Montserrat_Caballè

Der Rosenkavalier op cd’s: kleine selectie

Lisa Della Casa

Hugo von Hofmannsthal, Risë Stevens, Hilde Güden, Ralph Herbert & Lisa  Della Casa | Play on Anghami

Della Casa is één van mijn geliefde zangeressen, zeker in het Duitse ‘fach’. Haar mooie, romige stem met een vloeiende hoogte en een zeer sensuele ondertoon maakt haar tot één van de beste vertolksters van de muziek van Strauss. Haar ‘Vier Letzte Lieder” vind ik zelf het allermooist van allemaal.

Zo ook haar Marschallin. Voor mij heeft ze alles, wat de wat ouder (nou ja, ouder, zij is pas 34!) wordende vrouw ook voor een jonge jongen aantrekkelijk maakt. Zelfbewust en toch enigszins kwetsbaar. Koninklijk en speels. Vrolijk en melancholisch.

Della Casa was een zeer mooie vrouw, zeer elegant ook. Het is daarom echt jammer dat haar Feldmarschallin voor zover ik weet niet is vastgelegd op dvd. Er zijn diverse cd-opnamen met haar verkrijgbaar, allemaal live en in de meeste gevallen niet in een optimale geluidskwaliteit.

Ik wil even stilstaan bij de productie die op 18 januari 1956 werd opgenomen in de Metropolitan Opera (Walhall WLCD0313). De geluidskwaliteit is zeer pover en scherp, wat niet wegneemt dat er zo ongelofelijk veel valt te genieten!

Het Met-orkest onder leiding van Rudolf Kempe klinkt ouderwets mooi: zoetig en weemoedig. Wenen ten top. Af en toe moest ik ook aan oude films denken – toch geen straf.

Della Casa is onweerstaanbaar en zo is ook haar Octavian, Risë Stevens. Tel daar de onnavolgbare Hilde Güden als Sophie bij op en dan weet je wat voor hemel je in de ‘Hab’mir’s gelobt’ kunt verwachten.

Elisabeth Schwarzkopf

Review | Gramophone

Nu ga ik mij op glad ijs begeven. De Karajan-opname uit 1956 ((Warner Classics 5099996682425) heet legendarisch te zijn. Maar ik houd niet van Elisabeth Schwarzkopf: ik vind haar zingen vaak gemaniëreerd en haar nadrukkelijke dictie maakt dat ik mij vaak ongemakkelijk voel. Ook haar glansrol, de Marschallin, vind ik te geaffecteerd en bovendien zeer onderkoeld.

Von Karajan kan mij hier ook moeilijk bekoren. O ja, het orkest onder zijn leiding speelt werkelijk fenomenaal, maar ik vind er te weinig ‘Weense bonbons’ en te veel ‘Pruisische dril’ in. Maar wellicht ligt het aan mij?

Christa Ludwig is echter een wonderschone Octavian en Teresa Stich-Rendall een Sophie in de beste Mozartiaanse traditie. Otto Edelmann is een heerlijke baron Ochs.

Montserrat Caballé

Der Rosenkavalier CD (Glyndebourne 1965)

Onlangs bereikte mij een cd-opname uit Glyndebourne 1965. Het is een in alle opzichten merkwaardige voorstelling geweest: de rol van de Marschallin werd toen gezongen door niemand minder dan Montserrat Caballé.

Wij kunnen het ons nu niet meer voorstellen, maar toen was het volstrekt voor de hand liggend. Caballé is haar carrière in Duitsland begonnen en heeft zelfs een prachtige Salome op haar repertoire staan. Er is ook helemaal niets op haar Duits aan te merken. Ze is een mooie, jonge en kruidige Marschallin, die de rol ‘op z’n Caballés’ verrijkt, met de mooiste pianissimo’s en legato’s.

Teresa Zylis-Gara is een verrukkelijk licht klinkende Octavian en Edith Mathis een als een vijftienjarig meisje klinkende Sophie. Otto Edelmann (Ochs) completeert de fantastische opname (GFOCD 010-65).

Trailer:

Claire Watson

Rosenkavalier Kleiber

Net als voor zijn vader Erich, was ‘Der Rosenkavalier’ een paradepaardje van Carlos Kleiber, een van de meest charismatische dirigenten van de laatste 50 jaar.  In 1973 werd de opera live geregistreerd tijdens het Münchner Festival en een jaar of twee geleden op Orfeo (C 581 083 D) uitgebracht.

Bij de enthousiast ontvangen première een jaar eerder werd de Marschallin gezongen door Gwyneth Jones (er bestaat een DVD-opname van), nu werd ze vervangen door Claire Watson, jarenlang het boegbeeld van het Münchense ensemble. Watson is een wat rijpere Marschallin, weemoedig, bitterzoet en niet gespeend van humor. Ik vind het mooi.

Karl Ridderbush is werkelijk kostelijk als Ochs: lomp en over alles heen walsend, maar in zijn walsjes klinkt hij toch oprecht ouderwets melancholisch. De Sophie van Lucia Popp is onnavolgbaar: kwikzilverig, flirterig en kwetsbaar. Haar pure meisjesachtige sopraan smelt in perfecte harmonie met de donkere mezzo van Brigitte Fassbaender, twee stemmen die daadwerkelijk verliefd op elkaar zijn geworden.

Maar het mooiste is het orkest. Kleiber ontlokt de beoogde ‘zilverklank’ en vervlecht het natuurlijke sentiment met ironie en een zekere hang naar vroeger.

De opname werd al eerder op verscheidene piraten-labels te koop aangeboden, maar nu kunnen we hem eindelijk in een goede geluidskwaliteit beluisteren.

Anna Tomowa-Sintow

Tomowa-Sintow behoorde tot de lievelingszangeressen van Herbert von Karajan. Begin jaren zeventig haalde hij haar naar Salzburg, waardoor ze internationaal kon doorbreken. Zij heeft ook veel opnamen onder de maestro gemaakt, voornamelijk Mozart en Strauss. De Marschallin had ze onder zijn leiding al in 1984 voor Deutsche Grammophon opgenomen, maar ik ken die opname niet.

Wel een andere, op 3 maart 1995 live opgenomen in Covent Garden (Opus Arte OA CD9006). In 1995 was ze al een rijpe vrouw en zo klinkt ze ook. Maar haar vertolking is meer dan roldekkend: ze zingt niet alleen doorleefd maar heeft ook allure.

Ann Murray (ach! Wat een zangeres!) is een verrukkelijke Octavian en Barbara Bonney een wellicht niet voor de hand liggende, maar wel een heerlijke Sophie.

De walsjes zijn onder handen van Andrew Davis heel erg luchtig, wat ook de hele opname een opvallend milde toon geeft.

Hérodiade or Salome by Massenet

Herodiade Flaubert
Gustave Flaubert: Herodias. Illustratie Lucien Pissarro

Richard Strauss composed his world hit Salome to a play by Oscar Wilde; and the latter drew his inspiration from a short story by Flaubert, ‘Herodias’. Paul Milliet and Henri Grémont also based their libretto for Massenet’s opera Herodiade on this story. Neither Wilde nor Milliet and Grémont were very faithful to Flaubert. Whereas the French novelist more or less limited himself to the biblical narrative, enriched with his poetic language and descriptions, the playwright and librettists added entirely new aspects and twists to the story.

Hérodiade was first performed in the Royal Theatre of Brussels on 19 December 1881. Anyone expecting animal eroticism, blood and sweat, as with Richard Strauss, will be disappointed. Massenet’s Salome is a truly innocent and devout girl. When her mother left her to marry Hérode, she was given shelter by Jean (John the Baptist), with whom she fell in love. A love that proved to be mutual.

Herodiade - acte I Brussel

No opera is complete without complications: Hérode has a crush on Salome, Hérodiade becomes jealous of her and Jean is beheaded. Salome sees Hérodiade as the instigator of all evil and wants to kill her. Hérodiade whispers “I am your mother” and Salome commits suicide.

The music already exudes a hint of the perfume of Massenet’s later works, but with all those choruses, exotic Oriental scenes and elaborate ballet scenes, it is nothing less than a real Grand Opera in the best Meyerbeer tradition.

One of the earliest recorded fragments of the opera is, I think, the famous aria of Hérode ‘Vision Fusitive’ by the French baritone Maurice Renaud, made in 1908:



And from the recording Georges Thill made in 1927, we know what an ideal Jean should sound like:


REGINE CRESPIN 1963

Herodiade crespin

If you are in possession of this performance, you need look no further. It doesn’t get any better than this. There is only one problem: this recording does not exist. At least not of the complete opera.

In 1963, EMI recorded the highlights of Hérodiade with the best French singers of the time (and of today, for that matter) and the answer to the “why not complete ????” will probably never be given.

Georges Prêtre conducts the orchestra of the Theater National de Paris as if his life depends upon it and every role is more than excellently cast.

Regine Crespin sings ‘Il est doux, il est bon’:


Regine Crespin’s Salomé is unequalled and so is Rita Gorr’s Hérodiade. Albert Lance (Jean) shows how that role should really be sung in the tradition of Georges Thill, and for Michel Dens as Hérode we really cannot find the right words. Such singers no longer exist.


Hopefully, Warner will one day release the recording on CD.


MONTSERRAT CABALLÉ (Barcelona 1984)

Herodiade caballe

This recording also may only be obtained via a pirate (or You Tube), but then it is complete and moreover with (admittedly bad) images!

Dunja Vejzovic portrays a deliciously mean Hérodiade and Juan Pons is a somewhat youthful but otherwise fine Hérode. A few years later, he will become one of the best “Hérodes” and you can already hear and see that in this recording.

Montserrat Caballé is a fantastic Salomé, the voice alone makes you believe you are in heaven and José Carreras is very moving as a charismatic Jean.

Below, Carreras sings ‘Ne pouvant réprimer les élans’:


None of the protagonists is really idiomatic, but what a pleasure it is to watch a real Diva (and Divo)! They really don’t make them like that any more

The whole opera on you tube:



RENÉE FLEMING 1994 (Sony 66847)

Herodiade Domingo fleming



In the mid-1990s, Herodiade enjoyed a short-lived revival. The opera was then performed in several opera houses and it was even recorded – officially – three times: once in the studio and twice live.

I must admit that I was a bit concerned about Gergiev as the director, but he really did an excellent job. Under his baton the opera sounds like a real Grand Opéra, grand, fiery and compelling.

Plácido Domingo (Jean) is perhaps a touch too heroic, but his voice sounds youthful and contageous, worthy of a true prophet.

Personally, I find Dolora Zajick (Hérodiade) a bit on the (too) heavy side, but her singing is undeniably excellent and there is nothing wrong with her interpretation.

Juan Pons is an excellent Hérode, but I would have liked Phanuel (Kenneth Cox) to be a bit more idiomatic. Something that also applies to the Salomé of Renée Fleming: she sings beautifully but in this role she can not totally convince me.



NANCY GUSTAFSON 1995 (RCA 74321 79597 2)

Herodiada wenen


The performance in Vienna was highly praised, and that this praise was justified is proved by the recording made live in the house by ORF.

First of all, there is Agnes Baltsa’s brilliant title role: fierce and dramatic. If you ask me: apart from Rita Gorr probably the best Hérodiade ever.

Placido Domingo sings ‘Ne pouvant réprimer les élans’:



Domingo, in the role of Jean, is even more impressive here than on Sony and also Juan Pons (Hérode) actually convinces me yet more on this recording. His rendition of ‘Vision Fugitive’ is very, very moving. Unfortunately, Nancy Gustafson (Salomé) must acknowledge the superiority of Fleming (Sony), but both pale in comparison to Cheryl Studer (Warner). Not to mention Regine Crespin!

Judging by the photos in the text booklet and the sparse clips on YouTube, we should be glad that the recording appeared on CD and not on DVD.

Finale of the opera:


In any case, the sound is excellent and the Vienna Opera orchestra under the direction of Marcello Viotti plays with great passion.


CHERYL STUDER 1995 (Warner 55983525)

untitled

Orchestrally, this recording is really top-notch. Michel Plasson conducts the orchestra from Toulouse very energetically, with a lot of verve and drive, and he also knows how to allow space for all the subtleties. Exciting and beautiful. That is how I like to hear opera.

José van Dam is an impressive Phanuel and Nadine Denize an excellent Hérodiade., although her intonation is not always pure.

Hérode is not really a role for Thomas Hampson, but he sings it very beautifully. Something that unfortunately cannot be said of Ben Heppner’s Jean. A heroic tenor in that role is nothing but a terrible mistake.

Cheryl Studer, on the other hand, is a Salomé of everyone’s dreams: girlish, innocent and naive. Her voice shines and sways and her final words “Ah! Darned Queen, if it is true that your cursed loins have given birth to me, look! Take back your blood and my life!” leave you shuddering and desperately weeping. Brava.

Plácido Domingo and his belcanto roles

Domingo 21

Domingo and Belcanto? Surely that was more something for his colleagues Pavarotti, Carreras and Kraus? And yet: certainly at the beginning of his career Domingo was also a Belcanto singer, although his high notes were not always really that high. For him, the interpretation of both the music and the text was essential. That is why even in this repertoire he was looking for the roles in which the character had more to offer than just ‘clean’ singing.

Lucia di Lammermoor

Domingo Lucia POns
Domingo made his international debut at the age of 21, as Edgardo in Lucia di Lammermoor in Dallas. A special event, because his Lucia was then sung by 61-year-old Lilly Pons, who said her farewell to the operatic stage with this role.

Domingo Lucia Suth
In 1970 he sang Edgardo at the Metropolitan Opera, with none other than Joan Sutherland as Lucia. Gala (GL 100.571) released the highlights, combined with excerpts from La Traviata, from December that same year (also with La Stupenda). The sound is very poor, but it is definitely a noteworthy document.

 

Domingo Lucia Stider
It was only in 1993 that Domingo sang the role in the recording studio. The result is not entirely satisfactory. Which is not his fault. His Edgardo sounds less lyrical than twenty years earlier, but with such passion!

Cheryl Studer, who at that time was recording anything and everything soprano, was no real Lucia. She was a great Strauss and Mozart singer and her Wagners and Verdi’s were outstanding, but Lucia was too ambitious for her. Understand me well: she did have the high notes and they were very solid, but that’s exactly what you do not want for Lucia. The notes shouldn’t stand rock solid, they should shine, sparkle, sprint if necessary, and she couldn’t do that.

However, the real ‘culprit’ is the conductor. He is rushing things along and never ever stops. Still, the recording is very worthwhile, especially if you want to hear something else from Domingo and appreciate the quality of the sound.

Roberto Devereux

Domingo Roberto

A reviewer from the New York Times wrote that it was without a doubt the most exciting event of the musical year 1970, and that I can totally believe. The performance of 24 October 1970 was recorded live and we are very lucky to have it.

Julius Rudel (well, where have all these great maestros gone?) conducts with a firm hand and with great love for the work. To cry so beautiful.

Domingo’s voice sounds like a bell and his performance causes ecstatic ovations. And about Beverly Sills (Elisabetta) I can be brief: overwhelming! No one, but no one has ever sung the part better than she has. She surely is Elisabetta. Everybody should see or hear her in this role (there’s also a DVD, unfortunately without Domingo). The applause after her ‘L’Amor suo mi fé benata’ seems to last forever.

Anna Bolena

Domingo Bolena
Anna Bolena is considered to be the first important Romantic Italian opera and for Donizetti it was his big breakthrough. For Domingo too, Anna Bolena was a milestone: with the role of Percy he made his debut in New York.

He was then (can you believe it?) 25 years old, but his voice was completely ‘mature’: full, firm, soft, hard, begging, determined, with all the nuances in between. Talk about phenomenon!

The leading role was sung by Elena Souliotis, then 23. An almost forgotten singer now (her career didn’t last), but her intensity can only be compared to that of Maria Callas. A fun fact: La Divina was in the audience at the time!

Giovanna was sung by Marylin Horne and their duets will surely give goosebumps to the devotees. Janet Baker also made her American debut in the role of Smeton.
The opera was recorded live at Carnegie Hall in 1966. My copy is by Legato (LCD-149-3), but the recording is now also available on other labels.

Norma

Doingo Norma
Pollione is one of the shining roles of the young Domingo. No wonder. A warlord and a lover: that’s what he is all about. In Norma he could show it all.
He took the role in 1973 (once RCA GD 86502) and I think that’s a bit premature. Oh yes, his voice is crystal clear and so beautiful that it almost hurts, but he yet has to gain more of the needed authority.
Nevertheless: recommended, not in the least because of Montserrat Caballé, who sings the leading part.


Guillaume Tell van Rossini in twee cd-opnamen en één gemiste kans

Tell schiller

Voor de meeste mensen is Zwitserland een prachtig, maar een saai land. Alles is er perfect geregeld en zelfs uit de uiers van de koeien komt meteen een echte mekchocolade. De banken en juweliers kunnen er gedijen en er gebeurt nooit wat, tenminste als ze niet over de hoogte van een minaret redetwisten.

Maar zelfs de Zwitsers hebben iets van een opstand meegemaakt en ook zij hebben hun nationale held en trots, al is het niet helemaal zeker of hij ooit heeft bestaan (neem van mij aan: niet).

Willem Tell, de Zwitserse nationale trots en vrijheidsstrijder, dankt zijn bekendheid voornamelijk aan het toneelstuk van Friedrich Schiller, die, zoals wij het niet anders van een romantische dichter verwachten, het niet zo nauw met de waarheid nam.

Tell Rossini

Nog bekender werd hij door een opera van Rossini. Alhoewel…. Echt bekend was de opera tot voor kort niet echt maar: wie kent de ouverture niet? Zelfs mijn kat kan het nafluiten.

CD’s

Tell Pappano

De opname die Antonio Pappano in 2011 maakte met het Orchestra e Coro dell’ Accademia Nazionale di Santa Cecilia Roma is verre van compleet. Jammer en gemiste kans, zeker ook omdat de uitvoering echt goed is.

Gerald Finley is een zeer goede Tell (is er iets wat hij niet kan zingen?), maar toch mist hij iets in de rol. Voor mij althans. Ik kan het niet beschrijven, het is meer spitzengevoel, maar dat ‘iets’ krijg ik wel als ik naar Gabriel Baquier luister, op de oude EMI-opname uit 1973.

Tell Gardelli

De cast van die opname, onder leiding van de zeer bezielde Lamberto Gardelli, heeft nog meer ‘plussen’. De grootste is de Mathilde van Montserrat Caballé. Ik neem aan dat ik u niet hoef te vertellen hoe mooi en vloeiend haar noten zijn, hoe zij als het ware door de noten ‘golft’ en hoe fluisterzacht haar pianissimo is. Nee, daar kan de op zich goede Malin Byström (Pappano) echt niet tegen op! Haar coloraturen zijn dan wel zuiver, maar daar is ook alles mee gezegd.


Een ander groot pluspunt is de Jemmy van Mady Masplé, de echte ‘oudgediende’ in het ‘kanarievak’. Zo ontzettend mooi! En Nicolai Gedda natuurlijk, een zanger die ooit door één van mijn collega’s ‘een kameleon onder de zangers’ werd genoemd (kent u een andere tenor die zo veel verschillende rollen met zo veel talent wist te zingen?). En bij dat alles kunt u nog de speelduur van bijna 238 minuten tegenover de gammele 208 minuten van Pappano optellen

Maar als u denkt dat ik Pappano afwijs, dan heeft u het mis! Orkestraal is hij beslist superieur aan Gardelli. Zijn koor klinkt mooier en subtieler en daar komt nog eens de klankkwaliteit bij. Het allergrootste pluspunt van de Pappano-opname is echter John Osborn, een tenor die de allerhoogste noten eruit gooit alsof het kinderspel is. Hij was het die de ZaterdagMatinee-uitvoering mede onvergetelijk maakte. De (concertante) opname is live gemaakt en dat verhoogt de sfeer, zeker met al die ‘bravo’s’.


ZaterdagMatinee 2009

Teel Johnny

John Osborn © Zemsky/Green Artists Management

Wat nooit op cd is uitgekomen (schande!) is de absoluut complete uitvoering in de onvolprezen NTR ZaterdagMatinee. Zonder coupures. Een zit van bijna vijf uur, maar wát voor onvergetelijke uren. Het publiek was uitzinnig en brak zowat het Concertgebouw af.

De kracht van de uitvoering zat hem erin dat werkelijk iedere rol briljant bezet was, tot aan de kleinste toe. Paolo Olmi dirigeerde een cast van meer dan fantastische zangers: Michele Pertusi, Marina Poplavskaya, Ilse Eerens en John Osborn. Het Groot Omroepkoor vervulde met verve zijn hoofdrol in de opera. Geen cd dus (even zachtjes vloeken), maar wel dierbare herinneringen.

Armide. Christoph Willibald Gluck vond het zelf zijn beste werk. U ook?

Armida Agostino_Carracci,_Frontespizio_della_prima_edizione_illustrata_della_Gerusalemme_Liberata,_1590


Agostino Carracci (su disegno di Bernardo Castello), Frontespizio della prima edizione illustrata della Gerusalemme Liberata, Genova, 1590

Men kan zich afvragen waar het aan ligt dat juist Gerusalemme liberata van Torquato Tasso zo veel verschillende componisten uit zo veel eeuwen heeft geïnspireerd. En dan niet het hele epos, maar specifiek de Armida-episode. Ligt het aan het magisch-realistische verhaal vol onverholen haat, wraak, woede en passie? Met personages (mens of heks) die verscheurd worden door hun tegenstrijdige gevoelens, hun innerlijke strijd tussen liefde en plicht? Ik zou het niet durven zeggen. U?

Armida 7dd1839cd61799f99af3d9a583eaa105

Francesco Hayez, “Rinaldo en Armida”

De eerste bij het grote publiek bekend gebleven Armida werd gecomponeerd door Jean-Baptiste Lully, op het libretto van Philippe Quinault. Hetzelfde libretto heeft Gluck een kleine honderd jaar later gebruikt voor zijn vijfde ‘Franse opera’ Hijzelf beschouwde Armide als zijn allerbeste werk, maar het publiek (en de geschiedenis) dachten er iets anders over.

Zelf ben ik er ook nooit zo van gecharmeerd geweest. Maar hoe langer ik mij met de opera heb beziggehouden, hoe meer ik hem heb leren te waarderen.  De opera kent een paar schitterende aria’s en ensembles, met als een absoluut hoogtepunt het hartverscheurende ‘Enfin, il est en ma puissance’, een hysterische hartenkreet van de verliefd geworden furieuze tovenares Armide.

Armide-EMI

Ik ken maar twee complete opnamen van Glucks werk: onder Richard Hickox op EMI (6407282) en onder Marc Minkowski op Archiv (4596162). Merkwaardig eigenlijk als je bedenkt dat de opera tegenwoordig best vaker wordt uitgevoerd.

De opname van Hicox (3 cd’s) duurt ruim 26 minuten langer dan Minkowski. Ik ken de opera niet zo goed om te kunnen constateren of er bij Minkowski coupures zijn aangebracht, maar dat denk ik eerlijk gezegd niet. Zijn tempi zijn simpelweg behoorlijk aan de snelle kant – behalve de ouverture dan, daar is hij behoedzaam in.

Armide-Minkowski

Dat slepende van Hickox is op den duur behoorlijk irritant en ik ben een paar keer gewoon ingedut. De dertig jaar oude opname klinkt wel nog steeds mooi, al haalt de klank het heldere en transparante van Minkowski niet.

Ook wat de zangers betreft wint de Fransman het ruimschoots van zijn Engelse collega. Nou ben niet zo’n fan van Mireille Delunsch en ik vind haar ‘Enfin il est en ma puissance’ op Minkowski’s opname behoorlijk achterblijven bij de interpretaties van bijvoorbeeld Véronique Gens of Anna Catarina Antonacci (waarom is de voorstelling met Antonacci nooit officieel opgenomen?) Niettemin is Felicity Palmer (Hickox’ opname) ondanks haar perfecte dictie en onberispelijk tekstbegrip geen match voor haar.

Charles Workman (Renaut) weet een perfecte balans tussen de heldhaftige en de meer lyrische vinden – daar kan zelfs mijn geliefde Anthony Rolfe Johnson niet tegen op.

Laurent Naouri is een zeer macho Hidraot, maar wat de opname van Minkowski dat ‘superplus’ geeft, is het optreden van Ewa Podles in de kleine rol van La Haine (de Haat). Van haar stem en voordracht gaat het u duizelen. Vind maar eens een alt met een diepere klank, één die ook nog eens alle hoge noten paraat heeft en je met haar interpretatie sprakeloos achterlaat!

Hickox:


Minkowski:


En hieronder een curiositeit: een complete Armide uit Madrid, 1985, met Montserrat Caballé:

What’s the difference between a terrorist and a diva? ‘Caballé, beyond music’

Caballe docu

“We all owe a great deal to music (…) It is a form of expression that originates not so much from thinking as from feeling”. These words come from one of the greatest singers of the twentieth century, Montserrat Caballé.

In his film Caballé Beyond Music, Antonio Farré portrays the diva*, her life and her career, talking to her, her family and her colleagues. The documentary also contains a lot of wonderful (archival) footage, starting with Caballé’s debut in Il Pirata in 1966 in Paris.

The film is interspersed with fun anecdotes such as how she smashed a door because she was not allowed to take time off (Caballé wanted to attend a performance of Norma with Maria Callas). How she had stopped a dress rehearsal in La Scala because she noticed that the orchestra was not tuned well. About her debut at the Metropolitan Opera in New York, the discovery of José Carreras (how beautiful he was!), her friendship with Freddy Mercury ….

About her Tosca in the ROH in London in the production that was made for Callas. She wasn’t happy with that, it didn’t feel good, but no one wanted to change it. Caballé called Callas, it was exactly eight days before her death, and complained about her fate. “But of course it doesn’t feel right”, said Callas. “I am tall and you are not, I am slim and you are not, I have long arms and you have not. Tell them to call me, I will convince them that you are not me”.

And so the production was adapted for Caballé. “Copies are never good,” Caballé says, and I agree with her. This is a fascinating portrait of a fascinating singer. Very, very worthwhile.

* London taxi driver: “What is the difference between a terrorist and a diva? You can negotiate with a terrorist”.

Caballé beyond music
With José Carreras, Plácido Domingo, Joan Sutherland, Cheryl Studer, Giuseppe di Stefano, Freddie Mercury, Claudio Abbado and others.
Directed by Antonio A. Farré
EuroArts 2053198

Translated with http://www.DeepL.com/Translator (free version)

I vespri siciliani/Les vêpres siciliennes. Een beetje een discografie maar niet heus

Vespri schilderij

Siciliaanse Vespers (1846), door Francesco Hayez

Les vêpres siciliennes was Verdi’s eerste Franse ‘grande opéra’, die hij, na lang aandringen door de Parijse Opera, componeerde op een libretto van Eugene Scribe en Charles Duyverier. Het is één van zijn langste opera geworden, wat onder meer te danken is aan het, voor het Parijs van toen, verplichte lange ballet in de derde akte (maar liefst een half uur!).

Het verhaal speelt zich af in Palermo in 1282, tijdens de Franse bezetting van Sicilië. De jonge Siciliaan Henri is verliefd op Hélène, een jonge Oostenrijkse hertogin, gevangen gehouden door Guy de Montfort, de Franse gouverneur van Sicilië. Als blijkt dat Montfort de vader van Henri is, zijn de verwikkelingen niet te overzien, en aan het eind is zowat iedereen dood.

De première in 1855 was een fiasco en een paar jaar later bewerkte Verdi het werk tot het Italiaanse I vespri Siciliani, waarmee hij veel meer succes boekte. Een echte kaskraker werd de opera echter nooit.

IN HET FRANS

Vespri Frans

Les vêpres siciliennes was de derde uitgave in de serie ‘originele versies’ van Opera Rara, na eerdere uitgaven van Macbeth en Simon Boccanegra. Het werd al in mei 1969 live opgenomen in The Camden Theatre in Londen en in februari 1970 door de BBC uitgezonden, maar de cd-uitgave kwam pas in 2004 op de markt.

De uitvoering, met in de hoofdrollen Jacqueline Brumaire, Jean Bonhomme en Neilson Taylor, is redelijk tot goed, maar als document is het van een buitengewoon belang. (ORCV303).

In juni 2002 heeft onze onvolprezen ZaterdagMatinee op Vrije Zaterdag Les vêpres siciliennes concertante op de planken gebracht. Het is bijzonder spijtig dat de opname ervan nooit op cd’s is verschenen, want de uitvoering (met onder andere Nelly Miricioiu, Francisco Casanova en Zeljko Lucic) was niet te versmaden.

IN HET ITALIAANS

Vespri Domingo Arroyo

Als u de Italiaanse versie van de opera wilt hebben, dan is de keuze iets groter, maar om te zeggen dat de markt er mee is overvoerd?

Eerlijk gezegd ken maar één _goede_ studio-opname van het werk (ooit RCA RD 80370). De cast bestaat uit onder andere Martina Arroyo, Plácido Domingo, Sherill Milnes en Ruggiero Raimondi. Het is zeer de moeite waard, zeker ook omdat de muziek vrijwel compleet is.


 

Vespri Cabbale Domingo

Voor de rest moeten we het (toegegeven, in de meeste gevallen op zijn minst zeer interessante) piratenopnames hebben. Zeer aan te bevelen is een opname met Montserrat Caballé en Plácido Domingo uit Barcelona 1974 (SRO 837-2).

Vespri Callas

Vergeet ook La Divina (met onder andere Boris Christoff) niet, opgenomen in 1951 tijdens het Maggio Musicale Fiorentino (Testament SBT 21416).


 

Vespri Scotto

Fantastisch is ook de versie met Renata Scotto, Gianni en Ruggiero Raimondi uit La Scala 1970 (Myto MCD.905.24). En dan zijn er nog een paar opnamen met Cristina Deutekom en Leyla Gencer.

Let op: de meeste opnames zijn (sterk) ingekort. Check ook voor alle zekerheid het internet, want piratenlabels komen en gaan en het verschil in prijs kan enorm zijn.

EN OP DVD

Vespri Dunn

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was de Amerikaanse Susan Dunn immens populair. Men zag in haar de ultieme Verdi-sopraan. In haar ‘Bologna-jaren’ werd ze de lievelingszangeres en protégee van Riccardo Chailly, destijds de chef-dirigent aldaar. Met hem maakte zij heel wat cd-opnamen. Behalve Verdi ook Mahler, Schönberg en Beethoven, en er werden ook operavoorstellingen voor de video opgenomen.

Elena in I vespri Siciliani was één van haar glansrollen. Zij zong haar, met enorm succes, voor het eerst in 1986 (Warner Music Vision 504678029-2). De productie van Luca Ronconi is behoorlijk traditioneel en de decors zijn natuurgetrouw. Men waant zich als het ware tussen de cactussen op het broeierige Sicilië. Ook de kostuums laten niets te wensen over, maar de hele voorstelling is behoorlijk statisch.

Het publiek vindt het enig, en dat laten ze weten ook. Het ene open doekje volgt het andere en de zangers nemen ze dankbaar aan. Ook al zijn de protagonisten geen van allen echt grote acteurs – wat wellicht ook op het conto van de regisseur geschreven kan worden – gezongen wordt er op zeer hoog niveau. En er is ook een verrassing: Anna Caterina Antonacci in de kleine rol van Ninetta.

Hieronder zingtSusan Dunn sings “Arrigo! Ah, parli a un core”

 

Wat is het verschil tussen terrorist en een diva? ‘Caballé, de muziek voorbij’

Caballe docu

“Allemaal hebben wij buitengewoon veel aan muziek te danken (…) Het is een vorm van expressie die niet zo zeer van het denken als van het voelen komt”. Die woorden komen van één van de grootste zangeressen van de twintigste eeuw, Montserrat Cabballé.

In zijn film Caballé Beyond Music portretteert Antonio Farré de diva*, haar leven en haar carrière, hij spreekt met haar, haar intimi en haar collega’s. In de documentaire zijn er ook veel (archief)beelden te zien en te bewonderen, beginnend met Caballé’s debuut in Il Pirata in 1966 in Parijs.

De film is gelardeerd met leuke anekdotes zoals die, hoe ze een deur kapot smeet omdat men haar niet toestond om vrij te nemen (Caballé wilde de voorstelling van Norma met Maria Callas bezoeken). Hoe ze een generale repetitie in La Scala had stopgezet omdat ze merkte dat het orkest niet goed was gestemd. Over haar debuut in de Metropolitan Opera in New York, de ontdekking van José Carreras (wat was hij mooi!), haar vriendschap met Freddy Mercury ….

Over haar Tosca in het ROH in Londen in de productie die voor Callas was gemaakt. Daar was zij niet gelukkig mee, het voelde niet goed, maar niemand die er iets aan wilde veranderen. Caballé belde Callas op, het was precies acht dagen voor haar dood, en beklaagde haar lot. “Maar natuurlijk voelt het niet goed”, zei Callas. “Ik ben lang en jij niet, ik ben slank en jij niet, ik heb lange armen en jij niet. Zeg tegen ze, dat ze me bellen, ik zal ze overtuigen dat je mij niet bent”.

En zo werd de productie voor Caballé aangepast. “Kopieën zijn nooit goed”, zegt Caballé, en ik ben het met haar eens. Dit is een fascinerend portret van een fascinerende zangeres. Zeer, zeer de moeite waard.

* Londense taxichauffeur: “wat is het verschil tussen terrorist en een diva? Met terrorist kun je onderhandelen”.

Caballé beyond music
Met José Carreras, Plácido Domingo, Joan Sutherland, Cheryl Studer, Giuseppe di Stefano, Freddie Mercury, Claudio Abbado e.a.
Regie Antonio A. Farré
EuroArts 2053198

Plácido Domingo en belcanto

Domingo 21

Domingo en belcanto? Dat was toch meer iets voor zijn collega’s Pavarotti, Carreras en Kraus? En toch: zeker in het begin van zijn carrière was Domingo ook een belcantozanger, al waren zijn hoge noten niet altijd even hoog.

Voor hem was de interpretatie van zowel de muziek als de tekst van wezenlijk belang. Vandaar ook dat hij zelfs in dit repertoire de rollen zocht waarin het door hem vertolkte personage meer in zijn mars had dan alleen maar ‘schoon’ zingen

Lucia di Lammermoor

Domingo Lucia POns

Zijn internationale debuut maakte Domingo op 21-jarige leeftijd, als Edgardo in Lucia di Lammermoor in Dallas. Een bijzondere gebeurtenis, want zijn Lucia werd toen gezongen door de 61-jarige Lily Pons, die met de rol afscheid van de operabühne nam.

 

Domingo Lucia Suth

In 1970 zong hij Edgardo bij de Metropolitan Opera, met niemand minder dan Joan Sutherland als Lucia. Gala (GL 100.571) heeft de hoogtepunten hiervan uitgebracht, gekoppeld aan fragmenten uit La Traviata uit december datzelfde jaar (eveneens met La Stupenda). Het geluid is zeer pover, maar het is zonder meer een bijzonder document.

 

Domingo Lucia Stider

Pas in 1993 nam Domingo de rol in de studio op. Het resultaat is niet helemaal bevredigend. Het ligt niet aan hem. Zijn Edgardo klinkt minder lyrisch dan twintig jaar eerder, maar wat een passie!

Cheryl Studer, die toen werkelijk alles moest opnemen wat voor sopraan was gecomponeerd, was geen echte Lucia. Zij was een geweldige Strauss- en Mozart-zangeres en ook haar Wagners en Verdi’s mochten er zijn, maar Lucia was voor haar (en dat bedoel ik letterlijk) te hoog gegrepen.

Begrijp mij goed: de hoge noten had ze wel en ze stonden als een huis, maar dat is exact wat je niet moet hebben met Lucia. De noten moeten niet staan, ze moeten brilleren, sprankelen, desnoods sprinten, en dat kon ze niet.

De echte ‘boosdoener’ is echter de dirigent. Hij jaagt de boel op en staat nooit stil. Toch is de opname zeer de moeite waard, zeker als je iets anders van Domingo wilt horen en geluidskwaliteit op prijs stelt.


Roberto Devereux

Domingo Roberto

Een recensent van de New York Times schreef dat het zonder twijfel het meest opwindende evenement was van het muzikale jaar 1970 en dat geloof ik onmiddellijk. De voorstelling van 24 oktober 1970 werd live opgenomen en daar mogen we ons meer dan gelukkig mee prijzen.

Julius Rudel (ach, waar zijn de tijden van zulke maestro’s gebleven?) dirigeert ferm en met heel erg veel liefde voor het werk. Om te huilen zo mooi.

Domingo’s stem klinkt als een klok en zijn optreden zorgt voor extatische ovaties. En over Beverly Sills (Elisabetta) kan ik kort zijn: overweldigend! Niemand, maar dan ook niemand heeft de rol ooit beter gezongen dan zij. Zij is Elisabetta. Dat moet je ooit gehoord of gezien hebben (er bestaat ook dvd met haar in die rol, jammer genoeg zonder Domingo). Het applaus na haar ‘L’Amor suo mi fé benata’ lijkt eindeloos te duren.

Anna Bolena

Domingo Bolena

Anna Bolena wordt als de eerste belangrijke romantische Italiaanse opera beschouwd en voor Donizetti betekende het zijn grote doorbraak. Ook voor Domingo was Anna Bolena een mijlpaal: met de rol van Percy maakte hij zijn debuut in New York.

Hij was toen (kunt u het geloven?) 25 jaar oud, maar zijn stem was helemaal ‘volgroeid’: vol, stevig, zacht, hard, smekend, vastberaden, met alle nuances ertussenin. Over fenomeen gesproken!

De hoofdrol werd gezongen door Elena Souliotis, toen 23. Een inmiddels bijna vergeten zangeres (haar carrière heeft ook niet zo lang geduurd), maar haar intensiteit kan je alleen met die van Maria Callas vergelijken. Een aardigheidje: La Divina zat toen in de zaal.

Giovanna werd gezongen door Marylin Horne en hun duetten zullen de liefhebber echt kippenvel bezorgen. In de rol van Smeton maakte ook Janet Baker haar Amerikaanse debuut.

De opera is live opgenomen in Carnegie Hall in 1966. Mijn exemplaar is van Legato (LCD-149-3), maar de opname is tegenwoordig ook op andere labels verkrijgbaar.

Norma

Doingo Norma

Pollione is één van de glansrollen van de jonge Domingo. Geen wonder. Een krijgsheer en een minnaar: dat is hij ten voeten uit. In Norma kon hij lekker uitpakken.

Hij nam de rol in 1973 (ooit RCA GD 86502) op en dat vind ik een beetje te vroeg. O ja, zijn stem is kristalhelder en zo mooi dat het bijna pijn doet, maar het ontbreekt hem een beetje aan overwicht.

Niettemin: aanbevolen, niet in de laatste plaats vanwege Montserrat Caballé, die de hoofdrol zingt.



Het een en ander over Verdi en Plácido Domingo

Het een en ander over Otello van Verdi en Domingo. Maar niet alleen…

Plácido Domingo en Wagner

2 x ‘Gemaskerde moord’ op Plácido Domingo alias koning Gustaaf III

L’Africaine. Hoe de liefde voor Vasco da Gama een Afrikaanse koningin fataal werd

Africaine_1865_-_settings_-_Gallica

Settings for the 1865 premiere of a L’Africaine (press illustrations). The stage designs for Act I (Council Scene) and Act II (Dungeon Scene) were created by Auguste-Alfred Rubé and Philippe Chaperon; for Act III (Sea Scene and Shipwreck) and Act IV (Hindu Temple), by Charles-Antoine Cambon and Joseph-François-Désiré Thierry; for Scene 1 of Act V (Queen’s Garden, not shown), by Jean Baptiste Lavastre; and for Scene 2 of Act V (The Machineel Tree), by Edouard-Désiré-Joseph

SHIRLEY VERRETT

Africaine Verrett

Shrirley Verrett  (Selika) en Plácido Domingo (Vasco da Gama) in San Francisco

Vasco da Gama (ja, de Vasco da Gama) houdt van Inès, maar als er een gevaar voor zijn eigen leven dreigt gaat hij zich achter de Afrikaanse koningin, Sélika, schuilen. Arme Sélika! Zij houdt oprecht van hem, maar op het moment dat Inès weer ten tonele verschijnt, moet zij opzij gaan. Dat doet zij ook letterlijk, door aan een van de giftige bloemen te ruiken.

Natuurlijk gebeurt er in de opera veel meer, voornamelijk muzikaal. Ik vraag mij dan ook af hoe het komt, dat de opera nog maar zo weinig wordt uitgevoerd.

Ligt het aan de zwakke mannelijke hoofdrol, die voornamelijk de roem nastreeft? Hij heeft in ieder geval een pracht van een aria van Meyerbeer gekregen, wellicht één van de mooiste ooit: ‘Pays merveilleux/Oh paradis’:

Domingo heeft altijd vertrouwen in de opera gehad en heeft da Gama meerdere keren gezongen. Het is ook dankzij hem dat de opera in de jaren zeventig een kleine revival beleefde.

Er bestaat ook een piratenopname op cd (Legato Classics LCD-116-3), met in de hoofdrol Shirley Verrett en de werkelijk geniale Norman Mittlemann als Nelusco. Het is uit 1972, maar er wordt nergens vermeld waar het opgenomen is. Maar aangezien dat jaar een serie voorstellingen in San Francisco hebben plaatsgevonden, met Verrett, is het eigenlijk volkomen duidelijk.

Afrivaine Domingo cd

Africaine Verrett SF dvd

De geluidskwaliteit is slecht, maar niet getreurd: de opera werd later ook voor tv opgenomen, zodat we er nu met volle teugen van kunnen genieten op dvd (Arthaus Music 100217).

De werkelijk prachtige productie werd gemaakt door Lotfi Mansouri (regie) en Wolfram en Amrei Skalicki (bühnebeeld en kostuums). Inès wordt gezongen door een (letterlijk) mooie, lichte coloratuursopraan Ruth Ann Swenson en Justino Díaz doet zijn best om ons te overtuigen dat hij eng is. Dat moet u echt gezien hebben!

MONTSERRAT CABALLÉ

Africane Cabelle

In 1977 werd de opera in het Teatre Liceu in Barcelona opgenomen, wederom met Plácido Domingo als Vasco da Gama. Maar of ik deze opname kan aanbevelen? Niet echt. Montserrat Caballé is een mooie maar weinig overtuigende Sélika en Juan Pons heeft betere dagen gehad en Christine Weidinger is een niet meer dan een fatsoenlijke Inez. (Legato Classics LCD 208-2).

MARTINA ARROYO

Africaine Myto

In november 1977 werd L’Africaine live in Monaco opgenomen met een prima Martina Arroyo in de hoofdrol. In het tekstboekje staat dat het waarschijnlijk de meest complete uitvoering van de partituur is die ooit is geregistreerd. Helaas is Giorgio Casellato-Lamberti een zwakke Vasco da Gama maar de prachtige Nélusco van Sherrill Milnes maakt veel goed (Myto 3MCD 011.235)

Meer Meyerbeer:
DIANA DAMRAU zingt MEYERBEER
MEYERBEER: LE PROPHÈTE. Essen 2017
LES HUGUENOTS Brussel 2011
ROBERT LE DIABLE