Month: juni 2017

Hérodiade oftewel de Salome van Massenet

Herodiade Flaubert

Gustave Flaubert: Herodias. Illustratie Lucien Pissarro

Zijn wereldhit Salome componeerde Richard Strauss op een toneelstuk van Oscar Wilde; en die haalde zijn inspiratie uit een kort verhaal van Gustave Flaubert, ‘Herodias’. Daar hebben ook Paul Milliet en Henri Grémont hun libretto voor Massenets opera Hérodiade op gebaseerd. Noch Wilde noch Milliet en Grémont zijn Flaubert erg trouw geweest. Daar waar de Franse novellist zich min of meer tot de Bijbelse vertelling beperkte, verrijkt met zijn poëtische taal en omschrijvingen, voegden de toneelschrijver en de librettisten geheel nieuwe aspecten en wendingen aan het verhaal toe.

Herodiade - affiche


Herodiade
werd voor het eerst opgevoerd in de koninklijke Schouwburg van Brussel op 19 december 1881. Wie hier, zoals bij Richard Strauss, dierlijke erotiek, bloed en zweet verwacht komt bedrogen uit. Massenets Salomé is een echt onschuldig en devoot meisje. Toen haar moeder haar verliet om met Hérode te trouwen, werd zij opgevangen door Jean (Johannes de Doper), op wie zij verliefd werd. Een liefde die wederzijds bleek.

Herodiade - acte I Brussel

Geen opera zonder verwikkelingen: Hérode geilt op Salomé,  Hérodiade wordt op haar jaloers en Jean wordt onthoofd. Salomé ziet in Hérodiade de aanstichtster van al het kwaad en wil haar doden. “Ik ben je moeder” fluistert Hérodiade, waarop Salomé zelfmoord pleegt.

De muziek ademt al een vleugje parfum van Massenets latere werken, maar, met al die koren, exotische Oosterse taferelen en uitgebreide balletscènes is het niet anders dan een echte Grand Operà in de beste Meyerbeer-traditie.

Eén van de vroegst opgenomen fragmenten uit de opera is, denk ik, de beroemde aria van Herodé  ‘Vision Fusitive’ door de Franse bariton Maurice Renaud gemaakt in 1908:

En van de opname die Georges Thill maakte in 1927 weten we hoe een ideale Jean zou moeten klinken:

REGINE CRESPIN 1963

Herodiade crespin

Mocht u in het bezit zijn van deze uitvoering dan hoeft u eigenlijk niet verder te zoeken. Beter krijgt u het niet. Er is alleen maar één probleem: deze opname bestaat niet. Althans niet van de complete opera.

In 1963 heeft EMI de hoogtepunten van Hérodiade met de beste Franse zangers van toen (en ook van nu trouwens, nog steeds) opgenomen en het antwoord op het “waarom niet compleet ????”, dat antwoord krijgen we waarschijnlijk nooit.

Georges Prêtre dirigeert het orkest van  het Theater National de Paris alsof zijn leven daar van afhangt en alle, maar dan ook alle rollen zijn meer dan voortreffelijk bezet.

Regine Crespin zingt ‘Il est doux, il est bon’:

Salomé van Regine Crespin is ongeëvenaard en zo is de Hérodiade van Rita Gorr. Albert Lance (Jean) laat horen hoe die rol eigenlijk gezongen zou moeten worden in de traditie van Georges Thill en van Michel Dens als Hérodes kunnen we beter zwijgen. Zulke zangers bestaan niet meer.

Hopelijk gaat Warner de opname ooit op cd uitbrengen

MONTSERRAT CABALLÉ Barcelona 1984

Herodiade caballe

Ook deze opname kunt u alleen via een piraat (of You Tube) bemachtigen, maar die is dan wel helemaal compleet en bovendien met (toegegeven slechte, maar toch) beeld!

Dunja Vejzovic zet een heerlijk gemene loeder van een Hérodiade neer en Juan Pons is een een beetje jeugdige maar verder prima Herodé. Een paar jaar later zal hij tot één van de beste “Herodossen” uitgroeien en dat hoor en zie je in deze opname al.

Montserrat Caballé is een fantastische Salomé, die stem alleen al doet je in de zevende hemel belanden en José Carreras ontroert als een zeer charismatische Jean.

Hieronder zingt Carreras ‘Ne pouvant réprimer les élans’:

Geen van de protagonisten is echt idiomatisch, maar wat een plezier is het om naar de echte Diva (en Divo) te kijken! Zo worden ze echt niet meer gemaakt

De hele opera op you tube:

RENÉE FLEMING San Francisco 1994 (Sony 66847)

 Herodiade Domingo fleming

Halverwege de jaren negentig beleefde Herodiade een kortstondige revival. De opera werd toen in verschillende opera huizen uitgevoerd en werd zelfs drie keer – officieel – opgenomen: één keer in de studio en twee keer live

Ik moet toegeven dat ik een beetje bang was voor de directie van Gergiev, maar hij deed het werkelijk uitstekend. Onder zijn leiding klonk de opera waarachtig als een echte Grand Opéra, groots, vurig en meeslepend.

Plácido Domingo (Jean) is misschien een tikje te heroïsch, maar zijn stem klinkt jeugdig en aanstekelijk, een echte profeet waardig.

Persoonlijk vind ik Dolora Zajick (Hérodiade) een beetje aan de (te) zware kant, maar zij zingt ontegenzeggelijk uitstekend en op haar interpretatie valt helemaal niets af te dingen.

Juan Pons is een uitstekende Herodé, maar Phanuel (Kenneth Cox) had van mij wat idiomatischer gemogen. Iets wat ook voor de Salomé van Renéé Fleming geldt: zij zingt werkelijk prachtig maar in die rol kan zij mij maar matig overtuigen.


NANCY GUSTAFSON Wenen 1995 (RCA 74321 79597 2)

Herodiada wenen

De uitvoering in Wenen werd  lovend ontvangen, en dat het terecht was bewijst de opname die de ORF live in het huis heeft gemaakt.

Allereerst is er de schitterende titelrol van Agnes Baltsa: fel en dramatisch. Als u mij vraagt: naast Rita Gorr wellicht de beste Hérodiade ooit.

Placido Domingo zingt ‘Ne pouvant réprimer les élans’:

Domingo zingt de rol van Jean hier nog indrukwekkender dan op Sony en Juan Pons (Hérode) weet mij op deze opname nog meer te overtuigen. Zijn vertolking van ‘Vision Fugitive’ is zeer, zeer ontroerend.

Helaas moet Nancy Gustafson (Salome) haar meerdere in Fleming (Sony) erkennen, maar beide verbleken zij bij Cheryl Studer (Warner). Om van Regine Crespin niet te spreken!

Naar de foto’s in het tekstboekje en de spaarzame clips op youtube te oordelen mogen we blij zijn dat de opname op cd verscheen en niet op dvd.

Finale van de opera:

Het geluid is in ieder geval uitstekend en het orkest van de Weense Opera onder leiding van Marcello Viotti speelt zeer gedreven.


CHERYL STUDER 1995 (Warner 55983525)

untitled

Orkestraal is deze opname echt een top. Michel Plasson dirigeert het orkest uit Toulouse zeer enerverend, met veel verve en stuwkracht, waarbij hij ook alle finesses de ruimte weet te geven. Spannend en mooi. Zo hoor ik de opera graag.

José van Dam is een imposante Phanuel en Nadine Denize een voortreffelijke, al niet altijd zuiver intonerende Hérodiade.

Hérode is niet echt een rol voor Thomas Hampson, maar hij zingt die rol heel erg mooi. Iets wat helaas niet gezegd kan worden van Ben Heppners Jean. Een heldentenor in die rol is niet anders dan een gruwelijke vergissing.

Cheryl Studer daarentegen is een Salomé van ieders dromen: meisjesachtig, onschuldig en naïef. Haar stem straalt en wiegt en haar laatste woorden “Ah! Verfoeide koningin, als het waar is dat jouw vervloekte lendenen mij hebben gebaard, kijk dan! Neem terug jouw bloed en mijn leven!” laten je sidderend en wanhopig huilend achter. Brava.


Discografie Salome van Richard Strauss:
SALOME: de gevaarlijke verleidster of …..? Discografie.

 

Jascha Nemtsov en de Joodse muziek

Jascha Nemtsov - Pianist

Jascha Nemtsov © Susanne Krauss

Het was Nikolaj Rimski-Korsakoff, die in St. Petersburg aan het begin van de vorige eeuw zijn Joodse leerlingen aanspoorde om wat meer interesse te tonen voor hun nationale cultuur. Het was niet tegen dovemansoren gezegd: men begon met het verzamelen van synagogale- en volksmuziek, en algauw verwerkten zij het in hun eigen composities. Zo ontstond het Gezelschap  voor de Joodse Muziek, dat in 1929 door Stalin werd verboden. Sommige van de componisten werden naar de kampen verbannen, enkelen is het gelukt om te emigreren, maar allen werden vergeten.

De hernieuwde belangstelling voor hun muziek is voornamelijk te danken aan de pianist Jascha Nemtsov, één van de grootste ambassadeurs van de Joodse muziek.

Jewish

Op de cd getiteld Jewish Chamber Music treffen wij werken aan van componisten, die tot deze Joodse School behoorden, aangevuld met één van de beste composities van Ernest Bloch: de ‘Suite voor altviool en piano’ uit 1919.

Niet alle composities zijn van hetzelfde hoge niveau. Een echte uitschieter is voor mij  de ‘Totenlieder’ van Alexander Weprik, maar de hele cd is zeer de moeite waard, niet in de laatste plaats vanwege de voortreffelijke uitvoering.

De altvioliste Tabea Zimmerman weet een prachtige toon aan haar instrument te ontlokken: laag, warm en zangerig maar het is de pianist die duidelijk aan het roer staat.

Hieronder: Tabea Zimmermann en Jascha Nemtsov spelen ‘Ornaments – 3 Songs without Words, op. 42 van Alexander Krein:

 


Alexander Weprik, Alexander Krejn, Michail Gnesin,  Grigorij Gamburg, Ernest Bloch
Jewish Chamber Music
Tabea Zimmermann (altviool), Jascha Nemtsov (piano)
Hänssler CD93008

 

Jewish songs

Kent u Abraham Krejn, een klezmer-muzikant en zijn zeven kinderen? De Joodse Bachs werden ze genoemd en daar zit iets in, al klinkt de vergelijking u vreemd in de oren. Zeker, omdat de kans groot is dat u de naam nooit eerder hebt gehoord. Daar bent u trouwens niet alleen in.

Alle zeven kinderen Krejn zijn de muziek ingegaan. Het beroemdst werden broers Alexander en Grigori, beiden actieve leden van het Gezelschap voor de Joodse Muziek.

De meest originele composities op Jewish Songs Without Words zijn van de hand van Grigori Krejn. Op basis van synagogale gezangen schiep hij een eigen wereld, vol weemoedige verlangens.

De ‘Three Hebrew songs without words’ van Grigori’s dertienjarige zoon Julian verraden niet alleen een bijzonder talent, maar ook de invloeden van Berg en Debussy.

Simeon Bellinson, één van de beroemdste klarinettisten van zijn tijd, werkte ook als componist en arrangeur. Voor zijn Suite bewerkte hij de oorspronkelijke composities van Grzegorz Fitelberg, Jacob Weinberg en Boris Levenson.

De klarinettist Wolfgang Meyer is een voortreffelijke musicus, maar zijn toon had voor mij wat warmer mogen klinken.

Bijna alle composities op deze cd beleven hier hun wereldpremière. Het zijn fascinerende werken, een reminiscentie van de wereld die onherroepelijk verloren is gegaan. Jewish Songs Without Words is de vierde cd in een reeks, die Jascha Nemtsov voor Hånssler maakte en zoals altijd is zijn vertolking niet alleen onberispelijk maar ook hartverwarmend.


Grigori Krejn, Julian Krejn, Israel Brandman, Simeon Bellinson
Jewish Songs Without Words
Wolfgang Meyer (klarinet), Jascha Nemtsov (piano)
Hänssler Classic CD 93.094

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

JOSEPH ACHRON. Muziek om verliefd op te worden

 

 

Elisabeth Söderström: één van de meest muzikale en veelzijdige zangeressen ooit

Sod

Geloof het of niet, maar het gros van de mooiste stemmen komt uit Scandinavië. Ze hebben daar een zangcultuur waar wij alleen maar van kunnen dromen. Geen wonder dat een groot aantal van de wereldberoemde zangers daar vandaan komt.

Van al haar land- en tijdgenotes was de Zweedse Elisabeth Söderström wellicht de meest muzikale. De meest veelzijdige ook, haar repertoire vermeldt een schare van uiteenlopende rollen in opera’s, beginnend met Monteverdi en eindigend met Henze.

Dankzij haar Russische moeder beheerste ze niet alleen de taal, maar had een bijzonder gevoel voor het Slavisch repertoire ontwikkeld. Ooit nam ze alle liederen van Tsjaikovski en Rachmaninoff op, en werd beroemd als de vertolkster van de opera’s van Janaček.

Er is iets ouderwets in Söderström’s manier van zingen, en het voelt niet onprettig. Integendeel. Het klinkt zelfs opwindend. Die lange frasen, die omhoog bloeiende noten, haar sensuele uitspraak en een licht metaal in haar volle, warme en uitgesproken vrouwelijke stem.

Af en toe doet ze aan haar (onterecht veel bekender geworden) illustere voornaamgenote denken, wellicht omdat beiden hun grootste triomfen in de opera’s van Mozart en Strauss vierden? Maar de verschillen zijn groter dan de overeenkomsten: Söderström klinkt zelden zelfverzekerd. Haar zingen wordt ook nooit ondergeschikt gemaakt aan de woorden, al was zij altijd bijzonder taalgevoelig en zong zij perfect in vele talen

Sod 2

Begin deze eeuw heeft BBC Legends twee uitgaven aan haar Söderström opgedragen. Op BBC L 4132-2 verschenen twee van haar recitals: uit 1971 en 1984. Tijdens de laatste was ze bijna 60 jaar oud, maar dat is absoluut niet te horen. Nog steeds is haar stem stralend, jeugdig en zeer vrouwelijk.

Tijdens beide recitals laat ze haar volledige kunnen horen en bij beide zingt ze liederen uit verschillende culturen en in verschillende talen. Dat de tweede iets boeiender is uitgevallen, is in grote mate aan pianist Roger Vignoles te danken. En aan de selectie Russische liederen, waar zij de grootste meesteres in was

sod 1

Op BBCL 4153-2 werden drie verschillende recitals uit de Royal Festival Hall vastgelegd. De Vier Letzte Lieder en de slotscène uit Capricio van Richard Strauss zong ze in oktober 1976 onder begeleiding van Antal Dorati.

De Shéhérezade van Ravel werd in 1971 opgenomen met het BBC Orchestra die onder leiding stond van Pierre Boulez:

De twee aria’s uit Le Nozze di Figaro stammen uit 1960. Söderström laat een vertwijfelde gravin horen, en ze doet het zo mooi dat het naar meer smaakt.

Maar het allermooist zijn de liederen van Strauss, gezongen zonder vocaal krachtsvertoon en gekoketteer met hoge noten.

 

 

 

 

 

‘WEST SIDE STORY’ revisited

WEst Side Story

Voor het Holland Festival 2013 werd de verfilming van Bernsteins West Side Story uit 1961 opgelapt en met live-begeleiding van het Radio Filharmonisch Orkest vertoond in Carré. Een heuse belevenis, feilloos geleid door Wayne Marshall.

Noem mij maar een softie of een sentimentele oude wijf, maar één van de dingen waar ik het meest bang voor ben, is de confrontatie met mijn verleden. Ik heb dingen in folders en la’s van mijn hoofd, hart en ziel veilig opgeborgen en – mocht de nood aan de man komen doe ik ze even open, ruik ik er aan, aai het en dan berg ik het weer veilig terug op. Soms pink ik een traantje weg of drink ik een glaasje te veel. Wel zo veilig.

De confrontatie met je geliefde van weleer is zo mogelijk nog enger – wil ik dat wel? Ik ben bang dat ik teleurgesteld ga worden, net als die keer toen ik mijn ouderlijk huis na 40 jaar weer eens betrad. Het was klein, donker en benauwd. Weg mooie herinnering!

Wees niet bang, ik ga het nu echt niet hebben over mijn privéleven, maar over een film. Aan de andere kant: horen films, boeken en muziek uit je jeugd niet bij je privéleven? Ze hebben je immers gevormd?

Genoeg mijmeringen, wij gaan het over de West Side Story hebben. Het verhaal kent u ongetwijfeld allemaal, want die is net zo oud als de weg naar Rome en wellicht al ouder. Daar heeft Shakespeare dankbaar gebruik van gemaakt in zijn Romeo en Julia, maar Ovidius is hem in zijn Metamorphosen (Pyramus en Thisbe) al voorgegaan. En het thema heeft anno nu nog steeds (helaas, moet ik zeggen) niets aan actualiteit en zeggingskracht verloren.

west love

West Side Story behoort zonder meer tot één van de beroemdste en beste musicals ooit, daar kan niemand aan twijfelen. Het oorspronkelijke verhaal, over de toen prangende vete tussen de Iers-Amerikaanse bende de ‘Jets’ en de Joodse ‘Emeralds’ werd nooit gerealiseerd, maar de door Bernstein, Laurents (script) en Robbins in 1947 bedachte East Side Story werd tien jaar later, met de nu naar de westkant van Manhattan verplaatste handeling, een regelrecht succes.

west side beide

In 1961 werd de musical verfilmd en werd van meet af een geniale klassieker. De muziek van Leonard Bernstein, de songteksten van Stephen Sondheim en de choreografie van Jerome Robbins: doe ze het nog eens na! De film moet je gezien hebben, al was het maar om een referentie te kunnen hebben.

En nu dus werd de film helemaal opgelapt. Gerestaureerd, heet dat. In het kader van het Holland Festival werd hij éénmalig (doodzonde!) op het grote doek in het Amsterdamse Carré vertoond, met een live begeleiding van het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van de zeer charismatische Engelse dirigent Wayne Marshall.

Hoe ze dat voor mekaar hebben gekregen weet ik niet, maar het resultaat was meer dan verbluffend. Alles liep synchroon en je vergat dat je naar een film keek en dat het orkest op het podium stond. Het was een echte belevenis en het voelde alsof je naar een echte live
voorstelling zat te kijken.

Het orkest: mijn goede genade wat waren ze goed! Ik zat aan mijn stoel genageld en durfde nog amper adem te halen. Nou ja, de keren daargelaten dat ik toch echt naar mijn zakdoek moest grijpen, samen met iedereen om me heen.

West Wayne

Wayne Marshall © WDR/Detlef Overmann & Ed Brambis

Wayne Marshall heb ik nu voor het eerst live meegemaakt. Ik kende zijn opnamen van Gershwin – daar is hij een kampioen in -,maar ook zijn Poulenc en Hindemith zijn niet te versmaden. Ook zijn piano en orgel opnamen zijn niet aan mij voorbij gegaan, ik bewonder hem al jaren. Live was hij meer dan ik had verwacht – soms wist ik niet waar ik naar toe moest kijken!

west dance

De volle zaal was voor de helft gevuld met zeer jonge mensen. Het verwonderde mij echt, dus in de pauze heb ik er een paar opgezocht. Zij waren 16 en 17 en zij vonden het super gaaf. Nee, de pasjes waren niet verouderd en de muziek kenden zij wel. Van Madonna en Amy Winehouse en zo. Mooi. En aan het einde kwamen de tranen.

Ter herinnering en herkenning één van de voor mij spannendste scènes uit de film, ‘Tonight’:

Let ook op de woorden “tonight there will be no morning star”. En ergens bij 2.30’ zie je de Jets die zo voor het boord van ‘Coffee warehouse’ opgesteld staan, dat de enige letters die te zien zijn het woord ‘war’ vormen.

Meer Bernstein:
ROBERTA ALEXANDER zingt Bernstein

WONDERFUL TOWN

Koninklijk Concertgebouworkest speelt THE BEST OF BERNSTEIN

A Quiet Place door Opera Zuid: productie van het jaar?

TROUBLE IN TAHITI: film van Tom Cairns

LEONARD BERNSTEIN: Mass. A Theatre piece for singers, players and dancers

 

 

 

 

ZANGCONCOURSEN: PRO’S EN CONTRA’S

concoursen Moritz-Schwind-Saengerstreit-ohne-Rahmen

Moritz von SchwindDer Sängerkrieg

Als jonge zanger kun je bij wijze van spreken iedere week aan een zangconcours meedoen. Overal worden mogelijkheden geboden om jezelf in de spotlights te zingen. Goed nieuws voor het vele talent dat er is. Maar er zijn ook kanttekeningen te plaatsen.

Er wordt beweerd dat ‘het publiek’ gek is op concoursen en daar geloof ik zonder meer in. Al in de oudheid wist men de gemoederen met brood en spelen rustig te houden; en er werden allerlei wedstrijden georganiseerd, ook voor zangers, dichters en filosofen. De traditie leefde voort, en de zangwedstrijden hebben hun weg ook naar de opera gevonden. Denk alleen aan Die Meistersinger of Tannhaüser. Voor je zangkunst werd je altijd beloond. Ooit mocht je de mooie bruid mee naar huis nemen, tegenwoordig is je prijs tastbaarder geworden. Een somma geld, een engagement in een operahuis en – waar iedereen, al is het stiekem, van droomt – roem en een grote carrière. Geen wonder dus, dat er zo veel concoursen bestaan.

Maar: zijn het er inmiddels niet te veel? Moet er niet een leeftijdsgrens worden gesteld? Kan je een zanger die inmiddels aan grote huizen zingt met een beginnende collega vergelijken? Leveren ze ook datgene op, waar de veelal zeer jonge mensen op hebben gehoopt? Worden ze er door in hun carrière geholpen? Je wint en dan? En hoe ga je met je verlies om?

Allemaal vragen die mij deden besluiten om het fenomeen ‘zangcompetitie’ onder de loep te nemen en met direct betrokkenen te gaan praten,

Maartje Rammeloo (sopraan):

Concoursen Maartje

© Sarah Wijzenbeek

In 2008 was Maartje Rammelo één van de halvefinalisten van het IVC, waar ze uiteindelijk de Staetshuijs Fonds Prijs won. Ook tijdens het Belvedere in 2013 behaalde ze de halve finale. Verder won ze een engagement in Essen. Rammeloo was finaliste bij het Montserrat Caballé Concours in Zaragosa en bij het Wilhelm Stennhammer concours in Zweden.

 “Meedoen aan concoursen geeft een dubbel gevoel. Het inspireert en is opwindend, maar uitslagen zijn óf vreselijk voorspelbaar of volkomen bizar.

Je doet altijd mee om het beste uit jezelf te laten zien en hoopt dat dit voldoende is om een jury te overtuigen van je kwaliteit: maar hoe kun je de kunde en artisticiteit van een musicus beoordelen in een wedstrijd? In een auditie voor een productie heeft een artistiek team een concept en een idee over wie een rol zou moeten spelen. Maar in zo’n wedstrijd vergelijken meerdere juryleden met ieder zijn/haar eigen smaak appels met peren: een Figaro met een Tosca, een Händel counter met een Wagner sopraan.

En dan heb je het nog niet eens over het gekonkel en de verborgen agenda’s van sommige juryleden, het chauvinisme in regionale wedstrijden en het exotisme/de commercie om soms voor zangers te kiezen die niet per se de beste performance geven, maar wel erg interessant zijn vanwege afkomst of uiterlijk.

Waarom dan meedoen? Het geeft je een kans nieuw repertoire uit te proberen en feedback te krijgen. Daarbij is het een kans om voor te zingen voor de belangrijkste mensen uit het vak, voor wie je ‘in real life’ nooit een auditie geregeld krijgt zonder een geniale agent die je er binnen loodst.

Ik heb nog geen wedstrijd gedaan waar ik niet óf werk óf contacten óf zinnige feedback aan over heb gehouden. En dat is uiteindelijk wat we willen: werken! Zingen! Voor een publiek staan!

De prijzen maken het makkelijker om je vak uit te oefenen. In financieel opzicht, want ons vak maakt in de eerste jaren zeker niet rijk, en daarnaast qua bekendheid, wat weer voor meer werk kan zorgen. Maar net zo goed zijn er prijswinnaars genoeg waarvan we nooit meer wat horen en zangers die nog nooit een concours hebben gewonnen die nu een wereldcarrière hebben. Uiteindelijk gaat het om de lange adem, niet om het snelle succes…

Wat wel altijd erg lastig is met concoursen, is het vaststellen van je repertoire. Allereerst zijn er maar weinig zangers honderd procent zeker van hun ‘fach’. Het merendeel twijfelt toch telkens weer waar juryleden mij in zouden willen horen.

Daarbij heeft elk concours weer z’n eigen eisen. Zo veel aria’s in het totaal, waarvan zoveel van de lijst met verplichte werken, waarvan je eerste ronde maar zoveel minuten mag duren en de jury in de volgende ronde zo veel aria’s kiest enz. enz. Vreselijk moeilijk. Want je wilt zo veel mogelijk laten horen. Verschillende talen, verschillende stijlen, verschillende technieken en onderwerpen.

Er zijn ook een aantal concoursen die meer dan alleen het wedstrijdelement bieden. Ik stimuleer mijn eigen leerlingen nu ook om daar naar te zoeken. Concoursen als het IVC die met dingen als een jongerenjury, masterclasses, concertjes en lezingen er een echt zangfestival van maken. En dat zijn ook vaak de concoursen die contact houden met je in de jaren erna. Die begaan zijn met de verdere ontwikkeling van de zangers. Maar dat zijn er erg weinig helaas…

Ik heb inmiddels geleerd dat als je zingt waar jij je lekker bij voelt en wat je echt goed kan, dan is er na afloop van je optreden tenminste één iemand blij. Namelijk jij.

Maartje Rammeloo zingt ‘I want magic!’ uit The Streetcar named Desire van André Previn:

 

Piotr Barański (countertenor):

concoursen Piotr-Baranski-Cornelia-Helfricht

©  Cornelia Helfricht

In 2012 was Piotr Barański halvefinalist bij het IVC in Den Bosch.

 “Lange tijd wilde ik niets van concoursen weten, ik vond mijzelf er niet het type voor. Je moet je niet alleen goed voorbereiden, maar ook zeker zijn van jezelf en het beste van jezelf aan de jury laten zien, je moet presteren terwijl je onder stress staat. Daar moet je goed tegen kunnen en niet iedereen kan dat.

En toch – concoursen zijn heel erg belangrijk. Je krijgt de kans om je aan een breder publiek te presenteren, om nieuwe, belangrijke mensen te leren kennen – en in ons beroep moeten we het van connecties en netwerken hebben. En het is natuurlijk heel erg belangrijk dat je je kan laten zien aan dirigenten, agenten, intendanten en casting directeuren, die op zoek zijn naar nieuwe talenten.

Er zijn helaas concoursen waar de eliminaties en de eerste voorrondes achter gesloten deuren plaats vinden en alleen de finales zijn toegankelijk voor het publiek. De kansen om iets van zo’n concours op te steken zijn dan minimaal.

De criteria van de jury zijn niet altijd even duidelijk en de resultaten kunnen zeer controversieel zijn. Ik ken zangers die, zingend op hetzelfde niveau, op het ene concours de hoogste prijzen winnen, terwijl bij het andere niet verder komen dan de voorrondes.

Wat voor mij heel belangrijk is, is de feedback. Het is van het grootste belang voor de verdere ontwikkeling van een zanger om tenminste een paar woorden met de juryleden te wisselen, iets wat inderdaad bij IVC gebeurde en wat mij ontzettend heeft geholpen. Een gezonde, constructieve kritiek is onontbeerlijk en opbouwend.”

Piotr Barański (countertenor) en Hans Eijsackers (piano) in “Lullaby” uit ‘Songs and Dances of Death’ van  Modest Mussorgsky

Reinild Mees (pianiste):

concoursen reinild-0210d_hoogres

© Janica Draisma

“De uitkomsten van zangconcoursen zijn al tamelijk onvoorspelbaar –  hoe een carrière daarna verloopt is nog meer koffiedik kijken! Een optreden (want dat is het zingen op een concours in feite) is en blijft een momentopname, ook voor degenen die luisteren en/of beoordelen. Er zijn zoveel factoren die meespelen: leeftijd, ervaring, muzikaliteit, stemvak, repertoire, taalbeheersing enzovoort enzovoort dat het soms moeilijk is om te bepalen welk aspect doorslaggevend is.

De voorbereidingen voor een concours, het uitzoeken en het werken aan het repertoire met een zangleraar en een coach, zijn van onschatbare waarde. Dat vergt een grote concentratie en discipline – de stukken die je moet leren vergeet je de rest van je leven niet meer – en daarnaast moet je je  sterk maken om je te presenteren, je moet daarvoor moed verzamelen en met nervositeit om kunnen gaan.

Mijn ervaring is dat een concours in alle gevallen goed is voor de ontwikkeling van een zanger, ook als je in het ergste geval naar huis wordt gestuurd. De volgende dag heb je immers de keuze: óf je stopt, óf je besluit om door te gaan en je verder te ontwikkelen om nieuwe kansen op te zoeken. Bijna altijd kies je dan voor de tweede optie en dan is het toch een goede ervaring geweest! Concoursen zijn heel waardevol, ook al win je geen prijs….”

Reinild Mees begeleidt Tania Kross in ´Der Kaiser´ van Henriëtte Bosman±

Piotr Beczala en Reinild Mees in liederen van Szymanowski±


 

Mauricio Fernández (van 1983 tot 2016 casting director NTR ZaterdagMatinee):

concoursen Mauricio

“Als casting director van één van de meest ambitieuze en internationaal erkende concertseries ter wereld heb ik de laatste dertig jaar verschillende zangcompetities bijgewoond – als jurylid en als een ‘observer’.

Als je mij vraagt wie de echte sterzangers waren die ik heb meegemaakt, dan moet ik zeer diep in mijn geheugen graven om je een eerlijk antwoord te kunnen geven. Het is een feit, althans voor mij, dat de echt interessante zangers, met een inmiddels internationale carrière, vaak niet eens de halve finales bereikten of überhaupt een prijs wonnen.

Het is een tijdverspilling om je hersenen te pijnigen met de vraag waarom de zangers die het in je oren/ogen niet verdienden met de grootste prijzen naar huis gaan. Het heeft ook geen zin om de gedachten van degenen die ze hebben beloond: artistiek directeuren, casting directors, regisseurs, zangers of leraren te willen begrijpen.

We moesten maar eens goed nadenken waarom we eigenlijk al die competities nodig hebben. Zijn ze voornamelijk bedoeld voor het verbreden van het netwerk van de juryleden of horen ze de belangen van de jonge getalenteerde zangers te dienen, om ze een fatsoenlijke carrière te helpen opbouwen? Een lang blijvende carrière, die hen alles wat ze erin hebben geïnvesteerd – geld en vaak persoonlijke opofferingen – kan vergoeden.

Vergeet niet dat de zangers, net als andere oprechte musici en artiesten een belangrijke missie hebben: het verwarmen van de harten van het publiek, in het theater of in je huiskamer. Ze zijn er voor om met respect met de nalatenschap van de componist om te gaan en er voor te zorgen dat de opera als een levende kunstvorm niet gaat uitsterven”

 

Annett Andriesen (directeur van het IVC in de Bosch):

Concoursen Annet-Andriesen_web-728x485 (1) foto Annett Anne Frankplein

Andriesen heeft vroeger zelf deelgenomen aan verschillende concoursen. Nu zij een concours leidt, weet ze wat een zanger nodig heeft: zorg en respect.

 “Het IVC is een harde wedstrijd, maar met een menselijk gezicht. Ik wil geen watjes van ze maken, ze moeten zich kunnen redden in de grote boze wereld. Een concours is een plek waar opinies worden gevormd, waar zangers elkaar ontmoeten en kunnen zien waar ze staan, ze kunnen leren om te zingen onder hoogspanning, ze kunnen een netwerk opbouwen. Ze moeten zich vooral veilig voelen.

Het IVC stelt veel hogere eisen aan de samenstelling van het repertoire, de langere lijst  behelst drie periodes en stelt verplicht drie werken van na 1915. Daarnaast moeten de kandidaten een nieuw werk instuderen van een Nederlandse componist.

We hanteren de “Triple O” methode: “Ontdekken”, “Ontwikkelen” (masterclasses, trainingssessie, feedback door juryleden in persoonlijke gesprekken) en “Overdragen aan de markt” (contacten leggen met impresario’s, concertdirecties en casting directeuren).

Laat ik vooropstellen dat ik niet uitga van verborgen agenda’s of sjoemelende juryleden. Ik heb daar geen ervaring mee. De reglementen moeten kloppen en je moet je omringen met mensen die je kunt vertrouwen. ik heb nu drie concoursen geleid en ik heb veel respect voor juryleden die zich werkelijk bekommeren om de zangers en gesprekken voeren over het vak en de mogelijke plaats die de zanger kan innemen daarin. er zijn zangers die nog steeds contact hebben met juryleden en op hun advies een bepaalde coaching hebben gedaan.

De jury bij het IVC bestaat uit zangers/musici die aan het eind van hun carrière hun kennis en vaak ook hun netwerk delen en willen delen met de jonge generatie. Daarnaast casting directeuren of agenten en intendanten waarvan je weet dat zij jonge mensen aan het begin van hun carrière verder willen helpen. En niet alleen omdat een jonge solist ‘goedkoop’ zou zijn.

Ik denk dat het nut van een concours is de ontmoeting met gelijkgestemden, de gesprekken, het luisteren naar de collega’s, repertoire leren van de andere stemsoorten, vriendschappen sluiten, contacten opdoen en jezelf spiegelen aan de ander. Er is zoveel aanbod van zangers, dat het goed is om op bepaalde plekken en dat zou een concours kunnen zijn, gezien en gehoord te worden. Toptalent komt altijd bovendrijven.

 

Die Schöne Magelone door Christian Gerhaher is genadeloos zwaar

Brahms Gerhaher


Die Schöne Magelone
van Johannes Brahms is niet zomaar een liedcyclus. Simplistisch gezegd: het is geen vanzelfsprekende Schubert, maar ook geen neurotisch sensuele Schumann. Je kunt niet zo maar met je ogen dicht er ‘gewoon’ van zitten genieten want van de muziek sec moet je het niet hebben.

De liedcyclus volgt het roman ‘Die Wundersame Liebesgeschichte der schönen Magelone und des Grafen Peter aus der Provence’ van Ludwig Tieck op de voet en de gedichten en de verhalen in proza wisselen elkaar af. Om het allemaal te kunnen begrijpen en om te snappen waar het over gaat moet het verhaal dus ook verteld worden en in deze opname heeft de beroemde Duitse schrijver Martin Walser er voor gezorgd. De door hemzelf  geschreven ‘tussenstukjes’ baseerde hij op de oude teksten van Tieck en hij draagt ze ook zelf voor.

Hier is geen ontsnappen aan mogelijk: je moet er goed voor gaan zitten, de tekst pakken en …. Nu ja, de tekst pakken… Dat lukt dus niet, er is namelijk geen tekst bijgeleverd. Althans niet van de gesproken tussenstukken.

Christian Gerhaher is zonder enige twijfel één van de grootste liedzangers van nu, maar hoe goed ik mijn best ook doe: warm word ik er niet van. Niet dat er iets mis is met de deze opname. Integendeel, het is zeer intelligent en genadeloos perfect, met de nadruk op genadeloos. En zwaar, heel erg zwaar. Af en toe een pas op de plaats nemen en rustig doorademen zou in de beleving van de luisteraar wonderen kunnen doen.

De bijdrage van de pianist daarentegen is meer dan fenomenaal. Zodra Gerold Huber met zijn introductie begint hoop ik dat hij door mag gaan zonder door de zanger ‘gestoord’ te worden. Ik denk niet dat ik ooit nog eens naar die cd’s zal luisteren.


JOHANNES BRAHMS
Die Schöne Magelone
15 Romanzen aus Ludwig Tiecks Magelone, op.33
Zwischentexte von Martin Malser
Christian Gerhaher (bariton), Gerold Huber (piano), Martin Walser (voordracht)
Sony 8985311022 •  93’ (2cd’s)

Meer Gerhaher:

CHRISTIAN GERHAHER zingt MAHLER

FolksLied. Christian Gerhaher

SCENEN AUS GOETHES FAUST

Interview with Joseph Calleja

Calleja-Simon-Fowler-Decca-1

© Simon Fowler /Decca

Joseph, finalmente mio!

An unconventional opening of an interview, perhaps, but I had good reasons for it. Our Amsterdam appointment was cancelled twice, leaving Facebook and Skype the only remaining option. Even that way, it took me quite a while to finally get hold of him.

Calleja Malta Simon Flowler

© Simon Fowler/Decca

Him being Joseph Calleja, one of the famous tenors of his generation, with a busy current schedule and an even busier future. He was born in Malta, and had turned thirty-five just before our interview in the last week of January 2013.

“January is an outstanding month for tenors,”  he laughed.  “Mario Lanza, Domingo, my teacher, me…. There must be something special in the January air.”

To settle all disputes: his name is pronounced ‘Kaleja.’ Not the Spanish way, or the Italian or Portuguese way. Well, that is easy for the Dutch to get right then, I say, which makes him laugh again.

Calleja has close ties to the Netherlands. After all, his international career started in this country. At age nineteen (sic!) he sang Leicester in Donizetti’s Maria Stuarda for the Nederlandse Reisopera. Quite a feat, with which he impressed a lot of people. His voice was very light and sweet at that time;  his high notes supple and pure, almost like Tagliavini.

Calleja as Leicester in Bergamo in 2001:

In 2004, at the age of twenty-six he made his debut with the Dutch National Opera as the Duke of Mantua in Verdi’s Rigoletto. He had already sung the part before, in 2001, at an open air performance in the port of Rotterdam.

He still has a lot of friends from his Dutch period, and even remembers a sentence in Dutch: “eet mijn konijn niet op” (Do not eat my rabbit),

He laughs heartily at this. The anecdote is well known in the meantime, but he does not mind repeating it once more. He was seeing a Dutch girl at the time. When he visited her, he told her little sister that it was a Maltese custom to eat a lot of rabbit. The little girl grabbed her rabbit in shock, exclaiming ” eet mijn konijn niet op!”  He has always remembered the phrase since.

Joseph Calleja sings “To the canals of Amsterdam I have pledged my whole heart” at the 2013 rendition of the Grachtenfestival (Canal Festival)  accompanied by the Royal Concertgebouworchestra directed by Antonio Pappano:

Nine years ago you told me that of all current tenors the voice of Pavarotti felt closest to yours. You said: “If I were to die tomorrow, and could listen to one voice, the final voice of my life, that would be Pavarotti. He is my biggest favourite, my true idol. There have been, and there are, other big and beautiful voices, but Pavarotti remains number one for me.” Do you still feel the same?

“Yes, I do, in fact, although I have to admit I admire Jussi Björling more and more every time I listen to him. It is very well possible this has something to do with how my own voice develops.”

Your voice is often compared to that of great singers of the past In addition your career develops in an astonishingly rapid tempo. How do you feel about that yourself?

“It is true. It can be a little scary at times, everything happens so fast, which can be a burden. The audience expects you to be in top form every evening, which is impossible because the human voice is no violin. But on the other hand I would never want to miss all these fantastic experiences.”

I was speaking to Marilyn Horne a while back. She encouraged young singers to take their time, and never to rush things.

“I know, but this so difficult nowadays! I believe you do have to rush, but in a clever way. Meaning to study like crazy and work hard, but to be cautious in choosing your repertoire at the same time.”

Coming up the next four months are several radically different roles: Tebaldo in I Capuletti e i Montecchi in Munich, Rodolfo in La Bohème in Chicago, Gustavo in Un Ballo in Maschera in Frankfurt and Nadir in the Pearl Fishers in Berlin. Not to mention the concert performances of Simon Boccanegra and the Verdi Requiem. How does he switch from the lyrical Nadir to Gustavo who is definitely more dramatical?

Calleja ballo

As Gustavo in Ballo in Maschera at ROH © Catherine Ashmore

“I do not believe you need to sing Gustavo in Ballo differently than Duca in Rigoletto or Manrico in Trovatore. All those roles were written for the same type of tenor. True, the orchestras were smaller then, and the tuning was lower. That does put extra pressure on a tenor nowadays. You have to sing higher and louder than intended. Every singer goes his own path, and you make mistakes on the way, but it is possible to learn from those mistakes.”

“Certainly, I made some mistakes myself. My first La Bohème came too soon, and I have also sung a few other roles too early. But like I said, you learn from that. What helps are a good, solid technique, and good advice.”

Unlike many of his colleagues you don’t mind modern stagings.

“Respect is all I demand. I do my job, a director hopefully does his. I need to trust the director, believe that he knows what he does, and why he is doing it. I leave judging a director to the audience and the critics. Singers are not supposed to do that. We do not have to agree on everything, but we do need to respect each other.”

What if a director wants to put you on stage naked? As a singer you are already vulnerable fully dressed! Would you go that far?

“I would not know, honestly. Luckily nobody has ever asked me to strip, although I did sing a Duca in my boxer shorts once.”
Kidding aside: “if you only did the things you liked, you would be out of work ten out of twelve months. So I only say no when something can harm my voice.”

callejalanzacd

In January and February 2013 Calleja toured Europe with the program of his CD Be my love – A Tribute to Mario Lanza. Pavarotti, Domingo, Carreras; almost all tenors of hat generation idolized Mario Lanza and his movies. But you were not even born yet when he died. How does someone of your age got to know him?

“When I was young I played in a rock band. My uncle felt I had to listen to some good music, so he made me watch all these Lanza movies. That is how my love for opera started. What a fabulous singer! On his own, he had the charisma of four or five tenors. I also have all his CD’s. And I do not care one bit he sang with a microphone.”

“I have nothing against crossovers, especially not when done right. What does crossover even mean? For me it means having fun, making good music. I am not Mick Jagger or Robbie Williams. I am and will always remain an opera singer. But when done the way the three tenors did it, for example, I love it!”

“Why does an opera house have to be the only place where opera is sung? In the past men in Italy, and in Malta too, used to bring serenades by singing opera arias. The women stood in their open windows, like in a opera box. That is the way my teacher met his wife. Were not opera singers hundred years ago the pop singers of now? Well, on Malta they certainly were!”

I tell him I dreamt the night before our interview that we met in the lobby of a large hotel. He was sitting there with all his brothers and sisters and told me he would start to include folk songs in his recitals. Does he actually sing folk music?

“Our folk music is not really suitable for a trained tenor voice. Malta is like Sardinia: the music is raw. Italian music is part of our folk tradition. We grew up in the Italian tradition, the canzoni form part of our culture.”

Calleja op Malta

© Simon Fowler/Decca

Which languages do you speak at home? English, Italian of Maltese?
“Hahaha. All of them, and all of them together at the same time!”

What do you find harder? Singing opera, or touring with a recital?
“Touring, without a doubt. You pack your luggage, unpack it, go on stage and sing, go to sleep and pack your stuff again. Sometimes you can rest for a few days in between concerts, but often you are supposed to give interviews, or show up for some event, or sing something. All of that is very tiring.”

Does that explain why I had to wait so long for my interview?
”Hahahahahaaa! I am not commenting on that!”

Calleja sings

© Michele Agius

Why do you sing, actually?

“Why do I sing?”  He ponders for a moment, apparently the question is harder than it seems. “I sing because I can express all great emotions through it: love, sadness, anger…. everything!”

English translation: Remko Jas

In het Nederlands: Interview met Joseph Calleja

Plácido Domingo in Ziggo Dome, Amsterdam 2013

Domingo affiche

Veni vidi vici. Plácido Domingo had het na donderdagavond 13 juni 2013 kunnen zeggen. De uitverkochte Ziggo Dome (ja, u leest het goed, de enorme zaal was vol!) ging los als was het een popconcert. Terecht. Al is de maestro de jongste niet meer, zijn stem wil niets van ouder worden weten.

Domingo arena

© Vera Klijn

De avond telde allerlei verrassingen, wat de pret eigenlijk alleen maar vergrootte:

1. Ondanks de wanhopige berichten in de kranten was de zaal vrijwel helemaal vol.

2. Er was geen programmaboekje. De namen van de twee gastsopranen werden geprojecteerd op het scherm, voor de rest mocht je lekker gissen wat ze aan het zingen waren.

3. Het Orkest der Lage Landen, een orkest waar ik nog nooit eerder van had gehoord, deed mij verbaasd staan. Onder leiding van Walter Proost speelden ze de sterren naar beneden.

Domingo m

© Vera Klijn

Al bij het allereerste nummer, de ouverture van Der fliegende Holländer, zat ik op het puntje van mijn stoel. De Nabucco-ouverture was meer dan meeslepend en in het lichtere genre (Leichte Kavallerie van Franz von Suppé) werd ook het publiek erbij betrokken. Proost draaide zich om en dirigeerde de zaal, die met het orkest mee klapte. In het ritme.Ik was hoogst verbaasd hoeveel mensen zich er echt op gekleed hadden! Natuurlijk, de obligate spijkerbroeken waren meer dan vertegenwoordigd, maar ik merkte ook dames in avondkledij op. Of je het wilt of niet: het is altijd sfeerverhogend.

4. Het repertoire. Niemand maakte zich er met een jantje-van-leiden vanaf. Van Wagner gingen we naar Verdi en via de operette en de zarzuela belandden we bij musicals. En dat alles op topniveau. Doe ze het na!

5. Het was een avondje uit in een tempel van de lichte muze, dus kregen we er ook iets van een show bij. Lichten, lichstralen, noem maar op.

Domingo zaal

Is Domingo ’s werelds beste tenor? Voor mij wel, zeker als ik het over de laatste dertig jaar van de vorige en de eerste tien van deze eeuw heb. Nu zijn hoge noten het laten afweten heeft hij zich op baritonrollen gericht en dat doet hij met de hem gebruikelijke overgave en muzikaliteit.

Domingo EPA

© EPA

Nee, hij is geen bariton, zijn timbre is nog steeds dat van een tenor, maar hij weet hierin meer te overtuigen. Misschien moeten we gewoon constateren dat hij de muzikaalste van alle tenoren is? Een fenomeen dat maar eens in de honderd jaar wordt geboren?

Zijn Siegmund staat nog steeds als een huis en de Verdi-duetten (La Traviata en Il Trovatore, geen makkelijke kost voor een bariton) bewezen niet alleen zijn muzikaliteit, maar ook de humane kant van de mens en artiest Domingo. Iedere keer als zijn partner ‘aan het woord’ was, nam hij een stapje terug en liet haar in de schijnwerpers schitteren.

Domingo

© Vera Klijn

Na de pauze werd het tijd voor de licht(ere) muze. ‘Dein is mein ganzes herz’ werd al bij de eerste maten op gejuich van het publiek getrakteerd en toen was de pret niet meer te stuiten.

‘So muss allein ich bleiben’ uit Die Fledermaus was zowat de koddigste dat ik ooit heb gehoord en daar gingen ook nog eens de beentjes omhoog. Ook die van de toeschouwers.

Na het wonderschoon mooi door Angel Blue gezongen ‘De España vengo’ (El niño Judío van Pablo Luna) en een duet uit Luisa Fernanda kwamen we via de heerlijke ‘Tarantula’ uit La Tempranica bij ‘Amor, vida de mi vida’ (Maravilla van Moreno) terecht. Toen moest ik even een traan wegpinken, maar dat duurde niet lang, want daarna kwamen de encores.

Plácido Domingo zingt ‘Besame mucho’:

 

‘I could have danced all night’, ‘Besame mucho’ (hmm… daar zou ik niets op tegen hebben), ‘Yes I can, no you can’t’ uit Annie get your gun en als afsluiting het door alle drie de solisten gezongen ‘If I loved you’ uit Carrousel – ik vond het heerlijk.

Placido Domingo zingt “If I loved you” met Angel Joy Blue en Micaëla Oeste, Amsterdam June 2013

De twee jonge sopranen die Domingo begeleidden, Angel Blue en Micaëla Oeste, waren een lust voor het oog. Mijn voorkeur ging uit naar de zeer charismatische Blue. Zij wist me niet alleen in het lichtere genre maar ook in ‘Dich, teure Halle’ uit Tannhaüser te overtuigen. Van haar horen we meer

Who is afraid of Ziggo Dome? Ik in ieder geval niet meer. De zaal is inderdaad immens, maar op de een of andere manier doet hij intiem aan en de akoestiek is er werkelijk heel goed. Natuurlijk zongen ze met een microfoon – dat kan ook niet anders – maar merkwaardig genoeg had je er amper last van. Het geluid kwam heel natuurlijk over.

Domingo b

© Vera Klijn

Angel Blue

SALOME IN AMSTERDAM: waar bleef de kop?

Salome Amsterdam Affiche

Let niet op het mooie affiche. Het belooft ons iets wat niet waar wordt gemaakt en wat we niet krijgen. Het hoofd van Jochanaan blijft tot het einde aan zijn lichaam vastzitten, waardoor het beoogde schokeffect achterwege blijft. Want, zeg maar zelf, een vrijage met een dodelijk  gewonde man is toch wel van een ander kaliber dan klaarkomen met zijn afgehakte kop.

Regisseur Ivo van Hove aan het woord:

COMING OF AGE

Ivo van Hove ziet de opera als een coming of age-verhaal en in die zin was Malin Byström een gedroomde Salome die precies deed wat de regisseur van haar verlangde. Klein, teer en lijkbleek was zij zowat de personificatie van een boze, verwende puber die haar zin kostte wat kost moest en zou krijgen.

Malin Byström (Salome) & Lance Ryan (Herodes)

Lance Ryan (Herodes) & Malyn Byström (Salome) © BAUS

Byström zag er uit als Salome, zij danste als Salome, maar zingen als Salome lukte haar maar half. Daar miste haar stem de orkaankracht voor die het moeiteloos boven het orkest zou kunnen tillen. Maar het was haar roldebuut en de kans dat zij er in gaat groeien is groot, het potentieel is in ieder geval aanwezig. Sowieso moet men haar uithoudingsvermogen en betrokkenheid bewonderen: zij gaf de rol alles wat zij had.

DANS

In het tekstboek (niet lezen!) wordt gerept van kolonialisme, imperialisme en meer van dat soort bla bla, maar gelukkig merkte je daar niets van. Salome danste omdat ze eenmaal haar zinnen op Jochanaan had gezet, levend of dood. Het dubbele van haar wens werd door van Hove meer dan prachtig verbeeld; hij liet Salome de dans dan ook ‘dubbel’ uitvoeren. Fysiek agressief op het voortoneel en gedroomd sensueel en sterk erotisch geladen op de videoprojectie op de muur.

Lance Ryan (Herodes), Malin Byström (Salome), Doris Soffel (Herodias)

Lance Ryan (Herodes), Doris Soffel (Herodias) & Malyn Byström (Salome) © BAUS

Het was niet alleen mooi om naar te kijken, het werkte ook hallucinerend en hypnotiserend, waardoor ook alle personages in het drama er deel aan moesten nemen, of ze het wilden of niet. Een absoluut hoogtepunt van de productie. Ik noem het maar zoals het was: een orgasme.

Malin Byström (Salome) & Doris Soffel (herodias)

Doris Soffel (Herodias) & Malyn Byström Salome) © BAUS

De rol van Jochanaan werd bezet door de Russische basbariton Evgeny Nikitin. Schitterende zanger, dat zeker, maar geen Jochanaan. Ik vind zijn stem te laag en te ‘bassig’, waardoor hij in moeilijkheden kwam bij zijn hoge noten.

Malin Byström (Salome) & Evgeny Nikitin (Jochanaan)

Peter Sonn (Narraboth), Malyn Byström (Salome) & Evgeny Nikitin (Jochanaan) © BAUS

Nog erger was het met zijn uitstraling gesteld: die had hij namelijk helemaal niet. Nikitin zag er uit als een bejaarde motorrijder, zijn grijzige haar in een staartje en zijn hele lichaam bedekt met tatoeages. Met zijn sjofele kleding en zijn totale gebrek aan charisma kon hij moeilijk indruk op wie dan ook maken, laat staan dat hij een gedroomd seksobject van een mooie prinses kon worden.

Malin Byström (Salome), Evgeny Nikitin (Jochanaan)

Evgeny Nikitin (Jochanaan) & Malyn Byström (Salome) © BAUS

Herodes (Lance Ryan) en Herodias (Doris Soffel) waren beiden goed. Aanvankelijk had ik een beetje moeite met Ryan: zijn stem is niet echt een karaktertenor zoals ik gewend ben, maar gaandeweg gaf ik mij toch gewonnen.

Malin Byström (Salome) & Lance Ryan (Herodes) & Doris Soffel (Herodias)

Doris Soffel (Herodias), Lance Ryan (Herodes), Malyn Byström (Salome) & het lijk © BAUS

Ergens las ik dat de regisseur clichés wilde vermijden en dat was hem goed gelukt. Ryan is een goed uitziende man die er zeer netjes maar ook gladjes eruitzag in zijn nette pak. Zeg maar: het type hoge ambtenaar met een uitstraling van een garnaal.

Doris Soffel (Herodias), op de achtergrond Malin Byström (Salome)

Doris Soffel (Herodias © BAUS

Ook de Herodias van Doris Soffel was minder karikaturaal dan gewoonlijk, meer een ‘Gooise vrouw’ dan een hysterisch jaloerse krijswijf op leeftijd.

Doris Soffel (Herodias), Malin Byström (Salome), Lance Ryan (Herodes)

Dorris Soffel (Herodias) in het midden, achter haar Malyn Byström (Salome), naaast haar zittend Hanna Hipp (page) © BAUS

Hanna Hipp (page) heeft weinig indruk op mij gemaakt. Op de bühne was zij de grote ‘afwezige’ wat ongetwijfeld zowel met haar nietszeggend driedelig kostuum als met het gebrek aan goede regieaanwijzingen te maken zou kunnen hebben. Met zijn/haar personage wist van Hove zich blijkbaar geen raad.

Lance Ryan (Herodes), Peter Sonn (Narraboth)

James Platt (Soldaat), liggend Peter Sonn (Narraboth & Lance Ryan (Herodes) © BAUS

Uitstekend daarentegen was de Narraboth van Peter Sonn. Met zijn soepele, lyrische tenor wist hij de “mooie Syriër” en gekwelde legercommandant goed gestalte te geven. Ik ben de regisseur ook zeer dankbaar dat hij Narraboth gewoon een fatsoenlijke zelfmoord heeft laten plegen, precies zoals het in het libretto staat.

Ook alle kleine rollen waren zeer goed bezet, met de vijftal kibbelende Joden voorop.

Salome maan

© BAUS

Het minimalistisch toneelbeeld van Jan Versweyveld was zeker mooi, gelukkig gaf hij ook de maan met al zijn gedaantes de prominente plaats die hij verdiende.

Had Ivo van Hove ons datgene gegeven waar we, net als Salome sterk naar verlangden, dan had men kunnen spreken van een bijna perfecte voorstelling.

Malin Byström (Salome)

Malyn Byström (Salome) © BAUS

Al met al: het was een goed tot zeer goed gezongen mooie productie, met in de hoofdrol een goddelijk spelend orkest. Zoals het eigenlijk bij Richard Strauss hoort. Het is niet te geloven dat het Koninklijk Concertgebouworkest, althans in de huidige bezetting, de partituur voor het eerst op de lessenaars had.

Trailer van de productie:

Richard Strauss
Salome

Malin Byström, Evgeny Nikitin, Lance Ryan, Doris Soffel, Peter Sonn, Hanna Hipp e.a.
Koninklijk Concertgebouworkest olv Daniele Gatti.
Regie: Ivo van Hove

Bezocht op 9 juni 2017

SALOME: de gevaarlijke verleidster of …..? Discografie.

‘DAS GEHEGE’ van Wolfgang Rihm: een moderne versie van ‘SALOME’? ZaterdagMatinee december 2011

Emily Magee als SALOME in Frankfurt

Holland Festival 2017: Jonas Kaufmann & Eva-Maria Westbroek in Amsterdam

kaufmann-eva-maria-westbroek-jochen-rieder-at-holland-festival-2017-janiek-dam-11

© Janiek Dam

Finally the day of the much-anticipated recital by star tenor Jonas Kaufmann was there.

Why did Amsterdam have to wait for him so long? Too expensive, too busy, too ….? A lot of speculating went on before the concert, caused by his recent cancellations. But Kaufmann came, saw, and conquered. Star soprano Eva-Maria Westbroek and the energetic Residentie Orkest led by Jochen Rieder contributed to the huge success of the afternoon as well.

jonas-kaufmann-eva-maria-westbroek-jochen-rieder-at-holland-festival-2017-janiek-dam-7

© Janiek Dam

Expectations were high, and the hall was filled with fans, buzzing with excitement from the start. In spite of this, Kaufmann made a cautious start,  visibly suffering from nerves.

As much as I loved his singing (very much, in fact), in his first aria ‘Celeste Aida’ Kaufmann had problems winning me over. Part of the problem had to do with his volume. Even with the sympathetic and delicate back-up by the Residentie Orkest he was difficult to hear at times from my seat. His pianissimi and mezza voce phrases were breathtaking, as beautiful as his diminuendo at the end of the aria, but did he make a convincing warrior? Not to me.

‘La vita è inferno all’infelice’ from La Forza del Destino almost went off the rails because of the lethargic tempi. Kaufmann sang heavenly, but taken as slow as this there was hardly any tension, and the fluctuations of the voice made a quasi-artistic impression. Did this matter? No, not really, but with better tempi perfection could have been achieved.

Jonas-

© Janiek Dam

I do not know if Eva-Maria Westbroek ever sang ‘Tu che le vanità’ from Don Carlo before, but on Sunday it sounded like she had sung little else but Elisabetta her entire life. Completely immersed in the scene, she sang as if her life depended on it, flinging the aria into the hall. What an actress!

Westbroek’s emotions dominated the love duet from Otello. Thanks to her ‘Gia nella notte densa’ became the undeniable highpoint of the first half of the concert. Both singers were at their most lyrical and genuine here, treating the audience to a classic love scene that would not be out of a place in an old Hollywood classic. Involuntarily, I had to think of Laurence Olivier and Vivien Leigh and those moments of deceiving stillness before the storm.

Kaufmann will add Otello to his repertoire in a few days, and people await it like a new Star Wars movie. Personally I still have doubts which Kaufmann could not erase on Sunday. He is much more the insecure and soft lover than the ruthless warrior. But perhaps I am wrong and he will give us an Otello that will even surpass Domingo’s portrayal?

Kaufmann Walkure

I have no complaints whatsoever about the second half of the concert, not even a quibble. Wagner and his Walküre are familiar grounds for both singers who thoroughly understand Siegmund and Sieglinde. I honestly cannot think of another pair of singers who could do what they did.  Everything was there: fear, resistance, and predominantly love, a lot of love. Perfect beauty is the only way to describe it.

The orchestra also sounded much more intense after intermission. Wagner sounded much closer to them than Verdi, I felt. In particular the Rienzi-overture, performed with great panache and drive was spectacular.

There was room for a real rarity on the program as well (bravo for that!), the Preludio that Verdi supposedly composed as an overture for Otello. This piece was recorded for CD by Riccardo Chailly, but the authenticity of it has been questioned. Rightly so. It is truly a miserable thing. Besides the Jago-motive you recognize parts of the ‘Esultate’ in it too. I did enjoy hearing it nevertheless, mainly for the great enthusiasm the orchestra played it with.

This was obviously not the first time Kaufmann and Jochen Rieder performed together. Their interaction on stage was affectionate and companionable, and they supported and supplemented each other well. Very moving to see.

The ovations at the end of the concert did not seem to end. People were hoping for an encore, which did not come. Personally I would have loved to hear more too, but both singers were obviously tired, and the program already was very heavy. Besides, what on earth could you sing as an encore after the final scene of the first act of Walküre?

Kaufmann

© Ron Jacobi

Those who missed the concert might be relieved knowing the NTR recorded it for a broadcast on June the 20th. Do not miss it!

Video of the final ovations:  © Ron Jacobi

Jonas Kaufmann, tenor
Eva-Maria Westbroek, soprano
Residentie Orkest led by Jochen Rieder

Performance reviewed: 4th of June 2017, Concertgebouw Amsterdam

English translation: Remko Jas

Review in Dutch: JONAS KAUFMANN in Amsterdam