From the bottom of my heart
Nederland is een vreemd land. Men houdt er van cultuur en het aanbod is onvoorstelbaar groot en gevarieerd, zeker voor zo’n klein landje. Maar zodra het gaat om de Nederlandse scheppende kunstenaars, geef men niet thuis. Vraag de eerste de beste muziekliefhebber hoeveel Nederlandse componisten hij kent en wees verbaasd!
Wiens schuld is het eigenlijk? En wiens schuld is het dat ik niet eerder van Johanna Bordewijk – Roepman heb gehoord? Waarom worden haar werken nergens geprogrammeerd? Waarom ken ik geen pianist die haar waanzinnig mooie Debout, éveille-toi uit 1953 op zijn repertoire heeft staan? Of de zeer Debussy’aanse Improptu uit 1960?
Pareltjes zijn het, die het meer dan waard zijn om gehoord te worden. Marcel Worms speelt ze zeer liefdevol en zo zacht, dat je het idee hebt dat hij amper de toetsen aanraakt. Ook in de Sonata 1943 weet hij mij bijzonder te imponeren.
De Sechs Lieder uit 1925 vind ik minder interessant: niet meer dan “aardig”. Het kan ook een beetje aan de alt José Scholte liggen. Zij zingt mooi maar tamelijk kleurloos waardoor het allemaal een beetje saai klinkt, wat meer dynamiek zou kunnen helpen. Zij is ook niet altijd goed te verstaan. Het meest storend is het in de (patriottisch bedoelde) Nederlandse liederen naar de teksten van Potgieter en Zwanniken uit 1943 en 1945.
Zeer geestig zijn de cabareteske liederen Nursery Rhymes naar de teksten van Arthur Milne. Daar weet Irene Maessen goed raad mee, al klinkt zij af en toe klein beetje schel.
Niets ten nadele van Ursula Schoch die uit haar viool een warme toon weet te ontlokken in de Vioolsonate (1923), maar het is (opnieuw) Marcel Worms die al mijn aandacht opeist.
Meer over de componiste:
https://bordewijkgenootschap.nl/ferdinand-bordewijk/johanna-bordewijk-roepman/
JOHANNA BORDEWIJK – ROEPMAN
From the bottom of my heart
Irene Maessen (sopraan), José Scholte (alt), Ursula Schoch (viool), Marcel Worms (piano)
Zefir Records ZEF 9648 • 70’
‘Big Brother is watching you’: 1984 als opera
De vermaarde dirigent, violist, operadirecteur en componist Lorin Maazel (1930 – 2014) werd geboren in Frankrijk uit Amerikaanse ouders van Russisch-Joodse afkomst. In de laatste jaren van zijn leven legde hij zich steeds meer toe op het componeren. Op 3 mei 2005 ging bij het Londense Royal Opera House zijn eerste en enige opera, 1984 in première.
Maazel schetste zijn opera als volgt: “Een weerzinwekkend verhaal, dat me uit het hart gegrepen is. Het zet de wereld van Big Brother neer. Precies die wereld, vrees ik, waarin we nu leven. In tegenstelling tot de roman eindigt mijn opera met een sprankje hoop.”
Ruim vijf jaar werkte Maazel aan zijn compositie, en volgens The Guardian (die de opera maar niets vond) stak hij ruim 610.000 euro uit eigen zak in de productie. Niks mis mee, zou ik zeggen?
1984 is een typisch Amerikaanse opera geworden. Dat bedoel ik niet negatief; ik houd er juist van. Je hoort de invloeden van Giancarlo Menotti, Carlisle Floyd en Marvin David Levy, en ook John Harbison is nergens ver weg. En al moet Maazel in zijn componerende collega-dirigent André Previn zijn meerdere erkennen (A Streetcar Named Desire heeft veel meer power en zeggingskracht, en de muziek is beslist van een hoger niveau) is de opera echt heel erg spannend.
De Canadese regisseur Robert Lepage draagt bij aan die spanning met zijn enscenering. Rechttoe rechtaan, de muziek en het libretto nauwkeurig volgend.
De bezetting is werkelijk luxueus: Simon Keenlyside, Richard Margison, Nancy Gustafson, Diana Damrau, Lawrence Brownlee… een echte ‘Sternstunde’. Tel dan ook nog de ingesproken ‘telescreen voice’ van Jeremy Irons bij!.
Nancy Gustafson en Simon Keenlyside:
Hoe krijg je het voor elkaar? Verklaart dit misschien waar de eigen financiële inbreng van de componist aan werd uitgegeven?
Meesterwerk of geen meesterwerk: 1984 is zeer de moeite van het bekijken waard.
Ouverture:
Lorin Maazel
1984
Decca 0743289
Parsifal. Een selectieve mini discografie

Arthur Hacker: The Temptation of Sir Percival
Ik denk niet dat ‘Parsifal’ de moeilijkste Wagner-opera is om te zingen, althans niet voor de tenor. Oké, het eeuwenlang durende duet tussen Kundry en de titelheld vereist enorme uithoudingsvermogen, maar vergelijk het maar met een Siegfried of een Tristan!
Het is wel een zware klus voor een regisseur, want hoe moet je omgaan met de symboliek waar het werk bijna onder bezwijkt? Ga je het helemaal tot op het bot “strippen” om alle sentimentaliteit uit de weg te gaan of ga je juist voor het tegenovergestelde en gooi je er nog een steentje bovenop?
DVD’S
Stephen Langridge

Van de op de IC-afdeling van een ziekenhuis opgenomen Amfortas, die vastzit aan allerlei slangen en infusen kijk ik echt niet op. Een kale Kundry? Gaap. Al zo vaak gezien. Dat haar haar groeit naarmate de opera vordert? De wonderen zijn blijkbaar de wereld nog niet uit. Dat er vrouwen rondlopen, terwijl wij het met een zeer strikte “men only” sekte te maken hebben … ach.
Alles wat je in deze Parsifal, in 2013 opgenomen in Londen, te zien krijgt, heeft niets met het libretto te maken. Maar dat is onderhand niets nieuws meer.
Stephen Langridge ontdoet het verhaal van al zijn Christelijke symbolen en brengt het naar de gewone wereld van gewone stervelingen, zegt hij. Zelf heeft hij over “humaniseren”. Eén ding moet hij mij dan uitleggen: wat doet dan de in een lendendoek gestoken jongeling, die de plaats van de heilige graal heeft ingenomen?
Vernieuwend toneel? Best. Maar Parsifal? Nee. Het beeld uitzetten is in dit geval niet echt behulpzaam: geen van de zangers kan mij echt bekoren. Gerald Finley is een kei van een acteur maar geen Amfortas. Er ontbreekt iets in zijn manier van zingen, het klinkt alsof hij het zo mooi mogelijk wil laten klinken. Maar het is niet ondenkbaar dat de regie hem in de weg staat. Afijn: zonder beeld blijft van de rol helemaal niets meer over.
Willard White (Klingsor) mist het vileine en wie het onzalige idee heeft gehad om Angela Denoke als Kundry (en nog erger: als de “stem van boven”) te casten ….. Zelfs René Pape klinkt monochroom, alsof hij zijn rol mechanisch aan het afspelen is.
En Parsifal (Simon O’Neill)? Ach. Hij doet zijn best. Een prangende vraag: weet iemand eigenlijk waarom er tegenwoordig altijd zo ontzettend spastisch bewogen moet worden?
Maar het orkest van de ROH onder Antonio Pappano speelt niet minder dan goddelijk, toch wel een belangrijk pluspunt! (Opus Arte OA 1158)
Nikolas Lehnhoff
Lehnhoff, een regisseur die ik zeer bewonder en die ik tot één van de beste hedendaagse Wagner-regisseurs reken, heeft het verhaal omgekeerd. In zijn visie strijden de Graal Ridders niet tegen de destructieve krachten, nee, zijzelf zijn de destructieve kracht.
Ooit met de beste intenties opgericht om mensen nader tot elkaar te brengen, zijn ze in de loop der tijd al hun menselijkheid kwijt geraakt, een soort sekte aldus, verstard en verroest in hun oude gewoontes. Het kan ook niet anders dan dat ze gedoemd zijn om samen met Amfortas (uit) te sterven; en willen ze overleven dan moeten ze samen met Parsifal, en met Kundry, de tunnel door, een nieuwe toekomst tegemoet. Het is een open einde, anders dan Wagner had gewild, maar zeer logisch en verklaarbaar, en als zodanig meer dan acceptabel.
De cast is voortreffelijk. Christopher Ventris is een zeer overtuigende Parsifal. Waltraud Meier is een Kundry uit duizenden en Thomas Hampson ontroert als een gekwelde Amfortas. Schitterend ook Matti Salminen (Gurnemanz) en Tom Fox (Klingsor).
De kostuums zijn prachtig en de choreografie (de dansende bloemenmeisjes en de verleidingscéne in het bijzonder) zeer fraai. Het zeer sensueel spelende Deutsches Symphonie-Orchester Berlin staat onder leiding van Kent Nagano. Deze schitterende productie was oorspronkelijk voor het ENO in Londen gemaakt, waarna zij in San Francisco en Chicago te zien was. Uit Chicago werd zij vervolgens naar Baden Baden gehaald, waar het in 2005 werd verfilmd (Opus Arte OA 0915 D)
CD’S
Jaap van Zweden

Opera’s van Wagner, door Jaap van Zweden op de ZaterdagMatinee gedirigeerd, het is inmiddels een begrip geworden. Na de met jubel ontvangen opvoeringen van Lohengrin en Die Meistersinger von Nürnberg, stond het bij voorbaat vast dat ook Parsifal een feest ging worden.
Wij werden niet teleurgesteld, want wat die middag, op 11 december 2010 in het Amsterdams Concertgebouw gebeurde was niet minder dan een belevenis. Gelukkig werd de opera toen live opgenomen en is het op de markt uitgebracht (Challenge Classics CC72519). Het fraai vormgegeven, compacte doosje bevat naast 4 sacd’s een dvd met beelden van de hoogtepunten van de opera en een uitgebreid boekje met toelichtingen, synopsis en libretto.
Het is wellicht niet de beste Parsifal ooit: van Zweden begint naar mijn mening iets te voorzichtig en te nuchter, maar gaandeweg gebeurt het .. Klaus Florian Vogt is een lichte Parsifal, precies zoals ik mij een onnozele jongeman kan voorstellen en Katarina Dalayman een meer dan overtuigende, verleidelijke Kundry. Falk Struckman’s Amfortas klinkt zeer gekweld, maar de erepalm gaat naar de Gurnemanz van Robert Holl.
https://open.spotify.com/album/7srhSMWclQuK2bz5XgbwgC?si=o_IkBakNSbm1l97K5mjJRA
Marek Janowski
Janowski is een zeer ervaren Wagner dirigent. Zijn Ring, die hij in de jaren tachtig voor RCA heeft opgenomen staat als een huis. In 2010 is hij met het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin aan een cyclus van 10 Wagner-opera’s begonnen, die allemaal door de Nederlandse label PentaTone Classics live worden vastgelegd.
De in april 2011 opgenomen Parsifal (PTC 5185 401 ) vind ik, zij het met een paar kanttekeningen, heel erg mooi. Elke Wilm Schulte (Klingsor) klinkt lekker gemeen en de werkelijk fantastische Franz Josef Selig zingt een zeer imponerende, maar bij vlagen ook ontroerende Gurnemanz.
Michelle deYoung (Kundry) is een kwestie van smaak. Persoonlijk hoor ik in die rol liever een voller geluid met een betere hoogte, minder borsttonen en iets minder vibrato, maar ze weet mij toch te overtuigen. Zo ook de gekwelde Amfortas van de toen nog zeer jonge Russische bariton, Evgeni Nikitin.
Ik moet toegeven dat ik een beetje moeite heb met de vertolker van de titelrol, Christian Elsner. Hij doet mij een beetje denken aan de Wagner-tenoren van vroeger, één van de redenen waarom ik zo laat aan Wagner toekwam. Ik vind zijn stem scherp, bovendien heeft hij de neiging tot schreeuwen en dat vind ik niet mooi.
Ik heb geen SACD, maar zelfs via een gewone cd speler komt het geluid werkelijk grandioos je kamer in. Alsof je er door omringd bent, zeer natuurlijk en met een prachtige dynamiek.
Christian Tieleman

Van Christian Thielemann zegt men dat hij een waardige opvolger is van Furtwängler, en daar zit wat in. Zijn voorliefde voor de grote Duitse componisten steekt hij niet onder stoelen en banken, en zijn interpretaties daarvan worden dan ook zeer terecht geroemd.
Ook zijn grilligheid en eigengereidheid heeft hij met zijn illustere voorganger gemeen, zijn interpretaties zijn dan ook vaak omstreden. Ik mag dat wel, want daardoor dwingt hij zijn luisteraar tot een aandachtig luisteren. Het meest bevallen me zijn Wagner interpretaties, vaak uitbundig en breed uitgesponnen.
Op dat punt stelt hij me in de tien jaar geleden live in Wenen opgenomen Parsifal (DG 4776006) opnieuw niet teleur. Hij legt de nadruk niet zozeer op de mystiek, als wel op het menselijke aspect van het werk en het werkelijk briljant spelende orkest volgt hem op de voet.
Het was Domingo’s laatste Parsifal, die rol had hij (terecht) laten vallen, en al is hij hoorbaar niet zo piep meer, nog steeds weet hij volkomen te overtuigen. Wat ook eigenlijk voor Waltraud Meiers Kundry geldt.
Franz-Josef Selig is een fantastische Gurnemanz, zijn warme bas met een prachtig legato lijkt geschapen voor de lange monologen, en Falk Struckmann zet een pracht van een Amfortas neer .
DOCUMENTAIRE
Tony Palmer

In 1998 heeft Tony Palmer een fascinerende film gemaakt, getiteld Parsifal – The Search for the Grail (Arthaus 100610). Domingo is er de gastheer en vertelt niet alleen over het werk, maar ook over de geschiedenis van de heilige graal. Het is een zeer boeiende en leuke zoektocht, geïllustreerd door onder meer fragmenten uit Indiana Jones en Monty Python. En uit de opvoering van de opera in het Mariinski, met naast Domingo Violeta Urmana als Kundry en Matti Salminen als Gurnemanz. Gergiev dirigeert.
Wagner and Stephen Fry

Een klein zijsprongetje. Een beetje film- en toneelliefhebber kent natuurlijk Stephen Fry, een van de grootste Engelse acteurs van de laatste decennia. Fry is echter meer. Door zeer openhartig over zijn homoseksualiteit en zijn psychische problemen (hij lijdt aan een manisch-depressieve stoornis, waar hij een film over heeft gemaakt, The Secret Life of the Manic Depressive) te praten, heeft hij zich buitengewoon kwetsbaar opgesteld.
Hij is ook een enorme Wagner fan, iets wat hem in zijn “bipolariteit” heeft versterkt: Fry is Joods en de meerderheid van zijn familie is in de Holocaust vermoord. Daar heeft hij ook een film over gemaakt, Wagner & Me (1102DC).
De documentaire heeft op diverse festivals prijzen gewonnen. Zeer terecht, want het resultaat is niet alleen enorm boeiend vanwege de tweespalt, of noem het een spagaat, waarin een Joodse Wagner liefhebber zich bevindt, maar geeft ons ook beelden die een gewone “sterveling” nooit te zien krijgt. Want: mocht het je ooit lukken om kaartjes voor Bayreuth te krijgen – je geraakt nooit achter het toneel.
Trailer:
De stiefzussen van Maria Callas
Zouden wij nog steeds zo ontzettend veel van Callas houden als zij een “gewoon” gelukkig mens was geweest, zoals de meeste van haar collega’s? Als zij gelukkig getrouwd was geweest en kinderen had gekregen, waar zij zo naar verlangde? Als zij niet aan boulimia leed en met haar gewicht en haar lichaam voortdurend aan het vechten was? Als zij niet verliefd werd op Aristoteles Onassis, de superrijke Griekse reder die haar liet zitten om met een nog beroemdere dame te gaan trouwen? En als zij haar stem niet voortijdig kwijt was geraakt? Speculaties, uiteraard, maar aangezien zelfs in de meest integere operaliefhebber iets van een Privé-lezer schuilt, blijft het gonzen. Mensen houden nu eenmaal van gossip.

Roem, succes, in de schijnwerpers staan, zijn de belangrijkste ingrediënten in het leven van mensen die vinden dat hun leven saai en alledaags is en zich in de verhalen van de ‘rich and beautiful’ verliezen. Daarbij opgemerkt dat zij het meest van de donkere kanten van de verhalen smullen, want er bestaat geen groter geluk dan leedvermaak.
Maria Callas was een diva met een ware cultstatus. Die dankte ze niet alleen aan haar zangkunst, maar ook aan haar onmiskenbare acteertalent, haar aantrekkelijke uiterlijk en haar, helaas, meer dan tragische persoonlijke leven.
Hoe groot, hoe beroemd, geliefd en aanbeden, Maria Callas heeft de opera niet uitgevonden, noch was zij de grootste actrice onder de zangers. Niet alle zangers waren even begenadigde acteurs, maar het beeld van een dikke mevrouw die bewegingsloos op de bühne stond en alleen met haar handen wapperde klopt van geen meter
Denk alleen maar aan Conchita Supervia, Geraldine Farrar, Marjorie Lawrence of Grace Moore, maar er waren er meer.

Conchita Supervia als Carmen
Geraldine Farrar als Carmen in een film uit 1915:
>
Waar zij waarlijk de echte pionier in was, en dat ook nog eens min of meer per ongeluk (raadpleeg de dvd The Callas Conversations vol. II ) was het (dramatische) belcanto, het genre dat in die tijd een beetje een ondergeschoven kindje van de rekening was. Zij was het, die ons de vergeten opera’s van Bellini, Donizetti en Spontini terug heeft gegeven, maar was zij werkelijk de eerste?
Er zijn veel meer sopranen uit de tijd van Callas die op het allerhoogste niveau zongen en het verdienen besproken te worden. De sopranen waar ik het over ga hebben, waren allen min of meer Callas’ leeftijdsgenoten en zongen allen vrijwel hetzelfde repertoire (spinto-sopranen die voornamelijk veristische rollen zongen, zoals Magda Olivero, Carla Gavazzi of Clara Petrella, laat ik buiten beschouwing).
Deze diva’s misten het geluk om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. Of: om iemand tegen te komen die belangrijk genoeg was om niet alleen je carrière een boost te geven, maar ook om je een platencontract te bezorgen.

Maria Callas als La Gioconda in 1952
Cynisch?
Het is altijd zo geweest en tegenwoordig is het ook niet anders, al hebben wij nu met een ander aspect te maken: het schoonheidsideaal. Voldoe je er niet aan dan kan je je carrière al bij voorbaat vaarwel zeggen – dikke mensen mogen bij veel theaters niet eens meer auditeren en een beginnende Callas zou nu absoluut geen schijn van kans hebben.
ANITA CERQUETTI

Haar carrière duurde, net als die van Callas, niet lang. Ze werd in 1931 geboren en maakte al in 1951 (!) haar operadebuut, als Aida in Spoleto. Ze werd – typisch genoeg – het beroemdste door een invalbeurt voor de zieke Callas in 1958. Terwijl ze ook nog in een productie van Norma stond in Napels, zong ze enkele voorstellingen van diezelfde opera van Bellini bij het operahuis van Rome, in plaats van La Divina.
Anita Cerquetti zingt ”O re dei cieli” uit Agnese di Hohenstauffen van Spontini:
Op het label Bongiovanni (GB 1206-2, helaas niet op You Tube)) kunt u haar horen in het bekende ‘Casta diva’ uit Norma. Voor mij is dit één van de mooiste uitvoeringen van deze aria ooit. Kippenvel.
Cerquetti zingt Norma. Opname uit 1956:
LEYLA GENCER

De in 1928 in een kleine plaats naast Istanbul geboren Gencer heeft net als Callas een cultstatus, ook nu nog, maar dan op kleinere schaal. Ze had een Turkse vader en een Poolse moeder, waardoor ze ook die taal machtig was. Er bestaat zelfs een piratenopname van haar met liederen van Chopin in het Pools.
Gencers echte specialiteit was belcanto. Haar eerste Anna Bolena zong ze slechts een jaar later dan Callas.
En in tegenstelling tot Callas zette zij ook de andere koninginnenopera’s van Donizetti op haar repertoire: Roberto Devereux en Maria Stuarda

Gencer als alle drie de Tudor-konginnen
Naast al haar Bellini’s, Donizetti’s en Verdi’s, en tussen Saffo van Paccini en Francesca da Rimini van Zandonai door, zong ze ook het een en ander van Mozart. Haar Contessa (Le nozze di Figaro) in Glyndebourne werd gelukkig gearchiveerd en een tijd geleden op een cd uitgebracht. Voor de rest moet u genoegen nemen met de piraten.
Haar ronde en heldere stem – met de beroemde pianissimi, waar alleen Montserrat Caballé zich aan kon meten – is zo mooi dat het pijn doet. Mocht u nog nooit iets van haar gehoord hebben, luister dan hieronder naar ‘La vergine degli angeli’ uit La forza del Destino, opgenomen in 1957. Wedden dat u naar adem gaat snakken?
VIRGINIA ZEANI
Is het u opgevallen hoeveel geweldige zangeressen uit Roemenië komen? Virginia Zeani is één van hen, in 1925 geboren in Solovăstru.
Zeani maakte op haar 23e haar debuut als Violetta in Bologna (ingesprongen voor Margherita Carossio). Die rol zou haar handelsmerk worden. Er bestaat een kostelijke anekdote over haar debuut in Covent Garden: het was in 1960 en zij was een last minute vervangster voor de ziek geworden Joan Sutherland. Zij arriveerde ’s middags laat en er was maar amper tijd voor het passen van het kostuum. Voor ze de bühne opging, heeft zij heel snel gevraagd: ‘wie van de heren is mijn Alfredo?

De sopraan zong maar liefst 69 rollen, waaronder veel wereldpremières. Zo creëerde ze in 1957 de rol van Blanche in Dialogues des carmélites van Poulenc. Haar repertoire reikte van Händel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet en Gounod tot Wagner (Elsa en Senta). Met uiteraard de nodige Verdi’s en Puccini’s en als één van haar grootste glansrollen Magda in The Consul van Menotti.
Zelf ben ik helemaal bezeten van haar Tosca, maar ook haar Violetta mag echt niemand missen. Haar coloraturen in de eerste akte zijn meer dan perfect. En dan haar ‘morbidezza’… Doe het haar eens na!
Hieronder haar ‘Vissi d’arte’ (Tosca), opgenomen in 1975, toen ze de vijftig al gepasseerd was.
CATERINA MANCINI
Nooit van gehoord? Dan wordt het tijd dat u de schade gaat inhalen, want ik beloof u een stem uit duizenden, met een prachtige hoogte, zuivere coloraturen (allemaal ‘al punto’) en een dramatiek waar zelfs La Divina jaloers op kon worden.
Mancini zingt “Santo di patria… Da te questo m’è concesso” uit Attila van Verdi:
Ook Mancini’s carrière duurde maar kort. Er werd over gezondheidsproblemen gesproken, maar wat er werkelijk gebeurde? Feit is dat de in 1924 geboren sopraan er al in 1960 mee ophield. Al vinden we haar naam nog wel terug in 1963, als contra-alt (!) bij het concert ter nagedachtenis aan Kennedy.
Haar debuut maakte Mancini in 1948, als Giselda in I Lombardi. In de Scala zong ze al in 1951 Lucrezia Borgia. Donizetti, Rossini en Bellini ontbreken dan ook niet op haar repertoire.
Het Italiaanse label Cetra heeft het één en ander van haar vastgelegd; moeilijk verkrijgbaar, maar zo ontzettend de moeite van het zoeken waard!
Op haar mooist vind ik haar als Lida in La Battaglia di Legnano van Verdi. Hieronder een fragment daaruit:
MARCELLA POBBE

Marcella Pobbe is misschien een beetje een buitenbeentje in deze lijst, aangezien zij minder belcanto rollen op haar repertoire had staan (wel Gluck en Rossini, maar geen Bellini). Maar de Verdi- en Puccini-heldinnen had zij min of meer gemeen met La Divina.
Pobbe zingt ‘D’amor sull’ali rosee’ uit Il Trovatore:
Verder zong ze veel Mozart en Wagner. Maar waar ze echt beroemd mee is geworden, is Adriana Lecouvreur van Cilea.
Pobbe was buitengewoon mooi. Sierlijk, elegant, haast koninklijk. En haar stem was precies zo: haar zang vloeide als een soort lava, waarin je je helemaal kon verliezen. Niemand vond het toen nodig om haar vast te leggen. We hadden toch al La Divina?
Pobbe zingt ‘Ave Maria’ uit Otello van Verdi:
Luister hieronder bijvoorbeeld naar ‘Io son l’umile ancella’ uit Adriana Lecouvreur en denk aan die gouden tijd, die onherroepelijk voorbij is.
zie ook: OPERA FANATIC: road movie met opera sterren
Andris Nelsons leidt magistrale Brahms

Wat is de toegevoegde waarde aan een dvd-opname van een klassieke concert? Je luistert immers met je oren? Close ups kunnen soms behoorlijk storend zijn en je uit je concentratie kunnen halen. En je op de dirigent concentreren behoort ook niet altijd tot de grootste genoegens. Want zeg zelf: hoeveel Bernsteins lopen er rond?
De nog maar 37 jaar oude Letse dirigent Andris Nelsons behoort tot de weinige uitzonderingen: kijken naar zijn gezicht geeft je zo veel plezier dat je bij vlagen vergeet te luisteren. Bij wijze van spreken dan. Nelsons is iemand die de hele symfonie, inclusief alle aantekeningen, op zijn gezicht geprojecteerd lijkt te hebben. de vriendelijkheid waarmee hij de orkestleden toeknikt, maakt daarbij dat je van hem gaat houden.
De eerste maten van de Serenade No. 2 van Brahms vond ik een beetje tam: ik miste de spanning die de opname van de Berliner Philharmoniker onder Claudio Abbado zo bijzonder maakte. Ik miste ook de milde lyriek en het dansante. Als het gezicht van Nelsons er niet bij was…
Maar naarmate het concert vorderde hoe beter het werd. Met als bekroning zowat de mooiste lezing van de tweede symfonie, waarin Nelsons de melodielijnen tot het oneindige leek uit te spannen. Een ware sensatie.
Beide orkeststukken omlijstten Brahms’ magistrale Altrapsodie, met als soliste één van mijn geliefde mezzosopranen, Sara Mingardo. Ze begon een beetje schuchter en aarzelend, maar wist aan het eind de climax tot een absoluut maximum op te voeren. Wat een zangeres!
Zowel het koor van de Beierse radio (dirigent Gerald Hänsler) als het Lucerne Festival Orchestra zijn meer dan voortreffelijk. Het orkest verloochent zij ‘Abbado-verleden’ niet, maar de aanwijzingen van de jonge dirigent lijken ze nog extra te inspireren. Ja, er zijn van die concerten die je ook moet zien.
Hieronder de trailer van de uitgave:
JOHANNES BRAHMS
Serenade No.2, Alto Rhapsody, Symphony No.2
Sara Mingardo (alt)
Bavarian Radio Choir, Lucerne Festival Orchestra olv Andris Nelsons
ACC 20325
MAHLER & BUSONI, Sara Mingardo & Musici Aurei
Richard III door Orkater: muziektheater pur sang en een voorstelling om nooit te vergeten.

Gijs Scholten van Aschat en Christianne de Bruijn ©Ben van Duin
Dichterlijke vrijheid, zeker als het nog versterkt wordt door politieke belangen (zo is het altijd geweest en zo zal het altijd blijven, maar dit terzijde) gaat ver, heel ver. Dus is Richard III in de gelijknamige, wellicht de meest grimmige van alle Shakespeare-tragedies, een gewetenloze, op macht beluste schurk. Op zijn weg naar troon en macht vermorzelt hij alles en iedereen en schuwt daarbij sadistische spelletjes niet. Hij ziet er ook niet uit: Shakespeare heeft hem niet alleen een afschuwelijk karakter, maar ook een bochel en een manke poot toegedicht.
In het echt was de arme Richard een goede, liberale en verstandige heerser die niet alleen niemand vermoorde, maar die ook nog eens de echte samenzweerders gratie heeft verleend. Een humanitaire daad die hem uiteindelijk zijn leven heeft gekost. En naar de schilderijen uit die tijd te oordelen, zag hij er best aardig uit.
Een ding moeten we Shakespeare wel nageven: schrijven kon hij als geen ander. Zijn drama is meeslepend en zijn antiheld is allesbehalve ééndimensionaal, want naast al die gebreken en nare karaktertrekken kan hij allercharmants uit de hoek komen.

Gijs Scholten van Aschat © Ben van Duin
Gijs Scholten van Aschat behoort ongetwijfeld tot de beste Nederlandse acteurs. Hij houdt van Shakespeare en hij luistert graag naar de muziek van Tom Waits (en diens vrouw, Kathleen Brennan). Daar is op zich niets ongewoons aan, ware het niet dat het hem was opgevallen dat sommige van Waits’ songtesten vrijwel letterlijk naar thema’s als Rozenoorlogen verwijzen.
Daar is hij mee aan het werk gegaan en, geholpen door de dramaturge Janine Brogt, stond hij aan de wieg van een door Orkater gemaakte voorstelling, dat door sommige recensenten nu al tot “dé beste voorstelling van het seizoen” uitgeroepen.
De voorstelling is opgebouwd vanuit de muziek. Het is niet zo, dat de tekst er ondergeschikt aan is, dat kan ook niet. De muziek zorgt er voor dat je de tekst ook in perspectief kan zien, er mee aan de haal kan gaan en manipuleren: het stuk, de acteurs en – voornamelijk – het publiek. Een echt Muziektheater (ja, met de hoofdletter) zoals het ooit door Brecht en Weill is bedacht. En zoals je het tegenwoordig nog maar zelden ziet.
De toon wordt gezet met de, bij de opkomst gezongen, song ‘Misery is the river of the world’. Door de woorden: “There’s nothing kind about man. You can drive out nature with a pitchfork, but it allways comes roaring back again” kreeg je als het ware een soort proloog voorgeschoteld. Kippenvel.
Met de liederen – ik noem er maar drie – zoals ‘Poor Edward’, ‘Take care of all my children’ of een bijzonder sterk ingezette ‘I’ll shoot the moon’ werd de tekst niet alleen geïllustreerd maar ook versterkt. Ook visueel, en dat terwijl je ogen ook niets te kort kwamen, want het wervelde, sprankelde, spetterde en duizelde dat het een lieve lust was – de hallucinerende dynamiek maakte dat je af en toe vergat adem te halen.

© Ben van Duin
Het toneelspelen zelf was ook van allerhoogste niveau. Met Richard naam Gijs Scholten van Aschat afscheid van het vrije circuit (vanaf nu gaat hij deel uitmaken van Toneelgroep Amsterdam) en dat deed hij op onnavolgbare manier. Hij is een buitengewone charmeur en pakt je in waar je bij staat. En hij kan zingen, waardoor hij je niet alleen met woorden maar ook met songs weet te verleiden. Richard ten voeten uit.

© Ben van Duim
Muzikaal werd hij o.a. ondersteund door Vincent van Warmerdam en een groep die (nomen omen?) The Sadists heet. Het wordt gevormd door drie musicerende acteurs – of acterende musici – die zingend en banjo/gitaar/accordeon spelend zijn getrouwe militairen verbeelden en dat deden ze voortreffelijk.
Er deden vier generatie acteurs mee. De meeste vrouwenrollen werden gespeeld door inmiddels legendarische actrices zoals Petra Laseur en voor de ‘prille jeugd’ werden de studenten van de Toneelacademie aangenomen.
De beelden zijn op mijn netvliezen gebrand en de muziek ziet ingegraven in mijn ziel. Het was een voorstelling om nooit meer te vergeten.
Trailer:
RICHARD III naar Shakespeare
Bewerking: Gijs Scholten van Aschat en Janine Brogt
Muziek: Tom Waits en Kathleen Brennan,
Muzikale leiding Vincent van Warmerdam
Regie: Matthijs Rümke
Dramaturgie Janine Brogt
Decor Marc Warning, licht Stefan Dijkman,, kostuums Arien de Vries
Uitgevoerd door Orkater met o.a. Gijs Scholten van Aschat, Petra Laseur, Trudy de Jong, Mieke de Groote, Nettie Blanken e.a.
Muzikanten Vincent van Warmerdam, Dionys Breukers, Wim Konink, Rob Stoop, Christof May
bezocht op 10 oktober 2010
De Speler in Amsterdam 2013: schitterende zang in een saaie productie, december

Sara Jakubiak (Polina) & John Daszak (Aleksej) © Bernd Uhlig
Voor een doorsnee operaliefhebber is De Speler van Prokofjev niet meer dan een naam. Geen wonder. Met zijn ingewikkelde en deprimerende verhaal, onsympathieke personages, nerveuze ritmes en weinig herkenbare melodieën behoort de opera niet tot het standaardrepertoire en wordt maar mondjesmaat opgevoerd.
Zelf vind ik het jammer: ik vind het libretto uitermate boeiend en de muzikale taal, waarmee de componist de inhoud wist te ondersteunen bevalt mij zeer. De Nationale Opera in Amsterdam kon mij dan ook geen groter plezier doen dan de opera te programmeren en mijn verwachtingen waren hoog gespannen.
The making of:
Ik werd niet teleurgesteld, maar …. misschien toch een beetje? Na de meer dan enthousiaste verhalen die mij na generale hebben bereikt had ik een absoluut volmaakte voorstelling verwacht en dat was het niet.
Allereerst was er de regie. Toen kende ik Andrea Breth alleen van La Traviata in Brussel, die ik voornamelijk langdradig vond. Ook bij de première van De Speler raakte ik niet onmiddellijk geboeid, zeker niet in de eerste helft van de voorstelling. Het was allemaal een beetje voorspelbaar, braafjes, saai.

Sara Jakubiak, John Daszak, Gordon Gietz, Pavlo Hunka © Bernd Uhlig
Breth bleef trouw aan de muziek en het libretto, en dat was een grote plus. De personages en hun handelingen waren herkenbaar en je hoefde je hoofd niet te pijnigen over verborgen concepten. Maar er zat geen vaart in en ik miste de verfijning in de personenregie.
Maar Breth (en haar hele artistieke team – de geweldige decors van Martin Zehetgruber mogen absoluut niet onvermeld blijven) revancheerde zich met een buitengewoon spannende laatste akte. De reusachtige roulettetafels, door een vernuftig gebruik van spiegels nog prominenter aanwezig, bepaalden het beeld en je waande je lotgenoot van de kroelende en door elkaar schreeuwende, aan waanzin bezweken mensenmassa. Sterker nog: opeens was je Aleksej zelf en wilde alleen maar doorgaan. Buitengewoon sterk.

© Bernd Uhlig
De scène in de hotelkamer van Aleksej ontroerde mij. Daar toonde de regisseur hem op zijn zwakst. Op het moment dat hij Polina in de kamer ontwaarde, veranderde hij van een bezeten psychopaat in iemand met zowaar menselijke gevoelens, al was het maar voor even.

John Daszak (Aleksej) en Sara Jakubiak (Polina) © Bernd Uhlig
Ik moet bekennen dat ik grote moeite had met de invulling van de hoofdrol. John Daszak is een kanjer van een zanger en een echt theaterdier. Hij is begenadigd met een volumineuze en wendbare tenor, een indrukwekkend postuur, enorme toneelpersoonlijkheid en een charisma van hier tot Tokyo. Heb je hem ooit gezien, dan vergeet je hem nooit. Maar dat zijn allemaal eigenschappen die hem, volgens mij, juist ongeschikt voor de rol van de schizofrene Aleksej maken. Hij was te sterk, te aanwezig, te zeker van zichzelf. Nergens bespeurde ik de verscheurende twijfel, de angst en onzekerheid. Bovendien was hij zichtbaar te oud (Aleksej is maar 25!) Toch moet ik mijn hoofd buigen voor zijn enorme prestatie.
LA BELLE EXCENTRIQUE
Ik ben nooit een grote fan van Patricia Petibon geweest. Vaak vond ik haar maar een aanstelster, maar met La Belle Excentrique weet zij mij voor het eerst te overtuigen. Het is ook het repertoire waarin zij haar ei kwijt kan: met haar vederlichte stem en haar gave om stemmetjes na te doen is zij een geboren cabaretière.
Dat de cd zo leuk en spannend is, ligt ook aan de arrangementen en het gebruik van diverse begeleiders, waarbij de accordeonist David Venitucci voor een Parijse couleur locale zorgt, iets wat Petibon een beetje het aanzien van een Piaff geeft.
Bij Rosenthals ‘Rêverie’, het eerste lied uit Trois Poèmes de Marie Roustan, had ik graag een iets meer ingetogen geluid willen horen, maar in ‘Pécheur de lune’ klinkt Petibon meer op haar gemak.
Haar Hahn en, in sterkere mate, haar Fauré kunnen mij niet overtuigen. Daarin klinkt ze voor mij te veel ‘poesje mauw’. Haar stem is in die liederen ook niet altijd stabiel
Op haar best vind ik haar in het heerlijke ‘Allons-y, Cochotte!’ van Satie, waarbij zij bijgestaan wordt door de befaamde acteur en regisseur Oliver Py.
Maar degene die mijn hart echt heeft gestolen is Susan Manoff, de pianiste. Haar Satie is om je vingers er bij af te likken. Daar wil ik meer van horen!
The making of:
La Belle Excentrique
Satie, Ferré, Poulenc, Hahn, Rosenthal, Fauré en Cockenpot
Patricia Petibon (sopraan), Susan Manoff (piano), David Levi (piano), Olivier Py (vocals), Nemanja Radulovic (viool), Christian_Pierre La Marca (cello), François Verly (percussie), David Venitucci (accordeon),
DG 4792465
MIECZYSŁAW WEINBERG: THE PASSENGER
Time: early sixties. The war not yet forgotten, perhaps, but definitely over. It is possible to be happy again, and enjoy life.

Amongst the passengers on the ocean liner is a German diplomat, on his way to Brazil with his wife Lisa to occupy an important diplomatic position. Suddenly, a strange woman appears and confronts Lisa with her past. Completely shattered, Lisa feels forced to confess her past to her husband. She was an active SS member, and worked as an Aufseherin in Auschwitz. The strange woman reminds her of Martha, a Polish prisoner whose death she thinks she is responsible for.
Whether the strange woman really is Martha, or guilt makes Lisa imagine it remains uncertain. In her mind Lisa returns to the Hölle and relives the events of the past.

“Die Passagerin” (Пассажирка) was the first opera by Mieczysław Weinberg, a Polish Jew who fled to the Soviet Union in 1939.
The Russian libretto (author: Alexander Medvedev) is based on an autobiographical novella by the Polish author Zofia Posmysz. Posmysz wrote her – partly fictional – meeting with her former Aufseherin in the “I” form, but from the perspective of the guard.
Weinberg composed the opera in 1968, when antisemitism in Poland and Russia again was at its height. This might have been the main reason the opera received its premiere performance only in 2006, in concert form.
The stage premiere took place in Bregenz in 2010 in an outstanding production by David Pountney. Together with set designer Johan Engels he had created a gigantic ship, with the action taking place on two levels. Present events took place on the top deck, where white and blue (heaven?) were the predominant colours. The dark past was consigned to the lowest levels of the ship, like the subconscious.

Most of the opera is sung in German and Russian, but Martha sings her two big arias in Polish. We also briefly hear Czech, French and Greek.
Nothing in the opera leaves you cold, but the emotional highpoint for me is the moment Bach’s Chaconne in D is played instead of the Waltz ordered by the camp commander, with which Tadeusz (Martha’s fiance) seals his faith.

Teodor Currentzis has never been my favorite conductor, but he surpasses himself here. I had never heard him conduct with so much competence and passion.
Every role (and there are many!) is sung admirably. Elena Kelessidi is a most moving Martha. Artur Rucinski’s Tadeusz shows why he has made it to the top list of baritones. Svetlana Doneva (Katja) and Roberto Saccà (Walter) also manage to impress me.
But they all pale in comparison to Michelle Breedt. Her perfectly used voice has every human feeling in it. Love, fear, superiority or damaged ego, she is able to depict all of them equally. For her role as Lisa alone she definitely deserves an Oscar!
English translation: Remko Jas
Mieczysław Weinberg
The Passenger
Michelle Breedt, Roberto Saccà, Elena Kelessidi, Artur Rucinski, Svetlana Doneva a.o.
Wiener Symphoniker conducted by Teodor Currentzis
Director: David Poutney
Arthaus 109080
For the Dutch version see: DIE PASSAGERIN (Пассажирка)
Interview with Michelle Breedt: MICHELLE BREEDT interview in English










