Maria_Callas

La Divina in Amsterdam

Callas in Amsterdam

1959 was een goed Callas jaar. In januari dat jaar gaf ze haar eerste concert in Carnegie Hall, waar ze in concertante gezongen Il Pirata triomfeerde. Er volgden een paar ‘Medea’s’ (Cherubini) in Londen en een kort tournee door Spanje en Duitsland. En toen was het zover: haar lang verwacht optreden in Amsterdam. Duizenden mensen verzamelden zich op Schiphol om haar te begroeten.

Callas ariveert

Maria Callas arriveert in Nederland in 1959. Rechts: Peter Diamand, voorzitter van het Holland Festival.

Callas Amsterdam

De lichten in de zaal waren gedoofd en alle schijnwerpers waren op haar gericht toen ze het Concertgebouwtrap afdaalde. Alleen de musici van het Concertgebouworkest hadden lichtjes op hun lessenaars aan, wat volgens de getuigen, het podium in een romantische sfeer had gehuld.

Callas was toen zang technisch op het hoogtepunt van haar kunnen. Ze begon met voorzichtig gezongen ‘Tu che vedi il mio tormento’ uit La vestale van Spontini, maar al bij ‘Surta è la notte’ uit Ernani van Verdi liet ze alle remmen los.

Het publiek werd uitzinnig van enthousiasme, wat Callas stimuleerde om nog intenser, en nog dramatischer te worden in haar perfect geïntoneerde lezing van ‘Tu che le vanità’ (Don Carlo). Ze besloot met de waanzinscène uit La Pirata, een waarlijk tour-de-force.

Een iedere noot voorzag ze van een andere kleur, haar pianissimo was adembenemend en de coloraturen optimaal. Een echte La Divina. Was ik maar toen erbij!


Spontini, Verdi, Bellini
Live in Amsterdam 1959
Maria Callas, Concertgebouworkest olv Nicola Rescigno
EMI 5626832

 

De strijd om Lucia di Lammermoor is nog niet gestreden

lucia-di-lammermoor-by-gaetano-donizetti-score-cover-first-edition-KFRB72


MARIA CALLAS, JOAN SUTTHERLAND, BEVERLY SILLS

Lucia di Lammermoor is altijd, misschien meer nog dan Norma, een strijdpunt geweest tussen de aanhangers van Maria Callas en Joan Sutherland. De prestaties van beide dames zijn inderdaad fantastisch en bovendien totaal verschillend. Welke van de twee moet u hebben? Niet makkelijk. Kwestie van smaak, zal ik zeggen?

 

https://static.lafeltrinelli.it/static/images-3/xxl/106/1413106.jpg

Joan Sutherland is ongekend virtuoos en haar coloraturen zo perfect dat het pijn doet. En toch blijf ik er onaangeroerd bij. Waarom? Wellicht omdat het te perfect is? Ik weet het niet. Het kan ook aan mij liggen.

 

Lucia Callas

Waar u ook voor kiest: u kunt echt niet zonder minstens één Callas. Probeer Naxos (8110131-32) met Giuseppe di Stefano en Titto Gobbi, onder Tulio Serafin, want al is Francesco Tagliavini (Warner Classics 2564634081) een veel mooiere Edgar, de rest van de cast (inclusief Callas zelf!) is hier veel sterker.


 

Lucia Sills

Zelf kies ik voor Beverly Sills (Westminster 4712502), zeker als we het over studio-opnames hebben. Haar portrettering verenigt het beste van beide diva’s: de virtuositeit, stemschoonheid en zuivere intonatie van la Stupenda en het grote acteren van la Divina. Niet echt een grote tragédienne (maar dat is Lucia ook niet), meer een passief kindmeisje dat het allemaal over zich heen laat komen. Ook de rest van de cast (Carlo Bergonzi, Piero Cappuccilli, Justino Diaz) is van zeer hoog niveau en Thomas Schippers dirigeert zeer ferm. Maar wat die opname werkelijk bijzonder maakt, is het gebruik van een glasharmonica in de waanzinscène, precies zoals Donizetti het oorspronkelijk had voorgeschreven.


RENATA SCOTTO

Lucia Scotto

Mijn geliefde Lucia, Renata Scotto, heeft de rol nooit in de studio opgenomen. Er zijn wel verschillende piratenopnames met haar in omloop, met als Edgardo onder andere Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi en Gianni Raimondi.

Van die vier is de opname met Raimondi me het dierbaarst, niet in de laatste plaats vanwege de zeer energieke en dramatisch evenwichtige directie van Claudio Abbado. Het werd opgenomen in La Scala in december 1967 en is ooit op Nuova Era (013.6320/21) verschenen. Helaas is die opname zeer moeilijk verkrijgbaar, maar wie zoekt….

Hieronder Gianni Raimondi en Giangiacomo Guelfi (Enrico) in Orrida è questa notte..

Scotto’s interpretatie van de gekwelde heldin is wel op dvd beschikbaar (VAI 4418). De productie is in 1967 in Tokio opgenomen. Het circuleerde jarenlang op piratenvideo, maar aangezien de geluids- en beeldkwaliteit bijzonder matig was, zijn er met de commerciële uitgave heel veel operaliefhebbers bijzonder blij gemaakt. Het geluid is een beetje scherp, waardoor Scotto’s hoge noten nog metaliger klinken dan normaal, maar: who cares?

Haar interpretatie is zowel zangtechnisch als scenisch van een ongekend hoog niveau. Met een kinderlijk verbaasde uitdrukking (mijn broer doet het mij aan?) op haar gezicht stemt ze in, al is het niet zonder morren, met het gedwongen huwelijk met Arturo (een in alle opzichten afgrijselijke Angelo Marchiandi).

Hieronder Scotto zingt ‘Il dolce suono’. Doe het haar na!

Na haar waanzinaria krijg je de neiging de stekker eruit te trekken, want alles wat erna gaat komen, kan niet anders dan als een koude douche werken. Maar daar vergis je je in. De twee aria’s van Edgardo, gezongen door Carlo Bergonzi, brengen je regelrecht de (zangers)hemel in.

Na afloop kan je niet anders dan huilen, want: waar zijn ze gebleven, de zangers van toen? Klein, lang, dik, mager, met of zonder het acteertalent… Geen van hen was een ballerina, maar zingen konden ze! En enkel door middel van hun stem konden ze alle gevoelens overbrengen waar je nu een heel ‘artistiek team’ voor nodig hebt. Ondanks de toen gebruikelijke coupures een absolute must.

Hieronder zingt Bergonzi ‘Fra poco a me ricovero’

PATRICIA CIOFI IN HET FRANS

Lucia Ciofi

In 1839 bewerkte Donizetti zijn opera voor Parijs en Lucia werd Lucie. Het is niet de alleen de taal die de beide versies onderscheidt, want Donizetti heeft zowel aan het libretto als aan de muziek behoorlijk gesleuteld. Zo werd Alisa (Lucia’s hofdame) uit de opera geknipt en is onze heldin als enige vrouw in een verder louter mannengezelschap gebleven, wat haar nog eenzamer en nog kwetsbaarder maakt.

Normanno heet nu Gilbert en zijn rol werd behoorlijk uitgebreid. Zijn valse spel en manipulaties maken van hem zowat een sleutelfiguur en hij groeit uit tot bijna Iago-achtige proporties. Ook Arturo is als Henri driedimensionaler geworden. En al mis ik ‘Regnava nel silenzio’ en scènes tussen Lucia en Raimondo, ik moet toegeven dat de Franse versie dramatisch veel beter in elkaar steekt.

In deze opname (ooit TDK, hopelijk nog te bestellen) is Patrizia Ciofi niet minder dan fenomenaal als een behoorlijk neurotische Lucie, Ludovic Tézier prachtig als een vileine Henri en Roberto Alagna helemaal in zijn element als Edgar. Het was (toen) één van zijn beste rollen.

Het regisseursduo Patrick Courier/Moshe Leiser stelt zelden teleur. Hun producties zijn altijd realistisch, ingebed in historische perspectief, maar met genoeg ‘knipoog’ naar het heden. Bovendien doen ze wat regisseurs voornamelijk horen te doen: zorgen voor een goede mise-en-scène en zangers in hun spel goed begeleiden om ze overtuigend te laten overkomen.

OVER DRIE LUCIA’S VAN DE LAATSTE TIJD

ANNA NETREBKO

Lucia Netrebko
Deutsche Grammophon bracht de Live in HD-uitzending van Lucia di Lammermoor die in 2009 door de Metropolitan Opera in New York werd uitgezonden uit op dvd en Blu-Ray (DG 0734545). Anna Netrebko zong de hoofdrol. Lucia vond ik nooit echt bij haar passen. Bovendien was ze in die tijd meer bezig zichzelf te etaleren dan dat ze zich om de zielenroerselen van de door haar gespeelde tragische heldin bekommerde.

Piotr Beczala, toen nog geen grote ster, was de lastminutevervanger voor de ziek geworden Rolando Villazón en het moet gezegd worden: samen met zijn landgenoot Mariusz Kwiecien (Enrico) stal hij de show. De regie van Mary Zimmermann is mooi om te zien, maar voegt eigenlijk niet veel toe. Voer voor de vele Netrebko-fans, maar voor de rest?

NATALIE DESSAY

Lucia Dessay

Het Mariinski Theater van Valery Gergiev heeft een Lucia di Lammermoor uit eigen huis op cd gezet (MARO 512). Natalie Dessay is een begenadigd artieste. Ze beschikt over een pracht van een stem met een ongekende hoogte, waarmee ze de moeilijkste coloraturen en fiorituren zingt alsof het niets is. Mooi is zij ook en ze kan waanzinnig goed acteren; het is altijd een plezier om haar in actie zien.

Maar niet al te grote stem kent echter ook zijn beperkingen. Scenisch weet ze die achter haar acteren te verbergen, maar zonder beeld wil er weleens iets misgaan. Dat hoor je ook op deze live-opname uit 2010. Haar coloraturen zijn perfect maar leeg; het heeft geen inhoud. Deze Lucia wordt gek zonder dat je weet waarom. Maar als ze eenmaal gek is, doet ze je duizelen.

Piotr Beczala is, zoals altijd, een fantastische Edgardo, maar ook alle andere zangers zijn prima. Allemaal beschikken ze over een individueel timbre, waardoor je in het zeer homogeen gezongen sextet ook afzonderlijke stemmen kan herkennen.

Valery Gergiev dirigeert energiek en zwiept het orkest op, wat soms resulteert in halsbrekende tempi. De ‘waanzinscène’ (met glasharmonica, bravo!) rekt hij juist uit


 

DIANA DAMRAU

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/71cVsKQYuIL._SX522_.jpg

Diana Damrau, één van ’s werelds beste en beroemdste sopranen, lijkt geknipt voor de rol van Lucia in Lucia di Lammermoor. Zij zong de partij al in 2008 in de New Yorkse Metropolitan Opera. Vijf jaar later verblijdde ze het duidelijk aan haar voeten liggende publiek in haar geboortestad München met haar vertolking. De concertante uitvoeringen werden live door Erato opgenomen en het resultaat valt mij tegen.

Niet dat er iets mis is met de coloraturen van Damrau. Die zijn nog steeds onberispelijk, maar in mijn oren zijn ze leeg, zonder inhoud. In haar waanzinscène lijkt ze meer op de mechanische pop Olympia uit Les contes d’Hoffmann dan op een gek geworden vrouw van vlees en bloed.

De mannenrollen zijn allemaal prima ingevuld. Joseph Calleja (Edgardo) zingt zijn rol soepel en met zo’n gemak dat ik aan de jonge Pavarotti moet denken. Ludovic Tézier en Nicolas Testé zijn misschien niet helemaal idiomatisch, maar op hun onberispelijke zang valt niet veel op te merken. Zelfs de kleine rol van Normanno wordt door een voortreffelijk zingende Andrew Lepri Meyer ingevuld.

De tempi van Jesús López-Cobos vind ik op zijn minst opmerkelijk. Dan wordt er gerend, dan staat de boel weer stil. Af en toe herken ik de muziek niet. Het lijkt alsof er nieuwe versieringen zijn aangebracht.

De opname zelf is eveneens onevenwichtig. Dat de opera niet in één keer op één avond is opgenomen is vanzelfsprekend, maar er werd ook het één en ander in de studio ‘verbeterd’ en dat is helaas hoorbaar.


Na al die jaren is mijn top drie nog steeds ongewijzigd:

1. Renata Scotto met Carlo Bergonzi, VAI 4418.

2. Beverly Sills met Bergonzi Westminster 4712502

3. Maria Callas. Ongeacht welke, eigenlijk

 

THE STEPSISTERS OF MARIA CALLAS

Traviata Callas

Would we still love Callas so much if she had been an ‘ordinary’ happy person, like most of her colleagues? If she had been happily married and had had children, what she so longed for? If she didn’t suffer from bulimia and was not constantly fighting with her weight and body? If she had not fallen in love with Aristoteles Onassis, the super-rich Greek shipowner who left her to marry an even more famous lady? And if she had not lost her voice prematurely? Speculations, of course, but since even the most honest opera lover has something of a tabloid reader it keeps buzzing. People simply love gossip.

callas-onassis-pinterest

Rumour, success, being in the spotlight, are the most important ingredients in the lives of people who find their lives boring and everyday and lose themselves in the stories of the ‘rich and beautiful’. It should be noted that they feast most on the dark sides of the stories, because there is no greater happiness than sorrow.

Maria Callas was a diva with a true cult status. She owed this not only to her singing, but also to her unmistakable acting talent, her attractive appearance and her, unfortunately, more than tragic personal life.

However great, famous, loved and adored, Maria Callas was, she did not invent opera, nor was she the greatest actress amongst singers. Not all singers were equally gifted actors, but the image of a fat lady standing motionless on stage fluttering only her hands is not at all accurate.

Just think of Conchita Supervia, Geraldine Farrar, Marjorie Lawrence or Grace Moore, but there were more.

supervia

Conchita Supervia as Carmen

Geraldine Farrar as Carmen in a film from 1915:

What Callas truly was, was a pioneer in (dramatic) belcanto, and that happened more or less by accident (consult the DVD The Callas Conversations vol. II). It was a genre that at the time was a little neglected. It was she who gave us back the forgotten operas of Bellini, Donizetti and Spontini, but was she really the first?

There are many more sopranos from the time of Callas who sang at the highest level and deserve to be discussed. The sopranos I am going to talk about were all more or less Callas’ contemporaries and all sang almost the same repertoire (not counting spinto sopranos that sang mainly verist roles, such as Magda Olivero, Carla Gavazzi or Clara Petrella).

These divas missed the chance to be in the right place at the right time. Or: to meet someone who was important enough not only to boost your career, but also to give you a record deal.

callas-gioconda-nanopress

Maria Callas as La Gioconda in 1952

Cynical?

It has always been like this and nowadays it is no different, although we are dealing with another aspect: the ideal of beauty. If you don’t meet it, you can say goodbye to your career in advance – fat people are not even allowed to audit in many theatres anymore and a starting Callas would have absolutely no chance at all now.

 

                                         ANITA CERQUETTI

cerquetti

Her career, like that of Callas, didn’t last long. She was born in 1931 and made her opera debut as Aida in Spoleto as early as 1951 (!). She became – typically enough – the most famous by stepping in for a sick Callas in 1958. While she was still in a production of Norma in Naples, she sang some performances of the same opera by Bellini at the opera house of Rome, instead of La Divina.

Anita Cerquetti sings ‘O re dei cieli’ from Agnese di Hohenstauffen by Spontini:

On the label Bongiovanni (GB 1206-2, unfortunately not on You Tube) you can hear her in the famous ‘Casta diva’ from Norma. For me this is one of the most beautiful performances of this aria ever. Goosebumps.

Cerquetti sings Norma. Recording from 1956:

 

                                     LEYLA GENCER

gencer

Born in 1928 in a small town close to Istanbul, Gencer, just like Callas, has a cult status, even today, but on a smaller scale. She had a Turkish father and a Polish mother, which made her proficient in that language. There is even a pirate recording of her with songs by Chopin in Polish:

Gencer’s real speciality was belcanto. She sang her first Anna Bolena only a year after Callas:

And unlike Callas, she also included the other Tudor Queen operas by Donizetti in her repertoire: Roberto Devereux and Maria Stuarda.

gencer-alle-drie-tudor

Gencer as all three Tudor Queens

Besides all her Bellini’s, Donizetti’s and Verdi’s, and between Saffo by Paccini and Francesca da Rimini by Zandonai, she also sang some of Mozart’s songs. Fortunately, her Contessa (Le nozze di Figaro) in Glyndebourne was recorded and released on  CD some time ago. For the rest, you have to settle for the pirates.

Her round and clear voice – with the famous pianissimi, which only Montserrat Caballé could match – is so beautiful that it hurts. If you have never heard of her before, listen below to ‘La vergine degli angeli’ from La forza del Destino, recorded in 1957. Bet you’re going to gasp for breath?

                                          VIRGINIA ZEANI

zeani

Have you noticed how many great singers come from Romania? Virginia Zeani is one of them, born in Solovăstru in 1925.

Zeani made her debut when she was 23 as Violetta in Bologna (indented for Margherita Carossio). That role would become her trademark. There is a costly anecdote about her debut in Covent Garden: it was in 1960 and she was a last minute replacement for Joan Sutherland, who became ill. She arrived late in the afternoon and there was hardly time to try on the costume. Before she went on stage, she asked very quickly: ‘Which of the gentlemen is my Alfredo?

zeani-traviata

The soprano sang no less than 69 roles, including many world premieres. In 1957 she created the role of Blanche in Dialogues des carmélites by Poulenc. Her repertoire ranged from Handel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet and Gounod to Wagner (Elsa and Senta). With of course the necessary Verdis and Puccinis and as one of her greatest star roles Magda in The Consul by Menotti:

I myself am completely obsessed with her Tosca, but also her Violetta should not be missed by anyone. Her coloratures in the first act are more than perfect. And then her ‘morbidezza’… Do it for her!

Below her ‘Vissi d’arte’ (Tosca), recorded in 1975, when she was over fifty:

                                           CATERINA MANCINI

mancini

Never heard of her? Then it’s time to make up for the damage, because I promise you a voice out of thousands, with a beautiful height, pure coloratures (all ‘al punto’) and a drama that could make even La Divina jealous.

Mancini sings “Santo di patria… Da te questo m’è concesso” from Attila by Verdi:

Mancini’s career also lasted only a short time. People talked about health problems, but what really happened? The fact is that the soprano, born in 1924, stopped working as early as 1960. Although her name can still be found in 1963, as contralto (!) at the concert in memory of Kennedy.

Mancini made her debut in 1948, as Giselda in I Lombardi. At the Scala she already sang Lucrezia Borgia in 1951. Donizetti, Rossini and Bellini are not lacking in her repertoire.

The Italian label Cetra has recorded a lot with her; difficult to obtain, but so very worthwhile to look for!

At her best I find her as Lida in La Battaglia di Legnano by Verdi. Below a fragment of it:

                                     MARCELLA POBBE

pobbe

Marcella Pobbe may be a bit of an outsider in this list, as she had fewer belcanto roles in her repertoire (Gluck and Rossini, but no Bellini). But the Verdi and Puccini heroines she more or less had in common with La Divina.

Pobbe sings ‘D’amor sull’ali rosee’ from Il Trovatore:

She also sang a lot of Mozart and Wagner. But what made her really famous is Adriana Lecouvreur from Cilea

Pobbe was exceptionally beautiful. Elegant, elegant, almost royal. And her voice was exactly the same: her singing flowed like a kind of lava, in which you could lose yourself completely. Nobody then thought it necessary to record her. We already had La Divina, didn’t we?

Pobbe sings ‘Ave Maria’ from Otello by Verdi:

Listen below for example to ‘Io son l’umile ancella’ from Adriana Lecouvreur and think of that golden age, which is irrevocably over.

In Dutch: DE STIEFZUSSEN VAN MARIA CALLAS

see also: OPERA FANATIC: road movie met opera sterren

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Discografie LA BOHÈME deel twee

La_Bohemeposter_l

NEW YORK LIVE

Allereerst aandacht voor twee live opnamen uit de New Yorkse Met: uit 1947 onder Giuseppe Antonicelli en uit1958 gedirigeerd door Thomas Schippers. Beiden zijn al een tijd terug op Sony uitgebracht en beiden zijn het beluisteren meer dan waard.

Bidú Sayão 1947

La Boheme sayao-bidu-as-mimi-n1790_w

De Braziliaanse Bidú Sayão gold als één van de mooiste sopranen aan de Met en dat bedoel ik niet alleen letterlijk. Haar stem is vederlicht en doet denken aan vrouwenstemmen in de oude films uit het begin van de ‘talking movies’, wat zonder meer bij de rol van Mimi past.

La Boheme opname met Sayao en Tucker

Persoonlijk prefereer ik rondere stemmen met licht dramatische ondertonen, maar hier word ik echt blij van. In combinatie met de jonge Richard Tucker klinkt zij zeer teer en hulpbehoevend. Giuseppe Antonicelli dirigeert met veel vaart (Sony 74646762)

 

La Boheme Sayao

Hieronder Richard Tucker, Bidu Sayao, Mimi Benzell en Frank Valentino in het kwartet ‘Dunque e proprio finita’  uit de derde akte:

 

Licia Albanese 1958

La Boheme Albanese

Een kleine waarschuwing is op zijn plaats: het geluid is niet mooi. Het is scherp en dof en af en toe willen de radiogolven even opstandig brommen, maar het heeft ook iets aandoenlijks. Alsof een tijdmachine je terugbrengt naar de middagen van weleer, toen de hele familie zich voor de radio nestelde om naar de nieuwste uitvinding, de live broadcast te luisteren.

Ook de uitvoering is ouderwets heerlijk. Niet dat de stemmen zo uitzonderlijk zijn, want behalve Carlo Bergonzi op zijn mooist heb ik de andere rollen wel eens beter bezet gehoord.

Licia Albanese (toen al bijna vijftig, wat absoluut niet te horen is) was een echte publiekslieveling, zeker in New York. Iets wat ik nooit zo goed heb kunnen begrijpen, want zelf had ik er echt niets mee. Thomas Schippers dirigeert zeer levendig (Sony 8697804632)


STUDIO

Victoria de los Angeles 1956

La Boheme de los angeles

Wilt u huilen, al vanaf het begin? Zo ja dan bent u hier aan het beste adres. Thomas Beecham doet werkelijk zijn best om het RCA-orkest een beetje afstandelijk te laten klinken maar de musici zijn net mensen en niet gediend van reserves in de echte liefde. Geheel onbeschaamd laten ze alle gevoelens, inclusief een gezonde dosis sentimentaliteit toe en het snotteren kan beginnen.

De eerste ontmoeting tussen Rodolfo en Mimi al… zijn ‘così’ bij het inschenken van ‘po’ di vino’ en dan haar ‘grazie, buona sera’…. Mensen, wie hier niet de hele wereld vergeet heeft geen hart!

Jussi Björling is een Rodolfo uit meisjes-dromen: gevoelig, sensibel, lief en zo verdomd aantrekkelijk! Dat Victoria de los Angeles (Mimi) voor hem valt kunnen we haar niet kwalijk nemen, doen wij immers ook. Maar we gunnen hem haar van harte want haar stem, die is zo verschrikkelijk mooi dat het bijna pijn doet. Alsof het Madonna zelf is die haar gedoofde kaars door haar buurman laat aansteken. Waarbij we het voor gemak vergeten dat zij de kaars waarschijnlijk zelf heeft uitgeblazen. Dat is dan ook het enige minpuntje van de opname: Mimi was geen Madonna.

Voor de rest: een must. Ook vanwege de onweerstaanbare Marcello van Robert Merrill (Naxos 8.111249/50)


Maria Callas 1956

.

Deze opname gaat niet mee naar een ‘onbewoond eiland’. Het ligt niet aan de dirigent noch aan de schitterend spelende orkest uit La Scala: Antonino Votto dirigeert vlot en spannend en zijn aandacht voor alle details is werkelijk briljant,

Rolando Panerai (Marcello) en Giuseppe di Stefano (Rodolfo) zijn aan elkaar gewaagd, hun stemmen passen uitstekend bij elkaar, al vind ik di Stefano soms een beetje aan de schreeuwerige kant. Ook de zeer sensuele Musetta van de jonge Anna Moffo kan mij bekoren. Het probleem – althans voor mij – ligt bij La Divina.

Mimi is geen rol waarmee wij Callas associëren en terecht. Zij heeft haar dan ook – wijs genoeg – nooit op de bühne gezongen. Hoe zij ook niet haar best doet (en dat doet zij echt!) nergens weet zij mij te overtuigen dat zij een arm naaistertje is, daarvoor is haar stem te koninklijk. Krampachtig probeert zij haar stem klein te houden waardoor zij behoorlijk gekunsteld klinkt. Maar ik ben er zeker van dat haar fans het niet met mij eens zijn.

De opname klinkt nog steeds verrassend goed (Warner Classics 0825646341078)


 

Renata Tebaldi 1958

 

La Boheme Tebaldi

Eigenlijk vind ik de stem van Tebaldi ook iets te zwaar voor Mimi, tikkeltje te dramatisch ook, maar het valt niet te ontkennen dat haar interpretatie zeer spannend is. Je blijft luisteren.

Carlo Bergonzi is een waanzinnig mooie Rodolfo, stiekem vind ik hem dan ook de ster van de opname. Ettore Bastianini is een zeer charmante Marcello, maar Gianna d’Angelo is geen mooie Musetta. Haar zingen heeft niets sensueels en is bij vlagen ordinair.

Tulio Serafin dirigeert meer dan voortreffelijk en het orkestklank is briljant. Merkwaardig eigenlijk hoe geweldig goed die opname nog klinkt! (Decca 4487252)


Montserrat Caballé 1974

la BOheme Domingo Caballe

Met haar fluweelzachte pianissimi, haar onwaarschijnlijk mooie legato, haar warmte en sensualiteit was Caballé een gedroomde Mimi. Met haar stem alleen kon ze alles waarmaken, ook dat ze een aan tering stervende klein meisje was.

In die tijd trad ze veel met haar landgenoot Plácido Domingo op, hun stemmen waren dan ook schitterend op elkaar ingespeeld. De stem van de jonge Domingo was niet minder dan hemels, zijn Rodolfo is dan ook om verliefd op te worden.

Ook Sherill Milnes hoorde er helemaal bij: luister naar het Rodolfo/Marcello duet aan het begin van de vierde acte!

Ruggero Raimondi is een mooie Colline en de directie van Solti is zeer levendig. (ooit RCA, tegenwoordig Sony 88697-57902-2)


 

Cesira Ferrani

 

La Boheme ferrani

 

 

Wilt u weten hoe de eerste Mimi klonk? Het kan. Cesira Ferrani die de rol in 1896 creëerde heeft twee minuten uit Mimi’ in 1903 opgenomen (Creators’ Records SRO 818-2).

 

La Boheme Ferani en Evan Gorga

Cesira Ferrani (Mimi) en Evan Gorga (Rodolfo) tijdens de premiére 1 februari 1896

Het klinkt nog verrassend goed, zodoende weten we dat Mimi’s sopraan heel erg licht was, maar verre van soubrette. Ferrani was ook de eerste Manon Lescaut, Micaela en Melisande, u kunt dus het een en ander onder het vernis van een ‘onschuldig’ meisje vermoeden. Zoals het hoort.

 

 

Ook op Spotify zijn een paar van haar opnamen te vinden, afkomstig van The Harold Wayne Collection en uitgebracht op Symposium. Hier vindt u behalve “Si mi chiamamo Mimi’ ook ‘Donde lieta usci’. En – een echte rariteit! – een in het Italiaans gezongen aria uit Lohengrin.


 

FILM

Zauber der Bohème 1936

La Boheme Eggert

Het begrip ‘traumpaar’ heeft sterk aan betekenis ingeboet. Want, zeg maar zelf: hoeveel van de ‘traumparen’ zag u komen en gaan zonder dat er iets van overbleef? Gheorghiu/Alagna gingen vechtscheidend uit elkaar, Netrebko/Villazon bestonden eigenlijk alleen op papier en – wie weet? – in de tenors dromen….

Maar het hoeft geen fabel te zijn want ooit bestond zo’n droompaar ook in het echt. De Poolse tenor Jan Kiepura en de Hongaarse sopraan Martha Eggerth wisten hun sprookjesachtige status van voor elkaar geschapen te zijn niet alleen te bereiken maar ook te behouden. En dat zowel op de bühne, op de filmdoek als in het echte leven.

La Boheme Kiepura

In de film Zauber der Bohème van Géza Von Bolváry maken we kennis met twee verliefde jonge zangers in spe wiens leven zich parallel afspeelt zowel in het echt als op de bühne. Hun lotgevallen lijken sterk op het leven van de fictieve personages die zij ook op de bühne vertolken, maar de dood is hier echt en onoverkomelijk: na haar laatste noten sterft Denise/Mimi (Eggerth) in de armen van René/Rodolfo (Kiepura). Doek!

Hier redt u het niet met één zakdoek, maar u moet wel tegen een zeer slechte beeld en geluidskwaliteit kunnen. Maar eerlijk gezegd: who cares?

De laatste scéne uit de film:

Moonstruck 1987

La Boheme moonstruck

En dan is er nog (vooruit maar, het is toch al bijna Kerst) één van allermooiste feelgood movies allertijden: Moonstruck. Het verhaal zelf heeft weinig met de echte opera te doen, behalve dat de hoofdpersonen een voorstelling van La Boheme in de Metropolitan bezoeken – het is de goede oude Zefirelli – waarna we in een versneld tempo naar het happy end afstevenen. Maar in die scéne mogen ook wij, samen met de beide hoofdpersonen een traantje wegpinken. Dat Puccini’s muziek niet alleen bij de credits maar ook door de hele film weerklinkt is lekker meegenomen.

Trivia: de ode oude man (Loretta’s grootvader) wordt gespeeld door Feodor Chaliapin junior, de zoon van de grote Russische bas.

Scène in de opera. De stemmen die u hoort zijn van Renata Tebaldi en Carlo Bergonzi:

Discografie La Bohème d.1:  LA BOHÈME. Discografie

La Bohème in Amsterdam: LA BOHÈME Amsterdam december 2017

 

Tussen Gina Cigna en Renata Scotto, veertig jaar NORMA in een mini-discografie

Norma Pasta

Norma wordt beschouwd als het toppunt van belcanto, maar tegelijkertijd  is dit een muzikaal drama van jewelste die de vroege werken van Verdi behoorlijk achter zich laat en een belofte van een ‘Tristan’ met zich meedraagt. En al is het een liefdesdrama  en sterven beide protagonisten aan het eind een soort ‘liebestod’, de liefde is niet de enige drijfveer van de heldin. Ze is ook een moeder, een priesteres, een patriot, een dochter en een vriendin, en om al die aspecten van menselijke gevoelens goed te kunnen uitdrukken moet je meer dan een ‘zangeres’ zijn.

Norma Giuditta_Pasta_as_Norma_1831

De rol van Norma werd gecreëerd door Giuditta Pasta, van huis uit een mezzo, die haar stem omhoog had gewerkt. Pasta was een buitengewoon intelligente zangeres met een grote toneelpersoonlijkheid en een groot stembereik maar haar techniek was niet optimaal, waardoor haar stem al heel erg vroeg in haar carrière achteruit ging. Paulette Viardot (een van de bekendste mezzo’s van haar tijd) zei ooit over Pasta: “ze lijkt op ‘Het laatste avondmaal’ van Leonardo da Vinci – een ruïne van een schilderij, maar het grootste schilderij in de wereld”.

Norma Giulia Grisi

Giulia Grisi als Norma

De eerste Adalgisa werd gezongen door Giulia Grisi, een sopraan, die ook de rollen van Elvira (I Puritani) en Giulia (I Capuletti  e Montecchi) creëerde, en die later zelf een Norma van formaat was geworden.

GINA CIGNA

Norma Cigna

In de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw werd Norma maar weinig opgevoerd. In de operageschiedenis wordt over maar twee memorabele uitvoeringen gesproken: in 1926 in de Metropolitan Opera (met Rosa Ponselle en Lauri-Volpi) en in 1936 in La Scala, met Gina Cigna

In 1937 werd de allereerste (vrijwel) complete opname van Norma gemaakt: met Gina Cigna, Ebe Stignani en Giovanni Brevario, gedirigeerd door Vittorio Gui (verschillende labels). Het klinkt nog steeds goed, al is de klank uiteraard niet optimaal.

In de operawereld heerst in het algemeen de mening dat de meeste (belcanto-)zangeressen vóór Callas licht waren, net als kanariepieten. Dat is niet waar. Luister alleen al naar de volle, donker getimbreerde stem van Cigna en naar haar gevoel voor drama.

Cigna benadert de rol vanuit de veristische traditie en zet zwaar in. Van coloraturen is helemaal geen sprake, maar haar techniek is fenomenaal en haar topnoten stevig en zuiver. Ze is echter geen echte actrice, waardoor haar interpretatie ver achter die van (onder andere) Callas staat.

Adalgisa wordt hier gezongen door jonge Ebe Stignani: een mooie, warme mezzo, hier veel overtuigender dan in al haar latere opnamen. Giovanni Breviario is een ondermaatse Pollione, maar orkestraal is deze opname, samen met die van Serafin (Rome 1955) en Muti (Turijn 1974), één van de drie mooiste Norma’s. Mede daardoor (en de bijzonder ontroerend gezongen ‘Deh! Non volerli vittime’) zeer de moeite van het beluisteren waard.

Gina Cigna en Giovanni Breviario in ‘Deh! non volerli vittime’:

MARIA CALLAS

.

Met denkt Norma, men zegt Callas. Terecht, want als geen ander heeft La Divina een stempel op die rol gezet. Tussen 1950 en 1964 was ze ontegenzeggelijk de beste Norma. Misschien was ze wel de beste Norma ooit.

Ze heeft de rol meer dan 90 keer gezongen en twee keer in de studio opgenomen, beide keren onder Tulio Serafin. De eerste stamt uit 1954 (Warner Classics 0825646341115). Callas was toen vocaal absoluut op haar best, toch kan die opname me matig boeien. De begeleiding van Serafin vind ik ronduit saai, Filippeschi is, ondanks zijn mooie stem, geen Pollione van gewicht, en Stignani klinkt gewoon (te) oud. Ook op het acteren van Callas heb ik her en der opmerkingen. Haar ‘Casta Diva’ lijkt veel meer op een liefdesaria dan op een ode aan de maangodin, wat het eigenlijk is. Maar haar zingen is fenomenaal mooi, met prachtige hoogte en goede trillers.


.

In de herfst van 1960 stond Callas erop om de opera nogmaals op te nemen. Men beweert dat ze hiermee haar comeback had willen maken (vanwege allerlei schandalen had Callas negen maanden niet gezongen). Mogelijk, maar het is ook zeer voor de hand liggend dat haar inzichten omtrent de rol zodanig veranderd waren, dat ze het nogmaals wilde vastleggen.

Gelukkig maar, want haar tweede ‘officiële’ Norma (Warner Classics 0825646340842) is in alle opzichten superieur aan de eerste. Franco Corelli is wellicht de beste Pollione ooit: een echte krijgsheer met een zeer masculiene stem. Zeker van zichzelf en zijn uitstraling, kordaat, macho, maar ook liefhebbend en zeer, zeer sensueel en sexy. Geen wonder dus, dat een jonge priesteres voor hem kan vallen. En geen wonder dat een vrouw als Norma – sterk, mooi en machtig –  van hem blijft houden, ondanks zijn verraad.

Adalgisa wordt gezongen door een jonge Christa Ludwig. Niet echt Italiaans, ook (voor mij) iets te donker van timbre, maar met zoveel inlevingsvermogen, dat het er eigenlijk weinig toe doet.

Callas zelf is over haar vocale hoogtepunt heen en her en der laat ze een pijnlijke noot horen, maar als actrice is ze absoluut ongeëvenaard. Ook hier wil ze af en toe chargeren (de scène met haar kinderen bij voorbeeld), maar haar intense betrokkenheid, haar volledige begrip en overgave – het is uniek. Ook Serafin is duidelijk veel meer geïnspireerd, al heb ik af en toe moeite met zijn tempi.


Norma Callas ROme

Behalve deze twee studio-opnamen bestaan er ook een half dozijn radio- en piratenregistraties van Callas’ live-optredens. Uit Londen, Milaan en Rome. Bij één ervan wil ik even stilstaan, want voor mij is dit de beste Norma. Het is een registratie van een voorstelling op 29 juni 1955 in Rome (o.a. Opera d’Oro 7003)

Callas, fantastisch bij stem, mist geen (top)noot, geen triller en geen nuance. Het gaat van pianissimo tot forte en terug, van donker naar open, van glissando naar portamento, en alles met stijlgevoel en tekstbegrip. Dit is dramatische belcanto pur sang, dit moet Bellini voor ogen hebben gestaan.

Mario del Monaco zingt een droom van een Pollione. Soms een tikje te luid, maar het mag, hij is immers een krijger. In ‘Qual cor tradisti, qual cor perdisti’ wordt hij hoorbaar ontroerd en opnieuw verliefd. Hun stemmen smelten in het ultieme liefdesduet, dat alleen de dood tot gevolg kan hebben.

Maria Callas en Mario del Monaco in ‘Qual cor tradisti’:

Ook Serafin dirigeert met gevoel voor zowel drama als lyriek en als Stignani me nog steeds niet overtuigt, dan is het alleen omdat ik in die rol een sopraan wil horen.

JOAN SUTHERLAND

 Norma Sutherland

Ook Joan Sutherland heeft Norma twee keer (officieel) opgenomen. Haar eerste opname uit 1965 (Decca 4704132) was een ware sensatie. Het was de allereerste opname van de complete muziek van Bellini, zonder ook maar de minste coupures. Bovendien was het de allereerste opname in de originele toonsoort (Bellini componeerde zijn opera in G, maar voor de première veranderde hij het in F).

Sutherland gold in die tijd als de belcanto-specialiste bij uitstek. Haar stem kende geen grenzen en leek van elastiek. Hoog, hoger, hoogst, en met coloraturen die bijna onmenselijk perfect klinken.

Adalgisa werd gezongen door Marilyn Horne, Sutherland’s alter ego in het mezzovak. Het resultaat is duizelingwekkend, maar ik mis drama, des te meer daar John Alexander (Pollione) een mooie maar nietszeggende stem heeft.

Op het orkestspel valt evenwel niets op te merken en als u van zuiver zingen, hoge noten en coloraturen houdt, dan is deze opname de beste keus.


Norma Sutherland Pavarotti

Twintig jaar later heeft Sutherland de rol opnieuw opgenomen, ditmaal met Montserrat Caballé (Adalgisa) en Luciano Pavarotti (Pollione). Laat ik het maar een vergissing noemen, al is Adalgisa van Caballé op zijn minst interessant. Jammer dat men er niet eerder aan had gedacht.


MONTSERRAT CABALLÉ

Norma Caballe Domingo

Caballé is een soort kruising tussen Callas en Sutherland: prachtige topnoten, onwaarschijnlijk mooie legatobogen, perfecte trillers, en bovendien een pianissimo waarin geen van haar collega’s haar kon evenaren. Ze was een veel betere actrice dan Sutherland, bovendien had ze een geweldige uitstraling en een charisma van jewelste. Ze ging nooit tot het uiterste, zoals Callas of (later) Scotto, maar haar uitvoeringen waren altijd zeer overtuigend.

In 1973 nam ze de rol op voor RCA en het resultaat was zeer behoorlijk (GD 86502). Haar Pollione, een zeer jonge Plácido Domingo, was vocaal kristalhelder en klinkend als een klok. Het ontbrak hem echter aan overwicht, waardoor hij veel te jong voor die rol klonk.

Fiorenza Cossotto in haar rol van Adalgisa leek meer op Azucena dan op een jong meisje, maar op haar zingen an sich valt helemaal niets aan te merken. Jammer genoeg klinkt het orkest ongeïnspireerd en haastig, wat beslist de dirigent, Carlo Felice Cillario, moet worden aangerekend.


 

Norma Caballe Vickers

In 1974 zong zij Norma in het Romeinse amfitheater in Orange (Provence). Het was een zeer winderige avond, en alles woei en bewoog: haar haren, sluiers en jurken. Een fantastische gewaarwording, die een extra dimensie aan de toch al geweldige uitvoering toevoegt. Het werd gefilmd door de Franse televisie (wat een geluk!), en is inmiddels op de DVD verschenen (VAIV 4229).

Caballé zingt ‘Casta Diva’:

Caballé was prachtig bij stem, zeer lyrisch in ‘Casta Diva’, dramatisch in ‘Dormono etrambi’ en ontroerend in ‘Deh! Non volerli vittime’. Samen met Josephine Veasey zong ze wellicht de meest overtuigende ‘Mira , o Norma’ – althans, in een complete opname van de opera. Als twee feministes avant la lettre zweren ze de mannen af en van rivalen transformeren ze in hartsvriendinnen.

John Vickers (Pollione) was nooit mijn ‘cup of tea’, maar Veasey is een fantastische (ook optisch) Adalgisa en Patané dirigeert bezield. Van alle opnamen op dvd (en het zijn er niet veel) is deze beslist de beste.

RENATA SCOTTO

Norma XScotto Muti

Scotto zong haar eerste Norma in 1974, in Turijn. Bij mijn weten bestaat er geen opname van, althans niet van de complete opera.

‘Casta Diva’ uit Turijn:

 

Wel werd door een piraat de voorstelling uit 1978 in Florence vastgelegd (Legato LCD 203-2). Het had de meest ideale Norma kunnen worden, maar helaas werd de voorstelling ontsierd door een niet meer dan adequate Ermanne Mauro als Pollione.

Margherita Rinaldi (eindelijk weer eens een sopraan) klinkt jong als Adalgisa en Scotto is, volgens vele critici, de eerste Norma na Callas die schijnt te weten waar het over gaat. Orkestraal behoort deze opname tot mijn top drie, maar het geluid is jammer genoeg niet echt geweldig.

Scotto in ‘Dormono entrambi’ in 1978:

norma-scotto-troyanos-james-levine-3-lp-cbs

In 1980 nam Scotto de opera in de studio op (Sony SM2K 35902), onder leiding van James Levine. Op haar vertolking valt weinig op te merken al is het ‘staal’ in haar stem soms bijzonder pijnlijk. Ook de Adalgisa (onwaarschijnlijk mooie Tatiana Troyanos) is absolute top. Maar Giuseppe Giacomini (Pollione) stelt niet veel voor en Levine dirigeert veel te zwaar en overdramatisch.


 

LA TRAVIATA. Een (zeer) korte en beknopte discografie

Traviata

Het is wellicht de meest gespeelde en opgenomen opera, maar echt goede uitvoeringen zijn schaars.

Traviata Sarah-Bernhardt-Camille-Postcard

Sarah Bernhardt als Marguerite Gautier in La Dame aux Camélias

Grotendeels ligt het aan de eisen die Verdi aan de sopraan stelt. In de eerste akte moet ze over soepele coloraturen met erbij behorende hoge noten beschikken, in akte twee moet haar stem voornamelijk lyrisch klinken, met perfecte overgangen. Het is de akte waarin ze van een ietwat ingeslapen, maar zielsgelukkige en liefhebbende vrouw tot een echte opofferingsgezinde heldin transformeert. De akte waarin ze ons moet overtuigen dat er voor haar geen andere uitweg bestaat dan voor het slachtofferrol te kiezen. De derde akte is een ware beproeving, want hier moet ze al haar (voor zover zij erover beschikt)  dramatische kwaliteiten als een tragédienne van het kaliber Sarah Bernhardt laten zien. Hoeveel sopranen kunnen hier aan voldoen?

MARIA CALLAS

Traviata Callas

Maria Callas als Violetta Valéry

Callas? Natuurlijk zong ze de rol meer dan voortreffelijk; het kon ook niet anders, want alles wat ze aanraakte veranderde in goud. En toch …. La Traviata was niet echt haar ‘ding’. Violetta was een curtisane – één van de hoogste klasse, dat wel, maar La Divina had niets met de promiscue vrouwen, ze pasten niet in haar ideale wereldbeeld. Violetta’s opofferingsgezindheid maakte haar in ieder geval sympathieker dan zo’n Tosca of Carmen (aan beide heeft Callas een gruwelijke hekel gehad), vandaar ook dat zowel de tweede als de derde acte haar beter afgaan dan de eerste. Maar ze blijft er koninklijk bij, veel te koninklijk voor mij, want de “echte “ Violetta was meer een meisje dan een vrouw. Een meisje dat al een lange tijd ziek is (haar ziekte begint nog vóór de opera), waardoor haar sterfscène niet uit de lucht valt. Dat ze sterven gaat weten wij al vanaf het begin, al blijven we, tegen beter weten in, hopen op een wonder.

Complete opname uit Lissabon 1958 staat op You Tube:

ILEANA COTRUBAS

Traviata Cotrubas

Eigenlijk zijn er maar twee zangeressen die me van het begin tot het eind overtuigen, althans op cd’s: Ileana Cotrubas en Renata Scotto.

Cotrubas had het geluk om de opera onder Carlos Kleiber op te nemen, orkestraal wellicht de mooiste Traviata ooit (DG 415132). Vanaf het begin is zij voelbaar zwak en ziek, haar overgave aan liefde is totaal, en haar ontgoocheling dodelijk.

Alfredo is, sinds zijn roldebuut op 20-jarige leeftijd in Mexico, altijd Domingo’s paradepaardje geweest. Zijn fluweelachtige, warme tenor leek geschapen om de rollen van goedbedoelende minnaars te zingen. Sherrill Milnes zingt een strenge, autoritaire vader Germont, met wie je niet in discussie gaat, maar die zich in de laatste scènes ook van zijn menselijke kanten laat zien.


RENATA SCOTTO

Traviata Scotto cd

Renata Scotto heeft (of moet ik zeggen: had?) iets wat weinig andere zangeressen bezaten: een perfecte techniek die haar in staat stelde om met coloraturen te strooien alsof het niets was. Haar hoge noten klonken weliswaar een beetje staalachtig maar waren ontegenzeggelijk loepzuiver. Zij bezat de gave om met haar stem (en niet alleen maar met haar stem!) te acteren, en door haar perfecte articulatie kon je niet alleen letterlijk volgen wat ze zingt, maar het ook begrijpen.

Haar wellicht mooiste (er bestaan meerdere opnames met haar) Violetta nam ze in 1963 op (DG 4350562), onder de zeer spannende leiding van Antonino Votto. Alfredo wordt er gezongen door de zoetgevooisde Gianni Raimondi, en Ettore Bastianini is een warme, inderdaad vaderlijke, Giorgio Germont.


Traviata Scotto dvd

En denk maar niet dat de voorstellingen vroeger, toen alles nog volgens het boekje gebeurde, statisch en saai waren! In 1973 was La Scala op tournee in Japan, en daar, in Tokyo, werd een legendarische voorstelling van La Traviata opgenomen (VAI 4434).

De hoofdrollen werden vertolkt door de toen nog ‘volslanke’ Renata Scotto en de 27-jarige (!) José Carreras. DVD vermeldt geen naam van de regisseur, wellicht was er ook geen, en de zangers (en de dirigent) hebben het allemaal zelf gedaan? Hoe dan ook, het resultaat is werkelijk prachtig, ontroerend en to the point. Ik ga er verder niets meer over vertellen, want deze opname is een absolute must voor iedere operaliefhebber.

Finale van de opera:

PATRICIA CIOFI 2004

Traviata Ciofi

De productie uit Venetië in november 2004 in de regie van Robert Carsen werd gemaakt voor de heropening van de acht jaar eerder totaal afgebrande La Fenice. Er werd gekozen voor de eerste versie van de opera, uit 1853. Goed bedacht, daar de (toen mislukte) première van wat Verdi’s meest geliefde opera ooit zal worden, juist daar had plaatsgevonden. De grootste verschillen met de ons bekende, één jaar latere versie zitten in het duet tussen Violetta en vader Germont, en de twee laatste nummers van de derde akte.

Als geen andere opera kán Traviata geactualiseerd worden. Het was overigens Verdi’s wens om haar in hedendaagse kostuums op te voeren. In de regie van Carsen draait alles om geld, en de dollars vallen ook als bladeren van de bomen. Hij verplaatst de tijd van handeling naar de jaren tachtig van de vorige eeuw, de tijd van opkomende megasterren, supermodels, gigaparty’s, maar ook junks, kraakpanden en aids. Zoals altijd bij hem, is alles zeer logisch en consequent doorgevoerd..

Een absoluut hoogtepunt is het beginscène van de laatste acte, waarin de inmiddels totaal (ook letterlijk!) aan de grond geraakte Violetta een video van haar verleden bekijkt. Een video die op bepaald moment stopt en alleen maar “sneeuw” vertoont. De scène grijpt je naar je keel en laat je nooit meer los. Het toppunt van de goede moderne regie.

Violetta wordt zeer aangrijpend vertolkt door de zowel vocaal als scenisch imponerende Patricia Ciofi. Als Alfredo komt de Italiaans-Duitse tenor Roberto Sacca zeer overtuigend over en Dmitri Hvorostovsky is een voortreffelijke vader Germont (Arthaus Musik107227 )

Laatste zeven minuten van de productie:

EVA MEI 2005

Traviata Nei Beczala

In 2005 werd tijdens de Zürcher Festspiele een Traviata in de regie van Jürgen Flimm opgenomen (Arthaus Musik 101247). De prachtige decors van de hand van Erich Wonder zijn spaarzaam, maar er is wel een bed. Waren bij Carsen alle personages voor een deel zelf debet aan het drama, bij Flimm is het duidelijk pappa Germont wiens schuld het allemaal is.

Eva Mei is vocaal bijna net zo goed als Ciofi en Piotr Beczała is een pracht van een Alfredo. Met zijn lyrische tenor die het midden houdt tussen Gedda en Wunderlich klinkt hij veel mooier dan Sacca. Samen met Eva Mei vormen zij een wat romantischer paar dan Sacca en Ciofi, maar die zijn dan weer veel en veel dramatischer. Thomas Hampson zet een zeer onsympathieke papa Germont neer, maar dat was natuurlijk de bedoeling. Zeer spannend.

Eva Mei en Piotr Beczała:

 

ANGELA GHEORGHIU

Traviata Gheorghiu

Violetta is altijd het paradepaardje van Gheorghiu geweest. Vanaf haar debuut in het Londense ROH in 1994 tot niet zo lang geleden liep de rol als een rode draad door al haar optredens heen.

Maar kleine meisjes worden groot en het zingen van zwaardere rollen is niet zo bevorderlijk  voor de coloraturen. In 2007 had haar inmiddels een beetje scherpe sopraan veel donkere ondertonen gekregen, wat op zich helemaal niet verkeerd is, en zeker op zijn plaats is in de derde acte.

Gheorghiu is altijd al een zeer overtuigende actrice geweest, en hier, onder de behoedende (en behoudende) oog van de regisseur Liliana Cavani, doet zij wat de componist van haar verlangt en sterft een mooie en dramatische dood.

Ramón Vargas was Alfredo toen al een beetje ontgroeid, maar Roberto Frontali zingt een zeer fraaie Giorgio Germont.

Lorin Maazel is niet de meest sprankelende dirigent die we kennen, maar de productie uit La Scala is ware een lust voor het oog. (Arthaus Musik 101343).

trailer van de productie

BEVERLY SILLS

Traviata Made in America

Een p.s.: mis de prachtige hommage aan Beverly Sills, Made in America (DG 0734299) niet,  met een keur aan schitterende archiefbeelden, waaronder ook  haar La Traviata met Ettore Bastianini.

 

La forza del destino: discografie

Forza poster

La Forza del Destino (De macht van het noodlot) gaat over – hoe raad u het? – de macht van het noodlot. En over de gewroken eer.

Alvaro, Peruaanse prins van een Inca afkomst reist incognito door Spanje om eerherstel van zijn ter dood gebrachte ouders te bewerkstelligen. Onderweg wordt hij verliefd op een dochter uit een welgestelde adellijke familie, de liefde is wederzijds, maar de kans om te kunnen trouwen nihil: zie hier de ultieme liefdesdrama. De geliefden besluiten te vluchten en vanaf hier neemt noodlot het heft in handen en bezorgt ons een onwaarschijnlijke reis door tijd en plaatsen.

Daar er niets gebeurt zonder reden, hier de belangrijkste: dankzij het ietwat warrige, maar o zo mooie drama heeft Verdi ons leven verrijkt met één van de mooiste opera’s ooit, met onvergetelijke aria’s en duetten en dé ouverture. En dan te bedenken dat het voorspel er aanvankelijk niet in zat!

Bij de première in 1862 in Sint Petersburg werd de opera nog vooraf gegaan door een korte prelude. Pas zeven jaar later, toen Verdi de opera nog eens ter hand heeft genomen, verving hij de prelude door de ons overbekende ouverture.

Petersburg 1995

Forza Gergiev

Van de eerste, Petersburgse versie bestaat een zeer goede uitvoering: de door Valeri Gergiev gedirigeerde en met de sterzangers van het Mariinski Theater bezette opname uit 1995. Deze opname is een absolute must. Niet alleen omdat het om de oorspronkelijke versie gaat, maar ook omdat de uitvoering weergaloos is.

Gergiev dirigeert zeer ferm en de drama is zinderend. Gegam Grigorian is een fenomenale Alvaro, voor mij is hij zonder meer één van de allerbeste vertolkers van die rol.

Galina Gorchakova overtuigt als een verscheurde Leonora en Nikolai Putilin is een prima Carlo. De opname is waarschijnlijk moeilijk verkrijgbaar, maar u kunt het in zijn geheel beluisteren op Spotify.


 

Richard Tucker

Forza Tucker solo

Richard Tucker als Alvaro © Sedge LeBlang/Opera News Archives

De Amerikaanse tenor was één van de beste Alvaro’s in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Als je goed naar zijn opnamen luistert dan weet je meteen waarom: Tucker beschikte over een grote, goed gevoerde en sterk resonerende spinto-tenor, met warme en emotionerende ondertonen. Hij heeft de rol vaak gezongen en daar bestaan een paar opnamen van.

.

In 1954 zong hij de rol tegenover Leonora van Maria Callas. Hoe ik ook mijn best niet doe: van haar Leonora word ik niet echt warm. Sterker, zij irriteert mij. Maar toegegeven, haar ‘La Vergine degli Angeli’ klinkt prachtig, iets wat ik voornamelijk op conto van de ongekend ontroerend dirigerende Tulio Serafin schrijf.

Terug naar Tucker: luister even naar ‘Solenne in quest’ora‘, het duet tussen Alvaro en Carlo (schitterende Carlo Tagliabue):

wedden dat je de hele wereld vergeet? (Warner 5646340002)


 

 Forza Gre

Zes jaar later, in 1960 zong Richard Tucker de rol van Alvaro in Buenos Aires. Zijn grote aria ‘La vita è inferno’ klinkt nog indrukwekkender dan bij Serafin. Wie hier niet geroerd door raakt, heeft geen hart. Zo denkt ook het Argentijnse publiek er zeer hoorbaar over en trakteert hem op een enorm applaus.

Zijn Leonora is niemand minder dan onze eigen Gré Brouwenstein. Het is heel erg jammer dat de kwaliteit van de opname veel te wensen overlaat, want wat Brouwenstein hier laat horen is op zijn minst bijzonder.

Aldo Protti is een niet helemaal overtuigende Carlo, maar Mignon Dunn is een meer dan spannende Preziosilla. Fernando Previtali dirigeert zeer behoedzaam (Archipel WLCD 0310)

Forza Price Tucker

We schuiven nog eens vijf jaar vooruit. In 1965 mocht Tucker zijn Alvaro in de studio van RCA opnemen. In die opname klinkt hij iets minder betrokken dan in Buenos Aires, geen wonder, live is immers live. Hij klinkt ook milder, alsof hij heeft besloten in zijn lot te berusten. Wat eigenlijk ook zo was.

Leonora werd onvoorstelbaar prachtig gezongen door Leontyne Price en Robert Merrill (Carlo) geeft een openbare masterclass in het ‘Verdi-zingen’.

Robert Merrill zingt ‘Morir! Tremenda cosa!’

Tel daarbij een speelse en sexy Preziosilla van Shirley Verett en uw avondje ‘Noodlot’ kan niet meer stuk.

Thomas Schippers dirigeert voortreffelijk (ooit RCA, tegenwoordig waarschijnlijk Briljant Classics).


Plácido Domingo

Forza Arroyo

In de opname uit Buenos Aires uit 1972 komen we Fernando Previtali weer eens tegen. Twaalf jaar later nam hij de tempi iets sneller, waardoor in ieder geval de ouverture wat prettiger klonk. Leonore werd gezongen door de Amerikaanse Martina Arroyo, een prachtige donker gekleurde sopraan.

Forza Domingo 1972

Plácido Domingo als Alvaro, 1972

De rol van Alvaro markeerde het Argentijnse debuut van Plàcido Domingo en dat is de voornaamste reden voor het beluisteren van deze zeer slecht klinkende opname (Arkadia HP 612.3). Wat u hoort is een jonge, krachtige stem, misschien een tikkeltje te onstuimig maar o zo verschrikkelijk mooi!


FOrza Price Domingo Levine

In 1976 werd de opera door de toenmalige RCA opgenomen, met in de hoofdrollen, naast Plácido Domingo en een fenomenale Leontyne Price (Leonora) een niet minder spectaculaire Sherrill Milnes als Carlo. Domingo en Milnes waren een “match made in heaven”: hun stemmen kleurden mooi bij elkaar en ze wisten elkaar te stimuleren.

Domingo en Milnes zingen ‘Solenne in quest’ora’ in een recital in 1983, Levine dirigeert:

Bonaldo Giaiotti was al bij Previtali in Buenos Aires een zeer goede Fra Guardiano, maar hier kun je pas zijn geweldige stem naar waarde schatten. Vergeet ook Preziosilla van Fiorenza Cossotto en de spannende directie van Levine niet!


Forza Freni

Tien jaar later mocht Domingo zijn Alvaro nog een keer in de studio herhalen, nu onder leiding van Riccardo Muti en deze opname mag in uw verzameling beslist niet ontbreken. Er zijn weinig dirigenten die Verdi zo op de huid weten te dirigeren, zeker tegenwoordig.

Mirella Freni is een niet echt idiomatische Leonora, maar zij zingt ontegenzeggelijk mooi, zoals altijd eigenlijk.

Domingo klinkt hier volwassener, edeler, meer ‘prinswaardig’, zeg maar, maar dat naïef-jeugdige, dat is hij hier een beetje kwijt. Giorgio Zancanaro is een mooie Carlo, maar zelf had ik graag wat meer expressie gehoord. Met Sesto Bruscantini is de rol van Fra Melitone grappiger dan het eigenlijk de bedoeling was, denk ik (ooit EMI)

DVD

Napels 1958

Forza Tebaldi dvd

En op dvd? Hier kan ik heel erg duidelijk over zijn: koop de opname uit Napels 1958 (Hardy Classics HCD 4002). Never mind de fletse zwart-wit beelden en de slechte mono-geluid: deze opname moet u hebben!

Het begin alleen al: pam! Pam! Pam! Die staat! Francesco Molinari Pradelli kent zijn vak. Wat zich erna ontpopt is een wereld die allang niet meer bestaat, een wereld vol volmaakte (opera)magie.

Bij haar eerste aria al, ‘Me pellegrina ed orfana’ laat Renata Tebaldi je met je mond open en ogen vol tranen achter. Wakker geschud worden we pas als haar minnaar in de gedaante van Franco Corelli via het balkondeur haar kamer en onze harten binnenloopt.

Kijk: met deze Alvaro zou ik zelfs naar de hel kunnen lopen, mocht de hel bestaan. Dat je onderweg de duivel zelf in de gedaante van Ettore Bastianini (Carlo) tegenkomt maakt de feest alleen maar compleet.

Hieronder zingt Tebaldi ‘La vergine degli angeli’:

Alle duivels! Dat, dames en heren, dat heet zingen. Daar neem je de boordkartonnen decors en de – helaas – vele coupures voor lief.

München 2015

Forza Kaufmann

Arme zangers. Tegenwoordig moeten ze voornamelijk mooi zijn en zich naar de wensen van de regisseur schikken. Mochten ze nog kunnen zingen dan is dat meegenomen, noodzakelijk is het niet.

Nu moet ik eerlijkheidshalve zeggen dat regisseurs vaak hun best doen om het zingen zo goed mogelijk te belemmeren. Zo’n regisseur is de Oostenrijkse Martin Kušej. In München 2015 maakte hij van ‘La Forza del destino’ een soort psychologische familiedrama aan tafel (te veel naar Tcherniakov gekeken?), gelardeerd met religieus fanatisme.

Het kan dus aan de regie liggen dat Jonas Kaufmann (Alvaro) sterk onder zijn niveau presteert.

Anja Harteros zingt onwaarschijnlijk prachtig, maar om er van te kunnen genieten moet men de ogen dicht doen (Sony 8875160649))

 

En, omdat ik het voornamelijk over de ‘heren’ heb gehad: als uitsmijter mijn geliefde uitvoering  van ‘La Vergine degli angeli’ door Leyla Gencer: