Adams’ Nixon in China mooi uitgevoerd in Parijs

Tekst: Peter Franken

Nixon news

In februari 1972 bracht de Amerikaanse president Richard Nixon een staatsbezoek aan China. Vijftien jaar later maakten John Adams en Peter Sellars daar een opera van. De wereldpremière van Nixon in China vond plaats in Houston, oktober 1987, als opdrachtwerk van vier operahuizen waaronder ook DNO.

Hieronder een fragment uit de derde acte uit Houston:

De Europese première in het Muziektheater liet dan ook niet lang op zich wachten: juni 1988. De eerste intendant van DNO in de nieuwe behuizing, Jan van Vlijmen, was toen alweer vertrokken. Dat neemt niet weg dat Nixon op diens artistieke conto moet worden geschreven. Bij zijn aantreden had van Vlijmen gezegd: ‘Ik wil 25 nieuwe producties in vijf jaar maken, want je kunt niet met het verleden dat nieuwe Muziektheater binnen’. Het was hem niet vergund dat te realiseren maar dit nieuwe opdrachtwerk zat al hoog en breed in de pijpleiding toen hij het veld moest ruimen.

Aanvankelijk was er wereldwijd wel belangstelling voor Nixon, na 1990 echter niet meer. Na langere tijd was er een bescheiden revival, in gang gezet door een nieuwe productie van ENO in 2000, maar veel meer dan een enkele productie hier en daar zat er niet in. In 2011 beleefde het werk eindelijk zijn première in de MET. Op 11 februari 2017 werd een concertante uitvoering gegeven door het Nationaal Jeugd Orkest in de NTR ZaterdagMatinee.

In een artikel over Philip Glass’ Einstein on the beach beschreef Franz Straatman de oorsprong en verdere ontwikkeling van minimal music en stelde vervolgens: ‘de navolgende generatie Amerikaanse componisten met John Adams als meest spraakmakend, benutten de minimale techniek in maximale zin, getuige Adams’ orkestwerken en zijn opera’s Nixon in China en Doctor Atomic’. Echter Nixon is niet te vergelijken met Einstein maar eerder met later werk van Glass zoals Waiting for the barbarians, in 2006 in het Muziektheater te zien in een productie uit Erfurt.

Nixon in Châtelet

Nixon02

©Marie-Noëlle Robert

Het Théâtre du Châtelet is het muziektheater van de stad Parijs. Het heeft geen vaste bespelers maar werkt geheel op basis van gastprogrammering en ad hoc producties. Zo nu en dan leidt dat tot een spraakmakende opera op het affiche. Denk aan Les Troyens en Medée, beiden o.l.v Gardiner en met Antonacci in een hoofdrol, en Die Feen, de allereerste opera van Richard Wagner. In 2012  was daar ineens een nieuwe Nixon in China in een gloednieuwe eigen productie. Ik bezocht de première op 10 april.

nixon-in-china-chatelet-00

© Marie-Noëlle Robert

De opera begint met de aankomst van Nixon op het vliegveld van Beijing. Hij komt de vliegtuigtrap af en zwaait naar zijn gastheren. Daarna volgt een scène waarin hij wordt ontvangen door Mao. Dit deel is een conversatiestuk: Mao spreekt in propagandistische beelden, Nixon en Kissinger begrijpen hem nauwelijks en praten maar wat terug. Drie secretaresses schrijven alles nauwgezet op. Het geheel is wat statisch en doet de toeschouwer verlangen naar een werk als Capriccio. Ook daarin wordt aanhoudend gepraat maar het is wel een stuk levendiger.

Nixon in China16

© Marie-Noëlle Robert

Tijdens de scène in de Grote Hal van het Volk brengen Chou En-lai en Nixon wederzijdse toasts uit. Prominent in beeld is een woud aan televisieschermen waarop zowel de actuele gebeurtenis als archiefbeelden van het leven in de jaren ’70 in de VS en China te zien zijn. Impliciet worden de verschillen in politiek klimaat en levensstandaard beklemtoond.

Nixon09

©Marie-Noëlle Robert

De volgende dag bezoekt Pat Nixon een fabriek waar glazen olifanten worden gemaakt, een varkensboerderij, het Zomerpaleis en zo meer. Als ze een olifantje als aandenken meekrijgt vertelt ze opgetogen dat de olifant het symbool is van de Republikeinen, haar politieke partij.

Pat Nixon (June Anderson) bezoekt een olifanten farm ‘This is prophetic!’

Die avond staat een voorstelling met muziek en dans op het programma, getiteld ‘De rode vrouwenbrigade’, geheel in de stijl die gangbaar was tijdens de Culturele Revolutie.

Nixon07

©Marie-Noëlle Robert

Hierin wordt een actrice zozeer belaagd door een slechterik dat Pat vergeet waar ze is en het toneel opgaat om in te grijpen. Daarna zingt Madame Mao het bekende ‘I am the wife of Mao Tse-tung’.

Hieronder Sumi Jo zingt ‘I am the wife of Mao Tse-tung’ voorafgegaan door balletscène:

De laatste scène laat de verschillende koppels aan het woord, in toenemende mate in privé conversatie. De sfeer wordt intiem, de echtparen dansen wat met elkaar of om elkaar heen. Kissinger en Chou En-lai lopen er wat verloren bij. Aan het slot zingt Chou ‘I am old and I cannot sleep’.

De uitvoering

Nixon in China19

June Anderson als Pat Nixon © Marie-Noëlle Robert

De door mij bezochte voorstelling was een groot succes. Er werd uitstekend gezongen en gemusiceerd. Franco Pomponi wist te overtuigen als Nixon, dit ondanks de geringe fysieke gelijkenis met de echte Nixon. Dat was anders bij June Anderson, volledig opgemaakt als First Lady Pat en in deze rol geheel in haar element. Ook bij Alfred Kim (Mao), Kyung Chun Kim (Chou) en Peter Sidhom (Kissinger) was sprake van goede typecasting.

Nixon Sumi

© Marie-Noëlle Robert

De meeste aandacht ging echter uit naar Sumi Jo die de rol van Madame Mao vertolkte. Ze bracht haar coloratuuraria met daarin een hoge D met verve en zag er verder net zo angstaanjagend uit als het echte kopstuk van wat indertijd ‘De bende van Vier’ werd genoemd. Die laatste constatering brengt mij bij de volgende beschouwing.

Actualiteit in operalibretti

Hedendaagse gebeurtenissen moeten een flinke langdurende impact hebben om interessant te blijven voor latere generaties operabezoekers. Nixon in China is voor ouderen wel aardig maar voor de generatie vanaf geboortejaar 1970 nauwelijks interessant. Nixons bezoek aan China zorgde in 1972 voor een politieke aardverschuiving binnen de koude oorlog arena maar de impact daarvan is inmiddels sneeuw van eergisteren. En wie weet er nu nog iets van ‘De bende van Vier’? Hooguit wordt die aanduiding nog wel eens in overdrachtelijke zin gebruikt zoals ook ‘De drie musketiers’ maar over de oorsprong en achtergrond tast men al gauw in het duister.

Iets dergelijks zien we bij de volgende Adams-Sellars productie The death of Klinghofer. De meeste operabezoekers zullen nog maar een vaag idee hebben waar dat eigenlijk over gaat. Wat dat betreft is het Manhattan Project in Doctor Atomic een veel betere keuze. De impact van de ontwikkeling van de atoombom is enorm en van blijvende aard. Het heeft de wereld definitief veranderd. Daardoor is dit onderwerp ook voor latere generaties direct aansprekend. De tijd zal het moeten leren maar persoonlijk verwacht ik dat deze opera meer kans heeft repertoire te houden dan Nixon en Klinghofer.

Teaser van Doctor Atomic door De Nationale Opera in Amsterdam:

Marin Alsop dirigeert NIXON IN CHINA

 

Legendarische Attila uit Wenen

AttilaEr zijn van die voorstellingen waar alles perfect op elkaar afgestemd is en waarbij je het gevoel krijgt dat het niet beter kan. Er wordt nog lang over nagepraat en ze verworden tot een legende.

Zo’n voorstelling was Verdi’s Attila in de Weense Staatsoper op 21 december 1980.Het was Giuseppe Sinopoli’s debuut in het huis, zijn naam was nog vrijwel onbekend, maar de aanvankelijke terughoudendheid bij het publiek veranderde in een uitzinnig enthousiasme al bij de eerste maten. Zo warmbloedig, vurig en teder tegelijk heeft men de – toch niet sterkste – score van Verdi niet eerder gehoord.

Nicolai Ghiaurov was een grootse Attila. Met zijn sonore bas gaf hij zijn personage niet alleen de allure van een veldheer maar ook de zachtheid van een liefhebbend man.

In haar rol als Odabella bewees Mara Zampieri dat ze niet alleen een fantastische zangeres is met een stralende hoogte en een dramatisch attaque, maar ook een actrice van formaat

De stretta ‘E gettata la mia sorte’ in de tweede acte verlangt van de bariton de hoge bes. Piero Cappuccilli haalde die met gemak en souplesse, en werd door het uitzinnige publiek gedwongen tot bisseren, iets wat je maar zelden meemaakt in de opera. Een zeldzame ervaring.


Giuseppe Verdi
Attila
Nicolai Ghiaurov, Piero Cappuccilli, Mara Zampieri, Piero Visconti
Chor und Orchester der Wiener Staatsoper olv Giuseppe Sinopoli
Orfeo C 601 0321

Musings on Tosca

Tosca partituurI am a great Puccini admirer. His music goes straight to my heart to never leave it again. I love all his operas and all his heroines are equally dear to me. I love Angelica and Cio-Cio-San very much and after they die I keep crying for hours. But none of them compare to Tosca. The story is so incredibly complex and so ingeniously constructed that I – even if I can really dream the opera! – discover something new in it everytime I listen to it.

Have you noticed that Puccini has no (big) roles for  mezzos? For the sake of convenience, I do not count Edgar. After all, that was not yet a ‘real Puccini’. I think the reason is his women are anything but one-dimensional. They are strong and vulnerable at the same time, neither good nor bad. Cio-Cio-San was a geisha, Suor Angelica had an illegitimate child, Mimi had loose relationships. And yet we love them, all of them, even the fickle Manon Lescaut and their death makes us grab our handkerchiefs.

The ‘Puccini baritones’ are friendliness itself: the sweet and helpful Marcello, the compassionate consul Sharpless. Even the sheriff Jack Rance plays fair and after a lost game of poker he lets his rival go.

Tosca 1907

There is one exception: Baron Scarpia. From the beginning he dominates the stage in the literal and figurative sense. He is the one who has worked out the whole scenario and worked it out down to the smallest details. He is the hunter, who will not shy away from any means to catch his prey. He is the devil, afraid of nothing and no one; and in order to get what he wants he is prepared to cheat. But beware: he is totally repulsive, but also an attractive, charming, erudite and intelligent man and therefore an extremely dangerous opponent.

Tosca Giraldoni+as+Scarpia

First Scarpia: Eugenio Giraldoni

 

Floria Tosca is a celebrated singer, a diva. Beautiful, seductive, feminine and famous; coveted by many men. She is in a relationship with a young painter, Mario Cavaradossi.

Tosca hericlee-darclee-din-arhiva-teatrului-solis

The first Tosca: Hariclée Darclée

Their relationship is passionate, but do they really love each other? Tosca is at the height of her career, so not so young anymore. She has already had many lovers and realizes that Mario might be the last one. That makes her extremely jealous.

Tosca DeMarchiTosca

For Cavaradossi, a relationship with a famous diva is something to be proud of. He is, which doesn’t stop him from looking at other ladies and admiring their beauty. He flirts a bit with the revolution, trying to make himself important by offering a hiding place to a real revolutionary. What an easy prey for our hunter!

Tosca_Te_Deum_Act_1-1

The Te Deum scene which concludes act 1; Scarpia stands at left. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House

Scarpia is responsible for the detection of republicans. Angelotti, ex consul of the Roman Republic nevertheless manages to escape and all traces lead to a church, where our painter is at work. However, neither Angelotti nor Cavaradossi is present: an empty bread bin and doors which are open. Scarpia gratefully uses Tosca’s jealousy in the (justified) assumption that she could lead him to Angelotti’s hiding place. Moreover, he has been following the diva for some time now: he would love to spend a night with her. He has Cavaradossi tortured and in the meantime he is busy seducing Tosca.

Scotti_as_Scarpia_Kobbe

Antonio Scotti as Scarpia

The exchange he offers her (Mario’s life for sexual favors) doesn’t surprise us. We have experienced this before in opera. But the finale, it’s so different! Most sopranos in the same situation commit suicide (Gioconda, Leonora ‘Trovatore’), or give in (Maddalena). Not our diva! She fights, prays, begs and behaves like a locked up tiger, to finally kill Scarpia with his own bread knife. What does she think she can achieve with this? The murder of the important man is soon discovered and then neither she nor her boyfriend (whom she still thinks she can set free) is safe anymore. Even a not very intelligent diva can think of that. What drives her? Well: Tosca is afraid of her own emotions!

Tosca_Act_2_Victrola_Book_of_Opera

Tosca reverently lays a crucifix on Scarpia’s body. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House, New York

Remember how attractive Scarpia is? Even Tosca is not insensitive to him and that frightens her to a great extent. To escape Scarpia’s erotic appeal, she must kill him. Only then can she be truly free. She rushes to the Castle of the Holy Angel where her lover is imprisoned, tells him what she had done and that they are free. There remains one little thing: a ‘mock execution’.

Puccini_-_Tosca_-_The_execution_of_Cavaradossi_-_The_Victrola_book_of_the_opera

Unfortunately, Scarpia had never intended to pay Tosca for the night and Mario is actually killed. Only then does Tosca realize that Scarpia had surpassed herself in acting. And she can’t forgive him: “O Scarpia, avanti a Dio! (“O Scarpia, to God!”) are her last words.

110924-diapo315

There are thousands of ‘Toscas’ on the market. I will certainly not discuss them, too much, too many really good ones. Go and listen to Rosa Ponselle, Rosa Raisa, Mafalda Favero, Maria Caniglia, Magda Olivero, Renata Tebaldi, Maria Callas, Zinka Milanov, Eleanor Steber, Leyla Gencer, Leontyne Price, Montserrat Cabbalè, Renata Scotto, Raina Kabaivanska, Régine Crespin … They are all excellent, each in their own way, as it should be with a real diva. But – for me – no one beats Sara Scuderi:

In Dutch:
Mijmeringen over Tosca

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

HIS SONG WILL NOT BE SILENCED *

kol-david

Gerrit van Honthorst (1590-1656), King David Playing the Harp (1611), Centraal Museum, Utrecht, Holland

A question of conscience: is there such a thing as Jewish music? If so, what is it? Is it klezmer?  The Chassidic Nigunim? The Spanish romanceros, the Yiddish songs, the synagogal chants, the psalms? And: can classical music be Jewish? Is it up to the composer? Is the music Jewish if the composer is Jewish? Or is it due to the themes used by him/her? A small quest.

Music played an important role in the lives of the ancient Hebrews. Just like most peoples of the East they were very musical and music, dance and singing were of great importance to them: both in daily life and in the synagogal services. They also played different instruments: for example, one of the women of Solomon brought more than a thousand different musical instruments from Egypt.

After the destruction of The Temple all instruments disappeared from the synagogues- except for the sjofar – and only in the 19th century did they return there. Unfortunately there is little written music from before the year 1700. However, in 1917 the oldest known music manuscript to date was found – it dates from around ±  1100.

KOL NIDRE

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

The best-known prayer from the Jewish liturgy is undoubtedly Kol Nidre: a request for forgiveness and for the annulment of all vows made to God and to oneself during the past year. The prayer was said to have originated before the destruction of the Temple, but there are also legends that put the origin of the prayer in the hands of the Marranos (Spanish Jews, who converted to the Catholic faith under the pressure of the Inquisition, but remained Jewish at heart).

It is certain that Rabbi Jehuda Gaon already introduced Kol Nidre in his synagogue in Sura in 720. It is also a fact that the melody, as we know it, has some affinity with a well-known Catalan song. Over the years it has been arranged by several cantors, the most famous version dates from 1871 and was made by Abraham Baer.

The melody became a source of inspiration for many composers: the best known of them is the work for cello and orchestra by Max Bruch.

The motifs of Kol Nidre can also be found in Paul Dessau’s symphony and in the fifth movement of the String Quartet Op. 131 by Ludwig van Beethoven. And then we should not forget Arnold Schönberg’s “Kol Nidre” for speaking voice, choir and orchestra. He composed it in 1939, commissioned by one of the Jewish organizations.

http://www.schoenberg.at/index.php/de/joomla-license-sp-1943310035/kol-nidre-op-39-193

INFLUENCES

Jewish folk music cannot be grouped together under one denominator and has many traditions: after their dispersion Jews ended up in different parts of Europe, Asia and Africa. The greatest development of their own culture manifested itself strangely enough in places where Jews had the least freedom. Jewish folk music was actually music from the ghetto. Where Jews lived in reasonable freedom, their own “self” faded away.

In the countries around the Mediterranean Sea lived the so-called Sephardim (from Sfarad, Hebrew for Spain). They sang their romanceros in Ladino, a kind of corrupted Spanish. After their expulsion from Spain and later Portugal, they were influenced by the music of their new host country.

Below: ‘Por Que Llorax Blanca Nina’, a Sephardic song from Sarajevo.

In countries such as Poland and Russia, Jews lived in a constant fear of persecution that often degenerated into pogroms. Chassidism emerged as a kind of “counter-reaction”, a movement based on mysticism, spiritualism and magical doctrines. It proclaimed the joy of life, a kind of bliss, which could be achieved through music, dance and singing. Only in this way could direct contact with God be achieved. Hasidic music was strongly influenced by Polish, Russian and Ukrainian folklore. With later also the music of vaudevilles and the waltzes of Strauss. However, the character of the works remained Jewish.

Bratslav nigun – Jewish tune of Bratslav (by Vinnytsia), Ukraine:

In turn, the Chassidic melodies have had an enormous influence on classical composers: just think of Baal Shem by Ernest Bloch or Trois chansons hebraïques by Ravel.

Below: Isaac Stern plays ‘Baal Shem’ by Bloch:

JOSEPH ACHRON

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schoenberg firmly believed that Joseph Achron was the most underrated composer of his generation. Schoenberg praised his originality and claimed Achron’s music was destined for eternity. Yet, despite his enthusiastic praise, Joseph Achron never became a household name. Violin buffs no doubt know his Hebrew Melody, a much loved encore of many violinists, starting with Heifetz.

Hebrew Melody is inspired by a theme Achron heard as a young boy in a synagogue in Warsaw. It is one of his earliest compositions,  dating from 1911, and his first ‘Jewish’ work.  In the year he composed it Achron joined the Society for Jewish Folk Music. His career as a composer properly started in the twenties of the last century.  In Saint Petersburg, Achron joined the composers of the New Jewish School. Several years later he moved to Berlin, where he got acquainted with the works of the French impressionists, and the Second Viennese School.

In 1924 he made a trip of several months to Palestine. He not only performed there, but also collected a huge variety of folk music. The notes he took during this trip were later used for several of his compositions. In his Violin Concerto No. 1,  Op. 60 (1925) several Yemenite themes can be heard. In the 1930s he fled, like Schoenberg, Korngold and many other Jewish composers from Europe, to Hollywood, where he died in 1943.

Jossif Hassid plays Jewish Melody by Achron:

OWN JEWISH SOUND

As early as the end of the nineteenth century a ‘Jewish national school of music’ was established in Petersburg (and later in Moscow). The composers united in it tried to compose music that would be faithful to their Jewish roots. Their music was anchored in the Jewish traditions of a mainly Hasidic nigun (melody).

The movement was not limited to Russia, think of the Swiss Ernest Bloch and the Italian Mario Castelnuovo-Tedesco who, in search of their roots, developed a completely individual, ‘Jewish style of composing’.

joods-cast

Mario Castelnuovo-Tedesco

Synagogal songs were a source of inspiration for Sacred Service by Bloch, Sacred Service for the Sabbath Eve by Castelnuovo-Tedesco, Service Sacré pour le samedi matin by Darius Milhaud and The Song of Songs by Lucas Foss.

joods-milhaud

Darius Milhaud

Below Darius Milhaud: Service Sacré pour le Samedi Matin:


Castelnuovo-Tedesco also used the old Hebrew poetry of the poet Moses-Ibn-Ezra, which he used for his song cycle The Divan of Moses Ibn Ezra:


In the USA it was (among others) Leonard Bernstein, who very deliberately used Jewish themes in his music (Third symphony, Dybbuk Suite, A Jewish Legacy).

Less well known are Paul Schoenfield and his beautiful viola concerto King David Dancing Before the Ark:

And Marvin David Levy who used Sephardic motifs in his cantata Canto de los Marranos:

The Argentinean Osvaldo Golijov (1960, La Plata) combines Jewish liturgical music and klezmer with the tangos of Astor Piazzolla in his compositions, both classical and film music. He often works with the clarinettist David Krakauer and for the Kronos Quartet he has composed a very intriguing work The Dreams and Prayers of Isaac the Blind:


DMITRI SHOSTAKOVICH

shosty

Soviet composer Dmitri Shostakovich’s once brilliant career took a dive after the official party paper criticized one of his operas in 1936. Shostakovich responded with his powerful Fifth Symphony.

The reason why the non-Jewish Shostakovich used Jewish elements in his music is not entirely clear, but at least it produced beautiful music. He wrote his piano trio op.67 as early as 1944. At the first performance, the last movement, the ‘Jewish part’, had to be repeated. It was also the last time it was played during Stalinism.

Piano trio op.67, Recorded in Prag 1946, with David Oistrakh, violine, Milos Sadlo, violoncello and Dmitri Shostakovich, piano

In 1948 he composed a song cycle for soprano, mezzo-soprano and tenor From Jewish Folk Poetry – recorded many times and (rightly!) very popular.

Old Melodia recording of the cycle:

In 1962 he composed the 13th symphony Babi Yar, after a poem by Yevgeny Yevtuchenko. Babi Yar is the name of a ravine in Kiev, where in 1941 more than 100,000 Jews were murdered by the Nazis.


In 1990, the Milken Archive of American Jewish Music Foundation was established to record all the treasures of Jewish music composed in the course of American history. The archive now consists of more than 700 recorded musical works, divided into 20 themes.

The CDs are distributed worldwide by the budget label Naxos. No one interested in the (history of) Jewish music should ignore them.

* This sentence is mentioned on the memorial stone, placed at the Muiderberg cemetery, in memory of the conductor Sam Englander, murdered by the Nazis, and his Amsterdam Jewish Choir of the Great Synagogue.

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

in German: SEIN LIED WIRD NICHT VERSTUMMEN *|

in Dutch: ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

Seizoen 2019/2020 van De Nationale Opera

Seizoen -Nationale-Opera-2019-2020-foto-Florian-Joahn

Campagnebeeld van het nieuwe seizoen © Florian Joahn

Er is altijd goed nieuws en slecht nieuws en een aankondiging van een nieuw operaseizoen brengt altijd de nodige teleurstellingen. Dit jaar heb ik eigenlijk weinig te klagen, al zet ik de nodige vraagtekens bij de reprise van (zowat de slechtste ooit) Cosi van tutte van Mozart door Jossi Wieler en Sergio Morabito. Een productie die nota bene door alles en iedereen werd afgekraakt. Weet u nog, Mozarts ‘Trittico’? Toegegeven: ‘Cosi’ van de minst slechte van de drie. Een lichtpuntje: Thomas Oliemans zingt Don Alfonso.

Trailer uit 2009:

Een ander vraagteken zet ik bij de nieuwe (ja, de nieuwe, de derde al!!!) productie van de Die Frau ohne Schatten. De eerste (twee keer herhaald) vond ik slecht. De tweede was zonder meer prachtig maar werd niet herhaald. En nu komt er alweer één. Zij er werkelijk geen andere opera’s van Richard Strauss te bedenken? Bij mijn weten hebben we bij voorbeeld nog nooit Ariadne auf Naxos gehad. Niet dat ik het zo nodig wil zien- mijn opera is het niet – maar om alweer aan FroSCH te moeten? Afijn: ik vermoed dat hier wat meer in het spel is. ‘Die Frau’ was de opera waarmee Marc Albrecht bij DNO debuteerde en nu hij afscheid neemt van het orkest …. Afijn: muzikaal zal het, met de namen als Elza van den Heever, Irène Theorin, Josef Wagner, Michaela Schuster en AJ Glueckert prima in orde zijn, denk ik. Katie Mitchell mag het regisseren en ik denk niet dat ik er zin in heb om alweer tegen een poppenhuis te moeten aankijken. Maar wie weet?

Overigens: de opera komt nu ook in De Doelen in Rotterdam…
Bestaat er nog zoiets als plannen afstemmen?

https://www.rotterdamsphilharmonisch.nl/nl/agenda/104/Yannick_Nezet_Seguin/Die_Frau_ohne_Schatten/?fbclid=IwAR2CURj5xI_kRZpcYT7hE0EdBPjet9_I5B0xaV-LyD3QXj0L5cjk5xlS37Y

Waar ik absoluut niet heen zal gaan (naast de ‘Cosi’ dus) is de Rodelinda van Handel. Dat ligt niet zo zeer aan de componist (laat Rodelinda nou toch een opera zijn waar ik best van houd) maar aan het productie team. Claus Guth regisseert (nee, bedankt), Ivar Bolton dirigeert (nee, bedankt), maar de cast ziet er best aantrekkelijk uit, voor de liefhebber dan: Bejun Mehta, Lawrence Zazzo en Lucy Crowe.

 

seizoen Carsen

Robert Carsen © Catherine Ashmore ROH

Een beetje raar vind ik de reprise (na tien jaar!) van Bizets Carmen in de productie van Carsen waar de pers absoluut niet over te spreken was. Nu ben ik een echte Carsen liefhebber maar zelfs ik moest toegeven dat het niet zijn beste was. Wat de zangers betreft wordt het afwachten, mij zeggen de namen J’Nai Bridges, Dmytro Popov, Alexander Vinogradov niet zo veel en Anett Fritsch als Micaela? Tja… Maar we krijgen wel Michael Wilmering, hij mag zijn opwachting maken in zijn eerste grote rol (Moralès) bij DNO

Trailer uit 2009:

 

Seizoen Jagde

Brian Jagde © Fay Fox

Maar voor de rest lijkt het mij een seizoen om naar uit te kijken. We beginnen met de nieuwe productie van Pagliacci/Cavaleria Rusticana (in die volgorde dus), in de regie van Robert Carsen. De hoofdrollen worden gezongen door werkelijk topzangers: Brandon Jovanovich (Canio), Ailyn Pérez (Nedda), Roman Burdenko, Marco Ciaponi, Brian Jagde (Turiddu), en Anita Rachvelishvili (Santuzza). Mark Elder dirigeert.

 

Seizoen Brownlee

Lawrence Brownlee

In december mogen we de nieuwe productie van La Cenerentola verwachten. Mijn verwachtingen zijn hoog gespannen! De cast, met o.a. Isabel Leonard, Lawrence Brownlee, Roberto Tagliavini en Nicola Alaimo is om te likkerbaarden. Laurent Pelly. Kan niet wachten!

Liefhebbers van Verdi opgelet: we krijgen (eindelijk, eindelijk!) Nabucco! Prachtig, blij, maar ik denk niet dat het een mooie productie gaat worden. De regie ligt in handen van Andreas Homoki en Maurizio Benini gaat dirigeren. Ik kan mij nog zijn behoorlijk slechte Il Trovatore herinneren. En de cast… tja… George Petean, Dmitry Belosselskiy, Anna Pirozzi, Alisa Kolosova, Freddie de Tommaso… Ik weet het niet, maar ben behoorlijk sceptisch.

Wat wel ontzettend leuk is, is dat we ook eindelijk Rusalka van Dvořák bij DNO krijgen. Onder de zangers verwelkomen we Eleonora Buratto, Dmitry Ivashchenko, Anna Larsson en Brian Jagde. Philipp Stölzl regisseeert en op de bok staat Jakub Hrůša.

 

Seizoen Westbroek als Sieglinde

Eva-Maria Westbroek als Sieglinde in de Metropolitan Opera in New York

Wagner-liefhebbers kunnen zich op de herhaling van Die Walküre van Pierre Audi verheugen. Bovendien wordt Sieglinde gezongen door Eva-Maria Westbroek! Marc Albrecht dirigeert, de andere rollen worden gezongen door Michael König, Iain Paterson en Martina Serafin.

 

seizoen Willem-Jeths-photo-Klaas-Koppe

Willem Jeths © Klaas Koppe

In de Opera Forward Festival krijgen we de wereldpremière van Ritratto, de nieuwe opera van Willem Jeths. Marcel Sijm regisseert en er wordt gezongen door de leden van De Nationale Opera Studio.

Waar ik ook naar kijk is de Aufstieg un Fall der Stadt Mahagonny  van Kurt Weill in de regie van Ivo van Hove. Het is een coproductie met (o.a.) de Metropolitan Opera in New York. Het wordt gedirigeerd door Markus Stenz en de cast is om je vingers bij af te likken: Doris Soffel, Alan Oke, Sir Willard White, Nikolai Schukoff, Thomas Oliemans

De complete overzicht:

Pagliacci (R. Leoncavallo) en Cavalleria rusticana (P. Mascagni)
Brandon Jovanovich, Ailyn Pérez, Roman Burdenko, Marco Ciaponi, Brian Jagde, Anita Rachvelishvili, Elena Zilio e.a.
Dirigent: Mark Elder, regie: Robert Carsen

Così fan tutte (W.A. Mozart)
Thomas Oliemans, Davide Luciano, Sebastian Kohlhepp, Anett Fritsch, Angela Brower e.a.
Dirigent: Ivor Bolton, regie: Jossi Wieler en Sergio Morabito

Kriebel (L. Evers) wereldpremière
Kinderopera (2+ jaar)
Regisseur: Caecilia Thunnissen

Die Walküre (R. Wagner)
Eva-Maria Westbroek, Michael König, Iain Paterson, Martina Serafin e.a.
Dirigent: Marc Albrecht, regie: Pierre Audi

La Cenerentola (G. Rossini)
Isabel Leonard, Lawrence Brownlee, Roberto Tagliavini, Nicola Alaimo e.a.
Dirigent: Daniele Rustioni, regie: Laurent Pelly

Rodelinda (G.F. Händel)
Bejun Mehta, Lawrence Zazzo, Lucy Crowe, Bernard Richter e.a.
Dirigent: Riccardo Minasi, regie: Claus Guth

Nabucco (G. Verdi)
George Petean, Dmitry Belosselskiy, Anna Pirozzi, Alisa Kolosova, Freddie de Tommaso e.a.
Dirigent: Maurizio Benini, regie:Andreas Homoki

Ritratto (W. Jeths)
De Nationale Opera Studio
Dirigent: Geoffrey Paterson, regie: Marcel Sijm

Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny (K. Weill)
Doris Soffel, Alan Oke, Sir Willard White, Nikolai Schukoff, Thomas Oliemans e.a.
Dirigent: Markus Stenz, regie: Ivo van Hove

Das Jagdgewehr (T. Larcher)
Sarah Aristidou, Giulia Peri, Olivia Vermeulen, Andrè Schuen e.a.
Dirigent: Michael Boder, regie: Karl Markovics

Een lied voor de maan (M. Wantenaar) wereldpremière
Regisseur: Béatrice Lachaussée

OFF Jubileumconcert
Eva-Maria Westbroek soleert bij het Orkest van het Koninklijk Conservatorium Den Haag.

Die Frau ohne Schatten (R. Strauss)
Elza van den Heever, Irène Theorin, Josef Wagner, Michaela Schuster, AJ Glueckert, Eva Kroon e.a.
Dirigent: Marc Albrecht, regie: Katie Mitchell

Carmen (G. Bizet)
J’Nai Bridges, Dmytro Popov, Alexander Vinogradov, Anett Fritsch e.a.
Dirigent: Andrés Orozco-Estrada, regie: Robert Carsen

Rusalka (A. Dvořák)
Eleonora Buratto, Dmitry Ivashchenko, Anna Larsson, Brian Jagde e.a.
Dirigent: Jakub Hrůša, regie: Philipp Stölzl

Het monster van Minos (J. Dove)
Participatieproject met het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Almeers Jeugd Symfonie Orkest
Regisseur: Marie-Ève Signeyrole

Zie voor meer informatie de website van De Nationale Opera.

 

Piotr Beczala: thuis ben ik inmiddels overal

Beczala Halka

Na een zorgvuldig opgebouwde carrière van meer dan 25 jaar bij kleinere operahuizen staat Piotr Beczala inmiddels al vele jaren aan de absolute top. Een vijf jaar oud gesprek met de Poolse tenor, over nee zeggen, zijn liefde voor operette en over eigenlijk van alles

Beczala Das-Land-des-Lächelns-foto-T-T-Fotografie-Toni-Suter-1

Piotr Beczala in Das Land des Lächelns. (© T + T Fotografie / Toni Suter)

Het is niet zo dat de tenoren (en niet alleen de tenoren!) plotseling uit de hemel vallen, al lijkt het er soms wel op. Een stem moet groeien, rijpen, ervaring opdoen, repertoire opbouwen. Slowly, slowly… alleen dan kom je er. En – nog belangrijker – je blijft er.

Niemand die daar beter van doordrongen is dan Piotr Beczala. “Je moet geduld hebben, dingen niet overhaasten en geen rollen aannemen die niet bij je passen”, zegt hij. “Vroeger was ik een notoire ‘nee-zegger’. Het is bijna niet te geloven wat voor rollen mij wel eens werden aangeboden, rollen die ik absoluut niet kon zingen, zeker toen niet. Maar ik stond stevig in mijn schoenen. Ik wilde geen eendagsvlieg zijn.”

“Nu, na een jarenlange carrière, kan en ken ik veel meer. Mijn stem heeft zich ontwikkeld en is groter en donkerder geworden, mijn techniek is solide en mijn zekerheid is gegroeid, waardoor ik mij nu veel meer op het acteren kan concentreren. De meeste rollen die mij nu aangeboden worden, kan ik zingen, dus steeds minder vaak hoef ik nee te zeggen. Casting directors en intendanten weten heel goed wat ik wel of niet zal aannemen, zodoende krijg ik ook steeds minder krankzinnige voorstellen. En mochten ze er toch mee aankomen, dan zeg ik gewoon weer nee.”

Tauber

Beczala-Tauber

Beczała was lange tijd een ‘geheimtip’. Zijn professionele carrière begon in 1997 in Linz, maar echt ontdekt werd hij in Zürich, het operahuis dat blijkbaar een goede neus heeft voor tenoren (ook Jonas Kaufmann en Pavol Breslik komen daar vandaan).

Voordat hij zijn debuut maakte in de grootste en belangrijkste operahuizen ter wereld, zong hij ook in Amsterdam. Drie keer maar liefst: in Król Roger van Szymanowski, Jevgeni Onjegin van Tsjaikovski en La Bohème van Puccini.

Hieronder zingt Beczala aria van Pasterz uit Król Roger. Het geluid komt uit de Naxos opname olv Jacek Kaspszyk:

Beczala heeft een wat vooroorlogse look en beschikt over een meer dan gewoon acteertalent, wat tegenwoordig niet onbelangrijk is. Toch bleven de contracten met platenfirma’s uit, wat misschien ook wel goed voor hem was. Zo kon hij zich zonder lawaaierige reclamecampagnes ontwikkelen tot wat hij is geworden: één van de beste lyrische tenors ter wereld. Ook Deutsche Grammophon kon niet langer meer om hem heen en Beczala tekende in het najaar van 2012 een exclusief contract bij de firma.

Beczala-Stefanie-Starz

Beczala bij de ondertekening van zijn contract met Deutsche Grammophon (foto: Stefanie Starz)

Beczala’s ietwat ouderwetse timbre doet denken aan een Wunderlich, Gedda of zelfs Kiepura. Wat hij verder met die voorgangers gemeen heeft, is zijn voorliefde voor operette, een genre dat hij een warm hart toedraagt en dat hij vaak en graag zingt.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat zijn eerste solorecital bij DG, Mein ganzes Herz, een operetteprogramma bevat

“Van DG kreeg ik groen licht voor mijn eigen keuze van het orkest en de dirigent. Ik dacht onmiddellijk aan de jonge Poolse dirigent Łukasz Borowicz, met wie ik eerder een cd met Slavische opera-aria’s heb opgenomen (Orfeo C814 101). Ook wat het orkest betreft stond mijn keuze meteen vast: het moest het Royal Philharmonic zijn!”

“Het programma is simpel: operette! Van Lehár en Kalmán tot Robert Stoltz en Carl Bohm. Er wordt ook moderne technologie toegepast, dus behalve echte gasten van nu, zoals Anna Netrebko, Avi Avital en de Berlin Comedian Harmonists, komt ook Richard Tauber zelf langs. Met hem ga ik een duet zingen! Als dat niet bijzonder is…”

Lohengrin

Beczala Lohengrin

“Het is nu ook de tijd om mijn repertoire te gaan uitbreiden. Tegen 2015 ga ik zwaardere rollen uitproberen.

Hieronder: trailer van Lohengrin uit Dresden, met Anna Netrebko, Piotr Beczala & Christian Thielemann

En hier ‘E lucevan le stelle’ (Tosca) – encore in de Wienner Staatsoper 10.02.2019

Beczala wil niet de geschiedenis ingaan als de operettezanger. “Ik houd van operette, maar ik ben een operazanger en ik wil ook meer doen met de liederen. Voorlopig ben ik dat aan het aftasten.

Hieronder zingt Piotr Beczala ‘Daleko zostal caly swiat’ van Karol Szymanowski:

Met Christian Thielemann heb ik liederen van Strauss gezongen en in Santa Monica heb ik een recital gegeven met onder anderen Schumann en Karłowicz, een ongebruikelijke maar mooie en logische combinatie.”

Piotr Beczala en Helmut Deutsch in ; Skąd pierwsze gwiazdy’ van Mieczyslaw Karlowicz:

Dirigenten

Piotr Beczala & Nello Santi: Un ballo di Maschera in Opernhaus Zürich

Met welke maestro’s Beczala, naast Thielemann en Borowicz, nog meer graag samenwerkt? “De allerbeste is voor mij Nello Santi. Absoluut. Maar ik houd ook van Marco Armiliato. Of dat komt doordat zijn broer een operazanger is? Het kan. Maar of het echt zo is…”

Er zijn ook dirigenten waar Beczala minder blij van wordt. “Ik wil niet meer werken met dirigenten die geen respect hebben voor zangers en niet weten hoe ze met zangers moeten omgaan. Ik noem geen namen, maar de meesten komen uit de oude muziek. Wat absoluut niet betekent dat álle oudemuziekdirigenten niet deugen.”

Wat zijn ervaring is met zangers die zijn gaan dirigeren, zoals Plácido Domingo? “Domingo heeft het euvel dat hij in het heden leeft, in de tegenwoordige tijd. Hoe zal ik dat uitleggen… Beschouw het verschil tussen een ‘zangerdirigent’ en een ‘gewone’ dirigent als het verschil tussen een pianist en een organist. Een pianist denkt aan de klank die nu klinkt, een organist denkt vooruit, aan de resonans van de klank die komen gaat.”

REGISSEURS (en zijn beroemd ‘zwartboekje’)

beczala boheme

Beczala als Rodolfo in Salzburg

“Ik heb helemaal niets tegen updaten, als het maar herkenbaar wordt. Ik ben dan ook niet tegen modern, maar wel tegen dom, tegen idioot, tegen vergezocht! Ik heb inderdaad een ‘zwartboekje’ met de namen van regisseurs met wie ik nooit (meer) samen wil werken.”

“Ik heb het geluk dat ik dingen kan aannemen of weigeren, maar veel van mijn (beginnende) collega’s hebben het privilege niet. Soms denken ze dat als ze in een spraakmakende productie staan ze het dan gaan maken, maar zo werkt dat niet. In ons beroep moet je het van de muzikaliteit en de toewijding hebben. De regisseurs denken vaak dat ze God zijn, maar dat zijn ze niet, je moet je je niet aan hen overleveren maar aan de genius van de componisten.”

“Welke regisseur ik het meeste bewonder? Franco Zeffirelli, zonder meer. Zeffirelli is meer dan een regisseur, hij is een monument, je kan hem inmiddels als ons cultureel erfgoed beschouwen. Zijn producties waren (en zijn nog steeds!) immer fantastisch, ze moeten gekoesterd worden. Het was voor mij een feest om met hem te werken, het geeft een mens achter de zanger immens veel plezier.

Ik heb ook een bijzonder zwak en veel bewondering voor Guy Joosten. Zijn Romeo et Juliette in de Newyorkse Metropolitan was werkelijk prachtig, daar hebben wij, de zangers ook enorm van genoten.

THUIS

Beczala-Met

Als je zo veel reist en in zo veel verschillende steden verblijft, heb je dan nog het gevoel dat je ergens ‘thuis’ bent? “Thuis zijn wij inmiddels overal”, lacht Beczala. “Al houdt Kasia, mijn vrouw, het meeste van New York.”

“Ons echte thuis is in Kraków, in Polen, maar daar zijn we niet vaker dan twee weken per jaar. Gelukkig heb ik nu appartementen in steden waar ik het meeste optreed: Wenen, Zürich en New York. Dat is fijn en vertrouwd. Eigen bed, eigen toilet en eigen wijn: het helpt!

Op mijn: “kunnen wij je ook in Amsterdam verwachten” komt een diepe zucht. Maar dan komt er toch een antwoord: “Wie weet? Ik zou best graag in de ZaterdagMatinee willen optreden”.

Met dank aan Jenny Dorolores

Joyce DiDonato schrijft geschiedenis met Dejanira

hercules DiDonato

Hercules van Händel was in 2004 één van de grote producties van de Opéra National de Paris, met Les Arts Florissants onder leiding van William Christie. Bel Air Classiques bracht het in 2006 uit op dvd en het resultaat is nog steeds niet na geëvenaard. Ik betwijfel dan ook of het nog ooit beter kan.

William Shimell herinner ik me nog heel erg goed als een zeer spectaculaire Don Giovanni bij de Nationale Opera in 1988. Met zijn warme, verleidelijke stem en zijn buitengewoon aantrekkelijke uiterlijk was hij gewoonweg onweerstaanbaar.

Zijn uiterlijk heeft hij in Hercules nog steeds mee, maar zijn stem is toch een beetje minder geworden. Het kan ook aan de rol liggen, want volgens mij heeft hij niet het juiste stemtype en de vereiste souplesse om Händel te kunnen zingen.

Toch stap ik daar gauw overheen, want hij zet me daar een macho Hercules neer, om werkelijk van te watertanden. Een ware held en heerser, ongenaakbaar, dominant en autoritair, en toch zeer kwetsbaar. In zijn hartstocht voor de mooie Iole (een beetje iel, maar verder prima zingende en acterende Ingela Bohlin) houdt hij geen rekening met zijn jaloerse (paranoïde, volgens de regisseur) echtgenote, wat hem fataal gaat worden.

Hieronder zingt Ingela Bohlin ‘Banish love from thy breast’:

Joyce DiDonato schrijft geschiedenis met haar rol van Dejanira, die door de grootste emoties verscheurd werd. Haar wanhoop is voelbaar, haar jaloezie begrijpelijk en haar leed onmeetbaar. De waanzinaria ‘Where shall I fly’ zingt ze zo huiveringwekkend dat het werkelijk door merg en been gaat en toch mist ze geen enkele noot in al haar ronduit perfecte coloraturen.

Terecht ook wordt zij als de hoofdrol beschouwd, en mag na afloop als laatste het toneel opkomen om een meer dan verdiende applaus in ontvangst te nemen.

De enscenering en de (moderne) kostuums zijn simpel en doeltreffend, waardoor alle aandacht besteed kan worden aan de actie en muziek zelf, en de personenregie en mise-en-scène van Luc Bondy is werkelijk fenomenaal.

Trailer van de productie:

William Shimell (Hercules), Joyce DiDonato (Dejanira), Toby Spence (Hyllus), Ingela Bohlin (Iole), Malena Ernman (Lichas), Simon Kikrbridge (Priest of Jupiter),
Orchestre et Choeur des Arts Florissants olv William Christie.
Regie: Luc Bondy.
Bel Air Classiques BAC013

STELLA DI NAPOLI

CENDRILLON met Joyce DiDonato

JOYCE & TONY

Asmik Grigorian als Fedora: verismo op zijn best.

Tekst: Peter Franken

 

Aan de Koninklijke Opera in Stockholm ging op 10 december 2016 jaar een nieuwe productie van Fedora in première. Asmik Grigorian triomfeerde in de titelrol.

 

2 Fedora

Umberto Giordano componeerde Fedora in 1898, ruim een jaar na zijn grote succes Andrea Chenier. Van de ruim tien opera’s die Giordano schreef zijn dit de twee die repertoire hebben gehouden, al moet gezegd dat Fedora lange tijd een marginaal bestaan heeft geleid. Maar de voorbije 25 jaar mag het werk zich weer in de belangstelling van grote operahuizen verheugen met voorstellingen in onder meer Milaan, Wenen en New York.

MEV-11679926 - © - © The Michael Diamond Collection / Mary Evans Pict

Het libretto van de hand van Arturo Colautti is gebaseerd op het toneelstuk Fédora van Victorien Sardou, de toneelschrijver die in 1887 al eens succes had met La Tosca, in 1900 op het operatoneel gebracht door Puccini. Beide stukken draaien om een verliefde vrouw die ongewild haar geliefde in levensgevaar brengt.

Prinses Fedora is een rijke Russische weduwe die op het punt staat in het huwelijk te treden met graaf Vladimir Andrejevich, een losbol die haar bedriegt met een andere vrouw. Als zij hem de avond voor het huwelijk komt opzoeken in zijn woning, is hij afwezig. Kort daarna wordt hij echter zwaargewond binnengebracht en overlijdt nog diezelfde nacht. Zij zweert hem te zullen wreken.

Hieronder een opname uit 1903: Gemma Bellincioni, de allereerste  Fedora zingt ‘O grandi occhi lucenti’

Graaf Loris Ipanov wordt direct verdacht van de moord op Fedora’s aanstaande en hij vlucht naar Parijs. Fedora betrekt daar een woning en als belangrijk persoon binnen de Russische expat community kost het haar weinig moeite hem in te palmen. Voor ze de Russische geheime politie op hem afstuurt wil ze echter zekerheid hebben of hij werkelijk de gezochte moordenaar is.

Caruso

In een emotioneel gesprek verklaart Loris haar zijn liefde, die zij afwijst. Zijn repliek is dat de liefde zelf haar verbiedt om te weigeren: ‘Amor ti vieta’. Deze korte aria is het enige gedeelte van de opera dat grote bekendheid geniet. Caruso zong het bij de première op 17 november 1898:

Omdat Loris niet ontkent Andrejevich te hebben gedood geeft Fedora hem aan bij de autoriteiten in Rusland. Haar brief gaat nog dezelfde avond mee met een gereedliggend schip. Als Loris haar de volgende dag confronteert met bewijzen dat Andrejevich haar bedroog, en wel met Loris’ eigen geliefde, krijgt Fedora direct spijt van haar poging tot wraakneming. Loris had Andrejevich betrapt, deze had op hem geschoten waarop Loris het vuur had beantwoord. Complicatie is verder dat Fedora inmiddels verliefd is geworden op Loris en hem uit handen van de politie wil houden.

Het verliefde stel vlucht naar Zwitserland en alles gaat goed tot Fedora te horen krijgt dat de broer van Loris is opgepakt op verdenking van medeplichtigheid aan wat men voor een politieke moord houdt. Hij is in zijn cel overleden waarop zijn moeder is gestorven aan een hartaanval. Daarmee is Fedora indirect verantwoordelijk voor twee doden in Loris’ familie.

Als deze bericht krijgt dat de brief van een vrouw deze gebeurtenissen heeft veroorzaakt, zweert hij zich op haar te zullen wreken. Fedora maakt zich na enige aarzeling bekend als degene die hij zoekt maar ondanks haar smeekbeden weigert hij haar te vergeven. Ze pleegt zelfmoord door gif in te nemen, Loris vertwijfeld achterlatend.

Gepantserde prinses

Regisseur Cristof Loy is er met zijn team in geslaagd een goed ogende voorstelling te maken die het verhaal volledig recht doet. Met uitzondering van Fedora loopt iedereen in min of meer eigentijdse kledij rond, maar voor het overige is de gehele enscenering trouw aan het tijdsbeeld: prerevolutionair Rusland, een Russische expat salon met Poolse pianovirtuoos, fietsen als nouveauté etc.

1 Fedora

Fedora is in de eerste akte gekleed in chique lange jurk met bontstola en draagt een blonde pruik. In de tweede akte is dat een cocktail dress en draagt ze aanvankelijk een rossige pruik. Daarna zien we de zwartharige Asmik Grigorian zonder pruik. Zodoende wordt het personage als het ware afgepeld van een gepantserde prinses tot een gewone vrouw.

3 Fedora

Een grote lijst achter op het toneel toont videobeelden van de handeling. Als iemand even het toneel verlaat krijgt de toeschouwer te zien wat die persoon daar aantreft. Zo kijken we met Fedora naar de stervende Vladimir. Later verandert het raamwerk in een grote opening waardoor op het achtertoneel de party in Fedora’s Parijse salon te zien is. Zodoende wordt de alles bepalende discussie tussen Fedora en Loris op het voortoneel mooi uitgelicht.

Asmik Grigorian

Deze uit Litouwen afkomstige sopraan speelde Fedora bij wijlen als een tijgerin met klinkende stem, maar wisselde dat af met een prachtig portret van een onzekere vertwijfelde vrouw. Met hoog oplopende emoties zette ze een ware veristische heldin neer. Haar sterfscène was van een heftigheid die deed denken aan Magda Olivero’s vertolking van de rol. Schitterend gespeeld en zo mogelijk nog beter gezongen. Zij die haar gehoord hebben als Rachel in La Juive weten wat voor een geluid uit deze fantastische sopraan kan komen, zo ook hier als Fedora. Brava, brava, brava!

Loris Ipanov werd uitstekend vertolkt door de Italiaanse tenor Andrea Carè. Carè was goed opgewassen tegen het zang- en acteergeweld van Grigorian en oogste het eerste open doekje van de voorstelling met zijn ‘Amor ti vieta’.

Andrea Caré en Asmik Grigorian:

Grote bijrollen waren er voor de Franse diplomaat De Siriex, mooi neergezet door Ola Eliasson, en voor gravin Olga Sukarev. Sofie Asplund maakte met prima zang maar vooral met fantastisch lenig acteerwerk een echte party animal van Olga. Vlinderend van de ene man naar de ander eiste ze alle aandacht op en zodra dat even niet lukte, bijvoorbeeld na het Russische folksong intermezzo van De Siriex, kreeg ze de pest in en zette dan onmiddellijk alle zeilen bij om de aandacht weer op zich gevestigd te krijgen: ‘It’s about ME, ME, ME!’

4 Fedora

De overige rollen en de bijdrage van het koor waren goed verzorgd. De Koninklijke Hofkapel stond onder de leiding van Tobias Ringborg, die met dit orkest een bijna perfecte weergave van het werk wist te brengen. Groot compliment.

Ik was er speciaal voor naar Stockholm gereisd – Fedora en Asmik op één avond, dat wil je niet missen. Het was alleszins de moeite waarde, een fantastische avond en na afloop was ik ‘très ému’. Dat is verismo op zijn best.

Trailer van de productie:

Deze recensie is (met kleine aanpassingen) eerder verschenen op Place de l’Opera:

Fedora in Stockholm: verismo op zijn best

Foto’s: © Monika Rittershaus en Matthias Horn

Is verismo dood? Deel 2: Plácido Domingo als Andrea Chénier en Loris Ipanov

‘Wozzeck’ uit Salzburg: veel Kentridge, weinig Berg

Asmik Grigorian steelt de show als Marie in uitmuntende WOZZECK

Venera Gimadieva steekt met kop en schouders boven haar leeftijd- en stemgenoten uit.

Venera Gimadieva

De ster van de jonge Russische sopraan Venera Gimadieva is rijzende. Haar vertolking van Violetta (La Traviata) in Glyndbourne 2014 was sensationeel te noemen en in de recensies sprak men over haar enorme charisma en een zeer individueel geluid, niet te verwarren met haar (coloratuur)sopraan-collega’s.

Gimadieva als Violetta in Glyndebourne:

Dat het zo is bewijst zij ook op haar eerste solo-cd dat zij onlangs voor Rubicon heeft opgenomen. Haar coloraturen zijn niet minder dan fenomenaal, waarbij zij ook eigen versieringen niet schuwt (luister naar ‘Ah! Tardai troppo’ uit Linda di Chamonix, wedden dat het u gaat duizelen?) en haar voordracht meer dan voorbeeldig.

En toch… Er wringt iets, want op den duur gaat de cd mij een beetje vervelen. Het ligt een beetje aan haar (morbidezza?), een beetje aan het repertoire (te veel van hetzelfde), maar de echte schuldige is de dirigent, want echt steunen doet hij haar niet en de tempi die hij kiest vind ik op zijn zachtst merkwaardig. Bovendien is de in een paar stukken mee zingende tenor Alberto Sousa niet echt geweldig (en ik druk mij zachtjes uit)..

Uitstekend daarentegen is de mezzo Natalia Brzezińska met wie Gimadieva ‘Dagli affanni appresso … Assisa a pie’ d’un salice’’ uit Rossini’s Otello zingt.

Afijn: onthoud haar naam want Venera Gimadieva gaat het helemaal maken. Nu al steekt zij met kop en schouders boven haar leeftijd- en stemgenoten uit.


BELLINI, DONIZETTI, ROSSINI
Momento Immobile
Venera Gimadieva (sopraan)
Natalia Brzezińska (mezzosopraan), Alberto Sousa (tenor)
The Hallé olv Gianluca Marciano
Rubicon RCD 1021

 

 

 

Zeer geslaagde Cardillac in Antwerpen

Tekst: Peter Franken

 

 

Cardillac componist premiere

Wereldpremière in Dresden 1926: Hindemith, Fritz Busch, Issai Dobrowen

 

 

Opera Vlaanderen brengt momenteel een nieuwe productie van Hindemiths vroege opera Cardillac. Guy Joosten voert de regie en heeft er een pakkend werk van gemaakt. Na mijn twee eerdere bezoeken aan Cardillac, in Parijs (2005) en Dresden (2009), was dit de eerste die daadwerkelijk indruk wist te maken.

Parijs, Dresden, Antwerpen, die steden geven het al aan: voor een Cardillac moet je het land uit. Het werk is inmiddels wel definitief uit de mottenballen gehaald waar het als ‘Entartet’ lange tijd heeft liggen zieltogen, maar echt populair is het nog niet. Hetzelfde geldt overigens voor Hindemiths grote werk Mathis der Maler, vorig seizoen te zien in Gelsenkirchen. Wat natuurlijk ook een belangrijke rol speelt is het muzikale idioom dat de componist hanteert. Alles in Cardillac klinkt strak en zakelijk, bijna constructivistisch. Alsof de Neue Sachlichkeit ook in de muziek is doorgedrongen. Melodische lijnen zijn niet of nauwelijks waarneembaar, strijkers zijn verwezen naar het tweede plan, veel te sentimenteel. Blaasinstrumenten voeren de boventoon, veelal solistisch of in kleine groepen. Slagwerk is minder prominent aanwezig en violen voornamelijk in een solistische rol. Als je perceptieniveau even indommelt klinkt het al gauw als een heleboel lawaai. Bij de les blijven, dan is het uitstekende muziek, zeer nadrukkelijk aanwezig maar bijna steeds vrijwel autonoom naast de handeling op het toneel. Tegen het einde zijn er zowaar jazzy accenten waarneembaar en de laatste scène klinkt bijna religieus, een soort requiem voor de beroemde goudsmid die nu helaas gelyncht moest worden.

Hindemith kiest voor Musizieroper, de muziek staat voorop, het drama volgt op eerbiedige afstand. Het is wel geduid als een terug gang naar de barok waar een solist eindeloos bezig is met langgerekte syllaben de muziek te volgen, denk aan Händel. Musizieroper is de absolute tegenpool van het Musikdrama van Wagner en dat was ook nadrukkelijk de bedoeling van Hindemith en een aantal van zijn tijdgenoten.

 

 

 


Cardillac
had première op 9 november 1926 in de Semper Oper in Dresden. Het waren de hoogtijjaren van de Weimar Republiek en de Nieuwe Zakelijkheid. Joosten heeft zijn productie in deze tijd geplaatst, hoewel de handeling zich afspeelt gedurende de regering van Louis XIV. Alleen de hoofdpersoon, de goudsmid Cardillac, loopt er bij in 17e eeuwse kledij, is zelfs uitgemonsterd alsof hij de koning zelve is. Het tekent hem direct als volledige buitenstaander. Zijn wereld en vooral zijn moraal staan geheel los van zijn omgeving waardoor zijn handelingen ook niet volgens de waarden en normen van diezelfde omgeving beoordeeld kunnen worden. Wat hij doet, staat op zichzelf en er wordt in het werk uiteindelijk ook geen moreel oordeel over hem geveld. Later kwam Hindemith daar overigens op terug en schreef een nieuwe versie van het werk die beschouwend en sterk moraliserend is. Allerwegen wordt dit niet al verbetering gezien en geeft men de voorkeur aan Cardillac I.

 

cardillac koning

© Annemie Augustijns / Opera Ballet Vlaanderen

 

Cardillac is een groot vooraanstaand handwerksman, feitelijk meer dan dat, hij is een artiest en staat in hoog aanzien, ook bij het hof. Hij legt zijn ziel en zaligheid in al zijn scheppingen en parasiteert daar vervolgens noodgedwongen op. Zijn voltooide sierraden hebben een deel van zijn persoon in zich opgenomen en als hij ze ziet vertrekken naar een koper voor wie ze slechts handelswaar zijn in een spel van macht en erotiek, sterft hij een beetje. Met een kleine twist: ‘partir c’est mourir un peu’. Er is maar één oplossing, het sieraad moet terug naar zijn schepper zodat deze er nieuwe levenskracht aan kan ontlenen. Dat gaat met grof geweld.

Als een moorddadige versie van Zorro gaat Cardillac na een verkoop nog dezelfde nacht op pad, gemaskerd en met cape en dolk, en brengt de koper om. Terugstelen is niet genoeg, de koper die hem in zijn levenskracht heeft bedreigd, moet daarvoor de ultieme prijs betalen.

 

cardillac1

De menigte in opgewonden toestand over de vele moorden © Annemie Augustijns / Opera Ballet Vlaanderen

 

Het volk is op de been en klaagt over de vele moorden. Daar zou nu eindelijk eens iets aan gedaan moeten worden. Cardillac verschijnt in vol ornaat en wordt bewonderend nagekeken, ook door een chique dame en haar begeleider, oorspronkelijk een ‘Kavalier’. Zij vraagt hem om een sieraad van Cardillac voor haar te kopen, dan zal zij hem een nacht volledig toebehoren. En zo geschiedt.

 

cardillac2

Die dame ziet Cardillac voorbijkomen, bewonderd door de menigte © Annemie Augustijns / Opera Ballet Vlaanderen

 

Sopraan Theresa Kronthaler wist haar rol glans te geven door niet slechts vocaal mooi uit de hoek te komen, maar door ook haar begeerte en bewuste acceptatie van het risico vermoord te worden tot uitdrukking te brengen. Haar tekst is ongekend erotisch en ze voerde zelfs zeer schaars gekleed een eenvoudige paaldans uit. Als haar Kavalier eenmaal is gearriveerd is er nog slechts stil spel, een langdurige pantomime die wordt begeleid door twee in elkaar verslingerde fluiten, een subtiele weergave van wat er tussen die twee aan de hand is. Operazangeressen worden steeds meer all round artiesten, net als in de musicalwereld. Mooi tegenspel van de tenor Sam Furness. Samen maakten ze de eerste akte tot een voltreffer.

 

cardillac

Die Dame met de Kavalier (© Annemie Augustijns / Opera Ballet Vlaanderen

 

Minder geslaagd was het opvoeren van een joodse goudhandelaar ( de bas Donald Thomson) die nadrukkelijk een kruisje slaat bij het betreden van Cardillacs woning en daarover tekst en uitleg moet geven. In de derde akte wordt hij gemakshalve van alle moorden beschuldigd en onmiddellijk weggevoerd om te ‘bekennen’. Volledig onnodig deze afwijking van het libretto, antisemitistisch cliché.

Sopraan Betsy Horne verraste als ‘Die Tochter’. Haar opkomst was direct raak met de fraaie aria ‘Mein Geliebter kommt’, een concertstuk voor zangstem en een aantal solerende instrumenten. Horne hoorde ik eerder dit seizoen als een zeer geslaagde Eva in Wagners Der Meistersinger von Nürnberg in Wiesbaden: ‘Bayreuth material’. Ook als Cardillacs dochter wist ze me volledig in te pakken. Mooie sopraan met veel mogelijkheden.

 

Cardillac dochter

Der Offizier, Cardillac en Die Tochter © Annemie Augustijns / Opera Ballet Vlaanderen

 

Haar geliefde, ‘Der offizier’ werd nogal martiaal neergezet door tenor Ferdinand von Bothmer. Deze ziet in Cardillac een waardig tegenspeler, ook nadat deze geprobeerd heeft hem te vermoorden. Net als in een oorlog heeft de vijand zijn eigen beweegredenen en daarover velt men geen oordeel. Het is een kwestie van doden of gedood worden, en in die zin verdedigt hij zijn schoonvader dan ook tegenover de op moord beluste menigte. Goed optreden.

 

cardilla

Cardillac in ondergoed tegenover de menigte © Annemie Augustijns / Opera Ballet Vlaanderen

Simon Neal was recent t

e horen als een uiterst verdienstelijke Wotan in Düsseldorf. Deze bariton kwam ook uitstekend uit de verf in de rol van de in een eigen wereld levende goudsmid. Helaas had Joosten er geen vertrouwen in dat zijn publiek zelfstandig tot die conclusie zou kunnen komen. Zodoende werd Cardillac tegen het einde opgevoerd in zijn ondergoed, nog wel met koninklijke mantel en kroon, maar verder nadrukkelijk als iemand die van het pad af was. Het is jammer dat het perceptieniveau van de toeschouwers zo laag wordt ingeschat en dat lijkt hand over hand toe nemen.

Het koor leverde een schitterende prestatie en het orkest onder leiding van maestro Dmitri Jurowski liet horen hoe interessant en mooi een Hindemith partituur kan zijn. Een uitgelezen mogelijkheid om dit typische jaren ’20 werk eens te beleven. Na Antwerpen komen er nog een paar voorstellingen in Gent, zeer aanbevolen.

HINDEMITH: Das Marienleben