Doris_Soffel

Die Königskinder, de opera van Elsa Bernstein-Porges en Engelbert Humperdinck

Tekst: Neil van der Linden

Eerst wat achtergronden en het verhaal van de opera. Was het met vooruitziende blik dat de Joodse librettist Elsa Bernstein-Porges een tekst schreef over uitsluiting, met zelfs dood als gevolg? In het feit dat ze het onder een pseudoniem schreef, namelijk Ernst Rosmer, komen twee indertijd gebruikelijke vormen van discriminatie en erger tot uiting: de schuilnaam verhult dat ze Joods en dat ze vrouw was.  In feite kun je het verhaal van Die Königskinder uitleggen als een aanklacht tegen uitsluiting van minderheden en vrouwen.

Het is een onbekende opera, en om die en wat er in deze opvoering mee is gedaan te begrijpen geef ik graag een synopsis.Een jong meisje, Die Gänsemagd, een ganzenhoedster, is jarenlang diep in een bos opgevoed door een pleegmoeder, Die Hexe, en ze heeft nog nooit andere mensen gezien. Tot op een zomerdag Der Königssohn passeert, zoon van de overleden koning van een nabije stad, die als bedelaar de wijde wereld introk om het leven beter te begrijpen.

De jongen en het meisje worden verliefd. Het meisje kan echter door een toverspreuk van haar pleegmoeder het bos niet uit. De jongen vat dat op als onwil en reist teleurgesteld naar de stad, waar hij zich incognito onder de mensen begeeft. Maar een langstrekkende troubadour, Der Spielmann, helpt het meisje de betovering te verbreken. Ze reist haar geliefde achterna en klopt aan bij de stadspoort, juist op het moment dat volgens een voorspelling van de oude vrouw de stad haar nieuwe heerser tegemoet kan zien.

De bewoners hadden een prins verwacht die met pracht en praal zou aankomen, en accepteren het armoedige meisje niet. De koningszoon wil zich bekend maken maar niemand gelooft hem en het jonge paar wordt verdreven. Alleen de kinderen van de stad beseffend dat de twee het echte koninklijke paar zijn.

De volgende maanden gaat het slecht met de stad, honger, ziekten en een burgeroorlog breken uit. Het volk wijdt dit aan de voorspelling van de oude vrouw en ze belandt op de brandstapel. De speelman woont nu berooid in het huisje van de oude vrouw. Het is midden in de winter als de kinderen uit de stad hem komen vragen te helpen het koningspaar terug te vinden. Hij gaat met hen mee, een houthakker en een bezembinder, die de kinderen hadden vergezeld, in het huis achterlatend.

De jonge paar komt na lange omzwervingen uitgehongerd en verward aan bij het huisje. De koningszoon klopt aan. De houthakker en de bezembinder, symbool voor hebzucht en eigenbelang, ruilen zijn gouden kroon voor een brood. Het blijkt een betoverd brood dat de ganzenhoedster zelf samen met haar pleegmoeder had gebakken, een brood met kruiden die eerst een staat van euforie  teweegbrengen en daarna de dood. De twee eten ieder ervan. Wanneer de speelman en de kinderen terugkomen van hun zoektocht, vinden ze de lichamen en maken voor het paar een koningsgraf.

Dit verhaal past prachtig in de Wagneriaanse traditie van mislukkende kunstenaars, verlossers en helden die hun levensdoel pas bereiken door een transformatie, vaak in de dood als verlossing: Tannhäuser, Lohengrin, Tristan und Isolde, Siegfried en Brünnhilde. Een thema dat vervolgens door vele componisten, en de eerste expressionistische filmers is voortgezet, door Schreker, in Schmidts Notre Dame, Korngolds Die Tote Stadt, Zemlinsky’s Der Zwerg, Hindemiths Matis der Maler, Bergs Wozzeck en Lulu, films als Nosferatu, Dr Caligari, Der müde Tod en op een parodistische manier bij Kurt Weill, een leerling trouwens van Humperdinck.

Elsa Bernstein-Porges ging in zekere zin verder dan de meeste van haar tijdgenoten door de vrouwelijke protagonist centraal te stellen, en dan niet als slachtoffer, zoals de Italianen deden, maar als verlosser. En ze plakt er ook nog eens een klassenverschil aan vast, iets dat Berg pas veel later weer zou doen in Lulu.

Bij Wagner is iedereen van goddelijke of adellijke komaf. De ganzenhoedster blijkt niet eens van koninklijke bloede te zijn zoals in zoveel sprookjes, of de bastaard-prinses in Von Kleists Das Kätchen von Heilbronn; ze is de dochter van de beulsknecht, die zelf ter dood werd veroordeeld, en een beulsdochter, die van ellende ook stierf. Een proletarische vrouwelijke Messias. Maar een mislukte Messias.

Humperdincks eerdere opera Hänsel und Gretel eindigt met de verkondiging “Wenn die Not aufs Höchste steigt, Gott der Herr die Hand uns reicht”. (‘Wanneer de nood het hoogst is, reikt God ons een helpende hand’). In Die Königskinder blijkt daar niets van waar.  Het koningspaar ligt tot vergetelheid gedoemd in een graf in een bos. Tenzij de kinderen van de stad hier lering uit hebben getrokken?

Christof Loy benadrukt op verschillende momenten in zijn regie de religie in het werk. Hij laat het volksfeest ter gelegenheid van de verwachte aankomst van de beoogde nieuwe leider er uit zien als de voorbereidingen voor Christus’ Intocht in Jerusalem. Ik moest bij het beeld ook denken aan Ari Asters film Midsommar, waarin de protagoniste, gespeeld door Florence Pugh, tegen wil en dank tot koningin van een gruwelijke sekte wordt gekroond.

In de prachtige als Theodor Dreyers La Passion de Jeanne d’Arc gestileerde zwartwit-film tijdens het voorspel van de derde acte zien we de executie van de pleegmoeder en de gevangenneming en marteling van de speelman. Tussen de roerige meute doemt telkens een Jezus-achtig figuur, die echter niet ingrijpt. Of is hij in zijn zwarte pij de dood? Die komt vanzelf wel aan zijn trekken.

En als de kinderen het gestorven koningspaar aantreffen zijgen er twee op hun knieën neer zoals de engelen en gelovigen in laat-Middeleeuwse en Renaissancistische schilderijen van de aanbidding van Christus. Misschien zullen zij in de toekomst de missie van de koningskinderen niet vergeten zijn.

Het leven van Elsa (!) Bernstein-Porges was nauw verweven met de Wagner-familie. Haar vader was Wagners assistent en muziekarchivaris (Wagner, bekend als antisemiet, had vele Joodse medewerkers; Hermann Levi was een levenslange goede vriend en Wagners favoriete dirigent). Elsa zat als tienjarige in de zaal toen de Ring des Nibelungen voor het eerst werd opgevoerd in Bayreuth.

Eigenlijk was deze opera haar idee. Via haar vader legde ze contact met Humperdinck, ook lid van Wagners entourage, met de vraag om muziek te schrijven bij de tekst van een toneelstuk dat ze in 1894 had voltooid. Dat werd eerst een ‘Melodrama’, met Sprechgesang, ‘spraakzang’, waarbij acteurs hun teksten in aangegeven toonhoogtes voordragen. Deze versie ging in 1897 in première.

Toen Humperdinck door de Metropolitan Opera was uitgenodigd om er een opera op te voeren, stelde hij voor om van Die Königskinder een volledig gezongen opera te maken. Die ging in 1910 in première in New York en kreeg in 1911 in Berlijn de Europese première.

De verknooptheid met de Wagner familie ging later nog veel verder. In 1937 dreigde een uithuiszetting, wat op het laatste moment werd voorkomen door tussenkomst van Wagners schoondochter Winifred, virulent antisemiet en fervent aanhanger en goede vriendin van Adolf Hitler. Elsa was inmiddels al jaren weduwe en blind, en woonde samen met haar zuster. In 1941 wilden de twee Duitsland ontvluchten. Elsa deed een beroep op Winifred Wagner om een uitreisvisum naar de Verenigde Staten te verkrijgen. Elsa Bernstein kreeg een visum, haar zuster niet. Daarop besloten de twee in Duitsland te blijven.

Op 26 juni 1942 werden ze naar Theresienstadt gedeporteerd, waar haar zuster binnen een maand aan een infectie overleed. Dankzij opnieuw tussenkomst van Winifred Wagner werd Elsa op de ‘prominentenlijst’ geplaatst. Ze verhuisde van de barakken naar het zogenaamde ‘Prominentenhaus’, werd van de deportatielijsten naar vernietigingskamp Auschwitz af gehouden en mocht bijvoorbeeld  correspondentie onderhouden met de buitenwereld.

Na haar bevrijding uit het kamp tekende Bernstein haar memoires op. Deze werden in 1999, lang na haar dood in 1949, uitgegeven onder de titel ‘Das Leben als Drama: Erinnerungen an Theresienstadt’.

Maar dat achter het pseudoniem Ernst Rosmer een Joodse vrouw schuilging wist het publiek toen niet, en ook niet hoe het Duitsland en haar zou vergaan. Toch moet haar pleidooi tegen uitsluiting en vooroordelen duidelijk zijn geweest, en ook haar aanklacht tegen hebzucht en uitbuiting, in de tijd socialisme en Marxisme in zwang raakten.

De muziek is zeker Wagneriaans. Maar je hoort ook dat er tussen de tijd van de eerste versie, waarin de instrumentale delen waren geschreven, en de tijd dat de hele opera af er was muzikaal al veel was veranderd. In het jaar van de New Yorkse première waren de Gurrelieder af, Salome vierde triomfen en de Rosenkavalier kwam eraan, Schreker was bezig met Der Ferne Klang. En doet de derde acte als het koningspaar in kommer en kwel sterft niet stiekem aan La Bohème denken? Vlak voor Die Königskinder ging Puccini’s La Fanciulla del West in première in de Metropolitan Opera. En het is bekend dat Puccini Die Königskinder prachtig vond.

Loy voert alles op in een simpel wit met zwarte bovenrand, in het derde bedrijf naar grijs en geheel zwart overgaand decor. Het monumentale wit en zwart zagen we eerder ook in Loy’s Tannhäuser regie en deels ook in zijn Khovanshchina, maar hier werkt dat alles nog beter.

Rechts staat in elk van de bedrijven een lindeboom, die eerst in blad staat, maar in het derde, winterse bedrijf kaal is. Zo geslaagd als de scenische uitvoering is, zo geslaagd was de muzikale uitvoering; tot in de kleinste rollen, namelijk letterlijk, de kinderen.

Op de CD-opname onder Sebastian Weigle was tenor Daniel Behle al sterk, en hoewel hij nu negen jaar verder is dan toen, overtuigt hij nog steeds, stem technisch, en ook als adolescent koningskind.

Sopraan Olga Kulchynska was ook fraai, lyrisch-dramatisch en tegelijkertijd licht genoeg, af en toe een meisje, af en toe ook de jonge vrouw die het heft in handen neemt.

Doris Soffel als Die Hexe is geweldig voor deze rol; ze werd nou juist niet een Hans en Grietje-heks, met de zanggebruiken van dien, maar een net zo tragische heldin als haar pleegdochter en de regisseur laat haar in de sterfscène van de derde acte terugkeren als een medelijdende geestverschijning, Der Wanderer meets Kundry. En bariton Josef Wagner was een mooie Spielmann. Nergens bij niemand een onvertogen noot, iedereen ingeleefd gepassioneerd.

Aparte vermelding verdient ook violiste Camille Joubert die als een door Loy bedacht personage als Die Liebe, op het toneel, een aantal van de (virtuoze) obligaat-solopartijen voor haar rekening neemt. Is ze misschien het alter ego van de Spielmann? En interessant: tot en met de sterfscène van de koningskinderen draagt ze echter een zwart kostuum. Is Die Liebe dus ook de dood? Tijdens de begrafenisscene speelt ze de aangrijpende vioolsolo in het wit; een Liebestod?

Regisseur Loy gaat mooi ver in het aanreiken van interpretatiemogelijkheden.
En ja, dirigent Marc Albrecht was weer op de juiste plek, met een partituur die helemaal zijn ding was.

Regie, choreografie en regie film Christof Loy
Muzikale leiding Marc Albrecht
Decor Johannes Leiacker
Dramaturgie Klaus Bertisch

Der Königssohn Daniel Behle
Die Gänsemagd Olga Kulchynska
Der Spielmann Josef Wagner
Die Hexe Doris Soffel
Die Liebe Camille Joubert, viool
Koor van De Nationale Opera
Nieuw Amsterdams Kinderkoor
Nederlands Philharmonisch Orkest

Gezien 6 oktober, Muziektheater, Amsterdam

Trailer van de productie:

Foto’s Monika Rittershaus, A24 films, Wikipedia.

Discografie;

Onder Fabio Luisi, uitgebracht in 2005, met Thomas Moser, Dagmar Schellenberger, Dietrich Henschel, Marilyn Schmiege

Een prachtige passage uit de CD-opname met Jonas Kaufmann, nog in optima forma, 2006, onder Armin Jordan.

J

Jonas Kaufmann zingt ook in een opname uit Zürich in 2020, onder Ingo Metzmacher, hier al eerder besproken door Peter Franken:

Aantrekkelijke Königskinder uit Zürich op Bluray

Uit 2013 stamt een opname onder Sebastian Weigle, met Daniel Behle, die ook bij de Nederlandse Opera zingt en die niet echt voor Kaufmann onderdoet:

De meest evenwichtig bezette is de eerste stereo opname met Helen Donath, Adolf Dallapozza, Hermann Prey, Hannah Schwartz  en dirigent Heinz Wahlberg, uit 1976, en die klinkt ook geweldig.

Herinneringen aan Elektra in Brussel

Opnieuw wist de Belgische regisseur Guy Joosten mij volledig te overtuigen. Na zijn zeer geslaagde Lucia di Lammermoor had hij mij zeer verblijd met zijn visie op Strauss’ meesterwerk. Niet dat hij zoveel nieuwe concepten had gebruikt (gelukkig niet!): het verhaal speelde zich dan niet in de oudheid, maar de (vervallen) paleis en zijn bewoners waren intact gebleven. De maagden werden de geweren dragende vrouwelijke bewaaksters en verpleegsters van de door de nachtmerries geplaagde Klytämnestra. De Koningin zelf leek sprekend op een oude Diva (denk Norma Desmond in ‘Sunset Boulevard’): tot in de puntjes verzorgd en zich krampachtig vasthoudend aan dat wat voorbij is.

Drie topvrouwen in Brusselse Elektra | Place de l'Opera

Elektra was nu eens geen hysterische furie maar een koele, berekenende, op wraak ziedende vrouw. Het verschil tussen haar en haar naar vrouwelijkheid snakkende zus was het mooist verbeeld door de inhoud van hun koffertjes. In die van Chrysotemis al die ‘meisjes dingen’: sieraden, spiegeltje, make-up, een baby pop en de uitzet. In die van Elektra de spullen van haar vader: zijn jas, waarin ze zich van tijd tot tijd hult. En de bijl waarmee hij werd vermoord. Voor haar ook geen vreugdedans: nadat de wraak zich had voltrokken, kon Elektra eindelijk worden wat ze altijd al heeft gewild: haar eigen moeder.

De inhoud van het koffertje werd verbrand, zij stiftte haar lippen en versierde zich met sieraden. In haar nieuwe, mooie hoedanigheid rende ze de trap op en verdween achter de gesloten deur. Nooit komen we te weten wat er zich heeft afgespeeld, maar toen de deur opengerukt werd zagen wij Orestes badend in bloed staan, met in zijn armen zijn dode zusje. Piëta.

Vocaal stond de voorstelling als een huis, wat voornamelijk op het conto van de drie hoofdrolvertolksters moest worden geschreven.

Evelyn Herlitzius zong een verrassend lyrische Elektra, haar prachtige topnoten waren zuiver en gewoon mooi. Ze overschreeuwde zich nergens en toch kwam ze mooi boven het orkest uit. Ze leek onvermoeibaar en haar portrettering was geheel naar wens van de regisseur: koel en afstandelijk.

Wat een contrast met het meisjesachtige en naar liefde snakkende Chrysotemis van Eva-Maria Westbroek! Nog maar een maand eerder zong zij de heldhaftige en (ook) naar de liefde hunkerende Minnie in Amsterdam; nu was zij een en al passief verlangen. Daar wist zij haar stem ook naar te kneden: waren er in Amsterdam nog triomfantelijke tonen te horen, nu klonk ze er zeer verlaten bij.

In de rol van Klytämnestra was nou eens niet een uitgezongen zangeres te horen, integendeel! Doris Soffel had niet alleen alle noten paraat, zij wist ze ook als een kameleon naar haar hand te zetten en schakelde tussen het zingen en het sprechgesang in alsof het niets is. Fenomenaal.

Gerd Grochowski (Orestes) imponeerde met zijn klaroengeluid en Donald Kaasch was een prima Ägisth.

In de kleine rollen van de Maagden waren veel prominenten van vroeger (Graciella Arraya, Renate Behle, Mireille Capelle) te horen, en als de pleger van Orestes mocht de (inmiddels 85-jaar oude!) Franz Mazura opdraven.

Lothar Koenings dirigeerde ferm, maar ook een beetje terughoudend. Het was zijn eerste Elektra en wellicht moest hij er nog in groeien. Al met al: een voorstelling om niet gauw te vergeten.

Bezocht op 19 januari 2010

fotio’s: © Bernd Uhlig

Over muziek die verboden werd

De term ‘entartet’ (ontaard) werd al in de negentiende eeuw gebruikt in de criminologie, het betekende zoiets als ‘biologisch gedegenereerd’. Daar hebben de nazi’s dankbaar gebruik van gemaakt, want daar moest men voor oppassen, daar ging een slechte invloed van af, dat moest verboden worden. Modernisme, expressionisme, jazz … en Joden natuurlijk, die waren bij voorbaat al gedegenereerd, daar konden Arische zieltjes ziek van worden.

Wat als verbod was begonnen ontwikkelde zich algauw tot uitsluiting, en resulteerde in moord. Degenen die het gelukt was om naar Amerika of Engeland te vluchten, hebben de oorlog meestal overleefd, maar tot welke prijs?

Wie in Europa was gebleven werd gedoemd. Vele componisten werden via Theresienstadt naar de concentratie- en vernietigingskampen gedeporteerd, velen belandden daar rechtstreeks. Na de oorlog werden ze totaal vergeten en zo voor de tweede keer vermoord. Wie het overleefde werd voor hopeloos ouderwets uitgemaakt en dus niet gespeeld. De kentering kwam pas in de jaren negentig, voor de meesten te laat.

Michael Haas, een toen zeer verdienstelijke producer van Decca, startte een onvolprezen serie de ‘Entartete Musik’ op. Helaas, lang heeft het niet geduurd: het verkocht niet. Haas werd ontslagen en de meeste van die cd’s zijn inmiddels uit de catalogus.


Michael Haas at Tonzauber Studios Vienna, photo Georg Burdicek

In 2004 was Michael Haas terug, in Amsterdam nota bene: samen met Jan Zekveld en Mauricio Fernandez (resp. artistiek leider en hoofd casting van de Matinee) heeft hij prachtige series voor de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw samengesteld, die met een schitterende uitvoering van Die Ferne Klang van Schreker was aangevangen.

Maar de kleine Duitse firma’s CPO, Cappricio en Orfeo gingen onvermijdelijk door met het opnemen van bijzondere schatten aan vergeten werken. Orfeo heeft zelfs een speciale serie aan die muziek gewijd, genaamd ‘Musica Rediviva’. Met o.a. de opera Die Bakchantinen van Egon Wellesz (Orfeo C136 012H), die ook tijdens de Matinee werd uitgevoerd.

Ook de Vocale symfonieën van Schulhoff (Orfeo C056031 A) zijn niet te versmaden. Gecomponeerd in de jaren 1918/19 ademen ze onvervalste sfeer van het fin de siècle: donker en zwaar melancholisch tonen ons een andere Schulhoff, de romanticus pur sang. Het warme, donkere timbre van Doris Soffel past de zwaarmoedige melodieën als een handschoen.


Als een absolute must beschouw ik de DVD getiteld ‘Verbotene Klange. Komponisten in Exil’ (Capriccio 93506). Het betreft een documentaire over de Duitse en Oostenrijkse componisten, die, zoals de commentator het zegt “in plaats van vereerd te zijn, veracht werden”. En die, dankzij de emigratie, in leven zijn gebleven. Met interviews met o.a. Ernst Krenek en Berthold Goldschmidt: de laatste maken we mee bij de allereerste opname (na 50 jaar!) van zijn strijkkwartetten. De bijna honderdjarige Krenek zegt iets, wat je typerend voor die generatie zal kunnen noemen: “Ik zit gevangen tussen de continenten. In Amerika voel ik me niet ‘heimisch’, maar ik pieker er niet over om terug naar Europa te gaan. Nergens ben ik meer thuis”.

Die Frau ohne Schatten van Strauss: één van de meest gespeelde opera’s in Nederland?

Frosch Amsterdamfrosch

Het Nederlandse operaseizoen in 2008 kon niet beter beginnen: De Nationale Opera in Amsterdam beet de spits af met een ijzersterke Die Frau ohne Schatten in de regie van Andreas Homoki. De productie was niet nieuw, oorspronkelijk werd zij al in 1992 in Genève uitgevoerd, maar in de tussenliggende zestien jaar heeft zij niets aan haar zeggingskracht verloren.

79._dsc0103kopie

Alle rollen werden voortreffelijk ingevuld met eersterangs zangers, waarvoor de castingdirectie van de Amsterdamse opera een groot applaus verdient: FROSCH geldt immers als één van de moeilijkst te bezetten opera’s van Strauss.

67._dsc0115kopiea

De Keizerin werd weergaloos gezongen door Gabriele Fontana. Haar romige sopraan met een prachtige, zuivere hoogte en haar intensiteit deden mij af en toe aan Leonie Rysanek denken. Haar Keizerin was wanhopig en breekbaar, haar tweedstrijd fysiek voelbaar en haar overwinning vanzelfsprekend.

70._dsc0240kopiea

Van Evelyn Herlitzius (Baraks vrouw) mag dan bekend zijn dat ze heel wat zware rollen voorbeeldig aan kan, toch moest ik af en toe mijn adem in bewondering inhouden. Zij was dramatisch zonder zichzelf te overschreeuwen, stemvast en zuiver.

De Noorse bariton Terje Stennsvold zette een zeer ontroerende, menselijke Barak neer. Met zijn warme stem met een enorm volume wist hij moeiteloos de zaal te vullen, en zijn rolinvulling was een belevenis.

73._dsc0281kopiea

De rol van Amme werd helaas zoals vaker gecoupeerd. Ontzettend spijtig, des te meer daar Doris Soffel een fenomenaal zingende actrice is. Met haar prachtige stem en haar voorbeeldige acteerprestaties was ze een Amme uit duizenden.

80._dsc0123kopie

Een beetje moeite had ik met de Keizer van Klaus Florian Vogt. Niet dat hij slecht zong, integendeel! Zijn lyrische tenor bloeide in de hoogte en hij wist mooi te kleuren en te nuanceren, maar voor mij is de Keizer het prototype van een macho die niets anders doet dan jagen en met zijn vrouw vrijen, en dat hoorde ik bij hem niet. Vogt klonk als een zoetgevooisde softie, wat ook alweer goed te pas kwam in de laatste scène, waarin hij (door de loutering) een begrijpend en liefhebbend echtgenoot is geworden.

De Nederlandse Lenneke Ruiten maakte een zeer indrukwekkend debuut in de drie kleine sopraanrollen, Corinne Romijn was een fantastische Eine Stimme von oben en Jean-Léon Klostermann een goede Erscheinung eines Jünglings.

Het orkest onder Marc Albrecht speelde de sterren naar beneden. Het Amsterdamse publiek heeft al zo lang een goede dirigent moeten missen dat er geen einde kwam aan het applaus en al na de eerste pauze werd hij beloond met (terechte) bravo’s. Met sierlijke gebaren leidde hij het transparant spelende orkest van het ene hoogtepunt naar het andere, soepel jonglerend tussen Wagneriaanse uitbarstingen en kamermuzikale pianissimi. Alleen al hoe hij de muziek aan het einde van de eerste acte liet uitdoven is onvergetelijk.

 

Foto credits © Clärchen und Matthias Baus

 

SALOME IN AMSTERDAM: waar bleef de kop?

Salome Amsterdam Affiche

Let niet op het mooie affiche. Het belooft ons iets wat niet waar wordt gemaakt en wat we niet krijgen. Het hoofd van Jochanaan blijft tot het einde aan zijn lichaam vastzitten, waardoor het beoogde schokeffect achterwege blijft. Want, zeg maar zelf, een vrijage met een dodelijk  gewonde man is toch wel van een ander kaliber dan klaarkomen met zijn afgehakte kop.

Regisseur Ivo van Hove aan het woord:

COMING OF AGE

Ivo van Hove ziet de opera als een coming of age-verhaal en in die zin was Malin Byström een gedroomde Salome die precies deed wat de regisseur van haar verlangde. Klein, teer en lijkbleek was zij zowat de personificatie van een boze, verwende puber die haar zin kostte wat kost moest en zou krijgen.

Malin Byström (Salome) & Lance Ryan (Herodes)

Lance Ryan (Herodes) & Malyn Byström (Salome) © BAUS

Byström zag er uit als Salome, zij danste als Salome, maar zingen als Salome lukte haar maar half. Daar miste haar stem de orkaankracht voor die het moeiteloos boven het orkest zou kunnen tillen. Maar het was haar roldebuut en de kans dat zij er in gaat groeien is groot, het potentieel is in ieder geval aanwezig. Sowieso moet men haar uithoudingsvermogen en betrokkenheid bewonderen: zij gaf de rol alles wat zij had.

DANS

In het tekstboek (niet lezen!) wordt gerept van kolonialisme, imperialisme en meer van dat soort bla bla, maar gelukkig merkte je daar niets van. Salome danste omdat ze eenmaal haar zinnen op Jochanaan had gezet, levend of dood. Het dubbele van haar wens werd door van Hove meer dan prachtig verbeeld; hij liet Salome de dans dan ook ‘dubbel’ uitvoeren. Fysiek agressief op het voortoneel en gedroomd sensueel en sterk erotisch geladen op de videoprojectie op de muur.

Lance Ryan (Herodes), Malin Byström (Salome), Doris Soffel (Herodias)

Lance Ryan (Herodes), Doris Soffel (Herodias) & Malyn Byström (Salome) © BAUS

Het was niet alleen mooi om naar te kijken, het werkte ook hallucinerend en hypnotiserend, waardoor ook alle personages in het drama er deel aan moesten nemen, of ze het wilden of niet. Een absoluut hoogtepunt van de productie. Ik noem het maar zoals het was: een orgasme.

Malin Byström (Salome) & Doris Soffel (herodias)

Doris Soffel (Herodias) & Malyn Byström Salome) © BAUS

De rol van Jochanaan werd bezet door de Russische basbariton Evgeny Nikitin. Schitterende zanger, dat zeker, maar geen Jochanaan. Ik vind zijn stem te laag en te ‘bassig’, waardoor hij in moeilijkheden kwam bij zijn hoge noten.

Malin Byström (Salome) & Evgeny Nikitin (Jochanaan)

Peter Sonn (Narraboth), Malyn Byström (Salome) & Evgeny Nikitin (Jochanaan) © BAUS

Nog erger was het met zijn uitstraling gesteld: die had hij namelijk helemaal niet. Nikitin zag er uit als een bejaarde motorrijder, zijn grijzige haar in een staartje en zijn hele lichaam bedekt met tatoeages. Met zijn sjofele kleding en zijn totale gebrek aan charisma kon hij moeilijk indruk op wie dan ook maken, laat staan dat hij een gedroomd seksobject van een mooie prinses kon worden.

Malin Byström (Salome), Evgeny Nikitin (Jochanaan)

Evgeny Nikitin (Jochanaan) & Malyn Byström (Salome) © BAUS

Herodes (Lance Ryan) en Herodias (Doris Soffel) waren beiden goed. Aanvankelijk had ik een beetje moeite met Ryan: zijn stem is niet echt een karaktertenor zoals ik gewend ben, maar gaandeweg gaf ik mij toch gewonnen.

Malin Byström (Salome) & Lance Ryan (Herodes) & Doris Soffel (Herodias)

Doris Soffel (Herodias), Lance Ryan (Herodes), Malyn Byström (Salome) & het lijk © BAUS

Ergens las ik dat de regisseur clichés wilde vermijden en dat was hem goed gelukt. Ryan is een goed uitziende man die er zeer netjes maar ook gladjes eruitzag in zijn nette pak. Zeg maar: het type hoge ambtenaar met een uitstraling van een garnaal.

Doris Soffel (Herodias), op de achtergrond Malin Byström (Salome)

Doris Soffel (Herodias © BAUS

Ook de Herodias van Doris Soffel was minder karikaturaal dan gewoonlijk, meer een ‘Gooise vrouw’ dan een hysterisch jaloerse krijswijf op leeftijd.

Doris Soffel (Herodias), Malin Byström (Salome), Lance Ryan (Herodes)

Dorris Soffel (Herodias) in het midden, achter haar Malyn Byström (Salome), naaast haar zittend Hanna Hipp (page) © BAUS

Hanna Hipp (page) heeft weinig indruk op mij gemaakt. Op de bühne was zij de grote ‘afwezige’ wat ongetwijfeld zowel met haar nietszeggend driedelig kostuum als met het gebrek aan goede regieaanwijzingen te maken zou kunnen hebben. Met zijn/haar personage wist van Hove zich blijkbaar geen raad.

Lance Ryan (Herodes), Peter Sonn (Narraboth)

James Platt (Soldaat), liggend Peter Sonn (Narraboth & Lance Ryan (Herodes) © BAUS

Uitstekend daarentegen was de Narraboth van Peter Sonn. Met zijn soepele, lyrische tenor wist hij de “mooie Syriër” en gekwelde legercommandant goed gestalte te geven. Ik ben de regisseur ook zeer dankbaar dat hij Narraboth gewoon een fatsoenlijke zelfmoord heeft laten plegen, precies zoals het in het libretto staat.

Ook alle kleine rollen waren zeer goed bezet, met de vijftal kibbelende Joden voorop.

Salome maan

© BAUS

Het minimalistisch toneelbeeld van Jan Versweyveld was zeker mooi, gelukkig gaf hij ook de maan met al zijn gedaantes de prominente plaats die hij verdiende.

Had Ivo van Hove ons datgene gegeven waar we, net als Salome sterk naar verlangden, dan had men kunnen spreken van een bijna perfecte voorstelling.

Malin Byström (Salome)

Malyn Byström (Salome) © BAUS

Al met al: het was een goed tot zeer goed gezongen mooie productie, met in de hoofdrol een goddelijk spelend orkest. Zoals het eigenlijk bij Richard Strauss hoort. Het is niet te geloven dat het Koninklijk Concertgebouworkest, althans in de huidige bezetting, de partituur voor het eerst op de lessenaars had.

Trailer van de productie:

Richard Strauss
Salome

Malin Byström, Evgeny Nikitin, Lance Ryan, Doris Soffel, Peter Sonn, Hanna Hipp e.a.
Koninklijk Concertgebouworkest olv Daniele Gatti.
Regie: Ivo van Hove

Bezocht op 9 juni 2017

SALOME: de gevaarlijke verleidster of …..? Discografie.

‘DAS GEHEGE’ van Wolfgang Rihm: een moderne versie van ‘SALOME’? ZaterdagMatinee december 2011

Emily Magee als SALOME in Frankfurt