Roberto_Alagna

Angela Gheorghiu: “I am a star. Always have been”

© Cosmin Gogu).

In 2004, I wrote an article about Angela Gheorghiu.  “I am a star. Always have been” she once said during an interview. And that was true, because back then she had everything that makes a contemporary opera singer a star. Young, slim and beautiful, with a more than average acting talent and, not unimportant in this profession, she could sing exceptionally well. Her voice, with its fast vibrato, could be placed somewhere between Cotrubas and Olivero, although it lacked the intensity of the latter. She was a real diva and she behaved like one.The literal translation of the word diva is ‘goddess’. Does she like being a diva?

© Jean-Marie Périer/Photo12


“Someone once called me that, and I do like it. It has everything to do with appearance, and besides, as a singer I cannot be a ‘normal person’. Without divas, music and theatre would not have got very far. People need divas, otherwise we would all be alike, like the communists, the very idea!”

Gheorghiu was born in Romania, a country from which more great singers have come. The aforementioned Cotrubas, for example, with whom she may very well be compared. Both singers have a similar ‘white lyricism’ and a slight mannerism in how they sing the words forward. Their roles also are more or less the same, although Cotrubas had never ventured to a Tosca or a Carmen, not even in the studio. Once Cotrubas was the best Adina (L’Elisir d’amore), Mimi (La Bohème) and Violetta (La Traviata) of her time and in all these roles, Gheorghiu was the uncrowned queen at the end of the nineties. She became world-famous thanks to her performance of Violetta at Covent Garden under Georg Solti. The performance was broadcast live on television by the BBC, which even turned its broadcasting schedule upside down for it.



It seems that she had once suffered from hunger, when she still lived in Romania. And that she had been heavily guarded during her first performance (with a choir, that is, but as a soloist) in Vienna, so that she would not have the chance to flee and seek political asylum. After the fall of communism, she was offered her first contract outside Romania: a television recital in Amsterdam. And she auditioned for Covent Garden. Her first major role there was Mimi in ‘La Bohème’, with Roberto Alagna as Rodolfo. Their love was not limited to the stage and Gheorghiu and Alagna (who had just lost his wife to a brain tumour and was left with a small daughter) got married.

La Bohéme © Phil Cooper


In 1998, she left her former company Decca and signed a contract with EMI, the record label that included Alagna among its exclusive artists. Very convenient, because it enabled her to record not only solo recitals, but also duets and many complete operas together with her husband ( they had now already been married for years). Many of those CDs received the most prestigious awards: Gramophone Award, Diapason d’Or, Deutsche Schalplatten-Preise. And in 2001 she was named the female ‘Artist of the Year’ at the Classical Brit Awards.



.
Gheorghiu is an easy prey for the  paparazzi in the world of opera. It seems that she has a make-up artist come to her for the photo shoots. And then she has someone to iron her clothes.
“But isn’t that professionalism? No one thinks it’s strange if models and actresses have a limousine and a make-up artist. Do I have to take the Underground in all weathers with my dresses? Has anyone ever seen Catherine Zeta-Jones do that?”

© Europost


She is a natural talent, but even a natural talent doesn’t go far without practice, practice, and more practice. She worked very hard on each role, and unlike many of her colleagues, she worked without a coach. And she worked like an actor: first she read and repeated the words, and only then did she start studying the score.

Her big dream at the time was to meet a composer who would write a beautiful role especially for her, she envisaged herself playing Jackie Kennedy, for example. But she remained sceptical, because the world has much changed and, according to her, contemporary composers know little about singers and the art of singing. So for her, no Schönberg, nor Berg.

She prefers to sing in Italian and French, but she does not rule out the possibility of singing of (light) Wagner roles in the future. She is also interested in jazz, for which she considers her voice well-suited. She will gladly add some jazz to her repertoire, although she is not a fan of crossovers.

Her heart still beats in Romanian. In ‘Desert Islands Discs’, the well-known Channel 4 programme on English radio, she once presented her choice of favourite music. Enescu, but also a few Romanian pop and folk songs. And a waltz by Chopin, but played by Dinu Lipatti.

Below, Angela Gheorghiu sings ‘Ciobanas cu trei sute de oí­’ in Amsterdam, 2013. She is accompanied by Het Gelders Orkest olv Ramon Tebar:

Semi interview met Angela Gheorghiu: “Ik ben een ster. Altijd al geweest”

In 2004 schreef ik een artikel over Angela Gheorghiu.  “Ik ben een ster. Altijd al geweest” zei zij ooit tijdens een interview. En dat was waar ook, want toen had zij alles wat een hedendaagse operazangeres tot een ster maakt. Jong, slank en mooi, met een meer dan gemiddelde acteertalent en, niet onbelangrijk in dit vak, zij kon buitengewoon mooi zingen. Haar stem, met zijn snelle vibrato, was ergens tussen Cotrubas en Olivero te plaatsen, al mistte ze de intensiteit van de laatste. Zij was een echte diva en daar gedroeg zij zich ook naar. De letterlijke vertaling ven het woord betekent ‘godin’ vindt ze het leuk om een diva te zijn?

© Jean-Marie Périer/Photo12

“Iemand noemde me ooit zo, en het bevalt me. Het heeft met de uitstraling te maken, bovendien kan ik als zangeres toch geen ‘normaal mens’ zijn. Zonder diva’s waren de muziek en het theater niet ver gekomen. Mensen hebben diva’s nodig, anders waren we allemaal gelijk zoals bij de communisten, het idee alleen al!”

Gheorghiu werd geboren in Roemenië, een land waar meer grote zangeressen vandaan komen. De bovengenoemde Cotrubas bijvoorbeeld, met wie ze heel goed vergeleken kan worden. Beide zangeressen beschikken over een soortgelijke ‘blanke lyriek’ en een lichtelijk maniërisme om woorden voor in de mond te zingen. Ook hun rollen zijn min of meer hetzelfde, al had Cotrubas zich nooit aan een Tosca of een Carmen gewaagd, zelfs niet in de studio. Ooit was Cotrubas de beste Adina (L’Elisir d’amore), Mimi (La Bohème) en Violetta (La Traviata) van haar tijd en van al die rollen was Gheorghiu eind jaren negentig de ongekroonde koningin. Wereldberoemd werd ze dankzij haar vertolking van Violetta in de Covent Garden onder leiding van Georg Solti. De voorstelling werd live op de televisie uitgezonden door de BBC, die er zelfs zijn zendschema voor overhoop gooide.

Het schijnt dat ze ooit honger had geleden, toen ze nog in Roemenië woonde. En dat ze zwaar bewaakt was tijdens haar eerste optreden (met een koor, dat wel, maar als soliste) in Wenen, opdat ze geen kans zou kunnen krijgen om te vluchten en het politieke asiel aan te vragen. Na de val van het communisme kreeg ze haar eerste contract buiten Roemenië aangeboden: een televisierecital in Amsterdam. En ze deed auditie voor de Covent Garden. Haar eerste grote rol daar was Mimi in ‘La Bohème’, met Roberto Alagna als Rodolfo. De liefde bleef niet beperkt tot de planken en Gheorghiu en Alagna (die net zijn vrouw aan een hersentumor had verloren en met een klein dochtertje achter bleef) gingen trouwen.

©©

La Bohéme © Phil Cooper

In 1998 verliet ze haar voormalige firma Decca en tekende ze een contract met EMI, het platenlabel dat onder haar exclusieve artiesten ook Alagna telde. Zeer handig, want daardoor kon ze niet alleen solo- maar ook duettenrecitals en veel integrale opera’s samen met haar (inmiddels al jaren toenmalige) man opnemen.  Talloze van die cd’s kregen de meest prestigieuze prijzen: Gramophone Award, Diapason d’Or, Deutsche Schalplatten-Preise. En in 2001 werd ze tijdens de Classical Brit Awards uitgeroepen tot de vrouwelijke ‘Artiest van het jaar’

.

Voor een beetje paparazzi in de operawereld is Gheorghiu een makkelijke prooi. He schijnt dat ze voor de fotosessies een grimeur laat komen. En iemand die haar kleren strijkt.

© Europost

“Maar dat is toch professionalisme? Niemand vindt het raar als fotomodellen en actrices over een limousine en een grimeur beschikken. Moet ik met mijn jurken de metro nemen door weer en wind? Heeft iemand ooit Catherine Zeta-Jones zoiets zien doen?”

Ze is een natuurtalent, maar zelfs een natuurtalent komt niet ver zonder oefenen, oefenen, en nog eens oefenen. Ze werkte heel hard aan iedere rol, en in tegenstelling tot veel collega’s werkte ze zonder coach. En ze ging te werk als een acteur: eerst lezen en herhalen de woorden en pas daarna begon ze met het bestuderen van de partituur.

Haar grote droom toen was om een componist te ontmoeten die speciaal voor haar een mooie rol zal schrijven, ze ziet zich bijvoorbeeld in een rol als Jackie Kennedy. Maar ze bleef sceptisch want de wereld is veranderd en de hedendaagse componisten weten volgens haar maar weinig van de zangers en de zangkunst af. Voor haar dus geen Schönberg noch Berg.

Het liefst zingt ze in het Italiaans en het Frans, maar sluit (lichte) Wagner rollen in de toekomst niet uit. Ook jazz heeft haar interesse, ze vindt haar stem er goed geschikt voor. Al te graag zal ze wat jazz op haar repertoire zetten, al is ze niet zo’n voorstander van cross-overs.

Haar hart klopt nog steeds in het Roemeens. In ‘Desert Islands Discs’, het bekende Channel 4 programma op de Engelse radio, presenteerde ze ooit haar keuze van haar favoriete muziek. Enescu, maar ook een paar Roemeense pop- en volksliedjes. En een wals van Chopin, maar wel gespeeld door Dinu Lipatti.

Hieronder zingt Angela Gheorghiu ‘Ciobanas cu trei sute de oí’ in Amsterdam 2013. Zij wordt begeleid door Het Gelders Orkest olv Ramon Tebar:

 

 

Een heerlijke L’elisir d’amore uit 1996

Tekst: Peter Franken

Dit populaire werk stamt uit 1832 en valt zodoende in Donizetti’s middenperiode. Het is een melodramma giocoso, dus met een lach en een traan. Als luchthartig werk heeft het vooral concurrentie van Don Pasquale (dramma buffo) en La fille du régiment (opera comique).

Ik zag deze opera een aantal malen in het theater en keek nog eens terug aan de hand van de opname uit 1996 die is gemaakt in de Opéra National de Lyon, Die productie van Frank Dunlop was een groot succes, vooral dankzij het nieuwbakken echtpaar Alagna en Gheorghiu in de hoofdrollen.

Dunlop heeft geopteerd voor een klein toneel met daarop een decor dat er uitziet als….een decor. Dus gewoon simpele attributen, omlijst door twee wanden die tonen als huizen van meerdere verdiepingen. De kwakzalver Dulcamara komt aanrijden in een auto met caravan en die doet tevens dienst als verkooppunt. Er zijn aardige zwijgende rollen voor zijn charmante assistente en voor mevrouw Dulcamara die duidelijk de baas is in huis en al het ontvangen geld onmiddellijk in beslag neemt.

Angela Gheorghiu is een prachtige Adina, een beauty met een stem. Ze mag van de regie meermalen van kleding wisselen zodat we haar in verschillende goed gekozen kostuums kunnen bewonderen. Aanvankelijk in paardrijkleding met een zweepje, tegen het einde in een rode jurk met witte bloemetjes.

Alagna zet een herkenbare Nemorino neer, een beetje de dorpssukkel met een onmogelijke liefde die plotseling in trek is als hij een grote erfenis krijgt van zijn overleden oom. Zingend is het koppel volledig tegen elkaar opgewassen en het plezier van samen optreden in een luchtig werkje straalt er vanaf. Heel bijzonder natuurlijk, twee grootheden samen in een Elisir. Niet een cast die je alle dagen zult treffen.

Roberto Scaltriti is een mooie typecast als de bullebak Belcore, de zeer van zichzelf overtuigde sergeant die na aankomst in zijn nieuwe inkwartieringsplaats de dorpsschone maar direct een aanzoek doet.

Simone Alaimo maakt veel werk van de kleine oplichter Dulcamara, zo’n schurk die eigenlijk niemand iets kwalijk kan nemen.

De zang is uitstekend over de hele linie, met inbegrip van het koor en de kleine rol van Gianetta, gezongen door Elena Dan. Maar er wordt nadrukkelijk een komisch effect beoogd bereikt door veel aandacht te schenken aan stil spel, mimiek en slapstick. Het gegeven dat Belcore een troep soldaten achter zicht aan heeft lopen, biedt natuurlijk mogelijkheden tot onderlinge botsingen en valpartijen.

Alagna krijgt een langdurig open doekje voor het succesnummer ‘Una furtiva lagrima’ maar feitelijk beloont het publiek hem voor zijn gehele optreden tot dat moment. Hij is een perfecte Nemorino.

Qua zang behoort de voorstelling toe aan Angela Gheorghiu, werkelijk een schitterende vertolking van Adina, en ook heel goed en subtiel geacteerd.

De muzikale leiding is in de vertrouwde handen van Evelini Pidò. De opname is een kwart eeuw oud maar terugkijken is een feest der herkenning.

https://my.mail.ru/video/embed/1296338601583312899

Alfano’s Cyrano de Bergerac bekeken op dvd

Tekst: Peter Franken

In 1975 zag ik Edmond Rostands beroemde toneelstuk in de Rotterdamse Schouwburg. Het was een vrije productie met Guus Hermus in de titelrol en Jeroen Krabbé als de wat leeghoofdige Christian. Ko van Dijk speelde ook mee, ik geloof als Ko van Dijk zoals eigenlijk altijd. Ik herinner me vooral dat het een lange avond was, heel lang, met verschrikkelijk veel tekst.

Zo’n stuk omwerken tot een opera lijkt een project dat bijna tot mislukken gedoemd is. Librettist Henri Cain heeft de eindeloze monologen en dialogen flink gecoupeerd maar uiteindelijk is er toch een hoeveelheid tekst overgebleven die zeker de eerste helft van het werk een bijna declamatorisch karakter geeft. Goed beschouwd zat hij natuurlijk met een duivels dilemma. Er gebeurt eigenlijk heel weinig in Rostands toneelstuk, er wordt voornamelijk gepraat en opgeschept. Je zult daarvan een aanzienlijk deel intact moeten laten om het werk enigszins herkenbaar overeind te houden.

Franco Alfano is als componist bij velen vooral bekend als degene die een einde heeft gebreid aan Puccini’s onvoltooid gebleven Turandot. Dat is pech voor hem aangezien Toscanini maar een klein deel van zijn werk heeft benut waardoor zijn feitelijke inbreng nooit op zijn merites beoordeeld kon worden. Hoe het ook zij, Alfano componeerde een dozijn opera’s waarvan deze Cyrano degene is met de bekendste titel. Het werk ging in 1936 in première in Rome onder leiding van Tullio Serafin.

De productie van de Opéra National de Montpellier uit 2003 is een familieaangelegenheid. De enscenering en de decors komen voor rekening van David en Frédérico Alagna en Roberto zingt de titelrol. Het toneelbeeld oogt levensecht met achtereenvolgens een theater, een luxe bakkerij met prachtige taarten, een villa met balkon, een legerkamp en een kloostertuin. Ook de kostumering van Christian Gasc is tot in de puntjes verzorgd en ‘bad guy’ De Guiche verschijnt een aantal keren gezeten op een echt paard.

De proloog laat ons kennismaken met Cyrano en zijn entourage, maar vooral met zijn opschepperige gedrag. Het schermduel waarin hij ondertussen een gedicht bedenkt en declameert wordt al gauw net zo opwindend als een routine weerbericht. Alfano zet er een deuntje onder maar dat helpt niet echt en ook Alagna kan er niet meer van maken dan hem wordt geboden.

Het stuk leeft wat op als Roxane in beeld komt, het duet met Cyrano in de banketbakkerij. Maar de grote scène onder het balkon die erop volgt duurt gewoon te lang. Cyrano neemt het versieren van Roxane geheel en al van Christian over en gaat daar volledig in op. Hierin had Cain best wat meer kunnen schrappen. Overigens begin je je hier af te vragen hoe opmerkzaam die Roxane eigenlijk is. Het doet denken aan Lois Lane die er ook een eeuwigheid over leek te doen voor ze in de gaten kreeg dat Clark Kent en Superman een en dezelfde persoon waren.

Muzikaal zakt het in doordat Cyrano maar blijft declameren en Roxane daar maar niet genoeg van kan krijgen. Hetzelfde probleem kenmerkt aanvankelijk de scène in het legerkamp bij Arras. Gepraat en gepoch over Gascogne. Maar als Roxane verschijnt komt de opera muzikaal tot leven en krijgt Alfano’s werk eindelijk een niveau dat in de buurt komt van een tijdgenoot als Mascagni. Toch blijf ik me afvragen wat Puccini hiermee had kunnen doen.

Ook in de kloostertuin blijft Roxane blind voor haar omgeving. Cyrano zit stervend op een stoel op corona afstand, niet heel dichtbij maar ook niet ver weg, en zij zit een beetje te handwerken zonder hem een blik waardig te keuren. Pas al hij dood op de grond ligt durft ze hem even aan te raken.

Alagna werkt zich dapper door de score en zijn zang leeft op waar Alfano en Cain hem daartoe de mogelijkheid bieden. Toch blijft het een weinig aansprekende rol en dito uitvoering. Nathalie Manfrino als Roxane heeft de mooiste muziek, vooral in de scène in het legerkamp. Manfrino laat hier bijna een belcanto geluid horen, een verademing na al die declamaties. Richard Troxell is een aardige typecast als de lichtgewicht Christian, net zoals de jonge Jeroen Krabbé dat ooit was in Rotterdam. Hij heeft weinig te zingen en klinkt niet onaardig.

Het is een curiosum, deze opera en vooral ook deze productie. Aanbevolen voor wie eens met het werk wil kennis maken. Voor wie Alagna wil horen zingen zijn er betere mogelijkheden.

Het orkest mompelt meestentijds wat in de bak, laat zich slechts bij vlagen echt even horen. Marco Guidarini heeft de muzikale leiding (DG 47673965).

Angela Gheorghiu is als Magda in La Rondine in haar element

https://m.media-amazon.com/images/I/61GXQHfzsbL.jpg

Tekst: Peter Franken

Nu de Metropolitan Opera een streep heeft gehaald door het complete seizoen zullen we nog een jaartje moeten wachten op de eerste voorstelling in de serie Live from the Met, een groot gemis. Liefhebbers van Puccini die troost zoeken kunnen echter terecht bij een voorbeeldige uitvoering van La Rondine met Gheorghiu en Alagna in de hoofdrollen. Het is een opname van de uitzending uit 2009 maar beter een herhaling dan helemaal niets.

In 2005 stond La Rondine op het programma van het Théâtre du Châtelet in Parijs. Ruim tevoren was deze productie groots aangekondigd met Angela Gheorghiu en Roberto Alagna als trekpleisters. Gelijk een kaartje besteld. Natuurlijk zou er ook een opname van worden gemaakt en daarmee begon de ellende. Alagna’s huislabel lag dwars, exit de beoogde tenor. Bleef over Gheorghiu maar die meldde zich vlak voor de eerste reeks voorstellingen af. Uiteindelijk zong ze alleen de dernière. Ook al was Inva Mula een uitstekende vervanger, ik voelde me toch een beetje bekocht. Maar gelukkig is er een zeer geslaagde opname met dit tweetal in de handel en die heeft mijn teleurstelling van 15 jaar geleden helemaal goedgemaakt.

La Rondine is de minst gespeelde van de opera’s uit de Puccini canon. Het werk volgt op La fanciulla del West en komt net voor Il trittico. Het is vrijwel volledig doorgecomponeerd, ‘Chi il bel sogno di Doretta’ is de enige echte aria. De vele gezongen dialogen geven het werk ook bij vlagen het karakter van een conversatiestuk. De muziek ligt prettig in het gehoor en dat is een van de redenen dat deze door sommigen wordt weggezet als opgeklopte slagroom. Maar luister je aandachtig naar La Rondine, dan valt op dat dit onmiskenbaar een ‘echte Puccini’ is. Alleen de verhaallijn is nogal afwijkend: er gaat niemand in dood en iedereen gedraagt zich heel beschaafd.

De productie van regisseur Stephen Barlow en decorontwerper Ezio Frigerio is geplaatst in de jaren ’20 met een fraai toneelbeeld in art deco stijl. De kostuums van Franca Squarciapino zijn daar goed op afgestemd. Het verhaal past prima in dit tijdsgewricht. Vrouw die zich laat onderhouden door rijke oudere man wordt verliefd op jonge man uit de provincie. Ze beleven een korte idylle maar worden ingehaald door geldgebrek en door haar verleden dat niet verenigbaar is met zijn burgerlijke achtergrond. Ze beëindigt de relatie omdat ze weet dat ze zijn ouderlijk huis niet kan betreden. Doet beetje denken aan La traviata natuurlijk.

Magda wordt uitstekend vertolkt door Gheorghiu, toen al een van haar favoriete rollen. De muziek klinkt simpel maar kent zeer lastige passages die ze met het grootste gemak aankan. Verder is ze een plaatje om te zien en haar acteerwerk is goed verzorgd. Met haar toenmalige echtgenoot Alagna vormt ze een zeer natuurlijk ogend koppel. Ze traden in die tijd veel samen op en waren ook buiten de bühne natuurlijk zeer goed met elkaar vertrouwd. Alagna heeft er duidelijk schik in en veroorlooft zich onopvallend een paar vrijheden die erop duiden dat hij met zijn eigen vrouw op het toneel staat. Zijn zang mag er zijn en de wanhoop die hij aan het einde speelt komt zeer geloofwaardig over.

Waarschijnlijk omdat de plot nogal dun is, is er een tweede koppel aan het verhaal toegevoegd. De dichter Prunier die gelooft in de ware liefde maar eigenlijk niet verder wil kijken dan intrigerende beroemde vrouwen zoals Berenice, Francesca en Salome, daarmee impliciet te kennen gevend dat iemand als Magda beneden zijn stand is. Prunier heeft het voortdurend aan de stok met Magda’s vrijpostige dienstmeisje Lisette. Dat is echter maar schijn, hij is helemaal weg van haar en ze zijn in het geheim allang een stelletje.

Marius Brenciu geeft een prima vertolking van Prunier, die overigens het eerste deel van ‘Chi il bel sogno’ zingt. Lisette Oropresa excelleert als de brutale dienstmeid die door Preunier voortdurend als een Eliza Doolittle wordt behandeld. Mooi dat er zo’n topbezetting is gekozen voor de tweede sopraanrol.

Koor en orkest van de Met staan onder leiding van Marco Armiliato.

Gounods Roméo et Juliette: Nicolas Joel in Memoriam (6 februari 1953 – 18 juni 2020)

Romeo Vaduva LOnden

Wat is er toch met Leontina Vaduva gebeurd? Deze prachtige Roemeense sopraan begon in de jaren negentig aan een duizelingwekkende carrière, zong in alle grote operahuizen en kreeg een exclusief contract bij EMI, waar ze onder meer La Bohème met Roberto Alagna heeft opgenomen.

Met de spectaculaire opkomst van haar landgenote en collega Angela Gheorghiu, die ook haar plaats naast Alagna innam, is ze letterlijk en figuurlijk langzaamaan van het toneel verdwenen. Wat een zonde!

In 1994 zong Vaduva bij het Royal Opera House in Londen een adembenemende Juliette. Jeugdig, vol joie de vivre, levenslustig en nieuwsgierig. Met volledige overgave stortte ze zich in de liefde, het was menens en voor altijd. Haar Juliette was breekbaar maar vastberaden, en ze zong haar met een intensiteit en perfectie die amper te overtreffen valt.

Het Franse repertoire past Alagna als een handschoen, en Romeo is altijd zijn glansrol geweest.  Hij klinkt jeugdig, helder en op een natuurlijke manier heroïsch, een perfecte match voor de lyriek van Vaduva. Een ontegenzeglijk volmaakt liefdespaar.

Het orkest onder leiding van Charles Mackerras en de werkelijk prachtige enscenering van Nicolas Joel zijn een lust voor oor en oog, en François Le Roux verdient een speciale vermelding als een fenomenale Mercutio. Daar kunt u niet zonder leven! (Opus Arte, OA R3106D)

Roberto Alagna doet Caruso na

Alagna Caruso

Wat is de zin van deze album? Alagna fans zullen er ongetwijfeld van smullen maar verder? Het is een ratjetoe van van alles, zonder enige logica bij elkaar geraapt. De ‘reden’: al die stukken werden ooit door de legendarische Caruso gezongen.

Maar zelfs dat klopt niet echt want het openingsnummer, ‘Caruso’ werd in 1986 gecomponeerd door Lucio Dalla en, gezongen door Luciano Pavarotti een wereldhit geworden.

Toen had ik een beetje zwak voor, maar nu vind ik het niks. Het ligt aan Alagna en zijn voordracht: dat lekkere schmieren, dat lukt hem niet. Bovendien zingt hij alles op dezelfde manier, met voornamelijk veel forte en fortissimo, waardoor het geheel gewoon saai is. En dat is best jammer want op de cd zijn aria’s opgenomen die je zelden of nooit hoort.

In ‘Sento una forta indomita’ uit Il Guarany van Carlos Gomez wordt Alagna bijgestaan door zijn vrouw, de sopraan Aleksandra Kurzak en in ‘Il qualuttà trascorere’ (I Lombardi van Verdi) doet ook de bas Rafal Siwek mee. De begeleiding van het Orchestre National D’ile-de-France onder leiding van Yvan Cassar is zonder meer goed, al had ik meer nuancen willen horen.

Er zit ook nog een echte rariteit bij: ‘Vecchia zimarra’ uit La Bohème van Puccini. In de opera wordt de aria gezongen door Colline, een bas, maar het schijnt dat Caruso het ooit heeft gezongen toen hij inviel voor een zieke collega.

En de titel? Ooo… maar dat is simpel verklaard: Caruso werd in 1873 geboren. Logisch, toch?


Caruso 1873
Dalla, Rossini, Händel, Pergolesi, Verdi, Puccini, Rubinstein, Gomes, Tchaikovsky, Massenet. Leoncavallo, Cilea, Rhodes, Bizet e.a.
Roberto Alagna (tenor), Aleksandra Kurzak (sopraan), Rafal Siwek (bas)
Orchestre National D’ile-de-France olv Yvan Cassar
Sony 005048219075

De strijd om Lucia di Lammermoor is nog niet gestreden

lucia-di-lammermoor-by-gaetano-donizetti-score-cover-first-edition-KFRB72


MARIA CALLAS, JOAN SUTTHERLAND, BEVERLY SILLS

Lucia di Lammermoor is altijd, misschien meer nog dan Norma, een strijdpunt geweest tussen de aanhangers van Maria Callas en Joan Sutherland. De prestaties van beide dames zijn inderdaad fantastisch en bovendien totaal verschillend. Welke van de twee moet u hebben? Niet makkelijk. Kwestie van smaak, zal ik zeggen?

https://static.lafeltrinelli.it/static/images-3/xxl/106/1413106.jpg

Joan Sutherland is ongekend virtuoos en haar coloraturen zo perfect dat het pijn doet. En toch blijf ik er onaangeroerd bij. Waarom? Wellicht omdat het te perfect is? Ik weet het niet. Het kan ook aan mij liggen.

 

Lucia Callas

Waar u ook voor kiest: u kunt echt niet zonder minstens één Callas. Probeer Naxos (8110131-32) met Giuseppe di Stefano en Titto Gobbi, onder Tulio Serafin, want al is Francesco Tagliavini (Warner Classics 2564634081) een veel mooiere Edgar, de rest van de cast (inclusief Callas zelf!) is hier veel sterker.


 

Lucia Sills

Zelf kies ik voor Beverly Sills (Westminster 4712502), zeker als we het over studio-opnames hebben. Haar portrettering verenigt het beste van beide diva’s: de virtuositeit, stemschoonheid en zuivere intonatie van la Stupenda en het grote acteren van la Divina. Niet echt een grote tragédienne (maar dat is Lucia ook niet), meer een passief kindmeisje dat het allemaal over zich heen laat komen. Ook de rest van de cast (Carlo Bergonzi, Piero Cappuccilli, Justino Diaz) is van zeer hoog niveau en Thomas Schippers dirigeert zeer ferm. Maar wat die opname werkelijk bijzonder maakt, is het gebruik van een glasharmonica in de waanzinscène, precies zoals Donizetti het oorspronkelijk had voorgeschreven.


RENATA SCOTTO

Lucia Scotto

Mijn geliefde Lucia, Renata Scotto, heeft de rol nooit in de studio opgenomen. Er zijn wel verschillende piratenopnames met haar in omloop, met als Edgardo onder andere Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi en Gianni Raimondi.

Van die vier is de opname met Raimondi me het dierbaarst, niet in de laatste plaats vanwege de zeer energieke en dramatisch evenwichtige directie van Claudio Abbado. Het werd opgenomen in La Scala in december 1967 en is ooit op Nuova Era (013.6320/21) verschenen. Helaas is die opname zeer moeilijk verkrijgbaar, maar wie zoekt….

Hieronder Gianni Raimondi en Giangiacomo Guelfi (Enrico) in Orrida è questa notte..

Scotto’s interpretatie van de gekwelde heldin is wel op dvd beschikbaar (VAI 4418). De productie is in 1967 in Tokio opgenomen. Het circuleerde jarenlang op piratenvideo, maar aangezien de geluids- en beeldkwaliteit bijzonder matig was, zijn er met de commerciële uitgave heel veel operaliefhebbers bijzonder blij gemaakt. Het geluid is een beetje scherp, waardoor Scotto’s hoge noten nog metaliger klinken dan normaal, maar: who cares?

Haar interpretatie is zowel zangtechnisch als scenisch van een ongekend hoog niveau. Met een kinderlijk verbaasde uitdrukking (mijn broer doet het mij aan?) op haar gezicht stemt ze in, al is het niet zonder morren, met het gedwongen huwelijk met Arturo (een in alle opzichten afgrijselijke Angelo Marchiandi).

Hieronder Scotto zingt ‘Il dolce suono’. Doe het haar na!

Na haar waanzinaria krijg je de neiging de stekker eruit te trekken, want alles wat erna gaat komen, kan niet anders dan als een koude douche werken. Maar daar vergis je je in. De twee aria’s van Edgardo, gezongen door Carlo Bergonzi, brengen je regelrecht de (zangers)hemel in.

Na afloop kan je niet anders dan huilen, want: waar zijn ze gebleven, de zangers van toen? Klein, lang, dik, mager, met of zonder het acteertalent… Geen van hen was een ballerina, maar zingen konden ze! En enkel door middel van hun stem konden ze alle gevoelens overbrengen waar je nu een heel ‘artistiek team’ voor nodig hebt. Ondanks de toen gebruikelijke coupures een absolute must.

Hieronder zingt Bergonzi ‘Fra poco a me ricovero’

PATRICIA CIOFI IN HET FRANS

Lucia Ciofi

In 1839 bewerkte Donizetti zijn opera voor Parijs en Lucia werd Lucie. Het is niet de alleen de taal die de beide versies onderscheidt, want Donizetti heeft zowel aan het libretto als aan de muziek behoorlijk gesleuteld. Zo werd Alisa (Lucia’s hofdame) uit de opera geknipt en is onze heldin als enige vrouw in een verder louter mannengezelschap gebleven, wat haar nog eenzamer en nog kwetsbaarder maakt.

Normanno heet nu Gilbert en zijn rol werd behoorlijk uitgebreid. Zijn valse spel en manipulaties maken van hem zowat een sleutelfiguur en hij groeit uit tot bijna Iago-achtige proporties. Ook Arturo is als Henri driedimensionaler geworden. En al mis ik ‘Regnava nel silenzio’ en scènes tussen Lucia en Raimondo, ik moet toegeven dat de Franse versie dramatisch veel beter in elkaar steekt.

In deze opname (ooit TDK, hopelijk nog te bestellen) is Patrizia Ciofi niet minder dan fenomenaal als een behoorlijk neurotische Lucie, Ludovic Tézier prachtig als een vileine Henri en Roberto Alagna helemaal in zijn element als Edgar. Het was (toen) één van zijn beste rollen.

Het regisseursduo Patrick Courier/Moshe Leiser stelt zelden teleur. Hun producties zijn altijd realistisch, ingebed in historische perspectief, maar met genoeg ‘knipoog’ naar het heden. Bovendien doen ze wat regisseurs voornamelijk horen te doen: zorgen voor een goede mise-en-scène en zangers in hun spel goed begeleiden om ze overtuigend te laten overkomen.

OVER DRIE LUCIA’S VAN DE LAATSTE TIJD

ANNA NETREBKO

Lucia Netrebko
Deutsche Grammophon bracht de Live in HD-uitzending van Lucia di Lammermoor die in 2009 door de Metropolitan Opera in New York werd uitgezonden uit op dvd en Blu-Ray (DG 0734545). Anna Netrebko zong de hoofdrol. Lucia vond ik nooit echt bij haar passen. Bovendien was ze in die tijd meer bezig zichzelf te etaleren dan dat ze zich om de zielenroerselen van de door haar gespeelde tragische heldin bekommerde.

Piotr Beczala, toen nog geen grote ster, was de lastminutevervanger voor de ziek geworden Rolando Villazón en het moet gezegd worden: samen met zijn landgenoot Mariusz Kwiecien (Enrico) stal hij de show. De regie van Mary Zimmermann is mooi om te zien, maar voegt eigenlijk niet veel toe. Voer voor de vele Netrebko-fans, maar voor de rest?

NATALIE DESSAY

Lucia Dessay

Het Mariinski Theater van Valery Gergiev heeft een Lucia di Lammermoor uit eigen huis op cd gezet (MARO 512). Natalie Dessay is een begenadigd artieste. Ze beschikt over een pracht van een stem met een ongekende hoogte, waarmee ze de moeilijkste coloraturen en fiorituren zingt alsof het niets is. Mooi is zij ook en ze kan waanzinnig goed acteren; het is altijd een plezier om haar in actie zien.

Maar niet al te grote stem kent echter ook zijn beperkingen. Scenisch weet ze die achter haar acteren te verbergen, maar zonder beeld wil er weleens iets misgaan. Dat hoor je ook op deze live-opname uit 2010. Haar coloraturen zijn perfect maar leeg; het heeft geen inhoud. Deze Lucia wordt gek zonder dat je weet waarom. Maar als ze eenmaal gek is, doet ze je duizelen.

Piotr Beczala is, zoals altijd, een fantastische Edgardo, maar ook alle andere zangers zijn prima. Allemaal beschikken ze over een individueel timbre, waardoor je in het zeer homogeen gezongen sextet ook afzonderlijke stemmen kan herkennen.

Valery Gergiev dirigeert energiek en zwiept het orkest op, wat soms resulteert in halsbrekende tempi. De ‘waanzinscène’ (met glasharmonica, bravo!) rekt hij juist uit


 

DIANA DAMRAU

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/71cVsKQYuIL._SX522_.jpg

Diana Damrau, één van ’s werelds beste en beroemdste sopranen, lijkt geknipt voor de rol van Lucia in Lucia di Lammermoor. Zij zong de partij al in 2008 in de New Yorkse Metropolitan Opera. Vijf jaar later verblijdde ze het duidelijk aan haar voeten liggende publiek in haar geboortestad München met haar vertolking. De concertante uitvoeringen werden live door Erato opgenomen en het resultaat valt mij tegen.

Niet dat er iets mis is met de coloraturen van Damrau. Die zijn nog steeds onberispelijk, maar in mijn oren zijn ze leeg, zonder inhoud. In haar waanzinscène lijkt ze meer op de mechanische pop Olympia uit Les contes d’Hoffmann dan op een gek geworden vrouw van vlees en bloed.

De mannenrollen zijn allemaal prima ingevuld. Joseph Calleja (Edgardo) zingt zijn rol soepel en met zo’n gemak dat ik aan de jonge Pavarotti moet denken. Ludovic Tézier en Nicolas Testé zijn misschien niet helemaal idiomatisch, maar op hun onberispelijke zang valt niet veel op te merken. Zelfs de kleine rol van Normanno wordt door een voortreffelijk zingende Andrew Lepri Meyer ingevuld.

De tempi van Jesús López-Cobos vind ik op zijn minst opmerkelijk. Dan wordt er gerend, dan staat de boel weer stil. Af en toe herken ik de muziek niet. Het lijkt alsof er nieuwe versieringen zijn aangebracht.

De opname zelf is eveneens onevenwichtig. Dat de opera niet in één keer op één avond is opgenomen is vanzelfsprekend, maar er werd ook het één en ander in de studio ‘verbeterd’ en dat is helaas hoorbaar.


Na al die jaren is mijn top drie nog steeds ongewijzigd:

1. Renata Scotto met Carlo Bergonzi, VAI 4418.

2. Beverly Sills met Carlo Bergonzi, Westminster 4712502

3. Maria Callas. Ongeacht welke, eigenlijk

 

Als Gaza noch schön war – Samson et Dalila an der Met

Text: Mordechai Aranowicz

 

Samson et

© Ken Howard / Met Opera

Nach der Wiener Staatsoper, präsentierte nun die Metropolitan Opera eine Neuproduktion von Camille Saint-Saens Oper Samson et Dalila mit Roberto Alagna und Elina Garanca. Die geschmackvolle Neuproduktion des serbischen Musical-Regisseurs Darko Tresnjak eröffnete dieses Jahr die Met Saison und war optisch in jeder Hinsicht eine Freude.

Obwohl die Handlung im (antiken) Gaza spielt, erlag das Regieteam nicht der plumpen Versuchung, die Handlung mit dem Nahostkonflikt zu vermengen, sondern beliess das Werk schön, brav – und das meine ich als Kompliment –  in der Antike!

Samson garanca-alagna-saint-saens-ken-howard-met-opera

©Ken Howard / Met Opera

Bühnenbildner Alexander Dodge hatte dabei leicht abstrahierte Räume geschaffen, die die im Libretto geforderten Orte darstellten, und dabei orientalische Architektur mit futuristischen Elementen kombinierte, Linda Chos Kostüme beschworen die Zeit der Philister im biblischen Land Kanaan herauf.  Eine hochästhetische, geschmackvolle Produktion, die ein Werk respektiert und doch in ihrer Ausdrucksweise ganz im heute verhaftet ist.

Samson garanca

Elina Garanca, Roberto Alagna © Ken Howard / Met Opera

Musikalisch war man vor allem von Elina Garanca begeistert, deren sinnlicher Mezzo, nicht nur ihren Tenorpartner verführte, sondern das gesamte Opernhaus. Da stimmte jede Geste und Note, die berühmte Arie ‘Mon coeur s`ouvre à ta voix’ offenbarte die gesamte Ambivalenz des Charakters.

Samson

Roberto Alagna © Ken Howard / Met Opera

Roberto Alagna dagegen besitzt immer noch sein wunderbares kräftiges Timbre, zeigte jedoch in der Höhe deutliche Abnutzungserscheinungen, so klang insbesondere im dritten Akt und in der Schlussszene die Stimme oft verengt und fahl.

Samson Naouri

Laurent Naouri © Ken Howard / Met Opera

Rundum Grossartig dagegen der finstere Oberpriester des Dagons von Laurent Naouri und berührend die kurzen Auftritte Dimitry Beloselsky als altem Hebräer. Der Chor erbrachte eine rundum gelungene, beeindruckende Leistung. Die Tänze während des Bacchanale wirkten jedoch von Austin McCormick etwas einfallslos choreographiert.

Sir Mark Elder dirigierte das Met Orchester zwar genau und sängerfreundlich, hätte jedoch an manchen Stellen dramatischer zupackender dirigieren können. Darunter litt vor allem der Coup de Theatre der Schlussszene mit dem einstürzenden Tempel, zumal es auch die Inszenierung es an dieser Stelle bei Andeutungen beliess. Am Ende dieser insgesamt wunderbaren Aufführung gab es begeisterten Jubel für alle Beteiligten.

Trailer:

Don Carlo(s). Een poging tot discografie

Carlo_Cornaglia_-_Giuseppe_Verdi's_Don_Carlo_at_La_Scala

Een discografie van Verdi’s Don Carlo is eigenlijk niet te doen. Eén van de mooiste, zo niet de mooiste opera in de geschiedenis kent tientallen verschillende versies en duizenden opnamen op cd, dvd, blu-ray, lp’s en mc’s, you tube, spotify…… Duizenden studio-opnamen, en minstens net zo veel piraten… Moeilijk.

Eén ding weet ik zeker: wat – en hoeveel – ik ook zal kiezen, er zullen altijd mensen zijn die mij de omissie van hun geliefde opname zullen verwijten. Ik neem het ze niet kwalijk. Zou ik ook doen.

PLÁCIDO DOMINGO

Carlo Domingo Freni dvd

Don Carlo(s) is naast Otello wellicht één van de belangrijkste rollen in Plácido Domingo’s carrière. Hij zong hem in het Italiaans en in het Frans, in de versie met vier akten en die met vijf akten, plus alle mogelijke combinaties. Drie van zijn vertolkingen springen eruit, niet in de laatste plaats vanwege zijn partners en/of de regie.

De rijke productie van John Dexter uit de Metropolitan Opera (1983), gedirigeerd door Levine en met Mirella Freni als Elisabetta en Grace Bumbry als Eboli, en verder met (ja, gaat u maar alvast watertanden) Nicolai Ghiaurov, Feruccio Furlanetto en de nu bijna helemaal vergeten Louis Quilico is niet alleen buitengewoon fraai om te zien maar ook onvoorstelbaar goed gedirigeerd en gezongen. Hemels! (DG 000507609).

Domingo en Freni:

 

Carlo Giulini cd

De opname onder Giulini uit 1971 met de onnavolgbare Montserrat Caballé als Elisabetta (Warner Classics 0825646908332) is een absolute MUST en mag in geen enkel verzameling ontbreken.


 

Carlos Domingo Abbado

En dan hebben we nog de allereerste opname van de complete Franse versie, met Katia Ricciarelli als Elisabetta onder een werkelijk schitterende directie van Claudio Abbado (DG 4153162). Hier ontbreekt geen maat, geen noot van de partituur, al is veel in de vorm van appendix bij gedaan.


ROLANDO VILLAZON

Carlo Villazon Amsterdam

Don Carlo was de sensatie van het seizoen 2003/2004 in Amsterdam. De opera ging tijdens het Holland Festival 2004 in première en men had er graag honderden euro’s (zoveel werd er op de zwarte markt voor de tickets betaald) voor over om erbij te zijn. De redenen waren legio: onder andere het laatste optreden in Amsterdam van Riccardo Chailly die het na zestien jaar tijd vond om op te stappen bij het Concertgebouworkest.

De regie was in handen van Willy Decker, lieveling van het Amsterdamse publiek, die al voor heel wat hoogtepunten bij de DNO had gezorgd. Deze keer had hij zichzelf overtroffen door een emotioneel en zeer persoonlijk drama neer te zetten, dat zich voornamelijk rond de vader-zoonrelatie concentreerde. Ook het katholieke geloof was alomtegenwoordig: de bühne werd gedomineerd door een gigantisch kruisbeeld, niet alleen als symbool van het lijden, maar ook, of misschien voornamelijk, als afschrikbeeld.

Met Don Carlo maakte Rolando Villazón zijn Amsterdams debuut. De jonge Mexicaan, met een timbre wat toen aan de jonge Domingo deed denken, zorgde voor een opzienbarend en opwindend optreden. Ook de rest van de cast was zeer goed. Een legendarische productie (Opus Arte OA 0932).

Villazon en Dwayne Croft (Rodrigo) in Amsterdam:

untitled

In 2008 zong Villazón Carlo in de Londense Covent Garden. De rol had zijn paradepaardje moeten worden, maar bleek uiteindelijk te zwaar voor hem te zijn.

De beetje bizarre maar ook zeer naturalistische productie was in handen van Nicholas Hytner en het geheel werd werkelijk briljant gedirigeerd door Antonio Pappano. Marina Poplavskaya was een ontroerende Elisabetta en in Simon Keenlyside verwelkomden wij een zowat perfecte Rodrigo (Warner Classics 5099963160994).

Villazon en Keenlyside:

FRANCO CORELLI

Carlo Corelli Janowitz

Franco Corelli had een perfecte stem voor Carlo: zeer mannelijk en macho, maar ook licht klagelijk, kwetsbaar en kinderlijk, wat, samen met zijn beroemde slis, hem lichtelijk schizofreen deed overkomen. In 1970 zong hij de rol aan de Weense Opera, en al was hij toen over zijn hoogtepunt heen, toch had zijn stem nog niets van zijn glans verloren. Zijn portrettering van de gekwelde prins was bijzonder verfijnd.

Gundula Janowitz (Elisabetta) klonk meer als een kind dan als een vrouw. Haar superlichte, zoete stem met een typisch vibrato was niet ideaal voor Elisabetta, maar maakte het wel aanneembaar dat ze fragiel en bang was, niet in staat om eigen beslissingen te nemen.

Eberhard Waechter was een goede, af en toe chargerende Posa, en Ghiaurov en Talvella werkelijk superieur als Philips en Il Grande Inquisitore. Het absolute hoogtepunt was echter de fulminante Eboli van Shirley Verrett. Luister maar naar ‘O don fatale’, hoe furieus ze het woord ‘crudel’ uitspreekt, haar stem daarna tot pianissimo terugneemt in ‘o mia regina’ en met een gekwelde ‘il mio dolor’ eindigt!

Jammer alleen van de vele coupures in de toch al kortere Italiaanse versie (Orfeo C 649 053 D).


IN HET FRANS

Carlos Frnas dvd KOnwitschny

Dat Peter Konwitschny niet alleen maar misbaksels op zijn naam heeft staan heeft hij met zijn Don Carlos uit de Wiener Staatsoper (in 2010 nog op herhaling in Antwerpen) bewezen. Zij regie is zeer vernuftig en hij presteerde het om ook het publiek bij het spektakel te betrekken. En dat bedoel ik fysiek. Ik kan de opname zonder meer aanbevelen, al vind ik niet alle zangers overweldigend en dan druk ik mij voorzichtig uit (Arthaus Musik 107187).

Ramon Vargas (Carlos) en Bo Skovhus (Rodrigo):

Carlos Alagna ROH dvd

Niet te versmaden is de opname onder Antonio Pappano, met Roberto Alagna, Thomas Hampson, Karita Matilla en José Van Dam uit de Parijse Châtelet. De regie van Luc Bondy is soms een beetje ‘weird’ maar in de gehele linie uitstekend en het zingen is goed tot zeer goed. Ooit was er moeilijk aan te komen maar inmiddels is de productie bij Warner Classics op dvd en bd uitgekomen (0825646347803). Een absolute aanrader.

Alagna en Hampson:

TWEE ‘BUITENBEENTJES’: LUIS LIMA en ANGELO LO FORESE

Carlo Lima

Ik heb altijd een enorme zwak gehad voor de prachtige productie van Luchino Visconti met Luis Lima en Ileana Cotrubas, en gedirigeerd door Bernard Haitink (Royal Opera House, 1985). De manier waarop Lima gestalte gaf aan de puberale, liefdeszieke en behoorlijk neurotische Carlo is werkelijk onvergetelijk. (NVC ARTS 510110242-2)

Cotrubas en Lima in  “Al mie pie, perche”

Carlo loforese

Op het Italiaanse midprice label GOP is ooit een Don Carlo uit Florence 1956 uitgebracht (GOP 66350). Bijzonder interessant, voornamelijk vanwege de donkergekleurde Elisabetta van Anita Cerquetti, een kanjer van een sopraan, van wie veel te weinig bewaard is gebleven.

Ook de rest van de cast mag er wezen: Angelo Lo Forese (kent iemand de zanger nog?) als Carlo, Ettore Bastianini als Rodrigo, Fedora Barbieri als Eboli en de grote Italiaanse bas Cesare Siepi als Filippo. Met de laatste ben ik behoorlijk blij, want merkwaardig genoeg heeft hij die rol nooit in de studio opgenomen.


 DON CARLO van Peter Stein. Een mijlpaal

DON CARLOS in Antwerpen 2010

Johan Simons brengt een goed doordachte Don Carlos

Don Carlo uit Torino: krijgen we eindelijk een productie die om te zoenen zo mooi is, wordt er niet goed in gezongen