Cheryl_Studer

Giuseppe Sinopoli in memoriam

On 20 April 2001 Giuseppe Sinopoli died of a heart attack while conducting Aida in Berlin. He had just started the third act when he lost consciousness……
Sinopoli was 54 years old.


ATTILA



There are those performances where everything is just in perfect harmony and you get the feeling that it could not be any better. People keep talking about them and they become legends.

Verdi’s Attila was such a performance, at the Vienna State Opera on 21 December 1980. It was Giuseppe Sinopoli’s debut in the house, his name was still virtually unknown, but the initial reluctance of the audience turned into frenzied enthusiasm from the very first bars. Verdi’s score – not the strongest – has never been heard before with such warmth, fervour and tenderness.

Nicolai Ghiaurov was a great Attila. With his sonorous bass, he gave the character not only the allure of a general but also the gentleness of a loving man.

In her role as Odabella, Mara Zampieri proved that she is not only a fantastic singer with a radiant height and a dramatic attack, but also a great actress.



The stretta ‘E gettata la mia sorte’ in the second act requires the baritone to sing the high b flat. Piero Cappuccilli hit it with ease and suppleness, and then was forced to encore by the frenzied audience, something one seldom experiences in opera. A rare occurrence.




TANNHÄUSER



I have never been a ‘Wagnerian’. I could never muster the patience to sit through hours of his operas. I found them bombastic. Pathetic. And even though I had to admit that there were some beautiful melodies, I felt that I really needed a pair of scissors and radically shorten them

That this feeling has totally changed, I owe to Domingo. In my collector’s mania (I had to have everything he had done), I bought the recently released Tannhäuser (DG 4276252) in 1989. And then it happened: I became addicted.

At first, it was mainly Domingo who was to ‘blame’, whose deeply human interpretation of the title role gave me the goose bumps. His words:  “Wie sagst du, Wofram? Bist du denn nicht mein Feind?” (sung with emphasis on ‘mein’ and ‘Feind’ and with a childish question mark at the end of the phrase) caused me to burst into tears.

Later, I learned to appreciate the music for itself and to this day, Tannhäuser is not only a very beloved Wagner opera, but also one of my absolute favourites.

I still consider this recording, conducted very sensually by Giueseppe Sinopoli, to be one of the best ever. Also because all the roles (Cheryl Studer as Elisabeth and Agnes Baltsa as Venus, such wealth!) are excellently cast. At the time, in the eighties and early nineties, this was not necessarily a given.



DER FLIEGENDE HOLLÄNDER




This CD recording from 1998 (DG 4377782) is particularly dear to me. First of all because of Cheryl Studer, at the time probably the most beautiful Senta one could imagine. Her wonderfully lyrical soprano with its easy and sensual height seemed made for the role.

The Holländer is sung here by Bernd Weikl. Not really the youngest anymore and you can really tell, but still very suitable for the role. Peter Seiffert is a splendid Steuerman, and in the role of Erik we hear none other than Plácido Domingo, a luxury!

But best of all is the orchestra: under the truly inspired leadership of Giuseppe Sinopoli, the Orchester der Deutsche Oper Berlin performs in a really magnificent way.




SALOME



I realise that many of you will not agree with me, but for me Cheryl Studer is the very best Salome of the last fifty years. At least on CD, because she has never sung the complete role on stage (DG 4318102). Like few others, she knows how to portray the complex character of Salome’s psyche. Just listen to her question ‘Von wer spricht er?’ after which she realises that the prophet is talking about her mother and then she sings in a surprised, childishly naive way: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Masterly.

Bryn Terfel is a very virile young Jochanaan (it was, I think, the first time he sang the role), but most beautiful of all is Giuseppe Sinopoli’s very sensual, wide- sounding conducting.

Aida in Essen en Londen

TEKST PETER FRANKEN

In 1996 was ik in het Aalto Theater in Essen voor de Aida van Dietrich Hilsdorf. Deze regisseur had ook toen al een voorkeur voor het benadrukken van het intieme karakter van de opera’s die hij onder handen nam. Hij maakte als het ware overal een Kammerstück van. In zijn Aida speelt zich de handeling vooral af aan een soort keukentafel op een verder leeg toneel.

Om plaats te maken voor de triomfmars wordt het koor op de zijbalkons geplaats, samen met de koperblazers. Op het toneel een processie van oorlogsslachtoffers en een ballet act van twee danseressen die tevoorschijn komen uit overmaatse rieten korven aan weerszijden van het leeggemaakte toneel.

Een voice over roept met geknepen stem, vooroorlogs radiogeluid, af wat er zoal te zien is op het toneel: de vrouwen en kinderen van de gesneuvelde soldaten, de gewonden, de overwonnen vijanden, de Memphis Twins. Het geheel doet sterk denken aan de sfeer in Pasolini’s film Porcile. Deze oude productie heeft cultstatus in Essen en werd in 2019 nog maar weer eens hernomen.

Op het label Opus Arte werd in 2008 de opname op dvd uitgebracht van een voorstelling uit 1994 in de Royal Opera. Het betrof een productie van Elijah Moshinsky waarvan het toneelbeeld vooral wordt bepaald door de eclectische decors en kostuums van Michael Yeargan. Het is een bont geheel dat een beetje het midden houdt tussen Ben Hur en een carnavalsoptocht.

Cheryl Studer vertolkt de titelrol en Alexandru Agache die van haar vader Amonasro. Opmerkelijk genoeg zijn beiden bruin geschminkt om maar vooral te benadrukken dat ze uit zwart Afrika komen, immers Ethiopië. Anno 1994 zou je zoiets toch niet meer verwachten.

Na Don Carlos met de Infante tussen Elisabetta en Eboli is ook hier sprake van een man die begeerd wordt door twee vrouwen. Vrijwel altijd is het omgekeerd, een sopraan tussen een tenor en een bariton. Voor de afloop maakt het niet uit, alles gaat sowieso mis.

Maar kijken we naar Aida dan zien we binnen deze opzet een tweede plot die aan het gebruikelijke format voldoet: Aida tussen Radames en haar vader. Daarmee zijn we op vertrouwd terrein, denk aan Violetta en de twee Germonts.

Aida laat zich bepraten door haar vader en verraadt haar geliefde, alle protesten van het tegendeel ten spijt. En eerder al heeft ze hem in de waan gelaten dat Amonasro weliswaar haar vader is maar dat de koning is gesneuveld. Daarmee heeft Radames met zijn smeekbede aan de farao de pest in huis gehaald. Die twee Ethiopiërs Aida en Amonasro staan er gekleurd op, figuurlijk dan.

Vaderlandsliefde is voor de liefde tussen twee mensen de dood in de pot, zo blijkt maar weer eens. Alleen Amneris is recht door zee, ze doet alles om Radames in te palmen en windt daar geen doekjes om. Je weet steeds precies wat je aan haar hebt. Hogepriester Ramfis is degene die achteraf het gelijk aan zijn zijde krijgt en dan ook niet aarzelt Radames ter dood te veroordelen. Die man heeft landverraad gepleegd en is niet te vertrouwen.

Dat de gevluchte Aida stilletjes is teruggekeerd om samen met Radames de dood in te gaan is niet meer dan een goedmakertje naar het publiek. We moeten haar immers niet te hard vallen, het was allemaal de schuld van haar vader, en van de oorlog natuurlijk.

Robert Lloyd is een uitstekende Ramfis, betrouwbaar als altijd. Agache geeft een mooie vertolking van Amonasro. Het duet met Aida dat de rampzalige afloop inluidt komt prachtig over het voetlicht.

Studer zingt ‘O patria mia’:

Studer is hier toch al niet meer de sopraan die ruim tien jaar lang de successen aaneen reeg. Niet overal die vanzelfsprekende zuiverheid in de hoogte, in het middenregister wat weinig volume. Na haar aria ‘Ritorna vincitor’ blijft het opvallend stil in de zaal. Later komt ze beter op dreef en in het genoemde duet geeft ze haar vader prachtig tegenspel.

De Radames van Dennis O’Neill is heel behoorlijk maar niet geweldig. Je zou hem de tenor van dienst kunnen noemen,

De Amneris van Luciana d’Intino bevalt mij, en het publiek, het meeste. Tijdens de nazit in de bus waarmee de Vrienden van de Opera in 1996 de Aida in Essen bezochten formuleerde Fred Lingen het aldus: ‘Aida dient op maar Amneris ruimt af’. Ze heeft feitelijk het laatste woord met haar monoloog in de vierde akte. De laatste scène met Radames en Aida in de tombe is niet meer dan een afterthought.

Edward Downes heeft de muzikale leiding.

Aida compleet, helaas in zwart-wit

Die Kaiserin in Salzburg

TEKST: PETER FRANKEN

Zoals bij veel werken van Strauss is Die Frau ohne Schatten een product van de samenwerking van de componist met Hugo von Hofmannsthal. Die wilde een sprookje schrijven, een soort moderne Zauberflöte. Dat heeft geleid tot een verhaal met de nodige ongerijmdheden.

Hugo von Hoffmansthal en Richard Strauss

Centraal staat de figuur van de Kaiserin, dochter van Keikobad, de heerser over het Geestenrijk. Zij verstond de kunst zich te veranderen in een dier en in de gedaante van een gazelle is ze de Kaiser, een hartstochtelijk jager, ten prooi gevallen. Daarbij is ze half mens geworden; ze is namelijk doorschijnend en heeft dus geen schaduw. Keikobad laat haar een jaar bij hem verwijlen. Als ze in die periode niet zwanger is geraakt, zal ze terugkeren in het Geestenrijk en zal de Kaiser tot steen worden.

Aangezien zwanger worden ondanks elke nacht geslachtsverkeer na een jaar nog niet is gelukt, gaat ze met haar voedster (Amme) naar de mensenwereld om een schaduw te kopen. Daar komt de vrouw van Barak in beeld, een jong meisje getrouwd met een veel oudere man in een huis met drie zich voortdurend misdragende broers. Zonder veel problemen kan ze worden overgehaald om te kiezen voor kinderloosheid in welvaart in ruil voor haar schaduw.

De Kaiserin krijgt echter medelijden met Barak en zijn vrouw en kan zichzelf er niet toe brengen het plan door te zetten. Daardoor verandert de Kaiser in steen, zoals voorspeld. Uiteindelijk loopt het met beide echtparen toch goed af, zo lijkt het.

De Kaiserin heeft een grote aria in de laatste akte waarin ze haar vader Keikobad toezingt en hem vertelt dat ze niet anders kan en niet anders wil, dan dat ze heeft gedaan: ‘Vater bist du es’. Het is het melodieuze hoogtepunt van deze opera die verder muzikaal niet de meest toegankelijke van Strauss’ werken is.

Het heeft er alle schijn van dat von Hofmannsthal licht gefascineerd was door het opmerkelijke karakter van Pauline, Strauss’ ruziezoekende echtgenote. Ze placht zich te gedragen als iemand die haar omgeving nooit goed genoeg vond en leek het vrijwel altijd slecht naar de zin te hebben. Strauss werd regelmatig overladen met onzinnige verwijten maar doordat hij tamelijk flegmatiek was wist hij er zo goed mee om te gaan dat het stel tot zijn dood in 1949 getrouwd is gebleven. In de lankmoedige Barak en zijn ruziezoekende vrouw zit een behoorlijke dosis huwelijksleven van Richard en Pauline.

Van de productie die Götz Friedrich maakte voor de Salzburger Festspiele van 1992 is een dvd uitgebracht. Friedrich en zijn decorbouwer Rolf Glittenberg hebben zich veel moeite getroost om een librettogetrouwe FroSch op het toneel te brengen daarbij de regieaanwijzingen van von Hofmannthal zo veel als mogelijk opvolgend. De kostumering van Marianne Glittenberg sluit daar perfect op aan. Het toneelbeeld oogt wonderschoon en door middel van snelle scènewisselingen achter gesloten doek wordt de strikte scheiding tussen de feeënwereld en de mensenwereld volledig in stand gehouden.

De ervaring van het bijwonen van een voorstelling is hoe dan ook vluchtig, je kan je er maar een deel van blijven herinneren. In dat opzicht is deze dvd een monument, een mogelijkheid die schitterende gebeurtenis in Salzburg opnieuw te beleven.

Cheryl Studer had in die tijd de bijnaam ‘Kaiserin’ en dat sloeg op haar vertolking van deze rol in Strauss grote opera en natuurlijk ook op haar helaas tijdelijke dominantie op het operatoneel. In deze productie maakt ze door haar optreden als Die Kaiserin die bijnaam en reputatie geheel waar. Naast schitterende zang weet Studer ook nadrukkelijk de inwendige strijd van haar personage zichtbaar te maken. Om te voorkomen dat haar geliefde in steen zal veranderen dwingt ze haar Amme om naar de mensenwereld af te dalen om daar een schaduw te kopen. Maar eenmaal in dat proces gaat ze steeds meer twijfelen, zozeer dat uiteindelijk ten overstaan van haar vader als een soort noodkreet klinkt ‘Ich will nicht’. Daarmee volgt ze haar ‘geweten’ of ‘moreel besef’, voor zover een half mens half fee wezen dat bezit. Feitelijk is ze al mens geworden en na die beproeving te hebben doorstaan laat haar vader Keikobad haar gaan en mag ze in vrede en vooral liefde leven met haar ontsteende Kaiser.

Die Frau ohne Schatten wordt wel eens vergeleken met Die Zauberflöte omdat er twee koppels in voorkomen die beiden ‘beproevingen’ moeten doorstaan. Daarmee wordt Schikaneder teveel eer gegund. Zijn libretto is je reinste vaudeville, opgeleukt met beelden die ontleend zijn aan de vrijmetselarij om het een diepzinnig tintje te geven. Maar die beproevingen zijn scouting uitjes vergeleken met wat von Hofmannsthal zijn protagonisten voorschotelt. Liefde, zelfopoffering, kinderloosheid, het zijn serieuze thema’s en dat kan van Die Zauberflöte niet gezegd worden.

Marjana Lipovsek is een zeer goede Amme, een beetje creepy en overtuigend in haar afkeer van het mensengeslacht. Ze heeft tot het uiterste geprobeerd haar opdracht te vervullen maar wordt aan het eind afgedankt en veroordeeld tot een leven onder de mensen.  En dat alleen omdat ze de mentale ommezwaai van haar meesteres niet kan volgen. Studer en Lipovsek hebben duidelijk contrasterende stemmen waardoor hun vertolkingen ook vocaal duidelijk te onderscheiden zijn.

De Färberin van Eva Marton blijft daarbij achter. Haar kijvende bijdragen in de eerste en tweede akte zijn toch teveel precies dat: kijven. Pas in de derde akte klinkt Marton minder geforceerd maar daar heeft ze natuurlijk eindelijk wat langere zanglijnen van Straus gekregen.

Robert Hale is als Barak de lankmoedigheid zelve. Hij had die jonge bruid al meegekregen met een gebruiksaanwijzing en lijkt te wachten tot ze een beetje uit haar puberale kuren is gegroeid. Komt wel goed allemaal. Dat ze in werkelijkheid diep ongelukkig is ontgaat hem en dat maakt haar woedend. Dat het tussen die twee uiteindelijk wel goed lijkt te komen is minder voor de hand liggend dan de verlossing van het ‘hogere’ paar. Der Kaiser wordt uitstekend gezongen door Thomas Moser, acterend wordt er niet heel veel van hem gevergd.

Een opvallende bijrol is die van Bryn Terfel als Der Geisterbote, niets mis mee natuurlijk.

De vele bijrollen zijn goed bezet en de Wiener Philharmoniker levert een fenomenale prestatie onder leiding van een zeer geïnspireerde Georg Solti. Alsof de dagen van Karl Böhm herleefden.

De complete opera staat nog op YouTube:

Hérodiade or Salome by Massenet

Herodiade Flaubert
Gustave Flaubert: Herodias. Illustratie Lucien Pissarro

Richard Strauss composed his world hit Salome to a play by Oscar Wilde; and the latter drew his inspiration from a short story by Flaubert, ‘Herodias’. Paul Milliet and Henri Grémont also based their libretto for Massenet’s opera Herodiade on this story. Neither Wilde nor Milliet and Grémont were very faithful to Flaubert. Whereas the French novelist more or less limited himself to the biblical narrative, enriched with his poetic language and descriptions, the playwright and librettists added entirely new aspects and twists to the story.

Hérodiade was first performed in the Royal Theatre of Brussels on 19 December 1881. Anyone expecting animal eroticism, blood and sweat, as with Richard Strauss, will be disappointed. Massenet’s Salome is a truly innocent and devout girl. When her mother left her to marry Hérode, she was given shelter by Jean (John the Baptist), with whom she fell in love. A love that proved to be mutual.

Herodiade - acte I Brussel

No opera is complete without complications: Hérode has a crush on Salome, Hérodiade becomes jealous of her and Jean is beheaded. Salome sees Hérodiade as the instigator of all evil and wants to kill her. Hérodiade whispers “I am your mother” and Salome commits suicide.

The music already exudes a hint of the perfume of Massenet’s later works, but with all those choruses, exotic Oriental scenes and elaborate ballet scenes, it is nothing less than a real Grand Opera in the best Meyerbeer tradition.

One of the earliest recorded fragments of the opera is, I think, the famous aria of Hérode ‘Vision Fusitive’ by the French baritone Maurice Renaud, made in 1908:



And from the recording Georges Thill made in 1927, we know what an ideal Jean should sound like:


REGINE CRESPIN 1963

Herodiade crespin

If you are in possession of this performance, you need look no further. It doesn’t get any better than this. There is only one problem: this recording does not exist. At least not of the complete opera.

In 1963, EMI recorded the highlights of Hérodiade with the best French singers of the time (and of today, for that matter) and the answer to the “why not complete ????” will probably never be given.

Georges Prêtre conducts the orchestra of the Theater National de Paris as if his life depends upon it and every role is more than excellently cast.

Regine Crespin sings ‘Il est doux, il est bon’:


Regine Crespin’s Salomé is unequalled and so is Rita Gorr’s Hérodiade. Albert Lance (Jean) shows how that role should really be sung in the tradition of Georges Thill, and for Michel Dens as Hérode we really cannot find the right words. Such singers no longer exist.


Hopefully, Warner will one day release the recording on CD.


MONTSERRAT CABALLÉ (Barcelona 1984)

Herodiade caballe

This recording also may only be obtained via a pirate (or You Tube), but then it is complete and moreover with (admittedly bad) images!

Dunja Vejzovic portrays a deliciously mean Hérodiade and Juan Pons is a somewhat youthful but otherwise fine Hérode. A few years later, he will become one of the best “Hérodes” and you can already hear and see that in this recording.

Montserrat Caballé is a fantastic Salomé, the voice alone makes you believe you are in heaven and José Carreras is very moving as a charismatic Jean.

Below, Carreras sings ‘Ne pouvant réprimer les élans’:


None of the protagonists is really idiomatic, but what a pleasure it is to watch a real Diva (and Divo)! They really don’t make them like that any more

The whole opera on you tube:



RENÉE FLEMING 1994 (Sony 66847)

Herodiade Domingo fleming



In the mid-1990s, Herodiade enjoyed a short-lived revival. The opera was then performed in several opera houses and it was even recorded – officially – three times: once in the studio and twice live.

I must admit that I was a bit concerned about Gergiev as the director, but he really did an excellent job. Under his baton the opera sounds like a real Grand Opéra, grand, fiery and compelling.

Plácido Domingo (Jean) is perhaps a touch too heroic, but his voice sounds youthful and contageous, worthy of a true prophet.

Personally, I find Dolora Zajick (Hérodiade) a bit on the (too) heavy side, but her singing is undeniably excellent and there is nothing wrong with her interpretation.

Juan Pons is an excellent Hérode, but I would have liked Phanuel (Kenneth Cox) to be a bit more idiomatic. Something that also applies to the Salomé of Renée Fleming: she sings beautifully but in this role she can not totally convince me.



NANCY GUSTAFSON 1995 (RCA 74321 79597 2)

Herodiada wenen


The performance in Vienna was highly praised, and that this praise was justified is proved by the recording made live in the house by ORF.

First of all, there is Agnes Baltsa’s brilliant title role: fierce and dramatic. If you ask me: apart from Rita Gorr probably the best Hérodiade ever.

Placido Domingo sings ‘Ne pouvant réprimer les élans’:



Domingo, in the role of Jean, is even more impressive here than on Sony and also Juan Pons (Hérode) actually convinces me yet more on this recording. His rendition of ‘Vision Fugitive’ is very, very moving. Unfortunately, Nancy Gustafson (Salomé) must acknowledge the superiority of Fleming (Sony), but both pale in comparison to Cheryl Studer (Warner). Not to mention Regine Crespin!

Judging by the photos in the text booklet and the sparse clips on YouTube, we should be glad that the recording appeared on CD and not on DVD.

Finale of the opera:


In any case, the sound is excellent and the Vienna Opera orchestra under the direction of Marcello Viotti plays with great passion.


CHERYL STUDER 1995 (Warner 55983525)

untitled

Orchestrally, this recording is really top-notch. Michel Plasson conducts the orchestra from Toulouse very energetically, with a lot of verve and drive, and he also knows how to allow space for all the subtleties. Exciting and beautiful. That is how I like to hear opera.

José van Dam is an impressive Phanuel and Nadine Denize an excellent Hérodiade., although her intonation is not always pure.

Hérode is not really a role for Thomas Hampson, but he sings it very beautifully. Something that unfortunately cannot be said of Ben Heppner’s Jean. A heroic tenor in that role is nothing but a terrible mistake.

Cheryl Studer, on the other hand, is a Salomé of everyone’s dreams: girlish, innocent and naive. Her voice shines and sways and her final words “Ah! Darned Queen, if it is true that your cursed loins have given birth to me, look! Take back your blood and my life!” leave you shuddering and desperately weeping. Brava.

Cheryl Studer zingt Elsa in Wenen en Bayreuth

Tekst: Peter Franken

In 1990 verkeerde Cheryl Studer in haar wonderyears waarin ze de successen aaneen reeg. Zo trad ze dat jaar zowel in de Staatsoper Wien als tijdens de Bayreuther Festspiele op als Elsa in Wagners Lohengrin, een rol die haar op het lijf geschreven was.

Arthaus bracht een opname op dvd uit van een voorstelling in de Staatsoper die bijna als muzikale benchmark zou kunnen dienen. De titelrol is in handen van een indrukwekkende Plácido Domingo en naast Studer treedt er een topcast aan met Robert Lloyd als Koning Heinrich, Hartmut Welker als Telramund en Dunja Vejzovic als Ortrud. Als Heerrufer is George Tichy te horen.

De productie van Wolfgang Weber is rechttoe rechtaan, alles keurig volgens het boekje. Decors en kostuums ogen fantasie middeleeuws en als de belichting het weer eens toelaat ziet het er prachtig uit. Dat is wel een minpunt, het toneel wordt voortdurend erg donker gehouden. Voordeel is wel dat de kijker zich geheel op de tekst en de zang kan richten wat met de Duitse ondertitels natuurlijk goed lukt.

Zodoende dacht ik weer eens na over wat er eigenlijk met Elsa gaande is. Ze wordt van ontvoering en moord op haar broertje beschuldigd, een incident dat zich al een tijdje terug moet hebben voorgedaan gelet op het feit dat Telramund inmiddels met Ortrud is getrouwd. Dit zijn de middeleeuwen, het is een wonder dat Elsa überhaupt nog in leven is. Ook ten overstaan van Heinrich heeft ze feitelijk geen schijn van kans, totdat die kerel met die zwaan ineens komt opdagen.

Claudio Abbadao leidt koor en orkest van de Staatsoper in een topuitvoering. En de solisten betalen hem met gelijke munt. Hartmut Welker is een van de beste Telramunds die ik tot op heden heb beleefd. Meestal valt die rol me nogal tegen maar Welker overtuigt in spel en zang. Dunja Vejzovic is een creepy Ortrud die een groot deel van de tweede akte naar zich toe weet te trekken. Lloyd is bijna een luxe bezetting in de rol van de weinig standvastige koning. Heinrich is een opportunist en dat valt gemakkelijk op al zingt hij nog zo heldhaftig.

Domingo is een mooie Lohengrin maar ik speelde deze dvd voor het eerst in lange tijd weer eens af omwille van Cheryl Studer. Ze is een ideale Elsa, oogt kwetsbaar en wereldvreemd genoeg om haar personage herkenbaar gestalte te geven en zingt de sterren van de hemel. Ik was indertijd helemaal weg van die stem en weet nu weer precies waardoor dat kwam.

De eerste keer dat ik Cheryls stem hoorde was bij het afspelen van een cd met highlights van Tannhäuser onder Sinopoli, opgenomen in 1989. De eerste track was ‘Dich teure Halle’ en haar stem kwam als een klaroenstoot de kamer en blies me bijna van mijn sokken. Overweldigend, die eerste kennismaking. Ik heb die cd talloze malen afgespeeld, kon er niet genoeg van krijgen en nam me voor alles aan te schaffen waarop ze te horen was. Ik ben een heel eind gekomen.

Als Elsa in de productie van Werner Herzog voor de Bayreuther Festspiele van 1990 doet ze dit nog eens dunnetjes over. Ik vind haar hier nog mooier dan in die Weense productie. Sowieso is deze Lohengrin een stuk interessanter dan die van Weber.

Herzog neemt het romantische middeleeuwse gebeuren voor kennisgeving aan en brengt het zo goed en mooi mogelijk op het toneel. Hij gebruikt een toneelbeeld dat overigens op twee gedachten hinkt. Enerzijds toont hij de schamele overblijfselen van een kerk met gotische spitsbogen, het enige ‘gebouw’ op het toneel maar wel een directe verwijzing naar het christendom als ‘overwinnaar’. Anderzijds probeert hij recht te doen aan Ortruds weigering dit te accepteren, ze roept letterlijk Wotan en Freia aan. Om dat aannemelijk te maken wordt de bevolking getoond in een zo basaal mogelijke levensomstandigheid alsof we een paar eeuwen eerder zitten.

De gehele handeling speelt zich buiten af en bij het begin van de kerkscène in de tweede akte zien we personen gewoon buiten op de grond slapen. Het ‘dorpsplein’ wordt gemarkeerd door een stel megaliethen. Het liefst zou Herzog nog een paar druïden aan het geheel willen toevoegen, zo lijkt het. De strijd tussen de oude goden en het christendom is nog niet beslist, ‘is hanging in the balance’. Dat weerhoudt Henning von Gierke er niet van iedereen op en top gekleed er bij te laten lopen, een kleurrijk ‘mideleeuws’ geheel.

Verder ziet alles er een beetje somber uit, niet zozeer donker maar er is weinig tot geen zon te zien door de permanente nevel. Alleen als Elsa is getrouwd komt de zon even door, maar evengoed staat het bruidsbed gewoon weer buiten in de nacht. En als ze die Frage heeft gesteld begint het te sneeuwen.

Muzikaal staat deze uitvoering op een zeer hoog niveau. Behalve Studer laten ook de andere protagonisten zich van hun beste kant zien en horen.

Manfred Schenk is een welluidende Heinrich en Eike Wim Schulte een goede Heerrufer. Ekkehard Wlaschiha weet me aangenaam te verrassen met een zeer goede vertolking van Telramund. Soms vind ik hem wat ruw maar hier zingt hij een rol die hem past als een handschoen.

Gabriele Schnaut is een zeer felle Ortrud die in ‘haar‘ akte veel aandacht weet weg te halen bij Elsa, ook bij Telramund overigens. Paul Frey doet me een beetje denken aan Klaus Florian Vogt, in de verte dan. Mooi optreden van deze Canadese tenor. Koor en orkest spelen zonder meer weergaloos, met dank aan maestro Peter Schneider. Zeer de moeite waar om nog eens terug te luisteren.

I Vespri Siciliani oftewel de volksopstand die de weg naar onafhankelijkheid heeft geopend

Tekst: Peter Franken

Deze opera speelt zich af op Sicilië en voor een beter begrip van de inhoud is enige kennis van de regionale geschiedenis vereist. Sicilië maakte deel uit van het Romeinse Rijk en na de Romeinen kwamen de Vandalen gevolgd door de Ostrogoten, Byzantijnen en Arabieren. In de 11e eeuw werd het eiland veroverd door de Noormannen, feitelijk Vikingen, die een krachtig bewind wisten uit te oefenen. Spanjaarden uit Aragon, Fransen, Duitsers en later Spanjaarden van het huis Bourbon completeren de stoet. Het Franse bestuur was van korte duur. Het repressieve karakter van het régime leidde al na ongeveer twintig jaar tot een opstand waarbij alle Fransen werden verdreven of gedood. Op 31 maart 1282 sloeg de vlam in de pan nadat een Franse officier een Siciliaanse vrouw op weg naar het avondgebed zou hebben beledigd. De man werd in de kerk doodgestoken.

Pin su Librettos, programmas, partiture

Deze gebeurtenis is in Verdi’s Les vêpres Siciliennes verwerkt, beter bekend als I vespri Siciliani. Het was een opdrachtwerk van de Parijse Opéra waar het in 1855 in première ging. In zijn oorspronkelijke vorm is het een grand opéra in vijf aktes met een groot ballet.

Het Franse libretto is van Charles Duveyrier en Eugène Scribe naar hun werk Le duc d’Albe, de opera waaraan Donizetti in 1840 had gewerkt maar die om uiteenlopende redenen onvoltooid was gebleven.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Les Vêpres Siciliennes waarin Henri wordt vermorzeld tussen de intuïtieve liefde voor zijn vader Montfort en zijn afkeer voor de verpersoonlijking van de onderdrukking van het Siciliaanse volk, de Franse gouverneur Montfort. De overeenkomsten met Donizetti’s Le Duc d’Albe zijn heel duidelijk. Alleen de namen zijn veranderd.

In 1989 stond I vespri Siciliani op het programma van La Scala. In de hoofdrollen Giorgio Zancanaro als Monforte, Cheryl Studer als Elena en Ferruccio Furlanetto als Procida. Chris Merrit vertolkte de rol van Arrigo, de Italiaanse versie van Henri. Zoals gezegd wordt deze opera vrij zelden gespeeld, een lot dat het werk deelt met een reeks vroege Verdi’s. Maar voor een opera die vlak na Verdi’s succesnummer La traviata kwam is dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Toen ik na vele jaren de dvd van de opname uit 1989 nog eens afspeelde, werd me echter toch wel veel duidelijk. Alles wat La traviata na een moeilijke start tot een megasucces heeft gemaakt, ontbreekt in Vespri. La traviata is een aansprekende liefdesgeschiedenis met een schitterende rol voor de prima donna en een ontroerend duet van Violetta met Germont sr. De rol van Alfredo is routine Verdi, het gaat om de sopraan en de bariton. Verder is de opera heel compact, er staat geen noot teveel in.

In Vespri komt de liefdesgeschiedenis van Arrigo en Helena nauwelijks uit de verf. De scènes van Montfort worden nodeloos gerekt, zeker in de briefscène lijkt er geen einde aan te komen. Het ballet in de derde akte kan natuurlijk gemakkelijk worden geschrapt maar zelfs dan blijft er een onnodig lang werk over waarin de componist de protagonisten zich moeizaam laat voortslepen. Mijn conclusie is dan ook dat dit werk terecht wordt genegeerd, het is eerder een curiosum dan een aansprekende latere Verdi.

De enscenering in La Scala is basaal. Een plein met een blauwe achtergrond, de zee. Een kamer in het paleis van de gouverneur, een balzaal en een gevangenis waarin zich een beul meldt met een heuse grote hakbijl. De gebeurtenissen spelen zich af in de 13e eeuw maar de kostumering duidt op de periode waarin de opera is ontstaan. De Fransen zien er schitterend uit in hun uniformen waarin hemelsblauw is gecombineerd met roomwit. Elena loopt in een zwarte jurk, ze is in de rouw vanwege haar broer. Het volk is aanwezig in een ‘Cavalleria’ kostumering.

Men heeft in deze productie het ballet zeer serieus genomen. Het wordt in zijn volle lengte uitgevoerd en is aardig om te zien. Ook al wordt er uitstekend gedanst, het blijft natuurlijk een showstopper.

Zancanero laat een goede Montfort horen al heeft hij toch wel wat moeite de spanning vast te houden als Verdi hem langer laat zingen dan op dat moment wenselijk is. Chris Merritt biedt een uitstekende vertolking van de geplaagde Arrigo die echter te veel moet lamenteren over zijn genadeloze lot. Hoe goed hij ook zingt, zijn personage gaat irriteren.

Helena is in mijn beleving een van de minst aansprekende rollen die Verdi een prima donna heeft toebedacht.  Ze is feitelijk onnodig voor het verhaal. De roof van aanstaande bruiden door Franse soldaten is voldoende om de vlam in de pan te laten slaan.

Het loyaliteitsprobleem van Arrigo speelt tussen hem en Procida. Helena is er tussen gewurmd omdat Verdi anders zonder sopraan kwam te zitten. Dat gezegd hebbende moet ik vaststellen dat Cheryl Studer zich uitstekend weet te weren. De opname dateert uit haar ‘wonder years’ toen ze gezien werd als the voice of the century. Met name het bekende ‘Mercè, dilette amiche’ in de vijfde akte gaat haar heel goed af.

Ferrucio Furlanetto overtuigt als verpersoonlijking van het geschonden Siciliaanse zelfbeeld, een echte revolutionair. Sowieso is het altijd een genoegen deze man te horen zingen.

Riccardo Muti heeft de muzikale leiding. Het zal vooral aan hem te danken zijn dat deze productie er überhaupt is gekomen.


Discografie:

I vespri siciliani/Les vêpres siciliennes. Een beetje een discografie maar niet heus

Giuseppe Sinopoli in memoriam

Op 20 april 2001 is Giuseppe Sinopoli tijdens het dirigeren van Aida in Berlijn overleden. Hij was net met de derde akte begonnen….. Sinopoli was 54 jaar oud.

Attila

Attila

Er zijn van die voorstellingen waar alles perfect op elkaar afgestemd is en waarbij je het gevoel krijgt dat het niet beter kan. Er wordt nog lang over nagepraat en ze verworden tot een legende.

Zo’n voorstelling was Verdi’s Attila in de Weense Staatsoper op 21 december 1980. Het was Giuseppe Sinopoli’s debuut in het huis, zijn naam was nog vrijwel onbekend, maar de aanvankelijke terughoudendheid bij het publiek veranderde in een uitzinnig enthousiasme al bij de eerste maten. Zo warmbloedig, vurig en teder tegelijk heeft men de – toch niet sterkste – score van Verdi niet eerder gehoord.

Nicolai Ghiaurov was een grootse Attila. Met zijn sonore bas gaf hij zijn personage niet alleen de allure van een veldheer maar ook de zachtheid van een liefhebbend man.

In haar rol als Odabella bewees Mara Zampieri dat ze niet alleen een fantastische zangeres is met een stralende hoogte en een dramatisch attaque, maar ook een actrice van formaat.

De stretta ‘E gettata la mia sorte’ in de tweede acte verlangt van de bariton de hoge bes. Piero Cappuccilli haalde die met gemak en souplesse, en werd door het uitzinnige publiek gedwongen tot bisseren, iets wat je maar zelden meemaakt in de opera. Een zeldzame ervaring.


Fliegende Holländer

Fliegende Hollander Sinopoli

Deze cd-opname uit 1998 (DG 4377782) is mij bijzonder dierbaar. Allereerst vanwege Cheryl Studer, toen wellicht de mooiste Senta die men zich kon voorstellen. Haar heerlijk lyrische sopraan met makkelijke en sensuele hoogte leek geschapen voor die rol.

De Holländer wordt hier gezongen door Bernd Weikl. Niet echt de jongste meer en dat hoor je, maar voor die rol zeer passend. Peter Seiffert is een pracht van Der Steuerman, en in de rol van Erik hoor je niemand minder dan Plácido Domingo, een luxe!

Maar het allermooist is het orkest: onder de werkelijk bezielde leiding van Giuseppe Sinopoli speelt het Orchester der Deutsche Oper Berlin sterren van de hemel.


Salome

Salome Studer

Ik realiseer mij wel dat velen van u het niet met mij eens zullen zijn, maar voor mij is Cheryl Studer één van de allerbeste Salome’s van de laatste vijftig jaar. Althans op cd, want zij heeft de rol nooit compleet op de bühne gezongen (DG 4318102). Als weinig anderen weet zij het complexe karakter van Salome’s psyche weer te geven. Luister alleen maar naar haar vraag ‘Von wer spricht er?’ waarna zij zich realiseert dat de profeet het over haar moeder heeft en op een verbaasde, kinderlijk naïeve manier zingt: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Meesterlijk.

Bryn Terfel is een zeer viriele, jonge Jochanaan (het was, denk ik, de eerste keer dat hij de rol zong), maar het allermooiste is de zeer sensuele, breedklankige directie van Giuseppe Sinopoli.

Plácido Domingo en belcanto

Domingo 21

Domingo en belcanto? Dat was toch meer iets voor zijn collega’s Pavarotti, Carreras en Kraus? En toch: zeker in het begin van zijn carrière was Domingo ook een belcantozanger, al waren zijn hoge noten niet altijd even hoog.

Voor hem was de interpretatie van zowel de muziek als de tekst van wezenlijk belang. Vandaar ook dat hij zelfs in dit repertoire de rollen zocht waarin het door hem vertolkte personage meer in zijn mars had dan alleen maar ‘schoon’ zingen

Lucia di Lammermoor

Domingo Lucia POns

Zijn internationale debuut maakte Domingo op 21-jarige leeftijd, als Edgardo in Lucia di Lammermoor in Dallas. Een bijzondere gebeurtenis, want zijn Lucia werd toen gezongen door de 61-jarige Lily Pons, die met de rol afscheid van de operabühne nam.

 

Domingo Lucia Suth

In 1970 zong hij Edgardo bij de Metropolitan Opera, met niemand minder dan Joan Sutherland als Lucia. Gala (GL 100.571) heeft de hoogtepunten hiervan uitgebracht, gekoppeld aan fragmenten uit La Traviata uit december datzelfde jaar (eveneens met La Stupenda). Het geluid is zeer pover, maar het is zonder meer een bijzonder document.

 

Domingo Lucia Stider

Pas in 1993 nam Domingo de rol in de studio op. Het resultaat is niet helemaal bevredigend. Het ligt niet aan hem. Zijn Edgardo klinkt minder lyrisch dan twintig jaar eerder, maar wat een passie!

Cheryl Studer, die toen werkelijk alles moest opnemen wat voor sopraan was gecomponeerd, was geen echte Lucia. Zij was een geweldige Strauss- en Mozart-zangeres en ook haar Wagners en Verdi’s mochten er zijn, maar Lucia was voor haar (en dat bedoel ik letterlijk) te hoog gegrepen.

Begrijp mij goed: de hoge noten had ze wel en ze stonden als een huis, maar dat is exact wat je niet moet hebben met Lucia. De noten moeten niet staan, ze moeten brilleren, sprankelen, desnoods sprinten, en dat kon ze niet.

De echte ‘boosdoener’ is echter de dirigent. Hij jaagt de boel op en staat nooit stil. Toch is de opname zeer de moeite waard, zeker als je iets anders van Domingo wilt horen en geluidskwaliteit op prijs stelt.


Roberto Devereux

Domingo Roberto

Een recensent van de New York Times schreef dat het zonder twijfel het meest opwindende evenement was van het muzikale jaar 1970 en dat geloof ik onmiddellijk. De voorstelling van 24 oktober 1970 werd live opgenomen en daar mogen we ons meer dan gelukkig mee prijzen.

Julius Rudel (ach, waar zijn de tijden van zulke maestro’s gebleven?) dirigeert ferm en met heel erg veel liefde voor het werk. Om te huilen zo mooi.

Domingo’s stem klinkt als een klok en zijn optreden zorgt voor extatische ovaties. En over Beverly Sills (Elisabetta) kan ik kort zijn: overweldigend! Niemand, maar dan ook niemand heeft de rol ooit beter gezongen dan zij. Zij is Elisabetta. Dat moet je ooit gehoord of gezien hebben (er bestaat ook dvd met haar in die rol, jammer genoeg zonder Domingo). Het applaus na haar ‘L’Amor suo mi fé benata’ lijkt eindeloos te duren.

Anna Bolena

Domingo Bolena

Anna Bolena wordt als de eerste belangrijke romantische Italiaanse opera beschouwd en voor Donizetti betekende het zijn grote doorbraak. Ook voor Domingo was Anna Bolena een mijlpaal: met de rol van Percy maakte hij zijn debuut in New York.

Hij was toen (kunt u het geloven?) 25 jaar oud, maar zijn stem was helemaal ‘volgroeid’: vol, stevig, zacht, hard, smekend, vastberaden, met alle nuances ertussenin. Over fenomeen gesproken!

De hoofdrol werd gezongen door Elena Souliotis, toen 23. Een inmiddels bijna vergeten zangeres (haar carrière heeft ook niet zo lang geduurd), maar haar intensiteit kan je alleen met die van Maria Callas vergelijken. Een aardigheidje: La Divina zat toen in de zaal.

Giovanna werd gezongen door Marylin Horne en hun duetten zullen de liefhebber echt kippenvel bezorgen. In de rol van Smeton maakte ook Janet Baker haar Amerikaanse debuut.

De opera is live opgenomen in Carnegie Hall in 1966. Mijn exemplaar is van Legato (LCD-149-3), maar de opname is tegenwoordig ook op andere labels verkrijgbaar.

Norma

Doingo Norma

Pollione is één van de glansrollen van de jonge Domingo. Geen wonder. Een krijgsheer en een minnaar: dat is hij ten voeten uit. In Norma kon hij lekker uitpakken.

Hij nam de rol in 1973 (ooit RCA GD 86502) op en dat vind ik een beetje te vroeg. O ja, zijn stem is kristalhelder en zo mooi dat het bijna pijn doet, maar het ontbreekt hem een beetje aan overwicht.

Niettemin: aanbevolen, niet in de laatste plaats vanwege Montserrat Caballé, die de hoofdrol zingt.



Het een en ander over Verdi en Plácido Domingo

Het een en ander over Otello van Verdi en Domingo. Maar niet alleen…

Plácido Domingo en Wagner

2 x ‘Gemaskerde moord’ op Plácido Domingo alias koning Gustaaf III

Het een en ander over Die Frau ohne Schatten

frosch Amme_van_Alfred_Rollerkopie

Er wordt gezegd dat De vrouw zonder schaduw een soort remake van De Toverfluit is. Daar zit wat in, want ook in dit, zeer moralistisch sprookje worden de hoofdpersonen aan de verschrikkelijkste beproevingen onderworpen, die, mits goed doorstaan, een (beter) mens van je maken. Je kan er ook een ‘Pelleas-achtige’ symboliek in ontdekken, en ook Das Rheingold en Siegfried zijn nergens ver weg. Maar, simpel gezegd, is deze opera voornamelijk een soort apotheose van een met veel kinderen verrijkt huwelijksleven

‘FROSCH’, zoals de opera in de wandelgangen wordt genoemd, geldt als de moeilijkst te bezetten opera van Strauss – één van de redenen waarom hij bijna altijd wordt gecoupeerd. Jammer vind ik dat, des te meer daar er o.a. in het ‘melodrama’ (de uitbarsting van de Keizerin als ze zich realiseert dat de Keizer al bijna helemaal is versteend) wordt geknipt, en dat vind ik nou (samen met het begin van de derde acte) één van de spannendste en de meest dramatische momenten in de opera.

DVD’S
GEORG SOLTI, 1992

frosch martondvd3a

In 1992 dirigeerde Solti in Salzburg een helemaal complete uitvoering van het werk. De regie van Götz Friedrich werd toen bijzonder sterk gevonden, maar ik vind het niet helemaal bevredigend. De mise-en-scène is zonder meer voortreffelijk, maar in de personenregie schiet hij te kort, waardoor de zangers een beetje onbeholpen van hot naar her hollen.

Het mooi vormgegeven bühnebeeld is fraai met zeer minimalistische maar realistische decors, maar de kostuums zijn soms een beetje bizar. Er wordt veel gebruik gemaakt van stroboscoopverlichting, wat in combinatie met heftige muziekpassages nogal gewelddadig kan overkomen.

Cheryl Studer is een droom van een Keizerin. Haar stem, met een zeer herkenbaar timbre en prachtige hoogte, is zwevend, transparant bijna, onschuldig en erotisch tegelijk. Thomas Moser is een aantrekkelijke Keizer, wellicht een tikkeltje te licht voor zijn rol, wat hem af en toe ademnood en geperste noten bezorgt, maar hij zingt prima.

Robert Hale (Barak) was toen al uitgezongen, nog geen 50 jaar oud. Jammer, want zijn portrettering is zeer charismatisch. Eva Marton doet pijn aan je oren, maar is zo betrokken, dat je het haar vergeeft. Haar wanhoopsaria aan het begin van de derde akte is ontroerend en bezorgt je kippenvel.

De erepalm gaat echter naar Marjana Lipovšek, die een werkelijk fenomenale Amme neerzet. Wat die vrouw aan kleurnuancen tot haar beschikking heeft en hoe ze met haar (zeer warme) mezzo omgaat, grenst aan het onmogelijke. Daarbij is ze ook een begenadigd actrice, ik kon mijn ogen niet van haar afhouden. (Decca 0714259)

 

WOLFGANG SAWALLISCH, 1992

frosch die-frau-ohne-schatten-073408388

Een half jaar later werd FROSCH gepresenteerd in Japan. Het was de allereerste keer dat die opera daar werd uitgevoerd, en de verwachtingen waren dan ook hoog gespannen. De productie lag in handen van een algeheel Japans team aangevoerd door Ennosuke Ichikawa, een beroemd regisseur en toneelspeler van het Kabuki-theater.

Wat hij en zijn collega’s hebben bereikt is gewoon betoverend. FROSCH laat zich wonderbaarlijk vertalen naar de regels van Kabuki, sterker – daar wint hij aan geloofwaardigheid en spanning door. Lipovšek is hier nog gemener, nog kwaadaardiger dan bij Solti. Haar bewegingen zijn nu kleiner en meer ingetogen waardoor ze, merkwaardig genoeg, aan zeggingskracht winnen, en ze nog meer met haar stem kan doen.

Peter Seiffert is een excellente Keizer, zijn stem is rijk, elegant, warm, gevoelig en buigzaam, en al zijn hoge noten klinken als een klok. Jammer genoeg is de Keizerin niet van hetzelfde niveau. Luana DeVol intoneert ruim, haar sopraan klinkt schril en is totaal verstookt van lyriek (waarom hebben ze Studer niet meegenomen?), maar ze is een zeer overtuigende actrice.

Alan Titus en Janis Martin zijn misschien een tikkeltje minder intensief dan Hale en Marton bij Solti, maar hun stemmen klinken veel aangenamer. Acteren kunnen ze ook, en hoe! Bovendien oogt Martin zeer aantrekkelijk, hetgeen niet onbelangrijk is voor die rol. Het orkest olv van Sawallisch vind ik nog mooier dan bij Solti, sprookjesachtiger, doorzichtiger ook, en zwoeler …  Een waarlijk fenomenale productie. (Arthaus Musik 107245)

CD’S

KARL BÖHM 1955

frosch4011790668321

De allereerste registratie van de opera dateert uit 1955. Hij werd in Wenen live opgenomen, en is door het team van Orfeo verbazingwekkend goed opgepoetst.

Leonie Rysanek is de allerbeste Keizerin die ik ooit heb gehoord. Ze durft risico’s te nemen, en voert haar prachtige, lyrische sopraan tegen de grenzen van het onmogelijke. Met die rol heeft ze toen een norm gezet, waar niet makkelijk tegen op te boksen valt.

Hans Hopf (Keizer) heeft een soort “heroïsche” manier van zingen waar ik niet echt van houd, maar ik kan me voorstellen dat hij door veel liefhebbers als een ideaalbezetting wordt beschouwd. Kwestie van smaak, zou ik zeggen.

Elisabeth Höngen is een vileine Amme, en Christel Glotz een indrukwekkende, al niet altijd zuiver intonerende Färberin. Böhm dirigeert zeer liefdevol (Orfeo D’Or 668053)

HERBERT VON KARAJAN, 1964

frosch r-strauss-die-frau-ohne-schatten-0028945767828

In 1964, ter gelegenheid van 100ste geboortedag van Strauss, dirigeerde Karajan een zeer bevlogen FROSCH in de Wiener Staatsoper. De bezetting van de Färberin door Christa Ludwig is niet echt idiomatisch, maar ze haalt ze wel, haar hoge noten, en haar lezing van de rol is op zijn minst zeer indrukwekkend.

Qua stemschoonheid is Walter Berry (toen ook in het echt haar man) wellicht de mooiste Barak, helaas valt Jess Thomas (Keizer) me een beetje tegen. Leonie Rysanek herhaalt haar magnifieke lezing van de Keizerin, nog intenser, nog meer met de rol vergroeid.

De luxueuze bezetting van de kleine rollen door Fritz Wunderlich (de Jüngeling) en Lucia Popp (o.a. Falke), maakt de opname nog aantrekkelijker. Karajan dirigeert zoals we van hem gewend zijn – narcistisch maar o zo imponerend en met veel gevoel voor nuances. (DG 4576782)

 

GEORG SOLTI 1987-1990

frosch 28943624329

U kunt niet om Solti’s studioregistratie (hij heeft er drie jaar over gedaan, tussen 1987-1990) heen, alleen al omdat hij elke noot die door Strauss is geschreven, heeft opgenomen.

De bezetting van de Keizer door Plácido Domingo werd toen door de vele ‘puristen’ als een aanslag op het werk beschouwd. Onterecht. Zijn stem is in alle opzichten ideaal voor die rol en met zijn muzikaliteit, de kleuren in zijn stem en zijn meer dan gewone stemacteertalent zet hij een zeer humane en kwetsbare Keizer neer.

Julia Varady is, wat mij betreft, samen met Studer de beste Keizerin na Rysanek, wat een stem, en wat een voordracht! Hildegard Behrens is een verscheurde Färberin, haar volledige identificatie met de rol is grenzeloos. (Decca 4362432)


Over Tannhäuser in de niet voor de hand liggende opnamen

PLÁCIDO DOMINGO

domingo tannhauser

Ik ben nooit een ‘Wagneriaan’ geweest. Nooit kon ik het geduld opbrengen om zijn urenlange opera’s uit te zitten. Bombastisch vond ik ze. Aanstellerig. En al moest ik toegeven dat er best mooie melodieën in zaten, toch vond ik dat er op zijn minst een schaar aan te pas moest komen, wilde ik ze enigszins kunnen verdragen.

Dat daar toch nog een verandering in is gekomen, heb ik aan Domingo te danken. In mijn verzamelwoede (ik moest en ik zou alles van hem hebben) schafte ik in 1989 de net uitgebrachte Tannhäuser (DG 4276252) aan. En toen gebeurde het: ik raakte verslaafd.

In het begin was het voornamelijk de ‘schuld’ van Domingo, wiens diepmenselijke invulling van de titelrol me kippenvel bezorgde. Bij zijn woorden ‘Wie sagst du, Wofram? Bist du denn nicht mein Feind?’ (gezongen met de nadruk op ‘mein’ en ‘Feind’ en met een kinderlijk vraagteken aan het eind van de frase) barstte ik in snikken uit.

Later leerde ik ook de muziek zelf te waarderen en tot op de dag van vandaag is Tannhäuser niet alleen mijn geliefde Wagner-opera, maar ook één van mijn absolute favorieten.

Deze door Sinopoli zeer sensueel gedirigeerde opname beschouw ik nog steeds als één van de beste ooit. Ook omdat alle rollen (Cheryl Studer als Elisabeth en Agnes Baltsa als Venus, wat een weelde!) voortreffelijk zijn bezet. Dat was toen, in die jaren, beslist niet vanzelfsprekend.


RICHARD CASSILY 1982

Tannhauser met

Dat die jaren zeer arm aan (voornamelijk) goede tenoren zijn geweest, hoor je duidelijk op deze twee DVD – opnamen. De waanzinnig mooie productie van Otto Schenk die in 1982 in de Metropolitan Opera in New York werd opgenomen (DG 0734171) stamt uit 1977. Als u van zeer realistische, overdadige decors en dito kostuums houdt dan kunt u hier een hoop plezier aan beleven. Voor de beginscène werd zowat de hele Venusgrot uit Schloss Neuschwanstein nagebouwd en het ballet schotelt ons een werkelijk orgastisch Bacchanaal voor.

Het orkest onder leiding van James Levine speelt voornamelijk lyrisch en licht, daar valt helemaal niets op aan te merken. Eva Marton is een goede Elisabeth, Tatiana Troyanos een prachtig sensuele en verleidelijke Venus.

Bernd Weikl, één van mijn favoriete baritons zingt een onweerstaanbare Wolfram al verprutst hij zijn grote aria doordat hij zijn (in beginsel) lyrische stem te veel volume wil geven, waardoor zijn stem onvast wordt.

En al is de Landgraaf (John Macurdy) werkelijk niet om aan te horen, toch zou ik met die opname geen moeite hebben gehad, mits … ja … mits de tenor niet zo waardeloos was geweest. Het tekstboekje rept over de allerhoogste standaard, nou, dat weet ik zozeer niet. Richard Cassilly is een zeer onaantrekkelijke Tannhäuser met een geknepen stem en totaal gebrek aan lyriek, die de indruk wekt in een verkeerde opera te zijn beland.

Aankomst van de gasten in Wartburg:

RICHARD VERSALLE 1989

Tannhauser Versalle

Nog slechter is het gesteld met de opname uit 1989 (Euroarts 2072008) uit Beyrouth. De regie van Wolfgand Wagner is voornamelijk symbolisch, zodoende speelt alles zich af in een cirkel (levenscirkel? Jaargetijden? Panta rei?) en al tijdens de ouverture lopen de pelgrims rondjes op de bühne.

De kostuums zijn niet echt vleiend voor de zangers, wat voornamelijk voor de arme Cheryl Studer (Elisabeth) genadeloos uitpakt. Haar adembenemend gezongen avondgebed is van een ontroerende schoonheid. Zowel Hans Sotin (de Landgraaf) als Wolfgang Brendel (Wolfram) zijn zonder meer uitstekend, maar ja, alweer geen goede hoofdrol.

Richard Versalle als Tannhäuser:

Richard Versalle heeft weinig van een jonge, door (lichamelijke) liefde geobsedeerde man. Ook van zijn tweestrijd tussen het aardse en de hemelse valt weinig te bespeuren. Zijn stem is niet mooi en gespeend van ieder charme.

Een macaber wetje: het feit, dat zijn naam nog niet is vergeten dankt hij aan zijn dood: tijdens de première van Vec Makropoulos (MET 1996) viel hij, door een hartaanval getroffen van een ladder, net nadat hij de woorden “Je leeft maar een keer lang” had gezongen.

Trailer van de productie:

In beide bovengenoemde opnamen lopen de heren Tannhäuser en Wolfram continue rond met harpen, waarop zij zichzelf op de juiste momenten ‘begeleiden’. Dat denkbeeldige gepingel zou verboden moeten worden, het is zo nep!

PETER SEIFFERT 2003 (voor de fans van Jonas Kaufmann)

Tannhauser Seiffert

De op zich mooi vormgegeven productie uit Zurich (ooit EMI 5997339) gaat geboekt onder de hoogst irritante TV-regie, het lijkt waarachtig alsof de TV-regisseur de macht heeft overgenomen. De ‘beheerder van het beeldmateriaal’ houdt van close-ups, dus kijken wij naar de vingernagels van de klarinettist tijdens het gebed van Elisabeth. Of word er op het met zweet bedekte voorhoofd van Tannhäuser ingezoomd. Ook vindt hij het nodig om de zangers alvast achter de coulissen te filmen, wat de romantiek en magie danig verstoort.

Ben je er éénmaal aan gewend dan valt er ongetwijfeld veel te genieten. Het bühnebeeld is mooi, de kleurrijke kostuums – zo te zien uit het begin van de twintigste eeuw – zijn fraai en de personenregie van Jens-Daniel Herzog is prima. Maar wat die productie hoofdzakelijk de moeite waard maakt, zijn de vocale bijdragen van de zangers.

Isabelle Katabu is een buitengewoon mooie en sensuele Venus, donkergekleurd en zeer erotisch. Elisabeth van Solveig Kringelborn klinkt voornamelijk puur en lyrisch en zo is ook haar verschijning. Peter Seiffert was in die tijd, zowel vocaal als qua spel, één van de beste Tannhäusers. die men zich kan voorstellen. Verscheurd tussen het zinnelijke en spirituele kiest hij voor het hogere, wat alleen de dood tot gevolg kan hebben.

Een leuk detail voor zijn vele fans: de kleine rol van Walther wordt gezongen dor niemand minder dan Jonas Kaufmann. Alleen: we krijgen hem niet te zien want tijdens zijn aria focust camera zich op de gezichten van Tannhäuser of Elisabeth. Ik denk trouwens dat die opname inmiddels uit de handel is, maar ja: fans blijven fans, nietwaar?

http://www.operaonvideo.com/tannhauser-zurich-2003-seiffert-kaufmann-kringelborn-kabatu-trekel/

ROBERT GAMBILL 2008

Tannhauser Gambill

Dat Nikolaus Lehnhoff heel mooi Wagner kan regisseren, ja, dat wisten we wel. Al in zijn vroegere producties voor Baden Baden heeft hij laten zien dat een moderne enscenering geen rare beelden hoeft op te leveren, en dat concepten niet per definitie bespottelijk zijn. Ook deze Tannhäuser, eerder in Amsterdam te zien, is uitzonderlijk gelukt (Arthaus Musik 101 351).

Lehnhoff benadrukt Tannhäusers zoektocht naar het evenwicht tussen het fysieke en het spirituele door een wereld te creëren waarin traditie hand in hand gaat met vernieuwing. Hij borduurt voort op een discrepantie (maar ook een symbiose) tussen onschuld en kwaad, en tussen kunst en kitsch. Zo ontaardt de zangwedstrijd in een soort veredelde vorm van ‘Idols’ en de symbolische ‘verlossing’ van Tannhäuser is pijnlijk mooi en doeltreffend.

 Ook muzikaal valt er weinig te klagen. Robert Gambill zingt een bijzonder ontroerende Tannhäuser, zijn ’Rom-Erzählung’ gaat door merg en been. Camilla Nylund is een mooie, ietwat onderkoelde Elisabeth wat haar ongenaakbaar maakt en Waltraud Meier is een Venus uit duizenden. Alleen met Roman Trekel heb ik een beetje moeite. Er is niets mis met zijn dragende, solide bariton, maar voor Wolfram kies ik toch voor wat meer warme lyriek (Hermann Prey, waar bent u?).

Hermann Prey zingt ‘O du mein holder Abendstern’:

TERUG IN DE TIJD

Een jaar of tien geleden heeft het budgetlabel Walhall twee historische opnamen van Tannhäuser op cd’s heruitgebracht. Het betreft resp. de door Leopold Ludwig in 1949 in Berlijn geleide voorstelling (WLCD 0145) met Ludwig Suthaus (Tannhäuser), Martha Musial (Elisabeth) en een piepjonge Fischer-Dieskau (Wolfram); en een voorstelling uit de MET (WLCD 0095), in 1955 gedirigeerd door Rudolf Kempe, met op de weinig idiomatische Astrid Varnay als Elisabeth na, een keur aan de grootste zangers uit die tijd: Blanche Thebom, George London, Jerome Hines en Ramon Vinay.

George London zingt ‘O du mein holder Abendstern’:

Het geluid is in beide gevallen alleszins acceptabel en de uitvoeringen zijn van een niveau dat tegenwoordig nog maar zeer moeilijk te halen lijkt.

Leopold Ludwig op Spotify:


Rudolf Kempe op Spotify:


Liefde zonder zinnelijkheid is geen liefde. Het een en ander over Tannhäuser