Thomas_Allen

CHRISTOPH WILLIBALD GLUCK EN ZIJN IPHIGENIEËN

Iphigenie von Anselm Feuerbach

Iphigenie door Anselm Feurbach (1862)

Ik ben geen echte Gluck-fan – zijn opera’s zijn me vaak te statisch en te ‘klassiek’ van vorm. Soms bekruipt mij het idee dat bij hem de tijd even stil heeft gestaan. We hebben immers al Monteverdi en een beetje Mozart gehad?

Maar ik kan niet ontkennen dat hij een meester was in het scheppen van sfeer – meestal verstild, dat wel – die tot de diepste roerselen van je ziel kon reiken. Veel van zijn melodieën kunnen je ook niet onberoerd laten: denk alleen maar aan de twee overbekende aria’s uit Orfeo ed Euridice, daar komt een beetje gevoelsmens niet droog doorheen.

Glucks grootste verdienste was echter het wakker schudden van de ingeslapen Franse opera. Men kwam toen niet verder dan Lully en Rameau; voor de Fransen betekenden de opera’s van Gluck hun eerste revolutie.

Het ging natuurlijk niet van harte, maar ja, zo gaat dat met revoluties. Zelfs (of misschien juist?) de culturele. En de Fransen waren strijdvaardig en fel: was de oorlog tussen de Lully- en Rameau-aanhangers eindelijk geluwd, nu kwam het tot de uitbarsting tussen de aanhangers van Gluck en Niccola Piccinni.

Beide componisten hadden net een opera over Iphigeneia gecomponeerd en dat heeft de massa’s de straat op laten gaan (hier een zucht: ik zou er heel wat voor over hebben om dat soort straatrellen en demonstraties nog mee te kunnen maken, maar dit terzijde).

Iphigeneia en haar lotgevallen zijn de hoofdthema’s van twee opera’s van Gluck. Ik weet eigenlijk niet of ze inderdaad bedoeld waren als een tweeluik, maar logisch is het wel. Het ‘Aulide’-deel vertelt hoe ze bijna geofferd wordt aan Diana in de aanloop naar de Trojaanse oorlog. In deel twee leren we hoe het haar verder verging in het barbaarse Tauris.

De première van Iphigénie en Aulide in 1774 schijnt een fiasco te zijn geweest. Men schreef het op het conto van de bovengenoemde componistenstrijd, maar of het waar is?

Ik heb de opera maar één keer live gehoord en ik bezit er maar twee opnames van. Niet echt veel, nee. Maar ik moet ook eerlijk bekennen dat de muziek, afgezien van een paar aria’s (het lamento van Clytamnestra!), mij weinig bekoort.

IPHIGÉNIE EN AULIDE

Iphigenie en Aulide

 

JOHN ELLIOT GARDINER

 Iphigenie Gluck Gardiner

Veel keuze is er niet, maar is het eigenlijk erg? Met de lezing van John Eliot Gardiner haalt u alles in huis wat u nodig hebt. Zijn tempi zijn om te zoenen. Met een rustig begin van de ouverture (windstilte!) gaat Gardiner over tot een kleine woedeuitbarsting. Met het begin van de monoloog van de gekwelde Agamemnon (een fenomenale José van Dam, daar komt niemand in de buurt!) gaat hij over naar meer bedaardheid, maar je voelt de onderhuidse spanning.

Anne Sophie von Otter is een mooie Clytemnestre, maar ik mis de woede. Toch klopt het in de opvatting van Gardiner, waar alles ingetogen en klein wordt gehouden. Daar is de zeer kleine, heel erg meisjesachtige stem van Lynne Watson (Iphigénie) helemaal op zijn plaats. En daar past een lieve, weinig macho Achille van John Aller perfect bij.

De opera werd een tijd geleden heruitgebracht in een doosje met 4 cd’s, waar u behalve Iphigénie en Aulide ook Glucks onbekende werken La Rencontre imprévue ou Les Pèlerins de la Mecque en Don Juan ou Le Festin de pierre kon vinden (Erato 2564 69562-0). Helaas is het doosje ook al uit de handel…


 

KARL BÖHM

 Iphigenie Aulis Böhm

Karl Böhm dirigeert precies zoals we het van hem verwachten: breedvoetig, maar met flinke tempi. Het Wiener Philhamonieker klinkt zoals een groot orkest hoort te klinken. Met veel volume, maar ook met een scala aan nuancen.

Ik denk dat de opname een gruwel kan zijn voor de puristen, want er is niets, maar dan ook niets idiomatisch aan. Om te beginnen wordt er in het Duits gezongen. De stemmen zijn groot, soms best zwaar. Christa Ludwig (Iphigenie) is allang geen meisje meer en Achille is met een stem als een kanon (James King op zijn best) een krijger zonder weerga.

Walter Berry is een zeer ontroerende Agamemnon, maar wat de opname echt bijzonder maakt, is Inge Borkh’s Klytämnestra. Als je daar onberoerd onder blijft, heb je geen hart.

De opera is in 1962 live opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Orfeo d’Or 428962).

 

Hieronder zingt Inge Borkh ‘Du zum Tode bestimmt’:

 

 

IPHIGÉNIE EN TAURIDE

Iphigenie met Pylades en Orest

Iphigenie met Orest en Pylades  Angelika Kauffmann (1787)

De oorlog is inmiddels lang voorbij, haar vader en moeder zijn vermoord en ook haar zus Elektra is dood. Hier beleeft zij het weerzien met haar doodgewaande broer Orestes en wordt zij weer eens verliefd. Dat alles natuurlijk niet zonder allerlei verwikkelingen en al helemaal niet zonder goddelijk ingrijpen.

In tegenstelling tot Aulide ben ik werkelijk gek op Tauride. En ik ben niet de enige, niemand minder dan Schubert ging mij voor. Volgens één van zijn vrienden heeft hij ooit gezegd dat hij ‘totaal buiten zichzelf was door de impact die deze prachtige muziek op hem heeft gehad en verklaarde dat er niets mooiers in de wereld bestaat’.

En ‘wij’ zijn de enigen niet. Terwijl de officiële catalogus maar 3 (drie!) cd-opnamen van Aulide vermeldt, komt Tauride er met negen opnamen op cd en één op dvd veel beter af. En dan hebben we de piraten niet eens genoemd!

Waarom de ene Iphigénie wel en de andere niet? Zelf vind ik Tauride veel spannender dan de nogal statische Aulide. Er zit veel meer drama in en de muziek is zonder meer innovatief – je herkent meteen de weg naar Berlioz. Hiermee was Gluck een echte precursor.

Ook de karakters zijn beter uitgewerkt en de rol van Iphigénie was dramatisch genoeg om zulke uiteenlopende zangeressen als Maria Callas, Montserrat Caballé, Shirley Verett en Sena Jurinac, om een paar grootheden te noemen, aan te spreken. Allemaal hebben ze haar op de lessenaar gehad ….

 

JOHN ELLIOT GARDINER

Iphigenie Tauris Philips

Objectief gezien bent u net als bij Aulide bij Tauride het beste af bij Gardiner (Philips 478 1705). Thomas Allen is een mannelijke, maar zeer beheerste Oreste en John Aler is een zoetgevooisde Pylade. Mooi, maar zonder – hmmmm, hoe zal ik het netjes uitdrukken? – het mannelijke testosteron…

Diana Montague, een mezzo (!), heeft een pracht van een lyrische stem, licht en wendbaar. En René Massis is een voortreffelijke Thoas.

De opname is me zeer dierbaar, maar als ik eerlijk mag zijn: ik mis drama.


 

RICCARDO MUTI

iphigenie-en-tauride-muti-la-scala

Muti is, zoals altijd, bijzonder trouw aan de partituur en wat is het levendig! Zijn storm is inderdaad stormachtig, daar word je bijna duizelig van.

Carol Vaness is een Iphigénie naar zijn hand. Al meteen bij haar eerste aria gaat zij zo hysterisch te keer dat je meteen recht op je stoel gaat zitten. Je voelt op je klompen aan: het wordt een drama van jewelste. En je wordt niet teleurgesteld, want de spanning is om te snijden.

Carol Vaness sings  ‘Ô malheureuse Iphigénie!’

Ook Thomas Allen haalt hier echt uit. Bij Muti is hij veel minder beschaafd dan bij Gardiner, je kan zelfs angst in zijn stem horen. Ik mag het.

De opname heeft ook een extra troef – de rol van Pylade wordt gezongen door de veel te jong gestorven Gösta Winbergh (hij stierf in 2002 aan een hartaanval, nog geen 50 jaar oud). Een zanger die, zoals zijn landgenoot Gedda, werkelijk alles in zijn stem verenigde: de lyriek van Tagliavini, de elegantie van Kraus en de mannelijkheid van zijn andere landgenoot, Jussi Björling. Nog net met een been in Mozart, maar met het ander al voorzichtig Wagner aftastend. Daar wordt een mens droevig van.

De opname (Sony 52492) is live, wat behalve applaus en toneelgeluiden ook het gevoel ‘ik ben erbij’ meegeeft. Ik vind het prachtig, maar ik kan me voostellen dat de meeste mensen voor de veilige en betrouwbare Gardiner kiezen.

 



 

 

JOSEPH KEILBERTH

Iphigenie Tauris Keilberth

Over Nicolai Gedda gesproken: in de opname onder Joseph Keilberth uit 1956 (Capriccio 5005) zingt hij de rol van Pylades. De opvatting van de dirigent is zeer vooruitstrevend, zeker voor de tijd – het lijkt meer op Gardiner dan op Muti, al heeft hij ook wat van het hysterische van de laatste.

Hermann Prey doet mij een beetje aan Thomas Allen denken, zeker vanwege de lyriek, de lichte smacht en het onnadrukkelijk zingen. Echt woedend wordt hij niet, hij is meer van het treurende type.

Maar dan Gedda! Daar smelt niet alleen het hart van Iphigénie (een zeer elegante maar wel met schmalz zingende Hilde Zadek) van, daar gaat ook Diana humaan van worden. Geen wonder dat uw discografe een traantje moest wegpinken. Het geluid is een beetje dof, maar het went snel. En ja, het is in het Duits.

Zie ook:
ORESTEIA. A music Trilogy
Heftige vrouwen in heftige opera: 3 x Elektra van Richard Strauss
ELEKTRA aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker

COSI FAN TUTTE: zo doen ze het allemaal (maar sommigen doen het gewoon beter)

Discografie in dertig jaar, acht dvd’s en één cd

Cosi_fan_tutte_-_first_performance

GLYNDEBOURNE 1975

Cosi Glyndebourne

Geloof het of niet, Cosi van tutte werd vroeger maar zelden opgevoerd. Men vond het libretto immoreel, want om de ontrouw van vrouwen te bewijzen doet iedereen het met iedereen.

Maar in Glyndebourne heeft de opera altijd repertoire gehouden; daar werd ook in 1935 onder leiding van Fritz Busch de allereerste opname gemaakt. Geen wonder dat er tussen Glyndebourne en Cosi een bijzondere relatie bestaat.

In 1975 werd er een schitterende voorstelling van gemaakt, met een voornamelijk jonge cast (Arthaus Musik 101 081). Tegenwoordig – met uitzondering van Thomas Allen (toen Guglielmo, inmiddels een don Alfonso van formaat) – klinken hun namen ons onbekend in de oren, maar in de jaren zeventig waren ze allemaal gevierde Mozart zangers. Terecht. Noch op hun zang, noch op hun spel valt er iets aan te merken, het is van het hoogste niveau.

Thomas Allen zingt ‘Donne mie, la fate a tanti’:

De decors en kostuums zijn traditioneel en zeer kleurrijk. De voor de jaren zeventig karakteristieke make-up en kapsels hebben wel een sterk stempel op de productie gedrukt, wat je samen met de typisch Zweedse gezichten van Helena Doese en Sylvia Lindenstrand af en toe aan het optreden van ABBA doet denken.

SALZBURG 1983

 

Cosi Muti Hampe

 

Tijdens de Salzburger Festspiele in 1983 dirigeerde Muti een zeer geslaagde Cosi in de regie van Michael Hampe (ARTHAUS 107 219). De decors, met onder meer mooie uitzichten op Napels, zijn zeer realistisch, maar nergens overdadig. Ook de kostuums zijn mooi en flatterend, en het is plezierig om naar te kijken. De zussen, gezongen door Margaret Marshall (Fiordiligi) en Ann Murray (Dorabella), maken ondanks hun volwassen uiterlijk een zeer jeugdige indruk. Ze zijn ondeugend, zoals alle 15-jarige meisjes, en eigenlijk vanaf het begin al flirterig, en ze laten zich alle aandacht welgevallen.

Don Alfonso (een schitterende Sesto Bruscantini) is hier meer een grappenmaker dan een kwade genius, en ook Guglielmo (een jonge James Morris) en Ferrando (Francisco Araiza) lijken niet bijzonder onder de ontrouw van hun vriendinnen te lijden. De actie verloopt en beetje traag, maar daardoor is er veel aandacht voor de muzikale kant van de voorstelling, en die is niet mis.

Muti dirigeert lichtvoetig, maar ook rustig en bedachtzaam, en geeft de zangers alle tijd om al hun noten uit te zingen. Marshall en Murray geven een voorbeeld van lange Mozartiaanse zanglijnen en hun stemmen smelten in een perfecte eenheid; het is gewoonweg ouderwets prachtig. Ook de mannen mogen er wezen, en zat er niet die verschrikkelijke ijdeltuit van een Kathleen Battle (Despina) bij, dan was het, wat mij betreft, muzikaal en zangtechnisch wellicht de beste Cosi op de dvd.

MÜNCHEN 1988 (film)

Cosi Ponnelle

In 1988 verfilmde Jean-Pierre Ponelle Cosi in München (DG 0734237). Niemand vermoedde toen dat het zijn laatste filmproductie zou worden – een paar maanden later stierf hij, slechts 56 jaar oud. In zijn opvatting zijn Fiordiligi en Dorabella zowat identieke tweelingzussen, makkelijk te verwarren, des te meer daar ook hun gebaren parallel verlopen.

Ponelle permitteert zich wat vrijheden in zijn interpretatie van het libretto. Zo ontpopt Guglielmo zich al vanaf het begin als de echte versierder, en is Ferrando ‘not amused’. Ook herkent Dorabella op een bepaald moment het vriendje van haar zus, en toch zet zij door. Erg is dat niet: zowel Da Ponte als Mozart kunnen het hebben, zeker als het zo intelligent wordt gedaan, en bovendien resulteert het in een bijzonder spannende film.

Vocaal is het wat minder, al is uiteraard veel een kwestie van smaak. Zo kan ik niet zo goed tegen het geluid van Edita Gruberova en ook Delores Ziegler is niet echt ‘my cup of tea’. Maar de heren: Luis Lima (Ferrando), Ferruccio Furlanetto (Guglielmo) en de werkelijk schitterende Paolo Montarsolo (Alfonso) zijn fantastisch, en Teresa Stratas is onweerstaanbaar als Despina. Zeer de moeite waard.

WENEN 1996

Cosi op Medici

In 1996 is op EuroArts (2072368) een zeer traditionele en visueel prachtige voorstelling uit de Wiener Staatsoper (regie: Roberto de Simone) opgenomen. Alles is uitgewerkt tot in de kleine details. Middels draaiende decors met daarop geschilderde scènes en vergezichten (Napels!) veranderen we van plaats van handeling – vernuftig en mooi om te zien. Die decors zijn meer dan fraai, en ook de kostuums zijn prachtig. Een lust voor het oog.

Muzikaal valt er ook niets te klagen. Muti dirigeert ferm, met (zoals gebruikelijk) oog voor alle details, en ook de zangers: Barbara Frittoli, Angelika Kirschschlager, Bo Skovhus, Michael Schade en Alessandro Corbelli zijn allemaal voortreffelijk:  Een beetje moeite heb ik alleen met Despina van Monica Bocelli, voor mij is ze niet sprankelend genoeg.

ZÜRICH 2000

 

Cosi Bartoli

De door Harnoncourt sloom gedirigeerde productie van Jürgen Flimm uit Zürich (Arthaus Musik 100971) is duidelijk opgehangen aan Cecilia Bartoli, hier in de rol van Fiordiligi. Waarom?

Om wat contrast tussen de zussen te brengen, werd Dorabella door de lichte (coloratuur)sopraan Liliana Nikiteanu, die doorgaans Despina mag zingen, bezet. Wat een misser! Daar houd ik niet van. Als de productie ook nog eens saai blijkt te zijn – al is het concept (de daadwerkelijke school voor minnaars) heel erg leuk – haak ik af.

Wel wordt er zeer goed gezongen door Oliver Widmer (in het dagelijkse leven mister Bartoli) als Guglielmo en Roberto Saccà (Ferrando). Carlos Chausson is zeer amusant als Alfonso, al vind ik zijn stem niet echt mooi. Voor Despina mag de inmiddels behoorlijk oud geworden Agnes Baltsa aantreden. Haar optreden is nog altijd leuk, maar van haar stem is er werkelijk niets meer over. Voor wie dit op prijs stelt: de aankleding is zeer conventioneel.

BERLIJN 2001

Cosi Dorrie Berlijn

Doris Dörrie wordt beschouwd als één van de beste filmregisseurs in Duitsland. Daarnaast is ze ook een succesvol schrijfster. Van opera wist ze niets – tot Daniel Barenboim haar in 2001 uitnodigde voor de nieuwe productie van Cosi van tutte in Berlijn (EuroArts 2052238). Het werd een groot succes, en terecht. Dörrie verplaatste de handeling naar de vroege jaren zeventig – een tijd van hippies, Hare Krishna, seksuele revolutie en de vrouwenemancipatie.

En nu maar niet zuchten van ‘alweer’, want in dit geval klopt het wonderwel en de ontwikkeling van – hoofdzakelijk – de vrouwenkarakters wordt zeer intelligent en consequent uitgebeeld. Van geoliede, strak in hun kleren zittende poppen, die nog gauw voor hun vertrekkende geliefden een boterham smeren en een overhemd strijken, groeien ze door naar zelfstandige wezens.

De door Dorothea Röschman (Fiordiligi) gezongen ‘Per pietà, ben mio, perdona’ is loepzuiver en hartverscheurend. Katharina Kamerloher (Dorabella), Hanno Müller-Brachman (Guglielmo) en Werner Güra (Ferrando) vormen een hecht ensemble, en Roman Trekel zet een prachtig cynische Don Alfonso neer. Alleen Despina (Daniela Bruera) is ondermaats bezet. Zij heeft een kleine piepstem, maar ze ziet er goed uit, en als actrice weet ze volledig te overtuigen. Ontzettend leuk.

AIX-EN-PROVENCE 2005

Cosi Chereau

In zijn productie uit Aix-en-Provence (Virgin 34471695) slaat Patrice Chereau een totaal andere weg in. Bij hem zijn er geen clowneske verkleedpartijen en blijven de lachsalvo’s achterwege, want hij neemt de opera doodserieus. Al in de eerste scène worden de zwaarden getrokken en het is duidelijk dat het de jongens menens is, net zo trouwens als voor Fiordilligi, die verraderlijk met het wapen van Guglielmo zwaait.

Dit is een serieuze Cosi, en alles wat hier gebeurt, gebeurt in diepe ernst. Zo kan er bij de hier niet alleen cynische, maar ook levensmoede Despina (een goede Barbara Bonney) niet eens een glimlach af. En bij Fiordilligi’s uitbarsting ‘Come scoglio’ kan ze alleen maar diep fronsen en hoofdschudden. Ook vreemdgaan is bij Chereau bittere ernst, waaraan niemand zelfs een seconde lol beleeft, en ook de bruiloft is noodgedwongen en kan aan niemand zelfs een schijn van een glimlach ontlokken. Aan het eind blijven ze allemaal als een hoopje ellende aan elkaar plakken, duidelijk verlangend naar een verlossende knuffel. Droevig.

Chereau plaatst de handeling voor een nooduitgang van een toneel, in een door boeren, werklieden en toevallige passanten bevolkt straatje van een Italiaans dorpje, die allen zeer geanimeerd kijken naar wat zich voor hun ogen afspeelt. De (prachtige) kostuums zijn ‘historisch verantwoord’, en er wordt waanzinnig goed gezongen en geacteerd, voornamelijk door Elina Garanca (Dorabella), Erin Wall (Fiordiligi) en Shawn Mathey (Ferrando) die zowat de mooiste ‘Un aura amorosa’ zingt die ik ooit hoorde.

SALZBURG 2006

Cosi Salzburg Herrmann

In 2006 heeft Decca (0743165) een serie voorstellingen in Salzburg vastgelegd. De regie was in handen van het echtpaar Herrmann, en het moet gezegd worden: ze hebben zowat een volmaakte Cosi gecreëerd.

De meisjes (hier zeer jong) zijn duidelijk van de hogere maatschappelijke klasse. Ze spelen tennis, er staat een vleugel op de bühne, met een toegevoegd personage – een pianiste, die de ontwikkelingen niet alleen passief gade slaat. Dorabella (Sophie Koch) heeft het spel meteen door. Zij laat zich een slokje van het vermeende gif lekker smaken, en vanaf het eerste moment valt ze voor de charmes van Guglielmo (geef haar geen ongelijk als hij zo vertolkt wordt door de zeer aantrekkelijke Stéphane Degout!).

Don Alfonso van Thomas Allen is een duivelsachtige figuur, die (ook vanwege de schmink en het haar) het meeste aan Mefisto doet denken. Gaandeweg de opera verliest hij zijn enge uitzicht en wordt menselijker, en de door hem misbruikte tieners lijken volwassen te zijn geworden. Ook Ana María Martínez (Fiodiligi) en Shawn Mathey (Ferrando) zijn fantastisch, maar de show wordt gestolen door de weergaloze Helen Donath als Despina.

 

LONDEN 1981: CD

Cosi Kiri cd

Een beetje operaliefhebber droomt wel eens van een bezoekje aan de archieven van de operahuizen. Daar liggen de grootste schatten opgeborgen, waar wij, gewone stervelingen maar zelden bij kunnen. Vroeger moesten we het van de ‘piraten’ hebben, tegenwoordig zijn het operahuizen (of radio omroepen) zelf die hun goud dat in hun archieven ligt openbaren.

Ik ben een verzamelaar en men kan mij geen groter plezier doen, dan een voor mij onbekende opname met een van mijn idolen uit te brengen en dan ook nog eens met een goed geluidskwaliteit.

Deze Cosi fan tutte kende ik niet. Het werd in 1981 in ROH in Londen opgenomen. Op de bok stond één van de beste Mozart dirigenten uit die tijd, Colin Davis, maar in dit geval gaat het mij voornamelijk om de zangers.

Kiri Te Kanawa vond ik altijd al het allermooist in Mozart (en Strauss). Haar Fiordilligi is sensueel en vrouwelijk en haar heerlijke sopraan is hier van een bijna goddelijke schoonheid. Bovendien: wat een zangcultuur!

Ik heb altijd een enorme zwak gehad voor Agnes Baltsa en ook hier vind ik haar prachtig: haar stem is warm en haar Dorabella klinkt uitdagend. Mooie contrast met haar “zus”, maar in hun duetten smelten hun stemmen tot een absolute en weergaloze eenheid.

Stuart Burrows is een zeer elegante Ferrando en Thomas Allen een zeer macho Guglielmo, met in zijn stem al een opzetje voor don Alfonso. Die laatste wordt schitterend gezonden door Richard Van Allan en Daniela Mazzucato (Despina) completeert de voortreffelijke cast.

Wat een genot! (Opus Arte OA CD9005 D)


 

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’

Zemlinsky LS partituur

Wij kunnen het ons niet meer voorstellen, maar de allereerste naoorlogse uitvoering van de Lyrische Symphonie dateert uit eind jaren zeventig van de vorige eeuw.

Dit absolute meesterwerk werd gecomponeerd tussen 1922-23 en beleefde zijn première in Praag 4 juni 1924. Het is, net als Das Lied von der Erde van Mahler een soort kruising tussen een orkestrale liederencyclus en een symfonie.

 

Zemmlinsky Rabindranath-Tagore+Der-Gärtner

Zemlinsky schreef het werk op de tekst van de Bengaalse dichter Rabindranath Tagore The Gardener, in de Duitse vertaling van Hans Effenberger. De zeven liefdesgedichten zijn gegoten in de vorm van een dialoog tussen een prins (bariton) en een verliefd meisje (sopraan). Veel musicologen beschouwen het werk als autobiografisch en daar zit zeer zeker iets in.

Of het om de (nog steeds?) onverwerkte breuk met Alma Schindler ging, zoals sommige critici willen geloven? Dat denk ik niet, zelf ben ik veel meer geneigd om Antony Beaumont (dé Zemlinsky kenner en biograaf) te geloven dat het om zijn in die tijd net begonnen relatie met Louise Sachsel ging.

 

Zemlinsky Berg en Fuchs

Alban Berg en Hanna Fuchs

In dit kader bezien is het misschien leuk te weten dat Alban Berg het derde deel van de symfonie (‘Du bist mein Eigen’) in het Adagio Apassionato van zijn Lyrische Suite voor strijkkwartet citeerde. U weet toch wel dat Berg in die tijd een heimelijke liefdesaffaire had met Hanna Fuchs, voor wie hij het werk componeerde?

Hieronder het Adagio appassionato uitgevoerd door het Galimir String Quartet. De opname dateert uit 1935:

Van het ooit zo genadeloos vergeten maar inmiddels het bekendste en het vaakst uitgevoerde werk van Zemlinsky bestaan best veel uitvoeringen. Daar springen er meteen twee uit, van  James Conlon en Riccardo Chailly.

Orkestraal wint Chailly het, voornamelijk vanwege de ongeëvenaarde klank van het KCO, maar in het vierde deel weet Conlon zijn orkest zulke zoete tonen te ontlokken dat ik er helemaal voor ga.

Zemlinsky LS Chailly

Opname onder Riccardo Chaillly:


Zemlinsky LS Conlon

Ook de solisten vind ik bij Conlon geschikter. Bo Skovhus overtuigt mij veel beter dan Håkan Hagegård. De tweede heeft een warme, ronde bariton met iets rustgevends in zijn timbre en dat vind ik hier een nadeel, de rusteloosheid in de stem van Skovhus geeft zijn woorden wat meer impact.

Zijn voordracht vind ik ook helderder en zijn uitspraak duidelijker. Luister hoe hij de woorden  “Du bist mein Eigen, mein Eigen, du, die in meinen endlosen Träumen wohnt...zingt!

Ook Soile Isokoski is te prefereren boven de (prachtig zingende, dat wel) sopraan van Chailly, Alexandra Marc.

Opname onder James Conlon:


Bo Skovhus is altijd iemand geweest die de Entartete Musik een meer dan een warm hart toedraagt. Dat liet hij merken door – onder andere – de keuzes voor de door hem gezongen werken.

De Lyrische Symphony stond vaak in zijn concertprogramma’s overal ter wereld, ook in Amsterdam (maart 2007, met Hillevi Martinpelto en het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Donald Runnicles) en behalve voor EMI heeft hij het werk ook voor RCA opgenomen, deze keer met een onvoorstelbaar mooie lyrische sopraan Luba Orgonasova.

Zemlinsky LS Flor

De directie van Claus Peter Flor is een beetje onevenwichtig, maar de zes liederen die er aan vastzitten, door Skovhus gezongen en schitterend op piano begeleid door Helmut Deutsch, maken een boel goed.

Hieronder een opname met Bo Skovhus, Maria Bengtsson en het Staatskapelle Berlin onder leiding van Kirill Petrenko, opgenomen in het Berlijnse Philharmonie op 30 december 2011:

In de opname van BBC Classics uit 1996 worden de zangpartijen met veel begrip en nog meer nuancen gezongen door Thomas Allen en Elisabeth Söderström. Michael Gielen toont enorm veel affiniteit voor de partituur.

Zemlinsky LS Allen

Zie ook: deel 1
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man

deel 3: EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden

deel 4: EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

Lyrische Suite van Alban Berg: Renée Fleming zingt BERG, WELLESZ en ZEISL

 

JEVGENI ONEGIN. Discografie

Onegin

Jevgeni Onjegin is geen kleurrijke figuur. Hij is een nogal saaie, verveelde kwast, voor wie zelfs een vrouw versieren te veel moeite is. Door nalatenschap is hij een rijke man geworden en heeft toegang tot de “high society”, maar alles verveelt hem en eigenlijk weet hij zelf niet wat hij wil.

Hij kleedt zich volgens de laatste mode, de vraag is alleen of hij het doet omdat hij van mooie kleren houdt, of omdat het eenmaal zo hoort. Want hoe de dingen horen: dat weet hij wel.

Hij maakt ook amper een ontwikkeling door in de loop van de opera. Hij doodt zijn beste vriend nadat hij met zijn geliefde heeft geflirt – niet omdat hij daar zin in had, maar om hem (en de, in zijn ogen vreselijke, plattelanders) een lesje te leren – en zelfs dat laat hem onberoerd. Pas aan het eind wordt hij “wakker” en er komt iets van een gevoel bij hem binnen. Maar is het heus?

Niet echt iemand aan wie je een opera kan ophangen, vandaar ook dat voor veel mensen de echte hoofdpersoon niet Onjegin maar Tatyana is. Zelf weet ik het niet (als Tsjaikovski het zo had gewild dan had hij de opera “Tatyana” genoemd?), maar dat zij een veel boeiender karakter is dan de man van haar dromen staat buiten kijf.

 

CD’s

Onegin Vishnevskaya

Men zegt Tatyana, men denkt Galina Vishnevskaya. De Russische sopraan heeft een maatstaf voor de rol gecreëerd, waar nog maar weinig zangeressen aan kunnen tippen. In 1955 heeft zij de rol, samen met alle Bolshoi grootheden uit die tijd, voor de plaat opgenomen

Haar “letterscène” is wellicht de mooiste ooit, maar de opname heeft nog meer te bieden: wat dacht u Sergei Lemeshev als Lensky? Om te likkebaarden!

Sergey Lemeshev als Lensky (zijn grote aria & duel-scène)

Valentina Petrova is een weergaloze Larina, jammer genoeg is de titelheld zelf (Evgeni Belov) een beetje kleurloos. (Melodiya 1170902).


 

Onegin Wunderlich

In 1962 werd de opera live opgenomen in München (Gala GL 100.520). Ingebort Bremmert is te licht voor Tatyana, zij klinkt ook nogal scherp, maar Brigitte Fassbaender maakt veel goed als Olga. Maar voor de verandering doen de dames even niet mee, u koopt het natuurlijk vanwege de heren: Hermann Prey en Fritz Wunderlich.

Prey is een zeer charmante, galante Onjegin, meer een broertje dan een minnaar, maar de stem is zo goddelijk mooi! En over Lensky van Wunderlich kan ik zeer kort zijn: ‘wunderbar’! Het valt mij overigens weer eens op hoe sterk Piotr Beczala op hem lijkt!

Er zijn veel toneelgeluiden en het geluid is dof met veel te veel bassen. En het is natuurlijk in het Duits, maar ja, zo ging dat in die tijd. Maar het is een weergaloos document en zeker vanwege de beide zangers eigenlijk een must.

Duel-scène uit de opname (met beeld!):

Onegin Solti

In 1974 heeft Georg Solti de opera voor Decca opgenomen (4174132) en die lezing geldt nog steeds als één van de besten. In Stuart Burrows had hij de beste Lensky na Wunderlich en vóór Beczala tot zijn beschikking en Teresa Kubiak was de personificatie van Tatyana. Jong, onschuldig, een tikje geëxalteerd aan het begin van de opera en berustend aan het einde

Onder zijn leiding bloeide het orkest (Orchestra of the Royal Opera House) als de korenbloemen in de Russische velden, waardoor het duidelijk werd waarom de componist zijn opus magnus als ’lyrische scènes’ en niet als opera beschouwde.

Bernd Weikl is een zeer verleidelijke Onjegin, zijn zeer kruidige bariton is bijzonder sexy. Nicolai Ghiaurov is natuurlijk legendarisch in zijn rol van Gremin en voor mij is Michel Sénéchal wellicht de beste Triquet ooit. Enid Hartle verdient speciale vermelding als Filipyevna.



 

 

 Onegin Levine

Ik wil wat langer stilstaan bij Onjegin van Sir Thomas Allen. Hij heeft de rol ettelijke keren gezongen: zowel in het Russisch als in het Engels. In 1988 nam hij hem voor DG (423 95923) op. Tatyana werd gezongen door Mirella Freni – in de herfst van haar carrière werd het één van haar paradepaardjes. Zij overtuigt dan ook meer als de oudere Tatyana dan als het jonge meisje, maar aan haar lezing valt niets op aan te merken.

Neil Shicoff, toen nog een pracht van een lyrico was een zeer idiomatische Lensky, maar Anne Sophie von Otter overtuigde maar matig als Olga. Onder James Levine liet het Staatskapelle Dresden een onverwacht lyrisch geluid horen, met mooie lange bogen, maar niet gespeend van een gezond gevoel voor drama.

Maar goed: het gaat voornamelijk om Thomas Allen. Zijn lezing van de titelheld is bijzonder spannend en dramatisch goed onderbouwd, het is werkelijk fascinerend om te horen hoe Onjegin’s neerbuigende houding in I verandert in een zinderende passie in III. Een stemkunstenaar, niet minder.


Het is ook zeer interessant om te zien hoe hij jonge mensen coacht bij een ‘Onjegin masterclass’ (onder zijn “leerlingen” is o.a. James Rutherford):

(meer…)

ARIADNE AUF NAXOS: Glyndebourne 2013

Ariadne

Ariadne auf Naxos behoort niet tot mijn geliefde opera’s. Ik heb er gewoon geen vat op. Is het een komedie? Is het een drama? Gaat het over mythologische figuren, over een artiestenleven, over “hoge” versus “lage” kunst, over huwelijkstrouw, over ego’s? Of is het gewoon een mix van alles, zoals het leven zelf? Eén ding is zeker: het levert stof tot nadenken. En, mits goed uitgevoerd (en geregisseerd!) kan de opera je een goede avond bezorgen: beschouwelijk en toch vermakelijk. Mits …

Goed, de proloog in deze productie van Katharina Thoma vind ik echt heel erg leuk. Dat de actie zich afspeelt in een kasteel in Sussex in 1940 vind ik geen probleem. Er zijn nergens contradicties met het libretto. Het is geestig, goed geregisseerd (een grote plus voor de personenregie) en zeer vermakelijk.

Maar dan, na de pauze, als wij dus het eigenlijke toneelstuk over Ariadne krijgen (volgens het libretto speelt het zich af op een idyllisch eiland) en wij in een soort veldhospitaal belanden, dan zijn ze mij helemaal kwijt. Ik vind het idioot, onbegrijpelijk, gruwelijk eigenlijk.

Zonde, want de uitvoering is zeker goed, met twee echte uitschieters: Thomas Allen als de briljante muziekmaster en Kate Lindsay (een echte ontdekking!) als het prototype van een jonge componist.

Laura Claycomb is een leuke Zerbinetta: zij ziet er uit als Betty Grable, kan goed acteren en er is ook niets op aan te merken aan haar hoge noten noch haar heerlijke coloraturen. Toch: haar grote aria is niet een echte showstopper.

Sergey Skorokhodov heft voldoende noten en volume in huis om een perfecte Bacchus neer te zetten, maar ziet er zo bespottelijk uit in zijn vermomming van een gewonde frontsoldaat dat ik een giechel kan niet onderdrukken.

Ook Soile Isokoski presteert onder haar gebruikelijke niveau, maar zonder beeld valt van haar zang veel te genieten.

Het orkest onder leiding van Jurowski – het was zijn laatste jaar als chef dirigent in Glyndebourne – speelt gewoon verrukkelijk. En de bonustracks, met onder meer een geanimeerd gesprek met Jurowski en de terugblik van Thomas Allen op zijn “Glyndebourne – jaren” zijn niet te versmaden!

Hieronder een fragment uit de proloog:

Richard Strauss
Ariadne auf Naxos
Soile Isokoski, Kate Lindsay, Laura Claycomb, Sergey Skorokhodov, Thomas Allen London Philharmonic Orchestra olv Vladimir Jurowski
Regie: Katharina Thoma
Opus Arte OA 1135D

 

Twee sluwe vosjes van Mackerras

vosje-janacek

Leos Janácek

Geen enkele componist, wellicht op Puccini na, hield zo van vrouwen als Janáček. Niet dat hij een versierder was, al werd hij wel op 70-jarige leeftijd verliefd op een 30 jaar jongere vrouw. Of het iets meer dan alleen een platonische verhouding was, is totaal niet relevant. Kamila Stösslová werd zijn muze, en aan haar had hij zijn mooiste werken opgedragen.

Zonder meer was zij dan ook zijn inspiratie voor het creëren van vrouwenkarakters, die hij met zo veel liefde behandelde dat het volstrekt onmogelijk is om niet van ze te houden. Het mooie, sluwe vosje Bystrouška (wat ‘scherpe oortjes’ betekent) is daar een voorbeeld van.

Bystrouška staat symbool voor alles wat mannen in de opera ontberen, en waarnaar ze verlangen: vrijheid, onafhankelijkheid, schoonheid, maar ook genegenheid. Vandaar dat ze de Boswachter aan Terynka doet denken, een mooi zigeunermeisje, dat ook bij de Schoolmeester en de Pastoor warme gevoelens oproept. Maar het is uiteindelijk de Stroper die Terynka gaat trouwen en zijn bruid een vossenvacht cadeau doet. Symbolischer kan het niet.

Charles Mackerras op Decca (4756872)

vosje-decca

Het sluwe vosje is een pracht van een opera, met muziek die zo mooi is dat het je af en toe pijn doet. Vandaar dat dirigent en orkest niet alleen buitengewoon goed moeten zijn, maar ook bijzondere affiniteit met de muziek van Janáček moeten hebben.

Sir Charles Mackerras is zo’n dirigent. In de jaren tachtig nam hij in Wenen vijf opera’s van Janáček op, waarvoor hij louter lof ontving. En terecht. Enkele jaren geleden heeft Decca al die opera’s gebundeld en in een box uitgebracht, die ik niet anders dan van harte aanbevelen kan.

De rol van Vosje wordt gezongen door Lucia Popp, een zangeres met wellicht één van de mooiste lyrische stemmen uit de geschiedenis: een stem met de schoonheid van een kristal.

De box bevat, behalve ‘Het sluwe vosje’, ‘Jenůfa’, ‘Kát’a Kabanova’, Věc Makropulos’ en ‘Uit een dodenhuis’.

De box bevat behalve Het sluwe vosje ook Jenůfa, Kát’a Kabanova, Věc Makropulos en Uit een dodenhuis. Er zit een helder boekje bij, helaas geen libretto’s.


Charles Mackerras op Arthaus Musik (100240)

vosje-dvd
In 1995 werd Het sluwe vosje opgevoerd in Châtelet in Parijs, in een regie van Nicholas Hytner. De productie werd meteen met de hoogste prijzen onderscheiden. Geen wonder, want het is van een zeldzame schoonheid.

Hytner laat ons een sprookje zien, dat geen sprookje is en waarin mensen en dieren volkomen zijn geïntegreerd in een symbiose van de natuur en de menselijke verlangens.

Eva Jenis is werkelijk fenomenaal als Vosje. Wat die vrouw allemaal in huis heeft, grenst aan het onmogelijke. Ze rent, laat zich vallen, rolt over het toneel, springt dat het een lieve lust is… Dat ze daarbij nog kans ziet om prachtig te zingen, is onvoorstelbaar.

Prachtig is ook Hana Minutillo als Vos en Ivan Kusnjer als de stroper. Thomas Allen bewijst verder eens te meer wat een geweldige en intelligente zangeracteur hij is. Hij heeft de rol al vaker gezongen (ik herinner me een prachtige productie uit de Covent Garden van zo’n 15 jaar geleden), maar nu doet hij het in het Tsjechisch (perfect), in een voor de rest bijna exclusief Tsjechische cast.

Dat het orkest klinkt alsof ze in hun loopbaan niets anders dan Janáček speelden, mag geen wonder heten: de dirigent is dan ook niet minder dan Charles Mackerras

 

DRIE ‘FLEDERMAUSEN’ DIE NIEMAND MAG MISSEN

 fledermaus

Het is een geliefd werk om het oude jaar mee te besluiten of het nieuwe jaar mee aan te vangen: Die Fledermaus. De officiële catalogus telt meer dan 28 opnamen, waarvan 10 op dvd.

 

DVD: THEODOR GUSCHLBAUER, WENEN 1980

fledermaus-wenen

Voor mij is de opname die op oudejaarsavond in 1980 in de Wiener Staatsoper werd opgenomen (Arthouse 107153) verreweg de beste. De productie was één jaar oud en de regie lag in handen van Otto Schenk, een beroemde Weense acteur, die zelf 29 keer de rol van Frosch had gespeeld.

In een rijk en gedetailleerd decor ontvouwt zich een intrige vol leugens, dat tegelijk spannend, komisch en droevig is.

De bezetting kan gewoon niet beter: Bernd Weikl zet de losbandige en oerdomme Eisenstein neer met de nodige knipoog en humor, Lucia Popp is kostelijk als de verveelde huisvrouw Rosalinde, en  Brigitte Fassbaender onweerstaanbaar als prins Orlovsky.

Maar de allerbeste is de jonge Edita Gruberova (Adele): ze koketteert, doet ons lachen om haar bespottelijk accent, en ontroert in haar naïviteit. En dat alles met perfect gezongen coloraturen, brava!

Theodor Guschlbauer laat al in ouverture horen dat het een avond met de meesterlijk uitgevoerde mooiste melodieën gaat worden. Heerlijk.

Trailer van de productie:

DVD: VLADIMIR JUROWSKI, GLYNDEBOURNE 2003

 

fledermaus-jurowski

 

Het is allemaal de schuld van de champagne, zeggen ze. Zou best kunnen, want het bruist, bubbelt, schittert en spettert dat het een lieve lust is. De bubbels zijn ook letterlijk omnipresent in deze schitterende productie van Die Fledermaus, die in augustus 2003 in Glyndebourne werd opgenomen (Opus Arte OA 0889D).

Het geheel is zeer Art Deco en Jugendstil, met decors die lijken te zijn ontworpen door Otto Wagner en geschilderd door Gustav Klimt. Die laatste is alomtegenwoordig, ook in de kleding. Van de jurk van Rosalinde tot de ‘schlafrok’ van Von Eisenstein, waarin de arme Alfred de gevangenis ingaat.

Voor deze productie zijn nieuwe dialogen geschreven (de regisseur, Stephen Lawless, ziet het stuk als een toneelstuk met muziek), makkelijk te volgen dankzij de Nederlandse ondertitels.

Thomas Allen zet een kruidige von Eisenstein neer die duidelijk aan een midlifecrisis lijdt in een ietwat ingeslapen huwelijk, en Pamela Armstrong is een pittige Rosalinde.

Malena Erdmann is een fantastische Orlofsky en Lybov Petrova en kittige Adele. Eigenlijk zijn ze allemaal fantastisch, inclusief de dirigent – de sprankelende Vladimir Jurowski – die ook actief deelneemt aan de actie.

Zet de champagne maar vast koud, geniet en drink. Niet noodzakelijk met mate.

Twee fragmenten van de productie:

CD: HERBERT VON KARAJAN 1960

Fledermaus Karajan

De opname van Herbert von Karajan uit 1960 (Decca 4758319), met o.a.  Waldemar Kmennt, Hilde Gueden, Erika Köth en Eberhard Wächter is een absolute must. Alleen al vanwege de weergaloze ‘einlagen’, waarin de grootste operasterren uit die tijd (uiteraard uit de Decca-staal) een zeer verrassende acte de presence geven.