Pique_Dame

‘SCHOPPENVROUW’ VAN TSJAIKOVSKI IN DE MUNT

Tekst: Ger Leppers

Kort geleden viel ik, ’s avonds laat, al zappend langs Franse televisiezenders, midden in een uitvoering van de vijfde symfonie van Tsjaikovski door het Orchestre de Paris, geleid door Nathalie Stutzmann. Die vijfde symfonie behoort niet tot mijn favorieten. Ik beken het hier met enige schroom, maar ik ben dit bij velen geliefde werk al vele jaren beu geluisterd, zoals men hier in Vlaanderen zegt.

Maar het vooruitzicht dat ik de dirigente binnenkort in de opera van Brussel aan het werk zou zien, maakte dat ik desondanks besloot te blijven kijken. Dat heb ik niet betreurd, gaandeweg raakte ik steeds meer geboeid. Tsjaikovski’s voorlaatste symfonie klonk ongekend fris en licht, vol vaart en met verrassende accenten. De pompeuze fanfares in de finale, die mij doorgaans de griebels over de grabbels doen lopen, kregen onder Stutzmanns leideing een verrassend licht en dansant karakter.

Dat was dus alvast één reden om uit te zien naar de Muntproductie van Schoppenvrouw. De productie had al enkele jaren geleden in première moeten gaan, maar was door de coronapandemie tot een lang oponthoud in de pijplijn veroordeeld.

Om mij onbekende redenen heeft de nationale opera van België  aan het begin van dit seizoen een bescheiden Tsjaikovski-offensief gepland: ‘Schoppenvrouw’ en ‘Jevgeni Onegin’ worden in Brussel kort na elkaar op het toneel gebracht, slechts van elkaar gescheiden door ‘Der Rosenkavalier’. Waarom nu juist gekozen is voor de twee bekendste opera’s van de Rus, en niet voor toch tenminste één wat minder vertrouwd werk (‘Mazeppa’ bjjvoorbeeld, of nog liever ‘De Betoverende’ of ‘De Maagd van Orléans’, die beide in de afgelopen kwart eeuw in het door mij bestreken, toch vrij ruime geografisch gebied respectievelijk alleen een keer in de Vlaamse Opera en in de Opéra du Rhin in Straatsburg op het toneel zijn gebracht), dat is voor u een vraag en voor mij ook.

Dat – kleine, persoonlijke en niet op de voorstelling als zodanig betrekking hebbende – bezwaar neemt niet weg dat er zeer veel te genieten viel op de dernière van de voorstellingsreeks, op 29 september.

De ervaring die Nathalie Stutzmann heeft opgedaan in haar lange en glorieuze zangcarrière kwam haar als operadirigente hoorbaar goed te stade. Over de muziek van Tsjaikovski merkte zij in het programmaboekje op: ‘De compositiestijl van ‘Schoppenvrouw’ is ook qua ritme rijkelijk gevarieerd. Hoewel ze uiterst complex zijn en grote concentratie vereisen, bepalen de ritmes ook de magie van deze partituur: de veelvuldige afwisseling tussen binaire en ternaire ritmes wekt de indruk dat het orkest een soort levend wezen is dat ademt en de personages tot handelen aanzet. Dit fenomeen stuwt het verhaal voort, en tegelijkertijd brengt het ons uit balans. Door deze schriftuur fungeert het orkest vaak als gids en moeten de zangers, die soms veel tekst te zingen hebben, ritmisch heel precies zijn en scherp inzetten – we zijn hier ver verwijderd van het belcanto.”

De dirigente maakte deze woorden volledig waar, en het Munt-orkest had zij met haar mooie, heldere en genereuze slag duidelijk geheel op haar hand. Met name in de partijen van de houtblazers werden voortdurend prachtige details belicht die elders doorgaans stiefmoederlijker plegen te worden behandeld. De luidste bijval van de avond ging dan ook uit naar Stutzmann. Het was voor haar als dirigente een felgesmaakt Muntdebuut, zoals dat bij onze zuiderburen heet.

Omdat er nu eenmaal een taboe lijkt te rusten op ensceneringen die gesitueerd zijn in de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, had de Hongaarse regisseur David Marton zijn keuze laten vallen op de jaren van glasnost en perestrojka, een zeer ongewisse en daarom naar zijn mening bij het verhaal van ‘Schoppenvrouw’ passende tijd. Ik heb zelf meegemaakt dat je in die dagen voor vijftien dollar een pond kaviaar kon kopen, en hoe in de eetzalen van de internationale hotels van Moskou, Irkoetsk en Khabarovsk officieren van het leger hun uniformen tegen harde valuta te koop aanboden aan Westerse toeristen.

De kans om er – zoals in ‘Schoppenvrouw’ gebeurt – een groep mensen  ‘Leve de tsarina!’ te horen roepen of om een steenrijke gravin tegen het lijf te lopen die Madame de Pompadour nog persoonlijk heeft gekend, leek me echter te verwaarlozen. Het decor van de voorstelling bestond voornamelijk uit twee ronddraaiende betonnen torens, opgesteld in het midden van wat het meest leek op een wachtkamer in het Jaroslawl-station. Dat wrong natuurlijk, maar storen deed dat gelukkig niet al te zeer, want er was, voor het overige, bijzonder veel te genieten aan deze productie.  

Om te beginnen is er natuurlijk de opera zelf, een meesterwerk van de late Tsjaikovski. Bij het bewerken van teksten van Poesjkin voor het operatoneel hadden de componist en zijn broer Modest altijd een buitengewoon gelukkige hand, waarbij ze de relaties tussen de personen doorgaans hechter en dramatischer maakten dan in de oorspronkelijke tekst het geval was. Op het eerste gezicht lijkt ‘Schoppenvrouw’  muzikaal een allegaartje: de opera bevat onder meer een pastoraal tussenspel in achttiende-eeuwse stijl, een aria van Grétry, koren van allerlei aard, verwijzingen naar Mozart, door de piano begeleide liedjes, maar deze grabbelton aan heterogene elementen is in de opera op wonderbaarlijk natuurlijke wijze samengesmolten tot een volstrekt samenhangend geheel en voorzien van een altijd frisse en inventieve muziek die de luisteraar ruim drie uur op het puntje van de stoel houdt.

Bij de onvolprezen Nederlandse Operastichting van wijlen Hans de Roo werd de hoofdrol, die van Hermann, lang gelden onvergetelijk gezongen door Jan Blinkhof. Hij maakte van de door geld en gokken bezeten, aan lager wal geraakte officier een gekwelde ongelikte beer die ondanks zijn ongenaakbaarheid volop de sympathie van het publiek wist te wekken.

In Brussel werd de rol gezongen door Dmitry Golovnin. Hij was na Stutzmann de tweede grote ster van de avond, en leverde een vlekkeloze vertolking, waarbij hij in zijn acteren de niet zo heel grote ruimte die er geboden wordt voor nuancering van het wat monolithische personage op bewonderenswaardige wijze benutte. 

Natuurlijk werd er uitgezien naar Anna-Sophie von Otters roldebuut als de oude gravin die haar verleden niet kan loslaten en van schrik sterft wanneer zij Hermann in haar slaapkamer aantreft. Het is een prachtige partij voor oudere zangeressen – en dat Von Otter inmiddels hoorbaar tot die categorie begint te horen was bij deze rol uiteraard geen bezwaar. De intensiteit waarmee zij zong en acteerde maakte de scène in haar slaapkamer tot één van de mooiste hoogtepunten van de avond.

Ook over de Lisa van Anna Nechaeva valt niets dan goeds te melden, haar vertolking paste naadloos in het hoge niveau van de voorstelling, zonder tot de uitschieters te behoren.

Maar een bijzonder woord wil ik tenslotte toch graag wijden aan de Zuid-Afrikaanse bariton Jacques Imbrailo als Prins Jeletski. Hij speelde met verve de rol van een ijdeltuit, die steeds een handspiegel bij zich heeft waarin hij zichzelf kan bewonderen – een aardige manier van de regisseur om aan te geven waarom Lisa al vrij snel op hem uitgekeken raakt en in de ban van Hermann geraakt. Elke seconde van Imbrailo’s bijzonder mooi gefraseerde zang en puntgave acteerspel waren een genot om naar te kijken en vooral te luisteren. Zijn mooie stem was elders onder meer al te horen in verschillende opera’s van Benjamin Britten. Hij is een zanger die ik graag zal volgen.

DE MUNT / LA MONNAIE

‘Schoppenvrouw van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski(Voorstelling bezocht op 29 septemebr 2022)|
Muzikale leiding: Nathalie Stutzmann
Regie: David Marton
Decor: Christian Friedländer
Kostuums: Pola Kardum
Belichting: Hennin Streck
Dramaturgie: Lucien Strauch
Koorleider: Christoph Heil

Met:
Dmitry Golovnin, Laurent Naouri, Jacques Imbrailo; Alexander Kravets, Mischa Schelomianski, Maxime Melnik, Justin Hopkins, Anne-Sophie von Otter, Anna Mechaeva, Charlotte Hellekant, Mireille Capelle, Emma Posma

Symfonieorkest en koor van De Munt, Kooracademie & kinder- en jeugdkoren van De Munt o.l.v. Benoît Giaux

Foto’s: © Bernd Uhlig


De complete opera:

Pique Dame, discografie

Queen_of_spades_fr.svg

De schoppenvrouw heeft voor mij altijd iets verontrustends gehad. Ik vertrouwde haar niet. Het ontbeerde haar nu eenmaal aan de liefelijkheid van de harten-, de wijsheid van de ruiten- en de treurigheid van de klavervrouw. Ik ervoer haar als dreigend.

In de opera van Tsjaikovski staat zij symbool voor de ooit bloedmooie gravin die, zoals de legende wil, in haar jeugd haar hele fortuin met het kaartspel heeft verloren en het met behulp van zwarte magie weer terugwon.

De opera is dan wel naar de “kaarten alter ego” van de gravin vernoemd, maar de echte hoofdrol behoort Herman toe. Een nogal vreemde jonge man met bezeten ogen, van wie wij weinig tot niets weten. Gelukkig maar, zou ik zeggen, het komt de spanning en de mysterie alleen maar ten goede.

In de roman van Poesjkin, waar de gebroeders Tsjaikovski hun opera op baseerden, is Herman een Duitser die aan het eind geen zelfmoord pleegt maar krankzinnig wordt en in een psychiatrische inrichting wordt opgenomen.

Lisa (in het boek geen kleindochter maar gezelschapsdame van de gravin) overleeft haar misgelopen affaire en trouwt met een rijke man.
Moet u het allemaal weten voordat u naar de opera gaat?

Alsjeblieft niet! Vandaar ook dat ik van harte hoop dat Stefan Herheim, die de Pique Dame bij ons gaat regisseren de roman negeert en zich beperkt tot waar de opera over gaat: muzikale ontleding van obsessies. Over een tot het absurdum gevoerde verslaving aan  gokken, aan liefde, aan geld, aan macht, aan alles eigenlijk. En over een alles overheersende waanzin waar ook Lisa aan ten prooi valt en waardoor zij zich gedraagt alsof zij door de duivel werd bezeten. Dit is wat er ook in de partituur staat.

GEGAM GRIGORIAN

pique-gergiev

Deze in 1992 in Mariinski opgenomen productie is een feest voor de liefhebber van de traditionele enscenering, waar geen plaats is voor  updating en zoeken naar verborgen bedoelingen. Alle decors zijn superrealistisch, er is uitgebreid aandacht besteed aan alle details en ook de kostuums lijken uit de mottenballen te zijn gehaald.

Dat het geheel toch niet heel erg oubollig overkomt is niet zozeer aan de regisseur (Yuri Temirkanov, de bekende dirigent en voormalig artistiek directeur van het Kirov) te danken, als wel aan de werkelijk superieure zangersteam.

De in maart 2016 overleden Armeense tenor Gegam Grigorian maakt van Herman een klein broertje van Otello, een ware prestatie.

Maria Gulegina is, ondanks kleine intonatieproblemen, een schitterende Lisa: verscheurd en hartbrekend.

Sergei Leiferkus zet een solide Tomsky neer en Ludmila Filatova imponeert als de oude gravin. Jammer alleen van de ondermaats bezette Yeletsky door Alexander Gergalov, maar het is hem gauw vergeven, tenslotte heeft hij maar één aria om te verpesten.

Gergiev dirigeert bezield, al is hij de subtielste niet. (Philips 070434-9)


VLADIMIR GALOUZINE

pique-dodin

De in 2005 in Parijs opgenomen productie van Lev Dodin hebben we een paar jaar eerder in Amsterdam meegemaakt: DNO bracht het al in 1998 op de planken.

Lev Dodin is een gerenommeerde toneelmaker en een grote Poesjkin liefhebber, vandaar dat hij terug wilde naar het oorspronkelijke verhaal (daar gaan we weer!), dat volgens hem door de gebroeders Tchaikovsky grondig werd verprutst.

Hij bedacht een op zich “logische” formule, waarin het hele verhaal enkel bestaat in de herinneringen van de geesteszieke Herman. Ik denk dat ik er wellicht mee zou kunnen leven als Dodin de muziek niet ondergeschikt had gemaakt aan zijn concept en niet in de partituur had gesneden: hij heeft zowat 20 minuten van Tsjaikovski’s muziek geschrapt en voegde een gesproken tekst toe. Ik beschouw het als een echte misdaad.

Muzikaal zit het echter snor. Rozhdestvensky heeft de partituur in zijn vingers en er wordt uitstekend in gezongen, voornamelijk door Vladimir Galouzine als Herman. Hij lijkt met die rol volkomen te zijn vergroeid en dwingt bewondering af voor zijn schitterende prestatie, zowel vocaal als theatraal.

Hasmik Papian is een ontroerende Lisa en als Polina horen we de jonge Christianne Stotijn. (Arthouse Music 107317


MISHA DIDYK

pique-liceu

Hier ben ik echt stil van geworden.

Van de onvoorstelbaar mooie traditionele productie in de regie van Gilbert Deflo, die zowel het libretto als de partituur tot in de details trouw volgt en daarbij ook nog eens uitdagend en ongemeen spannend is (Barcelona 2010).

Van de dirigent (Michael Boder) die de muziek met fluwelen handschoenen aanpakt, de juiste richting in stuurt en een sfeer creëert waarin pastorale scènes, liefelijke liedjes en volksdansjes elkaar met horror, angst en dood afwisselen.

Stil ook van de zangers, die alles geven wat zelfs de meest kritische mens kan verlangen. Micha Didyk is Herman. Hij zit eruit als Herman, hij gedraagt zich als Herman en hij zingt de rol zoals alleen de echte Herman het kan: gepassioneerd, geobsedeerd en tot waanzin toe gedreven. Waarlijk: ik denk niet dat er tegenwoordig nog een zanger bestaat die zich met hem in de rol kan meten. Weergaloos.

Ik kan mij ook geen betere gravin voorstellen dan Ewa Podleś: imponerend. Schitterend ook de beide baritons Lado Atanelli (Tomsky) en Ludovic Tézier (Yeletsky) en de warme Russische mezzo Elena Zaremba (Polina). Tel de oudgediende maar zeker niet vergeten Stefania Toczyska in de kleine rol van de gouvernante er bij…. Top.

Een klein beetje moeite heb ik met Emily Magee: zij oogt en klinkt voor de rol iets te oud. Als ik aan Lisa denk dan denk ik aan Natasja (Oorlog en Vrede) of Tatjana (Jevgeni Onjegin): een opgewonden jong meisje en niet een rijpe vrouw.

Desalniettemin: een absolute must. (Opus Arte OA BD 7085)

een fragment:

pique-jansosn


Met de beelden van de productie in uw hoofd kunt u achterover leunend naar de opname onder Mariss Jansons luisteren. Bij wijze van spreken dan, want ook bij Jansons is de spanning om te snijden.

Larissa Diadkova is een voortreffelijke gravin, zeer ontroerend in haar grote aria “Je crains de lui parler la nuit”. Tatiana Surjan is een stevige maar toch breekbare Lisa en in het duet met Polina (mooie Oksana Volkova) smelten hun beide stemmen tot een harmonische eenheid, zusjes waardig. Mischa Didyk is ook zonder visie de beste Herman die er is.

De, live in oktober 2014 in München opgenomen registratie klinkt meer dan voortreffelijk (BR Klassik 900129)

VLADIMIR ATLANTOV

pique-varady

Julia Varady en Vladimir Atlantov waren ooit een “match made in heaven”. In november 1984 zongen ze in München zowat de meest ideale Lisa en Herman uit de geschiedenis, al heb ik wat Atlantov betreft ook mijn bedenking.

Atlantov heeft een kanon van een stem, waardoor alles bij hem zo onvoorstelbaar makkelijk lijkt. Heel erg mooi, maar zijn Herman klinkt voor mij iets te heldhaftig en te weinig getormenteerd.

Varady is een in alle opzichten perfecte Lisa: kwetsbaar, onzeker en verliefd. Lisa’s aria “Otkúda eti slyózy” en de daaropvolgende duet met Herman “Ostanovítes” is adembenemend en van een ontroerende schoonheid. Elena Obraztsova is een zeer imponerende gravin.

Algis Shuraitis dirigeert weinig subtiel, maar zijn lezing is buitengewoon spannend met een zeer filmisch einde (Orfeo D’Or C8111121).

Atlantov in “Wat is ons leven”
Opname uit een voorstelling in Mariinsky (bij mijn weten niet op dvd):

LEYLA GENCER

 pique-gencer

Deze opname moet u natuurlijk vanwege de Turkse Diva hebben. Het is in het Italiaans en de in 1961 gemaakte opname klinkt behoorlijk dof, maar een verzamelaar neemt het allemaal voor lief.

De mij totaal onbekende Antonio Annaloro doet wat hij kan en dat is helaas weinig. Zijn weinig geïnspireerde Herman is een echte huilebalk en klinkt als een Domenico Modugno in een mini formaat. Gauw vergeten.

Maar de gravin van Marianna Radev mag er wel zijn. En “Da quando il core mi donasti” oftewel “Ya vas lyoublyu“ van Sesto Bruscantini (Yeletski) is alleraardigst en wordt terecht beloont met een opendoekje.

Nino Sonzogno doet de veristische hemel herleven, al is het hier niet helemaal terecht (Gala GL 100.792)

Lisa’s aria gezongen door Gencer:

In gesprek met Svetlana Aksenova

Svetlana-Ignatovich-T-T-Fotografie-Toni-Suter-Tanja-Dorendorf

foto: Toni Suter/Tanja Dorendorf

Haar volledige naam luidt Svetlana Aksenova-Ignatovich, maar haar impresario vond enkel Ignatovich beter. Het is korter en makkelijker te onthouden.

Drie jaar geleden debuteerde zij bij DNO als het meisje Fevronija in De legende van de onzichtbare stad Kitesj van Rimski-Korsakov. De realisatie van Dmitri Tsjernjakov won in 2013 de International Opera Award voor beste nieuwe productie van het jaar en het optreden van Ignatovich werd als sensationeel bestempeld. De critici roemden haar fluwelen tonen en haar uithoudingsvermogen: in de ruim vier uur durende opera was zij vrijwel onafgebroken op de bühne aanwezig.

Drie jaar geleden was zij nog de “rising star”, maar inmiddels kan je de “rising” voor haar naam rustig weglaten

Marc Albrecht (conductor), Dmitri Tcherniakov (director/sets), Dmitri Tcherniakov/Elena Zaytseva (costumes), Gleb Filshtinsky (lighting design)

Svetlana Aksenova (Fevronja) Foto: Monika Rittershaus

Hoe kijkt zij terug op haar Amsterdamse debuut en op de productie zelf?
En wat vindt zij van Fevronija? Voor mij is zij (maar ook Emma en Liza) een belichaming van de Russische Ziel: melancholisch en vaak gedeprimeerd en treurend.

“Zij is behoorlijk wereldvreemd, dat wel, maar het is een sprookje. Of ik in haar iets van de spreekwoordelijke ‘Russische ziel’ terugvind? Dat weet ik eigenlijk niet. De melancholie, de weemoed, die vind je wel in haar muziek. Maar zij is ook een soort lichtpunt in de treurigheid.

Ik vond de rol zeer uitdagend. Niet alleen wat de noten sec betreft: de productie zelf was het ook. Het was zeer zwaar, voornamelijk fysiek. Ik was toen zwanger van mijn zoon en moest mij dus tot het uiterste spannen.

Of ik het ooit in de ouderwetse setting zou willen zingen? Daar heb ik eigenlijk nooit aan gedacht. Ik vond de Amsterdamse productie buitengewoon boeiend.”

En Emma?

“Emma is zo moeilijk! Eerlijk gezegd ben ik een beetje bang voor Emma: zij is zo expressief!  En haar optreden is maar zo kort, niet langer dan vijftien minuten, maar de vijftien minuten zijn zo verschrikkelijk intensief!”

Wat denk je: houdt Andrej (Chovanski) van Emma? Hij is tenslotte aldoor op zoek naar haar? En: zou Emma wellicht ook iets voor hem voelen? “Ben je mal? Andrej heeft net haar ouders gedood en was bezig haar te verkrachten! Zij verfoeit hem! Andrej is inderdaad door haar gefascineerd, maar hij is obsessief bezig. Dat kan je toch geen liefde noemen? Emma is ook anders, zij is ook niet Russisch, zij is Duits. Én lutherans”

En Marfa? Hoe zie je haar? Wil zij Emma daadwerkelijk beschermen? Zij is immers de minnares van Andrej geweest en is nog steeds op hem verliefd? “Interessante vraag. Daar heb ik niet eens over nagedacht. De repetities zijn nog niet begonnen……”

Maar wat denk je zelf? “Marfa is radicaal. Zij zit in de sekte…”

Maar zit zij er in omdat zij er in gelooft? Aksenova is even stil. “Interessante vraag”, herhaalt zij. “Ik denk dat ik maar afwacht wat de regisseur mee
doet, wat hij er van gaat maken”

“Maar: schrijf het even op: ik ben gek op Moessorgski en ik leef naar de productie toe. Het biedt mij ook de mogelijkheid om een tijd samen met mijn man (de tenor Maksim Aksenov die de rol van Andrej zingt, red.) door te brengen. We hebben elkaar negen jaar geleden ontmoet en zijn inmiddels vijf jaar getrouwd, maar het gebeurt niet vaak dat wij wat langer bij elkaar kunnen zijn”

”En ik kijk uit naar het weerzien met het koor van DNO. Ze zijn werkelijk zo, zo, zo fantastisch!”

Chovansjtsjina: trailer – De Nationale Opera | Dutch National Opera:


De rol van Liza (Pique Dame) heb je al eerder gezongen. Kun je haar met Tatyana
(Onjegin) vergelijken?

“Liza vind ik een beetje raar. Zij heeft een aantrekkelijke en rijke verloofde en toch voelt zij zich tot de wereldvreemde man aangetrokken. Wat moet zij er mee?”

Op mijn vraag of zij haar als een gotiek meisje ziet moet zij even nadenken. “Gotiek? Wat bedoel je hiermee? Nee, dat niet, maar zij is zonder meer vreemd. Ik denk niet dat zij zo puur en onschuldig is. Echt niet. Hoe anders zou zij kunnen zingen: alleen jou kan ik toevertrouwen wat in mijn ziel is gegriefd, wat ik voel……”

“Liza is zo anders dan Tatyana! Tatyana is sterk! Zij leeft dan in haar eigen fantasiewereld, maar zij durft wel! Ik bewonder haar zeer, ook omdat ik het niet weet of ik het had kunnen doen. Zeker toen, in die tijd”

“Ik verheug mij enorm op Pique Dame. Om juist die rol met het Concertgebouworkest en onder Maris Jansons te mogen zingen… Het is meer dan een privilege!”

Aksenova als Liza in 2011:

Svetlana Aksenova werd geboren in St. Petersburg. Zij studeerde er aan het Rimski-Korsakov conservatorium, waarna zij haar studie in Italië vervolgde. Bij Renata Scotto.

“Drie jaar ben ik bij haar in de leer geweest. Ik was één van haar “hofleerlingen” in
haar operastudio. Zij heeft mij veel geleerd. Het allerbelangrijkste was hoe je met de
score moet omgaan. Hoe je moet bewegen. Ze vertelde ook altijd: perfectie bestaat niet”

“Als kind had ik altijd twee verschillende dromen: iets voor nu (ijs!) en iets voor later. Voor als ik groot en beroemd ben. Het was meestal niet reëel, maar ik droomde toch. Ik ben gek op coloratuursopranen, ik droomde dan ook van rollen zoals Lucia. Of Violetta. Soms ben ik nog steeds jaloers op mijn collega’s: het lijkt mij echt leuk om de rollen te zingen, maar ik realiseer mij dat zij niet echt iets voor mij zijn.”

“Ik ben als mezzo begonnen en nu ben ik een echte spinto. Niet echt dramatisch, maar zeker niet echt lyrisch en al helemaal geen coloratuur.”

Aksenova als Butterfly in Oslo:

“De enige echt lyrische rol die ik zong was Micaela in Carmen. Het was een productie van Calixto Bieito. Ik was er een beetje bang voor, maar het is mij honderd procent meegevallen. De samenwerking was goed.

Daarna deden wij het War Requiem van Britten in Bazel samen en dat vond ik fantastisch. Maar daarna kwam Otello en dat was een echte ramp. Ik kon de samenhang tussen de eerste, de tweede en de derde acte niet begrijpen. Het waren drie verschillende personages… Nu werd ik in Oslo voor Tosca in zijn regie gevraagd, maar ik heb het contract nog niet ondertekend. Ik vind het een beetje eng

Aksenova als Desdemona:

“Mijn droomrollen? Iets komisch, graag! Ik wil gek doen op de bühne! Ik heb komisch talent, echt! Maar het is zo moeilijk in mijn stemtype. De enige waar ik nog op kan hopen is Alice in Falstaff en die komt wel. Verder? Ik zou heel erg graag Herodiade van Massenet willen zingen, de aria alleen al is zo ontzettend mooi! Ook Adriana Lecouvreur en Lady Macbeth of Mtsensk staan hoog op mijn verlanglijstje.
Maar mijn allergrootste droomrol is Maria in Mazeppa van Tsjaikovski.”

“Tegenwoordig voorbereid ik mijn rollen met de grote Bulgarse mezzo Alexandrina Milcheva (o.a. Marfa in de Sony opname onder Tchakarov). Zij is inmiddels 80 jaar oud.”

Trailer van Pique Dame in Amsterdam:

Zie ook: RIMSKI-KORSAKOV: De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja. DVD

Tannhäuser in Amsterdam: Wolfram wint