gevraagd om muziek bij de film te maken.

Aan het oorspronkelijke album zijn nu drie stukken van Ravel toegevoegd, in 2006 door het Sinfonia Varsovia olv János Fürst opgenomen en dat vind ik best jammer. De arrangementen van Maurice Delage doen afbreuk aan de poëtische en emotionele sfeer van de eerste 14 nummers. Het voelt alsof je na het nadromen wakker wordt geschud door keiharde heavy metal. Nou ja, niet echt want Delage stierf al in 1961, maar… moest het? Ook het geluid (of moet ik zeggen: de kleur?) van Athertons cello is veranderd, minder warm, afstandelijker.

De illustraties van Colette Brunschwig zijn zonder meer indrukwekkend maar ook angstaanjagend. Mijn advies: skip de laatste drie nummers en blijf dromen, daar zult u geen spijt van krijgen. Vandaar ook mijn hoge waardering.

CHANTS JUIFS
Sonia Wieder-Atherton (cello), Daria Hovora (piano)
Sinfonia Varsovia olv János Fürst
Alpha-Classics 666

Joodse psalmen zonder nesjomme

Lewansowski

Deze opname valt mij ontzettend tegen. Wat zonder meer ook aan mij kan liggen, want: ik heb mij er enorm op verheugd. Louis Lewandowski was een Duits-Joodse (of Joods-Duitse) componist die een belangrijke rol heeft gespeeld in het ‘moderniseren’ van synagogale gezangen. Om te beginnen heeft hij het orgel er bij geïntroduceerd, het instrument dat in de liberale diensten tegenwoordig volledig geaccepteerd is maar de orthodoxe leer wil er nog steeds niets van weten. Iets wat ik eigenlijk snap: ook ik heb er moeite mee. Althans in de sjoel.

Zijn tweede grote stap voorwaarts was het introduceren van een gemengd koor. Vergeet niet dat er vroeger (en bij de orthodoxen nog steeds) mannen en vrouwen werden gescheiden en een gemengd koor (voor de diehards nog steeds) absoluut niet geaccepteerd kon worden.

Zijn composities zijn niet echt hemelbestormend, dat hoeft ook niet, ze waren niet bedoeld om in concertzalen uitgevoerd te worden. Maar zo saai zoals het hier klinkt hoeft het ook niet. Niet dat het koor vals is, integendeel! Ook de solisten zijn prima; maar wat er echt aan ontbreekt is de nesjomme (de ziel). Bovendien worden de psalmen in het Duits gezongen, iets wat mij echt tegenstaat. Net als het orgel, trouwens. Maar, zoals ik het al zei,  dat kan ook aan mij liggen.




LOUIS LEWANDOWSKI
Eighteen Liturgical Psalms
Rózsa Kiss (sopraan), Lúcia Megyesi Schwartz (mezzo),
Viola Thurnay (alt), Gábor Pivarcsi (tenor), Szabolcs Hámori (bas), Márton Levente Horváth (orgel),
Hongaars Radiokoor o.l.v. Andor Izsák
DG 00289 483 7724

The Song of Terezin & Requiem Ebraico

waxman zeissl

In the nineties of the last century the (once very renowned) classical music label Decca started an unsurpassed series ‘Entartete Musik’. Under the supervision of producer Michael Haas, works were recorded by composers who were persecuted by the Nazis, many of whom were murdered in concentration camps and then ignored and even forgotten for decades.

The series didn’t last long. Sales figures were disappointing, Haas was fired, and most of those CDs are now out of print.

waxmann zeisl waxman-resize-800x955

Franz Waxman

Every true fan of film classics knows the music of Franz Waxman. His compositions for Rebecca, Sunset Boulevard and A Place in the Sun, among others, have earned him numerous Oscar nominations and twice he was actually awarded the statuette.

waxman zeisl humoresque

For Humoresque by Jean Negulesco, starring Joan Crawford and John Garfield, he composed an outright hit: ‘Carmen Fantasie’ (played in the film by Isaac Stern), a virtuoso piece for violin and orchestra that is ubiquitous in concert halls and on recordings.

However, few people know that he has also composed ‘serious’ music. It is simply ignored.

waxman zeisl zeisl

Eric Zeisl

Zeisl’s name is almost completely forgotten nowadays. Harmonia Mundi once recorded some of his chamber music works, but these recordings too have since disappeared from the catalogue. Both composers were contemporaries with a similar fate, who ended up in Hollywood on the run from the Nazis. If their respective fates are similar, their music in no way is.

The song cycle Das Lied von Terezín consists of eight poems, written by Czech children between the ages of 12 and 16 during their stay in the Theresienstadt concentration camp.

Deeply affected by the fate of these children, Waxman composed a very moving piece of music in 1965 that, in terms of its power of expression, can be compared to Schoenberg’s A Survivor from Warsaw. The majority is written in the twelve-tone technique, but there is also a clear influence of Zemlinsky (‘Der Garten’) and in ‘Dachbodenkoncert in einer alten Schule’ a motive from Beethoven’s Mondscheinsonate is quoted. The whole is performed very movingly by the two choirs and the mezzo-soprano Della Jones.

Eric Zeisl’s Requiem Ebraico is based on Psalm 92 and is dedicated to the composer’s father and ‘all the victims of the Jewish tragedy in Europe’. Zeisl’s music is very melodic and strongly influenced by Jewish and Hebrew themes. It is unbelievable that it is not performed more frequently!


Franz Waxman: The Song of Terezín
Eric Zeisl: Requiem Ebraico
Deborah Riedel, Della Jones, Michael Kraus
Rundfunk-kinderchor Berlin, Rundfunkchor Berlin, Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin conducted by Lawrence Foster (Decca 4602112)

“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter sings songs by ‘Theresienstadt composers.’

Entartete Musik, Teresienstadt and Channel Classics

Translated with http://www.Deep

Channa Malkin and Izhar Elias in ‘Songs of Love and Exile, a Sephardic Journey’

Channa.jpg

Mario Castelnuovo-Tedesco (Florence, 3 April 1895 – Beverly Hills, 16 March 1968) was born into a Jewish family of Sephardic origin (Jews who were expelled from Spain in 1492). He was extraordinarily creative, and has numerous compositions to his name: piano works, concerts, opera’s…. His compositions were played by the greatest: Gieseking, Piatigorski, Heifetz, Casella. Nowadays we mainly know him from his guitar works, almost a hundred in total, mostly written for Andres Segovia.

In the early 1930s, the composer began to discover his ‘Jewish roots’, something that was reinforced by the rise of fascism and racial laws. His music was no longer performed. With the help of Arturo Toscanini, Castelnuovo-Tedesco and his family managed to leave Italy just before the outbreak of the Second World War.

Like most of the Jewish composers who fled Europe, Castelnuovo-Tedesco ended up in Hollywood. Thanks to Jascha Heifetz he was hired by Metro-Goldwyn-Mayer as a composer of film music. At that time he also composed new opera’s and vocal works inspired by American poetry, Jewish liturgy and the Bible.

Castelnuovo-Tedesco: “In my life I have written many melodies for the voice and published 150 of them (many remained in my drawer) on texts in all the languages I know: Italian, French, English, German, Spanish and Latin. My ambition and indeed, my deep motivation has always been to unite my music with poetic texts that stimulated my interest and feelings, to express their lyricism”.

In 1966 he composed The Divan of Moses Ibn Ezra. It is a setting of nineteen poems by, Rabbi Moses ben Jacob ibn Ezra also known as Ha-Sallaḥ (‘writer of penitential prayers’). Ibn Ezra was born in Granada around 1055 – 1060, and died after 1138 and is considered one of the greatest poets in Spain. He also had an enormous influence on Arabic literature. Castelnuovo-Tedesco composed the ‘divan’ (poems) on the modern English translation.

I very much regret that the duo Channa Malkin (soprano) and Izhar Elias only recorded six songs of the cycle. Not only because they have almost no competition (I only know two complete recordings of the songs myself), but also because their performance is really beautiful. Malkin’s lyrical soprano: girlish yet very focused fits the songs like a glove. She was born in Amsterdam, but her Jewish roots lie in Moldova, Russia and the Ukraine.

The guitarist Izhar Elias was also born in the Netherlands, but his roots lie in Iraq and India. And in Israel. What they have in common is the restlessness and the strong urge to do something with their own past. And you can hear that. You can hear that in the thirteen Sephardic folk songs that are presented here in arrangements by Joaquin Rodrigo and Daniel Akiva, among others.

What makes the CD stand out is the really excellent booklet with lots of information and all the lyrics.

Songs of Love & Exile – A Sephardic Journey
Channa Malkin (soprano), Izhar Elias (guitar)
Brilliant Classics 95652

https://www.channamalkin.com

In Dutch: Songs of Love & Exile – A Sephardic Journey

Translated with http://www.DeepL.com/Translator