Onevenwichtige Schulhoff door het Spectrum Concerts Berlin
Vanwaar zo veel agressie? Oké, Schulhoff is Dvořak niet en ook geen Janaček, maar met beide componisten had hij meer gemeen dan veel mensen beseffen. Erwin Schulhoff was een man van uitersten. Van Janaček had hij de voorliefde voor de Tsjechische taal met zijn typische accenten geërfd en in zijn strijksextet verstopt.
In de uitvoering door de leden van Spectrum Concerts Berlin kloppen de accenten, inclusief de ferme en felle uithalen dan wel – maar moet het zó krasserig? – helaas zijn de heren het lyrische aspect (Dvořaks erfenis) ergens onderweg kwijtgeraakt. Er is ook iets mis met de balans van de opname waardoor ik niet van de volumeknoppen af kan blijven, want of ik hoor niets of word ik opgeschrikt door een boem.
Gaat het strijksextet een beetje ten onder aan gebrek van echte visie, in de vioolsonate wordt er ruimschoots revanche genomen. Hier is de toon van de violist Boris Brovtsyn ‘mild und leise’, met waar nodig wat ruwere accenten en daar wordt hij voortreffelijk mee geholpen door de formidabele pianist Eldar Nebolsin .
Maar pas bij de door Nebolsin meesterlijk gespeelde Cinq Études de jazz herken ik ‘mijn’ Schulhoff terug en kan ik de ietwat saai uitgevallen Duo for Violin and Cello vergeten. Wat een artiest!
ERWIN SCHULHOFF
String Sextett op.45, Sonata No.2 for Violin and Piano, Duo for Violin and Cello, Cinq Études de jazz
Spectrum Concerts Berlin: Boris Brovtsyn, Valery Sokolov (viool); Philip Dukes, Maxim Rysanov (altviool); Jens Peter Maintz, Torleif Thedéen (cello), Eldar Nebolsin (piano)
Naxos 8573525 • 68’
Zie ook:
ERWIN SCHULHOFF strijkkwartetten door ALMA QUARTET
Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics
Verismo past Jonas Kaufmann als een handschoen

In 2010 heeft Jonas Kaufmann een cd met aria’s uit verschillende veristische opera’s opgenomen. Met als slagroom op de taart het slotduet uit Andrea Chenier, gezongen met ‘onze eigen’ Eva-Maria Westbroek. Het is één van zijn beste solo-albums geworden: verismo past de Duitse tenor als een handschoen.
De cd is, met maar 61 minuten, aan de korte kant. Op zich heb ik daar niets op tegen, zeker ook omdat de cd, naast de bekendere en minder bekende stof, ook een tweetal absolute rariteiten bevat. Denk alleen maar aan ‘Ombra di Nube’ van Licinio Refice.
Kaufmann begint bijzonder sterk met een echte tranentrekker, ‘Giulietta, son io’ uit Giulietta e Romeo van Zandonai. De aria lijkt geschapen voor zijn prachtige stem. Hiermee kan hij laten zien waar hij over beschikt en dat is niet weinig. In sommige recensies worden hem zowat goddelijke kwaliteiten toegemeten, een omschrijving waar ik toch best een beetje huiverig voor ben, maar nu weet ik het niet zo zeker meer
Af en toe (Pagliacci, Mefistofele) doet hij mij aan Plácido Domingo denken. Op zich merkwaardig, want hun stemmen lijken in het geheel niet op elkaar. Maar misschien is het de combinatie van zuivere lyriek met power en zeggingskracht? Ook het acteren met de stem heeft hij gemeen met de ‘grootste aller tenoren’ (de term komt van BBC Magazine).
Hij neemt je mee in het verhaal, sleurt je er doorheen om je na afloop met tranen en verbijstering achter te laten. Een prestatie, die inderdaad alleen de grootsten van de grootsten kunnen leveren, zeker als je enkel aria’s en niet de complete opera zingt.
Wat ik ook zo ontzettend mooi aan hem vind is de warmte die hij uitstraalt, soms voelt het gewoon als een warme bad.
En dan het orkest! Onder leiding van Antonio Pappano, die het grote gebaar niet schuwt, dompelt het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia uit Rome je in een weelde van klank en emoties,
Zijn er dan helemaal geen minpuntjes? O ja, zeker! Niet voor alle aria’s is Kaufmanns stem geschikt. Zo zet hij ‘Lamento di Frederico’ uit L’Arlesiana van Cilea veel te zwaar aan waardoor zijn hoge noten wat afgeknepen klinken.
Er is ook iets raars met het duet met Eva-Maria Westbroek. Ik kan mij natuurlijk vergissen, maar het klinkt alsof hun stemmen apart (en ook nog eens in aparte ruimtes) zijn opgenomen en dan aan elkaar geplakt.
Jonas Kaufmann over het zingen van verismo:
Het is best zware en zeer emotionele stof, verismo, en na 61 minuten ben je echt moe, van het luisteren alleen. Maar het geeft niet. Dit is OPERA. Op zijn best!
Verismo Arias
Zandonai, Giordano, Cilea, Leoncavallo, Mascagni, Boito, Ponchielli, Refice
Jonas Kaufmann (tenor), met medewerking van Eva-Maria Westbroek
Orchestra e coro dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, Roma olv Antonio Pappano
Decca 4782258
Zie ook:
JONAS KAUFMANN zingt PUCCINI
DU BIST DIE WELT FÜR MICH. Jonas Kaufmann zingt operette.
CECILIA
IS VERISMO DOOD? Deel 1: Cavalleria Rusticana
IS VERISMO DOOD? deel 2
IS VERISMO DOOD? Deel 1: Cavalleria Rusticana
La morte de verismo: verismo is dood. Onder deze hartenkreet woedt er de laatste jaren een heftige discussie op operamailinglijsten, in operagroepen op Facebook en tijdens geëmotioneerde gesprekken en discussies bij vele liefhebbers van het genre. Maar is het waar? Is verismo dood?
Men zegt verismo en men denkt: Mascagni en Leoncavallo. Terecht? Cavalleria Rusticana en zeker Pagliacci behoren tot de meest populaire opera’s ooit. De meest tragische ook. Maar dat ligt niet alleen aan hun inhoud. Ze gaan over passie, liefde, jaloezie, wraak en moord, maar dat en ook het ruwe realisme maakt ze niet gewelddadiger dan een Carmen. En de ‘gewone mensen’ en de ‘tegenwoordige tijd’ hebben we ook al vaker meegemaakt, in La Traviata bijvoorbeeld.
Nee, wat de opera’s in feite heel erg tragisch maakt, is het lot van hun scheppers. Beide werken sloegen in als een bom en lieten hun makers met een kaskraker zitten die ze nooit meer evenaarden. Niet dat ze verder niets meer componeerden of dat de kwaliteit van hun latere opera’s te wensen over laat. Integendeel. La Bohème van Leoncavallo of L’Amico Fritz van Mascagni zijn bijvoorbeeld ware meesterwerken
Het “waarom” is moeilijk te beantwoorden, al zijn er best veel verklaringen gegeven. Zo zou Mascagni zijn stijl niet trouw zijn gebleven en weer romantisch zijn gaan componeren. Maar dat is niet waar: Cavalleria bevat lyrische passages die niet onderdoen voor bijvoorbeeld L’Amico Fritz en het stuk is niet dramatischer dan bijvoorbeeld Iris.

Pietro Mascagni. Foto courtesy BBC archives
“Gekroond voordat ik koning werd”, merkte Mascagni sarcastisch op (‘Cavalleria’ was zijn eersteling, gecomponeerd toen hij 26 jaar oud was), en dat geldt eigenlijk ook voor Leoncavallo. Wat de oorzaak ook moge zijn: beide componisten zijn, onlosmakelijk aan elkaar verbonden, de geschiedenis ingegaan als de makers van maar één opera.
Niet anders is het hun generatie- en/of stijlgenoten vergaan (zelf noemden zij zich liever ‘La Giovane Scuola’ – ‘De Jonge School’). Mocht men al ooit hebben gehoord van Giordano, Catalani, Franchetti of Cilea, dan komt men niet verder dan één titel. Of nog erger: één aria.
Waar het allemaal aan ligt, is moeilijk te zeggen en het onderzoeken waard, maar feit is dat na de jaren dertig en veertig (vooruit, begin vijftig) het genre opeens ‘not done’ werd. Men haalde er zijn intellectuele neus voor op en het snikken in de aria ‘Vesti la giubba’ uit Pagliacci werd het voorbeeld van de slechte smaak.
Cavalleria Rusticana en Pagliacci zijn altijd geliefde opera’s van het publiek gebleven. De echte liefhebbers hebben zich nooit iets van de intellectuele kritiek (vooral de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw waren voor verismo ongenadig) aangetrokken.
CAVALLERIA RUSTICANA

De première van Cavalleria Rusticana vond plaats in 1890, drie jaar na Otello en drie jaar voor Falstaff van Verdi. De hoofdrollen werden gezongen door Gemma Bellincioni als Santuzza en haar echtgenoot Roberto Stagno als Turiddu.
Dankzij Edison en zijn uitvinding weten we hoe de eerste Santuzza klonk, want in 1903 had Bellincioni ‘Voi lo sapete, o mamma’ op de plaat vastgelegd (SRO 818-2). Wat blijkt? Bellincioni heeft een lichte sopraan, met een makkelijke hoogte, maar met een dramatische kern. Het schijnt dat ze weinig succes had gehad met het toenmalige standaardrepertoire, maar haar presence, haar acteren en interpretatie maakten haar zeer geschikt voor de nieuwe opera’s gecomponeerd in de veristische stijl.
Bellincioni zingt ‘Voi losapete o mamma’:
Hoe klinkt een perfecte Santuzza? Je moet power hebben, dat is duidelijk. Ook moet je kunnen acteren, zeker met je stem, want weinig rollen hebben zo veel dualiteit in zich: haar eeuwige jeremiade werkt je op je zenuwen en je wordt er moe van, maar tegelijkertijd is zij meelijwekkend en je hebt met haar te doen. Zoals in het echte leven dus, en dat echte leven moet ook in de interpretatie doorklinken, wat niet bereikt kan worden door alleen maar mooi te zingen.
Vandaar dat de grootste zingende actrices de beste Santuzza’s hadden opgenomen. Dat zie je ook, als je de lijst met Santuzza’s de revue laat passeren: Giannina Arangi-Lombardi, Zinka Milanov, Carla Gavazzi, Eileen Farrell, Giulietta Simionato, Maria Callas, Elena Souliotis, Renata Tebaldi, Renata Scotto. En Lina Bruna Rasa natuurlijk, de geliefde Santuzza van Mascagni.

Milaan 1940
In 1940 werd de 50-ste verjaardag van Cavalleria met speciale opvoeringen in La Scala gevierd, waarna de hele cast de studio in ging om er een opname van te maken. De bezetting was niet beter te krijgen, met naast Lina Bruna Rasa, Benjamino Gigli als Turiddu, Gino Becchi als Alfio en Giulietta Simionato als Mamma Lucia (merkwaardig genoeg zong Simionato daarna heel vaak de rol van Santuzza).
Het eerste wat in het dirigeren van Mascagni opvalt, is de nadruk die hij op de lyriek en de zangerigheid legt, waardoor de melodielijnen duidelijker naar voren komen. Op geen andere opname klinkt de prelude zo idyllisch, en niets duidt op het op handen zijnde drama, wat een schril contrast oplevert met het duet Santuzza – Turiddu. Het drama wordt er alleen maar schrijnender door, intenser.
Gigli was één van de beste Turiddu’s in de geschiedenis: verleidelijk en lichtzinnig, en (sorry, maar het is niet anders) pas met Domingo kreeg hij een waardige concurrent. Want noch Giuseppe di Stefano (te licht), noch Jussi Björling (te aardig), noch Mario del Monaco (te brullerig), noch José Carreras (al komt hij goed in de buurt) konden Turiddu iets van driedimensionaliteit geven.
Gigli als Turiddu. Opname uit 1927:
Ten tijde van de opname was Bruna Rasa 33 jaar oud en sinds een paar jaar leed zij aan vreselijke depressies. Ook manifesteerden zich bij haar de eerste verschijnselen van een geestesziekte en had zij moeite met het onthouden van de tekst. Toch was er geen sprake van dat iemand anders die rol zal zingen, en Mascagni hielp haar zoveel hij kon.
Lina Bruna Raisa zingt’ Voi la sapette o mamma’:
De oorspronkelijke opname verscheen op 2 cd’s op EMI, en was opgevuld met de door Gigli gezongen aria’s uit andere opera’s van Mascagni. Op de heruitgave op Naxos (8110714-15) zijn ze helaas gesneuveld, daarvoor in de plaats heeft men er wat orkestrale preludes en intermezzi uit verschillende opera’s aan toegevoegd, alle uitgevoerd door het Berlijnse Staatsoperaorkest onder leiding van Mascagni. Zowel EMI als Naxos beginnen met een korte toespraak door de componist.
Hieronder de hele opera, gedirigeerd door de componist:
Den Haag 1938
Twee jaar eerder, in 1938, haalde de weduwe van Maurice De Hondt Cavalleria, samen met Mascagni, naar Den Haag. De uitvoering van 7 november werd live opgenomen en is op cd uitgebracht (Bongiovanni BG 1050-2 )
De live opname klinkt nog best prima, zeker voor zijn leeftijd, en de toneelgeluiden (inclusief een duidelijk aanwezige souffleur) en het gekuch zijn niet echt storend. De tempi zijn iets sneller dan op Naxos, maar nog steeds behoedzaam.

De bezetting is iets minder spectaculair dan twee jaar later, maar nog steeds heel erg goed. Antonio Melandri is een baritonale Turiddu en Alfro Poli geeft een voortreffelijke gestalte aan Alfio. Uiteraard had Mascagni Bruna Rasa meegenomen, en wat zij hier laat horen overtreft alles: zo intens, zo vertwijfeld, zo hartverscheurend heeft geen van de andere Santuzza’s ooit geklonken. Alleen al vanwege haar vertolking is dit bijzondere document van een onschatbare waarde.
Franco Zefirelli

De half film/half studio opname van Franco Zefirelli (DG 0734033) had de ultieme verfilming kunnen zijn ware het niet dat men Elena Obraztsova de rol van Santuzza liet vertolken. Dat ze al wat ouder is en onaantrekkelijk – alla, het past in het verhaal. Maar haar stem is wobbelig, scherp en haar borstregister pijnlijk voor de oren. Daarbij doet ze aan overacting, wat van haar een uiterst onsympathieke Santuzza maakt.
Men kan het Turiddu (Domingo op zijn best) niet kwalijk nemen dat hij liever naar Lola (leuke Axelle Gall) kijkt. Let alleen maar op zijn oogopslag en zijn mondhoeken, die spreken boekdelen! Voor de rest niets dan lof voor deze opname, die (hoe kan ’t toch anders?) gekoppeld is aan ‘Pagliacci’, met wederom Domingo in topvorm en een uitstekend acterende Teresa Stratas als Nedda.
In 1956 werd in de Rai-studio’s één van de mooiste Cavalleria’s opgenomen, met Carla Gavazzi, Mario Ortica en Giuseppe Valdenga
Deze opname is tegenwoordig op Youtube te vinden:
DOMENICO MONLEONE

Wat veel mensen niet weten: er bestaan eigenlijk twee (en zelfs drie als je ook La Mala Pasqua van een zekere Stanislao Gastaldon uit 1888 meerekent) Cavalleria Rusticana’s. Ook Domenico Monleone (19875 – 1942), een in die tijd niet onbekende componist heeft voor zijn éénakter ook het verhaal van Giovanni Verga gebruikt, door zijn broer Giovanni omgezet in een libretto.

Illustratie Gamba Pipein. Courtesy Boston Public Library, Music Department
Sonzogno, Mascagni’s uitgever, beschuldigde Monleone van plagiaat (en inderdaad: nauwkeurige bestudering leert dat het libretto van Monleone dichter ligt bij Mascagni dan bij het oorspronkelijke verhaal van Verga), waarna de opera lange tijd nergens werd uitgevoerd.
Tot het jaar 1907, waarin Maurice de Hondt Monleone naar Amsterdam haalde, waar zijn opera zijn verlate première beleefde. Gekoppeld aan … jazeker! Cavalleria Rusticana van Mascagni. Beide werken werden gedirigeerd door hun componisten: het deerde Mascagni blijkbaar niet dat zijn collega zijn libretto van hem had “geleend”.

Il Mistero
Toch heeft Monleone zich bij de uitspraak van de rechtbank moeten neerleggen, wat betekende dat hij een nieuw libretto voor zijn muziek moest zoeken.

Het werd Il Mistero, een ander verhaal van Verga, en deze keer had de auteur zelf Giovanni Monleone met het schrijven van libretto geholpen.
Beide opera’s met dezelfde muziek en twee verschillende libretto’s zijn door Myto op cd’s uitgebracht (Cavalleria: 012.H063; Il Mistero: 033.H079). In beide werken wordt de hoofdrol (Santuzza/Nella) gezongen door de van oorsprong Nederlandse Lisa Houben.
Duet Santuzza/Turiddu, hier gezongen door Denia Mazzola-Gavazzeni en Janez Lotric. Opname is gemaakt in Montpellier, in 2001:
Een aardigheidje: acht maal ‘A te la mala Pascua’ :
In English: Is verismo dead? Part 1: Cavalleria Rusticana
IS VERISMO DOOD? deel 2
Puccini door Jonas Kaufmann: top!
Van zijn Verdi ben ik meestal niet zo gecharmeerd, maar zijn Puccini staat als een huis. Sterker: ik ken waarlijk geen één hedendaagse jonge tenor die zich met Jonas Kaufmann in dit repertoire kan meten. Zeker als het om de zwaardere rollen gaat.
Rodolfo (La bohème) en zeker Rinuccio is is hij al lang ontgroeid. ‘Avete torto!’ (Gianni Schicchi) klinkt dan ook veel te volwassen, maar mooi is het zeker wel.
Des Grieux (Manon Lescaut) doet hij een beetje op de automatische piloot, de rol is hem dan ook zowat op de huid geschreven. Al kan ik niet ontkennen dat wat meer jeugdig elan, zeker in ‘Donna non vidi mai’ het nog extra zou kunnen oppeppen. Ik mis een beetje het fragiele, want laten we eerlijk zijn: des Grieux is in feite een “mietje”.
Kaufmanns Ramerrez/Johnson (La fanciulla del West) is van een zeldzame schoonheid. Mannelijk, heroïsch en desperaat. Je hoort het in zijn levensverhaal ‘Una parola sola’: het grijpt je naar de keel.
Nog meer tegenstrijdige emoties stopt de tenor in ‘Risparmiate lo scherno’. Hij zet zeer standvastig in, maar laat zijn zang vervolgens bijna smekend overgaan in de enige echte hit uit de opera: ‘Ch’ella mi creda’. Daarin doet hij me bijna mijn held Plácido Domingo vergeten. Op zich al een prestatie!
Het meest weet Kaufmann me te ontroeren in ‘Ei giunge! … Torna ai felici dì’ uit Le Villi. Het zou me niet verbazen als het de eerste keer is dat hij die aria zingt, zo fris en betoverend klinkt het. Zijn smachtende zang in “ed io non ho nel cor che tristezza e terror” lijkt rechtstreeks uit zijn ziel te komen. Net als in het hartroerend breekbaar gezongen ‘Orgia, chimera’ uit Edgar trouwens.
Hieronder de trailer van het album:
De Deluxe-uitgave van het album bevat een bonus-dvd met daarop ‘the making of’ en fragmenten uit volledige voorstellingen van Manon Lescaut (Londen) en La fanciulla del West (Wenen). Prachtig gezongen, dat wel, maar o zo lelijk om te zien! Je zou de regisseurs haast verdenken van antifeminisme, zo vreselijk zijn de beide heldinnen toegetakeld. Een vormloze tuinbroek en rode pruik doen Nina Stemme lijken op een overjarige hippie en de mooie Kristine Opolais ziet er in haar Manon-kostuum uit als een lelijke trol.
Naar aanleiding van deze cd hoop ik dat iemand Kaufmann overhaalt om de complete Edgar op te nemen. Maar dan graag wel op cd, voordat er weer een regisseur mee aan de haal gaat. En het liefste onder Antonio Pappano, want ook hij heeft Puccini ‘under his skin’…
Nessun dorma
The Puccini album
Jonas Kaufmann (tenor)
Orchestra e Coro del’Accademia Nazionale di Santa Cecilia olv Antonio Pappano
Sony 88875092482
Voor meer Kaufmann zie ook:
DU BIST DIE WELT FÜR MICH. Jonas Kaufmann zingt operette.DON CARLO van Peter Stein. Een mijlpaal
JONAS KAUFMANN in Amsterdam
Jonas Kaufmann zingt WAGNER & VERDI
DAS LIED VON DER ERDE door Jonas Kaufmann
JONAS KAUFMANN: verismo
Dmitry Hvorostovsky zingt Sjostakovitsj en Liszt

Het jaar 1975 markeerde de vijfhonderdste verjaardag van Michelangelo, dé reden voor Sjostakovitsj om de kunstenaar met een compositie te eren.
Het werd een suite gebaseerd op diens gedichten, oorspronkelijk gecomponeerd voor een basstem met piano begeleiding, waarna de componist het bewerkt heeft voor een orkest.
Het werk, dat Sjostakovitsj zelf als zijn laatste symfonie beschouwde, ademt één en al pessimisme en zwaarmoedigheid. Wat eigenlijk geen wonder mag heten: het jaar 1974, toen de Suite ontstond, was geen gemakkelijke voor de componist. In die periode was hij zwaar ziek (hij overleed amper een jaar later): behalve problemen met zijn hart leed hij ook aan zware artritis, waardoor het componeren niet al te gemakkelijk ging. En alsof het nog niet genoeg was werd hij een jaar eerder gediagnosticeerd met kanker. Geen wonder dat hij gebukt ging onder zware depressies en gevolgd werd door de gedachten aan de dood. De Suite is al meerdere keren opgenomen, zowel met piano als met orkestbegeleiding.
Nog niet zo lang geleden heeft Ondine zelf de cyclus op cd uitgebracht, gezongen door Gerald Finley, in het Middeleeuws Italiaans.
Beide versies zijn onvergelijkbaar en beiden zijn mij even dierbaar. Finley is lichter: in zijn interpretatie hoor je nog een sprankje hoop. Iets wat ver te zoeken is bij Hvorostovski: bij hem is het allemaal kommer en kwel – oftewel de ondraaglijke zwaarheid van (einde van) het bestaan.
Aan de al in 2012 opgenomen liederen van Sjostakovitsj werden drie Petrarca Sonetten van Liszt toegevoegd. De opname dateert van twee jaar later, wat misschien het waarneembare verschil in het timbre van de bariton kan verklaren. Hier klinkt hij donkerder en zijn stem lijkt aan diepte te hebben gewonnen. Het, op zich lichtvoetige en belcanteske muziek van Liszt klinkt bij Hvorostovski een beetje zwaar op de hand, wat hem in mijn ogen een minpuntje oplevert.
Maar dat puntje komt er weer bij vanwege het meer dan voortreffelijke spel van de pianist. Het klinkt alsof Ilja Hvorostovsky erdoorheen wilt slepen, richting het zonnige Zuiden, waar het leven minder zwaar is.
DMITRI SHOSTAKOVICH
Suite on poems by Michelangelo Buonaratti op.145A
FRANZ LISZT
3 sonetti del Petrarca, S.279A (1stversion)
Dmitri Hvorostovsky (bariton), Ivari Ilja (piano)
Ondine 1277-2 • 59’
Zie ook: SHOSTAKOVICH: SUITE ON POEMS BY MICHELANGELO. Gerald Finley
Suite for Orchestra van Weinberg is niet anders dan een openbaring

En alweer word ik zowat knock-out geslagen door een onbekende werk van Mieczysław Weinberg. Niet zo zeer door zijn zeventiende symfonie die ik nog niet kende: die is zonder meer prachtig maar niet echt verrassend. Zijn Suite for Orchestra uit 1950 is dat wel.
Het werk is ontstaan in de voor Weinberg (en andere Sovjetcomponisten) moeilijke jaren vijftig, toen je niet zo zeker was van wat je wel/niet in je noten mocht zetten, alles kon zich immers tegen je keren.
Al in de eerste paar seconden van deel één, ‘Romance’, wordt ik gegrepen door de ongekende schoonheid van de melancholieke klank van de trompet, die in deel twee, ‘Humoresque’, plaats maakt voor vrolijke lichtvoetigheid. Het is net een springerig dansje, met een citaatje of twee uit Mahlers vierde symfonie. Deel drie, ‘Waltz’, lijkt sprekend op het overbekend walsje uit de de tweede Jazz Suite van Sjostakovitsj.
De negentien minuten durende Suite for Orchestra is niet anders dan een openbaring en de kans dat het een ‘hit’ kan worden is groot. Het verbaast mij dan zeer dat het werk zo lang verborgen is gebleven: de opname door het Siberian State Symphony Orchestra beleeft hier zijn wereldpremière.
De zeventiende symfonie, bijgenaamd Memory maakt samen met nummer 18 (War, there is no world more cruel ) en 19 (Bright May) een eenheid, een trilogie met de bijnaam ‘On the Treshhold of War’. Net als de andere twee symfonieën die al eerder door Naxos werden opgenomen heeft ook deze als thema de ‘The Great Patriottic War’, oftewel de tweede Wereldoorlog.
Had de achttiende als uitgangspunt het gedicht van Aleksandr Tvardovsky, zo is nummer zeventien gebaseerd op een gedicht van Anna Achmatova:
‘Your power and freedom
But in the treasure-house of the people’s memory
There will always remain
The incinerated years of war’
Net als de werken zelf is ook de uitvoering door het orkest uit Krasnoyarsk een openbaring. De dirigent Vladimir Lande heeft al in de eerdere opname laten zien hoeveel affiniteit hij met het muziek van Weinberg heeft, maar hier overtreft hij zichzelf nog.
MIECZYSŁAW WEINBERG
Suite for Orchestra (1950),Symphony No.17 ‘Memory’, Op.137
Siberian State Symphony Orchestra (Krasnoyarsk) olv Vladimir Lande
Naxos 8573565 • 64’
Voor meer Weinberg zie ook:
Kremerata Baltica speelt MIECZYSŁAW WEINBERG
MIECZYSŁAW WEINBERG: ‘THE PASSENGER’. English traslation
War – there is no word more cruel
MIECZYSŁAW WEINBERG: Complete Sonatas for Violin and Piano
Fahrende Gesellen van Ensemble Oxalys: toegewijd en respectvol
Deze cd is mijn eerste kennismaking met het Belgische ensemble Oxalys en dat bevalt me zeer. Ik houd van hun benadering van de muziek: toegewijd en respectvol. Al is het soms misschien een tikkeltje te. Wat meer afstand en relativiteit had de door hen gespeelde stukken nog wat meer cachet gegeven.
Voornamelijk de Berceuse van Ferruccio Busoni had daarvan kunnen profiteren. Het oorspronkelijk voor piano gecomponeerde en daarna door de componist zelf georkestreerde juweeltje kent verschillende arrangementen, waarvan die van Erwin Stein de bekendste is. Oxalis speelt het mooi, maar wie de opname van Musici Aurei kent (Eloquentia EL 1233), begrijpt waarschijnlijk wat ik mis.
Het is ook de eerste keer dat ik Debussy’s Prélude à l’aprés midi d’un faune hoor in Benno Sachs’ bewerking voor klein ensemble. Zo gespeeld klinkt het lichter en dansanter, maar ook minder erotisch. En toch, de individuele kleuren van de diverse instrumenten komen fraai tot hun recht.
Dietrich Henschel heeft misschien niet de mooiste stem ter wereld, maar zijn interpretatiekunst is zonder meer aangrijpend.
De Lieder eines fahrenden Gesellen van Gustav Mahler, in de bewerking van Arnold Schönberg, heb ik mooier uitgevoerd gehoord, maar in de liederen van Zemlinsky kent Henschel zijn gelijke niet. De expressieve en zeer tot de verbeelding sprekende liederen op teksten van Maeterlinck moet je kunnen ondergaan en daarbij biedt Henschel je een helpende hand. Zeer indrukwekkend.
Fahrende Gesellen
Debussy, Zemlinsky, Busoni en Mahler
Dietrich Henschel (bariton), Oxalys
Passacaille 1008
zie ook: MAHLER MINGARDO MUSICI AUREI








