Arnold_Schönberg

GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

 Door Peter Franken

Gurre Lieder dvd

In september 2014 opende De Nationale Opera het seizoen met een geheel geënsceneerde uitvoering van Schönbergs Gurre-Lieder, als zodanig een wereldpremière. De opname die hiervan werd gemaakt is vorig jaar verschenen op BluRay en DVD.

Schönberg schreef voor zijn Gurre-Lieder een massale bezetting voor, naar verluidt waren bij de première van deze cantate in 1913 maar liefst 757 musici betrokken. Bij DNO hield men de opzet wat bescheidener met naast het Nederlands Philharmonisch Orkest en het koor van de opera een extra koor uit Duitsland, het Kammerchor des Chorforum Essen. Naast een besparing op de kosten speelde hier natuurlijk ook het gebrek aan ruimte mee. In een concertzaal kan je extra koren overal en nergens kwijt, op een toneel niet. Sowieso ligt de nadruk op een groot volume vooral in het slotkoor en dan staat het toneel ook behoorlijk vol.

Schönbergs muziek klink mij onbeschaamd negentiende eeuws in de oren. Tijdens het afspelen van de opname bedacht ik dat hij zomaar een tweede Wagner had kunnen worden, als hij in dit idioom was blijven componeren en zich op het schrijven van opera’s had toegelegd. Zoals bekend ging Schönberg een andere kant op en zag hij zijn meesterwerk Gurre Lieder als een gepasseerd station, een jeugdzonde bijna. Het stoorde hem dat hij uitgerekend om dit werk zo werd geprezen. De vergelijking met Wagner en diens moeizame relatie met zijn vroege werk Rienzi dringt zich op.

Audi en zijn team, laat ik deze keer vooral Jean Kalman even uitlichten die zoals zo vaak bij Audi’s producties verantwoordelijk was voor het belichting, hebben een groots toneelbeeld gecreëerd dat een rijke schakering aan beelden mogelijk maakt. En daar is de filmopname nu eens in het voordeel boven het theater. Geen levensgroot ingezoomde hoofden maar fraaie close ups van situaties bepalen het eerste deel waarin Waldemar en Tove hun liefde en onvermijdelijke afscheid beleven. Als kijker wordt je nu niet afgeleid door het feit dat hun liefdesprieeltje in werkelijkheid bijna verdrinkt in wat nog het meeste lijkt op een verlaten fabriekshal.

Als Tove vertrekt is duidelijk te zien dat haar mantel de vorm heeft van een verenkleed. Zij verbeeldt de duif die volgens de daarna optredende Waldtaube – met grote vleugels en geheel in het zwart synoniem met een doodsengel – door de valk van de koningin is gegrepen. Dat haar einde, en dus ook de liefdesrelatie met Waldemar, nadert wordt na haar afscheid fraai weergegeven door een boom in het liefdesnest die als op commando haar blaadjes verliest.

Mooi beeld ook is dat van Klaus Narr die vrijwel voortdurend op het toneel aanwezig is, getooid met een helwitte lichtgevende ballon die hem permanent belicht. Hij is dan wel een nar, maar weet dat van zichzelf en in die zin is hij ‘verlicht’.

Scenisch is er in het middendeel niet heel veel te beleven totdat een soldatenkoor kortstondig het toneel in bezit neemt. Dan kabbelt het verder tot het overweldigende slotkoor waarmee het stuk eindigt.

Burkhard Fritz is een bijna perfecte Waldemar, hij heeft de rol geheel geïnternaliseerd. Bij de vrouwen gaat mijn voorkeur uit naar de Waldtaube van de Zweedse mezzo Anna Larsson, een mooie gedragen vertolking, het vocale hoogtepunt van het stuk. Van Emily Magee als Tove valt op dat ze wel erg vaak kijkt alsof ze zich afvraagt ‘wat gaat er nu weer gebeuren’? Overigens wel mooi gezongen maar wat afstandelijk.

Sunnyi Melles als de verteller concentreert zich erg op haar tekst en klinkt geforceerd, zelfs schreeuwerig. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ze dit uit zichzelf zo doet, minpuntje in de regie wat mij betreft. De beide heren Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr) en Markus Marquardt (Bauer) vertolken hun rol met verve. Klaus Narr wordt daarbij flink geholpen door zijn kostuum inclusief die onafscheidelijke ballon.

Marc Albrecht laat zijn NedPho welluidend spelen met prachtige Wagneriaanse momenten. Verder geeft hij voorbeeldig leiding aan het grote ensemble, geen geringe prestatie. Albrecht wilde dit werk heel graag eens dirigeren en Audi wilde het al jaren als ‘opera’ op het toneel brengen. Beide heren zijn uitstekend in hun opzicht geslaagd.

Dit seizoen wordt deze productie door DNO hernomen in exact dezelfde bezetting. De besproken opname is dus niet slechts een herinnering aan een groots evenement maar kan tevens dienen als voorbereiding op een weerzien in het theater. In alle opzichten een geslaagd initiatief van Opus Arte om deze opname op de markt te brengen.

Recensie van de voorstelling live:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Discografie:
SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

 

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man

Zemlinsky

Alexander Zemlinsky aan zijn werktafel

De vrouwen

 

Zemlinsky Alma Mahler

Alma Schindler in 1900

Het was 11 februari 1900, tijdens de wereldpremière van de Frühlingsbegräbnis, een cantate ter nagedachtenis van Brahms, dat Alexander Zemlinsky en Alma Schindler elkaar voor het eerst ontmoetten.

Zij vond zijn uiterlijk verschrikkelijk (in haar autobiografie heeft zij het over een ‘hideous gnome’), maar als een aankomend componiste wilde ze maar al te graag kennis met hem maken: Zemlinsky werd bewonderd niet alleen voor zijn composities, hij had ook de reputatie van de beste compositie en harmonieleraar. Tegen het einde van dat jaar was Schindler niet alleen zijn leerlinge maar ook zijn geliefde.

Zemlinsky portret

Het lag niet voor de hand, Zemlinsky was namelijk niet echt wat wij een aantrekkelijke man kunnen noemen. Zelf leed hij er behoorlijk onder: “Kort en broodmager (slechte punten: onvoldoende.) Gezicht en  neus: niet te doen; elk ander onderdeel van het gezicht: dito. Te lang haar, maar daar kan nog iets aan gedaan worden. Ik bekeek mezelf eens nauwkeuriger in bad (met uw verlof!!): geen uitwassen of misvormingen, spieren niet al te zwak, potentiepotentieel verbazingwekkend goed ontwikkeld! Al de rest zoals boven vermeld. Vandaar de slotsom: afschuwelijk.”*

Doet de beschrijving u aan Der Zwerg denken, de lelijke, misvormde persoon uit de gelijknamige opera die zijn eigen spiegelbeeld niet herkent?

En toch had Zemlinsky de reputatie van een echte womaniser en zijn ettelijke minnaressen zijn niet te tellen.

In 1907 trouwde hij met Ida Guttmann, de jongere zus van zijn eerdere verloofde Melanie. Het was geen gelukkig huwelijk, Zemlinsky was een verstokte vreemdganger.

 

Zemlinsky Luise Sachsel

Louise Sachsel

 Rond 1914 leerde hij de toen viertienjarige Louise Sachsel kennen. Het negenentwintig jaar jonger meisje, behalve een aankomend zangeres ook een begaafd schilderes, kwam bij hem om zanglessen te nemen. Zes jaar later werden ze geliefden en in 1930, een jaar na de dood van Ida zijn ze getrouwd.

Multiculturele achtergrond

Alexander Zemlinsky werd in 1871 in Wenen geboren in een zeer multiculturele familie. Zijn Slovaakse grootvader en de Oostenrijkse grootmoeder van vaders kant waren beiden rooms-katholiek. Zijn andere oma was een Bosnische moslima en zijn opa een Sefardische Jood en toen zijn ouders trouwden is de hele familie belijdend Joods geworden. Alexander is al als Jood geboren en zo werd hij ook opgevoed, hij bespeelde ook orgel in zijn synagoge.  In 1884 is hij met zijn studie aan het Conservatorium van Wenen begonnen. Hij studeerde piano met Anton Door, muziektheorie met Robert Fuchs en compositie met Johann Nepomuk Fuchs en Anton Bruckner. Het was ook toen dat hij begon te componeren.

Behalve als componist was Zemlinsky ook gewaardeerd als één van de beste dirigenten van zijn tijd, zijn opmerkelijke interpretaties van Mozart werden alom geprezen.

 Zemlinski dirigeert de ouverture uit Don Giovanni. Opname dateert zeer waarschijnlijk uit 1926:

Hij was een groot pleitbezorger van de composities van Gustav Mahler en zijn zwager Arnold Schoenberg, en gold als voorvechter van de hedendaagse muziek. Zijn composities kun je het beste beschouwen als een soort brug tussen de late romantiek en het modernisme.  

 

 

 

Philharmonic Chorus in 1912 in Praag tijdens de uitvoering van de achtste symfonie van Mahler. Zemlinsky, Schönberg en Schreker staan vooraan links op de foto

Zemlinsky was ook een grote liefhebber en kenner van de literatuur. Dat zijn afkomst en opvoeding hem daarin hebben beïnvloed is nogal voor de hand liggend: zowel zijn grootvader als zijn vader waren journalisten en de familie van zijn moeder telde diverse uitgevers. Zijn vader had ook de geschiedenis van Sefardische gemeenschap in Wenen op zijn naam staan.  Veel van zijn composities baseerde Zemlinsky op de literaire werken, wat onder andere resulteerde in Der König Kandaules naar André Gide en in Eine florentinische Tragödie en Der Zwerg naar Oscar Wilde.

 ‘Entartet’

Na de opkomst van de Nazi’s in 1933 werd Alexander Zemlinsky ‘Entartet’ verklaard en zijn werken werden verbannen en verboden. In 1936 ontvluchtte hij Berlijn: eerst naar Wenen en na de Anschluss in 1938 verder naar de Verenigde Staten, waar hij grote moeite had om te kunnen aarden. Hij overleed op 15 maart 1942 in de buurt van New York, aan zijn dood werd door niemand aandacht besteed.

 

Zemlinsky_aWien_11_Zentralfriedhof_Grab

Zemlinsky’s Memorial op de Zentralfriedhof in Wenen

En daarna werd hij vergeten, het lot dat hij deelde met de meeste Joodse componisten die door de Nazi’s in de ban werden gedaan. Zijn muziek verdween uit de concert- en opera-programma’s, en zijn naam loste op in de mist, alsof hij nooit heeft bestaan. Het was pas eind jaren tachtig, dat er besef kwam dat Korngold meer was dan een componist van Hollywod-scores; dat zonder Schreker en Zemlinski er waarschijnlijk ook geen Strauss was geweest en dat Boulez en Stockhausen niet de eersten waren die met serialisme speelden.

Na een kortstondige renaissance in de jaren negentig, voornamelijk te danken aan James Conlon en Riccardo Chailly, is het een beetje stil geworden rond één van de allergrootste Jugendstil-componisten van het fin de siècle. Vraag het maar aan een doorsnee muziekliefhebber: verder dan de ‘Lyrische symfonie’ komt hij niet. Mocht hij überhaupt de naam Zemlinsky kennen.

 

Zemlinsky en Schönberg

Maar: wie weet? Zijn zwager, vriend en collega Arnold Schönberg zei “Zemlinsky kan wachten”. Het lijkt er de laatste jaren dan ook op dat Schönberg zo langzamerhand gelijk gaat krijgen met zijn bewering

* Dit citaat is afkomstig van het artikel van Ronald Van Kerckhoven in Erfgoedklassiek

Lees ook:

deel 2 (over de Lyrische Symphonie): EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’

deel 3 (over Der Zwerg, Traumg:orge en König Kandaules):  EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden

deel 4 (over Eine Florentinische Tragödie): EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

 

SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

 

Gurre

Reproductie van de fascimile uitgave uit 1912

Voor mij behoren de Gurre-Lieder tot de één van de mooiste werken ooit gecomponeerd. Op het moment dat de muziek zachtjes begint te zwellen, voel ik mij in de zevende hemel. De muziek, gelijk een Dibbuk, neemt mij volledig in beslag en er is geen ontkomen meer aan.

Niet, dat ik het erg vind. Je volledig ergens ondergedompeld voelen, je ergens mee vereenzelvigen, dat geeft je een onwerkelijk gevoel van zweven. Een beetje eng, dat wel, maar (sorry voor de uitdrukking) ook een beetje zalvend. Liefde, moord, een immens verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat er in en is volledig in de muziek geïntegreerd.

De beroemde Weense criticus Julius Korngold noemde het werk ‘een bloeiende cactus”. Een mooie metafoor.

In ‘Seht die Sonne’, het laatste stuk van het werk, bereikt Schönberg iets werkelijk ongehoords, al weet hij het zelf (nog) niet: hij bouwt een brug tussen vroeger en nu. Denk aan het slot van Iris van Mascagni. En denk aan Schönbergs eigen meesterwerk, de na de oorlog gecomponeerde De overlevende uit Warschau.

Hieronder ‘Sehnt die Sonne’ in de uitvoering van het (hier niet besproken) Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle:

De première, op 23 februari 1913 in Wenen, werd gedirigeerd door Franz Schreker, er werkten toen 757 musici aan mee. De Nederlandse première onder leiding van Schönberg zelf vond plaats in maart 1921. Het idee om het werk scenisch uit te voeren is niet echt nieuw, het schijnt dat er al in 1927 plannen voor bestonden, maar Schönberg heeft zich er altijd tegen verzet.

Het is een cliché, weet ik, maar de Gurre-Lieder moet je tenminste één keer in je leven live hebben gehoord. Geen enkele opname, hoe geweldig ook, kan de overweldiging van het live concert evenaren.

 

LEOPOLD STOKOWSKI 1952

Gurre Stokowski

De allereerste commerciële opname stamt, voor zo ver ik weet, uit 1932. Het was niemand minder dan Leopold Stokowski, die op 8 april dat jaar de Amerikaanse première van het werk verzorgde. Het werd door RCA opgenomen en met een beetje zoeken is er wellicht aan te komen (al is het mij niet gelukt).

In 1961 nam Stokowski de Gurre-Lieder mee naar Edinburgh, waar hij een ware sensatie veroorzaakte. De uitvoering werd  door de radio opgenomen en later op Guild  (GHCD 2388/89) uitgebracht. Zijn affiniteit met het werk is duidelijk hoorbaar, het is alsof het zijn liefdeskind is: zijn benadering is strelend, aaiend, knuffelend, maar wel met terechte woede-uitbarstingen als het kind weerbarstig wil worden. Prachtig vind ik dat, echt prachtig.

Gré Brouwenstein is een goede Tove. Mooi van stem, al vind ik haar soms wat afstandelijk. James McCracken is een beetje zware Waldemar, maar nergens ontaardt hij in brullen, iets wat later veel van zijn opnamen ontsierde. Persoonlijk hoor ik liever een stem die wendbaarder is, maar de lyrische benadering van Stokowski slaat ook over op zijn solisten, dus ook op McCracken.

Het concert begint met de aankondiging van de omroeper van de BBC, waarna het ‘God save the Queen’ weerklinkt. Toch wel leuk en sfeerverhogend.

Hieronder de Prelude, gevolgd door het eerste lied van Waldemar (James McCracken):

 

 

SEIJI OZAWA 1979

Gurre Ozawa

In 1979 was Mc Cracken al lang over zijn top heen. Jammer, want het is de enige smet op de verder prachtige uitvoering door Seiji Ozawa (Philips 4125112).

De jonge Jessye Norman kon met haar stem werkelijk alle kanten op, en haar donkere sopraan met een enorme wijdte was zeer sensueel. Klein beetje dominant, dat wel, niet echt een onschuldige deerne, maar ik mag het wel.

Jessye Norman zingt “Du sendest mir einen Liebesblick” :

Tatjana Troyanos is een zeer het hart aansprekende Waldtaube. Het geheel is live opgenomen in het Boston Symphony Hall.


RICCARDO CHAILLY 1985

Gurre Chailly

De lezing van Riccardo Chailly (Decca 4737282) vind ik enigszins teleurstellend. Het is een “studio” opname (in 1985 opgenomen in Jesus-Christus-Kirche in Berlijn), maar het geluid komt op mijn speakers niet echt over. Ik vind Chailly ook een beetje “lawaaierig”, met weinig nuancen.

Siegfried Jerusalem klinkt gewoon Wagneriaans, en dat is, in dit geval, geen compliment. Ook Susan Dunn, in de tijd een Chailly protégee, vind ik niet adequaat, soms heb ik het gevoel dat zij niet weet wat zij zingt. Maar dan komt Brigitte Fassbaender (Tove) voorbij en weg zijn de twijfels!


 

 

ESA-PEKKA SALONEN 2009

gurre-salonen

In 2009 zorgde Esa-Pekka Salonen (SIGCD173) voor een ware sensatie met zijn uitvoering in het Royal Festival Hall in Londen. Terecht. De uitvoering is zeer zinderend en de solisten met de zowat mooiste Tove ooit, Soile Isokoski voorop, fantastisch.

Stig Andersen is zonder meer een goede Waldemar en Monica Groop een hartverscheurende Waldtaube. Helaas is de opname abominabel. De geluidsbalans is ver te zoeken, je volumeknopen moeten steeds versteld worden. Nou beschik ik niet over een SACD-speler, maar mijn boxen wisten zich er geen raad mee. Jammer.


 

 

MARKUS STENZ 2014

 gurre stenz

De in juni 2014 onder Markus Steinz voor Hyperion (CDA68081/2) opgenomen uitvoering, behoort volgens mij tot de besten die er zijn. Het Gürzenich-Orchester Köln voelt zich blijkbaar als een vis in het water in het laatromantische idioom en – versterkt door de zes verschillende koren – schuwen ze geen enkel middel om tot de luisteraar en zijn hart door te dringen. De ‘Zemlinsky-jaren’ van James Conlon zitten ze blijkbaar voorgoed in hun genen…..

De, op zich warme mezzo van Claudia Mahnke (Waldtaube) heeft helaas wel scherpe randjes. Voor mij had het wat lyrischer gemogen – minder Wagner en meer Zemlinsky, zeg maar – maar haar voordracht is meer dan indrukwekkend. Een echte stemactrice.

De Nederlandse sopraan Barbara Haveman is een zeer sensuele Tove, maar de beste van allemaal vind ik Brandon Jovanovich. Als Waldemar loopt hij tegen zijn grenzen aan, maar overschrijdt ze nergens. Zeer masculien en tegelijk zeer breekbaar. Voor mij is zijn vertolking meer dan sensationeel.

De bariton Johannes Martin Kränzle is een fantastische spreker. Zijn voordracht is gespeend van elk maniërisme, iets waaraan zich veel vertolkers van die rol (Sunnyi Melles in Amsterdam!) schuldig maken.

 

REINBERT DE LEEUW 2011

 

Gurre de leeuw

Dr Anton Philipszaal na afloop van de uitvoering van de Gurre-Lieder

Voordat ik mijn absolute favoriet onthul (er gaat niets boven spanning, niet waar?), even over de uitvoering van Reinbert de Leeuw, door de KRO op 26 maart 2011 opgenomen in de uitverkochte Dr Anton Philipszaal in Den Haag. Het orkest werd gehalveerd, er deden ‘maar’ 356 musici er aan mee. De solisten vielen mij niet mee, maar het blijft een document uit eigen bodem. Internet biedt genoeg (al of niet) piratenopnamen. Anders zoek het even op youtube.

Reinbert de Leeuw vertelt over de Gurre-lieder:

 

 

 

 

EN DE WINAAR IS:

RENÉ LEIBOWITZ 1953

 

Gurre-Leibowitz

René Leibowitz. Heeft u ooit van hem gehoord? In de jaren vijftig van de vorige eeuw behoorde hij tot de “ijzeren garde”van de beste dirigenten, die allemaal hun eigen stempel zetten op alles wat ze onderhanden namen. In 1953 dirigeerde hij de ‘Gurrelieder’ in Parijs. Toen ik de cd (Preiser 90575) in handen kreeg dacht ik: curieus, laat maar komen… Nou… een paar uur later wist ik het wel: beter, mooier, ontroerender bestaat niet, althans niet voor mij. Bij Leibowitz hoor je zelfs het klapwieken van de vleugels van de duif!

Richard Lewis zingt een Waldemar zoals ik hem altijd al wilde horen: gevoelig en sensibel. Ethel Semser (Tove) was goed bekend met het oeuvre van Schönberg, zij had al eerder ook zijn Pierrot Lunaire opgenomen.

Nell Tangemann (Waldtaube) blijft een grote onbekende, ondanks de rollen die zij gecreëerd heeft: Mother Goose bijvoorbeeld. Of Dinah in de wereldpremière van Trouble in Tahiti van Bernstein. Ook Ned Rorem heeft het een en ander voor haar gecomponeerd. Helaas bestaan er geen opnamen van, de ‘Gurrelieder’ kan je dan ook beschouwen als een document en een eerbeton aan de onbekende mezzosopraan die beter verdiende.

Een absolute must.


 BONUS

Een curiositeit: Schönberg dirigeert zijn “Lied der Waldtaube”, hier gezongen door Rose Bampton. De opname dateert uit 1934:

Gurre-Lieder scenisch, in de regie van Pierre Audi:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Amsterdamse Gurre-Lieder op dvd:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

MOSES UND ARON

moses

Naxos durft wel! Nu we amper nog nieuwe opera-opnames op cd kunnen verwachten (afgezien van de bekendste hits met de grootste sterren), hebben ze Schönbergs Moses und Aron in 2003 live in Stuttgart opgenomen en uitgebracht.

Moses und Aron, één van de belangrijkste opera’s van de twintigste eeuw, is onvoltooid gebleven. Het stuk werd in 1954 voor het eerst (postuum) opgevoerd in Hamburg, maar een echte hit is het nooit geworden, ondanks de zeer sterke dramatische expressie en de mogelijkheden die ze aan de conceptueel werkende regisseurs biedt.

Schönberg zelf beschouwde het als zijn belangrijkste werk. Het was ook zijn antwoord op het oprukkende antisemitisme en zijn (noodgedwongen) hervonden Joodse identiteit.

De hoofdrollen zijn toebedeeld aan een bariton (Moses), die zich van het Sprechgesang bedient, en een hoge, belcanteske tenor (Aron), die als een spreekbuis dient voor zijn broer. Want Moses mag dan vol ideeën zitten, verwoorden kan hij ze niet (‘O wort, du wort, das mir fehlt’).

Ronald Kluttig werkte een paar jaar als assistent van Lotar Zagrosek, en dat is aan hem te horen: zijn benadering van de complexe partituur is zeer persoonlijk en betrokken.

Het koor zingt fenomenaal, Wolfgang Schöne is een prachtige, kernachtige Moses en de ‘ruim intonerende’ Chris Merritt neem ik wel voor lief.

Arnold Schönberg
Moses und Aron
Wolfgang Schöne, Chris Merritt; Stuttgart State Orchestra and Chorus olv Roland Kluttig
Naxos 8660158-59

 

MEASHA BRUEGGERGOSMAN: Surprise

maesha

Bestaat er ook zoiets als de ‘muziekwensenhemel’? Ooit heb ik, na het beluisteren van een recital-cd van Jonathan Lemalu met onder meer een drietal cabaretliedjes van William Bolcom, zowat gesmeekt om meer.

En zie, op de debuut-cd Surprise van Measha Brueggergosman uit 2010 staan er maar liefst zeven. Het zijn ze nog niet allemaal, maar ze zijn wel georkestreerd, en dat ook nog door Bolcom zelf!

Bolcom componeerde de liedjes voor zijn vrouw, de Amerikaanse mezzo Joan Morris. De orkestversie maakte hij speciaal voor deze opname. Kleine juweeltjes zijn het, grenzend aan smartlappen. Af en toe doen ze aan Weill (met of zonder Brecht) denken, niet in de laatste plaats door de grote discrepantie tussen de (vaak surrealistische) tekst en de muziek.

Minder te spreken ben ik over de orkestratie die Patrick Davin maakte van de liederen van Schönberg. Het is alsof ze hun Berlijnse afkomst hiermee kwijt zijn geraakt, en voor Satie vind ik de stem van Measha Brueggergosman iets te groot.

‘Surprise’ is de titel van één van de liedjes van Bolcom, en het is inderdaad een (zeer aangename!) verrassing om met de jonge flamboyante Canadese sopraan Brueggergosman kennis te maken.

Haar dijk van een stem werd ooit door Gramophone omschreven als ,,an instrument of endless fascination”. Iets wat ik alleen maar kan beamen.

Measha over haar cd op Youtube:


Surprise
William Bolcom, Arnold Schönberg, Erik Satie;
Measha Brueggergosman (sopraan); William Bolcom (piano); BBC Symphony Orchestra olv David Robertson
DG 4776589

SEIN LIED WIRD NICHT VERSTUMMEN *

 

kol-david

Gerrit van Honthorst (1590-1656), King David Playing the Harp (1611), Centraal Museum Utrecht, Holland

 

Eine Gewissensfrage: Gibt es so etwas wie – Jüdische Musik -?
Wenn ja: Was ist das? Ist es Klezmer? Chassidischer Nigunim? Spanische Romanceros, jiddische Lieder, die synagogalen Gesänge, die Psalmen?
Und: Kann klassische Musik jüdisch sein? Liegt es am Komponisten? Ist die Musik jüdisch, wenn der Komponist jüdisch ist? Oder liegt es an den von ihm/ihr verwendeten Themen?

Eine kleine Spurensuche:

Musik spielte eine wichtige Rolle im Leben der alten Hebräer. Genau wie die meisten östlichen Völker waren sie sehr musikalisch. Musik, Tanz und Gesang waren für sie sehr wichtig: sowohl im täglichen Leben als auch in den synagogalen Diensten. Man bespielte auch verschiedene Instrumente: So nahm eine der Frauen von Salomon mehr als tausend verschiedene Musikinstrumente aus Ägypten mit.

Nach der Zerstörung des Tempels verschwanden – bis auf die Schofar – alle Instrumente aus den Synagogen und kehrten erst im XIX Jh. zurück.

Es existiert leider wenig geschriebene Musik von vor 1700. Jedoch wird 1917 das bis heute älteste, bekannte Musikmanuskript gefunden – es datiert aus ± 1100.

                                               KOL NIDRE

 

631d9-kol2bnidrei

 

Das bekannteste Gebet aus der jüdischen Lithurgie ist unzweifelhaft Kol Nidre: Bitte um Vergebung und um Nichtigkeitserklärung aller Gelöbnisse gegenüber Gott und sich selbst, die man während des abgelaufenen Jahres auf sich genommen hat.

Das Gebet soll noch vor der Verwüstung des Tempels entstanden sein, aber es bestehen auch Legenden, die den Ursprung des Gebets in die Hände der Marranen legen (spanische Juden, die sich unter dem Zwang der Inquisition zum katholischen Glauben bekehrten, aber im Herzen Juden blieben). So wurde um Vergebung gebeten für die unter Zwang gemachten Gelöbnisse.

Sicher ist, dass Rabbi Jehuda Gaon schon in 720 das Kol Nidre in seiner Synagoge in Sura einführte. Es ist auch ein Fakt, dass die Melodie, wie wir sie kennen, einige Verwandtschaft zeigt mit einem bekannten katalanischen Lied. Im Laufe der Jahre wird es durch verschiedene Vorsänger bearbeitet, die bekannteste Version stammt aus 1871 und ist von Abraham Baer.

Die Melodie wurde eine Inspirationsquelle für viele Komponisten: Das bekannteste ist das Werk für Cello und Orchester von Max Bruch.

 

 

 

Die Motive von Kol Nidre finden wir auch in der Symphonie von Paul Dessau und im fünften Teil des Streichquartetts op. 131 von Ludwig van Beethoven. Und dann dürfen wir auch das „Kol Nidre“ von Arnold Schönberg für Sprechstimme, Chor und Orchester nicht vergessen. Er komponierte es im Jahr 1939, im Auftrag einer jüdischen Organisation.

http://www.schoenberg.at/index.php/de/joomla-license-sp-1943310035/kol-nidre-op-39-1938

 

                                                     EINFLÜSSE


Jüdische Volksmusik ist nicht unter einen Nenner zu bringen und kennt eine Vielzahl von Traditionen: Nach ihrer Zerstreuung landeten die Juden in verschiedenen Teilen Europas, Asien und Afrika.

Die größte Entwicklung der eigenen Kultur manifestierte sich, merkwürdig genug, in den Zentren, wo Juden die wenigsten Freiheiten hatten. Jüdische Volksmusik war daher eigentlich Musik des Ghettos. Dort wo Juden einigermaßen in Freiheit lebten, „verwischte“ sich ihr eigenes „Ich“.

In den Ländern rundum das Mittelmeer wohnten die sogenannten Sephardim (von Sfarad, hebräisch für Spanien). Ihre Romanceros sangen sie in Ladino, eine Art geschundenes Spanisch. Nach ihrer Vertreibung aus Spanien und später aus Portugal wurden sie beeinflusst durch die Musik ihres neuen Gastlandes.

“Por Que Llorax Blanca Nina”(Sephardisches Lied aus Sarajevo) Jordi Savall, Montserrat Figueras:

 

In Ländern wie Polen und Russland lebten Juden in fortwährender Angst vor Verfolgungen, die nicht selten in Pogromen ausarteten. Als eine Art „Gegenreaktion“ entstand der Chassidismus, eine Bewegung, die auf Mystizismus, Spiritualität und magischen Doktrinen basierte. Er verkündete die Lebensfreude, eine Art Glückseligkeit, die durch Mittel von Musik, Tanz und Gesang erreicht werden konnte. Alleine so konnte der direkte Kontakt mit Gott erreicht werden. Chassidische Musik wurde stark beeinflusst durch polnische, russische und ukrainische Folklore. Später auch die Musik von Vaudevilles und Walzer von Strauss. Der Charakter dieser Werke blieb jedoch jüdisch.

 Bratslav nigun – Jewish tune of Bratslav (by Vinnytsia), Ukraine:

Auf ihre Weise haben die chassidischen Melodien enormen Einfluss auf klassische Komponisten gehabt: Denken Sie nur alle an Baal Shem von Ernest Bloch oder Trois Chansons Hebraiques von Ravel.

 

                                               JOSEPH ACHRON

 

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schönberg sagte einmal über ihn, dass er der meist unterschätzte, unter den zeitgenössischen Komponisten war. Er rühmte seine Originalität und war sich sicher, dass seine Musik einen absoluten Ewigkeitswert hat.

Der bewanderte Violinenliebhaber kennt unzweifelhaft seine Hebrew Melody: eine sehr beliebte Zugabe aus dem Repertoire von so manchem Violinisten, beginnend mit Heifetz. Das Werk ist inspiriert von einem Thema, das Achron einst in einer Synagoge in Warschau hörte, als er noch ein kleiner Junge war. Er schrieb es 1911, es war eine seiner ersten Kompositionen und zugleich seine Form von „Farbe zu bekennen“: Er wurde Mitglied der Vereinigung für jüdische Musik.

Seine Laufbahn als Komponist begann jedoch erst spät in den 20er Jahren. In St. Petersburg schloss er sich den Komponisten, die vereinigt waren in der „Neuen Jüdischen Schule“, an.

1924 reiste er einige Monate nach Palästina, wo er nicht nur auftrat, sondern auch alle Volksmusik sammelte, die er antraf. Die Notizen, die er sich machte, wurden später in seinen Kompositionen verarbeitet. So findet man in seinem Violinenkonzert op. 30 einzelne jemenitische Themen. In den 30er Jahren flüchtete er, genau wie Schönberg, Korngold und viele andere jüdische Komponisten aus Europa nach Hollywood, wo er 1943 verstarb.

Josef Hassid spielt Jewish Melody von Achron:

 

                                               EIN EIGENER JÜDISCHER SOUND

Schon gegen Ende des 19. Jh. entstand in Petersburg (und später auch in Moskau) eine „Jüdische nationale Schule für Musik“. Die darin vereinigten Komponisten waren bestrebt Musik zu komponieren, getreu ihren jüdischen Wurzeln.

Außer Joseph Achron waren die wichtigsten Vertreter davon Michail Gnessin und Alexandr Krein. Ihre Musik war verankert in den jüdischen Traditionen von vorwiegend einer chassidischen „Nigun“ (Melodie).

Die Bewegung blieb nicht beschränkt auf Russland, denken Sie an den Schweizer Ernest Bloch und den Italiener Mario Castelnuovo-Tedesco, die auf der Suche nach ihren „Wurzeln“ einen vollkommen eigenen „jüdischen Stil des Komponierens“ entwickelt haben.

joods-cast

Mario Castelnuovo-Tedesco

Synagogale Gesänge formten die Inspirationsquelle für u. a. Sacred Service von Bloch, Sacred Service for the Sabbath Eve von Castelnuovo-Tedesco Service Sacré pour le samedi matin von Darius Milhaud und The Song of Songs von Lucas Foss.

Milhaud: Service Sacré pour le Samedi Matin:


 

Mario Castelnuovo-Tedesco griff auch nach der alten hebräischen Poesie des Dichters Moses-Ibn-Ezra, die er für seinen Liederzyklus The Divan of Moses Ibn Ezra verwendete:


 

In den USA war es Leonard Bernstein, der sehr bewusst jüdische Themen in seiner Musik anwendete. (Symphonie Nr. 3, Dybbuk Suite, A Jewish Legacy):

 

Weniger bekannt sind Paul Schoenfield und sein prächtiges Altviolinenkonzert King David dancing before the ark. Und Marvin David Levy, der in seiner Kantate ’Canto de los Marranos’ sephardische Motive verwendete:

 

Der Argentinier Osvaldo Golijov (1960, La Plata) weiß in seinen sowohl klassischen als auch in Filmkompositionen, jüdische lithurgische Musik und Klezmer mit den Tangos von Astor Piazzolla zu kombinieren. Er arbeitet oft mit dem Klarinettisten David Krakauer und für das Kronos Quartett hat er ein sehr intrigierendes Werk ‘The Dreams and Prayers of Isaac the Blind’ komponiert:


 

                                               DMITRI SCHOSTAKOWITSCH

shosty

Was für Gründe der nicht jüdische Sjostakowitsj hatte, um jüdische Elemente in seiner Musik zu verwenden, ist nicht komplett deutlich, aber es brachte in jedem Fall prächtige Musik hervor. Sein Piano trio op. 67 schrieb er schon 1944. Bei der ersten Aufführung davon, musste der letzte, der “Jüdische Teil” wiederholt werden. Es war zugleich das letze Mal, dass es während des Stalinismus gespielt wurde.

1pT28

1948 komponierte er einen Liederzyklus für Sopran, Mezzosopran und Tenor „Aus der jüdischen Volkspoesie“ – inzwischen schon viele Male aufgenommen und (zurecht!) sehr geliebt.

Alte Melodia Aufnahme des Zyklus:

1962 komponierte er die 13. Symphonie die Babi Jar, auf der Grundlage eines Gedichts von Jewgeni Alexandrowitsch Jewtuschenko. Babi Jar ist der Name einer Schlucht in Kiew. 1941 wurden dort durch die Nazis mehr als 100.000 Juden ermordet:

 

1990 wurde die Stiftung The Milken Archive of American Jewish Music gegründet, um alle Schätze der jüdischen Musik, entstanden im Laufe der amerikanischen Geschichte, aufzunehmen. Das Archiv besteht inzwischen aus (unter anderem) mehr als 700 aufgenommenen Musikwerken, verteilt auf 20 Themen. Die CDs werden weltweit vertrieben durch ein Budgetlabel Naxos. Niemand, der an jüdischer Musik interessiert ist (und an deren Geschichte), kommt daran vorbei.

* Dieser Satz steht auf dem Erinnerungsstein, der auf dem Friedhof Muiderberg aufgestellt wurde, zum Gedenken an den durch die Nazis ermordeten Dirigenten Sam Englander und seinen Amsterdamer jüdischen Chor der großen Synagoge.

Deutsche übersetzung: Beate Heithausen

Originele artikel in het Nederlands:
ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *