Joodse muziek

JOSEPH ACHRON. Muziek om verliefd op te worden

 

Achron in Petersburg

Joseph Achron in St. Petersburg.  © Courtesy of the Departement of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection

Arnold Schoenberg was er van overtuigd dat Joseph Achron de meest onderschatte onder de hedendaagse componisten was. Schönberg roemde zijn originaliteit, hij was er dan ook zeker van dat Achrons muziek een absolute eeuwigheidswaarde had. Toch is Joseph Achron niet echt beroemd geworden.

Achron Hebrew melody

De doorgewinterde vioolliefhebber kent ongetwijfeld  zijn ‘Hebrew Melody’,  een zeer geliefde toegift uit het repertoire van menig violist, te beginnen met Heifetz.

Het werk is geïnspireerd op een thema die Achron ooit in een synagoge in Warschau hoorde toen hij nog maar een kleine jongen was. Hij schreef het in 1911, het was één van zijn eerste composities en tevens zijn ‘kleur – bekennen’: Achron werd lid van de Vereniging voor de Joodse Muziek.

 

Achroon kind

Joseph Achron als kind in Warschau

Maar laten wij bij het begin beginnen.  Joseph Achron werd geboren in 1886 in het Russisch Imperium en stierf zevenenvijftig jaar later in Los Angeles. Zijn moeder was een verdienstelijke zangeres en zijn vader voorzanger die ook viool speelde. Van hem kreeg Joseph zijn eerste vioollessen maar spoedig werd zijn vader vervangen door echte leraren. Op zijn achtste trad hij voor het eerst op en op zijn achttiende had hij al enkele composities op zij naam staan.

Zijn loopbaan als componist begon echter pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw. In St. Petersburg sloot Achron zich aan bij de componisten die verenigd waren in de ‘Nieuwe Joodse School’. Een paar jaar later verhuisde hij naar Berlijn waar hij kennis maakte met de werken van de Franse impressionisten. Én met de Tweede Weense School.

In 1924 maakte hij reis van enkele maanden naar Palestina waar hij niet alleen optrad maar ook alle volksmuziek verzamelde die hij tegenkwam. De aantekeningen die hij toen maakte werden later in zijn composities gebruikt: zo zijn in zijn vioolconcert op. 30 enkele Jemenitische thema’s te bespeuren.

In 1925 vestigde hij zich in New York, waar hij kennis maakte met het Yiddisch Theater en waar hij  toneelmuziek voor verschillende producties componeerde. Onder ander voor Stempenyu, toneelstuk van Sholem Alejchem over een Joodse violist.

Stempenyu-Suite, hier gespeeld door Karen Bentley Pollick en Jascha Nemtsov:

 

In de jaren dertig verhuisde hij naar Hollywood waar hij in 1943 overleed.

Achron metKlemperer

Joseph Achron with Otto Klemperer (right). Klemperer conducted the premiers of Achron’s second and third violin concertos with the Los Angeles Philharmonic. © Courtesy of the Departement of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection

De muziek van Achron wacht nog steeds op haar revival al zijn er al ettelijke pogingen gedaan om haar aan de vergetelheid te onttrekken. Zo zijn er eind jaren negentig van de vorige eeuw twee cd’s uitgebracht met zijn compositie voor viool en piano. Hoe verschillend ook de interpretaties, beide zijn de moeite waard, al was het alleen maar vanwege de buitengewone kans om zijn composities te leren kennen. En waarderen.

 

Achron Miriam Kramer ASV

Op het label ASV horen wij Miriam Kramer, een jonge Engelse violiste, ooit uitgeroepen tot de ‘United Kingdom’s Performer of the Year’.  Haar cd begint met een ietwat aarzelende vertolking van de ‘Première Suite en Style Ancien’ uit 1906 (het betreft de wereldpremière), maar bij de vioolsonate op.29 wordt haar toon vaster en in ‘Children’s Suite’ kunnen wij al ongestoord genieten. Haar pianist, de Nederlander Simon Over, begeleidt haar uitstekend, en dat ik niet helemaal enthousiast kan worden ligt niet zozeer aan haar, als aan Hagai Shaham, de solist op de tweede cd (Joseph Achron: Music for Violin & Piano; Miriam Kramer, Simon Over; ASV CD QS 6235)

 

Achron Shaham Biddulph

Hagai Shaham (geen familie van Gil) is een Israëliër en stamt uit de school van de befaamde pedagoge, Ilona Feher. Zijn toon is warm en donker, hij speelt met bravoure en souplesse en – waar nodig – met een gezonde dosis schmalz. Het is schaamteloos genieten geblazen, van het begin tot het eind. Als je hier niet verliefd op wordt dan weet ik het niet..

De (vaste) begeleider van Shaham heet Arnon Erez en komt eveneens uit Israël. Het tekstboekje is tweetalig: Engels en Jiddisch (Stempenyu. The violin music of Joseph Achron; Hagai Shaham, Arnon Erez; Biddulph LAW 021)

Achron Shaham Hyperion

Vijftien jaar na hun Biddulph-opname hebben Hagai Shaham en Arnon Erez zich nog een keer over de muziek van Achron ontfermd. In 2012 hebben ze voor Hyperion Complete Suites voor viool en piano opgenomen, waaronder ook het Stempeny-Suite en uiteraard de Hebrew Melody  (Hyperion CDA67841)

 

 

SZYMON LAKS. MUSIC OF ANOTHER WORLD

 

Laks archief André Laks

Szymon Laks © Archiv André Laks

 

How many music lovers, even seasoned ones, have heard of Szymon Laks? Let alone of his music? Fate has been unkind to the Polish-French composer. Laks survived the hell of Auschwitz thanks to music: after he was taken captive, he was appointed conductor of the concentration camp’s orchestra.

Laks book

Laks wrote a book about his time in the camp, after which he became known as the ‘kapellmeister of Auschwitz’. Extremely painful. Like his son André stated: it may be true his father survived the war thanks to music, it should never be forgotten he mainly lived for music as well.

Laks Klüger

Ruth Klüger © Kerrin Piche Serna, University Communications

Ruth Klüger, a famous author, Germanist and Holocaust survivor wrote about Auschwitz in her book ‘Still Alive: A Holocaust Girlhood Remembered’ : “The name itself has an aura, albeit a negative one, that came with the patina of time, and people who want to say something important about me announce that I have been in Auschwitz. But whatever you may think, I do not hail from Auschwitz, I come from Vienna.”

Laks Polska Orkiestra Radiowa

© Polska Orkiestra Radiowa

Szymon Laks did not hail from Auschwitz, he was born in 1901 in Warsaw. He left for Paris in 1926 to finish his musical studies there. He studied with Pierre Vidal and Henri Rabaud and soon became part of the “Paris School.” A group consisting mainly of young, Eastern European composers like Bohuslav Martinů and Marcel Mihalovici,  with composers like Honegger, Milhaud and Poulenc as central figures.

This French school with its formal structures and neoclassical lines was a great influence on Laks, especially in his earlier works, but his oeuvre was also strongly rooted in the Polish tradition. Polish music, both classical and folk music was his biggest inspiration.

Laks deportatie

 

In May 1941 Laks was arrested and interned in the French camp Pithiviers as a foreign Jew. On July 16th 1942 he was deported from there to Auschwitz. In 1944 he was transferred to Dachau. After his liberation he returned to Paris.

Laks document

Before the war Laks worked in cinemas as an accompanist of silent films, and also played the violin in cafés. After the war all he composed, with a few exceptions, was film music.  In 1962 he started to compose again, but this period did not last very long.

Laks with son

Szymon Laks with his son André © Archiv André Laks

 

In 1967 Laks stopped composing altogether. The Six-Day War played a role in that decision, as well as the huge antisemitic wave that followed it in Poland. He told his son that he felt composing music was no longer of any use at all. The events in the Middle-East and the antisemitic excesses in Poland meant to Laks that the existence of the Jewish people was under threat once again.

The exodus of the remaining Polish Jews in  1968 did not only embitter him, but also worsened his attacks of depression which had plagued him for a long time.

Szymon Laks was an assimilated Jew who always felt more Polish than Jewish. For this reason his pre-war works were not influenced by Jewish traditions, something which changed shortly after the war.  In 1947 Laks composed his song cycle ‘Huit chants populaires juifs’ followed soon afterwards by stage music for ‘Dem sjmiets techter’ by Peretz Hirschbein.

 

ARC ENSEMBLE

Laks

The Canadian ARC Ensemble has been working on a series “Music in Exile”  for several years now. After the first two volumes with music by Paul Ben-Haim and Jerzy Fitelberg (the latter was nominated for a Grammy) they have now dedicated volume three to the music of Szymon Laks.

This CD is worth buying for the Fourth String Quartet from 1962 alone. This rhythmical work shows strong jazz influences in a classicist form. Diverse styles are affectionately combined without actually merging. Almost like passersby in a park,  greeting each other warmly, exchanging a few words, and then continuing their way. Fascinating.

How different from his “Polish” Third String Quartet from 1945 which the Canadian Ensemble recorded in the version for Piano Quintet from 1967! The Quintet has a less serious tone, parts of it are nothing more than pure entertainment. Polish folk melodies are combined with dancing passages, with every now and then time standing still, allowing you to wipe away a tear.

‘Passacaille’ from 1945 is in fact a vocalise, originally composed for voice (or cello) accompanied by piano. Here the piece is performed by a clarinet, a choice I am not entirely happy with because a clarinet simply sounds less warm than a human voice.  Simon Wynberg, the artistic director of the ARC Ensemble, sees the work as Laks’s reaction on his concentration camp experiences, expressing them in his music. Can this be true? I would like to believe it.

Passacaille, in the version for cello and piano:

Almost all pieces get their CD premiere here, but other factors make this CD a real must have as well. The quality of this long neglected music is high, of course, as are the excellent performances by the musicians. Consider buying this CD as a late reparation to the composer, who was definitely more than “kapellmeister of Auschwitz.”

ARC Ensemble records works by Laks:

LEO SMIT ENSEMBLE

Laks Pameijer

In case you want to hear more by Szymon Laks: several years ago the Leo Smit Ensemble recorded a CD with works by Laks (Future Classics 111), which includes the “Huit chants populaires juifs.” The Passacaille is included as well, in the version for flute and piano, masterly performed by Eleonore Pamijer and Marcel Worms.

 


 

 

SZYMANOWSKI QUARTET

Laks Szymanowski

Much recommended as well is the recent recording by the Polish Szymanowski Quartet (Avi 8553158). In addition to the Third String Quartet on Polish themes by Laks from 1945 it includes the String Quartet by Ravel and the Nocturne & Tarantella op. 28 from 1915 by Karol Szymanowski. It is fascinating to compare their performance of the “Polish Quartet” with the adaptation for Piano Quintet by the ARC Ensemble.

 

A few years ago Apple Republic Films started a series of documentaries on Polish-Jewish composers: the Masters Revival Series. In 2012 they made a film on Szymon Laks in collaboration with the composer’s son:

English Translation Remko Jas

Dutch original:  SZYMON LAKS. Muziek uit een andere wereld

See also:
MIECZYSŁAW WEINBERG: ‘THE PASSENGER’. English traslation

JASCHA NEMTSOV en de Joodse muziek

Jascha Nemtsov - Pianist

Jascha Nemtsov © Susanne Krauss

Het was Nikolaj Rimski-Korsakoff, die in St. Petersburg aan het begin van de vorige eeuw zijn Joodse leerlingen aanspoorde om wat meer interesse te tonen voor hun nationale cultuur.

Het was niet tegen dovemansoren gezegd: men begon met het verzamelen van synagogale- en volksmuziek, en algauw verwerkten zij het in hun eigen composities. Zo ontstond het Gezelschap  voor de Joodse Muziek, dat in 1929 door Stalin werd verboden.

Sommige van de componisten werden naar de kampen verbannen, enkelen is het gelukt om te emigreren, maar allen werden vergeten. De hernieuwde belangstelling voor hun muziek is voornamelijk te danken aan de pianist Jascha Nemtsov, één van de grootste ambassadeurs van de Joodse muziek.

 

Jewish

 

Op de cd getiteld Jewish Chamber Music treffen wij werken aan van componisten, die tot deze Joodse School behoorden, aangevuld met één van de beste composities van Ernest Bloch: de ‘Suite voor altviool en piano’ uit 1919.

Niet alle composities zijn van hetzelfde hoge niveau. Een echte uitschieter is voor mij  de ‘Totenlieder’ van Alexander Weprik, maar de hele cd is zeer de moeite waard, niet in de laatste plaats vanwege de voortreffelijke uitvoering.

De altvioliste Tabea Zimmerman weet een prachtige toon aan haar instrument te ontlokken: laag, warm en zangerig maar het is de pianist die duidelijk aan het roer staat.


Alexander Weprik, Alexander Krejn, Michail Gnesin,  Grigorij Gamburg, Ernest Bloch
Jewish Chamber Music
Tabea Zimmermann (altviool), Jascha Nemtsov (piano)
Hänssler CD93008

 

Jewish songs

Heeft u ooit van Abraham Krejn, een klezmer-muzikant en zijn zeven kinderen gehoord? De Joodse Bachs werden ze genoemd en daar zit iets in, al klinkt de vergelijking u vreemd in de oren. Zeker, omdat de kans groot is dat u de naam nooit eerder hebt gehoord. Daar bent u trouwens niet alleen in.

Alle zeven kinderen Krejn zijn de muziek ingegaan. Het beroemdst werden broers Alexander en Grigori, beiden actieve leden van het Gezelschap voor de Joodse Muziek.

De meest originele composities op Jewish Songs Without Words zijn van de hand van Grigori Krejn. Op basis van synagogale gezangen schiep hij een eigen wereld, vol weemoedige verlangens.

De ‘Three Hebrew songs without words’ van Grigori’s dertienjarige zoon Julian verraden niet alleen een bijzonder talent, maar ook de invloeden van Berg en Debussy.

Simeon Bellinson, één van de beroemdste klarinettisten van zijn tijd, werkte ook als componist en arrangeur. Voor zijn Suite bewerkte hij de oorspronkelijke composities van Grzegorz Fitelberg, Jacob Weinberg en Boris Levenson.

Bijna alle composities op deze cd beleven hier hun wereldpremière. Het zijn fascinerende werken, een reminiscentie van de wereld die onherroepelijk verloren is gegaan.

De klarinettist Wolfgang Meyer is een voortreffelijke musicus, maar zijn toon had voor mij wat warmer mogen klinken.

Jewish Songs Without Words is de vierde cd in een reeks, die Jascha Nemtsov voor Hånssler maakte en zoals altijd is zijn vertolking niet alleen onberispelijk maar ook hartverwarmend.


Grigori Krejn, Julian Krejn, Israel Brandman, Simeon Bellinson
Jewish Songs Without Words
Wolfgang Meyer (klarinet), Jascha Nemtsov (piano)
Hänssler Classic CD 93.094

Tabea Zimmermann en Jascha Nemtsov spelen ‘Ornaments – 3 Songs without Words, op. 42 van Alexander Krein:

 

D’OR ET LUMIÈRE / אור וזהב

D'or et de Lumière

 “Op hun concerten nodigt Le Baroque Nomade het publiek uit om samen mee te reizen door de tijd en de ruimte. In de traditie van de rondtrekkende muzikanten herstelt het ensemble de culturele en historische verbanden tussen het Europese repertoire en muzikale tradities van elders: Chinees, Indisch, Ethiopisch en Turks  […]”

Aan het woord is Jean-Christophe Frisch, fluitist en oprichter van de Franse groep Le Baroque Nomade. De groep bestaat al meer dan twintig jaar en heeft in die tijd evenzoveel cd’s uitgebracht, maar op de een of andere manier zijn ze niet alleen aan mijn, maar ook aan de Joodse mainstreammedia’s aandacht ontsnapt.

Op hun nieuwste cd Or vezahav (Licht en goud) verzamelden ze verschillende volksliedjes en gezangen die betrekking hebben op de Joodse Feestdagen, vanaf  Rosh Hashana (Joods Nieuwjaar) tot en met Pesach.

De cd opent – vanzelfsprekend eigenlijk – met ‘Avinu Malkenu’, oftewel Onze Vader. Het gebed maakt deel van de synagogale liturgie en wordt traditioneel gezongen op Rosh Hashana en Yom Kipur (Grote Verzoendag).

Naast de, voornamelijk in het Ladino gezongen volksliedjes heeft Le Baroque Nomade ook stukken opgenomen van componisten uit het begin van de achttiende eeuw. De meeste fragmenten komen uit Dio, Clemenza e Rigore, een verloren gewaand oratorium uit 1733 van een onbekende componist, in wie Fritsch Giuseppe Lidarti meent te herkennen.

Het oratorium werd besteld door de Joodse gemeenschap van het plaatsje Casale Monferrato en werd pas in de twintigste eeuw in Moskou teruggevonden. Of wij veel hebben gemist is moeilijk te zeggen, daarvoor zijn de stukken te fragmentarisch.

De uitvoering vind ik niet meer dan matig. Er wordt wel met veel passie gemusiceerd, maar alles klinkt behoorlijk amateuristisch en niet altijd zuiver. Alsof de revolutie in en de ontwikkeling van het op authentieke instrumenten musiceren nooit had plaats gevonden.

Daar de groep opgericht werd door de fluitist Jean-Christophe Frisch, concentreert het zich vanzelfsprekend rond het instrument (de instrumenten?) van de oprichter en dat vind ik jammer. Een niet helemaal zuiver klinkende blokfluit is niet bepaald prettig om naar te luisteren.

Ook de sopraan Cyrille Gerstenhaber vind ik niet altijd aangenaam klinken. Voornamelijk in de volksliedjes vind ik haar zang behoorlijk gekunsteld en niet “losjes” genoeg. In de klassieke stukken is zij beter op haar plaats.

Het tekstboekje klopt ook niet helemaal: niet alle data’s en namen worden correct weergegeven. Onder andere lezen we dat alle arrangementen werden gemaakt door Josef Mijnapfel, die zou leven van 1553 tot 1821. Iets wat volgens mij fysiek onmogelijk is.


Or Zahav
D’Or de Lumiére
XVIII-21
La Baroque Nomade
Music for celebrations

Cyrille Gerstenhaber
Jean-Christophe Frisch
Harmondia Mundi EVCD029 • 68’

SEIN LIED SOLL NICHT VERSTUMMEN *

 

kol-david

Gerrit van Honthorst (1590-1656), King David Playing the Harp (1611), Centraal Museum Utrecht, Holland

Eine Gewissensfrage: Besteht so etwas wie – Jüdische Musik -?
Wenn ja: Was ist das? Ist es Klezmer? Chassidischer Nigunim? Spanische Romanceros, jiddische Lieder, die synagogalen Gesänge, die Psalmen?
Und: Kann klassische Musik jüdisch sein? Liegt es am Komponisten? Ist die Musik jüdisch, wenn der Komponist jüdisch ist? Oder liegt es an den von ihm/ihr verwendeten Themen?

Eine kleine Spurensuche:

Musik spielte eine wichtige Rolle im Leben der alten Hebräer. Genau wie die meisten östlichen Völker waren sie sehr musikalisch. Musik, Tanz und Gesang waren für sie sehr wichtig: sowohl im täglichen Leben als auch in den synagogalen Diensten. Man bespielte auch verschiedene Instrumente: So nahm eine der Frauen von Salomon mehr als tausend verschiedene Musikinstrumente aus Ägypten mit.

Nach der Zerstörung des Tempels verschwanden – bis auf die Schofar – alle Instrumente aus den Synagogen und kehrten erst im XIX Jh. zurück.

Es existiert leider wenig geschriebene Musik von vor 1700. Jedoch wird 1917 das bis heute älteste, bekannte Musikmanuskript gefunden – es datiert aus ± 1100.

                                               KOL NIDRE

 

631d9-kol2bnidrei

 

Das bekannteste Gebet aus der jüdischen Lithurgie ist unzweifelhaft Kol Nidre: Bitte um Vergebung und um Nichtigkeitserklärung aller Gelöbnisse gegenüber Gott und sich selbst, die man während des abgelaufenen Jahres auf sich genommen hat.

Das Gebet soll noch vor der Verwüstung des Tempels entstanden sein, aber es bestehen auch Legenden, die den Ursprung des Gebets in die Hände der Marranen legen (spanische Juden, die sich unter dem Zwang der Inquisition zum katholischen Glauben bekehrten, aber im Herzen Juden blieben). So wurde um Vergebung gebeten für die unter Zwang gemachten Gelöbnisse.

Sicher ist, dass Rabbi Jehuda Gaon schon in 720 das Kol Nidre in seiner Synagoge in Sura einführte. Es ist auch ein Fakt, dass die Melodie, wie wir sie kennen, einige Verwandtschaft zeigt mit einem bekannten katalanischen Lied. Im Laufe der Jahre wird es durch verschiedene Vorsänger bearbeitet, die bekannteste Version stammt aus 1871 und ist von Abraham Baer.

Die Melodie wurde eine Inspirationsquelle für viele Komponisten: Das bekannteste ist das Werk für Cello und Orchester von Max Bruch.

 

 

 

Die Motive von Kol Nidre finden wir auch in der Symphonie von Paul Dessau und im fünften Teil des Streichquartetts op. 131 von Ludwig van Beethoven. Und dann dürfen wir auch das „Kol Nidre“ von Arnold Schönberg für Sprechstimme, Chor und Orchester nicht vergessen. Er komponierte es im Jahr 1939, im Auftrag einer jüdischen Organisation.

http://www.schoenberg.at/index.php/de/joomla-license-sp-1943310035/kol-nidre-op-39-1938

 

                                                     EINFLÜSSE


Jüdische Volksmusik ist nicht unter einen Nenner zu bringen und kennt eine Vielzahl von Traditionen: Nach ihrer Zerstreuung landeten die Juden in verschiedenen Teilen Europas, Asien und Afrika.

Die größte Entwicklung der eigenen Kultur manifestierte sich, merkwürdig genug, in den Zentren, wo Juden die wenigsten Freiheiten hatten. Jüdische Volksmusik war daher eigentlich Musik des Ghettos. Dort wo Juden einigermaßen in Freiheit lebten, „verwischte“ sich ihr eigenes „Ich“.

In den Ländern rundum das Mittelmeer wohnten die sogenannten Sephardim (von Sfarad, hebräisch für Spanien). Ihre Romanceros sangen sie in Ladino, eine Art geschundenes Spanisch. Nach ihrer Vertreibung aus Spanien und später aus Portugal wurden sie beeinflusst durch die Musik ihres neuen Gastlandes.

“Por Que Llorax Blanca Nina”(Sephardisches Lied aus Sarajevo) Jordi Savall, Montserrat Figueras:

 

In Ländern wie Polen und Russland lebten Juden in fortwährender Angst vor Verfolgungen, die nicht selten in Pogromen ausarteten. Als eine Art „Gegenreaktion“ entstand der Chassidismus, eine Bewegung, die auf Mystizismus, Spiritualität und magischen Doktrinen basierte. Er verkündete die Lebensfreude, eine Art Glückseligkeit, die durch Mittel von Musik, Tanz und Gesang erreicht werden konnte. Alleine so konnte der direkte Kontakt mit Gott erreicht werden. Chassidische Musik wurde stark beeinflusst durch polnische, russische und ukrainische Folklore. Später auch die Musik von Vaudevilles und Walzer von Strauss. Der Charakter dieser Werke blieb jedoch jüdisch.

 Bratslav nigun – Jewish tune of Bratslav (by Vinnytsia), Ukraine:

Auf ihre Weise haben die chassidischen Melodien enormen Einfluss auf klassische Komponisten gehabt: Denken Sie nur alle an Baal Shem von Ernest Bloch oder Trois Chansons Hebraiques von Ravel.

 

                                               JOSEPH ACHRON

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schönberg sagte einmal über ihn, dass er der meist unterschätzte, unter den zeitgenössischen Komponisten war. Er rühmte seine Originalität und war sich sicher, dass seine Musik einen absoluten Ewigkeitswert hat.

Der bewanderte Violinenliebhaber kennt unzweifelhaft seine Hebrew Melody: eine sehr beliebte Zugabe aus dem Repertoire von so manchem Violinisten, beginnend mit Heifetz. Das Werk ist inspiriert von einem Thema, das Achron einst in einer Synagoge in Warschau hörte, als er noch ein kleiner Junge war. Er schrieb es 1911, es war eine seiner ersten Kompositionen und zugleich seine Form von „Farbe zu bekennen“: Er wurde Mitglied der Vereinigung für jüdische Musik.

Seine Laufbahn als Komponist begann jedoch erst spät in den 20er Jahren. In St. Petersburg schloss er sich den Komponisten, die vereinigt waren in der „Neuen Jüdischen Schule“, an.

1924 reiste er einige Monate nach Palästina, wo er nicht nur auftrat, sondern auch alle Volksmusik sammelte, die er antraf. Die Notizen, die er sich machte, wurden später in seinen Kompositionen verarbeitet. So findet man in seinem Violinenkonzert op. 30 einzelne jemenitische Themen. In den 30er Jahren flüchtete er, genau wie Schönberg, Korngold und viele andere jüdische Komponisten aus Europa nach Hollywood, wo er 1943 verstarb.

Josef Hassid spielt Jewish Melody von Achron:

 

                                               EIN EIGENER JÜDISCHER SOUND

Schon gegen Ende des 19. Jh. entstand in Petersburg (und später auch in Moskau) eine „Jüdische nationale Schule für Musik“. Die darin vereinigten Komponisten waren bestrebt Musik zu komponieren, getreu ihren jüdischen Wurzeln.

Außer Joseph Achron waren die wichtigsten Vertreter davon Michail Gnessin und Alexandr Krein. Ihre Musik war verankert in den jüdischen Traditionen von vorwiegend einer chassidischen „Nigun“ (Melodie).

Die Bewegung blieb nicht beschränkt auf Russland, denken Sie an den Schweizer Ernest Bloch und den Italiener Mario Castelnuovo-Tedesco, die auf der Suche nach ihren „Wurzeln“ einen vollkommen eigenen „jüdischen Stil des Komponierens“ entwickelt haben.

joods-cast

Mario Castelnuovo-Tedesco

Synagogale Gesänge formten die Inspirationsquelle für u. a. Sacred Service von Bloch, Sacred Service for the Sabbath Eve von Castelnuovo-Tedesco Service Sacré pour le samedi matin von Darius Milhaud und The Song of Songs von Lucas Foss.

Milhaud: Service Sacré pour le Samedi Matin:


 

Mario Castelnuovo-Tedesco griff auch nach der alten hebräischen Poesie des Dichters Moses-Ibn-Ezra, die er für seinen Liederzyklus The Divan of Moses Ibn Ezra verwendete:


 

In den USA war es Leonard Bernstein, der sehr bewusst jüdische Themen in seiner Musik anwendete. (Symphonie Nr. 3, Dybbuk Suite, A Jewish Legacy):

 

Weniger bekannt sind Paul Schoenfield und sein prächtiges Altviolinenkonzert King David dancing before the ark. Und Marvin David Levy, der in seiner Kantate ’Canto de los Marranos’ sephardische Motive verwendete:

 

Der Argentinier Osvaldo Golijov (1960, La Plata) weiß in seinen sowohl klassischen als auch in Filmkompositionen, jüdische lithurgische Musik und Klezmer mit den Tangos von Astor Piazzolla zu kombinieren. Er arbeitet oft mit dem Klarinettisten David Krakauer und für das Kronos Quartett hat er ein sehr intrigierendes Werk ‘The Dreams and Prayers of Isaac the Blind’ komponiert:


 

                                               DMITRI SCHOSTAKOWITSCH

shosty

Was für Gründe der nicht jüdische Sjostakowitsj hatte, um jüdische Elemente in seiner Musik zu verwenden, ist nicht komplett deutlich, aber es brachte in jedem Fall prächtige Musik hervor. Sein Piano trio op. 67 schrieb er schon 1944. Bei der ersten Aufführung davon, musste der letzte, der “Jüdische Teil” wiederholt werden. Es war zugleich das letze Mal, dass es während des Stalinismus gespielt wurde.

1pT28

1948 komponierte er einen Liederzyklus für Sopran, Mezzosopran und Tenor „Aus der jüdischen Volkspoesie“ – inzwischen schon viele Male aufgenommen und (zurecht!) sehr geliebt.

Alte Melodia Aufnahme des Zyklus:

1962 komponierte er die 13. Symphonie die Babi Jar, auf der Grundlage eines Gedichts von Jewgeni Alexandrowitsch Jewtuschenko. Babi Jar ist der Name einer Schlucht in Kiew. 1941 wurden dort durch die Nazis mehr als 100.000 Juden ermordet:

 

1990 wurde die Stiftung The Milken Archive of American Jewish Music gegründet, um alle Schätze der jüdischen Musik, entstanden im Laufe der amerikanischen Geschichte, aufzunehmen. Das Archiv besteht inzwischen aus (unter anderem) mehr als 700 aufgenommenen Musikwerken, verteilt auf 20 Themen. Die CDs werden weltweit vertrieben durch ein Budgetlabel Naxos. Niemand, der an jüdischer Musik interessiert ist (und an deren Geschichte), kommt daran vorbei.

* Dieser Satz steht auf dem Erinnerungsstein, der auf dem Friedhof Muiderberg aufgestellt wurde, zum Gedenken an den durch die Nazis ermordeten Dirigenten Sam Englander und seinen Amsterdamer jüdischen Chor der großen Synagoge.

Deutsche übersetzung: Beate Heithausen

Originele artikel in het Nederlands:
ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 

 

 

 

 

 

ANNELIES

annelies

Hebben wij behoefte aan nog meer Anne Frank?

Het is een moeilijke en pijnlijke vraag. Wanneer mag men ophouden met herdenken? Anne Frank is een symbool: zij mocht niet volwassen worden, haar dood heeft van haar een eeuwig kind gemaakt. Maar hoe herdenk je een symbool? Welke muziektaal is passend? En: kan je en mag je tegen een symbool vechten? Ik geef toe. Ik weet het niet.

De muziek van James Whitbourn (jaargang 1963) heeft een hoge Schindler’s List gehalte vermengd met de polyfonie van Allegri’s Miserere. Met natuurlijk her en der wat Joodse thema’s. Kurt Weill komt ook om de hoek kijken.

Zou het anders moeten? Kunnen? En alweer weet ik het niet.

Het geheel doet een beetje rommelig aan. Te veel stijlen, te veel mixen, wellicht te veel willen zeggen?

De cd vermeldt dat het om een kamermuziekversie gaat, dus er is blijkbaar ook een versie voor een orkest.

Het Lincoln Trio speelt echt mooi (de pianiste, Marta Aznavoorian is een echte ontdekking!), de klarinettist is goed en ook het koor is goed.

De partij van Anne ligt in de stembanden van de sopraan Arianna Zukerman. Mooi en ontroerend weet zij de gestalte van een jong meisje weer te geven.


JAMES WHITBOURN
Annelies
Arianna Zukerman (sopraan), Westminster Williamson Voices, The Lincoln Trio, Bharat Chandra (klarinet) olv James Jordan
Naxos 8573070 • 70’

LA JUIVE Tel Aviv 2010

juive-opera

Israeli Opera in Tel Aviv

Geen tijd gehad om te eten vóór de opera? Geen nood, althans niet als je een voorstelling bezoekt bij de Israeli Opera in Tel Aviv. In de enorme foyer beneden zijn er minstens vijftig stands met voedsel en elke verdieping telt er ook nog eens tientallen. Men kan zich laven aan werkelijk alles wat de goede aarde (en de kok) te bieden heeft: sushi, sashimi, pasta’s, pizza’s, gegrilde zalm, sandwiches, salades, fruit, taarten, cakes, chocolade …. Zoals een Joods spreekwoord zegt: “They tried to killed us, we survived, let’s eat”.

Het voor elke prijs overleven, ook (of misschien voornamelijk?) om zich daarna op je belagers te kunnen wreken – daar gaat het, onder andere, in La Juive van Halévy over. Zeker in de productie van David Pountney, twee jaar eerder in Zürich voor het eerst uitgevoerd.

juive-halevy

Jacques Fromental Halevy

Eleazar is geen aimabele man. Gelijk Shakespeare’s Shylock is hij weerzin- en meelijwekkend tegelijk. Hij is vervuld met wrok en zint op vergelding waarvoor hij bereid is alles op te offeren, ook datgene wat hij het meeste liefheeft. Maar is hij altijd zo geweest, of zijn het omstandigheden die hem zo hebben gemaakt? Bovendien kent ook hij zijn twijfels – in zijn grote aria vraagt hij zich (en God) oprecht af of hij goed heeft gehandeld.

Poutney heeft de actie naar de negentiende-eeuwse Frankrijk verhuisd, ten tijden van het Dreyfuss-affaire, en daar is hij zeer consequent in. De productie is zeer realistisch, met overweldigende decors en kostuums. Op de bühne staat een soort draaiende poppenkast, met daarin de kathedraal, de werkplaats van Eleazar, slaapvertrekken van Eudoxie, de gevangenis en de straat met het gepeupel. Zo nodig worden de scènes uitvergroot, waardoor er meer nadruk op details kan worden gelegd.

juive-scene

foto: Yossi Zwecker

Iedere scène begint achter een doorzichtig gordijn, dat als een soort sluier het beeld wazig en daardoor een beetje onwezenlijk maakt. Na een paar minuten wordt het gordijntje opgehesen en het beeld wordt niet alleen helder, maar het doet ook pijn aan je ogen.  Goed bedacht.

Het ballet (choreografie Renato Zanella) maakt een wezenlijk deel van het verhaal. Op een zeer realistische (en zeer logische) manier wordt een verhaal verteld van vervolgingen en intolerantie en er wordt een link gelegd tussen de duivel en de Jood. Duivel is Joods, duivel uitdrijven betekent Joden vernietigen. Het is slikken voor het Israëlische publiek, men heeft hier tenslotte het nodige aan den lijve ondervonden.

(meer…)