Lisa_Della_Casa

DER ROSENKAVALIER: discografie

Rosenkavalier premiere

Scènefoto uit de wereldpremière 26 januari 1911 in de Hofoper Dresden

Jaja….. mijmert de Marschallin, daarmee de hele opera in één woord samenvattend.

Ik weet niet hoe u er over denkt, maar ik vind het geniaal. De tijd gaat voorbij, of je het wilt of niet en je je erbij neerleggen is een kunst op zich. Daar kan ik eindeloos naar luisteren, want de weemoed die het woord bij mij teweegbrengt is grenzeloos. De muziek doet dan ook even mee, op de achtergrond… Mooi.

Waarom houd ik dan niet van Der Rosenkavalier? Ik denk dat het komt door de, voor mij althans, overbodige scènes met overbodige mensen. Denk aan de eindeloos durende drukke ochtend na de gepassioneerde nacht. Of, nog erger: driekwart van de derde acte, die mij het meest aan een mislukte Falstaff doet denken.

 

Rosenkavalier Strauss

In de met Echo Klassik 2015 bekroonde documentaire Richard Strauss and his heroines (Arthaus Musik 102 181) gaat de Oostenrijkse dirigent Franz Welser-Möst nog een stapje verder. Volgens hem is “Der Rosenkavalier” een parlando opera die men ondergaat wachtend op de grote hit: het terzet. Daaromheen is de hele opera gebouwd, aldus Welser-Möst.

Trailer van de film:

DVD’s

Krassimira Stoyanova

Rosenkavalier Stoyanova

Franz Welser-Möst kan het weten: in 2014 dirigeerde hij in Salzburg één van de allerbeste en allermooiste Rosenkavalier-producties ooit, in samenwerking met oudgediende Harry Kupfer, die er haast een masterclass in regisseren van maakte. Een masterclass die verplicht zou moeten worden voor iedere regisseur die denkt met zijn ‘geniale’ concepten het wiel opnieuw te kunnen uitvinden.

De voorstelling is niet alleen prachtig om te zien, maar ook logisch en consequent. Kupfer schuwt de moderne technieken niet, maar de muziek en het libretto staan centraal: de regie is er dienstig aan gemaakt. En de werkelijk betoverend mooie videobeelden van Thomas Reimer ondersteunen het verhaal.

Krassimira Stoyanova is de Marschallin zoals ik mij haar altijd had ingebeeld: een mooie, rijpere vrouw met veel relativeringsvermogen. Günther Groissböck is een verrukkelijke Ochs met maar één minpunt: hij is té aantrekkelijk! Zijn stem, zijn acteren, maar voornamelijk zijn charisma! Ik denk niet dat ik de enige ben die de ogen niet van hem kan afhouden!

Ook de Faninal van Adrian Eröd oogt verrassend jong, wat een absolute verademing is. Bij vlagen doet hij mij aan Humberto Tan denken: de conclusie laat ik aan u over.

Sophie Koch doet het voortreffelijk als een zeer aantrekkelijke Octavian en mijn enige probleem is Mojca Erdmann. Haar Sophie klinkt exact zo als haar Lulu in Amsterdam en is evenmin te verstaan (Cmajor 719404).

Impressies van de productie:

Kate Royal

Rosenkavalier Royal

Wij blijven nog even in het jaar 2014, maar verplaatsen ons naar Glyndebourne, waar de nieuwe productie van Richard Jones een wereldwijd schandaal veroorzaakte. De aanleiding was, voor de verandering, niet de productie zelf maar de recensies in de Britse pers. Mijn Engelse (mannelijke!) collega’s vonden Tara Erraught (Octaviaan) totaal miscast: te klein, te lomp en te dik. De operawereld, en niet alleen, roerde zich. Want: mag je iemand, in dit geval een geweldige zangeres op haar uiterlijk beoordelen?

Het zal mij worst wezen hoe een zangeres eruitziet, als ze me maar met haar zang en spel weet te overtuigen, maar deze keer moet ik mijn collega’s een beetje gelijk geven. Ondanks de schmink en het (zeer lelijke) kostuum ziet Erraught er uit als een meisje. Haar werkelijk prachtige mezzo klinkt daarbij zeer vrouwelijk en met geen mogelijkheid wekt zij de schijn van een potente jongeman van 17. Ook in haar/zijn vermomming als Mariandel kan zij mij nergens overtuigen

Kate Royal is niet een echt idiomatische Marschallin: haar mooie maar zeer lichte sopraan beschikt nu eenmaal niet over het romige timbre dat de rol vereist.

Teodora Gheorghiu (Sophie) is, denk ik, de beste van het “trio”, maar ook zij weet niet zo goed wat zij met de tekst kan doen. Wat mij het meeste stoort echter is dat de stemmen niet zo goed mengen, waardoor de overhandiging van de roos (en de trio!) een beetje in de soep valt.

De productie zelf is vrij conventioneel, maar nergens ‘Weens’. Het wemelt er van flauwe, zeer seksueel getinte grappen en de beginscène met de naakte Marschallin ‘full monty’ onder de douche vind ik té.

Robin Ticciati houdt het orkest “light”: onder zijn leiding klinkt de ouverture vederlicht met veel nadruk op de melodielijn. Nafluitbaar, eigenlijk (Opus Arte OA 1170D).

Trailer:

René Fleming

 Rosenkavalier Fleming

Ooit behoorde Fleming tot mijn absolute favorieten. Met haar Desdemona, Rusalka en Salome (Herodiade van Massenet) wist ze mij tot tranen toe te roeren. Haar Blanche (A Streetcar Named Desire) was meelijwekkend en breekbaar en haar eerste Strauss-opnamen smaakten naar meer.

Helaas. Gelijkend haar oudere collega en landgenote Cheryl Studer ging ook zij zowat alles zingen en opnemen, met een soms zeer dubieus resultaat. Maar wat mij het meeste ging tegenstaan, was haar gemaaktheid, haar maniertjes en haar ‘Miss Plastic’-voorkomen. Weg gevoelens, weg emoties. Zonde.

Dat is ook te zien in de anders een werkelijk schitterende productie, in 2009 opgenomen in Baden-Baden (Decca 0743343). De regie van Herbert Wernicke is zeer doordacht  en spannend, zeer logisch ook. Decors en kostuums zijn oogverblindend en er gebeurt van alles. Er is een knipoog naar Commedia del’Arte en door het gebruik van spiegels wordt veel meer gesuggereerd dan we te zien krijgen, leuk. Prachtig.

Sophie Koch is een verrukkelijk potente Octaviaan en Diana Damrau een leuke en (soms een beetje té) guitige Sophie. Franz Hawlata is een fantastische  Ochs en in de kleine rol van de Italiaanse zanger horen we niemand minder dan Jonas Kaufmann. Ook orkestraal valt er veel te genieten, al gaat Thielemann er soms heel erg zwaar doorheen.

Renée Fleming zingt prachtig mooi, zonder meer, maar: kunt zich voorstellen dat u, na een overheerlijke nacht, vol liefde en passie, wakker wordt met een perfect zittend kapsel? Dat bedoel ik dus.

Een repetitiefragment:

 

Adrianne Pieczonka

Rosenkavalier Pieczonka

De voorstelling, in 2004 opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Arthaus 107139) heeft werkelijk alles in zich om tot de top tien van de beste producties te behoren.

De Canadese Adrianne Pieczonka is voor mij één van de spannendste sopranen van de laatste tijd. Haar klank is open, haar hoogte soepel en haar geluid vol en warm. Bovendien weet ze op een zeer natuurlijke manier de noten op te laten bloeien, zonder dat ze ze van onder aanpakt. Ze is ook wars van maniertjes, echt een verademing! In veel opzichten, ook visueel, doet zij mij aan Tomowa-Sintow denken.

Angelika Kirschschlager is een verrukkelijke Octaviaan en Miah Persson een schattige Sophie.

Franz Hawlata oogt een beetje jong voor Ochs, maar wist u dat de baron in werkelijkheid nog geen 40 was?

De productie zelf vind ik ongekend mooi en spannend. Regie lag in handen van Robert Carsen die daarmee alweer heeft bewezen dat hij toch echt bij de absolute top hoort.

De kleine rol van de Italiaanse tenor is zeer luxueus bezet door Piotr Beczala, die er zijn Salzburger debuut mee maakte.

Het Wiener Philharmoniker wordt zeer lyrisch maar tegelijk ook gespierd gedirigeerd door Semyon Bychkov.

Nieuwsgierig?
Hier kunt u een fragment zien:

 

Claire Watson

Rosenkavalier Kleiber

Net als voor zijn vader Erich, was ‘Der Rosenkavalier’ een paradepaardje van Carlos Kleiber, een van de meest charismatische dirigenten van de laatste 50 jaar.  In 1973 werd de opera live geregistreerd tijdens het Münchner Festival en een jaar of twee geleden op Orfeo (C 581 083 D) uitgebracht.

Bij de enthousiast ontvangen première een jaar eerder werd de Marschallin gezongen door Gwyneth Jones (er bestaat een DVD-opname van), nu werd ze vervangen door Claire Watson, jarenlang het boegbeeld van het Münchense ensemble. Watson is een wat rijpere Marschallin, weemoedig, bitterzoet en niet gespeend van humor. Ik vind het mooi.

Karl Ridderbush is werkelijk kostelijk als Ochs: lomp en over alles heen walsend, maar in zijn walsjes klinkt hij toch oprecht ouderwets melancholisch. De Sophie van Lucia Popp is onnavolgbaar: kwikzilverig, flirterig en kwetsbaar. Haar pure meisjesachtige sopraan smelt in perfecte harmonie met de donkere mezzo van Brigitte Fassbaender, twee stemmen die daadwerkelijk verliefd op elkaar zijn geworden.

Maar het mooiste is het orkest. Kleiber ontlokt de beoogde ‘zilverklank’ en vervlecht het natuurlijke sentiment met ironie en een zekere hang naar vroeger.

De opname werd al eerder op verscheidene piraten-labels te koop aangeboden, maar nu kunnen we hem eindelijk in een goede geluidskwaliteit beluisteren.

Claire Watson, Brigitte Fassbaender en Lucia Popp in de Finale:

 

Anna Tomowa-Sintow

Rosenkavalier Tomova 

Tomowa-Sintow behoorde tot de lievelingszangeressen van Herbert von Karajan. Begin jaren zeventig haalde hij haar naar Salzburg, waardoor ze internationaal kon doorbreken. Zij heeft ook veel opnamen onder de maestro gemaakt, voornamelijk Mozart en Strauss. De Marschallin had ze onder zijn leiding al in 1984 voor Deutsche Grammophon opgenomen, maar ik ken die opname niet.

Wel een andere, op 3 maart 1995 live opgenomen in Covent Garden (Opus Arte OA CD9006). In 1995 was ze al een rijpe vrouw en zo klinkt ze ook. Maar haar vertolking is meer dan roldekkend: ze zingt niet alleen doorleefd maar heeft ook allure.

Ann Murray (ach! Wat een zangeres!) is een verrukkelijke Octavian en Barbara Bonney een wellicht niet voor de hand liggende, maar wel een heerlijke Sophie.

De walsjes zijn onder handen van Andrew Davis heel erg luchtig, wat ook de hele opname een opvallend milde toon geeft.


 

 

Arabella. Discografie

arabella-uesuleac

Richard Strauss met de allereerste Arabella (Viorica Ursuleac) en Mandryka (Alfred Jerger)

Teschek, bedien dich’! Je ontkomt er echt niet aan dat de woorden van Mandryka, eindeloos door Graf Waldner herhaald, zich in je oren nestelen als een onvervalste oorwurm. ‘Teschek, bedien dich’ zingt Mandryka terwijl hij zijn dikke portefeuille tevoorschijn haalt en de bankbiljetten, gelijk bonbons, zijn aanstaande schoonvader voor zijn neus houdt.

Voor degenen die niet zo bekend zijn met het ‘Weense’, teschek is behalve een persoon die altijd aan het kortste eind trekt ook een kaartspel en wellicht een ‘delicate’ verwijzing naar de verslaving van de graaf, waardoor de familie aan de grond is geraakt, de jongste dochter verkleed als een jongen door het leven moet gaan en de oudste, Arabella, aan de hoogste bieder verkocht gaat worden. Bij wijze van spreken dan.

Hoe goed kent u de opera? Eerlijk! Ik ben de eerste om het toe te geven: tot voor kort kende ik de opera maar zo zo. Ooit heb ik haar gezien (en vergeten), ooit iets prachtigs op de radio opgevangen (Lucia Popp en Bernd Weikl! Nog steeds is het mij niet gelukt om de opname te pakken te krijgen), een fragmentje hier en daar …. Meer niet. Leuk niemendalletje, dacht ik.

Maar nu, na een paar weken ‘Arabella-dieet’ ben ik een echte aanbidder van het werk geworden. Hoe dat komt? Voornamelijk door het libretto, denk ik. De opera wordt als een lichte komedie gezien, een soort sprookje waarin alles aan het eind goed gaat komen. Maar is dat echt zo? Ik denk van niet Eigenlijk is het helemaal geen leuke opera. Want laten we eerlijk zijn: iedereen bedriegt hier iedereen en de kans dat wie dan ook gelukkig gaat worden is net zo groot als bij Sneeuwwitje.

Om met Zdenka, de haast ‘afgedankte’ dochter te beginnen: denkt u daadwerkelijk dat Matteo opeens van haar is gaan houden? Nou, ik niet! Hij moet met haar trouwen, omdat zij hem haar bed heeft ingelokt. En dat, terwijl hij dacht dat zij een man is. Maar goed, Mandryka betaalt, en aangezien alles in de opera om geld draait…

Afijn, ga er eens rustig voor zitten, want de opera is het meer dan waard. En er bestaan zo veel goede uitvoeringen!

 

Otto Schenk 1

arabella-janowitz

Mocht u de opera nog nooit eerder hebben gezien dan doet u er goed aan om met de film van Otto Schenk uit 1977 te beginnen (DG0743255). Larger than life, met levensechte decors. Daar kan natuurlijk geen gewone live voorstelling mee concurreren.

Gundula Janowitz is een heerlijke Arabella. Wellicht niet de beste actrice ter wereld, maar haar hoge noten zijn mooier dan mooi. Sona Ghazarian is een goede Zdenka, maar wat de opname, naast de zeer erotisch spelende Wiener Philharmoniker (Solti!) echt meer dan de moeite waard maakt is de Mandryka van Bernd Weikl. Daar wil een beetje vrouw zeker door wakker gekust worden.

Ook de kleine rollen zijn fantastisch bezet: René Kollo is een Matteo uit duizenden en ik ken geen betere Fiakermilli dan de jonge Gruberova. Tel de piepjonge (30!) Kurt Rydl als Lamoral en Margarita Lilova (Adelaide) erbij. Zonder meer goed.

Hieronder Gundula Janowitz and Bernd Weikl in de laatste akte::

Otto Schenk 2

arabella-kanawa-schenk

We blijven even bij de goede oude Otto Schenk: in 1995 is zijn productie in de Met opgenomen (DG 0730059). Kiri te Kanawa is een Arabella uit duizenden, er zijn weinig zangeressen die zich met haar in de rol kunnen meten. Strauss is altijd een beetje haar “huiscomponist”geweest en optisch is zij natuurlijk een Arabella om van te dromen.

Ook haar zusje Zdenka (Marie McLaughlin) is om van te dromen, iets wat niet van Wolfgang Brendel (Mandryka) gezegd kan worden. Van hem gaat mijn vrouwenhart niet harder kloppen. Thielemann dirigeert goed, maar mist het sensuele van Solti.

Hieronder een scène met Kiri te Kanawa en Marie McLaughlin:

Renée Fleming

arabella-fleming-zurich

En dan komen wij bij Renée Fleming (Decca 0743263). Optisch zowat de mooiste Arabella ooit. Niet alleen maar mooi, maar ook zo vol van zichzelf: je ziet haar als het ware de spiegel vragen ‘spiegeltje, spiegeltje aan de wand”…

Ik kan het natuurlijk niet meer aan Strauss vragen, maar ik vermoed dat zij voor hem de model Arabella kon zijn. Ook haar fluwelen manier van zingen alsof je onder een donzen dekbed ben geland….

Julia Kleiter is een goede Zdenka, maar Morten Frank Larsen (Mandryka) is gewoon Deens. Hij oogt Deens en hij zingt Deens. Jammer, want de regie van Götz Friedrich (Zürich 2007) is buitengewoon spannend.

Hieronder een scène met Renée Fleming en Julia Kleiter:

Sven-Eric Bechtolf
 arabella-magee

De nieuwste productie komt uit Wenen (BD EPCO 48D). Sven-Eric Bechtholf heeft mij verbaasd. Hij houdt zich goed aan het libretto en de aankleding is gewoon mooi.

Emily Magee mist het sensuele van een Fleming of te Kanawa, maar houdt zich goed staand. Genia Kühmeier is een sensationele Zdenka en Tomasz Konieczny een (inderdaad) “Oosteuropeese gastarbeider” met poen. Qua stem kan hij zich zonder meer met Weikl meten.

Trailer van de productie:

Lisa Della Casa

arabella-lisa-decca

En nu even terug in de tijd. Lisa Della Casa is voor mij de Strauss-zangeres. Luister alleen maar naar haar interpretatie van de Vier letzte Lieder! Begonnen als één van de mooiste Zdenka’s groeide zij uit tot de Arabella.

In 1958 heeft zij de rol onder Solti (Decca 4781400) opgenomen. Daar kan ik nooit genoeg van krijgen. Hilde Güden is haar zusje en het duet van de twee meisjes is van een ongekende schoonheid Twee stemmen die bij elkaar komen en elkaar omhelzen al waren ze geen zussen maar geliefden. Zo’n perfectie bereik je werkelijk zelden.

En dan de zeer erotische manier waarop Solti met de partituur omgaat… Het is één en al sensueel en feeëriek. Niet alleen wat de zang, maar ook wat de orkestklank betreft. En George London zingt Mandryka. Moet ik nog meer zeggen?


Montserrat Caballé

arabella-caballe

Caballé als Arabella

Montserrat Caballé als Arabella… Vreemd? Welnee! Zij was één van de beste Salome’s ooit, wist u dat? Zij is ook een fantastisch sensuele Arabella (BLV 107225). Ga niet om de opname heen, zeker niet omdat Zdenka hier gezongen wordt door de zeer ontroerende  Oliviera Miljakovic.

Hieronder Caballé en Miljakovic in het duet ‘Er ist der richtige’:

Engelse Arabella

arabella-steber

‘Arabella’ in het Engels? (Andromeda andrcd 5013). Waarom niet? Onvoorstelbaar hoe anders de opera dan klinkt. Het is alsof je naar pak ‘m beet Vanessa luistert. Iets om over na te denken.

Eleanor Steber mist het fluwele, maar haar betrokkenheid maakt dat je iets meer van de vrouw begrijpt. Ook Hilde Güden klinkt hier anders. Het is alsof zij aan volume en zeggingskracht wint. Ik houd ervan. En dan George London met zijn ‘I am the Mandryka, no one else’. Waarom vind ik het in het Engels nog indrukwekkender dan in het Duits?

Kiri te Kanawa

arabella-kiri-tat

En dan hebben we tot slot nog Kiri te Kanawa op cd (Decca 4783460). Zdenka (Gabriele Fontana) vind ik te zwaar en in het duet overstemt zij haar zus – niet echt mooi. Tate dirigeert onevenwichtig. Maar wat een Matteo! Peter Seiffert is meer dan heerlijk om naar te luisteren. En ook Franz Grundhebber (Mandryka) maakt de opname meer dan het beluisteren waard.