Lucia di Lammermoor is altijd, misschien meer nog dan Norma, een strijdpunt geweest tussen de aanhangers van Maria Callas en Joan Sutherland. De prestaties van beide dames zijn inderdaad fantastisch en bovendien totaal verschillend. Welke van de twee moet u hebben? Niet makkelijk. Kwestie van smaak, zal ik zeggen?
Joan Sutherland is ongekend virtuoos en haar coloraturen zo perfect dat het pijn doet. En toch blijf ik er onaangeroerd bij. Waarom? Wellicht omdat het te perfect is? Ik weet het niet. Het kan ook aan mij liggen.
Waar u ook voor kiest: u kunt echt niet zonder minstens één Callas. Probeer Naxos (8110131-32) met Giuseppe di Stefano en Titto Gobbi, onder Tulio Serafin, want al is Francesco Tagliavini (Warner Classics 2564634081) een veel mooiere Edgar, de rest van de cast (inclusief Callas zelf!) is hier veel sterker.
Zelf kies ik voor Beverly Sills (Westminster 4712502), zeker als we het over studio-opnames hebben. Haar portrettering verenigt het beste van beide diva’s: de virtuositeit, stemschoonheid en zuivere intonatie van la Stupenda en het grote acteren van la Divina. Niet echt een grote tragédienne (maar dat is Lucia ook niet), meer een passief kindmeisje dat het allemaal over zich heen laat komen. Ook de rest van de cast (Carlo Bergonzi, Piero Cappuccilli, Justino Diaz) is van zeer hoog niveau en Thomas Schippers dirigeert zeer ferm. Maar wat die opname werkelijk bijzonder maakt, is het gebruik van een glasharmonica in de waanzinscène, precies zoals Donizetti het oorspronkelijk had voorgeschreven.
RENATA SCOTTO
Mijn geliefde Lucia, Renata Scotto, heeft de rol nooit in de studio opgenomen. Er zijn wel verschillende piratenopnames met haar in omloop, met als Edgardo onder andere Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi en Gianni Raimondi.
Van die vier is de opname met Raimondi me het dierbaarst, niet in de laatste plaats vanwege de zeer energieke en dramatisch evenwichtige directie van Claudio Abbado. Het werd opgenomen in La Scala in december 1967 en is ooit op Nuova Era (013.6320/21) verschenen. Helaas is die opname zeer moeilijk verkrijgbaar, maar wie zoekt….
Hieronder Gianni Raimondi en Giangiacomo Guelfi (Enrico) in Orrida è questa notte..
Scotto’s interpretatie van de gekwelde heldin is wel op dvd beschikbaar (VAI 4418). De productie is in 1967 in Tokio opgenomen. Het circuleerde jarenlang op piratenvideo, maar aangezien de geluids- en beeldkwaliteit bijzonder matig was, zijn er met de commerciële uitgave heel veel operaliefhebbers bijzonder blij gemaakt. Het geluid is een beetje scherp, waardoor Scotto’s hoge noten nog metaliger klinken dan normaal, maar: who cares?
Haar interpretatie is zowel zangtechnisch als scenisch van een ongekend hoog niveau. Met een kinderlijk verbaasde uitdrukking (mijn broer doet het mij aan?) op haar gezicht stemt ze in, al is het niet zonder morren, met het gedwongen huwelijk met Arturo (een in alle opzichten afgrijselijke Angelo Marchiandi).
Hieronder Scotto zingt ‘Il dolce suono’. Doe het haar na!
Na haar waanzinaria krijg je de neiging de stekker eruit te trekken, want alles wat erna gaat komen, kan niet anders dan als een koude douche werken. Maar daar vergis je je in. De twee aria’s van Edgardo, gezongen door Carlo Bergonzi, brengen je regelrecht de (zangers)hemel in.
Na afloop kan je niet anders dan huilen, want: waar zijn ze gebleven, de zangers van toen? Klein, lang, dik, mager, met of zonder het acteertalent… Geen van hen was een ballerina, maar zingen konden ze! En enkel door middel van hun stem konden ze alle gevoelens overbrengen waar je nu een heel ‘artistiek team’ voor nodig hebt. Ondanks de toen gebruikelijke coupures een absolute must.
Hieronder zingt Bergonzi ‘Fra poco a me ricovero’
PATRICIA CIOFI IN HET FRANS
In 1839 bewerkte Donizetti zijn opera voor Parijs en Lucia werd Lucie. Het is niet de alleen de taal die de beide versies onderscheidt, want Donizetti heeft zowel aan het libretto als aan de muziek behoorlijk gesleuteld. Zo werd Alisa (Lucia’s hofdame) uit de opera geknipt en is onze heldin als enige vrouw in een verder louter mannengezelschap gebleven, wat haar nog eenzamer en nog kwetsbaarder maakt.
Normanno heet nu Gilbert en zijn rol werd behoorlijk uitgebreid. Zijn valse spel en manipulaties maken van hem zowat een sleutelfiguur en hij groeit uit tot bijna Iago-achtige proporties. Ook Arturo is als Henri driedimensionaler geworden. En al mis ik ‘Regnava nel silenzio’ en scènes tussen Lucia en Raimondo, ik moet toegeven dat de Franse versie dramatisch veel beter in elkaar steekt.
In deze opname (ooit TDK, hopelijk nog te bestellen) is Patrizia Ciofi niet minder dan fenomenaal als een behoorlijk neurotische Lucie, Ludovic Tézier prachtig als een vileine Henri en Roberto Alagna helemaal in zijn element als Edgar. Het was (toen) één van zijn beste rollen.
Het regisseursduo Patrick Courier/Moshe Leiser stelt zelden teleur. Hun producties zijn altijd realistisch, ingebed in historische perspectief, maar met genoeg ‘knipoog’ naar het heden. Bovendien doen ze wat regisseurs voornamelijk horen te doen: zorgen voor een goede mise-en-scène en zangers in hun spel goed begeleiden om ze overtuigend te laten overkomen.
OVER DRIE LUCIA’S VAN DE LAATSTE TIJD
ANNA NETREBKO
Deutsche Grammophon bracht de Live in HD-uitzending van Lucia di Lammermoor die in 2009 door de Metropolitan Opera in New York werd uitgezonden uit op dvd en Blu-Ray (DG 0734545). Anna Netrebko zong de hoofdrol. Lucia vond ik nooit echt bij haar passen. Bovendien was ze in die tijd meer bezig zichzelf te etaleren dan dat ze zich om de zielenroerselen van de door haar gespeelde tragische heldin bekommerde.
Piotr Beczala, toen nog geen grote ster, was de lastminutevervanger voor de ziek geworden Rolando Villazón en het moet gezegd worden: samen met zijn landgenoot Mariusz Kwiecien (Enrico) stal hij de show. De regie van Mary Zimmermann is mooi om te zien, maar voegt eigenlijk niet veel toe. Voer voor de vele Netrebko-fans, maar voor de rest?
NATALIE DESSAY
Het Mariinski Theater van Valery Gergiev heeft een Lucia di Lammermoor uit eigen huis op cd gezet (MARO 512). Natalie Dessay is een begenadigd artieste. Ze beschikt over een pracht van een stem met een ongekende hoogte, waarmee ze de moeilijkste coloraturen en fiorituren zingt alsof het niets is. Mooi is zij ook en ze kan waanzinnig goed acteren; het is altijd een plezier om haar in actie zien.
Maar niet al te grote stem kent echter ook zijn beperkingen. Scenisch weet ze die achter haar acteren te verbergen, maar zonder beeld wil er weleens iets misgaan. Dat hoor je ook op deze live-opname uit 2010. Haar coloraturen zijn perfect maar leeg; het heeft geen inhoud. Deze Lucia wordt gek zonder dat je weet waarom. Maar als ze eenmaal gek is, doet ze je duizelen.
Piotr Beczala is, zoals altijd, een fantastische Edgardo, maar ook alle andere zangers zijn prima. Allemaal beschikken ze over een individueel timbre, waardoor je in het zeer homogeen gezongen sextet ook afzonderlijke stemmen kan herkennen.
Valery Gergiev dirigeert energiek en zwiept het orkest op, wat soms resulteert in halsbrekende tempi. De ‘waanzinscène’ (met glasharmonica, bravo!) rekt hij juist uit
DIANA DAMRAU
Diana Damrau, één van ’s werelds beste en beroemdste sopranen, lijkt geknipt voor de rol van Lucia in Lucia di Lammermoor. Zij zong de partij al in 2008 in de New Yorkse Metropolitan Opera. Vijf jaar later verblijdde ze het duidelijk aan haar voeten liggende publiek in haar geboortestad München met haar vertolking. De concertante uitvoeringen werden live door Erato opgenomen en het resultaat valt mij tegen.
Niet dat er iets mis is met de coloraturen van Damrau. Die zijn nog steeds onberispelijk, maar in mijn oren zijn ze leeg, zonder inhoud. In haar waanzinscène lijkt ze meer op de mechanische pop Olympia uit Les contes d’Hoffmann dan op een gek geworden vrouw van vlees en bloed.
De mannenrollen zijn allemaal prima ingevuld. Joseph Calleja (Edgardo) zingt zijn rol soepel en met zo’n gemak dat ik aan de jonge Pavarotti moet denken. Ludovic Tézier en Nicolas Testé zijn misschien niet helemaal idiomatisch, maar op hun onberispelijke zang valt niet veel op te merken. Zelfs de kleine rol van Normanno wordt door een voortreffelijk zingende Andrew Lepri Meyer ingevuld.
De tempi van Jesús López-Cobos vind ik op zijn minst opmerkelijk. Dan wordt er gerend, dan staat de boel weer stil. Af en toe herken ik de muziek niet. Het lijkt alsof er nieuwe versieringen zijn aangebracht.
De opname zelf is eveneens onevenwichtig. Dat de opera niet in één keer op één avond is opgenomen is vanzelfsprekend, maar er werd ook het één en ander in de studio ‘verbeterd’ en dat is helaas hoorbaar.
Na al die jaren is mijn top drie nog steeds ongewijzigd:
1. Renata Scotto met Carlo Bergonzi, VAI 4418.
2. Beverly Sills met Carlo Bergonzi, Westminster 4712502
Would we still love Callas so much if she had been an ‘ordinary’ happy person, like most of her colleagues? If she had been happily married and had had children, what she so longed for? If she didn’t suffer from bulimia and was not constantly fighting with her weight and body? If she had not fallen in love with Aristoteles Onassis, the super-rich Greek shipowner who left her to marry an even more famous lady? And if she had not lost her voice prematurely? Speculations, of course, but since even the most honest opera lover has something of a tabloid reader it keeps buzzing. People simply love gossip.
Rumour, success, being in the spotlight, are the most important ingredients in the lives of people who find their lives boring and everyday and lose themselves in the stories of the ‘rich and beautiful’. It should be noted that they feast most on the dark sides of the stories, because there is no greater happiness than sorrow.
Maria Callas was a diva with a true cult status. She owed this not only to her singing, but also to her unmistakable acting talent, her attractive appearance and her, unfortunately, more than tragic personal life.
However great, famous, loved and adored, Maria Callas was, she did not invent opera, nor was she the greatest actress amongst singers. Not all singers were equally gifted actors, but the image of a fat lady standing motionless on stage fluttering only her hands is not at all accurate.
Just think of Conchita Supervia, Geraldine Farrar, Marjorie Lawrence or Grace Moore, but there were more.
Conchita Supervia as Carmen
Geraldine Farrar as Carmen in a film from 1915:
What Callas truly was, was a pioneer in (dramatic) belcanto, and that happened more or less by accident (consult the DVD The Callas Conversations vol. II). It was a genre that at the time was a little neglected. It was she who gave us back the forgotten operas of Bellini, Donizetti and Spontini, but was she really the first?
There are many more sopranos from the time of Callas who sang at the highest level and deserve to be discussed. The sopranos I am going to talk about were all more or less Callas’ contemporaries and all sang almost the same repertoire (not counting spinto sopranos that sang mainly verist roles, such as Magda Olivero, Carla Gavazzi or Clara Petrella).
These divas missed the chance to be in the right place at the right time. Or: to meet someone who was important enough not only to boost your career, but also to give you a record deal.
Maria Callas as La Gioconda in 1952
Cynical?
It has always been like this and nowadays it is no different, although we are dealing with another aspect: the ideal of beauty. If you don’t meet it, you can say goodbye to your career in advance – fat people are not even allowed to audit in many theatres anymore and a starting Callas would have absolutely no chance at all now.
ANITA CERQUETTI
Her career, like that of Callas, didn’t last long. She was born in 1931 and made her opera debut as Aida in Spoleto as early as 1951 (!). She became – typically enough – the most famous by stepping in for a sick Callas in 1958. While she was still in a production of Norma in Naples, she sang some performances of the same opera by Bellini at the opera house of Rome, instead of La Divina.
Anita Cerquetti sings ‘O re dei cieli’ from Agnese di Hohenstauffen by Spontini:
On the label Bongiovanni (GB 1206-2, unfortunately not on You Tube) you can hear her in the famous ‘Casta diva’ from Norma. For me this is one of the most beautiful performances of this aria ever. Goosebumps.
Cerquetti sings Norma. Recording from 1956:
LEYLA GENCER
Born in 1928 in a small town close to Istanbul, Gencer, just like Callas, has a cult status, even today, but on a smaller scale. She had a Turkish father and a Polish mother, which made her proficient in that language. There is even a pirate recording of her with songs by Chopin in Polish:
Gencer’s real speciality was belcanto. She sang her first Anna Bolena only a year after Callas:
And unlike Callas, she also included the other Tudor Queen operas by Donizetti in her repertoire: Roberto Devereux and Maria Stuarda.
Gencer as all three Tudor Queens
Besides all her Bellini’s, Donizetti’s and Verdi’s, and between Saffo by Paccini and Francesca da Rimini by Zandonai, she also sang some of Mozart’s songs. Fortunately, her Contessa (Le nozze di Figaro) in Glyndebourne was recorded and released on CD some time ago. For the rest, you have to settle for the pirates.
Her round and clear voice – with the famous pianissimi, which only Montserrat Caballé could match – is so beautiful that it hurts. If you have never heard of her before, listen below to ‘La vergine degli angeli’ from La forza del Destino, recorded in 1957. Bet you’re going to gasp for breath?
VIRGINIA ZEANI
Have you noticed how many great singers come from Romania? Virginia Zeani is one of them, born in Solovăstru in 1925.
Zeani made her debut when she was 23 as Violetta in Bologna (indented for Margherita Carossio). That role would become her trademark. There is a costly anecdote about her debut in Covent Garden: it was in 1960 and she was a last minute replacement for Joan Sutherland, who became ill. She arrived late in the afternoon and there was hardly time to try on the costume. Before she went on stage, she asked very quickly: ‘Which of the gentlemen is my Alfredo?
The soprano sang no less than 69 roles, including many world premieres. In 1957 she created the role of Blanche in Dialogues des carmélites by Poulenc. Her repertoire ranged from Handel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet and Gounod to Wagner (Elsa and Senta). With of course the necessary Verdis and Puccinis and as one of her greatest star roles Magda in The Consul by Menotti:
I myself am completely obsessed with her Tosca, but also her Violetta should not be missed by anyone. Her coloratures in the first act are more than perfect. And then her ‘morbidezza’… Do it for her!
Below her ‘Vissi d’arte’ (Tosca), recorded in 1975, when she was over fifty:
CATERINA MANCINI
Never heard of her? Then it’s time to make up for the damage, because I promise you a voice out of thousands, with a beautiful height, pure coloratures (all ‘al punto’) and a drama that could make even La Divina jealous.
Mancini sings “Santo di patria… Da te questo m’è concesso” from Attila by Verdi:
Mancini’s career also lasted only a short time. People talked about health problems, but what really happened? The fact is that the soprano, born in 1924, stopped working as early as 1960. Although her name can still be found in 1963, as contralto (!) at the concert in memory of Kennedy.
Mancini made her debut in 1948, as Giselda in I Lombardi. At the Scala she already sang Lucrezia Borgia in 1951. Donizetti, Rossini and Bellini are not lacking in her repertoire.
The Italian label Cetra has recorded a lot with her; difficult to obtain, but so very worthwhile to look for!
At her best I find her as Lida in La Battaglia di Legnano by Verdi. Below a fragment of it:
MARCELLA POBBE
Marcella Pobbe may be a bit of an outsider in this list, as she had fewer belcanto roles in her repertoire (Gluck and Rossini, but no Bellini). But the Verdi and Puccini heroines she more or less had in common with La Divina.
Pobbe sings ‘D’amor sull’ali rosee’ from Il Trovatore:
She also sang a lot of Mozart and Wagner. But what made her really famous is Adriana Lecouvreur from Cilea
Pobbe was exceptionally beautiful. Elegant, elegant, almost royal. And her voice was exactly the same: her singing flowed like a kind of lava, in which you could lose yourself completely. Nobody then thought it necessary to record her. We already had La Divina, didn’t we?
Pobbe sings ‘Ave Maria’ from Otello by Verdi:
Listen below for example to ‘Io son l’umile ancella’ from Adriana Lecouvreur and think of that golden age, which is irrevocably over.
Allereerst aandacht voor twee live opnamen uit de New Yorkse Met: uit 1947 onder Giuseppe Antonicelli en uit1958 gedirigeerd door Thomas Schippers. Beiden zijn al een tijd terug op Sony uitgebracht en beiden zijn het beluisteren meer dan waard.
Bidú Sayão 1947
De Braziliaanse Bidú Sayão gold als één van de mooiste sopranen aan de Met en dat bedoel ik niet alleen letterlijk. Haar stem is vederlicht en doet denken aan vrouwenstemmen in de oude films uit het begin van de ‘talking movies’, wat zonder meer bij de rol van Mimi past.
Persoonlijk prefereer ik rondere stemmen met licht dramatische ondertonen, maar hier word ik echt blij van. In combinatie met de jonge Richard Tucker klinkt zij zeer teer en hulpbehoevend. Giuseppe Antonicelli dirigeert met veel vaart (Sony 74646762)
Hieronder Richard Tucker, Bidu Sayao, Mimi Benzell en Frank Valentino in het kwartet ‘Dunque e proprio finita’ uit de derde akte:
Licia Albanese 1958
Een kleine waarschuwing is op zijn plaats: het geluid is niet mooi. Het is scherp en dof en af en toe willen de radiogolven even opstandig brommen, maar het heeft ook iets aandoenlijks. Alsof een tijdmachine je terugbrengt naar de middagen van weleer, toen de hele familie zich voor de radio nestelde om naar de nieuwste uitvinding, de live broadcast te luisteren.
Ook de uitvoering is ouderwets heerlijk. Niet dat de stemmen zo uitzonderlijk zijn, want behalve Carlo Bergonzi op zijn mooist heb ik de andere rollen wel eens beter bezet gehoord.
Licia Albanese (toen al bijna vijftig, wat absoluut niet te horen is) was een echte publiekslieveling, zeker in New York. Iets wat ik nooit zo goed heb kunnen begrijpen, want zelf had ik er echt niets mee. Thomas Schippers dirigeert zeer levendig (Sony 8697804632)
STUDIO
Victoria de los Angeles 1956
Wilt u huilen, al vanaf het begin? Zo ja dan bent u hier aan het beste adres. Thomas Beecham doet werkelijk zijn best om het RCA-orkest een beetje afstandelijk te laten klinken maar de musici zijn net mensen en niet gediend van reserves in de echte liefde. Geheel onbeschaamd laten ze alle gevoelens, inclusief een gezonde dosis sentimentaliteit toe en het snotteren kan beginnen.
De eerste ontmoeting tussen Rodolfo en Mimi al… zijn ‘così’ bij het inschenken van ‘po’ di vino’ en dan haar ‘grazie, buona sera’…. Mensen, wie hier niet de hele wereld vergeet heeft geen hart!
Jussi Björling is een Rodolfo uit meisjes-dromen: gevoelig, sensibel, lief en zo verdomd aantrekkelijk! Dat Victoria de los Angeles (Mimi) voor hem valt kunnen we haar niet kwalijk nemen, doen wij immers ook. Maar we gunnen hem haar van harte want haar stem, die is zo verschrikkelijk mooi dat het bijna pijn doet. Alsof het Madonna zelf is die haar gedoofde kaars door haar buurman laat aansteken. Waarbij we het voor gemak vergeten dat zij de kaars waarschijnlijk zelf heeft uitgeblazen. Dat is dan ook het enige minpuntje van de opname: Mimi was geen Madonna.
Voor de rest: een must. Ook vanwege de onweerstaanbare Marcello van Robert Merrill (Naxos 8.111249/50)
Maria Callas 1956
Deze opname gaat niet mee naar een ‘onbewoond eiland’. Het ligt niet aan de dirigent noch aan de schitterend spelende orkest uit La Scala: Antonino Votto dirigeert vlot en spannend en zijn aandacht voor alle details is werkelijk briljant,
Rolando Panerai (Marcello) en Giuseppe di Stefano (Rodolfo) zijn aan elkaar gewaagd, hun stemmen passen uitstekend bij elkaar, al vind ik di Stefano soms een beetje aan de schreeuwerige kant. Ook de zeer sensuele Musetta van de jonge Anna Moffo kan mij bekoren. Het probleem – althans voor mij – ligt bij La Divina.
Mimi is geen rol waarmee wij Callas associëren en terecht. Zij heeft haar dan ook – wijs genoeg – nooit op de bühne gezongen. Hoe zij ook niet haar best doet (en dat doet zij echt!) nergens weet zij mij te overtuigen dat zij een arm naaistertje is, daarvoor is haar stem te koninklijk. Krampachtig probeert zij haar stem klein te houden waardoor zij behoorlijk gekunsteld klinkt. Maar ik ben er zeker van dat haar fans het niet met mij eens zijn.
De opname klinkt nog steeds verrassend goed (Warner Classics 0825646341078)
Renata Tebaldi 1958
Eigenlijk vind ik de stem van Tebaldi ook iets te zwaar voor Mimi, tikkeltje te dramatisch ook, maar het valt niet te ontkennen dat haar interpretatie zeer spannend is. Je blijft luisteren.
Carlo Bergonzi is een waanzinnig mooie Rodolfo, stiekem vind ik hem dan ook de ster van de opname. Ettore Bastianini is een zeer charmante Marcello, maar Gianna d’Angelo is geen mooie Musetta. Haar zingen heeft niets sensueels en is bij vlagen ordinair.
Tulio Serafin dirigeert meer dan voortreffelijk en het orkestklank is briljant. Merkwaardig eigenlijk hoe geweldig goed die opname nog klinkt! (Decca 4487252)
Montserrat Caballé 1974
Met haar fluweelzachte pianissimi, haar onwaarschijnlijk mooie legato, haar warmte en sensualiteit was Caballé een gedroomde Mimi. Met haar stem alleen kon ze alles waarmaken, ook dat ze een aan tering stervende klein meisje was.
In die tijd trad ze veel met haar landgenoot Plácido Domingo op, hun stemmen waren dan ook schitterend op elkaar ingespeeld. De stem van de jonge Domingo was niet minder dan hemels, zijn Rodolfo is dan ook om verliefd op te worden.
Ook Sherill Milnes hoorde er helemaal bij: luister naar het Rodolfo/Marcello duet aan het begin van de vierde acte!
Ruggero Raimondi is een mooie Colline en de directie van Solti is zeer levendig. (ooit RCA, tegenwoordig Sony 88697-57902-2)
Cesira Ferrani
Wilt u weten hoe de eerste Mimi klonk? Het kan. Cesira Ferrani die de rol in 1896 creëerde heeft twee minuten uit Mimi’ in 1903 opgenomen (Creators’ Records SRO 818-2).
Cesira Ferrani (Mimi) en Evan Gorga (Rodolfo) tijdens de premiére 1 februari 1896
Het klinkt nog verrassend goed, zodoende weten we dat Mimi’s sopraan heel erg licht was, maar verre van soubrette. Ferrani was ook de eerste Manon Lescaut, Micaela en Melisande, u kunt dus het een en ander onder het vernis van een ‘onschuldig’ meisje vermoeden. Zoals het hoort.
Ook op Spotify zijn een paar van haar opnamen te vinden, afkomstig van The Harold Wayne Collection en uitgebracht op Symposium. Hier vindt u behalve “Si mi chiamamo Mimi’ ook ‘Donde lieta usci’. En – een echte rariteit! – een in het Italiaans gezongen aria uit Lohengrin.
FILM
Zauber der Bohème 1936
Het begrip ‘traumpaar’ heeft sterk aan betekenis ingeboet. Want, zeg maar zelf: hoeveel van de ‘traumparen’ zag u komen en gaan zonder dat er iets van overbleef? Gheorghiu/Alagna gingen vechtscheidend uit elkaar, Netrebko/Villazon bestonden eigenlijk alleen op papier en – wie weet? – in de tenors dromen….
Maar het hoeft geen fabel te zijn want ooit bestond zo’n droompaar ook in het echt. De Poolse tenor Jan Kiepura en de Hongaarse sopraan Martha Eggerth wisten hun sprookjesachtige status van voor elkaar geschapen te zijn niet alleen te bereiken maar ook te behouden. En dat zowel op de bühne, op de filmdoek als in het echte leven.
In de film Zauber der Bohème van Géza Von Bolváry maken we kennis met twee verliefde jonge zangers in spe wiens leven zich parallel afspeelt zowel in het echt als op de bühne. Hun lotgevallen lijken sterk op het leven van de fictieve personages die zij ook op de bühne vertolken, maar de dood is hier echt en onoverkomelijk: na haar laatste noten sterft Denise/Mimi (Eggerth) in de armen van René/Rodolfo (Kiepura). Doek!
Hier redt u het niet met één zakdoek, maar u moet wel tegen een zeer slechte beeld en geluidskwaliteit kunnen. Maar eerlijk gezegd: who cares?
De laatste scéne uit de film:
Moonstruck 1987
En dan is er nog (vooruit maar, het is toch al bijna Kerst) één van allermooiste feelgood movies allertijden: Moonstruck. Het verhaal zelf heeft weinig met de echte opera te doen, behalve dat de hoofdpersonen een voorstelling van La Boheme in de Metropolitan bezoeken – het is de goede oude Zefirelli – waarna we in een versneld tempo naar het happy end afstevenen. Maar in die scéne mogen ook wij, samen met de beide hoofdpersonen een traantje wegpinken. Dat Puccini’s muziek niet alleen bij de credits maar ook door de hele film weerklinkt is lekker meegenomen.
Trivia: de ode oude man (Loretta’s grootvader) wordt gespeeld door Feodor Chaliapin junior, de zoon van de grote Russische bas.
Scène in de opera. De stemmen die u hoort zijn van Renata Tebaldi en Carlo Bergonzi:
Norma wordt beschouwd als het toppunt van belcanto, maar tegelijkertijd is dit een muzikaal drama van jewelste die de vroege werken van Verdi behoorlijk achter zich laat en een belofte van een ‘Tristan’ met zich meedraagt. En al is het een liefdesdrama en sterven beide protagonisten aan het eind een soort ‘liebestod’, de liefde is niet de enige drijfveer van de heldin. Ze is ook een moeder, een priesteres, een patriot, een dochter en een vriendin, en om al die aspecten van menselijke gevoelens goed te kunnen uitdrukken moet je meer dan een ‘zangeres’ zijn.
De rol van Norma werd gecreëerd door Giuditta Pasta, van huis uit een mezzo, die haar stem omhoog had gewerkt. Pasta was een buitengewoon intelligente zangeres met een grote toneelpersoonlijkheid en een groot stembereik maar haar techniek was niet optimaal, waardoor haar stem al heel erg vroeg in haar carrière achteruit ging. Paulette Viardot (een van de bekendste mezzo’s van haar tijd) zei ooit over Pasta: “ze lijkt op ‘Het laatste avondmaal’ van Leonardo da Vinci – een ruïne van een schilderij, maar het grootste schilderij in de wereld”.
Giulia Grisi als Norma
De eerste Adalgisa werd gezongen door Giulia Grisi, een sopraan, die ook de rollen van Elvira (I Puritani) en Giulia (I Capuletti e Montecchi) creëerde, en die later zelf een Norma van formaat was geworden.
GINA CIGNA
In de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw werd Norma maar weinig opgevoerd. In de operageschiedenis wordt over maar twee memorabele uitvoeringen gesproken: in 1926 in de Metropolitan Opera (met Rosa Ponselle en Lauri-Volpi) en in 1936 in La Scala, met Gina Cigna
In 1937 werd de allereerste (vrijwel) complete opname van Norma gemaakt: met Gina Cigna, Ebe Stignani en Giovanni Brevario, gedirigeerd door Vittorio Gui (verschillende labels). Het klinkt nog steeds goed, al is de klank uiteraard niet optimaal.
In de operawereld heerst in het algemeen de mening dat de meeste (belcanto-)zangeressen vóór Callas licht waren, net als kanariepieten. Dat is niet waar. Luister alleen al naar de volle, donker getimbreerde stem van Cigna en naar haar gevoel voor drama.
Cigna benadert de rol vanuit de veristische traditie en zet zwaar in. Van coloraturen is helemaal geen sprake, maar haar techniek is fenomenaal en haar topnoten stevig en zuiver. Ze is echter geen echte actrice, waardoor haar interpretatie ver achter die van (onder andere) Callas staat.
Adalgisa wordt hier gezongen door jonge Ebe Stignani: een mooie, warme mezzo, hier veel overtuigender dan in al haar latere opnamen. Giovanni Breviario is een ondermaatse Pollione, maar orkestraal is deze opname, samen met die van Serafin (Rome 1955) en Muti (Turijn 1974), één van de drie mooiste Norma’s. Mede daardoor (en de bijzonder ontroerend gezongen ‘Deh! Non volerli vittime’) zeer de moeite van het beluisteren waard.
MARIA CALLAS
Met denkt Norma, men zegt Callas. Terecht, want als geen ander heeft La Divina een stempel op die rol gezet. Tussen 1950 en 1964 was ze ontegenzeggelijk de beste Norma. Misschien was ze wel de beste Norma ooit.
Ze heeft de rol meer dan 90 keer gezongen en twee keer in de studio opgenomen, beide keren onder Tulio Serafin. De eerste stamt uit 1954 (Warner Classics 0825646341115). Callas was toen vocaal absoluut op haar best, toch kan die opname me matig boeien. De begeleiding van Serafin vind ik ronduit saai, Filippeschi is, ondanks zijn mooie stem, geen Pollione van gewicht, en Stignani klinkt gewoon (te) oud. Ook op het acteren van Callas heb ik her en der opmerkingen. Haar ‘Casta Diva’ lijkt veel meer op een liefdesaria dan op een ode aan de maangodin, wat het eigenlijk is. Maar haar zingen is fenomenaal mooi, met prachtige hoogte en goede trillers.
In de herfst van 1960 stond Callas erop om de opera nogmaals op te nemen. Men beweert dat ze hiermee haar comeback had willen maken (vanwege allerlei schandalen had Callas negen maanden niet gezongen). Mogelijk, maar het is ook zeer voor de hand liggend dat haar inzichten omtrent de rol zodanig veranderd waren, dat ze het nogmaals wilde vastleggen.
Gelukkig maar, want haar tweede ‘officiële’ Norma (Warner Classics 0825646340842) is in alle opzichten superieur aan de eerste. Franco Corelli is wellicht de beste Pollione ooit: een echte krijgsheer met een zeer masculiene stem. Zeker van zichzelf en zijn uitstraling, kordaat, macho, maar ook liefhebbend en zeer, zeer sensueel en sexy. Geen wonder dus, dat een jonge priesteres voor hem kan vallen. En geen wonder dat een vrouw als Norma – sterk, mooi en machtig – van hem blijft houden, ondanks zijn verraad.
Adalgisa wordt gezongen door een jonge Christa Ludwig. Niet echt Italiaans, ook (voor mij) iets te donker van timbre, maar met zoveel inlevingsvermogen, dat het er eigenlijk weinig toe doet.
Callas zelf is over haar vocale hoogtepunt heen en her en der laat ze een pijnlijke noot horen, maar als actrice is ze absoluut ongeëvenaard. Ook hier wil ze af en toe chargeren (de scène met haar kinderen bij voorbeeld), maar haar intense betrokkenheid, haar volledige begrip en overgave – het is uniek. Ook Serafin is duidelijk veel meer geïnspireerd, al heb ik af en toe moeite met zijn tempi.
Behalve deze twee studio-opnamen bestaan er ook een half dozijn radio- en piratenregistraties van Callas’ live-optredens. Uit Londen, Milaan en Rome. Bij één ervan wil ik even stilstaan, want voor mij is dit de beste Norma. Het is een registratie van een voorstelling op 29 juni 1955 in Rome (o.a. Opera d’Oro 7003)
Callas, fantastisch bij stem, mist geen (top)noot, geen triller en geen nuance. Het gaat van pianissimo tot forte en terug, van donker naar open, van glissando naar portamento, en alles met stijlgevoel en tekstbegrip. Dit is dramatische belcanto pur sang, dit moet Bellini voor ogen hebben gestaan.
Mario del Monaco zingt een droom van een Pollione. Soms een tikje te luid, maar het mag, hij is immers een krijger. In ‘Qual cor tradisti, qual cor perdisti’ wordt hij hoorbaar ontroerd en opnieuw verliefd. Hun stemmen smelten in het ultieme liefdesduet, dat alleen de dood tot gevolg kan hebben.
Maria Callas en Mario del Monaco in ‘Qual cor tradisti’:
Ook Serafin dirigeert met gevoel voor zowel drama als lyriek en als Stignani me nog steeds niet overtuigt, dan is het alleen omdat ik in die rol een sopraan wil horen.
JOAN SUTHERLAND
Ook Joan Sutherland heeft Norma twee keer (officieel) opgenomen. Haar eerste opname uit 1965 (Decca 4704132) was een ware sensatie. Het was de allereerste opname van de complete muziek van Bellini, zonder ook maar de minste coupures. Bovendien was het de allereerste opname in de originele toonsoort (Bellini componeerde zijn opera in G, maar voor de première veranderde hij het in F).
Sutherland gold in die tijd als de belcanto-specialiste bij uitstek. Haar stem kende geen grenzen en leek van elastiek. Hoog, hoger, hoogst, en met coloraturen die bijna onmenselijk perfect klinken.
Adalgisa werd gezongen door Marilyn Horne, Sutherland’s alter ego in het mezzovak. Het resultaat is duizelingwekkend, maar ik mis drama, des te meer daar John Alexander (Pollione) een mooie maar nietszeggende stem heeft.
Op het orkestspel valt evenwel niets op te merken en als u van zuiver zingen, hoge noten en coloraturen houdt, dan is deze opname de beste keus.
Twintig jaar later heeft Sutherland de rol opnieuw opgenomen, ditmaal met Montserrat Caballé (Adalgisa) en Luciano Pavarotti (Pollione). Laat ik het maar een vergissing noemen, al is Adalgisa van Caballé op zijn minst interessant. Jammer dat men er niet eerder aan had gedacht.
MONTSERRAT CABALLÉ
Caballé is een soort kruising tussen Callas en Sutherland: prachtige topnoten, onwaarschijnlijk mooie legatobogen, perfecte trillers, en bovendien een pianissimo waarin geen van haar collega’s haar kon evenaren. Ze was een veel betere actrice dan Sutherland, bovendien had ze een geweldige uitstraling en een charisma van jewelste. Ze ging nooit tot het uiterste, zoals Callas of (later) Scotto, maar haar uitvoeringen waren altijd zeer overtuigend.
In 1973 nam ze de rol op voor RCA en het resultaat was zeer behoorlijk (GD 86502). Haar Pollione, een zeer jonge Plácido Domingo, was vocaal kristalhelder en klinkend als een klok. Het ontbrak hem echter aan overwicht, waardoor hij veel te jong voor die rol klonk.
Fiorenza Cossotto in haar rol van Adalgisa leek meer op Azucena dan op een jong meisje, maar op haar zingen an sich valt helemaal niets aan te merken. Jammer genoeg klinkt het orkest ongeïnspireerd en haastig, wat beslist de dirigent, Carlo Felice Cillario, moet worden aangerekend.
In 1974 zong zij Norma in het Romeinse amfitheater in Orange (Provence). Het was een zeer winderige avond, en alles woei en bewoog: haar haren, sluiers en jurken. Een fantastische gewaarwording, die een extra dimensie aan de toch al geweldige uitvoering toevoegt. Het werd gefilmd door de Franse televisie (wat een geluk!), en is inmiddels op de DVD verschenen (VAIV 4229).
Caballé zingt ‘Casta Diva’:
Caballé was prachtig bij stem, zeer lyrisch in ‘Casta Diva’, dramatisch in ‘Dormono etrambi’ en ontroerend in ‘Deh! Non volerli vittime’. Samen met Josephine Veasey zong ze wellicht de meest overtuigende ‘Mira , o Norma’ – althans, in een complete opname van de opera. Als twee feministes avant la lettre zweren ze de mannen af en van rivalen transformeren ze in hartsvriendinnen.
John Vickers (Pollione) was nooit mijn ‘cup of tea’, maar Veasey is een fantastische (ook optisch) Adalgisa en Patané dirigeert bezield. Van alle opnamen op dvd (en het zijn er niet veel) is deze beslist de beste.
RENATA SCOTTO
Scotto zong haar eerste Norma in 1974, in Turijn. Bij mijn weten bestaat er geen opname van, althans niet van de complete opera.
‘Casta Diva’ uit Turijn:
Wel werd door een piraat de voorstelling uit 1978 in Florence vastgelegd (Legato LCD 203-2). Het had de meest ideale Norma kunnen worden, maar helaas werd de voorstelling ontsierd door een niet meer dan adequate Ermanne Mauro als Pollione.
Margherita Rinaldi (eindelijk weer eens een sopraan) klinkt jong als Adalgisa en Scotto is, volgens vele critici, de eerste Norma na Callas die schijnt te weten waar het over gaat. Orkestraal behoort deze opname tot mijn top drie, maar het geluid is jammer genoeg niet echt geweldig.
Scotto in ‘Dormono entrambi’ in 1978:
In 1980 nam Scotto de opera in de studio op (Sony SM2K 35902), onder leiding van James Levine. Op haar vertolking valt weinig op te merken al is het ‘staal’ in haar stem soms bijzonder pijnlijk. Ook de Adalgisa (onwaarschijnlijk mooie Tatiana Troyanos) is absolute top. Maar Giuseppe Giacomini (Pollione) stelt niet veel voor en Levine dirigeert veel te zwaar en overdramatisch.
Het is wellicht de meest gespeelde en opgenomen opera, maar echt goede uitvoeringen zijn schaars.
Sarah Bernhardt als Marguerite Gautier in La Dame aux Camélias
Grotendeels ligt het aan de eisen die Verdi aan de sopraan stelt. In de eerste akte moet ze over soepele coloraturen met erbij behorende hoge noten beschikken, in akte twee moet haar stem voornamelijk lyrisch klinken, met perfecte overgangen. Het is de akte waarin ze van een ietwat ingeslapen, maar zielsgelukkige en liefhebbende vrouw tot een echte opofferingsgezinde heldin transformeert. De akte waarin ze ons moet overtuigen dat er voor haar geen andere uitweg bestaat dan voor het slachtofferrol te kiezen. De derde akte is een ware beproeving, want hier moet ze al haar (voor zover zij erover beschikt) dramatische kwaliteiten als een tragédienne van het kaliber Sarah Bernhardt laten zien. Hoeveel sopranen kunnen hier aan voldoen?
MARIA CALLAS
Maria Callas als Violetta Valéry
Callas? Natuurlijk zong ze de rol meer dan voortreffelijk; het kon ook niet anders, want alles wat ze aanraakte veranderde in goud. En toch …. La Traviata was niet echt haar ‘ding’. Violetta was een courtisane – één van de hoogste klasse, dat wel, maar La Divina had niets met de promiscue vrouwen, ze pasten niet in haar ideale wereldbeeld. Violetta’s opofferingsgezindheid maakte haar in ieder geval sympathieker dan zo’n Tosca of Carmen (aan beide heeft Callas een gruwelijke hekel gehad), vandaar ook dat zowel de tweede als de derde acte haar beter afgaan dan de eerste. Maar ze blijft er koninklijk bij, veel te koninklijk voor mij, want de “echte “ Violetta was meer een meisje dan een vrouw. Een meisje dat al een lange tijd ziek is (haar ziekte begint nog vóór de opera), waardoor haar sterfscène niet uit de lucht valt. Dat ze sterven gaat weten wij al vanaf het begin, al blijven we, tegen beter weten in, hopen op een wonder.
Laatste scene uit Lissabon 1953:
ILEANA COTRUBAS
Eigenlijk zijn er maar twee zangeressen die me van het begin tot het eind overtuigen, althans op cd’s: Ileana Cotrubas en Renata Scotto.
Cotrubas had het geluk om de opera onder Carlos Kleiber op te nemen, orkestraal wellicht de mooiste Traviata ooit (DG 415132). Vanaf het begin is zij voelbaar zwak en ziek, haar overgave aan liefde is totaal, en haar ontgoocheling dodelijk.
Alfredo is, sinds zijn roldebuut op 20-jarige leeftijd in Mexico, altijd Domingo’s paradepaardje geweest. Zijn fluweelachtige, warme tenor leek geschapen om de rollen van goedbedoelende minnaars te zingen. Sherrill Milnes zingt een strenge, autoritaire vader Germont, met wie je niet in discussie gaat, maar die zich in de laatste scènes ook van zijn menselijke kanten laat zien.
RENATA SCOTTO
Renata Scotto heeft (of moet ik zeggen: had?) iets wat weinig andere zangeressen bezaten: een perfecte techniek die haar in staat stelde om met coloraturen te strooien alsof het niets was. Haar hoge noten klonken weliswaar een beetje staalachtig maar waren ontegenzeggelijk loepzuiver. Zij bezat de gave om met haar stem (en niet alleen maar met haar stem!) te acteren, en door haar perfecte articulatie kon je niet alleen letterlijk volgen wat ze zingt, maar het ook begrijpen.
Haar wellicht mooiste (er bestaan meerdere opnames met haar) Violetta nam ze in 1963 op (DG 4350562), onder de zeer spannende leiding van Antonino Votto. Alfredo wordt er gezongen door de zoetgevooisde Gianni Raimondi, en Ettore Bastianini is een warme, inderdaad vaderlijke, Giorgio Germont.
En denk maar niet dat de voorstellingen vroeger, toen alles nog volgens het boekje gebeurde, statisch en saai waren! In 1973 was La Scala op tournee in Japan, en daar, in Tokyo, werd een legendarische voorstelling van La Traviata opgenomen (VAI 4434).
De hoofdrollen werden vertolkt door de toen nog ‘volslanke’ Renata Scotto en de 27-jarige (!) José Carreras. DVD vermeldt geen naam van de regisseur, wellicht was er ook geen, en de zangers (en de dirigent) hebben het allemaal zelf gedaan? Hoe dan ook, het resultaat is werkelijk prachtig, ontroerend en to the point. Ik ga er verder niets meer over vertellen, want deze opname is een absolute must voor iedere operaliefhebber.
Finale van de opera:
TERESA STRATAS
Tot slot: wellicht zijn de puristen het niet mee eens, maar de in 1983 gerealiseerde verfilming van de opera door Franco Zefirelli, met Teresa Stratas en Plácido Domingo in de hoofdrollen (DG073 4364), hoort in ieders verzameling thuis. Toegegeven – Zefirelli permitteert zich coupures en kort scènes in, maar zijn sfeertekening en milieuportrettering zijn onnavolgbaar, en de spanning is om te snijden. Wat ook op het conto van de voortreffelijke zangers/acteurs toegeschreven moet worden
PATRICIA CIOFI 2004
De productie uit Venetië in november 2004 in de regie van Robert Carsen werd gemaakt voor de heropening van de acht jaar eerder totaal afgebrande La Fenice. Er werd gekozen voor de eerste versie van de opera, uit 1853. Goed bedacht, daar de (toen mislukte) première van wat Verdi’s meest geliefde opera ooit zal worden, juist daar had plaatsgevonden. De grootste verschillen met de ons bekende, één jaar latere versie zitten in het duet tussen Violetta en vader Germont, en de twee laatste nummers van de derde akte.
Als geen andere opera kán Traviata geactualiseerd worden. Het was overigens Verdi’s wens om haar in hedendaagse kostuums op te voeren. In de regie van Carsen draait alles om geld, en de dollars vallen ook als bladeren van de bomen. Hij verplaatst de tijd van handeling naar de jaren tachtig van de vorige eeuw, de tijd van opkomende megasterren, supermodels, gigaparty’s, maar ook junks, kraakpanden en aids. Zoals altijd bij hem, is alles zeer logisch en consequent doorgevoerd..
Een absoluut hoogtepunt is het beginscène van de laatste acte, waarin de inmiddels totaal (ook letterlijk!) aan de grond geraakte Violetta een video van haar verleden bekijkt. Een video die op bepaald moment stopt en alleen maar “sneeuw” vertoont. De scène grijpt je naar je keel en laat je nooit meer los. Het toppunt van de goede moderne regie.
Violetta wordt zeer aangrijpend vertolkt door de zowel vocaal als scenisch imponerende Patricia Ciofi. Als Alfredo komt de Italiaans-Duitse tenor Roberto Sacca zeer overtuigend over en Dmitri Hvorostovsky is een voortreffelijke vader Germont (Arthaus Musik107227 )
Laatste zeven minuten van de productie:
EVA MEI 2005
In 2005 werd tijdens de Zürcher Festspiele een Traviata in de regie van Jürgen Flimm opgenomen (Arthaus Musik 101247). De prachtige decors van de hand van Erich Wonder zijn spaarzaam, maar er is wel een bed. Waren bij Carsen alle personages voor een deel zelf debet aan het drama, bij Flimm is het duidelijk pappa Germont wiens schuld het allemaal is.
Eva Mei is vocaal bijna net zo goed als Ciofi en Piotr Beczała is een pracht van een Alfredo. Met zijn lyrische tenor die het midden houdt tussen Gedda en Wunderlich klinkt hij veel mooier dan Sacca. Samen met Eva Mei vormen zij een wat romantischer paar dan Sacca en Ciofi, maar die zijn dan weer veel en veel dramatischer. Thomas Hampson zet een zeer onsympathieke papa Germont neer, maar dat was natuurlijk de bedoeling. Zeer spannend.
Eva Mei en Piotr Beczała:
ANGELA GHEORGHIU
Violetta is altijd het paradepaardje van Gheorghiu geweest. Vanaf haar debuut in het Londense ROH in 1994 tot niet zo lang geleden liep de rol als een rode draad door al haar optredens heen.
Maar kleine meisjes worden groot en het zingen van zwaardere rollen is niet zo bevorderlijk voor de coloraturen. In 2007 had haar inmiddels een beetje scherpe sopraan veel donkere ondertonen gekregen, wat op zich helemaal niet verkeerd is, en zeker op zijn plaats is in de derde acte.
Gheorghiu is altijd al een zeer overtuigende actrice geweest, en hier, onder de behoedende (en behoudende) oog van de regisseur Liliana Cavani, doet zij wat de componist van haar verlangt en sterft een mooie en dramatische dood.
Ramón Vargas was Alfredo toen al een beetje ontgroeid, maar Roberto Frontali zingt een zeer fraaie Giorgio Germont.
Lorin Maazel is niet de meest sprankelende dirigent die we kennen, maar de productie uit La Scala is ware een lust voor het oog. (Arthaus Musik 101343).
NATALIE DESSAY 2011
Ik ben een groot bewonderaar van Natalie Dessay. Zij is een voortreffelijke zangeres en actrice en weet zowat alles, inclusief het telefoonboek, aannemelijk te maken. Maar zelfs voor haar is er een grens en die houdt wat mij betreft bij Violetta op. Voor de eerste acte zijn haar coloraturen niet meer toereikend en voor de rest moet zij het van haar (toegegeven: grandioos!) toneelspel hebben.
Charles Castronovo zingt mooi, maar moet het voornamelijk van zijn (ja, zeer fraaie, dat geef ik ook toe) uiterlijk hebben. Ludovic Tézier oogt te jong voor de rol van pappa Germont.
Steeds vaker verlang ik naar de tijden van Sutherlands, Caballé’s en Pavarotti’s. Toen kon je het beeld (mocht er een beeld bij zijn) uitzetten en gewoon genieten, tegenwoordig moet je steeds vaker het geluid uitzetten om van mooie mensen te genieten. Kan ik net zo goed naar een soapserie kijken.
Niet aan mij besteed, maar wellicht denkt u er anders over (Virgin Classics 7307989)
BEVERLY SILLS
Een p.s.: mis de prachtige hommage aan Beverly Sills, Made in America (DG 0734299) niet, met een keur aan schitterende archiefbeelden, waaronder ook haar La Traviata met Ettore Bastianini.
La Forza del Destino (De macht van het noodlot) gaat over – hoe raad u het? – de macht van het noodlot. En over de gewroken eer.
Alvaro, Peruaanse prins van een Inca afkomst reist incognito door Spanje om eerherstel van zijn ter dood gebrachte ouders te bewerkstelligen. Onderweg wordt hij verliefd op een dochter uit een welgestelde adellijke familie, de liefde is wederzijds, maar de kans om te kunnen trouwen nihil: zie hier de ultieme liefdesdrama. De geliefden besluiten te vluchten en vanaf hier neemt noodlot het heft in handen en bezorgt ons een onwaarschijnlijke reis door tijd en plaatsen.
Daar er niets gebeurt zonder reden, hier de belangrijkste: dankzij het ietwat warrige, maar o zo mooie drama heeft Verdi ons leven verrijkt met één van de mooiste opera’s ooit, met onvergetelijke aria’s en duetten en dé ouverture. En dan te bedenken dat het voorspel er aanvankelijk niet in zat!
Bij de première in 1862 in Sint Petersburg werd de opera nog vooraf gegaan door een korte prelude. Pas zeven jaar later, toen Verdi de opera nog eens ter hand heeft genomen, verving hij de prelude door de ons overbekende ouverture.
Petersburg 1995
Van de eerste, Petersburgse versie bestaat een zeer goede uitvoering: de door Valeri Gergiev gedirigeerde en met de sterzangers van het Mariinski Theater bezette opname uit 1995. Deze opname is een absolute must. Niet alleen omdat het om de oorspronkelijke versie gaat, maar ook omdat de uitvoering weergaloos is.
Gergiev dirigeert zeer ferm en de drama is zinderend. Gegam Grigorian is een fenomenale Alvaro, voor mij is hij zonder meer één van de allerbeste vertolkers van die rol.
Galina Gorchakova overtuigt als een verscheurde Leonora en Nikolai Putilin is een prima Carlo. De opname is waarschijnlijk moeilijk verkrijgbaar, maar u kunt het in zijn geheel beluisteren op Spotify.
De Amerikaanse tenor was één van de beste Alvaro’s in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Als je goed naar zijn opnamen luistert dan weet je meteen waarom: Tucker beschikte over een grote, goed gevoerde en sterk resonerende spinto-tenor, met warme en emotionerende ondertonen. Hij heeft de rol vaak gezongen en daar bestaan een paar opnamen van.
In 1954 zong hij de rol tegenover Leonora van Maria Callas. Hoe ik ook mijn best niet doe: van haar Leonora word ik niet echt warm. Sterker, zij irriteert mij. Maar toegegeven, haar ‘La Vergine degli Angeli’ klinkt prachtig, iets wat ik voornamelijk op conto van de ongekend ontroerend dirigerende Tulio Serafin schrijf.
Terug naar Tucker: luister even naar ‘Solenne in quest’ora‘, het duet tussen Alvaro en Carlo (schitterende Carlo Tagliabue):
wedden dat je de hele wereld vergeet? (Warner 5646340002)
Zes jaar later, in 1960 zong Richard Tucker de rol van Alvaro in Buenos Aires. Zijn grote aria ‘La vita è inferno’ klinkt nog indrukwekkender dan bij Serafin. Wie hier niet geroerd door raakt, heeft geen hart. Zo denkt ook het Argentijnse publiek er zeer hoorbaar over en trakteert hem op een enorm applaus.
Zijn Leonora is niemand minder dan onze eigen Gré Brouwenstein. Het is heel erg jammer dat de kwaliteit van de opname veel te wensen overlaat, want wat Brouwenstein hier laat horen is op zijn minst bijzonder.
Aldo Protti is een niet helemaal overtuigende Carlo, maar Mignon Dunn is een meer dan spannende Preziosilla. Fernando Previtali dirigeert zeer behoedzaam (Archipel WLCD 0310)
We schuiven nog eens vijf jaar vooruit. In 1965 mocht Tucker zijn Alvaro in de studio van RCA opnemen. In die opname klinkt hij iets minder betrokken dan in Buenos Aires, geen wonder, live is immers live. Hij klinkt ook milder, alsof hij heeft besloten in zijn lot te berusten. Wat eigenlijk ook zo was.
Leonora werd onvoorstelbaar prachtig gezongen door Leontyne Price en Robert Merrill (Carlo) geeft een openbare masterclass in het ‘Verdi-zingen’.
Robert Merrill zingt ‘Morir! Tremenda cosa!’
Tel daarbij een speelse en sexy Preziosilla van Shirley Verett en uw avondje ‘Noodlot’ kan niet meer stuk.
Thomas Schippers dirigeert voortreffelijk (ooit RCA, tegenwoordig waarschijnlijk Briljant Classics).
Plácido Domingo
In de opname uit Buenos Aires uit 1972 komen we Fernando Previtali weer eens tegen. Twaalf jaar later nam hij de tempi iets sneller, waardoor in ieder geval de ouverture wat prettiger klonk. Leonore werd gezongen door de Amerikaanse Martina Arroyo, een prachtige donker gekleurde sopraan.
Plácido Domingo als Alvaro, 1972
De rol van Alvaro markeerde het Argentijnse debuut van Plàcido Domingo en dat is de voornaamste reden voor het beluisteren van deze zeer slecht klinkende opname (Arkadia HP 612.3). Wat u hoort is een jonge, krachtige stem, misschien een tikkeltje te onstuimig maar o zo verschrikkelijk mooi!
In 1976 werd de opera door de toenmalige RCA opgenomen, met in de hoofdrollen, naast Plácido Domingo en een fenomenale Leontyne Price (Leonora) een niet minder spectaculaire Sherrill Milnes als Carlo. Domingo en Milnes waren een “match made in heaven”: hun stemmen kleurden mooi bij elkaar en ze wisten elkaar te stimuleren.
Domingo en Milnes zingen ‘Solenne in quest’ora’ in een recital in 1983, Levine dirigeert:
Bonaldo Giaiotti was al bij Previtali in Buenos Aires een zeer goede Fra Guardiano, maar hier kun je pas zijn geweldige stem naar waarde schatten. Vergeet ook Preziosilla van Fiorenza Cossotto en de spannende directie van Levine niet!
Tien jaar later mocht Domingo zijn Alvaro nog een keer in de studio herhalen, nu onder leiding van Riccardo Muti en deze opname mag in uw verzameling beslist niet ontbreken. Er zijn weinig dirigenten die Verdi zo op de huid weten te dirigeren, zeker tegenwoordig.
Mirella Freni is een niet echt idiomatische Leonora, maar zij zingt ontegenzeggelijk mooi, zoals altijd eigenlijk.
Domingo klinkt hier volwassener, edeler, meer ‘prinswaardig’, zeg maar, maar dat naïef-jeugdige, dat is hij hier een beetje kwijt. Giorgio Zancanaro is een mooie Carlo, maar zelf had ik graag wat meer expressie gehoord. Met Sesto Bruscantini is de rol van Fra Melitone grappiger dan het eigenlijk de bedoeling was, denk ik (ooit EMI)
DVD
Napels 1958
En op dvd? Hier kan ik heel erg duidelijk over zijn: koop de opname uit Napels 1958 (Hardy Classics HCD 4002). Never mind de fletse zwart-wit beelden en de slechte mono-geluid: deze opname moet u hebben!
Het begin alleen al: pam! Pam! Pam! Die staat! Francesco Molinari Pradelli kent zijn vak. Wat zich erna ontpopt is een wereld die allang niet meer bestaat, een wereld vol volmaakte (opera)magie.
Bij haar eerste aria al, ‘Me pellegrina ed orfana’ laat Renata Tebaldi je met je mond open en ogen vol tranen achter. Wakker geschud worden we pas als haar minnaar in de gedaante van Franco Corelli via het balkondeur haar kamer en onze harten binnenloopt.
Kijk: met deze Alvaro zou ik zelfs naar de hel kunnen lopen, mocht de hel bestaan. Dat je onderweg de duivel zelf in de gedaante van Ettore Bastianini (Carlo) tegenkomt maakt de feest alleen maar compleet.
Hieronder zingt Tebaldi ‘La vergine degli angeli’:
Alle duivels! Dat, dames en heren, dat heet zingen. Daar neem je de boordkartonnen decors en de – helaas – vele coupures voor lief.
München 2015
Arme zangers. Tegenwoordig moeten ze voornamelijk mooi zijn en zich naar de wensen van de regisseur schikken. Mochten ze nog kunnen zingen dan is dat meegenomen, noodzakelijk is het niet.
Nu moet ik eerlijkheidshalve zeggen dat regisseurs vaak hun best doen om het zingen zo goed mogelijk te belemmeren. Zo’n regisseur is de Oostenrijkse Martin Kušej. In München 2015 maakte hij van ‘La Forza del destino’ een soort psychologische familiedrama aan tafel (te veel naar Tcherniakov gekeken?), gelardeerd met religieus fanatisme.
Het kan dus aan de regie liggen dat Jonas Kaufmann (Alvaro) sterk onder zijn niveau presteert.
Anja Harteros zingt onwaarschijnlijk prachtig, maar om er van te kunnen genieten moet men de ogen dicht doen (Sony 8875160649))
Leyla Gencer:
En, omdat ik het voornamelijk over de ‘heren’ heb gehad: als uitsmijter mijn geliefde uitvoering van ‘La Vergine degli angeli’ door Leyla Gencer:
‘Bella Figlia dell’Amore’ scène, afgebeeld door Roberto Fossi in één van de vroegste edities van de score
“Dit is mijn beste opera”, zei Giuseppe Verdi na de première. En voegde er aan toe dat hij “waarschijnlijk nooit nog zo iets moois zou kunnen schrijven”. Dat het met het ‘nooit’ wel meeviel, dat weten we nu wel, maar toen moest er toch echt een soort elektrische schok door het publiek zijn gegaan. Zelfs nu, meer dan 170 jaar na de première blijft Rigoletto de opera-hitlijsten ever aan te voeren. Ik vraag mij dan ook oprecht af of er nog operaliefhebbers bestaan die niet minstens één opname van de ‘Verdi-cracker’ op de plank hebben staan.
Ontwerp van Giuseppe Bertoja voor de wereldpremiere van Rigoleto (tweede scène van de eerste akte)
CD’S
Ettore Bastianini
Mijn grootste favoriet aller tijden is een Ricordi opname uit 1960 (tegenwoordig Sony 74321 68779 2), met een absoluut niet te evenaren Ettore Bastianini in de hoofdrol. Zijn Rigoletto is zo warm en menselijk, en zo vol opgekropte frustraties, dat zijn roep om “vendetta” niet anders dan logisch is.
Renata Scotto zingt een meisjesachtig naïeve Gilda, die door de liefde voor de verkeerde man omgetoverd wordt in een volwassen vrouw. Als geen ander snapt ze, dat het hele gedoe met wraak nergens toe kan leiden en offert zichzelf op, om al dat bloedvergieten en haat te stoppen.
Alfredo Kraus is een Duca uit duizenden: elegant en afstandelijk, hoffelijk en koud als een kikker. Niet zozeer gemeen, maar totaal ongeïnteresseerd en daardoor des te gevaarlijker.
Een sonore Yvo Vinco (Sparafucile) en lekker ordinair verleidelijke Fiorenza Cossotto (Maddalena) zijn ook niet te versmaden, en het geheel wordt zeer geïnspireerd gedirigeerd door Gianandrea Gavazzeni. Jammer genoeg is het geluid niet al te best, maar een echte liefhebber neemt het voor lief.
Bastianini en Scotto in de finale:
Piero Cappuccilli
Mijn andere grote favoriet is de in 1980 opgenomen uitvoering onder Carlo Maria Giulini (DG 457 7532). Ileana Cotrubas is de vleesgeworden Gilda. Ze is niet echt een stemacrobaat à la Gruberova, geen kwinkelerende ‘kanarie’ als Lina Palliughi, beslist minder dramatisch dan Callas (terecht, een Gilda is geen Leonora) en wellicht niet zo briljant als Sutherland, maar wat een inlevingsvermogen! Wat een inzet! Wat een tekstbegrip! Haar Gilda, in tegenstelling tot die van Scotto, wordt nooit volwassen, en haar offer is tienermeisjes eigen: onzinnig en zinloos en zo des te ontroerender.
De Duca wordt gezongen door Plácido Domingo, niet echt mijn favoriet voor die rol, al valt er op zijn zang helemaal niets aan te merken. Piero Cappuccilli is een werkelijk fenomenale Rigoletto, zo worden ze niet meer gemaakt.
Maar we moeten Giulini niet vergeten, want zo liefdevol zoals hij met de partituur omgaat… Nee.. mooier kan niet.
Tito Gobbi
De opname met Maria Callas uit 1955 (Warner Classics 0825646340958) onder leiding van Tulio Serafin klinkt behoorlijk dof. Giuseppe Di Stefano is een zowat perfecte Duca: een verleidelijke macho, vriendelijk en totaal onbetrouwbaar. Dat zijn hoge noten in ‘Questa o Quella’ er wat uitgeknepen uitkomen, ach… het zij hem vergeven.
Tito Gobbi is gewoon onnavolgbaar. Waar vind je nog een bariton met zoveel uitdrukkingen tot zijn beschikking? Dit is geen zingen meer dit is een les in met je stem acteren! Waar u de opname ook voor zou moeten hebben is Nicola Zaccaria als Sparafucile. Onvergetelijk.
En Callas? Tja…. te volwassen, te dramatisch, te aanwezig.
Gobbi en Callas zingen ‘Si, vendetta! Tremenda vendetta’:
Sherrill Milnes
Joan Sutherland is een ander verhaal. Licht van stem, sprankelend en onbeschrijfelijk virtuoos maar een onnozele teenager? Nee.
Luciano Pavarotti is denk ik één van de beste en de meest ideale Duca’s uit de geschiedenis. Er zit iets aantrekkelijk vulgair in zijn stem wat hem seksueel begeerlijk maakt waardoor zijn ettelijke veroveringen makkelijk zijn te verklaren.
Sherrill Milnes is een ontroerende nar, die maar nergens een echte nar wil worden: hoe goed hij zijn best ook niet doet, hij blijft een liefhebbende vader.
Matteo Manuguerra
Tegenwoordig kent bijna niemand hem meer, maar in de jaren zeventig gold de in Tunesië geboren Manuguerra als één van de grootste vertolkers van zowel het belcanto als het verisme. En Verdi, uiteraard, want zijn mooie, warme, soepel gevoerde stem stelde hem in staat om makkelijk van genres te wisselen.
Maar goed, deze piratenopname (het is ook als cd te koop) beluistert u natuurlijk voornamelijk vanwege Cristina Deutekom. Luister even hoe zij in het kwartet ‘Bella figlia dell’amore’ met een adembenemend portamento naar de hoge D gaat vanuit het borstregister. Dat doet niemand haar na. Daarvoor neemt u de schreeuwerige en ondermaatse Duca van Giuliano Ciannella op de koop toe. Het geluid is abominabel slecht, maar ja: je bent een fan of niet?
DVD’S
John Dexter
De productie uit 1977 uit de Metropolitan Opera (DG 0730939) is – uiteraard – traditioneel. Aanvankelijk had ik moeite met de close ups, waardoor al die opgeplakte neuzen en dik geschminkte gezichten veel te zichtbaar waren. Maar gaandeweg gaf ik me gewonnen aan de prachtige regie en scenografie die me, samen met de echte zestiende-eeuwse kostuums, al gauw deden denken aan de schilderijen van Giorgione. Dat dat inderdaad de bedoeling was, bleek aan het eind, gemodelleerd naar zijn ‘La Tempesta’, inclusief het landschap en de door de bliksems getekende hemel. Maar voor het zover was, knielde Rigoletto met de dode Gilda (in het blauw, jazeker!) in zijn armen gelijk de “Piëta” van Michelangelo, en zocht ik naar een zakdoek want inmiddels was ik in tranen uitgebarsten.
Cornell MacNeil kende zijn betere dagen en begon nogal vals, maar halverwege de eerste akte was er niets meer op zijn zang aan te merken. En in de tweede akte zong hij zowat de indrukwekkendste ‘Cortigiani’ die ik ooit hoorde, daarbij geweldig geholpen door de zeer spannende begeleiding van Levine. Let u maar op, hoe hij het woord ‘dannati’ uitspreekt. Kippenvel.
Het is een enorm plezier om een jonge Domingo te zien en horen: lang, slank en knap, en met een stem die hoorbaar geen beperkingen heeft, maar …. Een Duca wordt hij nergens. Hoe hij ook zijn best doet – zijn ogen blikken vrolijk en aardig, en zijn lippen krullen zich voortdurend in een vriendelijke glimlach. Een “lover boy”, dat wel, maar zonder kwade bedoelingen. En dat weet hij zelf, want hij heeft die rol maar heel erg weinig gezongen. Eigenlijk haat hij Duca, dat zegt hij tenminste in een interview in een “bonus” op de DVD.
Ileana Cotrubas is onvoorstelbaar ontroerend en haar interpretatie is nog indrukwekkender dan op de cd. Ook hier klinkt ze als een jong en onschuldig meisje, maar in de laatste akte wordt ze een soort Madonna, die zich voor de hertog (lees: de mensheid) gaat opofferen. Dat blijkt ook uit haar nadrukkelijk gezongen “per lui”, en dat verklaart ook de logica van het ‘omgekeerde’ Piëta. (DG 0730939)
Fragment uit de tweede akte:
Charles Roubaud
Veel goeds heb ik gehoord over de voorstelling in de arena in Verona in 2001. De recensies van de voorstellingen waren lovend, en ook over de DVD (Arthaus Musik 107096) was men in het algemeen zeer positief. Het zal dus aan mij liggen, maar ik vind het maar niks.
Het decor is zeer spaarzaam en doet heel erg minimaal aan op het grote toneel. Het doet nog het meest denken aan blokkendozen, maar als de camera dichterbij komt (en soms komt die te dichtbij!) blijken het muren te zijn, die aan het einde heel erg vernuftig dichtgaan – net een toneeldoek, wel een leuke vondst. De kostuums zijn min of meer oké, maar echt schitterend kan ik ze ook niet vinden. En de bochel van Rigoletto is ronduit bespottelijk.
Leo Nucci behoort tot de grote Verdi baritonen van onze tijd maar op de dvd klinkt zijn stem alles behalve fraai en in zijn eerste scènes lijkt het alsof hij aan sprechgesang doet. Zeker, zijn portrettering is beslist indrukwekkend te noemen, maar ik heb hem al beter gezien. Het publiek is wel degelijk enthousiast, en dwingt hem ‘La Vendetta’ aan het eind van de tweede acte te bisseren.
Het is niet de laatste toegift deze avond: ook Aquiles Machado (Duca) herhaalt met zichtbaar plezier zijn, in mijn oren uitgebrulde, ‘La donna e mobile’. Het schijnt een traditie te zijn.
Dat hij er niet uitziet….. tja, daar kan hij niets aan doen. Erger is het dat zijn Duca niet meer is dan een domme macho (what’s in a name?) en dat zijn luide, op zichzelf prima lyrische stem met solide hoogte maar één kleur kent.
De Albanese Inva Mula doet werkelijk haar best om zo mooi mogelijk te zingen en zo mooi mogelijk er uit te zien, en dat lukt haar wonderwel. Alle coloraturen zijn er, en ook al die hoge noten. Haar pianissimo is adembenemend, daar is dus niets op aan te merken. Maar – het laat me koud, zo bestudeerd klinkt het.
Marcello Viotti klinkt niet echt geïnspireerd en zijn haastige tempi leiden tot een lelijke ‘Cortigiani, vil razza dannata’, normaliter één van de ontroerendste momenten uit de opera.
Leo Nucci en Inva Mula in ‘Si Vendetta’:
Gilbert Deflo
Soms denk ik dat sommige operaregisseurs al dat gedoe met actualisering en conceptualisme zelf moe zijn geworden en teruggrijpen naar waar het allemaal om gaat: de muziek en het libretto. Zo ook de Belgische Gilbert Deflo, die in 2006 in Zürich een Rigoletto heeft gerealiseerd waarbij je het, was het verhaal daar niet te droevig voor, zou willen uitschreeuwen uit puur kijkplezier (Arthouse Musik 101 283). Hij (en zijn team) creëerden een ouderwets mooie, intelligente enscenering, met veel verrassende details en spaarzame, maar doeltreffende decors. De prachtige kostuums kunnen van alle tijden zijn, maar de hoofdpersonages wijken niet van het libretto af: de nar heeft een bochel en de bijbehorende complexen, het meisje is naïef en opofferingsgezind, en de verleider bijzonder aantrekkelijk en charmant.
Piotr Beczała, met zijn voorkomen van een vooroorlogse filmamant roept (ook qua stem) reminiscenties op van Jan Kiepura. Elena Moşuc is een zeer virtuoze, meisjesachtige Gilda, en Leo Nucci overtreft zichzelf als een verbitterde en gekwelde Rigoletto – voor zijn hartverscheurend gezongen ‘Cortiggiani’ wordt hij terecht beloond met een open doekje.
Nello Santi belichaamt de oude belcantoschool, die men tegenwoordig nog maar zelden hoort.
Beczala, Nucci, Mosuc en Katharina Peets in ‘Bella Figlia del’amore’:
Michael Mayer
Tijden veranderen en het ‘regietheater’ heeft inmiddels ook de New-Yorkse Metropolitan bereikt. Ze gaan nog niet zo ver als hun Europese collega’s, maar actualiseren of het libretto naar een concept kneden mag inmiddels wel.
In 2013 maakte Michael Mayer er een “Rat Pack ‘Rigoletto’” die zich in de vijftiger jaren Las Vegas afspeelt en waarin Piotr Beczała (Duca), gewapend met een witte smoking en een microfoon, gemodelleerd is naar Frank Sinatra (of is het Dean Martin?). Beczała speelt zijn rol van de verleidelijke entertainer voor wie ‘questa of quella’ inderdaad om het even zijn meer dan voortreffelijk.
Diana Damrau blijft een kwestie van smaak: virtuoos maar verschrikkelijk chargerend.
Zjeljko Lučić laat mij zijn voorgangers niet vergeten, maar tegenwoordig is hij zonder meer één van de beste Rigoletto’s. De jonge bas Štefan Kocán is een echte ontdekking. Wat een stem! En wat een presence! De productie is leuk en boeiend, maar je kan niet ontkennen dat je de logica vaak ver moet zoeken.
Piotr Beczała zingt ‘Questa o quella’:
‘La Donna e mobile’ in anderhalve minuut, gezongen door vijf tenoren:
Victor Borge geeft een speciale behandeling aan ‘Caro Nome’:
Van I Puritani wordt beweerd dat het een echte sopraanopera is, maar dat is niet helemaal waar. Elvira is dan wel de spil waar alles om draait, zij is tevens één van de meest passieve operaheldinnen die ik ken. Alles wat om haar heen en met haar zelf gebeurt, gebeurt ondanks haarzelf, want behalve liefhebben en gek worden schijnt ze niets anders te kunnen..
Het is de bas (haar oom Giorgio), die allerlei plannetjes bedenkt om de actie de gewenste kant op te sturen, en daar wordt hij door Bellini met de mooiste aria (‘Cinta di fiori’) voor beloond. Teneinde de gek geworden sopraan van de wisse dood te redden verzoekt hij de bariton om het leven van de tenor te sparen, wat in een stoere en bloedmooie duet (‘Suoni la tromba’) uitmondt, een echte showstopper. Ook de tenor, die in een vlaag van patriottische waanzin de boel in de war lijkt te sturen, krijgt heel wat mooie (en hoge!) noten te zingen.
Al die rollen vereisen een voortreffelijk belcanto techniek, met goede coloraturen, leggiero en legato. Vergeet ook het gevoel voor drama niet, want wat Bellini (en zijn librettist!) voor de arme sopraan hebben bedacht is niet niets: eerst wordt ze uitzinnig van vreugde, daarna verliest ze haar verstand. Die krijgt ze dan terug om het prompt meteen kwijt te raken. Bent u er nog? Want het is nog niet afgelopen: haar verstand komt terug en ze wordt alweer uitzinnig van vreugde. Oef.. Gelukkig stopt de opera hier, want die arme Elvira kan blijkbaar zo’n kunstje een paar keer per dag herhalen.
CD’S
JOAN SUTHERLAND
Elvira was, net als Lucia, het paradepaardje van Maria Callas en Joan Sutherland, beiden hebben haar ook meerdere mallen opgenomen. In 1974 heeft Richard Bonynge (Decca 4175882) de opera weergaloos opgenomen, met naast Sutherland een sublieme mannen trio: Luciano Pavarotti, Nicolai Ghiaurov en Piero Cappuccilli. Sutherland klinkt als een klein hoopje ellende, en haar virtuositeit kent geen grenzen. Pavarotti bezat nog in die tijd alle hoge noten, die hij dan languit en schijnbaar zonder moeite uitknalt.
MARIA CALLAS
De opname met Callas uit 1953 (Naxos 8110259-60) gaat gebukt onder de misbezetting van Arturo door Giuseppe di Stefano, die de rol in geen opzicht aankan. Maar Nicola Rossi-Lemeni (Giorgio) en Rolando Panerai (Riccardo) zijn voortreffelijk, en Tulio Serafin dirigeert met schwung en zeer theatraal. Helaas is de score niet compleet.
BEVERLY SILLS
Een goed (en compleet!) alternatief is de uit 1973 stammende opname onder Julius Rudel (Westminster 4712072), met een zeer virtuoze Beverly Sills. Arturo wordt hier buitengewoon mooi en elegant gezongen door Nicolai Gedda. Hij heeft een mooie aanloop tot zijn hoge noten, en persoonlijk vind ik het zeer aangenaam om naar hem te luisteren.
Resumerend: het beste bent u uit met de Decca- en Westminster-opname. Hier krijgt u alle muziek, alle hoge noten én de goede mannenstemmen. Maar aangezien Naxos’ opname met Callas in de budgetklasse valt, kunt u het zich permitteren om die erbij te kopen. Vanwege de dirigent, vanwege de bas, maar voornamelijk vanwege La Divina. Want laten we eerlijk zijn – niemand kan zo heerlijk gek worden.
DVD’S
ANNA NETREBKO
Moeilijker wordt het als u het werk op dvd wilt aanschaffen, want geen van beide door mij bekeken uitvoeringen kan ik zomaar aanbevelen. De Metropolitan Opera-productie, gefilmd in januari 2007 (DG 0734421), is ruim 30 jaar oud en was oorspronkelijk gemaakt voor het duo Sutherland/Pavarotti. Wellicht is dit de verklaring voor het totale gebrek aan personenregie?
Monumentale tableaux-vivants zijn het, waar niemand zich schijnt te mogen bewegen. De decors zijn ‘larger then life’ en alle kostuums ‘historisch verantwoord’. Anna Netrebko is zeer tot de verbeelding sprekende Elvira. En al ontbreekt het haar aan trillers, haar topnoten zijn er en haar presentatie (het charisma, hè?) is meer dan overtuigend.
Zowel de bas (John Relyea) als de bariton (Franco Vassallo) zijn redelijk, maar niet meer dan dat. Eric Cutler (Arturo) heeft een aangenaam timbre en hij haalt (al is het met moeite) zijn hoge noten, maar echt spectaculair is het niet.
Netrebko zingt ‘Deh Vieni al Tempio’uit de eerste acte:
EDITA GRUBEROVA
Maar Cutler is in ieder geval beter dan de totaal miscaste José Bros in de vijftien jaar oude productie uit Barcelona (ArthouseMusik107267). Voor Arturo is zijn stem minstens een maatje te klein. Edita Gruberova is een kwestie van smaak. Ik hou niet van haar ‘poesje-mauw-maniertjes’ en vind het geen pretje om naar haar te kijken, maar met de ogen dicht valt er objectief gezien weinig te klagen, want belcanto zingen, ja, dat kan ze wel.
Carlos Álvarez is een eersteklas Riccardo, maar de rest van de cast …. Ach, laten we daarover zwijgen. De regie van Andrei Serban daarentegen is werkelijk subliem en spannend, daar heb ik veel plezier aan beleefd. Een vriend met wie ik keek vatte het zo samen: Netrebko is voor heteromannen en Gruberova (vanwege Álvarez) voor homo’s en vrouwen, maar zo simpel is het natuurlijk niet. Konden we maar knippen en plakken!
MARIELLA DEVIA
Waar u absoluut niet omheen kunt, is een 25 cd’s tellende ‘Bellini box’. Voor rond de 90 euro krijgt u alle opera’s van Bellini, waarvan twee (La Sonnambula, Norma) ook nog eens in twee verschillende uitvoeringen. Veel klinkende namen ook: Callas, Caballé, Scotto, Ciofi, Bernstein…
De meeste opnamen zijn live en de geluids- en uitvoeringskwaliteit is wisselend, maar een kniesoor die daarover valt. Daar zit uiteraard ook I Puritani bij, opgenomen in 1989 in Catania, met Mariella Devia als Elvira. In het begin valt ze een beetje tegen, maar gaandeweg wordt ze steeds beter. Niet alleen heeft ze alle topnoten paraat, ook brengt ze veel (eigen) versieringen mee, en als dat geen art van belcanto is, dan weet ik het niet. Jammer genoeg zijn de mannen niet van hetzelfde niveau, al is Paulo Washington een ontroerende en zeer tot de verbeelding sprekende Giorgio. Op een speciale cd-rom zijn alle libretti bijgesloten. Een MUST! (Dynamic CDS 52/1-25)
In oktober 2015 heeft de Nationale Opera in Amsterdam eindelijk Il Trovatore van Verdi op de planken gebracht. De, toch één van de grootste hits uit het Italiaanse operarepertoire, werd jarenlang daarvoor schromelijk verwaarloosd. Waar het aan ligt?
In ieder geval niet (alleen) aan het libretto. Goed, het is een beetje warrig en niet echt makkelijk om te ensceneren. Zeker met een “conceptuele updating” is de kans groot dat je er helemaal niets van snapt. Ik denk dan ook dat de opera het meeste gebaat is bij een rechttoe rechtaan enscenering, die alle valkuilen van ‘pittoreske zigeunerkampen’ weet te omzeilen. Maar wat je misschien nog wel meer nodig hebt – en dat is wat Trovatore zo lastig maakt – zijn vier of eigenlijk vijf kanonnen van stemmen, gepokt en gemazeld in het ‘Verdi-fach’.
Vaak krijg ik het verwijt dat ik in mijn besprekingen belangrijke zangers vergeet. Men mist Maria Callas. Of Cristina Deutekom. Beiden komen nu wel aan bod. Verder heb ik me deze keer beperkt tot cd-opnamen van 1951-1976. De enige dvd die ik noem, dateert uit 1978.
CATERINA MANCINI, 1951
Heeft u ooit van Catarina Mancini gehoord? De in 1924 geboren sopraan had een echte “voce Verdiane”: haar prachtige hoogte en zuivere coloraturen combineerde zij met een dramatiek waar zelfs La Divina jaloers op kon worden. Zo klinkt ook haar Leonora in de opname uit 1951 Rome (Warner Fonit 2564661890). Buitengewoon. Haar Manrico werd gezongen door de zeer heroïsch klinkende (toen al bijna 60-jarige) Giacomo Lauri-Volpi en Luna door een zeer charismatische Carlo Tagliabue. Miriam Pirazzini (Azucena) completeerde de onder Fernando Previtali zeer indrukwekkend gedirigeerde geheel.
Hieronder de eerste akte van de opera:
Fragmenten op Spotify:
LEONTYNE PRICE en FRANCO CORELLI, 1961
Met hun live voor Sony opgenomen optreden in 1961 maakten zowel Leontyne Price als Franco Corelli hun debuut bij de Metropolitan Opera. Corelli is voor mij, naast Del Monaco en Domingo, de beste Manrico ooit. Zeer masculien en zeer sexy, daar kun je als vrouw amper weerstand tegen bieden.
Mario Sereni en Irene Dalis zijn zeer adeqeuaat als respectievelijk Luna en Azucena en het is een grote vreugde om in de kleine rol van Inez niemand minder dan Teresa Stratas te ontdekken. En Charles Anthony als Ruiz mogen we niet vergeten (Sony 88697910062).
Hieronder een fragment van deze opname:
LEONTYNE PRICE en PLÁCIDO DOMINGO, 1970
De 19 jaar later voor RCA gemaakte opname laat een rijpere Price horen, maar haar geluid is Een negen jaar later voor RCA opgenomen Trovatore laat een rijpere Leontyne Price horen, maar haar geluid is nog steeds dat van een opgewonden tiener, met zowat de meest perfecte Verdiaanse ‘morbidezza’. Haar ‘D’amor sull’ali rosee’ lijkt net een gebedje, om te huilen zo mooi.
Deze Trovatore was de allereerste opera die Plácido Domingo, toen 28 (!), in de studio opnam. Fiorenza Cossotto schittert als Azucena, maar wat de opname echt onontbeerlijk maakt, althans voor mij, is één van de verrukkelijkste Luna’s ooit: Sherrill Milnes (88883729262).
Hieronder Price, Domingo en Milnes in ‘E deggio e posso crederlo’:
LEYLA GENCER, 1957
Ik denk niet dat ik u Leyla Gencer moet voorstellen. De Turkse diva geniet een cultus die alleen met die van Olivero en Callas is te vergelijken. Haar soepele, ronde en heldere stem – met pianissimi waarmee ze zich met Montserrat Caballé kon meten – maakten haar buitengewoon geschikt voor opera’s van Verdi. Haar Leonora is gewoon volmaakt: mooier krijgt u het niet.
Ik denk ook niet dat er ooit een betere, mooiere en indrukwekkender Luna is geweest dan Ettore Bastianini. Del Monaco is verder een zeer macho Manrico. Zijn stralende hoogte in ‘Di quella pira’ vergoedt zijn soms weinig genuanceerde interpretatie.
Fedora Barbieri imponeert als Azucena en Plinio Cabassi is een Ferrando om te zoenen. De opname is gemaakt in Milaan in 1957 (Myto 00127).
MARIA CALLAS, 1956
Een probleem in de door Herbert von Karajan in 1956 zeer spannend gedirigeerde opname heet Giuseppe di Stefano. Mooi is hij wel, maar voor Manrico ontbreekt het hem aan kracht.
Fedora Barbieri komt hier nog beter tot haar recht dan op de Myto opname, wat onder andere aan de veel betere geluidskwaliteit kan liggen. Rolando Panerai is een solide Luna, maar van zijn “Il balen” word ik warm noch koud, zeker met Bastianini en Milnes in mijn oren.
En Maria Callas? Callas blijft Callas. Overdramatisch. Haar Leonora is allesbehalve een verliefde puber. Haar ‘D’amor sull’ali rosee’ is meer dan prachtig, volmaakt bijna, maar het laat mij volstrekt koud (Warner 5099964077321).
Hieronder Callas in ‘D’amor sull’ali rosee’:
GRÉ BROUWENSTIJN, 1953
Het is bijna niet te geloven, maar er waren tijden dat zelfs een opera als Il Trovatore bezet kon worden met louter Nederlandse zangers. Die hoor je ook allemaal in het door Osteria (OS-1001) in het Amsterdamse Schouwburg in 1953 live opgenomen voorstelling.
De Azucena van Annie Delorie valt mij een beetje tegen, maar de mij onbekende Gerard Holthaus (is er iemand die mij iets meer over hem kan vertellen?) is een verrassend mooie Luna.
Gré Brouwenstijn is zonder meer fantastisch als Leonora. En toch… haar ‘Tacea la notte placida’ dringt niet echt door tot mijn ziel. Mario Cordone behoorde helaas niet tot de allerbeste dirigenten ter wereld en dat is jammer: soms krijg ik het gevoel dat hij een belemmering is voor de zangers.
Geef mij maar Cristina Deutekom! In de opname uit 1976 (Gala GL 100.536) weet zij mij volkomen te overtuigen en tot diep in mijn hart door te dringen. In tegenstelling tot Callas die in alles wat zij zingt gewoon Callas blijft, is zij Leonora. Met haar vederlichte coloraturen klinkt zij precies zoals ik mij een Leonora voorstel: een jong, verliefd meisje met sterke neiging tot overdrijven. Dat laatste in het beste betekenis van het woord.
Ook Jan Derksen is een Luna om rekening mee te houden en stiekem vind ik hem misschien nog beter dan Bastianini en Milnes. Zijn “Il balen” behoort tot de beste versies van de aria die ik ooit gehoord had.
Carolyne James is een okay Azucena, maar de reden dat de opname niet mijn absolute nummer één is komt door de zeer lullig (sorry!) klinkende Juan Lloveras (Manrico).
RAINA KABAIVANSKA, 1978
Il trovatore was één van de lievelingsopera’s van Von Karajan. In 1962 regisseerde hij een serie voorstellingen in Salzburg, die in 1978 in Wenen werden overgenomen en op de televisie werden uitgezonden. Het is een zeer ouderwetse en statische voorstelling, met realistische decors en kostuums.
De buiten Italië verschrikkelijk ondergewaardeerde Raina Kabaivanska zet een Leonora van vlees en bloed neer: haar stem is donker, met een ouderwets vibrato en een duidelijk gevoerde frasering.
Domingo was een last minute invaller voor de kwaad weggelopen Bonisolli. Voor zijn verrukkelijke, met stralende topnoten gezongen ‘Ah si, ben mio’ werd hij door het publiek beloond met een minutenlang opendoekje.
Cossotto’s Azucena is inmiddels legendarisch geworden: als geen andere zangeres heeft ze een stempel op die rol gedrukt (Arthouse Music 107117)
Hieronder Domingo, Kabaivanska, Cappuccilli en Cossotto in ‘Prima che d’ altri vivere’:
DI QUELLA PIRA
Voor wie niet genoeg kan krijgen van ‘Di quella pira’: Bongiovanni (GB 1051-2) heeft een cd uitgebracht met maar liefst 34 uitvoeringen van de tenorhit, opgenomen tussen 1903 (Julian Biel) en 1956 (Mario Filipeschi).
Lauri-Volpi, hier in een opname uit 1923 (!), laat een stralende en lang aangehouden hoge c horen. Hij wordt echter overtroffen door Aureliano Pertile: wat een klank!
Helge Rosvaenge is teleurstellend mat, maar de uit 1926 stammende opname van Richard Tauber (in het Duits) is een heerlijke curiosum (ja, hij kan het!).
Jan Kiepura kan maar niet genoeg krijgen van trillers en last ze overal in, maar wat een rinkelend geluid heeft hij! Zelfs Gigli waagt zich eraan: iets wat hij beter kon laten. De mooiste van allemaal vind ik Jussi Björling uit 1939.
20 Tenors sing Di quella pira High C
GIGLIOLA FRAZZONI
Als toetje krijgt u van mij ‘Prima che d’altri vivere’, gezongen door Gigliola Frazzoni (één van de beste Minnie’s in La fanciulla del West) en Giacomo Lauri Volpi (Manrico), opgenomen in Amsterdam, op 16 oktober 1954. Rolando Panerai is Luna, Marijke van der Lugt zingt Ines en het Amsterdamse Omroeporkest (?) staat onder leiding van Arture Basile.
Turkomanie in Europa van de 18-de eeuw. Jeane-Etienne Lotard: Portret van Marie Adelaïde de France in Turkse jurk (1753). Credits: Andere Tijden
Oriënt! Wat wisten wij er ooit van? Het was exotisch, avontuurlijk en spannend. Alle mannen daar waren macho, super aantrekkelijk en potent. En ze rookten opium. Alle vrouwen waren mooi, gracieus, geheimzinnig en verleidelijk. Het geurde daar naar amber en wilde jasmijn ….
Het was zo ontzettend ver weg en onbekend – geen wonder dat wij daar door betoverd werden. Geen wonder ook dat onze dromen soms op hol sloegen. Maar de dromen bleken ergens goed voor, want ze hebben ons de prachtigste kunstwerken opgeleverd, waaronder ook opera’s. Il Turco in Italia van Rossini is er één van.
Geloof het of niet (geloof het!), maar Turco heeft heel veel weg van Cosi van tutte van Mozart. Zelfs de muziek doet er vaak aan denken. Het verhaal: een Don Alfonso-achtige dichter zonder inspiratie, zeg maar een soort kwade genius, bedenkt een intrige waarin hij alle personages manipuleert als zijnde marionetten, waardoor iedereen het (bijna) met iedereen doet, maar aan het eind komt alles goed. Of niet. In ieder geval heeft onze Prosdocimo een prachtig verhaal.
Ik vraag mij af hoe de ideale Fiorilla zou moeten klinken. Op de mij bekende opnamen wordt zij gezongen door alle stemsoorten: van een super lichte coloratuur sopraan tot een donkere coloratuur mezzo met borsttonen. Op de een of andere manier kan mij geen van de dames echt bekoren, ook Maria Callas niet, al komt zij dicht in de buurt van wat ik in de rol zou willen horen.
DVD
Zürich, 2002
In 2002 werd Il Turco in Zürich op het programma gezet. De hoofdrol was in handen van een oude rot in het vak, Ruggiero Raimondi. Zijn Selim is zonder meer spannend en erotisch en de slijtage aan zijn stem compenseert hij met een overweldigend spel en een geweldig charisma.
Oliver Widmer is goed op dreef als de cynische dichter Prosdocimo en Paolo Rumetz zet een heerlijk suffige Geronio neer. Het probleem heet Cecilia Bartoli. (Niet slaan alstublieft, het is maar mijn mening!) Zij is zeer virtuoos, zonder meer, maar haar maniertjes vind ik zeer irritant en haar donkere timbre absoluut niet bij de rol passend.
Het geheel is vrolijk, met felle kleuren en maffe kostuums: zo lijken de zigeuners op een combinatie van Volendammers met Peruanen (Arthaus Musik 100 369)
In Pesaro werd in 2007 een zeer naturalistisch ogende Turco opgenomen, met in de hoofdrollen uitsluitend jonge, onbekende zangers. Dat ze, wellicht op Marco Vinco (Selim) na, nog steeds onbekend zijn gebleven, zegt niet alles, maar toch wel wat.
Niettemin valt er veel lol aan te beleven. De typetjes zijn heerlijk herkenbaar, de kleuren mooi en de handeling volgt het libretto op de voet. Zeker leuk! (Naxos 2.110259)
Genua, 2009
Een van de nieuwste opname op dvd komt uit 2009 uit Teatro Carlo Felice in Genua. Nou ja, nieuw… de productie is bijna 30 jaar oud en werd voor het eerst al in 1983 gezien.
Het is niet erg, want het is nog steeds bijzonder vermakelijk, al moet ik toegeven dat het mij soms een beetje duizelt van wat er allemaal op de bühne gebeurt: acrobaten, vuurvreters, ballerina’s, Arlechino’s en wat al niet. Commedia dell’Arte ten voeten uit.
Myrtò Papatanasiu is een mooie Fiorilla en Simone Alaimo een heerlijke Selim, al vind ik dat hij iets beneden zijn gebruikelijke hoge niveau presteert. Ook Antonino Siragusa stelt lichtelijk teleur als de smachtende Narciso (Arthaus Musik 101 39)
CD
Milaan, 1954
Maria Callas zong de rol van Fiorilla al in 1950 in Rome en vier jaar later nam ze haar in de studio op, met de krachten van de Milanese Scala. Gianandrea Gavazzeni dirigeerde een ‘all star cast’ – de meeste namen doen ons nu watertanden. Maar, afgezien van het feit dat ze allemaal werkelijk fantastisch waren, moeten we ons afvragen of het nog steeds adequaat klinkt in onze oren.
Ja, Nicola Rossi-Lemeni zou vandaag de dag nog kunnen, maar de rest, inclusief La Divina? Bij haar bekruipt mij vaak het gevoel dat ik bij de verkeerde opera ben beland en dat ik naar Anna Bolena zit te luisteren. (Warner 0825646340880)
Milaan, 1958
Waar ik absoluut niet omheen kan is Sesto Bruscantini als een werkelijk onweerstaanbare Selim. Scipio Colombo is heerlijk als de (in zijn interpretatie) komische schurk Prosdocino en als Donna Fiorilla horen we een van de heerlijkste lichte sopranen uit de tijd: Graziella Sciutti. Een beetje soubretteachtig, maar zo wendbaar, en zo heerlijk getimbreerd!
De rest van de stemmen is goed maar niet uitzonderlijk, maar de directie van Nino Sanzogno – licht en sprankelend – doet de opera alle eer na. De live opname uit 1958 (Milaan) is behoorlijk dof. Toch – een bijzonder document van de tijd die nu toch echt voorbij is (Myto 00193)
Sesto Bruscantini en Graziella Sciutti in ‘Credete alle femmine’: