Nicolai_Gedda

CHRISTOPH WILLIBALD GLUCK EN ZIJN IPHIGENIEËN

Iphigenie von Anselm Feuerbach

Iphigenie door Anselm Feurbach (1862)

Ik ben geen echte Gluck-fan – zijn opera’s zijn me vaak te statisch en te ‘klassiek’ van vorm. Soms bekruipt mij het idee dat bij hem de tijd even stil heeft gestaan. We hebben immers al Monteverdi en een beetje Mozart gehad?

Maar ik kan niet ontkennen dat hij een meester was in het scheppen van sfeer – meestal verstild, dat wel – die tot de diepste roerselen van je ziel kon reiken. Veel van zijn melodieën kunnen je ook niet onberoerd laten: denk alleen maar aan de twee overbekende aria’s uit Orfeo ed Euridice, daar komt een beetje gevoelsmens niet droog doorheen.

Glucks grootste verdienste was echter het wakker schudden van de ingeslapen Franse opera. Men kwam toen niet verder dan Lully en Rameau; voor de Fransen betekenden de opera’s van Gluck hun eerste revolutie.

Het ging natuurlijk niet van harte, maar ja, zo gaat dat met revoluties. Zelfs (of misschien juist?) de culturele. En de Fransen waren strijdvaardig en fel: was de oorlog tussen de Lully- en Rameau-aanhangers eindelijk geluwd, nu kwam het tot de uitbarsting tussen de aanhangers van Gluck en Niccola Piccinni.

Beide componisten hadden net een opera over Iphigeneia gecomponeerd en dat heeft de massa’s de straat op laten gaan (hier een zucht: ik zou er heel wat voor over hebben om dat soort straatrellen en demonstraties nog mee te kunnen maken, maar dit terzijde).

Iphigeneia en haar lotgevallen zijn de hoofdthema’s van twee opera’s van Gluck. Ik weet eigenlijk niet of ze inderdaad bedoeld waren als een tweeluik, maar logisch is het wel. Het ‘Aulide’-deel vertelt hoe ze bijna geofferd wordt aan Diana in de aanloop naar de Trojaanse oorlog. In deel twee leren we hoe het haar verder verging in het barbaarse Tauris.

De première van Iphigénie en Aulide in 1774 schijnt een fiasco te zijn geweest. Men schreef het op het conto van de bovengenoemde componistenstrijd, maar of het waar is?

Ik heb de opera maar één keer live gehoord en ik bezit er maar twee opnames van. Niet echt veel, nee. Maar ik moet ook eerlijk bekennen dat de muziek, afgezien van een paar aria’s (het lamento van Clytamnestra!), mij weinig bekoort.

IPHIGÉNIE EN AULIDE

Iphigenie en Aulide

 

JOHN ELLIOT GARDINER

 Iphigenie Gluck Gardiner

Veel keuze is er niet, maar is het eigenlijk erg? Met de lezing van John Eliot Gardiner haalt u alles in huis wat u nodig hebt. Zijn tempi zijn om te zoenen. Met een rustig begin van de ouverture (windstilte!) gaat Gardiner over tot een kleine woedeuitbarsting. Met het begin van de monoloog van de gekwelde Agamemnon (een fenomenale José van Dam, daar komt niemand in de buurt!) gaat hij over naar meer bedaardheid, maar je voelt de onderhuidse spanning.

Anne Sophie von Otter is een mooie Clytemnestre, maar ik mis de woede. Toch klopt het in de opvatting van Gardiner, waar alles ingetogen en klein wordt gehouden. Daar is de zeer kleine, heel erg meisjesachtige stem van Lynne Watson (Iphigénie) helemaal op zijn plaats. En daar past een lieve, weinig macho Achille van John Aller perfect bij.

De opera werd een tijd geleden heruitgebracht in een doosje met 4 cd’s, waar u behalve Iphigénie en Aulide ook Glucks onbekende werken La Rencontre imprévue ou Les Pèlerins de la Mecque en Don Juan ou Le Festin de pierre kon vinden (Erato 2564 69562-0). Helaas is het doosje ook al uit de handel…


 

KARL BÖHM

 Iphigenie Aulis Böhm

Karl Böhm dirigeert precies zoals we het van hem verwachten: breedvoetig, maar met flinke tempi. Het Wiener Philhamonieker klinkt zoals een groot orkest hoort te klinken. Met veel volume, maar ook met een scala aan nuancen.

Ik denk dat de opname een gruwel kan zijn voor de puristen, want er is niets, maar dan ook niets idiomatisch aan. Om te beginnen wordt er in het Duits gezongen. De stemmen zijn groot, soms best zwaar. Christa Ludwig (Iphigenie) is allang geen meisje meer en Achille is met een stem als een kanon (James King op zijn best) een krijger zonder weerga.

Walter Berry is een zeer ontroerende Agamemnon, maar wat de opname echt bijzonder maakt, is Inge Borkh’s Klytämnestra. Als je daar onberoerd onder blijft, heb je geen hart.

De opera is in 1962 live opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Orfeo d’Or 428962).

 

Hieronder zingt Inge Borkh ‘Du zum Tode bestimmt’:

 

 

IPHIGÉNIE EN TAURIDE

Iphigenie met Pylades en Orest

Iphigenie met Orest en Pylades  Angelika Kauffmann (1787)

De oorlog is inmiddels lang voorbij, haar vader en moeder zijn vermoord en ook haar zus Elektra is dood. Hier beleeft zij het weerzien met haar doodgewaande broer Orestes en wordt zij weer eens verliefd. Dat alles natuurlijk niet zonder allerlei verwikkelingen en al helemaal niet zonder goddelijk ingrijpen.

In tegenstelling tot Aulide ben ik werkelijk gek op Tauride. En ik ben niet de enige, niemand minder dan Schubert ging mij voor. Volgens één van zijn vrienden heeft hij ooit gezegd dat hij ‘totaal buiten zichzelf was door de impact die deze prachtige muziek op hem heeft gehad en verklaarde dat er niets mooiers in de wereld bestaat’.

En ‘wij’ zijn de enigen niet. Terwijl de officiële catalogus maar 3 (drie!) cd-opnamen van Aulide vermeldt, komt Tauride er met negen opnamen op cd en één op dvd veel beter af. En dan hebben we de piraten niet eens genoemd!

Waarom de ene Iphigénie wel en de andere niet? Zelf vind ik Tauride veel spannender dan de nogal statische Aulide. Er zit veel meer drama in en de muziek is zonder meer innovatief – je herkent meteen de weg naar Berlioz. Hiermee was Gluck een echte precursor.

Ook de karakters zijn beter uitgewerkt en de rol van Iphigénie was dramatisch genoeg om zulke uiteenlopende zangeressen als Maria Callas, Montserrat Caballé, Shirley Verett en Sena Jurinac, om een paar grootheden te noemen, aan te spreken. Allemaal hebben ze haar op de lessenaar gehad ….

 

JOHN ELLIOT GARDINER

Iphigenie Tauris Philips

Objectief gezien bent u net als bij Aulide bij Tauride het beste af bij Gardiner (Philips 478 1705). Thomas Allen is een mannelijke, maar zeer beheerste Oreste en John Aler is een zoetgevooisde Pylade. Mooi, maar zonder – hmmmm, hoe zal ik het netjes uitdrukken? – het mannelijke testosteron…

Diana Montague, een mezzo (!), heeft een pracht van een lyrische stem, licht en wendbaar. En René Massis is een voortreffelijke Thoas.

De opname is me zeer dierbaar, maar als ik eerlijk mag zijn: ik mis drama.


 

RICCARDO MUTI

iphigenie-en-tauride-muti-la-scala

Muti is, zoals altijd, bijzonder trouw aan de partituur en wat is het levendig! Zijn storm is inderdaad stormachtig, daar word je bijna duizelig van.

Carol Vaness is een Iphigénie naar zijn hand. Al meteen bij haar eerste aria gaat zij zo hysterisch te keer dat je meteen recht op je stoel gaat zitten. Je voelt op je klompen aan: het wordt een drama van jewelste. En je wordt niet teleurgesteld, want de spanning is om te snijden.

Carol Vaness sings  ‘Ô malheureuse Iphigénie!’

Ook Thomas Allen haalt hier echt uit. Bij Muti is hij veel minder beschaafd dan bij Gardiner, je kan zelfs angst in zijn stem horen. Ik mag het.

De opname heeft ook een extra troef – de rol van Pylade wordt gezongen door de veel te jong gestorven Gösta Winbergh (hij stierf in 2002 aan een hartaanval, nog geen 50 jaar oud). Een zanger die, zoals zijn landgenoot Gedda, werkelijk alles in zijn stem verenigde: de lyriek van Tagliavini, de elegantie van Kraus en de mannelijkheid van zijn andere landgenoot, Jussi Björling. Nog net met een been in Mozart, maar met het ander al voorzichtig Wagner aftastend. Daar wordt een mens droevig van.

De opname (Sony 52492) is live, wat behalve applaus en toneelgeluiden ook het gevoel ‘ik ben erbij’ meegeeft. Ik vind het prachtig, maar ik kan me voostellen dat de meeste mensen voor de veilige en betrouwbare Gardiner kiezen.

 



 

 

JOSEPH KEILBERTH

Iphigenie Tauris Keilberth

Over Nicolai Gedda gesproken: in de opname onder Joseph Keilberth uit 1956 (Capriccio 5005) zingt hij de rol van Pylades. De opvatting van de dirigent is zeer vooruitstrevend, zeker voor de tijd – het lijkt meer op Gardiner dan op Muti, al heeft hij ook wat van het hysterische van de laatste.

Hermann Prey doet mij een beetje aan Thomas Allen denken, zeker vanwege de lyriek, de lichte smacht en het onnadrukkelijk zingen. Echt woedend wordt hij niet, hij is meer van het treurende type.

Maar dan Gedda! Daar smelt niet alleen het hart van Iphigénie (een zeer elegante maar wel met schmalz zingende Hilde Zadek) van, daar gaat ook Diana humaan van worden. Geen wonder dat uw discografe een traantje moest wegpinken. Het geluid is een beetje dof, maar het went snel. En ja, het is in het Duits.

Zie ook:
ORESTEIA. A music Trilogy
Heftige vrouwen in heftige opera: 3 x Elektra van Richard Strauss
ELEKTRA aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker

THE DREAM OF GERONTIUS

Elgar Barenboim

Toegegeven, de omstandigheden waren alles behalve optimaal.

Het begon met de afzegging van de stertenor Jonas Kaufmann. Op zich niet echt een ramp, zijn stem is niet echt geschikt voor Gerontius. Kaufmann werd vervangen door Toby Spence, een zowat ideale vertolker van die rol. Helaas, ook Spence zegde af en Andrew Staples stapte in. Prima tenor, zonder meer, maar zijn stem past beter bij werken van Mozart en Bach.

Op het laatste moment liet ook Sarah Connoly het afweten en de rol van Angel werd overgenomen door Catherine Wyn-Rogers.

Geen van de twee nieuwe solisten voldeed aan de hoge eisen van het werk. Wyn-Rogers intoneert niet zuiver en haar ruime vibrato is een marteling om naar te luisteren. Van de oorspronkelijk voorgestelde bezetting bleef alleen Thomas Hampson over, maar in zijn eentje kon hij de uitvoering echt niet dragen.

Daniel Barenboim heeft altijd veel affiniteit met de muziek van Elgar gehad, het is ook niet de eerste keer dat hij het mystieke meesterwerk dirigeert.

Helaas is het resultaat nu gewoon knudde. Het orkest is te zwaar en het koor klinkt te Duits. Ik snap best dat je de geplande voorstellingen en radio-uitzendingen niet zo maar kunt cancelen, maar moest het povere resultaat dan ook op cd’s uitgebracht worden?


EDWARD ELGAR
The Dream of Gerontius
Catherine Wyn-Rogers, Andrew Staples, Thomas Hampson
Staatsopernchor Berlin, RIAS Kammerchor; Staatskapelle Berlin olv Daniel Barenboim

Elgar Barbirolli

Gelukkig: aan goede uitvoeringen geen gebrek. Het mooist vind ik de opname onder John Barbirolli uit 1964 (Warner 0724357357920) , niet in de laatste plaats vanwege de onnavolgbare bijdrage van Janet Baker:

Maar ook Sir Adrian Boult (Warner 0724356654020 ) uit 1975 is niet te versmaden!
Alleen al vanwege Nicolai Gedda’s meer dan ontroerende ‘I went to sleep’:

 

 

 

ELISABETH SÖDERSTRÖM op BBC Legends

Sod

Geloof het of niet, maar het gros van de mooiste stemmen komt uit Scandinavië. Ze hebben daar een zangcultuur waar wij alleen maar van kunnen dromen. Geen wonder dat een groot aantal van de wereldberoemde zangers daar vandaan komt.

Van al haar land- en tijdgenotes was de Zweedse Elisabeth Söderström wellicht de meest muzikale. De meest veelzijdige ook, haar repertoire vermeldt een schare van uiteenlopende rollen in opera’s, beginnend met Monteverdi en eindigend met Henze.

Dankzij haar Russische moeder beheerste ze niet alleen de taal, maar had een bijzonder gevoel voor het Slavisch repertoire ontwikkeld. Ooit nam ze alle liederen van Tsjaikovski en Rachmaninoff op, en werd beroemd als de vertolkster van de opera’s van Janaček.

Er is iets ouderwets in Söderström’s manier van zingen, en het voelt niet onprettig. Integendeel. Het klinkt zelfs opwindend. Die lange frasen, die omhoog bloeiende noten, haar sensuele uitspraak en een licht metaal in haar volle, warme en uitgesproken vrouwelijke stem.

Af en toe doet ze aan haar (onterecht veel bekender geworden) illustere voornaamgenote denken, wellicht omdat beiden hun grootste triomfen in de opera’s van Mozart en Strauss vierden? Maar de verschillen zijn groter dan de overeenkomsten: Söderström klinkt zelden zelfverzekerd. Haar zingen wordt ook nooit ondergeschikt gemaakt aan de woorden, al was zij altijd bijzonder taalgevoelig en zong zij perfect in vele talen

 

Sod 2

Begin deze eeuw heeft BBC Legends twee uitgaven aan haar Söderström opgedragen. Op BBC L 4132-2 verschenen twee van haar recitals: uit 1971 en 1984. Tijdens de laatste was ze bijna 60 jaar oud, maar dat is absoluut niet te horen. Nog steeds is haar stem stralend, jeugdig en zeer vrouwelijk.

 

Tijdens beide recitals laat ze haar volledige kunnen horen en bij beide zingt ze liederen uit verschillende culturen en in verschillende talen. Dat de tweede iets boeiender is uitgevallen, is in grote mate aan pianist Roger Vignoles te danken. En aan de selectie Russische liederen, waar zij de grootste meesteres in was

 

 

 

sod 1

Op BBCL 4153-2 werden drie verschillende recitals uit de Royal Festival Hall vastgelegd. De Vier Letzte Lieder en de slotscène uit Capricio van Richard Strauss zong ze in oktober 1976 onder begeleiding van Antal Dorati.

 

De Shéhérezade van Ravel werd in 1971 opgenomen met het BBC Orchestra die onder leiding stond van Pierre Boulez:

De twee aria’s uit Le Nozze di Figaro stammen uit 1960. Söderström laat een vertwijfelde gravin horen, en ze doet het zo mooi dat het naar meer smaakt.

Maar het allermooist zijn de liederen van Strauss, gezongen zonder vocaal krachtsvertoon en gekoketteer met hoge noten.

 

 

 

 

 

BERLIOZ: Benvenuto Cellini. Discografie

 

Cellini buste

Borstbeeld van Benvenuto Cellini (Rafaello Romanelli) in het centrum van Florence

Benvenuto Cellini was een zestiende-eeuwse Italiaanse kunstenaar die beschouwd wordt als de vertegenwoordiger van het maniërisme. Hij was beeldhouwer, edelsmid, schrijver en musicus, en daarmee duidelijk een voorbeeld van de ‘uomo universale’.

Dat hij geen lieverdje was weten we uit zijn memoires: daarin komt hij in beeld als een zelfverzekerd, egoïstisch mens, die niet vies was van seksuitspattingen en die dan ettelijke affaires op na hield, zowel met vrouwen als mannen. Dat hij daarbij ook nog eens niet zo fatsoenlijk omging met een medemens werd hem van de hoger hand vergeven: hij was immers een begenadigd kunstenaar.

Waarom Berlioz juist Cellini voor zijn eerste opera heeft gekozen? Wellicht dacht hij een nieuwe Don Giovanni te hebben gevonden en zo een nieuwe meesterwerk te creëren?

De première van de opera in september 1838 in Parijs was een flop. Voor de heropvoering een jaar later veranderde Berlioz het één en ander, maar het mocht niet baten. Later, voor een opvoering in 1852 in Weimar, maakte hij nog een kortere versie van zijn werk, op aanraden en in samenwerking met Liszt en Von Bülow.

Tot de jaren negentig van de vorige eeuw werd Benvenuto Cellini zeer sporadisch opgevoerd, iets wat ik absoluut kan begrijpen. Nog los van het zwakke libretto vind ik het werk onevenwichtig en stroef. Het is alsof Berlioz nergens kon beslissen wat hij nu eigenlijk aan het componeren was. Dat de opera technisch ook nog eens zeer moeilijk is om uit te voeren, is niet bepaald behulpzaam.

CD

Cellini Philips

Colin Davis, één van de grootste pleitbezorgers van de muziek van Berlioz, nam de opera in 1972 op. De opname (Philips 4169552) gold jarenlang als het voorbeeld van hoe het moet. Het heeft ruim dertig jaar geduurd voordat hij een beduchte tegenstander kreeg in John Nelsons registratie (ooit Virgin Classics 54570629).

H.-Berlioz-Benvenuto-Cellini-P.-Ciofi-G.-Balducci-J.-DiDonatoJ.-Nelson-Orchestre-National-de-France-3CDS-2004.

Welke van de twee je kiest: met het orkest zit het snor en beide dirigenten zijn aan elkaar gewaagd. Nelson is misschien wat feller terwijl Davis het meer in de lyriek zoekt.

Christiane Eda-Pierre (Teresa bij Davis) is veel lichter van stem dan Patrizia Ciofi, liever, ‘hemelser’. Haar lichte vibrato en haar zeer meisjesachtig timbre zijn buitengewoon plezierig om naar te luisteren, maar zij mist de erotiek en is derhalve geen match voor de veel ‘aardser’ klinkende Ciofi.

Kan je je een betere Cellini voorstellen dan Nicolai Gedda (Davis)? Je zou zeggen van niet. Zo dacht ik ook. Tot voor kort, althans, want Gregory Kunde komt goed in de buurt.

Ik houd van Kundes slanke, beweeglijke en tegelijk stevige tenor. Zijn hoge noten komen er zo makkelijk uit dat je haast zou denken dat hij een boodschappenlijstje aan het repeteren is. En dan zijn kracht… Wat een stem, wat een zanger! Onvoorstelbaar dat de platenmaatschappijen hem zo lang links hebben laten liggen. Ook aan deze opname had hij bijna niet mee gedaan: hij verving Roberto Alagna.

Jules Bastin (Balducci bij Davis) is aan Laurent Naouri gewaagd. Zelf prefereer ik de tweede, maar dat is persoonlijk.

De keuze voor mijn favoriete Ascanio is snel gemaakt: zelfs Jane Berbié (Davis) moet het tegen Joyce DiDonato (Nelson) afleggen. Luister maar naar haar ‘Mais quai-je donc’. Nee, vroeger was niet altijd alles beter!

Maar Nelson heeft nog meer te bidden, mocht u daar de behoefte aan hebben: de score is meer dan compleet, aangezien hij beide Parijse versies bij elkaar combineert en voegt nog een appendix toe met maar liefst bijna 15 minuten extra muziek.

Hieronder het trio ‘Ô Teresa’, gezongen door Gedda, Eda-Pierre en Massard onder Colin Davis:

en door Kunde, Ciofi en Lapointe onder John Nelson:

De opname van Nelson is officieel uit de handel, maar u kunt hem gewoon op Spotify vinden:

En dan hebben we nog Colin Davis II. In 2007 heeft hij de opera weer eens “afgestoofd”, wat resulteerde in ettelijke coupures in de dialogen. Ook het duet van Cellini en Teresa uit de tweede acte moest er aan geloven. De live uitvoering uit het Barbican Hall is op twee SACD’s van het eigen label van London Symphony Orchestra uitgebracht (LSO Live 0623).

 

Cellini Kunde

Het resultaat vind ik bevredigend, maar is voor mij een beetje te gepolijst. Gregory Kunde laat opnieuw horen wat een geweldige zanger hij is: alleen al voor hem is de opname meer dan de moeite waard. Minder te spreken ben ik over Laura Claycomb (Teresa) en ook de andere zangers kunnen mij niet echt bekoren.


DVD

 Cellini dvd

In 2007 werd Benvenuto Cellini in Salzburg gepresenteerd en daarna voor dvd opgenomen (Naxos 2110271). De productie is dolle pret. Het bevat van alles wat een mens doet lachen: commedia dell’arte, theater van de lach, een paus die vergezeld wordt door blonde dansende ‘nichten’, een helikopter, robots als huisbedienden, een madonna als een naakte engel met vleugels… Noem het maar op en het zit erin.

Het begint best mooi: Rome, carnaval, vuurwerken… Bijna Fellini-achtig. Het geheel speelt zich in een ‘wereld van ooit’. The Wizard of Oz is niet ver weg. Ja, regisseur Philipp Stölzl kent zijn filmklassieken! Mooi? Ja. Grappig? Ja. Logisch? Nee. Het publiek is overenthousiast, ik niet.

Er wordt zonder meer goed in gezongen, al word ik niet echt enthousiast. Burkhard Fritz (ook een vervanger, dit keer voor Shicoff) stond toen nog met beide voeten in het zwaardere belcantorepertoire, maar het ontbreekt hem aan charisma.

Dat laatste kun je aan Maija Kovalevska overlaten. Ze is mooi en slank (een onontbeerlijke voorwaarde tegenwoordig, lijkt het) en heeft een dito stem. Ze is een goede actrice ook. Waar het haar aan ontbreekt, is het ‘eigene’ voor deze rol. Zonder het beeld erbij klinkt ze als één van de zovele mooie slanke sopranen uit Oost-Europa.

Of Valery Gergiev de aangewezen dirigent is voor dit werk betwijfel ik. Hij maakt een hoop lawaai, gelijk het zware vuurwerk. Aan het begin van de ouverture dacht ik even midden in één van de Bruckners te zijn beland.

Hieronder de trailer van de Salzburger productie:

 

Zie ook: Benvenuto Cellini in Amsterdam

FAUSTen van GOUNOD. En van BUSONI

Marguerite: A Favorite Melody from Counod's Faust

Wie droomt er niet van om eeuwig jong en mooi te zijn? Het wonderlijke verhaal van Faust, over een wetenschapper die zijn ziel aan de duivel verkoopt, heeft talrijke schrijvers, dichters en componisten geïnspireerd. De versie van Charles Gounod uit 1859 is gewoonweg heerlijk

Dvd

Wilt u het werk in beeld zien, dan is de keuze zeer beperkt. Zelf was ik ooit helemaal kapot van de productie van Frank Van Laecke bij Opera Zuid, maar die is niet opgenomen. Jammer.

David McVicar

gounod-alagna

David McVicar, één van mijn geliefde regisseurs, heeft de opera in het Londense Royal Opera House geënsceneerd. Ik heb het daar gezien, eerst met Roberto Alagna en daarna met Piotr Beczala. En eerlijk is eerlijk: ik was er niet kapot van. Er werd heel erg goed gezongen, dat wel, maar de regie stelde mij een beetje teleur. De eerste voorstellingen, met in de hoofdrollen Roberto Alagna, Angela Gheorghiu, Bryn Terfel, Sophie Koch en Simon Keenlyside, werden in 2004 voor Warner (5099963161199) opgenomen.

Hieronder Angela Gheorghiu als Marguerite, met een toelichting van haar zelf:

Alfredo Kraus

gound-scotto
In 1973 werd Faust in Tokyo opgevoerd en live opgenomen (VAI 4417). Renata Scotto, Alfredo Kraus, Nicolai Ghiaurov… wat een bezetting! Om te likkebaarden, toch? Ja en nee.

Kraus is zonder meer ‘elegant’, maar moet Faust elegant zijn? Is hij niet eerder een ordinaire schurk die gewoon het mooie meisje wil schaken? En geld wil hebben? En wil genieten? Of heb ik het niet begrepen? Er zit ook geen passie in zijn zingen en zijn hoge noten zijn wat ‘geperst’. Maar Scotto is een zeer ontroerende Marguerite en Ghiaurov een meer dan imposante Méphistophélès.

Scène uit de productie:

Ken Russel

gounod-araiza

En dan hebben we nog de “enfant terrible” van de jaren tachtig, Ken Russell …. Eerlijk beken ik dat ik niet echt ver ben gekomen met het bekijken van deze dvd (DG 0734108). De regie vind ik buitengewoon irritant met allerlei “vondsten” en “symbolen”, waarvan het nut mij totaal ontgaat. Francesco Araiza behoorde ooit tot mijn favorieten, en in 1983 zong hij nog een pracht van Ferrando in ‘Cosi fan Tutte’ maar in deze Weense productie uit 1985 is zijn stem een fractie van wat het geweest was. ZONDE!

(meer…)

DIE ZAUBERFLÖTE: discografie

toverfluit-schinkel-act-1

Tekening van van Karl Friedrich Thiele naar het ontwerp van Karl Friedrich Schinkel

Die Zauberflöte is zonder twijfel één van de populairste opera’s ooit. De officiële catalogus telt meer dan tachtig opnamen op cd’s en zo’n vijftien op dvd’s. De kans dat u de opera niet kent is, denk ik, nihil. Er gaat geen jaar voorbij zonder dat de opera ergens bij in u in de buurt wordt uitgevoerd. Ik twijfel er ook niet aan dat u minstens één opname in de kast hebt staan.

toverfluit-schinkel

“Water en vuurproef”, scèneontwerp van Karl Friedrich Schinkel 1817

 

 

CD’s

Cristina Deutekom

toverfluit-deutekom

Men zegt Koningin van de Nacht, men denkt Cristina Deutekom. Althans ik. De opname die zij in 1969 voor Decca (4145682) maakte staat voor mij als een huis en mag eigenlijk in geen enkele huishouding ontbreken. Oké, haar staccato is soms een beetje vreemd en af en toe mechanisch, maar wat een perfectie! Haar woede is heerlijk ordinair. Dat is niet onaardig bedoeld, want het klopt perfect met het karakter van ‘the Queen’. Al komen wij daar pas later in de opera achter.

Stuart Burrows gold ooit als één van de grootste Mozart tenoren die al op weg waren naar het zwaardere “fach”. Voor mij een schakel tussen Fritz Wunderlich en Piotr Beczala. Ik luister graag naar zijn elegante Tamino, zijn stem mengt ook heel erg mooi met Pilar Lorengar (Pamina).

 

Over de Papageno van Hermann Prey kan ik heel erg kort zijn: de beste ooit.

prey

De Wiener Philharmoniker staat onder leiding van Georg Solti en dat beteken vaart, drama en af en toe stilstaan. Opera ten voeten uit. Wat de opname nog dat beetje (nou ja, beetje?) extra geeft, is het tekstboek met de tekeningen van Kokoschka.

 

 

Fritz Wunderlich

toverfluit-bohm

 

Zoals Hermann Prey de Papageno en Cristina Deutekom de Koningin van Nacht voor mij zijn, zo is Fritz Wunderlich de Tamino. In 1965 heeft hij de rol voor DG (4497492) opgenomen.

toverfluit-wunderlich

Het Berliner Philharmoniker stond onder directie van Karl Böhm, wat natuurlijk wat meer statigheid en behoedzaamheid betekent dan Solti. Maar de klank is echt heel erg mooi. Roberta Peters is een waanzinnig goede Koningin van de nacht en Evelyn Lear een zoetig lyrische Pamina. Tel daarbij de werkelijk fenomenale Franz Crass als Sarastro en Hans Hotter als Sprecher – heerlijk. Toch kent de opname één minpunt: Papageno wordt gezongen door de totaal humorloze Dietrich Fischer-Dieskau. Jammer!

 

 

Charles Mackerras

toverfluit-mackerras

Voor de lezing van Sir Charles Mackerras heb ik altijd een zwak gehad. In deze opname stond hij aan het roer van het Scottish Chamber Orchestra (Telarc CD 80302). Zijn zeer elegante manier van dirigeren, zijn integriteit en totale gebrek aan maniertjes zijn mij zeer lief. Maar ook zijn cast doet mijn hart sneller kloppen van plezier.

Allereerst is er de onvergetelijke Jerry Hadley (Tamino), met zijn zoete tonen en Mozartiaanse lijnen. Daar moet ik even een traantje bij wegpinken, hij is ons te vroeg en te onnozel weggevallen.

Barbara Hendricks zingt een beetje gemaniëreerd, maar haar stem is verleidelijk lyrisch en past bij Pamina. June Anderson heeft alle “Queen waardige” noten en coloraturen paraat en Thomas Allen is voor mij, naast Hermann Prey, de beste Papageno.

 

Claudio Abbado


toverfluit-abbado

Geloof het of niet, maar in 2006 nam Claudio Abbado (toen al over de 70) zijn eerste Toverfluit ooit op (DG4775789). Het resultaat is niet helemaal bevredigend, maar ik wil het toch noemen, vanwege het heerlijk en slank spelende Mahler Chamber Orchestra, maar ook vanwege de toen nog betrekkelijk jonge en beginnende zangers.

Niet allemaal hebben ze het gemaakt, maar René Pape (Sarastro) hoef ik niet meer bij u te introduceren en ook Dorothea Röschmann (Pamina) behoeft geen aanbeveling. Christoph Strehl is een zonder meer overtuigende Tamino en Hanno Müller-Brachman een zeer speelse Papageno.

Dorothea Röschmann als Pamina:

 

DVD’s:

Nicolai Gedda

toverfluit-gedda

Gedda kon eigenlijk alles zingen en dan ook nog in vele talen. Zijn muzikaliteit was werkelijk spreekwoordelijk en dat kun je goed op deze opname horen.

Edith Mathis & Nicolai Gedda in „Mein, o welch ein Glück!’

Horst Stein dirigeert de Hamburger Philharmoniker en zijn tempi zijn fors, maar met precies 156 minuten speeltijd weet je zeker dat het een en ander is gesneuveld. Het geluid is dof en de aankleding echt “jaren zestig” (de opname is gemaakt in Hamburg, in 1971).

Toch vind ik het één van de belangrijkste Toverfluiten ooit, zeker vanwege de zangers! Zal ik ze noemen? Behalve Gedda: Hans Sotin, de jonge Franz Grundhebber (Monostatos!), Edith Mathis, Kurt Moll, Fischer-Dieskau (als spreker veel beter op zijn plaats), Kurt Moll als Gehärnischte, de zeer ondergewaardeerde William Workman als Papageno en ….. last but not least! JA! Onze “eigen”  Deutekom in haar parade rol:

 

De regie is van de hand Peter Ustinov. Een monument (Arthaus Musik 101265)

 

Piotr Beczala

toverfluit-beczala

Een overenthousiast, stormachtig applaus voor het productieteam van een opera: hoe vaak maak je dat nog mee? Het overkwam Benno Besson (regie) en Jean-Marc Stehlé (decors en kostuums) in januari 2001 na hun Zauberflöte in het Parijse Palais Garnier.

Terecht. De door hun gecreëerde voorstelling laat zich als een ouderwetse sprookjesfilm (denk aan Wizzard of Oz) bekijken en ademt de toverachtige sfeer van weleer, toen alles nog goed kwam en waarbij je je tegoed deed aan een simpel, geschilderd decor (en daar genoeg aan had). Het decor en de fantasievolle kostuums zijn overweldigend en feeëriek, met felgekleurde tropische bossen, ‘wilde dieren’ en een ‘echte’ sprookjesprins – gestoken in het wit en met een heus gouden kroontje op zijn hoofd.

Het Orchestre  de l’Opéra national de Paris onder de liefdevolle leiding van Iván Fischer speelt heel erg mooi, al zijn de tempi soms een beetje aan de (te) langzame kant.

Piotr Beczala is voor mij de mooiste lyrische tenor sinds Wunderlich en Gedda. Zijn Tamino is niet alleen perfect gezongen maar ook fantastisch geacteerd. Hij is inmiddels een wereldster, maar was toen nog maar een geheimtip.

Dorothea Röschmann schittert als een gloedvolle Pamina, en Detlef Roth is een prima Papageno. Ook de rest van de cast is zonder meer goed: Désirée Rancatore is een zeer overtuigende Koningin van de Nacht en Matti Salminen een voorteffelijke Sarastro (Arthaus Musik 107233)

Beczala en Röschmann in ‘Tamino mein, o welch ein Glück!’:

 

Georg Solti

toverfluit-solti-legacy

Nog even kort over Georg Solti: in 2012 vierde hij zijn honderdste verjaardag en naar aanleiding daarvan heeft Decca veel van zijn nooit eerder uitgebrachte en veelal totaal onbekende opnamen uitgebracht. Op de dubbel-cd Solti. The legacy 1937-1997 hoort u hem als de klokkenspelbespeler in Die Zauberflöte. De opname werd gemaakt in 1937 in Salzburg, Papageno wordt gezongen door Willi Domgraf-Fassbander en de Wiener Philharmoniker staan onder leiding van Toscanini (Decca 4784884).

Hieronder Domgraf-Fassbaender als Papageno (met de klokkenspel van Solti):

In 1991 heeft Solti het instrument opnieuw ter hand genomen, alweer in Salzburg, maar nu stond hij ook op de bok. De opera is twee jaar geleden op dvd uitgebracht (Decca 0743603). De regie was in handen van Johannes Schaaf en onder de solisten vinden we de piepjonge René Pape (Sarastro) en de zeer droevig aan zijn einde gekomen Deon van der Walt (Tamino)

toverfluit-solti-dvd

De opera is inmiddels ook op youtube te vinden. Hieronder deel 1: