Gina_Cigna

Het laatste woord over Turandot is nog niet gezegd

https://c8.alamy.com/comp/C5WMNB/turandot-poster-for-the-1926-production-of-puccinis-opera-at-la-scala-C5WMNB.jpg

WENEN 1983

Turandot Carreras

Harold Prince, met maar liefst 21 Tony Awards op zijn naam één van de grootste (zo niet de grootste) producers/regisseurs van musicals, nam in 1983 ‘Turandot’ (Arthaus Musik 107319) onder handen, met een zeer indrukwekkend resultaat. Hij creëerde een door angst geregeerde schijnwereld, waar de in spetterende kostuums gestoken bewoners zich (en hun ware gevoelens) achter de maskers verschuilen. Schitterend en angstaanjagend tegelijk.

Eva Marton zingt een fenomenale Turandot en Katia Ricciarelli is een broze, meelijwekkende Liù. haar met de mooiste pianissimi uitgesponnen “Signore ascolta” is hartbrekend.

En José Carreras… Ook om hem moet ik huilen, want toen, op zijn 37e, beschikte hij over één van de mooiste (lyrische) stemmen ter wereld. Maar Calaf was zijn rol niet. Hij zingt hem werkelijk prachtig, maar men hoort hem zijn eigen grenzen overschrijden. En toch …. Zijn hopeloze machogedrag, dat tegen elk beter weten ingaat, klopt niet alleen met het regieconcept, het illustreert ook het best Calafs karakter. Althans voor mij

Het orkest uit Wenen staat onder leiding van Lorin Maazel. Niet mijn geliefde dirigent, maar hier heb ik geen reden om te klagen

NEW YORK 1987

Turandot Domingo

Er was een periode dat ik dacht, dat ik het helemaal heb gehad met de larger than live producties van Franco Zefirelli. Dacht ik, want nu kan ik er alleen maar smachtend naar terugverlangen. Des te meer dat het niet alleen maar pracht en praal was: Zefirelli was ontegenzegelijk een zeer goede personenregisseur de interactie was bij hem ook altijd perfect getimed.

Plácido Domingo is een verhaal apart. Zoals velen van u weten (zo niet, dan weet u het nu) is hij mijn absolute hero en idool, maar hij is zo vriendelijk! En lief! Hij zingt de rol beter dan Carreras (overigens – geen van beide heren was een kampioen van de hoge noten). Zijn stem is groter en sterker, maar qua karaktertekening wint Carreras het van hem.

Leona Mitchell (wat is er toch met haar gebeurd?) is een zeer ontroerende Liù. En haar huidskleur maakt dat je haar inderdaad als de slavin (dus niet goed genoeg voor Calaf) kan meebeleven.

VALENCIA 2008

Voor de liefhebbers van sprookjes, bedwelmend mooie en kleurrijke kostuums, overweldigende decors, en van opera ‘zoals opera hoort te zijn’: van de in mei 2008 opgenomen productie uit Valencia gaat je hart sneller kloppen en zelfs met je oren dicht ga je immens genieten.

De beroemde Chinese filmregisseur Chen Kaige (o.a. ‘Farewell to my Concubine’) trekt alle registers open en laat je, al vanaf het allereerste moment, naar adem happen. Aan visuele weldaad geen gebrek aldus, wat niet betekent dat het muzikaal niet goed is.

Maria Guleghina is niet de subtielste van de hedendaagse sopranen. Ze blijft altijd een beetje ongenaakbaar en onderkoeld, maar ze heeft een dijk van een stem en haar hoge noten staan als een huis: ziehier de perfecte vertolkster van de titelrol.

Marco Berti is het prototype van een ‘ouderwets Italiaanse tenor’: rechttoe rechtaan, weinig beweging. Zijn geluid is echter ook onmiskenbaar ‘ouderwets Italiaans’: groots, rinkelend, met een vleugje Bergonzi in zijn timbre en een prachtige hoogte.

Alexia Voulgaridou is een zeer ontroerende Liù en de drie ministers zijn buitengewoon overtuigend.

Het orkest (Orquestra de la Comunitat Valenciana) onder maestro Mehta doet zijn best om zo Chinees mogelijk te klinken, wat ze wonderwel lukt (C Major BD 700404/DVD 700308).

ARENA DI VERONA 2010

Turandot Licitra dvd

Hier heb ik het moeilijk mee. Ik kijk en luister naar Salvatore Licitra en kan mijn tranen niet bedwingen. Hij is nooit mijn geliefde tenor geweest, maar, met de wetenschap dat je kijkt en luistert naar wat waarschijnlijk zijn allerlaatste opname is geweest (in september 2011 kreeg hij een dodelijk ongeluk op zijn geboorte eiland, Sicilië), maakt het beoordelen, laat staan ‘genieten’ zeer lastig.

Turandot Licitra

Salvatore Licitra courtesy of San Diego Opera

En wat moet ik over de productie zelf vertellen? Het is een goede oude Zefirelli, met alles erop en eraan, al verandert hij her en der wat. Maar de sfeer in Verona is om jaloers op te zijn, zo mooi.

De maan is verlicht en je waant je midden in een sprookje. De beelden zijn ontegenzeggelijk prachtig en het blijft een fascinerend spektakel, zeker als je daar gevoelig voor bent.

En de uitvoering? Maria Guleghina was toen de allerheersende Turandot en zij doet het zonder meer goed, maar ook zij is een dagje ouder geworden en er is een soort routine in haar stem en voordracht geslopen. Ik hoor ook een rafelig randje in haar hoogte.

Luiz-Ottavio Faria is een zeer ontroerende Timur en Tamar Iveri een mooie, maar niet een echt memorabele Liu. Moeilijk (BelAir BAC066).

ROYAL OPERA HOUSE LONDON 2013

turandot Serban

Heeft u ook zo’n hekel aan Calaf? Voor mij behoort hij tot de meest onsympathieke operahelden: egoïstisch, egocentrisch en belust op geld en macht, in staat om alleen maar van zichzelf te houden. Eenmaal op drift kan hij door niets en niemand worden tegengehouden: noch door de smeekbeden van Liu en zijn vader, noch door de wijze woorden van Ping, Pang en Pong. De wereld waartoe hij wil behoren is er een van glitter en valse schijn, waar alleen maar de buitenkant telt.

Of denkt u werkelijk dat hij verliefd is op Turandot?

Soms verdenk ik Puccini ervan dat hij met opzet zijn opera niet had afgemaakt, want: hoe brouw je een happy end aan een sprookje dat een aaneenschakeling is van martelingen, moorden en zelfmoorden?

Wellicht ben ik de enige niet. Regisseur Andrei Serban laat de opera na de dood van Liu één lange minuut stoppen, waarin alle handelingen bevriezen. Daar ben ik hem bijzonder dankbaar voor, want de hartenkreet van Timur (“word wakker Liu, het is al ochtend”) echoot zo na in je hoofd.

De vijfendertig jaar oude productie – die, na de halve wereld te zijn afgereisd, in 2013 weer eens terugkeerde naar Covent Garden – heeft niets aan pracht verloren en boeit nog steeds van het begin tot het eind. De voorstelling is met zijn prachtige choreografie een lust voor het oog: wervelend en kleurrijk, met een zeer dominante kleur rood.

Marco Berti is een prima hoewel wat statige Calaf en Lise Lindstrom zingt een zonder meer overtuigende Turandot. Iets wat ik helaas niet kan zeggen van Eri Nakamura (Liu).

De jonge Henrik Nánási heeft zo te horen nog een lange weg te gaan voordat hij zich een ‘Puccini-dirigent’ mag noemen. Nu ontbreekt het hem (nog?) aan een dosis gezond sentiment. Maar kundig is hij wel.

Dit is niet de beste uitvoering van Turandot die er is, maar wellicht, voor mij althans, wel één van de mooiste om te zien.

Hieronder trailer van de productie:

EN OP CD

Turandot Cigna

Jarenlang was de opname met Birgit Nilsson, onder leiding van Francesco Molinari-Pradelli (ooit EMI 7693272) mijn absolute favoriet. Beter kon en kan niet, basta. Tot ik een poos geleden een heel erg lang niet meer beluisterde cd met Gina Cigna uit de kast trok (Naxos 8.110193-94) en nu weet ik het niet meer.


Zowel Nilsson als Cigna hebben een dijk van een stem waarmee ze makkelijk de rol aankunnen, maar Cigna beschikt over veel meer ‘italianitá’. Daartegenover staat de ijzige kilte in Nilssons timbre, waardoor ze een personificatie van de ijsprinses lijkt te zijn.

Franco Corelli en Francesco Merli zijn aan elkaar gewaagd: macho en krachtig. Maar Merli klinkt iets afstandelijker dan de warmere en zeer verleidelijke Corelli.

Turandot Scotto

Renata Scotto is een zeer broze en ontroerende Liu, maar dat is de jonge Magda Olivero ook. Moeilijk. Aan u de keuze. Hoewel: wie zegt dat u moet kiezen?


FRANCO ALFANO

Turandot Alfano en Puccini

Franco Alfano met Puccini

Tot slot nog een paar woorden over het ‘Alfano einde’. Een jaar of vijfentwintig geleden (gaat de tijd zo snel!?) werd het in de Vlaamse Opera in Antwerpen opgevoerd en sindsdien ben ik er een echte fan van geworden. Het is zo ontzettend jammer dat het nooit officieel is opgenomen!

Turandot Barstow

Ook de cd met Josephine Barstow, waarop zij met Lando Bartolini de originele Alfano-finale heeft opgenomen (Decca 4302032) is al jaren uit de handel. Het wordt tijd dat het hersteld gaat worden!

Turan Dokht toch, of toch Turandot?

Rosa Raisa: van het getto in Bialystok naar La Scala in Milaan

Advertenties

Tussen Gina Cigna en Renata Scotto, veertig jaar NORMA in een mini-discografie

Norma Pasta

Norma wordt beschouwd als het toppunt van belcanto, maar tegelijkertijd  is dit een muzikaal drama van jewelste die de vroege werken van Verdi behoorlijk achter zich laat en een belofte van een ‘Tristan’ met zich meedraagt. En al is het een liefdesdrama  en sterven beide protagonisten aan het eind een soort ‘liebestod’, de liefde is niet de enige drijfveer van de heldin. Ze is ook een moeder, een priesteres, een patriot, een dochter en een vriendin, en om al die aspecten van menselijke gevoelens goed te kunnen uitdrukken moet je meer dan een ‘zangeres’ zijn.

Norma Giuditta_Pasta_as_Norma_1831

De rol van Norma werd gecreëerd door Giuditta Pasta, van huis uit een mezzo, die haar stem omhoog had gewerkt. Pasta was een buitengewoon intelligente zangeres met een grote toneelpersoonlijkheid en een groot stembereik maar haar techniek was niet optimaal, waardoor haar stem al heel erg vroeg in haar carrière achteruit ging. Paulette Viardot (een van de bekendste mezzo’s van haar tijd) zei ooit over Pasta: “ze lijkt op ‘Het laatste avondmaal’ van Leonardo da Vinci – een ruïne van een schilderij, maar het grootste schilderij in de wereld”.

Norma Giulia Grisi

Giulia Grisi als Norma

De eerste Adalgisa werd gezongen door Giulia Grisi, een sopraan, die ook de rollen van Elvira (I Puritani) en Giulia (I Capuletti  e Montecchi) creëerde, en die later zelf een Norma van formaat was geworden.

GINA CIGNA

Norma Cigna

In de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw werd Norma maar weinig opgevoerd. In de operageschiedenis wordt over maar twee memorabele uitvoeringen gesproken: in 1926 in de Metropolitan Opera (met Rosa Ponselle en Lauri-Volpi) en in 1936 in La Scala, met Gina Cigna

In 1937 werd de allereerste (vrijwel) complete opname van Norma gemaakt: met Gina Cigna, Ebe Stignani en Giovanni Brevario, gedirigeerd door Vittorio Gui (verschillende labels). Het klinkt nog steeds goed, al is de klank uiteraard niet optimaal.

In de operawereld heerst in het algemeen de mening dat de meeste (belcanto-)zangeressen vóór Callas licht waren, net als kanariepieten. Dat is niet waar. Luister alleen al naar de volle, donker getimbreerde stem van Cigna en naar haar gevoel voor drama.

Cigna benadert de rol vanuit de veristische traditie en zet zwaar in. Van coloraturen is helemaal geen sprake, maar haar techniek is fenomenaal en haar topnoten stevig en zuiver. Ze is echter geen echte actrice, waardoor haar interpretatie ver achter die van (onder andere) Callas staat.

Adalgisa wordt hier gezongen door jonge Ebe Stignani: een mooie, warme mezzo, hier veel overtuigender dan in al haar latere opnamen. Giovanni Breviario is een ondermaatse Pollione, maar orkestraal is deze opname, samen met die van Serafin (Rome 1955) en Muti (Turijn 1974), één van de drie mooiste Norma’s. Mede daardoor (en de bijzonder ontroerend gezongen ‘Deh! Non volerli vittime’) zeer de moeite van het beluisteren waard.

Gina Cigna en Giovanni Breviario in ‘Deh! non volerli vittime’:

MARIA CALLAS

.

Met denkt Norma, men zegt Callas. Terecht, want als geen ander heeft La Divina een stempel op die rol gezet. Tussen 1950 en 1964 was ze ontegenzeggelijk de beste Norma. Misschien was ze wel de beste Norma ooit.

Ze heeft de rol meer dan 90 keer gezongen en twee keer in de studio opgenomen, beide keren onder Tulio Serafin. De eerste stamt uit 1954 (Warner Classics 0825646341115). Callas was toen vocaal absoluut op haar best, toch kan die opname me matig boeien. De begeleiding van Serafin vind ik ronduit saai, Filippeschi is, ondanks zijn mooie stem, geen Pollione van gewicht, en Stignani klinkt gewoon (te) oud. Ook op het acteren van Callas heb ik her en der opmerkingen. Haar ‘Casta Diva’ lijkt veel meer op een liefdesaria dan op een ode aan de maangodin, wat het eigenlijk is. Maar haar zingen is fenomenaal mooi, met prachtige hoogte en goede trillers.


.

In de herfst van 1960 stond Callas erop om de opera nogmaals op te nemen. Men beweert dat ze hiermee haar comeback had willen maken (vanwege allerlei schandalen had Callas negen maanden niet gezongen). Mogelijk, maar het is ook zeer voor de hand liggend dat haar inzichten omtrent de rol zodanig veranderd waren, dat ze het nogmaals wilde vastleggen.

Gelukkig maar, want haar tweede ‘officiële’ Norma (Warner Classics 0825646340842) is in alle opzichten superieur aan de eerste. Franco Corelli is wellicht de beste Pollione ooit: een echte krijgsheer met een zeer masculiene stem. Zeker van zichzelf en zijn uitstraling, kordaat, macho, maar ook liefhebbend en zeer, zeer sensueel en sexy. Geen wonder dus, dat een jonge priesteres voor hem kan vallen. En geen wonder dat een vrouw als Norma – sterk, mooi en machtig –  van hem blijft houden, ondanks zijn verraad.

Adalgisa wordt gezongen door een jonge Christa Ludwig. Niet echt Italiaans, ook (voor mij) iets te donker van timbre, maar met zoveel inlevingsvermogen, dat het er eigenlijk weinig toe doet.

Callas zelf is over haar vocale hoogtepunt heen en her en der laat ze een pijnlijke noot horen, maar als actrice is ze absoluut ongeëvenaard. Ook hier wil ze af en toe chargeren (de scène met haar kinderen bij voorbeeld), maar haar intense betrokkenheid, haar volledige begrip en overgave – het is uniek. Ook Serafin is duidelijk veel meer geïnspireerd, al heb ik af en toe moeite met zijn tempi.


Norma Callas ROme

Behalve deze twee studio-opnamen bestaan er ook een half dozijn radio- en piratenregistraties van Callas’ live-optredens. Uit Londen, Milaan en Rome. Bij één ervan wil ik even stilstaan, want voor mij is dit de beste Norma. Het is een registratie van een voorstelling op 29 juni 1955 in Rome (o.a. Opera d’Oro 7003)

Callas, fantastisch bij stem, mist geen (top)noot, geen triller en geen nuance. Het gaat van pianissimo tot forte en terug, van donker naar open, van glissando naar portamento, en alles met stijlgevoel en tekstbegrip. Dit is dramatische belcanto pur sang, dit moet Bellini voor ogen hebben gestaan.

Mario del Monaco zingt een droom van een Pollione. Soms een tikje te luid, maar het mag, hij is immers een krijger. In ‘Qual cor tradisti, qual cor perdisti’ wordt hij hoorbaar ontroerd en opnieuw verliefd. Hun stemmen smelten in het ultieme liefdesduet, dat alleen de dood tot gevolg kan hebben.

Maria Callas en Mario del Monaco in ‘Qual cor tradisti’:

Ook Serafin dirigeert met gevoel voor zowel drama als lyriek en als Stignani me nog steeds niet overtuigt, dan is het alleen omdat ik in die rol een sopraan wil horen.

JOAN SUTHERLAND

 Norma Sutherland

Ook Joan Sutherland heeft Norma twee keer (officieel) opgenomen. Haar eerste opname uit 1965 (Decca 4704132) was een ware sensatie. Het was de allereerste opname van de complete muziek van Bellini, zonder ook maar de minste coupures. Bovendien was het de allereerste opname in de originele toonsoort (Bellini componeerde zijn opera in G, maar voor de première veranderde hij het in F).

Sutherland gold in die tijd als de belcanto-specialiste bij uitstek. Haar stem kende geen grenzen en leek van elastiek. Hoog, hoger, hoogst, en met coloraturen die bijna onmenselijk perfect klinken.

Adalgisa werd gezongen door Marilyn Horne, Sutherland’s alter ego in het mezzovak. Het resultaat is duizelingwekkend, maar ik mis drama, des te meer daar John Alexander (Pollione) een mooie maar nietszeggende stem heeft.

Op het orkestspel valt evenwel niets op te merken en als u van zuiver zingen, hoge noten en coloraturen houdt, dan is deze opname de beste keus.


Norma Sutherland Pavarotti

Twintig jaar later heeft Sutherland de rol opnieuw opgenomen, ditmaal met Montserrat Caballé (Adalgisa) en Luciano Pavarotti (Pollione). Laat ik het maar een vergissing noemen, al is Adalgisa van Caballé op zijn minst interessant. Jammer dat men er niet eerder aan had gedacht.


MONTSERRAT CABALLÉ

Norma Caballe Domingo

Caballé is een soort kruising tussen Callas en Sutherland: prachtige topnoten, onwaarschijnlijk mooie legatobogen, perfecte trillers, en bovendien een pianissimo waarin geen van haar collega’s haar kon evenaren. Ze was een veel betere actrice dan Sutherland, bovendien had ze een geweldige uitstraling en een charisma van jewelste. Ze ging nooit tot het uiterste, zoals Callas of (later) Scotto, maar haar uitvoeringen waren altijd zeer overtuigend.

In 1973 nam ze de rol op voor RCA en het resultaat was zeer behoorlijk (GD 86502). Haar Pollione, een zeer jonge Plácido Domingo, was vocaal kristalhelder en klinkend als een klok. Het ontbrak hem echter aan overwicht, waardoor hij veel te jong voor die rol klonk.

Fiorenza Cossotto in haar rol van Adalgisa leek meer op Azucena dan op een jong meisje, maar op haar zingen an sich valt helemaal niets aan te merken. Jammer genoeg klinkt het orkest ongeïnspireerd en haastig, wat beslist de dirigent, Carlo Felice Cillario, moet worden aangerekend.


 

Norma Caballe Vickers

In 1974 zong zij Norma in het Romeinse amfitheater in Orange (Provence). Het was een zeer winderige avond, en alles woei en bewoog: haar haren, sluiers en jurken. Een fantastische gewaarwording, die een extra dimensie aan de toch al geweldige uitvoering toevoegt. Het werd gefilmd door de Franse televisie (wat een geluk!), en is inmiddels op de DVD verschenen (VAIV 4229).

Caballé zingt ‘Casta Diva’:

Caballé was prachtig bij stem, zeer lyrisch in ‘Casta Diva’, dramatisch in ‘Dormono etrambi’ en ontroerend in ‘Deh! Non volerli vittime’. Samen met Josephine Veasey zong ze wellicht de meest overtuigende ‘Mira , o Norma’ – althans, in een complete opname van de opera. Als twee feministes avant la lettre zweren ze de mannen af en van rivalen transformeren ze in hartsvriendinnen.

John Vickers (Pollione) was nooit mijn ‘cup of tea’, maar Veasey is een fantastische (ook optisch) Adalgisa en Patané dirigeert bezield. Van alle opnamen op dvd (en het zijn er niet veel) is deze beslist de beste.

RENATA SCOTTO

Norma XScotto Muti

Scotto zong haar eerste Norma in 1974, in Turijn. Bij mijn weten bestaat er geen opname van, althans niet van de complete opera.

‘Casta Diva’ uit Turijn:

 

Wel werd door een piraat de voorstelling uit 1978 in Florence vastgelegd (Legato LCD 203-2). Het had de meest ideale Norma kunnen worden, maar helaas werd de voorstelling ontsierd door een niet meer dan adequate Ermanne Mauro als Pollione.

Margherita Rinaldi (eindelijk weer eens een sopraan) klinkt jong als Adalgisa en Scotto is, volgens vele critici, de eerste Norma na Callas die schijnt te weten waar het over gaat. Orkestraal behoort deze opname tot mijn top drie, maar het geluid is jammer genoeg niet echt geweldig.

Scotto in ‘Dormono entrambi’ in 1978:

norma-scotto-troyanos-james-levine-3-lp-cbs

In 1980 nam Scotto de opera in de studio op (Sony SM2K 35902), onder leiding van James Levine. Op haar vertolking valt weinig op te merken al is het ‘staal’ in haar stem soms bijzonder pijnlijk. Ook de Adalgisa (onwaarschijnlijk mooie Tatiana Troyanos) is absolute top. Maar Giuseppe Giacomini (Pollione) stelt niet veel voor en Levine dirigeert veel te zwaar en overdramatisch.