Robert_Carsen

LES CONTES D’HOFFMANN van Offenbach door de ogen van Carsen, Py en Pelly

Hoffmann affiche

Scenes from the Paris premiere 10 februari 1881 © Wikipedia

ROBERT CARSEN

Hoffmann Carsen

Die Carsen toch! Iedere keer als ik denk, dat hij zichzelf heeft overtroffen, komt hij met weer een nieuwe productie die de vorige in de schaduw stelt.

Waar hij het vandaan haalt weet ik niet, maar het is allemaal zo verschrikkelijk geniaal. Logisch voornamelijk, en altijd consequent doorgevoerd. Ook bij de enscenering van Les Contes d’Hoffmann opgenomen bij Paris National Opera in 2002  (Arthaus Musik 107027).

Het geheel is opgebouwd als de repetities en de voorstelling van Don Giovanni, waarin alle dramatis personae een dubbele rol spelen: die van zichzelf en van de participanten van de opera in de opera. Alles ligt in de handen van de regisseur (de zeer kordate en imposant overheersende Bryn Terfel), die alle touwtjes in handen heeft en behendig alles en iedereen manipuleert – zowel op de bühne als achter de coulissen.

Carsen heeft iets met glamour en pracht en praal, geen wonder dat alle vrouwenfiguren, inclusief de Barbie-achtige Olympia (schitterende Désirée Rancatore) het meest op de oude filmdiva’s lijken. Alles is doorspekt met vele opera- en filmcitaten, inclusief het kitscherige einde.

Het zingen is fenomenaal. Neil Schicoff (Hoffmann) is geweldig goed bij stem, Zijn Hoffmann stijgt die van Domingo naar de kroon. Maar ook Ruth Ann Swenson (Antonia), Suzanne Mentzer  (Muse) en Béatrice Uria-Monzon (Giulietta) zijn fantastisch en eigenlijk iedereen maakt grote indruk met zijn/haar optreden.

Het Orchestre et Choers de l’Opera National de Paris stijgt onder leiding van Jesus Lopez-Cobos tot ongekende hoogten.

OLIVIER PY

Hoffmann Py

Kunst, seks en dood, daar gaat Les Contes d’Hoffmann over volgens de Franse regisseur Olivier Py. Dat voert hij zeer consequent door in zijn productie uit 2008, die met veel beroering in Genève in première ging en een jaar later op dvd verscheen bij BelAir (BAC 049).

De drie begrippen zijn met elkaar verstrengeld in de belichaming van het verlangen. Zo vormen ze een soort drie-eenheid die verscholen gaat achter het masker van een ‘vrouw’.

Daar is Py zeer consequent in. Vandaar dat alle vrouwen op de bühne er precies hetzelfde uitzien. Met hun zwarte pruik en overdreven make-up lijken ze sprekend op Liza Minelli in Cabaret.

Er zijn doodsmaskers, begrafenisondernemers en skeletten, er is veel (frontaal, m/v) naakt en echte orgiën, en Olympia lijkt net een opblaaspop uit de sekswinkels. Ik vind het fantastisch. Het klopt, het is logisch en bovendien ongemeen spannend.

Het zeer futuristisch aandoende decor van steeds wisselende stellages van staal, spiegels, glas en (voornamelijk) aan- en uitgaande lichtjes is zeer suggestief. Het werkt.

Daarbij is de cast zeer sterk. De Belgische tenor Marc Laho is een prachtige Hoffmann. Zijn stem heeft iets weg van Alfredo Kraus – een echte ‘leggiero’ maar dan met meer kracht. En met een perfecte uitspraak van het Frans.

De schurken zijn in goede handen van Nicolas Cavallier en dames Stella Doufexis, Patricia Petibon, Rachel Harnish en Maria Riccarda Wesseling zijn allen meer dan overtuigend. Een aanwinst.

 

LAURENT PELLY

HoffmannDVD Pelly

Laurent Pelly stelt zelden teleur. Zijn enscenering van Les Contes d’Hoffmann, op dvd uitgebracht door Erato (hope;ijk nog steeds verkrijgbaar), is daar weer bewijs van. En ook de zangers laten het niet afweten, met glansrollen voor Michael Spyres en Natalie Dessay.

Niet alle hedendaagse producties kun je ‘eurotrash’ noemen. Ik denk dat de meeste regisseurs zeer integer te werk gaan en de reden dat wij er niet zo veel over horen is heel simpel: zij veroorzaken geen schandalen en dat is voor de pers niet interessant genoeg.

Neem nou Laurent Pelly: wat hij ook onder handen neemt, het verandert in goud. Toegegeven, soms is het een beetje ‘namaakgoud’, maar toch. Zijn ensceneringen zijn intelligent en altijd trouw aan de muziek.

Zijn Les Contes d’Hoffmann  uit Barcelona, 2013, is een beetje surrealistisch en voelt als een boze droom. Iets waar ik mij zonder meer in kan vinden. Alleen al hoe hij de incarnatie van Muse in Niclausse verbeeldt is een opera-oscar waard.

Michael Spyres behoort tot de steeds groeiende groep jonge tenoren, die nu nog in het lyrische vak zitten, maar die al een belofte voor ‘dramatico’ in zich hebben. De rol van Hoffmann vereist kracht, maar moet zeer lyrisch gezongen worden, denk aan Domingo in zijn jonge jaren. Daar voldoet Spyers ruimschots aan.

Zijn interpretatie van ‘Kleinzach’ is wellicht de beste die ik in jaren heb gehoord: perfecte hoge noten, allemaal al punto en dat ook nog met begrip voor de tekst. En zijn Frans is niet minder dan perfect.

‘Légende de Kleinzack’ gezongen door Michael Spyres:

Ook Natalie Dessay, één van de favoriete zangeressen van Pelly is van de partij. Nu niet meer als Olympia, de rol waar zij een stempel op heeft gedrukt, maar als de zieke Antonia. Een creatie om nooit te vergeten.

De jonge Kathleen Kim is een overtuigende Olympia en Tatiana Pavlovskaya een zeer sensuele Giulietta.

Ik ben een groot bewonderaar van Laurent Naouri en ook hier stelt hij mij niet teleur. Met zijn paars gelakte nagels en een “gedegen” make-up zingt hij een duivel uit duizenden. Simpelweg geniaal.

Over Pelly en Offenbach gesproken: u kunt absoluut niet om zijn regies van de operettes van Offenbach heen. Virgin (51930196) heeft een paar jaar geleden een werkelijk briljante La Vie Parisienne (daar is Die Fledermaus losjes op gebaseerd, wist u?) uit Lyon uitgebracht:

En mocht u het nog niet in uw bezit hebben: La Belle Hèléne (met de werkelijk onweerstaanbare Felicity Lott in de hoofdrol), lange tijd niet verkrijgbaar, is eindelijk weer op de markt teruggebracht (Arthaus Musik 107000).

 

CAPRICCIO van Richard Strauss in de regie van Robert Carsen

capriccio

Van Richard Strauss en zijn medelibrettist Clemens Kraus kreeg ‘Capriccio’ de ondertitel ’Konversationsstück für Musik’, en dat is precies, wat het is: een langgerekte conversatie.

Het onderwerp van de eindeloze gesprekken en discussies die de hoofdpersonen voeren is net zo oud als de wereld: wat is belangrijker, muziek of woorden. En het kabbelt maar door, en het kabbelt maar door ..

Nooit heb ik het geduld kunnen opbrengen om het helemaal uit te luisteren, daarvoor was er voor mij veel te veel geklets en te weinig actie. Zelfs het lieflijke sextet aan het begin van de opera ervoer ik als langdradig.

Afijn – u hebt allang door dat ‘Capriccio’ niet tot mijn favoriete opera’s behoort. En toch moest ook ik er aan geloven! Al moet ik toegeven, dat het niet zozeer aan de – om de erepalm met het libretto strijdende – muziek lag, als aan de meer dan voortreffelijke zangers.

En aan de regie. Laat het maar aan Carsen over en dan komt het vanzelf goed want die Canadese tovenaar kan zelfs een telefoonboek in een spannende thriller omtoveren.

Hij verplaatste de handeling naar het door de nazi’s bezette Parijs in 1942, het tijdstip van het ontstaan van  de opera. Als decor dient het gehele Palais Garnier, inclusief het majestueuze trapportaal, de lange gangen en de loges in de zaal. Ik neem aan dat er videotechniek aan te pas is gekomen, maar echt snappen doe ik het niet. Met ingehouden adem kijk ik dus naar de Gravin, die vanuit haar loge bewonderend kijkt naar haar op de bühne zingende alter ego. Een werkelijk ingenieuze ingeving voor de slotscène, waarin zij oorspronkelijk haar lange laatste monoloog voor de spiegel moest zingen.

De slotscène van de opera:

Aan het begin van de opera wordt er gewag van gemaakt dat de tekst en muziek zijn als broer en zus, en zo eindigen ook de twee rivalen, de componist Flamand en de dichter Olivier, broederlijk in de logebank van de opera gezeten, vertederd kijkend naar hun gezamenlijk kind: een symbiose van woorden en noten. Een opera.

Een betere Madeleine dan Renée Fleming is amper te bedenken. Met haar eindeloze legato, haar ronde, romige sopraan en (niet in de laatste plaats) haar scenische présence zet ze een gravin met narcistische trekjes neer: beeldschoon, zelfbewust, afstandelijk en zeer bewonderenswaardig.

Haar broer, vertolkt door Dietrich Henschel, is aan haar gewaagd, en al lijkt hij fysiek niet op haar, zijn trekjes verraden familiebanden.

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk tussen de beide verliefde heren te kiezen, want zowel Gerald Finley (Olivier) als Rainer Trost (Flamand) zien er zeer aantrekkelijk uit in hun verzorgde pakken, en noch op hun stemmen, noch op hun acteren valt iets op aan te merken.

Franz Hawlata is een fenomenale La Roche, en de kostelijke Robert Tear zet een vermakelijke Monsieur Taupe neer.

Anne Sofie von Otter is onherkenbaar als de “diva” Clairon – haar entree, waarin zij, begeleid door een Nazi officier, met veel stampei binnenkomt, roept herinneringen op aan de grote actrices uit de jaren veertig.

De personen regie is zo geniaal, dat je gewoonweg vergeet dat dit een opera, en niet de echte wereld is. Iedereen beweegt en acteert zeer natuurlijk, en de kostuums zijn verblindend mooi. Waren er niet de af en toe zeer prominent in beeld gebrachte nazi’s, dan kon men zich in een utopische wereld van serene rust wanen.

Zag de wereld van Richard Strauss er toen zo uit? Wellicht was dat de boodschap? De conclusie laat ik aan u over.

Trailer van de productie:

Richard Strauss
Capriccio
Renée Fleming, Anne Sofie von Otter, Rainer Trost, Dietrich Henschel, Gerald Finley, Franz Hawlata, Robert Tear e.a.
Orchestre et Choeur de l’Opéra national de Paris olv Ulf Schirmer
Regie: Robert Carsen
Arthaus Musik 107529

 

FALSTAFF in Amsterdam, juni 2014

Falstaff2mb_2637

© BAUS

“Het was de derde keer dat we een nieuwe productie van Falstaff in Amsterdam hebben gehad, maar vandaag hebben we de echte première van de opera beleefd.” Beter dan Pierre Audi het in zijn bedankspeech verwoordde, had ik de première van Verdi’s Falstaff bij De Nationale Opera niet kunnen omschrijven.

Robert Carsens productie van Falstaff ging in 2012 bij het Royal Opera House in Londen in première (met matige recensies – kunt u het zich voorstellen?) en trok daarna langs New York en Milaan. Op zaterdag 7 juni kon ook Amsterdam kennismaken met de enscenering en na afloop van de zeer succesvolle première leek iedereen het erover eens: eindelijk!

Eindelijk hebben wij een productie mee mogen maken die niet alleen eerlijk was tegenover de componist, de librettist en het publiek, maar ook het nieuwe niet schuwde en niet was blijven steken in conventionele beelden en overdadige decors.
Vernieuwend, verrassend en toch zeer vertrouwd.

Zelden maak je nog mee dat alles, maar dan ook alles klopt, tot in de kleinste details. En het publiek beloonde het decor met een open doekje, wanneer hebt u het voor het laatst meegemaakt?

Wie de productie al eerder heeft gezien tijdens de bioscoopvertoning van de Metropolitan Opera, kan in Amsterdam prettig verrast worden. Het maakt toch echt uit of het geluid je via speakers bereikt of rechtstreeks je oren in komt, zonder versterking, microfoons en andere vernuftige uitvindingen. En er gaat niets boven de levendigheid op de bühne, met echte mensen in plaats van projecties op een scherm, de close-ups ten spijt.

 

2mb_2844

© BAUS

Wat je ook mist als je niet in de zaal zit, is de onbeschrijflijk mooie belichting (van Carsen en Peter van Praet). De schaduwen die op de muren opdoemen en de Van Goghiaanse sterrenhemel: het is ‘larger than life’ en driedimensionaal!

Carsen situeert het verhaal in de prille jaren vijftig. De oorlog is voorbij en de grote opbouw, inclusief sociale verschuivingen, is in volle gang. De oude adel is in verval geraakt en de nieuwe rijken hebben het voor het zeggen. Geld, daar draait het om, althans voor de nieuwe ‘upperclass’. Daar is Ford het beste voorbeeld van: geld opent toch immers alle deuren?

Maar: de oude Sir John Falstaff is nog niet dood en al is hij aan lager wal geraakt, zijn gevoel voor humor en zijn intelligentie is hij nog steeds niet kwijtgeraakt. Zelfspot, daar kan Ford veel van leren!

dsc_2295

Ambrogio Maestri © BAUS

Als u het mij vraagt, dan is Ambrogio Maestri geboren om Falstaff te zingen. De Italiaanse bariton is nog maar 43 jaar, maar de rol zingt hij al vanaf zijn 29e. Het is niet alleen zijn stem die hem zo geschikt maakt. Wat een uitstraling! Hij is groot en imposant, met een milde glimlach om zijn mond; zelfs in zijn eentje kan hij een voorstelling dragen.

In zijn ‘vroegere leven’ werkte Maestri als kok en ober in het familierestaurant in Pavia. Zijn ontdekking heeft hij aan Plácido Domingo en Riccardo Muti te danken, maar koken is nog steeds zijn hobby gebleven (op zijn YouTube-pagina heeft hij zelfs nog een kookrubriek).

Falstaff2mb_2619

Massimo Cavaletti & Ambrogio Maestri © BAUS

Massimo Cavaletti is een fantastische Ford. Zijn volumineuze bariton kent immens veel kleuren, absoluut onontbeerlijk om hem zowel als Ford als in zijn Fontana vermomming geloofwaardig te laten klinken.

Fiorenza Cedolins (Alice) heeft mij prettig verrast. Na al de zware rollen die zij eigenlijk al vanaf het begin van haar carrière zingt, verwachtte ik een dramatische sopraan die haar stem klein moest houden, maar nee! Zij zong voluit en onverwacht lyrisch.

Falstaffdsc_2408

Maite Beaumont, Fiorenza Cedolins & Lisa Oropesa © BAUS

Maite Beaumont kan er niets aan doen dat de rol van Meg zo weinig inhoudt, maar zij deed precies wat er van een “grijze muis” verwacht werd: mooi zingen en de meerdere in Mistress Alice erkennen!

Falstaffdsc_1962

 Daniela Barcellona & Ambrogio Maestri © BAUS

Daniela Barcellona (Mrs.Quickly) is niet een echte diepe alt, type Fiorenza Cossotto, maar haar ‘Reverenza’ miste niets van de guitigheid van haar grote voorgangster. En met haar bühne persoonlijkheid heeft zij heel wat publieksharten veroverd.

 

Falstaff2mb_2272

© BAUS

Het jonge koppel (Lisette Oropesa en Paolo Fanale) deed precies, wat van ze verwacht werd: verliefd zijn, en de kleine rollen van Cajus, Bardolfo en Pistola werden meer dan luxueus bezet door resp. Carlo Bosi, Patrizzio Saudelli en Giovanni Battista Parodi.

2mb_2512

© BAUS

Het was de eerste – en ik hoop niet de laatste!  – keer dat wij Daniele Gatti bij de Nationale opera mee mochten maken. Dat hij een bijzondere affiniteit met het Koninklijk Concertgebouworkest heeft is niets nieuws, maar dat zij samen ook een opera tot onverwachte hoogten konden tillen was zeer verrassend en meer dan blijmakend. Bravissimi a TUTTI!

Trailer van de productie:

Giuseppe Verdi
Falstaff
Ambrogio Maestri, Massimo Cavaletti, Fiorenza Cedolins, Daniela Barcellona, Maite Beaumont, Lisa Oropesa, Paolo Fanale, Carlo Bosi, Giovanni Battista Parodi, Patrizio Saudelli
Koor van de Nationale Opera (instudering: Bruno Casoni en Thomas Eitlesr), het Koninklijk Concertgebouw Orkest onder leiding van Daniele Gatti;
Regie: Robert Carsen

Bezocht op 7 juni 2014

Falstaff van Verdi in zes opnamen: twee op cd en vier op dvd

 

DIALOGUES DES CARMÉLITES

 

Carmelites Albert van der Zeijden

© Albert van der Zeijden

Er zijn van die opera’s die je gewoon niet kunt verpesten en Dialogues des Carmelités is er één van. Bij Poulenc staat de melodie in het centrum van zijn universum. Zijn muziek is zo schrijnend mooi en hij componeert zo beeldend dat je er eigenlijk geen regisseur voor nodig hebt.

De opera heeft opoffering, martelaarschap, revoluties en ideologieën als thema, maar dat zijn slechts de zijlijnen, want het hoofdthema is een alles vernietigende angst, waardoor je leven noch sterven kan: “Angst is een afschuwelijke ziekte. Ik ben uit angst geboren, in angst leef  ik en in angst zal ik sterven. Iedereen veracht angst, zodoende ben ik veroordeeld om veracht te zijn”.

Milaan, 1957

 

Carmelites la scala premiere

Gencer, Cossotto, Zeani, Raatti, Frazzoni en Sanzogno

De wereldpremière van Dialogues des Carmélites vond plaats op 26 januari 1957 in de Scala in Milaan, in een Italiaanse vertaling. De bezetting leest als een ‘who is who’ in de operawereld, want zeg zelf: waren er grotere namen in die tijd te vinden?

Blanche werd gezongen door Virginia Zeani, een zangeres met een volle, grote en dramatische stem, die geschikt was voor zowel Violetta als Tosca. Marie werd vertolkt door Gigliola Frazzoni, één van de beste Minnies (La fanciulla del West) in de geschiedenis. En Madame Lidoine werd toebedeeld aan Leyla Gencer.

Met Fiorenza Cossotto, Gianna Pederzini, Eugenia Ratti en Scipio Colombo in de kleinere rollen klonk de opera minder lyrisch dan we tegenwoordig gewend zijn, bijna veristisch zelfs. Maar daardoor was het dramatische effect nog schrijnender.

 

Carmelites Rehearsals with Francis Poulenc-Milano Scala-1957

Virginia Zeani en Francis Poulenc, Milaan 1957

In The Operatic PastCast vertelt Virginia Zeani over Poulenc, de invloed die de opera op haar leven heeft gehad, haar collega’s en de productie in Milaan.

De hele uitvoering uit Milaan, fantastisch gedirigeerd door Nino Sanzogno, staat gewoon op YouTube. Niet te missen!

Parijs, 1957

Carmelites Dervaux premiere

De Parijse première van Dialogues des Carmélites volgde een half jaar later. Op 21 juni 1957 werd de opera, nu in het Frans, gepresenteerd in het Théâtre National de l’Opéra.

Blanche werd gezongen door de geliefde sopraan van Poulenc, Denise Duval. Duvals stem (meisjesachtig naïef, licht, etherisch bijna) paste Blanche als handschoen.

Ook de rest van de cast, met onder anderen Régine Crespin als Madame Lidoine en Rita Gorr als wellicht de beste Mère Marie ooit, werd door Poulenc zelf uitgekozen.

Régine Crespin (Madame Lidoine) in “Mes chères filles”:

Het orkest stond onder leiding van Pierre Dervaux en daar kan ik heel kort over zijn: beter bestaat niet. Punt. (Warner 0825646483211)

 

 


Wenen, 2008 en 2011

 

Carmelites-Wenen-Breedt de Billy Oehms

In 2011 werd door Oehms een ‘Zusamennschnitt’ uitgebracht van in januari 2008 en april 2011 live in het Theater an der Wien opgenomen voorstellingen van Dialogues des Carmélites.

Sally Matthews is een zeer ontroerende Blanche, meisjesachtig maar met net voldoende karakter om haar personage body te geven. Af en toe zeurderig ook – Blanche ten voeten uit.

Deborah Polaski is onweerstaanbaar als Madame de Croissy en Michelle Breedt een meer dan een indrukwekkende Mère Marie. Alleen al vanwege haar fantastische prestatie vind ik het jammer dat de voorstelling (de prachtige Carsen productie!) niet op DVD is uitgebracht!

Het ORF orkest onder leiding van Bertrand de Billy speelt de sterren van de hemel. Ferm, waar nodig, en fluisterzacht als het niet anders kan. (Oehms OC 931)


 

Milaan, 2004

 

Carmelites Carsen Mutti

Over Robert Carsen gesproken: voor mij is zijn productie van Dialogues des Carmélites één van de absolute hoogtepunten in de geschiedenis van De Nationale Opera in Amsterdam.

In februari 2004 werd de productie in La Scala verfilmd en daar ben ik niet onverdeeld gelukkig mee. Mijn verdeeldheid slaat voornamelijk op de vertolking van de hoofdrol door Dagmar Schellenberger.

Nu is het niet makkelijk om de onvergetelijke Susan Chilcott (ze stierf in 2003 aan de gevolgen van borstkanker, nog maar 40 jaar oud) na te evenaren, en dat doet Schellenberger dan ook niet. In het begin irriteert ze me zelfs met haar sterke tremolo en de niet altijd zuivere noten. Maar naarmate de opera vordert wint ze sterk aan geloofwaardigheid, en door haar schitterende spel en de volledige overgave maakt ze de ontwikkeling van haar karakter zeer voelbaar. En alsof het vanzelfsprekend is, wordt ook haar zingen mooier en zachter.

Voor de rol van Madame de Croissy tekent één van de beste zingende actrices van onze tijd, Anja Silja. Haar optreden is werkelijk adembenemend, en al is haar stem niet echt zo vast meer – het past uitstekend bij de personage van een oude en doodzieke priores. Haar doodstrijd levert een ongekend spannend theater op, het is dan ook een groot verdienste van Carsen (en de rest van de cast), dat de scènes erna ons aandacht niet doen verslappen.

Hieronder Anja Silja in haar sterfscène:

Muti dirigeert met verve en weet precies de juiste toon te treffen om het schrikbeeld van de revolutie en haar uitwassen in klanken te schilderen. Op zijn mooist is hij echter in de lyrische, beschouwende scènes, en het ijzingwekkende einde bereikt onder zijn handen een werkelijk bloedstollend climax. Zorg er wel voor dat u een grote zak Kleenex binnen de handbereik hebt, want u houdt het echt niet droog (Arthaus 107315).

Hieronder de trailer:

 

 

Hamburg, 2008

 

Carmelites Lehnhoff dvd

Hamburg zag de opera in 2008 in de regie van Nikolaus Lehnhoff. Zijn Blanche, Alexia Voulgaridou heeft veel weg van Liu: lief, bang maar standvastig en daarin zeer indrukwekkend.

Kathryn Harries is als Madame de Croissy nog indrukwekkender dan Anja Silja. Het acteren doet zij niet alleen met haar hele lichaam maar ook met haar perfect gevoerde stem. Haar angst is fysiek voelbaar en haar sterfscène kan niemand koud laten.

Jammer genoeg is Mère Marie van Gabrielle Schnaut niet van hetzelfde kaliber. Met de restanten van de ooit zo imponerende stem wekt zij alleen maar irritatie: geen één noot is zuiver en haar verschrikkelijke wobbel voelt als marteling voor je oren. Wat een verschil met de warme Madame Lidoine, hier onvoorstelbaar mooi en liefelijk gezongen door Anne Schwanewilms!

De enscenering is zeer simpel en er zijn amper decors, wat absoluut niet storend is. En de eindscène steekt Carsen naar de kroon. (Arthouse Musik 101494)

Trailer:

München, 2010Carmelites-Tcherniakov

München zou München niet zijn zonder ‘spraakmakede’ nieuwe ensceneringen die keer op keer een schandaal veroorzaken. De Dialogues des Carmélites van Dmitri Tcherniakov uit 2010 werd dan ook niet door iedereen met open armen ontvangen. Zelf vind ik de productie zeer spannend, al gaat zijn visie mij soms iets te ver.

Allereerst: vergeet de nonnen, die zijn er niet. Wel een vrouwengemeenschap, opgesloten in een glazen huis. De wereld hebben ze buiten gelaten, maar de wereld kan ze nog steeds zien en zich met hen bemoeien. Claustrofobisch.

Blanche, fenomenaal gezongen en geacteerd door Susan Gritton, heeft duidelijk psychische problemen. Haar heldendaad aan het einde vloeit voort uit dezelfde emoties als haar angst. Twee uitersten van hetzelfde probleem.

De tegenstelling tussen een kordate, hier nogal karikaturaal als een potachtige kapo neergezette Mère Marie (fantastische Susanne Resmark) en de lieve, duidelijk een andere koers ambiërende Madame Lidoine (Soile Isokoski op haar best) kan gewoon niet groter.

En o ja: vergeet de guillotine, want die is er ook niet. Tcherniakov heeft ook het einde veranderd.

Overigens: de kans dat de dvd nog te koop is, is klein. De erven Poulenc vonden de vrijheden die Tcherniakov zich heeft gepermitteerd te ver gaan en zijn naar de rechter gestapt (BelAir BAC061).

Hieronder de trailer:

Parijs, 2013

 

Carmelites Py

Met Olivier Py weet je het nooit, al moet ik zeggen dat ik, op de afschuwelijke Les Vêpres Sicilienne in Amsterdam na, zijn meeste producties meestal uitstekend vind. Zo ook zijn Dialogues des Carmélites, in 2013 opgenomen in Parijs.

Patricia Petibon is een zangeres met een neiging tot chargeren, maar hier is zij volkomen op haar plaats. Kijkend naar haar krijg ik ongewild visioenen van Edith Piaf. Wat natuurlijk ontzettend goed bij de rol past: een klein, mager, verschrikt vogeltje.

Haar timbre ligt dicht bij die van Denise Duval, maar zij mist haar draagkracht en – voornamelijk – haar lyriek. Toch valt er niet te ontkennen dat de rol van Blanche haar zowat op het lijf is geschreven.

Sophie Koch vind ik een vreemde keuze voor Marie. Zij oogt veel te jong en mist het zekere overwicht en de overredingskracht, zo tekenend voor de rol. Waardoor ook het contrast met Lidoine (een prachtige Veronique Gens) niet groot genoeg is.

Rosalind Plowright is een uitstekende Croissy en Sandrine Piau een heerlijke Constance.

Py gebruikt de orkestrale tussenspelen om religieuze scènes te tonen, inclusief de evocatie van het Laatste Avondmaal en de Kruisiging. Soms een beetje “too much”, maar bij de laatste scène, met de donkere sterrenhemel krijg ik een brok in mijn keel. (Erato 0825646219537)

Hieronder de trailer:

 

Verfilming

Carmelites film

Wist u trouwens dat het verhaal van Dialogues des Carmélites in 1960 is verfilmd? In de film zijn onder anderen Jeanne Moreau als Mère Marie en Pascal Audret als Blanche te zien.

Hieronder de laatste scène:

JEVGENI ONEGIN. Discografie

Onegin

Jevgeni Onjegin is geen kleurrijke figuur. Hij is een nogal saaie, verveelde kwast, voor wie zelfs een vrouw versieren te veel moeite is. Door nalatenschap is hij een rijke man geworden en heeft toegang tot de “high society”, maar alles verveelt hem en eigenlijk weet hij zelf niet wat hij wil.

Hij kleedt zich volgens de laatste mode, de vraag is alleen of hij het doet omdat hij van mooie kleren houdt, of omdat het eenmaal zo hoort. Want hoe de dingen horen: dat weet hij wel.

Hij maakt ook amper een ontwikkeling door in de loop van de opera. Hij doodt zijn beste vriend nadat hij met zijn geliefde heeft geflirt – niet omdat hij daar zin in had, maar om hem (en de, in zijn ogen vreselijke, plattelanders) een lesje te leren – en zelfs dat laat hem onberoerd. Pas aan het eind wordt hij “wakker” en er komt iets van een gevoel bij hem binnen. Maar is het heus?

Niet echt iemand aan wie je een opera kan ophangen, vandaar ook dat voor veel mensen de echte hoofdpersoon niet Onjegin maar Tatyana is. Zelf weet ik het niet (als Tsjaikovski het zo had gewild dan had hij de opera “Tatyana” genoemd?), maar dat zij een veel boeiender karakter is dan de man van haar dromen staat buiten kijf.

 

CD’s

Onegin Vishnevskaya

Men zegt Tatyana, men denkt Galina Vishnevskaya. De Russische sopraan heeft een maatstaf voor de rol gecreëerd, waar nog maar weinig zangeressen aan kunnen tippen. In 1955 heeft zij de rol, samen met alle Bolshoi grootheden uit die tijd, voor de plaat opgenomen

Haar “letterscène” is wellicht de mooiste ooit, maar de opname heeft nog meer te bieden: wat dacht u Sergei Lemeshev als Lensky? Om te likkebaarden!

Sergey Lemeshev als Lensky (zijn grote aria & duel-scène)

Valentina Petrova is een weergaloze Larina, jammer genoeg is de titelheld zelf (Evgeni Belov) een beetje kleurloos. (Melodiya 1170902).


 

Onegin Wunderlich

In 1962 werd de opera live opgenomen in München (Gala GL 100.520). Ingebort Bremmert is te licht voor Tatyana, zij klinkt ook nogal scherp, maar Brigitte Fassbaender maakt veel goed als Olga. Maar voor de verandering doen de dames even niet mee, u koopt het natuurlijk vanwege de heren: Hermann Prey en Fritz Wunderlich.

Prey is een zeer charmante, galante Onjegin, meer een broertje dan een minnaar, maar de stem is zo goddelijk mooi! En over Lensky van Wunderlich kan ik zeer kort zijn: ‘wunderbar’! Het valt mij overigens weer eens op hoe sterk Piotr Beczala op hem lijkt!

Er zijn veel toneelgeluiden en het geluid is dof met veel te veel bassen. En het is natuurlijk in het Duits, maar ja, zo ging dat in die tijd. Maar het is een weergaloos document en zeker vanwege de beide zangers eigenlijk een must.

Duel-scène uit de opname (met beeld!):

Onegin Solti

In 1974 heeft Georg Solti de opera voor Decca opgenomen (4174132) en die lezing geldt nog steeds als één van de besten. In Stuart Burrows had hij de beste Lensky na Wunderlich en vóór Beczala tot zijn beschikking en Teresa Kubiak was de personificatie van Tatyana. Jong, onschuldig, een tikje geëxalteerd aan het begin van de opera en berustend aan het einde

Onder zijn leiding bloeide het orkest (Orchestra of the Royal Opera House) als de korenbloemen in de Russische velden, waardoor het duidelijk werd waarom de componist zijn opus magnus als ’lyrische scènes’ en niet als opera beschouwde.

Bernd Weikl is een zeer verleidelijke Onjegin, zijn zeer kruidige bariton is bijzonder sexy. Nicolai Ghiaurov is natuurlijk legendarisch in zijn rol van Gremin en voor mij is Michel Sénéchal wellicht de beste Triquet ooit. Enid Hartle verdient speciale vermelding als Filipyevna.



 

 

 Onegin Levine

Ik wil wat langer stilstaan bij Onjegin van Sir Thomas Allen. Hij heeft de rol ettelijke keren gezongen: zowel in het Russisch als in het Engels. In 1988 nam hij hem voor DG (423 95923) op. Tatyana werd gezongen door Mirella Freni – in de herfst van haar carrière werd het één van haar paradepaardjes. Zij overtuigt dan ook meer als de oudere Tatyana dan als het jonge meisje, maar aan haar lezing valt niets op aan te merken.

Neil Shicoff, toen nog een pracht van een lyrico was een zeer idiomatische Lensky, maar Anne Sophie von Otter overtuigde maar matig als Olga. Onder James Levine liet het Staatskapelle Dresden een onverwacht lyrisch geluid horen, met mooie lange bogen, maar niet gespeend van een gezond gevoel voor drama.

Maar goed: het gaat voornamelijk om Thomas Allen. Zijn lezing van de titelheld is bijzonder spannend en dramatisch goed onderbouwd, het is werkelijk fascinerend om te horen hoe Onjegin’s neerbuigende houding in I verandert in een zinderende passie in III. Een stemkunstenaar, niet minder.


Het is ook zeer interessant om te zien hoe hij jonge mensen coacht bij een ‘Onjegin masterclass’ (onder zijn “leerlingen” is o.a. James Rutherford):

(meer…)

Faust van ARRIGO BOITO: MEFISTOFELE

mefisto

De première van Mefistofele in 1868 in de Milanese Scala was een fiasco. Het duurde te lang (zes uur!), want in een drieste overmoed heeft Boito de complete Faust van Goethe op muziek gezet.

In de daarop volgende zeven jaar werkte hij aan de verandering en verbetering van de opera. Hij verkortte de partituur aanzienlijk, en aan de derde acte voegde  hij het duet ‘Lontano, lontano, lontano’ toe, wat één van de mooiste lyrische fragmenten in de opera zal worden.

Mafalda Favero en Antonio Melandri zingen het duet in de opname uit 1929:

 

 

NAZARENO DE ANGELIS

In Italië (en in Amerika) behoort Mefistofele tot het standaardrepertoire, maar in Nederland is het werk bij mijn weten pas in 2004 op de planken gezet door De Nederlandse Opera. De productie was, ondanks de goede vertolking van de hoofdrol door Gideon Sachs, een grote mislukking, wat voornamelijk op het conto van de regisseur (what else is new?) kan worden bijgeschreven.

Voornamelijk, want ook de Margherita van de toen inmiddels totaal uitgezongen Miriam Gauci was echt geen pretje om naar te luisteren.

mefisto-naxos

Gelukkig voor de liefhebbers bestaan er talrijke opnamen van de opera, zowel studio als live. De eerste complete opname verscheen al in 1929 (Naxos 8.110273-74), met Nazzareno de Angelis, een basso nobile en de Mefistofele van de eerste helft van de vorige eeuw. In 36 jaar tijd heeft hij de rol op zijn minst 500 keer gezongen; geen kleinigheid.

nazarenp

Nazzareno de Angelis zingt ‘Son lo spirito che nega’:

 

 

NORMAN TREIGLE

 

mefisto-treigle

Er zijn meer beroemde vertolkers van die rol geweest: Chaliapin bij voorbeeld, die hiermee zijn Europese (La Scala, 1901) en zes jaar later zijn Amerikaanse debuut maakte. Of de twee grote bassen uit Bulgarije: Boris Christoff en Nikolai Ghiaurov. En toch, geen van allen heeft zo’n stempel op die rol gedrukt als Norman Treigle.

De jong gestorven Amerikaanse bas (hij overleed in 1975 aan een overdosis slaappillen, nog geen 48 jaar oud) was een ster aan de New York City Opera, en de productie van Boito’s opera was in de jaren ’60-‘70 speciaal voor hem gecreëerd – dit om zijn enorme talent (Treigle was ook een begenadigd acteur) te exploiteren.

Treigle zingt “Ecco il monde”: live opname uit 1969:

 

In 1973 mocht hij de rol ook in de studio vastleggen onder leiding van Julius Rudel, dezelfde maestro die hem ook bij de NYCO begeleidde . Dat die twee op elkaar ingespeeld waren hoor je meteen vanaf de eerste noten van ‘Ave, Signor’, daar is geen speld tussen te krijgen. Een duet van de zanger met zijn dirigent, waarbij het orkest als een vanzelfsprekend decorum dient, een hoogstens zeldzame ervaring.

mefisto-rudel

‘Son lo spirito che nega’, een duivelse Credo (was Boito toch niet iets meer bij de “Otello” betrokken dan bekend is?), roept reminiscenties op van Iago, een menselijke duivel uit een andere opera. Treigle zingt geen duivel, nee, hij is een duivel, een huiveringwekkende reïncarnatie van de kwade genius.

Voor de rollen van Faust en Margherita werden de toen zeer jonge, maar al wereldberoemde zangers geëngageerd: Montserrat Caballe en Plácido Domingo. Caballe’s Margherita is de onschuld zelve, maar met het nodige “pit”. Een maagd nog, maar toch al een vrouw van vlees en bloed. Van haar geloof je het, dat ze van alles gedaan zal hebben om een nacht met haar geliefde door te brengen. En in haar waanzin ontroert ze met haar coloraturen – pian, pianissimo, en o zo hartverscheurend. Faust van Domingo is nog jong en naïef, hij laat zich misleiden, maar geniet er ook van. Zijn liefde voor Margherita is oprecht, maar net zo oprecht is zijn bewondering voor de schone Helena van Troje (Warner)


 

SAMUEL RAMEY

 

mefistofele-ramey

Een kleine 15 jaar later kroop Domingo weer in de rol van Faust (Sony 44983). Deze keer klinkt hij doorleefder, cynischer ook. Zijn stem is donkerder geworden en in ‘Dai campi, dai prati’ is zijn ongeveinsde bewondering voor de lente en de natuur al gekleurd door een soort visioen wat er komen gaat.

Toch laat hij nog één keer zijn jeugdige kant zien, en in ‘Lontano, lontano, lontano’ lijkt het erop dat hij daadwerkelijk gelooft dat het allemaal nog goed komt. Helaas, het komt niet meer goed, en dat is voornamelijk de schuld van Eva Marton.

Marton is een absolute misbezetting als Margherita. Het is alsof de Brünhilde haar schild had afgedaan en haar haar met een krans van witte bloemen had bedekt, daar trap je toch niet in? Wat, hoe onschuld? Die dame heeft het al ettelijke keren gedaan! Als Elena (ze zingt beide rollen) overtuigt ze veel beter, maar het kwaad is al geschied. Jammer, want voor de rest is het een hele goede opname, met … ja, ja, daar komt hij .. Samuel Ramey in de titelrol.

Was Treigle een kwade geest, een duivel, een monster, zo is Ramey het tegenoverstelde. Zijn Mefistofele is elegant en every inch een gentlemen. Een prototype Scarpia, maar wel innemender en o zo jongensachtig! Zeer bedrieglijk allemaal, geen wonder dat zelfs een doorgewinterde Faust van Domingo erin trapt.

Het goede orkest (Hungarian State Orchestra) staat onder leiding van Giuseppe Patané, maar ook orkestraal moet de opname zijn meerdere in die van Warner erkennen: mede door de flinke tempi (maar nergens te haastig) en het schitterende spel van de London Symphony Orchestra blijft Rudel mijn favoriet.

Die opname is in zij  geheel op You Tube te vinden:

In 1989 zette de San Francisco Opera Mefistofele op zijn repertoire. Voor de regie tekende Robert Carsen, toen al een beroemdheid ondanks zijn jonge leeftijd. Zijn regie was onstuimig en adembenemend.

mefisto-dvd

Samen met Michael Levine, zijn vaste decorontwerper, bouwde hij een oogverblindende wereld van schijn en bedrog. De hemel is een theater, een opera wellicht, met de aartsengelen die, verborgen achter de Venetiaanse maskers, het spektakel gaan volgen vanuit hun veilige loges. Aan het eind van de proloog doven de lichten uit en de voorstelling kan beginnen, schitterend.

Theater in het theater – het is niet echt een nieuw idee (Carsen zelf gebruikte het al o.a. voor zijn ‘Tosca’ in Antwerpen), maar nog nooit werd het zo fascinerend toegepast. Als toeschouwer snak je naar adem en je laat je meesleuren in het avontuur, dat zich zo langzamerhand ontpopt als één van de allermooiste operaproducties ooit.

Ook hier is Mefistofele (gezongen door Samuel Ramey op zijn best) een elegante schurk, een dandy, een van top tot teen verzorgde edelman. Hij is de daadwerkelijke hoofdrol die de gebeurtenissen regisseert, dirigeert en erin meespeelt. Als het nodig is, verandert hij in een eenvoudige toeschouwer, die zich stilletjes weet terug te trekken, alleen maar om op het juiste moment terug te keren.

De vierde akte wordt door Carsen opgebouwd als een concert, waar Mefistofele, compleet met rokkostuum en een dirigeerstokje, een zeer ‘klassieke’ sabbat dirigeert.

Ik heb het nooit zo gehad op Dennis O’Neill, maar hij doet het als Faust beslist niet slecht. Zijn spel komt langzaam op gang, maar hij zingt met verve en elan en dankzij de kostuumontwerper en grimeur lijkt hij zelfs een beetje op een Gregory Peck. Overigens heeft zijn Eleazar in La Juive in Amsterdam me totaal gepakt, dus ik ben veranderd van mening over hem. Mijn excuses aan deze grote artiest.

Dennis O’Neill en Samuel Ramey in de slotscène van de productie:

Gabriela Beñačková zingt de beide vrouwenrollen. Als Margherita is ze meisjesachtig en tot tranen toe ontroerend, als Elena statig mooi, een godin zowat. Haar stem is in de hoogte wat scherp en soms niet helemaal zuiver, maar wat een inzet! Wat een intensiteit en bühnepresence!

Beñačková in ‘L’altra notte’:

Wel had ik een beetje moeite met de langzame tempi. ‘Son lo spirito che nega’ bijvoorbeeld duurt bij Maurizio Arena bijna anderhalve minuut langer dan bij Rudel of Patané, waardoor het nogal sloom overkomt. Maakt niets uit, want met deze enscenering wordt bewezen dat wonderen bestaan (Arthaus Music 100414).

Samuel Ramey zingt ‘Son lo spirito’:

 

Voor meer “Fausten” zie ook:

FAUSTen van GOUNOD. En van BUSONI

PASCAL DUSAPIN: Faustus, The Last Night. ZaterdagMatinee 2010