discografieën

HÄNSEL UND GRETEL: discografie

hans-tekening

houtsnede naar de tekening van Ludwig Richter (1853)

Sprookjes! Als kind kon ik er nooit genoeg van krijgen en nog steeds ben ik er dol op. Mijn boekenkastje van toen was er goed mee gevuld en ook mijn huidige boekenkast telt ettelijke planken met van alles wat ik op dat gebied te pakken kon krijgen.

Het verhaal van de in een donker bos verdwaalde kinderen, de boze heks en – jazeker! – het peperkoekenhuisje sprak mij, een zeer op snoep verzot meisje bijzonder aan.

Dat er van het sprookje ooit een opera werd gemaakt, dat wist ik wel. In de oude Duitse verfilming van Het dubbele Lotje van Kärstner bezoekt Louise/Lotte de door haar vader gedirigeerde voorstelling van Hänsel und Gretel. De zeer dramatische scène heeft toen enorme indruk op mij gemaakt, de opera stond dus zeer hoog op mijn verlanglijstje.

Mijn eerste echte kennismaking met de opera verliep echter ronduit teleurstellend. En nog steeds kan ik niet echt warmlopen voor het werk. Het is mij niet zoet en niet eng genoeg. Al geef ik onmiddellijk toe dat een mooie, goed gezongen en geacteerde productie mij bijzonder veel plezier kan bezorgen!

De beide mij bekende dvd-opnamen zijn dat zeer zeker en ik zou waarachtig niet weten welke van de twee je zou moeten kiezen.

Royal Opera House, 2008

hans-roh

Kleur! Dat is wat het meest opvalt in de Londense (Covent Garden 2008) productie van Moshe Leiser en Patrice Caurier. Het betoverde (en betoverende) sprookjesbos is groen, de hemel blauw, het jasje van Grietje rood, en de koekjes, gebakjes, taarten en puddinkjes hebben alle kleuren van de regenboog. Of nog meer. En fel dat ze zijn!

Het is een ware lust voor het oog, maar ook de zang is op het allerhoogste niveau. Diana Damrau is een verrukkelijke Grietje en Angelika Kirschlager een jongensachtige Hans. Zelfs in scènes met echte kinderen vallen ze niet uit de toon.

Elisabeth Connell en Thomas Allen, hier als levensechte tokkies zijn goed voor veel heerlijke leedvermaak. En dat Anja Silja meer met haar spel dan met haar zang overtuigt zij haar vergeven, zij is tenslotte een heks (Opus Arte OA BD 7032)

Hieronder de trailer:

Metropolitan Opera, 2008

 hans-met

De oorspronkelijk voor de Welsh National Opera gecreëerde en in 2008 in de Met opgenomen productie van Richard Jones is minstens zo leuk.

Chistine Schäfer (Grietje) en Alice Coote (Hans) zijn misschien net iets braver, maar Rosalind Plowright en Alan Held zijn net zo lekker karikaturaal als Connell en Allen.

Wat de uitvoering tot een absolute “must have” maakt is de heks van Philip Langridge, daar kan zelfs Anja Silja niet aan tippen! En de droompantomime aan het eind van de eerste acte is gewoon kostelijk.

Tijdens de ouverture en in de pauze krijgen we een kijkje achter de coulissen en mogen we de grimeurs in actie aanschouwen. Zeer bijzonder!

Vladimir Jurowski dirigeert zeer licht, belcantesk bijna.

Waarschuwing voor de puristen: de opera wordt in het Engels gezongen! (Warner 5099920630898)

Hieronder een korte trailer:

Milaan, 1954

hansel-karajan-italiaans

Over vreemde talen gesproken: het is helemaal niet verwonderlijk dat een voor een voornamelijk jong publiek bedoelde opera in een voor hen verstaanbare taal wordt uitgevoerd.

Zo dirigeerde von Karajan in 1954 in Milaan het sprookje in het Italiaans, maar wel met twee Duitse sopranen in de hoofdrollen: Elisabeth Schwarzkopf en Sena Jurinac. Wat het  begrip “verstaanbaarheid” meteen relatief maakt.

Rolando Panerai is een heerlijke “Pietro”, maar de cd moet u natuurlijk hebben vanwege de door Rita Streich onweerstaanbaar gezongen Sand- en Taumännchen.

Het orkestklank is, ondanks het analoge geluid zeer verfijnd (Datum DAT 12314).

Von Karajan, 1953

untitled

Verfijning is ook het beste woord om de (studio) opname van Karajan uit 1953 te beschrijven. Alleen al vanwege de ouverture zou je het willen hebben. Orkestraal klinkt het nog mooier dan de opname uit Milaan, maar dat kan natuurlijk aan de voortreffelijke geluidskwaliteit liggen.

Beide Elisabethen: Grümmer en Schwarzkopf klinken zeer geloofwaardig kinderlijk. Hun ‘Brüderchen , komm tanz mit mir’ is gewoon onweerstaanbaar. Het is alleen een beetje jammer dat hun stemmen zo op elkaar lijken, waardoor je niet meer weet of het Hansje of zijn zusje is die nu aan het zingen is. (Warner 509996407162)

Eichhorn, 1971

hans-rca

Er zijn vijf redenen om de opname, die Kurt Eichhorn in 1971 voor RCA maakte aan te schaffen: Anna Moffo (Hans), Helen Donath (Grietje), Christa Ludwig (heks), Arleen Augèr en Lucia Popp (de ‘mannetjes’).

Charlotte  Berthold en Fischer Dieskau zijn niet echt opwindend en het orkest is niet meer dan okay, maar de vijf dames! En stiekem denk ik dat ik Helen Donath’s Gretel misschien de mooiste vind van allemaal. (BMG 74321 252812)

Hieronder Anna Moffo en Helen Donath in `Abendsagen`:

Parsifal. Een selectieve mini discografie

parsifal-de-verzoeking

Arthur Hacker: The Temptation of Sir Percival

Ik denk niet dat ‘Parsifal’ de moeilijkste Wagner-opera is om te zingen, althans niet voor de tenor. Oké, het eeuwenlang durende duet tussen Kundry en de titelheld vereist enorme uithoudingsvermogen, maar vergelijk het maar met een Siegfried of een Tristan!

Het is wel een zware klus voor een regisseur, want hoe moet je omgaan met de symboliek waar het werk bijna onder bezwijkt? Ga je het helemaal tot op het bot “strippen” om alle sentimentaliteit uit de weg te gaan of ga je juist voor het tegenovergestelde en gooi je er nog een steentje bovenop?

DVD’S

Stephen Langridge

Print

Van de op de IC-afdeling van een ziekenhuis opgenomen Amfortas, die vastzit aan allerlei slangen en infusen kijk ik echt niet op. Een kale Kundry? Gaap. Al zo vaak gezien. Dat haar haar groeit naarmate de opera vordert? De wonderen zijn blijkbaar de wereld nog niet uit. Dat er vrouwen rondlopen, terwijl wij het met een zeer strikte “men only” sekte te maken hebben … ach.

Alles wat je in deze Parsifal, in 2013 opgenomen in Londen, te zien krijgt, heeft niets met het libretto te maken. Maar dat is onderhand niets nieuws meer.

Stephen Langridge ontdoet het verhaal van al zijn Christelijke symbolen en brengt het naar de gewone wereld van gewone stervelingen, zegt hij. Zelf heeft hij over “humaniseren”. Eén ding moet hij mij dan uitleggen: wat doet dan de in een lendendoek gestoken jongeling, die de plaats van de heilige graal heeft ingenomen?

Vernieuwend toneel? Best. Maar Parsifal? Nee. Het beeld uitzetten is in dit geval niet echt behulpzaam: geen van de zangers kan mij echt bekoren. Gerald Finley is een kei van een acteur maar geen Amfortas. Er ontbreekt iets in zijn manier van zingen, het klinkt alsof hij het zo mooi mogelijk wil laten klinken. Maar het is niet ondenkbaar dat de regie hem in de weg staat. Afijn: zonder beeld blijft van de rol helemaal niets meer over.

Willard White (Klingsor) mist het vileine en wie het onzalige idee heeft gehad om Angela Denoke als Kundry (en nog erger: als de “stem van boven”) te casten …..  Zelfs René Pape klinkt monochroom, alsof hij zijn rol mechanisch aan het afspelen is.

En Parsifal (Simon O’Neill)? Ach. Hij doet zijn best. Een prangende vraag: weet iemand eigenlijk waarom er tegenwoordig altijd zo ontzettend spastisch bewogen moet worden?

Maar het orkest van de ROH onder Antonio Pappano speelt niet minder dan goddelijk, toch wel een belangrijk pluspunt! (Opus Arte OA 1158)

Nikolas Lehnhoff

parsifal-lehnhoff

Lehnhoff, een regisseur die ik zeer bewonder en die ik tot één van de beste hedendaagse Wagner-regisseurs reken, heeft het verhaal omgekeerd. In zijn visie strijden de Graal Ridders niet tegen de destructieve krachten, nee, zijzelf zijn de destructieve kracht.

Ooit met de beste intenties opgericht om mensen nader tot elkaar te brengen, zijn ze in de loop der tijd al hun menselijkheid kwijt geraakt, een soort sekte aldus, verstard en verroest in hun oude gewoontes. Het kan ook niet anders dan dat ze gedoemd zijn om samen met Amfortas (uit) te sterven; en willen ze overleven dan moeten ze samen met Parsifal, en met Kundry, de tunnel door, een nieuwe toekomst tegemoet. Het is een open einde, anders dan Wagner had gewild, maar zeer logisch en verklaarbaar, en als zodanig meer dan acceptabel.

De cast is voortreffelijk. Christopher Ventris is een zeer overtuigende Parsifal. Waltraud Meier is een Kundry uit duizenden en Thomas Hampson ontroert als een gekwelde Amfortas. Schitterend ook Matti Salminen (Gurnemanz) en Tom Fox (Klingsor).

De kostuums zijn prachtig en de choreografie (de dansende bloemenmeisjes en de verleidingscéne in het bijzonder) zeer fraai. Het zeer sensueel spelende Deutsches Symphonie-Orchester Berlin staat onder leiding van Kent Nagano. Deze schitterende productie was oorspronkelijk voor het ENO in Londen gemaakt, waarna zij in San Francisco en Chicago te zien was. Uit Chicago werd zij vervolgens naar Baden Baden gehaald, waar het in 2005 werd verfilmd (Opus Arte OA 0915 D)


CD’S

Jaap van Zweden

parsifal-van-zweden
Opera’s van Wagner, door Jaap van Zweden op de ZaterdagMatinee gedirigeerd, het is inmiddels een begrip geworden. Na de met jubel ontvangen opvoeringen van Lohengrin en Die Meistersinger von Nürnberg, stond het bij voorbaat vast dat ook Parsifal een feest ging worden.

Wij werden niet teleurgesteld, want wat die middag, op 11 december 2010  in het Amsterdams Concertgebouw gebeurde was niet minder dan een belevenis. Gelukkig werd de opera toen live opgenomen en is het op de markt uitgebracht (Challenge Classics CC72519). Het fraai vormgegeven, compacte doosje bevat naast 4 sacd’s een dvd met beelden van de hoogtepunten van de opera en een uitgebreid boekje met toelichtingen, synopsis en libretto.

Het is wellicht niet de beste Parsifal ooit: van Zweden begint naar mijn mening iets te voorzichtig en te nuchter, maar gaandeweg gebeurt het  ..  Klaus Florian Vogt is een lichte Parsifal, precies zoals ik mij een onnozele jongeman kan voorstellen en Katarina Dalayman een meer dan overtuigende, verleidelijke Kundry. Falk Struckman’s Amfortas klinkt zeer gekweld, maar de erepalm gaat naar de Gurnemanz van Robert Holl.

https://open.spotify.com/album/7srhSMWclQuK2bz5XgbwgC?si=o_IkBakNSbm1l97K5mjJRA

Marek Janowski

parsifal-janowski

Janowski is een zeer ervaren Wagner dirigent. Zijn Ring, die hij in de jaren tachtig voor RCA heeft opgenomen staat als een huis. In 2010 is hij met het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin aan een cyclus van 10 Wagner-opera’s begonnen, die allemaal door de Nederlandse label PentaTone Classics live worden vastgelegd.

De in april 2011 opgenomen Parsifal (PTC 5185 401 ) vind ik, zij het met een paar kanttekeningen, heel erg mooi. Elke Wilm Schulte (Klingsor) klinkt lekker gemeen en de werkelijk fantastische Franz Josef Selig zingt een zeer imponerende, maar bij vlagen ook  ontroerende Gurnemanz.

Michelle deYoung (Kundry) is een kwestie van smaak. Persoonlijk hoor ik in die rol liever een voller geluid met een betere hoogte, minder borsttonen en iets minder vibrato, maar ze weet mij toch te overtuigen. Zo ook de gekwelde Amfortas van de toen nog zeer jonge Russische bariton, Evgeni Nikitin.

Ik moet toegeven dat ik een beetje moeite heb met de vertolker van de titelrol, Christian Elsner. Hij doet mij een beetje denken aan de Wagner-tenoren van vroeger, één van de redenen waarom ik zo laat aan Wagner toekwam. Ik vind zijn stem scherp, bovendien heeft hij de neiging tot schreeuwen en dat vind ik niet mooi.

Ik heb geen SACD, maar zelfs via een gewone cd speler komt het geluid werkelijk grandioos je kamer in. Alsof je er door omringd bent, zeer natuurlijk en met een prachtige dynamiek.


Christian Tieleman

thielemann_wagner_parsifal

Van Christian Thielemann zegt men dat hij een waardige opvolger is van Furtwängler, en daar zit wat in. Zijn voorliefde voor de grote Duitse componisten steekt hij niet onder stoelen en banken, en zijn interpretaties daarvan worden dan ook zeer terecht geroemd.

Ook zijn grilligheid en eigengereidheid heeft hij met zijn illustere voorganger gemeen, zijn interpretaties zijn dan ook vaak omstreden. Ik mag dat wel, want daardoor dwingt hij zijn luisteraar tot een aandachtig luisteren. Het meest bevallen me zijn Wagner interpretaties, vaak uitbundig en breed uitgesponnen.

Op dat punt stelt hij me in de tien jaar geleden live in Wenen opgenomen Parsifal (DG 4776006) opnieuw niet teleur. Hij legt de nadruk niet zozeer op de mystiek, als wel op het menselijke aspect van het werk en het werkelijk briljant spelende orkest volgt hem op de voet.

Het was Domingo’s laatste Parsifal, die rol had hij (terecht) laten vallen, en al is hij hoorbaar niet zo piep meer, nog steeds weet hij volkomen te overtuigen. Wat ook eigenlijk voor Waltraud Meiers Kundry geldt.

Franz-Josef Selig is een fantastische Gurnemanz, zijn warme bas met een prachtig legato lijkt geschapen voor de lange monologen, en Falk Struckmann zet een pracht van een Amfortas neer .


DOCUMENTAIRE

Tony Palmer

In 1998 heeft Tony Palmer een fascinerende film gemaakt, getiteld Parsifal – The Search for the Grail (Arthaus 100610). Domingo is er de gastheer en vertelt niet alleen over het werk, maar ook over de geschiedenis van de heilige graal. Het is een zeer boeiende en leuke zoektocht, geïllustreerd door onder meer fragmenten uit Indiana Jones en Monty Python. En uit de opvoering van de opera in het Mariinski, met naast Domingo Violeta Urmana als Kundry en Matti Salminen als Gurnemanz. Gergiev dirigeert.

Wagner and Stephen Fry

wagner-fry

Een klein zijsprongetje. Een beetje film- en toneelliefhebber kent natuurlijk Stephen Fry, een van de grootste Engelse acteurs van de laatste decennia. Fry is echter meer. Door zeer openhartig over zijn homoseksualiteit en zijn psychische problemen (hij lijdt aan een manisch-depressieve stoornis, waar hij een film over heeft gemaakt, The Secret Life of the Manic Depressive) te praten, heeft hij zich buitengewoon kwetsbaar opgesteld.

Hij is ook een enorme Wagner fan, iets wat hem in zijn “bipolariteit” heeft versterkt: Fry is Joods en de meerderheid van zijn familie is in de Holocaust vermoord. Daar heeft hij ook een film over gemaakt, Wagner & Me (1102DC).

De documentaire heeft op diverse festivals prijzen gewonnen. Zeer terecht, want het resultaat is niet alleen enorm boeiend vanwege de tweespalt, of noem het een spagaat, waarin een Joodse Wagner liefhebber zich bevindt, maar geeft ons ook beelden die een gewone “sterveling” nooit te zien krijgt. Want: mocht het je ooit lukken om kaartjes voor Bayreuth te krijgen – je geraakt nooit achter het toneel.

Trailer:

2 x LES PÊCHEURS DE PERLES

parelvissers

La Scala 1886: finale vam de eerste acte

Kunt u zich het voorstellen dat ‘Les Pêcheurs de perles’ (oftewel de ‘Parelvissers’ in de volksmond), ooit één van de meest uitgevoerde werken in Nederland was?

Maar tijden (en de daarmee gepaarde mode) veranderen en de generatie die na de jaren zestig geboren is, kent de opera vrijwel alleen van zijn twee grootste hits: ‘Je crois entendre encore’, een tenoraria die op geen enkele verzamel-cd ontbreekt, en natuurlijk hét duet Au fond du temple saint’. En dat terwijl de opera zo veel meer te bieden heeft!

Neem alleen al de cavatina van Léïla, ‘Me voilà seule dans la nuit’. Het is alsof je Juliette van Gounod hoort. Verlangend, maar ook delicaat en o zo zuiver! En vergeet ‘De mon amie’ niet, een hartverscheurend duet tussen Léïla en Nadir.

Maar ‘omnia mutantur, nihil interit’ (alles verandert, niets gaat ten gronde) en dus komen veel hits van weleer terug in onze operahuizen. Zo ook Les pêcheurs de perles. Na bijna vijftig jaar van afwezigheid zet het ene na het andere operahuis het werk op het affiche, waaronder ook de Nederlandse Reisopera.

SALERNO 2012

 5028421944340_600

Een in mei 2012 in Salerno live opgenomen productie van Bizets opera werd kort erna op Brilliant Classics uitgebracht. Dirigent Daniel Oren schuwt het spektakel niet, maar blijft lyrisch en geeft de zangers alle ruimte. En dat het soms niet helemaal niet in de pas loopt, ach…

De zeer virtuoze Desirée Rancatore overtuigt als de verscheurde priesteres en Celso Albelo (Nadir) is voor  haar een perfecte match: ietwat schuw maar wel vastberaden. Mooie stem ook, maar dat wisten we al van zijn optreden als Roudi in Rossini’s Guillaume Tell tijdens ZaterdagMatinee.

Luca Grassi is een meer dan een adequate Zurga. Hij beschikt over een zeer gespierd geluid en weet alle dramatische en psychologische ontwikkelingen van zijn personage goed uit te drukken.

Het is alleen jammer dat de productie niet op DVD is uitgebracht, want naar de foto’s en Youtube fragmenten te oordelen was het ook een feest voor het oog!


Desirée Rancatore, Celso Albelo, Luca Grassi, Alastair Miles
Orchestra Filharmonica Salernitana ‘Giuseppe Verdi’ olv Daniel Oren
Brilliant Classics 94434

(meer…)

Jephta van Händel. Discografie

900x450_161749

Jephta and his daughter by Pieter Nolpe. Collectie Boijmans van Beuningen

Noodlot…. Daar is geen ontkomen aan. Denk je goden gunstig te kunnen stemmen door ze voor hun hulp en bewezen diensten een offer te beloven (een menselijk offer, met minder nemen ze geen genoegen), blijken ze er een verborgen agenda op na te houden. Tot je grote schrik kom je er dan achter, dat je plechtige belofte inhoudt dat je je eigen zoon (Idomeneo) of dochter (Jephta) hoort op te offeren. Kom er daar maar onderuit!

Gelukkig bestaat er nog zoiets als deus ex machina (zonder goede afloop was er vroeger geen publiek) en dus komt alles op zijn pootjes terecht. Min of meer.

Vijfenzestig was Händel en vrijwel helemaal blind toen hij in 1751 aan Jephta, zijn laatste oratorium begon. Ondanks de goede (nu ja, enigszins goede) afloop voelt het werk pessimistisch en zwaarmoedig aan. Het ligt ook een beetje aan de instrumentatie. Die is donker, dwingend bijna. Het laat je in ieder geval niet koud.

Thuis heb ik maar twee uitvoeringen van het werk, van Nikolaus Harnoncourt en Marcus Creed; maar dankzij Spotify heb ik ook Gardiner leren kennen.

HARNONCOURT
jephta-harnoncourt

Over Nikolaus Harnoncourt en zijn Concentus Musicus Wien (Warner Classics 2564692587) kan ik kort zijn: ouderwets lelijk. Het is duwen en trekken en zuchten dat het een lieve lust is. Het klinkt alsof iemand met behulp van een liniaal één lange, strakke lijn door de partituur heeft getrokken, geen plaats voor de menselijke emoties achterlatend. De zangers zijn niet slecht, maar het non vibrato zingen doet pijn aan mijn oren. Hoe lang kan een mens naar een fluitketel luisteren?

CREED EN GARDINER

Brilliant

De opname van het Akademie Für Alte Musik Berlin onder Marcus Creed uit 1992  (Brilliant Classics 94668) vind ik gewoon prachtig. Creed heeft korte metten met de strikte regels gemaakt en zijn zangers vrij gelaten om hun emoties te tonen. Iets, wat ze ook ruimschoots doen.

 jephta-gardiner

John Elliot Gardiner (Philips 4223512) klinkt wellicht fraaier dan Creed, maar dat kan ook aan een betere geluidskwaliteit liggen. Stephen Varcoe (Zebul bij Gardiner) heeft een aangenamer timbre dan Michael George bij Creed, maar hij kan zijn coloraturen amper aan.

Nigel Robson, Jephta van Gardiner, is geen match voor John Mark Ainsley bij Creed, maar met hem kan niemand zich meten. Niemand.

Christiane Oelze, Iphis bij Creed, prefereer ik sterk boven de ietwat iele Lynn Dawson bij Gardiner. Mijn keuze staat vast.

Harnoncourt op Spotify:

Gardiner op Spotify:



Opname van Creed op You Tube:

Zie ook de recensie uit Amsterdam: JEPHTA in Amsterdam

BILLY BUDD: geniale muziek bij een geniaal libretto

1700602

Volmaakte goedheid, heeft het recht van bestaan? In zijn roman Billy Budd plaatste  Herman Melville het absolute kwaad tegenover de volmaakte goedheid en liet beiden ten onder gaan.

billy-melville

Het verhaal over de bloedmooie, eerlijke maar o zo simpele en naïeve Billy, dat zich op een schip met alleen maar met – en tussen – mannen afspeelt, had natuurlijk altijd al een dubbele bodem. Sommige dingen konden alleen maar gesuggereerd worden. Misschien goed ook, want het leverde een paar werkelijke meesterwerken op.

Onder meer een film van Peter Ustinov met Tenerence Stamp in de hoofdrol.

Hieronder trailer van de film:

 

Én één van de beste, althans voor mij, opera’s van de twintigste eeuw.

 britten

Voor Benjamin Britten was het een dankbaar thema. Elementen als individu tegenover de  maatschappij, corruptie, sadisme, vertwijfeling, verantwoordelijkheidsbesef en natuurlijk homo-erotiek werden vaker door hem in zijn werken gebruikt. Ook zijn pacifistische ideeën kon hij er in kwijt.

Het verhaal is gauw verteld: Billy Budd wordt door de provoost Claggart beschuldigd van verraad, slaat de aanklager dood, en wordt door kapitein Vere ter dood veroordeeld.  Maar op de achtergrond spelen gevoelens van liefde, onmacht en wraak de werkelijke hoofdrol.

Voor Claggart, de verpersoonlijking van het kwaad, staat het vast dat hij de schoonheid moet vernietigen, anders wordt het zijn eigen ondergang. “Nu ik je heb gezien, wat voor keus rest mij? Met haat en nijd bereik ik meer dan met liefde” zingt hij in zijn grote, een bijna Iago-achtige aria ‘Oh beauty, oh handsomeness, goodness’.

Kapitein Vere, zich bewust van zijn ware gevoelens voor de jonge matroos, brengt de moed niet op om zijn leven te redden. Pas jaren later, terugkijkend op de gebeurtenissen van toen, komt hij tot het besef dat hij anders had moeten handelen.

Wereldpremière, 1951

billy-uppman

Billy Budd is een rol die traditioneel bezet wordt door een (zeer) aantrekkelijke zanger.
Het moet ook wel, hij wordt ook niet voor niets een “beauty” en een “baby”genoemd. Bijna altijd wordt hij gedeeltelijk of zelfs helemaal hemdloos ten tonele gevoerd – geen wonder dat bijna alle als de “hotst” bestempelde baritons die rol tegenwoordig op hun repertoire hebben staan.

Daar is Britten zelf niet geheel schuldloos aan. Zijn allereerste Billy, Theodor Uppman werd persoonlijk door hem uitgezocht op zijn buitengewoon aantrekkelijke verschijning. Niet dat hij niet kon zingen, integendeel! De Amerikaanse bariton beschikte over een zeer aangenaam, warm timbre, waarin naïviteit hand in hand ging met verscholen sex-appeal.

De wereldpremière vond plaats op 1 december 1951 in het ROH in Covent Garden en de opname ervan is gelukkig bewaard gebleven (VAIA 1034-3). Het is bijzonder fascinerend om stemmen van de zangers te horen voor wie de opera oorspronkelijk werd gemaakt.

De rol van Captain Vere werd geschreven voor Britten’s partner, Peter Pears. Niet de fraaiste tenorstem ter wereld, maar wel één met karakter, body en groot vermogen om dingen duidelijk te maken. De rol van Claggart werd gezongen door een prima (maar niet meer dan dat) Frederic Dalberg en in de kleinere rollen van Mr. Redburn en Mr. Flint horen we de grootheiden in spe: Geraint Evans en Michael Langdon. Geluidskwaliteit is verbazingwekkend goed.

In 1952 werd Billy Budd met Upmann in de hoofdrolvoor de TV opgenomen. Er bestaat een video opname van:

 

In de jaren zestig heeft Britten zijn opera bewerkt en strakker gemaakt: van de vier akten maakte hij er twee. De nieuwe versie beleefde zijn première in 1964, onder Georg Solti.

 

BBC, 1966

billy-glossop

In 1966 heeft BBC het werk in haar studio’s voor TV opgenomen en een tijd geleden werd het op DVD uitgebracht (Decca 0743256). De rol van Captain Verre werd opnieuw gezongen door Peter Pears, nu hoorbaar ouder, maar ook doorleefder. En het beeld helpt hem een handje: zijn portrettering van de vertwijfelde en aan de schuldgevoelens zowaar ondergaande oude kapitein is van een ongekende intensiteit.

Voor de rol van Billy werd een jonge Engelse bariton, Peter Glossop gevraagd – men zegt dat Uppman inmiddels zichtbaar te oud voor de rol was geworden. Men zegt ook dat Britten overwoog om voor die rol Fischer-Dieskau te vragen. Ik weet niet of het waar is (aangezien Britten zelf een knappe, jonge man voor de rol wilde hebben, lijken mij de geruchten niet meer dan geruchten), maar stel je voor! Ik moet er niet aan denken!

Glossop is veel ruiger dan alle andere Billy’s die ik ken, hij is ook aan de stevige kant, maar het is nergens storend. Je kan hem moeilijk een “baby” noemen, maar aantrekkelijk is hij zeer zeker en hij bezit de kracht om met een uithaal van zijn arm iemand te doden.

Michael London is inmiddels van Mr. Flint naar Claggart bevorderd, een rol dat hem past als een handschoen. In de kleinere rollen treffen we alweer zangers van naam: John Shirley Quirk (Mr. Redburn), Benjamin Luxon (Novice’s Friend) en als Novice een werkelijk onnavolgbare jonge Robert Tear.

Het London Symphony Orchest staat onder leiding van de immer betrouwbare Charles Mackerras.

Het is gefilmd in zwart/wit en de zeer natuurgetrouwe, realistische, beelden maken dat je je midden in een oude klassieker waant, wat natuurlijk ook klopt. Het is een film. Zonder meer fascinerend en zonder meer een must, maar natuurlijk niet te vergelijken met een live opvoering in het theater.

 

English National Opera, 1988

billy-allen

Er zijn maar liefst bijna 20 jaar voorbij gegaan voordat de eerstvolgende Billy zich aandiende, althans op een officieel document: in 1988 ensceneerde Tim Albery de opera bij de ENO (Arthaus Musik 100 278)

De productie is zowel visueel als muzikaal bijzonder sterk. De regie is strak en to the point, de beelden zeer tot de verbeelding sprekend en het libretto wordt zeer getrouw gevolgd. Hier geen spectaculaire camera voeringen: het is ook gewoon gefilmd in het huis.

Wat de uitvoering betreft … Goed, het hoge woord moet eruit: het is de beste ooit en ik kan mij gewoon niet voorstellen dat het nog ooit wordt geëvenaard.

Thomas Allen is Billy. Hij heeft alles mee om de rol zich te kunnen toe-eigenen en hij zal er waarschijnlijk tot de eeuwigheid mee worden geassocieerd. Hij heeft de looks, hij kan acteren en hij heeft een stem, die doet dat je gaat smelten. Zijn ‘Look! Through the port comes the moonshine astray” (hij was de eerste die de aria ook “meenam” naar de liedrecitals – nu doet iedere bariton het) kan je niet onberoerd laten.

Philip Langridge (Vere) overtuigt mij nog meer dan Peter Pears en Richard Van Allan lijkt een duivel in persona. English National Opera Orchestra wordt voortreffelijk gedirigeerd door David Atherton.

Hieronder Thomas Allen als Billy:

 

Chandos, 2000

billy-keenlyside

12 jaar later, in 2000, werd de opera “semi-live” opgenomen voor Chandos (CHAN 9826(3)). Dat wil zeggen: het werd weliswaar in de studio opgenomen, maar dan wel na een serie concertante uitvoeringen in het Barbican Hall.

Richard Hickox is een voortreffelijk dirigent, maar geen partij voor Atherton of Mackerras. Maar de cast is alweer subliem en als ik één cd-opera naar een onbewoond eiland mocht nemen dan is de kans heel groot dat het deze Billy gaat worden.

John Tomlinson is wellicht de sterkste van alle Claggart’s ooit, zeker vocaal. Wat een dominantie en wat een autoriteit!  Philip Langridge herhaalt zijn geniale lezing van de rol van Vere en Simon Keenlyside is, althans voor mij, één van de beste Billy’s na Thomas Allen.

Hij is minder naïef dan Allen, ruiger dan Uppman maar veel zachter dan Glossop. Hij is de goedheid … Zo mooi! Een speciale vermelding verdient Mark Padmore als Novice.

Hieronder Simon Keenlyside als Billy:

 

Virgin Classics, 2008

billy-gunn

In 2008 werd de opera opgenomen door VirginClassics (50999 5190393). London Symphony Orchestra werd gedirigeerd door Daniel Harding. Zeker goed, maar mooier dan de opnames hierboven? Nou nee.

Hier wordt de rol van Billy gezongen door één van de grootste Amerikaanse “barihunks” van het moment, Nathan Gunn. Ik heb de zanger een paar keer live gehoord en weet hoe charismatisch hij is, kies ik toch liever voor één van zijn collega’s. Zijn Billy is voor mij te zelfverzekerd, te aanwezig ook.

Gidon Saks heeft een dijk van een stem, maar het is niet genoeg voor Claggart. Bovendien klinkt hij te jong. En over Ian Bostridge (Vere) kan ik kort zijn: gemaniëreerd. Zoals alles wat hij aanraakt is ook zijn Vere zijn narcistische alter ego en geen personage uit het verhaal.

Was de opname niet op cd maar op DVD uitgekomen dat had ik het wellicht hoger aangeslagen, zeker vanwege het aandeel van Nathan Gunn, want optisch is hij echt meer dan bewonderenswaardig.

Hieronder Nathan Gunn als Billy:

 

Glyndebourne 2010

dvd_bri_billybudd

In de in juni 2010 in Glyndebourne opgenomen productie van  Michael Grandage (Opus Arte OA 1051 D), bevinden we ons daadwerkelijk op het krijgsschip, midden op de zee. Ook de tijd van handeling is duidelijk: de achtiende eeuw.

De kostuums zijn zeer natuurgetrouw en alles, wat er op de bühne gebeurt, staat ook in het libretto. Het decor is schitterend mooi en laat een verpletterende indruk achter. Hier kan men alleen maar “ach” en och” roepen.

Maar het is niet alleen de entourage dat imponeert. Michael Grandage, die hiermee zijn operadebuut maakt, creëert een sfeer die psychologisch behoorlijk geladen is. De spanning is om te snijden. Ook over zijn personenregie kan ik niet uitgepraat raken. Zo’n intelligente productie maak je tegenwoordig nog zelden mee.

Jacques Imbrailo’s fenomenale Billy hebben we in maart 2011 in Amsterdam meegemaakt, maar hier, mede dankzij de close-ups, maakt hij nog meer indruk.

John Mark Ainsley is onnavolgbaar goed als Vere en Philip Ens overtuigt als de kwade geest Claggart. Ben Johnson is een zeer ontroerende Novice en Jeremy White een meer dan voortreffelijke Dansker.

Hieronder Jacques Imbrailo als Billy:

Arabella. Discografie

arabella-uesuleac

Richard Strauss met de allereerste Arabella (Viorica Ursuleac) en Mandryka (Alfred Jerger)

Teschek, bedien dich’! Je ontkomt er echt niet aan dat de woorden van Mandryka, eindeloos door Graf Waldner herhaald, zich in je oren nestelen als een onvervalste oorwurm. ‘Teschek, bedien dich’ zingt Mandryka terwijl hij zijn dikke portefeuille tevoorschijn haalt en de bankbiljetten, gelijk bonbons, zijn aanstaande schoonvader voor zijn neus houdt.

Voor degenen die niet zo bekend zijn met het ‘Weense’, teschek is behalve een persoon die altijd aan het kortste eind trekt ook een kaartspel en wellicht een ‘delicate’ verwijzing naar de verslaving van de graaf, waardoor de familie aan de grond is geraakt, de jongste dochter verkleed als een jongen door het leven moet gaan en de oudste, Arabella, aan de hoogste bieder verkocht gaat worden. Bij wijze van spreken dan.

Hoe goed kent u de opera? Eerlijk! Ik ben de eerste om het toe te geven: tot voor kort kende ik de opera maar zo zo. Ooit heb ik haar gezien (en vergeten), ooit iets prachtigs op de radio opgevangen (Lucia Popp en Bernd Weikl! Nog steeds is het mij niet gelukt om de opname te pakken te krijgen), een fragmentje hier en daar …. Meer niet. Leuk niemendalletje, dacht ik.

Maar nu, na een paar weken ‘Arabella-dieet’ ben ik een echte aanbidder van het werk geworden. Hoe dat komt? Voornamelijk door het libretto, denk ik. De opera wordt als een lichte komedie gezien, een soort sprookje waarin alles aan het eind goed gaat komen. Maar is dat echt zo? Ik denk van niet Eigenlijk is het helemaal geen leuke opera. Want laten we eerlijk zijn: iedereen bedriegt hier iedereen en de kans dat wie dan ook gelukkig gaat worden is net zo groot als bij Sneeuwwitje.

Om met Zdenka, de haast ‘afgedankte’ dochter te beginnen: denkt u daadwerkelijk dat Matteo opeens van haar is gaan houden? Nou, ik niet! Hij moet met haar trouwen, omdat zij hem haar bed heeft ingelokt. En dat, terwijl hij dacht dat zij een man is. Maar goed, Mandryka betaalt, en aangezien alles in de opera om geld draait…

Afijn, ga er eens rustig voor zitten, want de opera is het meer dan waard. En er bestaan zo veel goede uitvoeringen!

Otto Schenk 1

arabella-janowitz

Mocht u de opera nog nooit eerder hebben gezien dan doet u er goed aan om met de film van Otto Schenk uit 1977 te beginnen (DG0743255). Larger than life, met levensechte decors. Daar kan natuurlijk geen gewone live voorstelling mee concurreren.

Gundula Janowitz is een heerlijke Arabella. Wellicht niet de beste actrice ter wereld, maar haar hoge noten zijn mooier dan mooi. Sona Ghazarian is een goede Zdenka, maar wat de opname, naast de zeer erotisch spelende Wiener Philharmoniker (Solti!) echt meer dan de moeite waard maakt is de Mandryka van Bernd Weikl. Daar wil een beetje vrouw zeker door wakker gekust worden.

Ook de kleine rollen zijn fantastisch bezet: René Kollo is een Matteo uit duizenden en ik ken geen betere Fiakermilli dan de jonge Gruberova. Tel de piepjonge (30!) Kurt Rydl als Lamoral en Margarita Lilova (Adelaide) erbij. Zonder meer goed.

Hieronder Gundula Janowitz and Bernd Weikl in de laatste akte::

Otto Schenk 2

arabella-kanawa-schenk

We blijven even bij de goede oude Otto Schenk: in 1995 is zijn productie in de Met opgenomen (DG 0730059). Kiri te Kanawa is een Arabella uit duizenden, er zijn weinig zangeressen die zich met haar in de rol kunnen meten. Strauss is altijd een beetje haar “huiscomponist”geweest en optisch is zij natuurlijk een Arabella om van te dromen.

Ook haar zusje Zdenka (Marie McLaughlin) is om van te dromen, iets wat niet van Wolfgang Brendel (Mandryka) gezegd kan worden. Van hem gaat mijn vrouwenhart niet harder kloppen. Thielemann dirigeert goed, maar mist het sensuele van Solti.

Hieronder Kiri te Kanawa zingt ‘Und du wirst mein Gebieter sein’:

Renée Fleming

arabella-fleming-zurich

En dan komen wij bij Renée Fleming (Decca 0743263). Optisch zowat de mooiste Arabella ooit. Niet alleen maar mooi, maar ook zo vol van zichzelf: je ziet haar als het ware de spiegel vragen ‘spiegeltje, spiegeltje aan de wand”…

Ik kan het natuurlijk niet meer aan Strauss vragen, maar ik vermoed dat zij voor hem de model Arabella kon zijn. Ook haar fluwelen manier van zingen alsof je onder een donzen dekbed ben geland….

Julia Kleiter is een goede Zdenka, maar Morten Frank Larsen (Mandryka) is gewoon Deens. Hij oogt Deens en hij zingt Deens. Jammer, want de regie van Götz Friedrich (Zürich 2007) is buitengewoon spannend.

Hieronder een scène met Renée Fleming en Julia Kleiter:

Sven-Eric Bechtolf
 arabella-magee

De nieuwste productie komt uit Wenen (BD EPCO 48D). Sven-Eric Bechtholf heeft mij verbaasd. Hij houdt zich goed aan het libretto en de aankleding is gewoon mooi.

Emily Magee mist het sensuele van een Fleming of te Kanawa, maar houdt zich goed staand. Genia Kühmeier is een sensationele Zdenka en Tomasz Konieczny een (inderdaad) “Oosteuropeese gastarbeider” met poen. Qua stem kan hij zich zonder meer met Weikl meten.

Trailer van de productie:

Lisa Della Casa

arabella-lisa-decca

En nu even terug in de tijd. Lisa Della Casa is voor mij de Strauss-zangeres. Luister alleen maar naar haar interpretatie van de Vier letzte Lieder! Begonnen als één van de mooiste Zdenka’s groeide zij uit tot de Arabella.

In 1958 heeft zij de rol onder Solti (Decca 4781400) opgenomen. Daar kan ik nooit genoeg van krijgen. Hilde Güden is haar zusje en het duet van de twee meisjes is van een ongekende schoonheid Twee stemmen die bij elkaar komen en elkaar omhelzen al waren ze geen zussen maar geliefden. Zo’n perfectie bereik je werkelijk zelden.

En dan de zeer erotische manier waarop Solti met de partituur omgaat… Het is één en al sensueel en feeëriek. Niet alleen wat de zang, maar ook wat de orkestklank betreft. En George London zingt Mandryka. Moet ik nog meer zeggen?


Montserrat Caballé

arabella-caballe

Caballé als Arabella

Montserrat Caballé als Arabella… Vreemd? Welnee! Zij was één van de beste Salome’s ooit, wist u dat? Zij is ook een fantastisch sensuele Arabella (BLV 107225). Ga niet om de opname heen, zeker niet omdat Zdenka hier gezongen wordt door de zeer ontroerende  Oliviera Miljakovic.

Hieronder Caballé en Miljakovic in het duet ‘Er ist der richtige’:

Engelse Arabella

arabella-steber

‘Arabella’ in het Engels? (Andromeda andrcd 5013). Waarom niet? Onvoorstelbaar hoe anders de opera dan klinkt. Het is alsof je naar pak ‘m beet Vanessa luistert. Iets om over na te denken.

Eleanor Steber mist het fluwele, maar haar betrokkenheid maakt dat je iets meer van de vrouw begrijpt. Ook Hilde Güden klinkt hier anders. Het is alsof zij aan volume en zeggingskracht wint. Ik houd ervan. En dan George London met zijn ‘I am the Mandryka, no one else’. Waarom vind ik het in het Engels nog indrukwekkender dan in het Duits?

Kiri te Kanawa

arabella-kiri-tat

En dan hebben we tot slot nog Kiri te Kanawa op cd (Decca 4783460). Zdenka (Gabriele Fontana) vind ik te zwaar en in het duet overstemt zij haar zus – niet echt mooi. Tate dirigeert onevenwichtig. Maar wat een Matteo! Peter Seiffert is meer dan heerlijk om naar te luisteren. En ook Franz Grundhebber (Mandryka) maakt de opname meer dan het beluisteren waard.


Waarom houden we van Manon Lescaut? Discografie.

manon-lescau

Waarom houden we zo van Manon? Echt deugdzaam is zij niet. Ze verlaat haar grote liefde voor een oude rijkaard, maar zodra zij verveeld raakt mag haar jonge minnaar terugkomen. Zij wil best met hem vluchten, maar dan niet zonder haar juwelen. Een kind kan zien dat het niet goed kan aflopen.

Eenmaal gesnapt wordt Manon gevangen genomen en voor straf naar Amerika verbannen, waar zij sterft in de armen van haar geliefde. De arme ziel weigerde namelijk haar te verlaten. Over liefde gesproken!

Het is dankzij Puccini, die haar karakter in de prachtigste noten heeft weten te vangen, dat zij nergens ééndimensionaal wordt en je moet van steen zijn wil je niet van haar kunnen houden.

De rol van Manon werd in 1893 in het Teatro Reggio in Turijn gecreëerd door Cesira Ferrari, een Italiaanse sopraan die haar debuut maakte als Micaëla in Carmen en drie jaar later ook de eerste Mimì in La bohème zong. Wellicht een indicatie voor het stemtype dat Puccini voor zijn Manon in gedachten had?

Hoeveel goede Manons zijn er tegenwoordig? Niet veel, denk ik. De rol stelt zeer hoge eisen aan de vertolkster. Het vereist een stem die het kinderlijk-naïeve sexappeal van het onnozele meisje uit de eerste drie akten met de echte tragédienne uit akte vier weet te combineren.

Maar ook Des Grieux is een rol die lastig valt te bezetten. De man zelf is weliswaar een mietje, maar Puccini heeft voor hem zulke heftige noten geschreven, daarbij hem voor de meest emotionele uithalen uitdagend, dat je eigenlijk Calaf in spe moet zijn wil je de opera met een nog gezonde stem overleven.
                                                 

MAGDA OLIVERO

manon-olivero-domingo

Geen twijfel mogelijk: Magda Olivero was zonder meer de beste Manon Lescaut van de tweede helft van de twintigste eeuw. In 1970, zij was toen 60 (!) jaar oud, zong zij de rol in Verona met aan haar zijde de nog geen dertigjarige Domingo. Best bizar als je bedenkt dat Olivero haar professioneel debuut heeft gemaakt acht jaar voordat Domingo werd geboren. En toch was haar portrettering van de jonge heldin volkomen overtuigend. Daar konden (en kunnen) de meeste van haar collega’s niet aan tippen!

De rol van Des Grieux was één des Domingo’s. Als Renato wist hij al zijn charmes, zijn sehnsucht en zijn jongensachtigheid (iets wat hij tot op de hoge leeftijd heeft weten te behouden) met een kanon van een stem combineren. Mijn exemplaar werd uitgebracht op Foyer (2-CF 2033), maar inmiddels bestaan er meer uitgaven in betere geluidskwaliteit en is de opname ook op You Tube te vinden.

Twee jaar later zong Olivero de rol in Caracas. De voorstelling van 2 juni 1972 werd door Legato Classics (LCD-113-2) opgenomen. Geluidskwaliteit is redelijk goed, maar wat de opname echt begerenswaardig maakt is Des Grieux van de toen zestigjarige Richard Tucker. Zo smachtend, zo verliefd, zo mooi…. Zucht. Ja, mensen: ooit werd opera door stemmen gemaakt, niet door mooie lijven!

manon-olivero-tucker-foto

Duet uit de vierde akte:

RAINA KABAIVANSKA

manon-kabaivanskaManon werd in 1970 in Verona niet alleen door Magda Olivero, maar ook door Raina Kabaivanska gezongen, met verder dezelfde cast en dezelfde dirigent. De opname is heel erg slecht en dus eigenlijk alleen voor de diehards bestemd, maar mocht je de kans krijgen om het te beluisteren: doen. Tussen Kabaivanska, die nog steeds bijzonder ondergewaardeerd is en de jonge Domingo was een chemie hoorbaar en dat komt, ondanks de slechte geluidskwaliteit, goed over. Als bonus krijgt u fragmenten uit 1953 van de live voorstelling in Mexico, met Mario del Monaco en Clara Petrella. Ook niet te versmaden! (GAO 162/63)

Het duet uit II Tu, tu, Amore? tu?:

MIRIAM GAUCI

manon-gauci

In 1991 was de Maltese Miriam Gauci niet echt een onbekende, maar haar grote carrière is pas met haar rol als Manon Lescaut in de Vlaamse Opera in Antwerpen begonnen. De opera was de eerste in de Puccini-cyclus, gemaakt door de toen beginnende Canadese regisseur Robert Carsen. Wie er toen bij was zal het nooit vergeten. Vanwege de schitterende productie, uiteraard, maar ook vanwege de verschroeiende vertolking van Gauci.

In 1992 nam Gauci de rol voor Naxos op (8660019-20), met aan haar zijde de Bulgaarse tenor Kaludi Kaludov als een zeer lyrisch klinkende Des Grieux. Zijn ‘Donna non vidi mai’ is een les in hoe je de hartstocht binnen de perken van lyriek kan houden. Om verliefd op te worden, zo mooi. De directie van Alexander Rahbari is zeer gedreven, maar mist veel nuances. Een must vanwege Gauci en Kaludov.

Highlights zijn op Spotify te beluisteren:


RENATA SCOTTO

manon-scotto

Over het aanbod op DVD kan ik heel kort zijn: schaf de Menotti productie met Renata Scotto en Plácido Domingo uit de Metropolitan Opera (1980) aan en dan bent u voor uw verdere leven klaar. Er bestaat geen andere productie die daar zelfs in de buurt kan komen en ik verwacht niet dat het binnenkort gaat gebeuren. De dwangmatigheid waarmee veel hedendaagse regisseurs alles willen updaten kan de opera alleen maar om zeep helpen. Zo was het geval met de productie van Mariusz Trelinski een paar jaar geleden in Brussel, met Eva-Maria Westbroek en Brandon Jovanovich.  En zo was het ook met de nieuwste productie uit de Met, geregisseerd door Richard Eyre, met Kristine Opolais en Roberto Alagna in de hoofdrollen.

Scotto zingt en acteert Manon zoals geen ander eerder heeft gedaan en met Domingo samen zorgt zij voor een avondje ouderwets janken. De zeer realistische, natuurgetrouwe en o zo spannende productie van Menotti kan gewoon niet mooier.Beter krijgt u het niet (DG 0734241)

CESIRA FERRARI: DE ALLEREERSTE MANON

manon-cesira-ferrari

Cesira Ferrari

Terug naar de allereerste Manon. Hoe klonk zij? Van Cesira Ferrari bestaat een opname van ‘In quelle trine morbide, gemaakt in 1905. Het staat op een dubbel cd van Standing Room Only (SRO-818-2) met de titel Creators Records. Wat je hoort is een lichte, bijna een soubretteachtige stem, maar met een donkere ondertonen. En met veel body. Zeg maar: een beetje uit de kluiten gewassen Lolita.

 

Le nozze di Figaro: discografie, deel 2

Yannick Nézet-Séguin

Nozze Yannick

Waar de meeste melomanen naar hebben uitgekeken is de nieuwste opname onder Yannick Nézet-Séguin. De charismatische Canadees is voor DG bezig om negen Mozart-opera’s live vast te leggen en Nozze is de vierde in de reeks. Onder zijn baton staat Chamber Orchestra of Europe, één van de beste (zo niet het beste) kamerorkesten ter wereld en zijn cast leest als een “who is who” van de operawereld. Het kan niet anders dan een top worden, zou je denken.

Helaas, het resultaat valt mij behoorlijk tegen. Nézet-Séguin schuwt de vaart niet en zijn tempi zijn aan de hoge kant. Op zich is dat niet erg – hij houdt het orkest licht en sprankelend – maar af en toe vertraagt hij zijn tempi drastisch, waardoor er een kunstmatig dramatisch effect ontstaat dat de zangers soms in de problemen brengt.

Figaro van Pisaroni is, zeker in de eerste acte een beetje onevenwichtig. Hampson is voor mij geen echte Graaf, daarvoor mist hij de vileine air van superioriteit.

Sonya Yontcheva (de Gravin) stelt mij behoorlijk teleur. Zij zingt prachtig, dat wel, maar echt stilistisch is het niet. Hetzelfde probleem heb ik met Christine Karg: mooi, maar Susanna wordt zij nergens. Anne Sophie von Otter is niet echt een Marcellina waar ik warm van word, maar Villazon vind ik een heerlijke Basilio. O ja, hij chargeert dat het een lieve lust is, maar Basilio kan het hebben. En zijn grote aria in IV is ronduit heerlijk.

Regula Mühlemann is een schitterende Barbarina, maar laten we eerlijk zijn: wie koopt Le Nozze vanwege Basilio en Barbarina? (DG 4795945)


Salzburg 2015 Sven-Eric Bechtolf

Nozze Salzburg

De voortvarende opkomst van dirigent Dan Ettinger voorspelt een enorme vaart, maar dat valt mee. Of tegen. Zijn tempi zijn bedeesd en de accenten die hij legt vind ik op zijn minst vreemd. Het doet mij denken aan de “goede” beginjaren van de authentieke uitvoeringspraktijk. Duwen en trekken, en duwen en trekken…

Ettinger is zijn carrière als bariton begonnen, het is dan onbegrijpelijk dat hij zo weinig oog heeft voor de zangers, ze niet ondersteunt en ze zelfs aan hun lot overlaat. Zo raakt hij zijn Figaro (Adam Plachetka niet op zijn best) al in de eerste aria kwijt. Zo slepend heb ik het niet eerder gehoord! Maar ook ‘Porgi Amor’ en ‘Voi che sapete’ gaan aan de langzame tempi ten onder.

Van de regisseur moeten we het ook niet hebben. Sven-Eric Bechtolff heeft het een en ander bij David McVicar afgekeken, alleen de logica ontbreekt. McVicar situeerde zijn productie in een kasteel in het postrevolutionaire Frankrijk, waardoor hij de veranderende sociale verhoudingen op scherp kon zetten. Bechtolf neemt ons mee naar een Engels landhuis in de jaren twintig van de vorige eeuw. Denk aan Upstairs, downstairs.

Decors en kostuums zijn weelderig en heel erg mooi, maar waarom moeten we het hele huis, waar alles tegelijk gebeurt in split screen (een nieuwe hype?) aanschouwen? Gedoe. Dat Bechtolf van gedoe houdt liet hij al in zijn Don Giovanni van een jaar eerder zien. Ik kan er niet zo goed tegen: het ging mij zo duizelen dat ik het beeld heb uitgezet.

Maar ook zonder visie valt er niet veel om van te genieten. Luca Pisaroni werd van Figaro naar de Graaf bevorderd en dat is zijn rol zeer zeker niet. Annett Fritsch is een koele Gravin en Martina Janková (wel een pracht van een stem!) is als Susanna misbezet. Zij oogt te ouwelijk en nergens wordt zij het “raak-mij-niet-zonder-handschoenen-aan-katje”, voor Susanna onontbeerlijk. (Euroarts 2072958)

Parijs 2010 Giorgio Strehler

Nozze Parijs

Al bij de eerste maten van de ouverture (Orkest van de Parijse Opera onder leiding van Philippe Jordan op zijn best) weet ik het zeker. Deze, in 2010 opgenomen 37 jaar oude productie wordt de Nozze van mijn dromen. En dan heb ik alleen nog maar het orkest van de Opéra national de Paris onder Philippe Jordan gehoord.

Een beetje geschiedenis: het was pas in 1973 dat De Opéra National de Paris Figaro’s Bruiloft in het Italiaans presenteerde. De Parijse opera kwam toen onder de leiding van Rolf Liebermann te staan, de man die al eerder Hamburg op de wereldkaart zette als één van de beste operahuizen ter wereld. De zeer stijlvolle productie werd toen gemaakt door de in 1997 overleden Italiaan Giorgio Strehler.

Ludovic Tézier is een voorbeeldige graaf, wellicht de beste sinds Thomas Allen. Koppig, irritant, betuttelend en belachelijk in zijn jaloezie, maar ook zo verdomd sexy!
Luca Pisaroni laat weer eens zien waarom Figaro een van zijn paraderollen is en Ann Murray en Robert Lloyd zijn niet te versmaden als Marcellina en Bartolo.

Zijn er dan geen minpuntjes? Ja. Drie. Susanna (Ekaterina Siurina) heeft een dik Russisch accent, de Gravin (een verder onweerstaanbare Barbara Frittoli) een beetje veel tremolo en als Cherubino, hier mooi gezongen door Karine Deshayes, prefereer ik een lichtere stem. Peanuts, eigenlijk. (BelAir BAC071)

Hamburg 1967 Rolf Liebermann

Nozze Hamburg

In 1967 was Liebermann nog de baas van het Hamburgse operahuis. Hij zorgde voor een goed, gedegen en gevarieerd repertoire met extra veel aandacht voor het hedendaags repertoire, bouwde er een fantastisch zangersensemble op en trok buitenlandse sterren en would-be sterren (in Hamburg begon de wereldcarrière van Plácido Domingo) aan.

Liebermann wordt tegenwoordig gezien als de vader van het regietheater, alleen bedoelde hij er iets anders mee dan het huidige conceptualisme waarin de grens tussen het toelaatbare en belachelijke opgezocht en vaak overschreden wordt

De zo goed mogelijk gereconstrueerde productie van Die Hochzeit des Figaro (ja, er wordt in het Duits gezongen) is van een grote historische waarde, maar dat niet alleen.
De productie is prachtig, het orkest van de Hamburgse Opera is onder dirigent Hans Schmidt-Isserstedt voortreffelijk en de zangers stuk voor stuk idiomatisch.

De Amerikaanse bariton Heinz Blankeburg is een koddige Figaro en als Susanna is Edith Mathis gewoon niet te versmaden. Eigenlijk zou ik het van daken willen roepen: zo is Susanna bedoeld! Zo en niet anders! De jonge Tom Krause is een meer dan heerlijke Graaf en Arlene Saunders een Gravin die perfect bij hem (en zijn timbre) past.

We krijgen als onderdeel van de opname zelfs een stukje historische ‘maestro to the pit’ voorgeschoteld. Goed: de band is niet helemaal gereconstrueerd, er zitten hiaten in en de kleuren zijn echt jaren zestig. Geeft niets, dat alles neem ik graag voor lief. Aanbevolen! (Arthahaus Musik 101263)


Glyndebourne 1962 Silvio Varviso

Nozze Glyndebourne

Vanaf 1960 werden alle in Glyndebourne opgevoerde opera’s live opgenomen. Het maar dan waardevolle archief is men in 2008 begonnen af te poetsen en op cd’s over te zetten.

 Het was geen toeval dat juist Figaro’s Bruiloft de nieuwe serie inaugureerde: die opera gaf namelijk in 1934 het startsein voor het nieuwe festival, dat inmiddels tot de meest prestigieuze in de hele wereld behoort.

 Gabriel Bacquier associeer je niet direct met Almaviva, en Contessa is niet de rol waar je aan denkt in verband met Leyla Gencer, maar ze zingen prachtig, met veel gevoel voor nuancen. Ook de rest van de cast is fantastisch, met voorop Mirella Freni (Susanna), toen nog aan het begin van haar carrière, en de piepjonge Edith Mathis als de ideale sopraan-Cherubino. (GFOCD 001-62)

LE NOZZE DI FIGARO: discografie, deel 1

Günther Rennert Salzburg 1966

Mozart - Le nozze di Figaro (Salzburger Festspiele, Arthaus Musik ...

 

In 1966 werd in Salzburg een pracht van een Nozze vastgelegd.
De regie van Günther Rennert is (uiteraard) traditioneel en zeer fascinerend, en de decors zijn een genot voor het oog.

Gezongen wordt er op een niveau waar je tegenwoordig nog van kan dromen, want waar vind je nog zulke ensembles, waar niets, maar ook totaal niets is op aan te merken?

Iedereen zingt en acteert ongekend goed, en de interpretatie van Edith Mathis is het bewijs dat Cherubino door een sopraan gezongen moet worden. Luister alleen maar naar haar o zo mooi gezongen “Voi che sapette”, nou, dan weet je het wel…..
Het beeld is zwart/wit, maar – who cares? (Arthouse Music 107057)

Jean-Pierre Ponelle 1976 (film)

Mozart-Bohm -Les Noces [Edizione: Regno Unito]: Amazon.it: Karl ...

Ik ben een echte fan van Jean-Pierre Ponelle’s barok-theatrale verfilmingen van de opera, maar de in 1976 gerealiseerde Nozze is voor mij een regelrechte fiasco.

Fischer-Dieskau mag dan wel mooi zingen, maar zijn sex-appeal is gelijk aan dat van een ijsberg. Prey en Freni zijn optisch te oud, wat des te meer opvalt daar ze op de huid gefilmd worden. Kiri te Kanawa lijkt totaal niet betrokken, en alleen Maria Ewing is zeer overtuigend als de onstuimige Cherubino.

Een aardigheidje voor wie daar prijs op stelt: in de rollen van Basilio en Don Curzio treden twee Nederlandse tenoren op, resp. John van Kesteren en Willy Caron, maar het playback is werkelijk storend (DG 0734034)

hele film:

John Elliott Gardiner Parijs 1993

Nozze De Figaro: Amazon.ca: Alison Hagley, Hillevi Martinpelto ...

In 1993 dirigeerde John Elliot Gardiner een ‘authentieke’ uitvoering van Nozze in het Parijse Palais Garnier. Zelf ben ik er niet zo gecharmeerd van, en dat ligt niet alleen aan de instrumenten en de snelle (toegegeven: wel mooi licht gehouden) tempi. De aankleding vind ik knudde en de make-up van de zangers ronduit stuitend.Het zou eigenlijk niet storen als er goed werd gezongen, maar dat doet op Bryn Terfel en (de onherkenbaar toegetakelde) Rodney Gilfry na eigenlijk niemand.
Wat wellicht interessant is, zeker voor de wetenschappers onder u: Gardiner gebruikte de ‘Moberly/Raeburn’-herziening van de partituur, waardoor de volgorde van de nummers in de derde akte anders is en de aria’s van Marcellina en Basilio in de vierde zijn gesneuveld. Nou ja, het staat allemaal in het tekstboek. (Archiv 0730189)

 


Christoph Marthaler Parijs 2006

W.A. Mozart / Le Nozze di Figaro / Peter Mattei / Lorenzo Regazzo ...

 

De in 2006 eveneens in Garnier opgenomen voorstelling heeft de nodige commotie veroorzaakt.

Marthaler is een goede regisseur en zijn personenregie is zonder meer fantastisch, maar zijn productie heeft bijzonder weinig met het oorspronkelijk verhaal te doen, en dat niet alleen maar omdat het zich in een hybride combinatie van een bruidswinkel en een onpersoonlijk (Oost-Europese?) kantoor afspeelt.

Ik moet toegeven – het is allemaal zeer boeiend en fascinerend gedaan, maar de vrijheden die Marthaler zich veroorlooft gaan me op bepaalde momenten echt te ver: niet alleen voegt hij er een personage aan toe, hij permitteert zich zelfs om muziek(jes) en rare geluiden aan toe te voegen.

Christiane Oelze (Gravin) is niet om aan te horen, en Lorenzo Regazzo (Figaro) chargeert te veel, maar Peter Mattei is een prima graaf en Christine Schäfer schittert als een kostelijke Cherubino. (Opus Arte OA 0960)

David McVicar Londen 2006

Nozze McVicar

Het kan ook anders … Zelden zie je de opera zo intelligent en liefdevol geënsceneerd, met zoveel respect voor zowel het libretto als de muziek.

De actie is verplaatst naar 1830 en speelt zich af in een kasteel in het postrevolutionaire Frankrijk. De strikte restricties tussen de “upper class” en de bedienden zijn aan het wankelen – er is nog een kloof, maar niet zo diep meer. Ze zoeken toenadering tot elkaar: niet alleen voor een seksueel pleziertje (seks is overigens zeer nadrukkelijk aanwezig, zonder dat het plat of vulgair wordt), maar ook voor de goede raad en ondersteuning. En er is ook moreel verval, iedereen bespioneert iedereen en niemand is eigenlijk te vertrouwen.

De oogverblindende decors en kostuums zijn zeer realistisch, en Paule Constable verdient een Oscar voor de belichting.

De hele cast, met Gerald Finley als Almaviva voorop, is fantastisch en Pappano ontlokt het orkest (en de solisten) de mooiste versieringen. Adembenemend, en wat mij betreft al een klassieker. (Opus Arte OA 0990 D)

Pique Dame, discografie

Queen_of_spades_fr.svg

De schoppenvrouw heeft voor mij altijd iets verontrustends gehad. Ik vertrouwde haar niet. Het ontbeerde haar nu eenmaal aan de liefelijkheid van de harten-, de wijsheid van de ruiten- en de treurigheid van de klavervrouw. Ik ervoer haar als dreigend.

In de opera van Tsjaikovski staat zij symbool voor de ooit bloedmooie gravin die, zoals de legende wil, in haar jeugd haar hele fortuin met het kaartspel heeft verloren en het met behulp van zwarte magie weer terugwon.

De opera is dan wel naar de “kaarten alter ego” van de gravin vernoemd, maar de echte hoofdrol behoort Herman toe. Een nogal vreemde jonge man met bezeten ogen, van wie wij weinig tot niets weten. Gelukkig maar, zou ik zeggen, het komt de spanning en de mysterie alleen maar ten goede.

In de roman van Poesjkin, waar de gebroeders Tsjaikovski hun opera op baseerden, is Herman een Duitser die aan het eind geen zelfmoord pleegt maar krankzinnig wordt en in een psychiatrische inrichting wordt opgenomen.

Lisa (in het boek geen kleindochter maar gezelschapsdame van de gravin) overleeft haar misgelopen affaire en trouwt met een rijke man.
Moet u het allemaal weten voordat u naar de opera gaat?

Alsjeblieft niet! Vandaar ook dat ik van harte hoop dat Stefan Herheim, die de Pique Dame bij ons gaat regisseren de roman negeert en zich beperkt tot waar de opera over gaat: muzikale ontleding van obsessies. Over een tot het absurdum gevoerde verslaving aan  gokken, aan liefde, aan geld, aan macht, aan alles eigenlijk. En over een alles overheersende waanzin waar ook Lisa aan ten prooi valt en waardoor zij zich gedraagt alsof zij door de duivel werd bezeten. Dit is wat er ook in de partituur staat.

GEGAM GRIGORIAN

pique-gergiev

Deze in 1992 in Mariinski opgenomen productie is een feest voor de liefhebber van de traditionele enscenering, waar geen plaats is voor  updating en zoeken naar verborgen bedoelingen. Alle decors zijn superrealistisch, er is uitgebreid aandacht besteed aan alle details en ook de kostuums lijken uit de mottenballen te zijn gehaald.

Dat het geheel toch niet heel erg oubollig overkomt is niet zozeer aan de regisseur (Yuri Temirkanov, de bekende dirigent en voormalig artistiek directeur van het Kirov) te danken, als wel aan de werkelijk superieure zangersteam.

De in maart 2016 overleden Armeense tenor Gegam Grigorian maakt van Herman een klein broertje van Otello, een ware prestatie.

Maria Gulegina is, ondanks kleine intonatieproblemen, een schitterende Lisa: verscheurd en hartbrekend.

Sergei Leiferkus zet een solide Tomsky neer en Ludmila Filatova imponeert als de oude gravin. Jammer alleen van de ondermaats bezette Yeletsky door Alexander Gergalov, maar het is hem gauw vergeven, tenslotte heeft hij maar één aria om te verpesten.

Gergiev dirigeert bezield, al is hij de subtielste niet. (Philips 070434-9)


VLADIMIR GALOUZINE

pique-dodin

De in 2005 in Parijs opgenomen productie van Lev Dodin hebben we een paar jaar eerder in Amsterdam meegemaakt: DNO bracht het al in 1998 op de planken.

Lev Dodin is een gerenommeerde toneelmaker en een grote Poesjkin liefhebber, vandaar dat hij terug wilde naar het oorspronkelijke verhaal (daar gaan we weer!), dat volgens hem door de gebroeders Tchaikovsky grondig werd verprutst.

Hij bedacht een op zich “logische” formule, waarin het hele verhaal enkel bestaat in de herinneringen van de geesteszieke Herman. Ik denk dat ik er wellicht mee zou kunnen leven als Dodin de muziek niet ondergeschikt had gemaakt aan zijn concept en niet in de partituur had gesneden: hij heeft zowat 20 minuten van Tsjaikovski’s muziek geschrapt en voegde een gesproken tekst toe. Ik beschouw het als een echte misdaad.

Muzikaal zit het echter snor. Rozhdestvensky heeft de partituur in zijn vingers en er wordt uitstekend in gezongen, voornamelijk door Vladimir Galouzine als Herman. Hij lijkt met die rol volkomen te zijn vergroeid en dwingt bewondering af voor zijn schitterende prestatie, zowel vocaal als theatraal.

Hasmik Papian is een ontroerende Lisa en als Polina horen we de jonge Christianne Stotijn. (Arthouse Music 107317


MISHA DIDYK

pique-liceu

Hier ben ik echt stil van geworden.

Van de onvoorstelbaar mooie traditionele productie in de regie van Gilbert Deflo, die zowel het libretto als de partituur tot in de details trouw volgt en daarbij ook nog eens uitdagend en ongemeen spannend is (Barcelona 2010).

Van de dirigent (Michael Boder) die de muziek met fluwelen handschoenen aanpakt, de juiste richting in stuurt en een sfeer creëert waarin pastorale scènes, liefelijke liedjes en volksdansjes elkaar met horror, angst en dood afwisselen.

Stil ook van de zangers, die alles geven wat zelfs de meest kritische mens kan verlangen. Micha Didyk is Herman. Hij zit eruit als Herman, hij gedraagt zich als Herman en hij zingt de rol zoals alleen de echte Herman het kan: gepassioneerd, geobsedeerd en tot waanzin toe gedreven. Waarlijk: ik denk niet dat er tegenwoordig nog een zanger bestaat die zich met hem in de rol kan meten. Weergaloos.

Ik kan mij ook geen betere gravin voorstellen dan Ewa Podleś: imponerend. Schitterend ook de beide baritons Lado Atanelli (Tomsky) en Ludovic Tézier (Yeletsky) en de warme Russische mezzo Elena Zaremba (Polina). Tel de oudgediende maar zeker niet vergeten Stefania Toczyska in de kleine rol van de gouvernante er bij…. Top.

Een klein beetje moeite heb ik met Emily Magee: zij oogt en klinkt voor de rol iets te oud. Als ik aan Lisa denk dan denk ik aan Natasja (Oorlog en Vrede) of Tatjana (Jevgeni Onjegin): een opgewonden jong meisje en niet een rijpe vrouw.

Desalniettemin: een absolute must. (Opus Arte OA BD 7085)

een fragment:

pique-jansosn


Met de beelden van de productie in uw hoofd kunt u achterover leunend naar de opname onder Mariss Jansons luisteren. Bij wijze van spreken dan, want ook bij Jansons is de spanning om te snijden.

Larissa Diadkova is een voortreffelijke gravin, zeer ontroerend in haar grote aria “Je crains de lui parler la nuit”. Tatiana Surjan is een stevige maar toch breekbare Lisa en in het duet met Polina (mooie Oksana Volkova) smelten hun beide stemmen tot een harmonische eenheid, zusjes waardig. Mischa Didyk is ook zonder visie de beste Herman die er is.

De, live in oktober 2014 in München opgenomen registratie klinkt meer dan voortreffelijk (BR Klassik 900129)

VLADIMIR ATLANTOV

pique-varady

Julia Varady en Vladimir Atlantov waren ooit een “match made in heaven”. In november 1984 zongen ze in München zowat de meest ideale Lisa en Herman uit de geschiedenis, al heb ik wat Atlantov betreft ook mijn bedenking.

Atlantov heeft een kanon van een stem, waardoor alles bij hem zo onvoorstelbaar makkelijk lijkt. Heel erg mooi, maar zijn Herman klinkt voor mij iets te heldhaftig en te weinig getormenteerd.

Varady is een in alle opzichten perfecte Lisa: kwetsbaar, onzeker en verliefd. Lisa’s aria “Otkúda eti slyózy” en de daaropvolgende duet met Herman “Ostanovítes” is adembenemend en van een ontroerende schoonheid. Elena Obraztsova is een zeer imponerende gravin.

Algis Shuraitis dirigeert weinig subtiel, maar zijn lezing is buitengewoon spannend met een zeer filmisch einde (Orfeo D’Or C8111121).

Atlantov in “Wat is ons leven”
Opname uit een voorstelling in Mariinsky (bij mijn weten niet op dvd):

LEYLA GENCER

 pique-gencer

Deze opname moet u natuurlijk vanwege de Turkse Diva hebben. Het is in het Italiaans en de in 1961 gemaakte opname klinkt behoorlijk dof, maar een verzamelaar neemt het allemaal voor lief.

De mij totaal onbekende Antonio Annaloro doet wat hij kan en dat is helaas weinig. Zijn weinig geïnspireerde Herman is een echte huilebalk en klinkt als een Domenico Modugno in een mini formaat. Gauw vergeten.

Maar de gravin van Marianna Radev mag er wel zijn. En “Da quando il core mi donasti” oftewel “Ya vas lyoublyu“ van Sesto Bruscantini (Yeletski) is alleraardigst en wordt terecht beloont met een opendoekje.

Nino Sonzogno doet de veristische hemel herleven, al is het hier niet helemaal terecht (Gala GL 100.792)

Lisa’s aria gezongen door Gencer: