achtergrondartikelen

Minnie’s van Gigliola Frazzoni en Eleanor Steber

fanciulla-emmy

Emmy Destinn (Minnie) bij de première van La Fanciulla del West

Vrouwen van Puccini zijn nooit eendimensionaal. Dat staat ook in zijn muziek, maar wie kan nog de bedoelingen achter de noten lezen? Goede Minnie’s zijn tegenwoordig schaars en om de beste tegen te komen, moet men teruggaan naar de jaren vijftig/zestig

Net als Salome wordt Minnie door mannen geliefd/begeerd. Ja, zegt u, zij is ook de enige vrouw in de enkel door kerels bewoonde ruwe wereld van goudzoekers. Maar zo simpel ligt het niet. Zij woont helemaal alleen in een afgelegen hut en een paar minuten nadat ze een vreemde man heeft ontmoet, nodigt ze hem bij haar thuis uit. Ze rookt en drinkt whisky. En ze houdt van een spelletje kaarten, desnoods vals.

In de scène voorafgaand aan het pokerspel zegt zij tegen de sheriff: “Wie ben jij, Jack Rance? De eigenaar van een speelhol. En Johnson? Een bandiet. En ik? De eigenares van een bar en een speelhol, ik leef van whisky en goud, van de dans en de faro. We zijn allemaal dezelfden! We zijn allemaal bandieten en bedriegers!”

fanciulla-tebaldi

Renata Tebaldi als Minnie

En nu wil ik het met u niet over Renata Tebaldi hebben, al was zij één van de grootste (zo niet dé grootste!) Minnie’s ooit. Zij had het geluk om over een exclusief contract met een vooraanstaande platenmaatschappij (Decca) te beschikken, iets waar haar collega’s alleen maar van konden dromen.

fanciulla-frazzoni

Gigliola Frazzoni als Minnie met Franco Corelli (Johnsosn)

Vandaar ook dat, op een enkele opera-diehard na, weinig mensen ooit hebben gehoord van Gigliola Frazzoni of Eleanor Steber (om er maar twee te noemen). Geloof mij: geen van beide doet voor Tebaldi onder. Let alleen maar op de scala aan emoties die ze tot hun beschikking hebben. Zij huilen, snikken, schreeuwen, brullen, smeken, lijden en hebben lief. Verismo ten top. Je hebt geen libretto nodig om te snappen wat hier aan de hand is.

fanciulla_steber_delmonaco_guelfi

En zij zingen, en hoe! Alle noten zijn er. Er wordt niet gesmokkeld. Nou ja, tijdens een live uitvoering wil wel eens iets misgaan, maar dat is live, dat is drama, dat is opera. En laten wij wel zijn: als je poker speelt met als inzet het leven van je geliefde, denk je niet aan belcanto.

ELEANOR STEBER

fanciulla-steber

De opname met de Amerikaanse Eleanor Steber werd geregistreerd in 1954 tijdens de Maggio Musicale in Florence (Regis RRC 2080). Steber’s sopraan is zeer warm en ondanks de hysterische ondertonen van een bijna volmaakte schoonheid.

Gian Giacomo Guelfi maakt een verpletterende indruk als Rance en de twee samen… nou, vergeet Tosca en Scarpia maar! Ik houd niet van Mario del Monaco, maar Johnson was een rol waarin hij werkelijk groots was. Mitropoulos dirigeert zeer dramatisch met theatrale effecten.

De opname is ook op Spotify te vinden:


GIGLIOLA FRAZZONI

fanciulla-fraz

De registratie met Gigliola Frazzoni werd opgenomen in La Scala, in april 1956 (o.a. Opera d’Oro1318). Frazzoni zingt zeer aangrijpend: het is niet altijd even mooi, maar wat een drama!

fanciulla-del-west

Franco Corelli is wellicht de meest aantrekkelijke bandiet uit de geschiedenis en Tito Gobbi als Jack Rance is een luxe. Hij is, wat je noemt een vocale acteur. In zijn voordracht hoor je machtswellust en geilheid, maar ook een soort van sentimenteel liefdesverlangen.

fanciulla-corelli

Franco Corelli als Johnson

Gigliola Frazzoni en Franco Corelli  in ‘Mister Johnson siete rimasto indietro…Povera gente’

 De hele opname op Spotify:


The Divine Emma /Božská Ema …

 

ANNE & ZEF

anne-affiche

 

Componisten die dirigeren zijn vanzelfsprekend, ook al kunnen ze het niet allemaal, waardoor ze soms zelfs hun eigen werk verprutsen. Dirigenten die componeren, daar kunnen we ook wel wat namen bij bedenken. En zangers die dirigeren zijn tegenwoordig eveneens niet zo uitzonderlijk meer. Denk aan Plácido Domingo, René Jacobs of Barbara Hannigan. Maar een zangeres die behalve dirigeert ook nog geweldig componeert? Monique Krüs kan het. Sterker nog, ze doet het.

 

anne-monique

Monique Krüs ©Eric Polman

Krüs is een paar jaar als huissopraan aan de opera in Essen verbonden geweest en trad op in veel binnen- en buitenlandse producties. Aan diverse wereldpremières leverde ze een bijdrage, waaronder aan Hôtel de Pêkin van Willem Jeths. Ze had ooit directielessen van Jan Stulen en componeren, dat doet ze eigenlijk al zolang ze het zich kan herinneren.

In opdracht van het Peter de Grote Festival componeerde ze in 2013 de opera The Tsar, his Wife, her Lover and his Head, ook uitgevoerd tijdens het Grachtenfestival. En voor de 2016/17 editie van het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch werd Krüs gevraagd om het verplichte werk te componeren, gebaseerd op een gedeelte uit Pé Hawinkels Bosch en Breughel.

Maar eerst is er een nieuwe opera: Anne en Zef.

Ik ontmoette de componiste in april 2015, voorafgaand aan de eerste try-out in de NedPhO-Koepel in Amsterdam.

De opera

anne-en-zef-02-c-ronald-knapp

©Ronald Knapp

Krüs: “Anne en Zef is een opdrachtopera. Of eigenlijk is het muziektheater. Ik werd er drie jaar geleden voor gevraagd. Het was de bedoeling om iets met Anne Frank te doen. Zij is nu eenmaal hét symbool. Het had ook te maken met de uitvoering (in mei 2015) van de Anne Frank Cantate van Hans Kox. Er moest een link naar zijn werk komen, iets wat parallel liep.”

“Het was een zeer spannende en emotionele opdracht. Het was ook de bedoeling dat er een link naar het heden werd gemaakt en die vond ik in het toneelstuk Anne en Zef van Ad de Bont. Hij schreef het libretto, waar ik nauw bij betrokken was. Ik kan je vertellen dat onze samenwerking zeer goed verliep.”

Het verhaal

anne-en-zef-01-c-ronald-knapp

©Ronald Knapp

Anne en Zef brengt twee op het eerste gezicht verschillende kinderen bij elkaar. Ze leven in verschillende landen, in andere tijden en in andere omstandigheden. Wat hen verbindt, is hun leeftijd. Ze zijn beiden 15 jaar. En allebei moeten ze onderduiken: Anne en haar familie voor de nazi’s, de Albanese Zef voor de op bloedwraak zinnende omgeving. Na hun dood ontmoeten ze elkaar in het hiernamaals: twee zielen die meer gemeen met elkaar hebben dan iemand zou kunnen vermoeden.”

De muziek

anne-en-zef-05-c-ronald-knapp

©Ronald Knapp

“Ik wilde een homogeen werk schrijven. Ik ben niet iemand van het uitproberen. Ik wil mensen raken, ik wil dat ze ontroerd worden. Dat is wat muziek voor mij betekent. Soms is het melodieus, soms minder, maar het moet nooit een samenraapsel worden van ideeën en akkoorden.”

“De muziek is ook erg expressief voor de zangers. Het moest een echte opera worden, niet iets musicalachtigs.”

De regisseur

anne-en-zef-06-c-ronald-knapp

©Ronald Knapp

“Het is soms moeilijk om overgelaten te worden aan een regisseur; het is altijd afwachten wat hij met je stuk gaat doen. Het kan gebeuren dat je bepaalde voorstellingen in je hoofd hebt en dan komt er helemaal niets van terecht. Nu kan ik het rustig aan een ander overlaten. Ik vertrouw Corina van Eijk namelijk volkomen. Tussen mij en haar bestaat er een band. Ik ben oprecht blij met haar.”

“We kennen elkaar goed uit Spanga. Ik ben het niet altijd eens met wat ze doet, maar regie is haar ding, dus ik bemoei me er niet mee. Ik realiseer me dat ze controversieel is, maar ik weet ook zeker dat ze mijn muziek alle recht zal doen.”

De hoofdrol

anne-en-zef-03-c-ronald-knapp

©Ronald Knapp

“Voor de rol van Anne had ik meteen Lilian Farahani in mijn gedachten. Haar wilde ik vanaf het begin hebben, niet in de laatste plaats vanwege haar gelijkenis met Anne en haar enorme acteertalent. Annes muziek heb ik dus echt voor haar geschreven.”

“Toen Benjamin de Wilde erbij kwam voor de rol van Zef, had ik al een paar stukken af, maar ook zijn muziek is gedeeltelijk voor hem gemaakt.”

Trailer van de productie:

Mensen: neem je kinderen, je oma of je buurvrouw mee en gaat dat zien!

Info

ANNE ZEF
Za 4 en zo 5 maart, 13.30 u (Nederlands boventiteling)
Za 4 en zo 5 maart, 15.30 u (English surtitles)
Nationaal Holocaust Museum, Amsterdam

Ensemble uit het Nederlands Philharmonisch Orkest|Nederlands Kamerorkest
Huba Hollókői, dirigent
Lilian Farahani, sopraan
Benjamin de Wilde, bariton
Monique Krüs, muziek
Corina van Eijk, regie
Ad de Bont, libretto

Tickets €17,50 / €7,50 via www.orkest.nl/anne-en-zef

Joseph Beer: Polnische Hochzeit. What a discovery!

beer-cover

“In der Heimat blüh’n die Rosen – nicht für mich den Heimatlosen”, sings Count Boleslav in his first big solo in Polnische Hochzeit: “In my home country roses are blossoming, but not for me, I am without a homeland.” These are words from the 1937 show, premiered in Switzerland, that could just as easily come from the biography of the composer himself.

beer-jong

Joseph Beer in Vienna

Joseph Beer was born in 1908 in Lemberg (Lwów, Lviv). Back then, this was part of the Austrian-Hungarian empire, but 10 years later it was to become one of the most important cities of Poland. Beer studied in Vienna, after the “Anschluss” in 1938 he fled to France.

beer-and-his-siblings

Joseph Beer with his siblings

He first went to Paris. Helped by the director of the Théâtre du Châtelet he earned his living by writing music for the film Festival du Monde. After failing to reach the Unites States, he ended up in Nice. During his years in hiding Beer composed Stradella in Venice there, an opera in the verismo style (premiere Zurich, 1949), which turned out to be his final one. After the war Beer got the news that his parents were killed in Auschwitz. Also his friend, mentor and librettist of Polnische Hochzeit, Fritz Löhner-Beda, had not survived the camps.

beer-fritz-lohenr-beda

Fritz Löhner-Beda

In the early fifties Beer married Hanna Königsberg, also a Holocaust survivor (Königsberg fled Germany as a child, with her parents). Together with her and their two daughters he remained in Nice until his death in 1987.

beer-1986

Joseph Beer in 1986 at his balcony in Nice

Beer never got over the sad news of the loss of his family. He withdrew from public life and stopped composing. Instead, he threw himself into studying musicology. In 1966 he defended his thesis: ‘The Evolution of Harmonic Style in the Work of Scriabin.’

After the war, Polnische Hochzeit was never performed again. Beer himself refused to give permission. We can only guess why he did so, but apparently the confrontation with the operetta was too painful for him. The operetta and its subject matter were too close to his heart.

But Beer never denied his roots. According to his daughter Béatrice he always felt a Jew in the first place, and immediately after, a Pole. Not an Austrian, please, but also not a Frenchman. He lived in France for almost fifty years, and was declared a French citizen after the war, but his heart remained in Lwów, although he never saw that city again. He also spoke Polish fluently, which no doubt helped him to get the rhythms in his score right.

beer-polnische-hochzeit-poster-world-premiere

It is hard to believe, but Beer composed Polnische Hochzeit in only three weeks. Because of the difficult theater situation in Austria, the show was first presented in Switzerland – with a libretto by Kalman’s and Lehár’s co-authors Alfred Grünwald and Fritz Löhner-Beda, who also collaborated with Abraham. The premiere in 1937 in Zurich was an immediate hit. It was translated into eight languages and had 40 subsequent productions elsewhere, outside of Nazi Germany.

beer-poster-world-premiere-polnische

Under the title Les Noces Polonaises the new production of the opera was planned for October 1, 1939, in the Théâtre du Châtelet. Jan Kiepura and Martha Eggerth were supposed to sing the leading roles, but a month before opening night the Nazis started World War II.

Polnische Hochzeit is a voluptuous operetta in the Viennese tradition. One can detect echoes of Emmerich Kálmán and Paul Abraham, but the score is also filled by Polish folk dances and Jewish melodies. But there are also many “modern” syncopated numbers, e.g. the duet “Katzenaugen” (Cat’s Eyes), a veritable Charleston.

What sets Polnische Hochzeit apart is the patriotic story set in 1830 Poland, a country occupied by the Russians. Childhood sweethearts Boleslav and Jadja meet once more when Boleslav returns home. Jadja is now engaged to Boleslav’s rich uncle Staschek, but the witty maid Suze (a female sort of Figaro) finds a way to untangle the engagement and get Boleslav and Jadja together in the end. Just think of Don Pasquale..

Nikolai Schukoff is someone I encounter more and more often in operettas, and that makes me very happy. His tenor is very suited for the genre, much more than for his usual Wagnerian repertoire which has left traces in his voice. They are not dramatic, but he needs time to vocally warm up (it’s a live recording). By the time he sings the mazurka “Polenland, mein Heimatland” (Poland, my home country) he – and his voice – are in full swing. He dazzles with some glorious top notes and demonstrates a great sense of rhythm. In this, he is perfectly supported by conductor Ulf Schirmer. And the longing and passionate way Schukoff sings “Du bist meine große Liebe” (You are my big love) is something even colleagues like Nicolai Gedda couldn’t top.

Teaser for the cpo CD “Polnische Hochzeit” by Joseph Beer with Nikolai Schukoff:

Martina Rüping is a wonderful Jadja. She sings “Wenn die Mädel zu Mazurka gehen” with warm soprano tones, and she adds a certain melancholy that is touching, as is the song itself. Just like the duet “Herz and Herz” (heart to heart). I melted away.

Michael Kupfer-Radecky is an impressive Count Staschek, and Susanne Bernhard a wonderful as Suze.

It’s certainly one of the best CPO operetta releases.

The 1st page of the young heroin Jadja’s gorgeous aria (Wunderbare Träume)beer-aria-jadjaBéatrice Beer (composer’s daughter) sings Wunderbare Träume:

 

Joseph Beer
Polnische Hochzeit
Martina Rüping, Susanne Bernhard, Nikolai Schukoff, Michael Kupfer-Radecky, Mathias Hausmann e.a.
Chor des Staatstheater am Gärtnerplatz; Münchner Rundfunkorchester olv Ulf Schirmer
CPO 5550592

English translation: Kevin Clarke and Remko Jas

In Dutch:POLNISCHE HOCHZEIT van JOSEPH BEER

More Schukoff:
EINE FLORENTINISCHE TRAGÖDIE/GIANNI SCHICCHI. Amsterdam november 2017

DER ZIGEUNERBARON

 

De ‘Faust’ van Arrigo Boito: Mefistofele

mefisto

De première van Mefistofele in 1868 in de Milanese Scala was een fiasco. Het duurde te lang (zes uur!), want in een drieste overmoed heeft Boito de complete Faust van Goethe op muziek gezet.

In de daarop volgende zeven jaar werkte hij aan de verandering en verbetering van de opera. Hij verkortte de partituur aanzienlijk, en aan de derde acte voegde  hij het duet ‘Dio di pieta!…Lontano’ toe, wat één van de mooiste lyrische fragmenten in de opera zal worden.

Heronder Montserrat Caballé en Plácido Domingo zingen het duet in de opname uit 1972:

NAZARENO DE ANGELIS

In Italië (en in Amerika) behoort Mefistofele tot het standaardrepertoire, maar in Nederland is het werk bij mijn weten pas in 2004 op de planken gezet door De Nederlandse Opera. De productie was, ondanks de goede vertolking van de hoofdrol door Gideon Sachs, een grote mislukking, wat voornamelijk op het conto van de regisseur (what else is new?) kan worden bijgeschreven.

Voornamelijk, want ook de Margherita van de toen inmiddels totaal uitgezongen Miriam Gauci was echt geen pretje om naar te luisteren.

mefisto-naxos

Gelukkig voor de liefhebbers bestaan er talrijke opnamen van de opera, zowel studio als live. De eerste complete opname verscheen al in 1929 (Naxos 8.110273-74), met Nazzareno de Angelis, een basso nobile en de Mefistofele van de eerste helft van de vorige eeuw. In 36 jaar tijd heeft hij de rol op zijn minst 500 keer gezongen; geen kleinigheid.

nazarenp

Nazzareno de Angelis zingt ‘Son lo spirito che nega’:

 

NORMAN TREIGLE

mefisto-treigle

Er zijn meer beroemde vertolkers van die rol geweest: Chaliapin bij voorbeeld, die hiermee zijn Europese (La Scala, 1901) en zes jaar later zijn Amerikaanse debuut maakte. Of de twee grote bassen uit Bulgarije: Boris Christoff en Nikolai Ghiaurov. En toch, geen van allen heeft zo’n stempel op die rol gedrukt als Norman Treigle.

De jong gestorven Amerikaanse bas (hij overleed in 1975 aan een overdosis slaappillen, nog geen 48 jaar oud) was een ster aan de New York City Opera, en de productie van Boito’s opera was in de jaren ’60-‘70 speciaal voor hem gecreëerd – dit om zijn enorme talent (Treigle was ook een begenadigd acteur) te exploiteren.

Treigle zingt “Ecco il monde”: live opname uit 1969:

In 1973 mocht hij de rol ook in de studio vastleggen onder leiding van Julius Rudel, dezelfde maestro die hem ook bij de NYCO begeleidde . Dat die twee op elkaar ingespeeld waren hoor je meteen vanaf de eerste noten van ‘Ave, Signor’, daar is geen speld tussen te krijgen. Een duet van de zanger met zijn dirigent, waarbij het orkest als een vanzelfsprekend decorum dient, een hoogst zeldzame ervaring.

mefisto-rudel

‘Son lo spirito che nega’, een duivelse Credo (was Boito toch niet iets meer bij de “Otello” betrokken dan bekend is?), roept reminiscenties op van Iago, een menselijke duivel uit een andere opera. Treigle zingt geen duivel, nee, hij is een duivel, een huiveringwekkende reïncarnatie van de kwade genius.

Voor de rollen van Faust en Margherita werden de toen zeer jonge, maar al wereldberoemde zangers geëngageerd: Montserrat Caballe en Plácido Domingo. Caballe’s Margherita is de onschuld zelve, maar met het nodige “pit”. Een maagd nog, maar toch al een vrouw van vlees en bloed. Van haar geloof je het, dat ze van alles gedaan zal hebben om een nacht met haar geliefde door te brengen. En in haar waanzin ontroert ze met haar coloraturen – pian, pianissimo, en o zo hartverscheurend. Faust van Domingo is nog jong en naïef, hij laat zich misleiden, maar geniet er ook van. Zijn liefde voor Margherita is oprecht, maar net zo oprecht is zijn bewondering voor de schone Helena van Troje (Warner)


SAMUEL RAMEY

mefistofele-ramey

Een kleine 15 jaar later kroop Domingo weer in de rol van Faust (Sony 44983). Deze keer klinkt hij doorleefder, cynischer ook. Zijn stem is donkerder geworden en in ‘Dai campi, dai prati’ is zijn ongeveinsde bewondering voor de lente en de natuur al gekleurd door een soort visioen wat er komen gaat.

Toch laat hij nog één keer zijn jeugdige kant zien, en in ‘Lontano, lontano, lontano’ lijkt het erop dat hij daadwerkelijk gelooft dat het allemaal nog goed komt. Helaas, het komt niet meer goed, en dat is voornamelijk de schuld van Eva Marton.

Marton is een absolute misbezetting als Margherita. Het is alsof de Brünhilde haar schild had afgedaan en haar haar met een krans van witte bloemen had bedekt, daar trap je toch niet in? Wat, hoe onschuld? Die dame heeft het al ettelijke keren gedaan! Als Elena (ze zingt beide rollen) overtuigt ze veel beter, maar het kwaad is al geschied. Jammer, want voor de rest is het een hele goede opname, met … ja, ja, daar komt hij .. Samuel Ramey in de titelrol.

Was Treigle een kwade geest, een duivel, een monster, zo is Ramey het tegenoverstelde. Zijn Mefistofele is elegant en every inch een gentlemen. Een prototype Scarpia, maar wel innemender en o zo jongensachtig! Zeer bedrieglijk allemaal, geen wonder dat zelfs een doorgewinterde Faust van Domingo erin trapt.

Het goede orkest (Hungarian State Orchestra) staat onder leiding van Giuseppe Patané, maar ook orkestraal moet de opname zijn meerdere in die van Warner erkennen: mede door de flinke tempi (maar nergens te haastig) en het schitterende spel van de London Symphony Orchestra blijft Rudel mijn favoriet.

Die opname is in zij  geheel op You Tube te vinden:

In 1989 zette de San Francisco Opera Mefistofele op zijn repertoire. Voor de regie tekende Robert Carsen, toen al een beroemdheid ondanks zijn jonge leeftijd. Zijn regie was onstuimig en adembenemend.

mefisto-dvd

Samen met Michael Levine, zijn vaste decorontwerper, bouwde hij een oogverblindende wereld van schijn en bedrog. De hemel is een theater, een opera wellicht, met de aartsengelen die, verborgen achter de Venetiaanse maskers, het spektakel gaan volgen vanuit hun veilige loges. Aan het eind van de proloog doven de lichten uit en de voorstelling kan beginnen, schitterend.

Theater in het theater – het is niet echt een nieuw idee (Carsen zelf gebruikte het al o.a. voor zijn ‘Tosca’ in Antwerpen), maar nog nooit werd het zo fascinerend toegepast. Als toeschouwer snak je naar adem en je laat je meesleuren in het avontuur, dat zich zo langzamerhand ontpopt als één van de allermooiste operaproducties ooit.

Ook hier is Mefistofele (gezongen door Samuel Ramey op zijn best) een elegante schurk, een dandy, een van top tot teen verzorgde edelman. Hij is de daadwerkelijke hoofdrol die de gebeurtenissen regisseert, dirigeert en erin meespeelt. Als het nodig is, verandert hij in een eenvoudige toeschouwer, die zich stilletjes weet terug te trekken, alleen maar om op het juiste moment terug te keren.

De vierde akte wordt door Carsen opgebouwd als een concert, waar Mefistofele, compleet met rokkostuum en een dirigeerstokje, een zeer ‘klassieke’ sabbat dirigeert.

Ik heb het nooit zo gehad op Dennis O’Neill, maar hij doet het als Faust beslist niet slecht. Zijn spel komt langzaam op gang, maar hij zingt met verve en elan en dankzij de kostuumontwerper en grimeur lijkt hij zelfs een beetje op een Gregory Peck. Overigens heeft zijn Eleazar in La Juive in Amsterdam me totaal gepakt, dus ik ben veranderd van mening over hem. Mijn excuses aan deze grote artiest.

Dennis O’Neill en Samuel Ramey in de slotscène van de productie:

Gabriela Beñačková zingt de beide vrouwenrollen. Als Margherita is ze meisjesachtig en tot tranen toe ontroerend, als Elena statig mooi, een godin zowat. Haar stem is in de hoogte wat scherp en soms niet helemaal zuiver, maar wat een inzet! Wat een intensiteit en bühnepresence!

Beñačková in ‘L’altra notte’:

Wel had ik een beetje moeite met de langzame tempi. ‘Son lo spirito che nega’ bijvoorbeeld duurt bij Maurizio Arena bijna anderhalve minuut langer dan bij Rudel of Patané, waardoor het nogal sloom overkomt. Maakt niets uit, want met deze enscenering wordt bewezen dat wonderen bestaan (Arthaus Music 100414).

Samuel Ramey zingt ‘Son lo spirito’:

Voor meer “Fausten” zie ook:

FAUSTen van GOUNOD. En van BUSONI

PASCAL DUSAPIN: Faustus, The Last Night. ZaterdagMatinee 2010

IS VERISMO DOOD? Deel 1: Cavalleria Rusticana

cavalleria-rusticana-mascagni

La morte de verismo: verismo is dood. Onder deze hartenkreet woedt er de laatste jaren een heftige discussie op operamailinglijsten, in operagroepen op Facebook en tijdens geëmotioneerde gesprekken en discussies bij vele liefhebbers van het genre. Maar is het waar? Is verismo dood?

Men zegt verismo en men denkt: Mascagni en Leoncavallo. Terecht? Cavalleria Rusticana en zeker Pagliacci behoren tot de meest populaire opera’s ooit. De meest tragische ook. Maar dat ligt niet alleen aan hun inhoud. Ze gaan over passie, liefde, jaloezie, wraak en moord, maar dat en ook het ruwe realisme maakt ze niet gewelddadiger dan een Carmen. En de ‘gewone mensen’ en de ‘tegenwoordige tijd’ hebben we ook al vaker meegemaakt, in La Traviata bijvoorbeeld.

Nee, wat de opera’s in feite heel erg tragisch maakt, is het lot van hun scheppers. Beide werken sloegen in als een bom en lieten hun makers met een kaskraker zitten die ze nooit meer evenaarden. Niet dat ze verder niets meer componeerden of dat de kwaliteit van hun latere opera’s te wensen over laat. Integendeel. La Bohème van Leoncavallo of L’Amico Fritz van Mascagni zijn bijvoorbeeld ware meesterwerken

Het “waarom” is moeilijk te beantwoorden, al zijn er best veel verklaringen gegeven. Zo zou Mascagni zijn stijl niet trouw zijn gebleven en weer romantisch zijn gaan componeren. Maar dat is niet waar: Cavalleria bevat lyrische passages die niet onderdoen voor bijvoorbeeld L’Amico Fritz en het stuk is niet dramatischer dan bijvoorbeeld Iris.

pietro-miscagni-bbc-archives

Pietro Mascagni. Foto courtesy BBC archives

“Gekroond voordat ik koning werd”, merkte Mascagni sarcastisch op (‘Cavalleria’ was zijn eersteling, gecomponeerd toen hij 26 jaar oud was), en dat geldt eigenlijk ook voor Leoncavallo. Wat de oorzaak ook moge zijn: beide componisten zijn, onlosmakelijk aan elkaar verbonden, de geschiedenis ingegaan als de makers van maar één opera.

Niet anders is het hun generatie- en/of stijlgenoten vergaan (zelf noemden zij zich liever ‘La Giovane Scuola’ – ‘De Jonge School’). Mocht men al ooit hebben gehoord van Giordano, Catalani, Franchetti of Cilea, dan komt men niet verder dan één titel. Of nog erger: één aria.

Waar het allemaal aan ligt, is moeilijk te zeggen en het onderzoeken waard, maar feit is dat na de jaren dertig en veertig (vooruit, begin vijftig) het genre opeens ‘not done’ werd. Men haalde er zijn intellectuele neus voor op en het snikken in de aria ‘Vesti la giubba’ uit Pagliacci werd het voorbeeld van de slechte smaak.

Cavalleria Rusticana en Pagliacci zijn altijd geliefde opera’s van het publiek gebleven. De echte liefhebbers hebben zich nooit iets van de intellectuele kritiek (vooral de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw waren voor verismo ongenadig) aangetrokken.

CAVALLERIA RUSTICANA

mascagni

De première van Cavalleria Rusticana vond plaats in 1890, drie jaar na Otello en drie jaar voor Falstaff van Verdi. De hoofdrollen werden gezongen door Gemma Bellincioni als Santuzza en haar echtgenoot Roberto Stagno als Turiddu.

cavalleria-bononcioni-met-man

Dankzij Edison en zijn uitvinding weten we hoe de eerste Santuzza klonk, want in 1903 had Bellincioni ‘Voi lo sapete, o mamma’ op de plaat vastgelegd (SRO 818-2). Wat blijkt? Bellincioni heeft een lichte sopraan, met een makkelijke hoogte, maar met een dramatische kern. Het schijnt dat ze weinig succes had gehad met het toenmalige standaardrepertoire, maar haar presence, haar acteren en interpretatie maakten haar zeer geschikt voor de nieuwe opera’s gecomponeerd in de veristische stijl.

Bellincioni zingt ‘Voi losapete o mamma’:

Hoe klinkt een perfecte Santuzza? Je moet power hebben, dat is duidelijk. Ook moet je kunnen acteren, zeker met je stem, want weinig rollen hebben zo veel dualiteit in zich: haar eeuwige jeremiade werkt je op je zenuwen en je wordt er moe van, maar tegelijkertijd is zij meelijwekkend en je hebt met haar te doen. Zoals in het echte leven dus, en dat echte leven moet ook in de interpretatie doorklinken, wat niet bereikt kan worden door alleen maar mooi te zingen.

Vandaar dat de grootste zingende actrices de beste Santuzza’s  hadden opgenomen. Dat zie je ook, als je de lijst met Santuzza’s de revue laat passeren: Giannina Arangi-Lombardi, Zinka Milanov, Carla Gavazzi, Eileen Farrell, Giulietta Simionato, Maria Callas, Elena Souliotis, Renata Tebaldi, Renata Scotto. En Lina Bruna Rasa natuurlijk, de geliefde Santuzza van Mascagni.

cavallerie-bruna-rasa-cav

Milaan 1940

In 1940 werd de 50-ste verjaardag van Cavalleria met speciale opvoeringen in La Scala gevierd, waarna de hele cast de studio in ging om er een opname van te maken. De bezetting was niet beter te krijgen, met naast Lina Bruna Rasa, Benjamino Gigli als Turiddu, Gino Becchi als Alfio en Giulietta Simionato als Mamma Lucia (merkwaardig genoeg zong Simionato daarna heel vaak de rol van Santuzza).

cavalleria-1940

Het eerste wat in het dirigeren van Mascagni opvalt, is de nadruk die hij op de lyriek en de zangerigheid legt, waardoor de melodielijnen duidelijker naar voren komen. Op geen andere opname klinkt de prelude zo idyllisch, en niets duidt op het op handen zijnde drama, wat een schril contrast oplevert met het duet Santuzza – Turiddu. Het drama wordt er alleen maar schrijnender door, intenser.

Gigli was één van de beste Turiddu’s in de geschiedenis: verleidelijk en lichtzinnig, en (sorry, maar het is niet anders) pas met Domingo kreeg hij een waardige concurrent. Want noch Giuseppe di Stefano (te licht), noch Jussi Björling (te aardig), noch Mario del Monaco (te brullerig), noch José Carreras (al komt hij goed in de buurt) konden Turiddu iets van driedimensionaliteit geven.

Gigli als Turiddu. Opname uit 1927:

Ten tijde van de opname was Bruna Rasa 33 jaar oud en sinds een paar jaar leed zij aan vreselijke depressies. Ook manifesteerden zich bij haar de eerste verschijnselen van een geestesziekte en had zij moeite met het onthouden van de tekst. Toch was er geen sprake van dat iemand anders die rol zal zingen, en Mascagni hielp haar zoveel hij kon.

Lina Bruna Raisa zingt’ Voi la sapette o mamma’:

De oorspronkelijke opname verscheen op 2 cd’s op EMI, en was opgevuld met de door Gigli gezongen aria’s uit andere opera’s van Mascagni. Op de heruitgave op Naxos (8110714-15) zijn ze helaas gesneuveld,  daarvoor in de plaats heeft men er wat orkestrale preludes en intermezzi uit verschillende opera’s aan toegevoegd, alle uitgevoerd door het Berlijnse Staatsoperaorkest onder leiding van Mascagni. Zowel EMI als Naxos beginnen met een korte toespraak door de componist.

Hieronder de hele opera, gedirigeerd door de componist:

Den Haag 1938

Twee jaar eerder, in 1938, haalde de weduwe van Maurice De Hondt Cavalleria, samen met Mascagni, naar Den Haag. De uitvoering van 7 november werd live opgenomen en is op cd uitgebracht (Bongiovanni BG 1050-2   )

De live opname klinkt nog best prima, zeker voor zijn leeftijd, en de toneelgeluiden (inclusief een duidelijk aanwezige souffleur) en het gekuch zijn niet echt storend. De tempi zijn iets sneller dan op Naxos, maar nog steeds behoedzaam.

Cavalleria Bruna Raisa NL

De bezetting is iets minder spectaculair dan twee jaar later, maar nog steeds heel erg goed. Antonio Melandri is een baritonale Turiddu en Alfro Poli geeft een voortreffelijke gestalte aan Alfio. Uiteraard had Mascagni Bruna Rasa meegenomen, en wat zij hier laat horen overtreft alles: zo intens, zo vertwijfeld, zo hartverscheurend heeft geen van de andere Santuzza’s ooit geklonken. Alleen al vanwege haar vertolking is dit bijzondere document van een onschatbare waarde.

Franco Zefirelli

cavalleria-domingo

De half film/half studio opname van Franco Zefirelli (DG 0734033) had de ultieme verfilming kunnen zijn ware het niet dat men Elena Obraztsova de rol van Santuzza liet vertolken. Dat ze al wat ouder is en onaantrekkelijk – alla, het past in het verhaal. Maar haar stem is wobbelig, scherp en haar borstregister pijnlijk voor de oren. Daarbij doet ze aan overacting, wat van haar een uiterst onsympathieke Santuzza maakt.

Men kan het Turiddu (Domingo op zijn best) niet kwalijk nemen dat hij liever naar Lola (leuke Axelle Gall) kijkt. Let alleen maar op zijn oogopslag en zijn mondhoeken, die spreken boekdelen! Voor de rest niets dan lof voor deze opname, die (hoe kan ’t toch anders?) gekoppeld is aan ‘Pagliacci’, met wederom Domingo in topvorm en een uitstekend acterende Teresa Stratas als Nedda.

In 1956 werd in de Rai-studio’s één van de mooiste Cavalleria’s opgenomen, met Carla Gavazzi, Mario Ortica en Giuseppe Valdenga

Deze opname is tegenwoordig op Youtube te vinden:

DOMENICO MONLEONE

cavalleria-monleone-portret

Wat veel mensen niet weten: er bestaan eigenlijk twee (en zelfs drie als je ook La Mala Pasqua van een zekere Stanislao Gastaldon uit 1888 meerekent) Cavalleria Rusticana’s. Ook Domenico Monleone (19875 – 1942), een in die tijd niet onbekende componist heeft voor zijn éénakter ook het verhaal van Giovanni Verga gebruikt, door zijn broer Giovanni omgezet in een libretto.

cavalleria-monleone-painting

Illustratie Gamba Pipein. Courtesy Boston Public Library, Music Department

Sonzogno, Mascagni’s uitgever, beschuldigde Monleone van plagiaat (en inderdaad: nauwkeurige bestudering leert dat het libretto van Monleone dichter ligt bij Mascagni dan bij het oorspronkelijke verhaal van Verga), waarna de opera lange tijd nergens werd uitgevoerd.

Tot het jaar 1907, waarin Maurice de Hondt Monleone naar Amsterdam haalde, waar zijn opera zijn verlate première beleefde. Gekoppeld aan … jazeker! Cavalleria Rusticana van Mascagni. Beide werken werden gedirigeerd door hun componisten: het deerde Mascagni blijkbaar niet dat zijn collega zijn libretto van hem had “geleend”.

cavalleria-monleone


Il Mistero

Toch heeft Monleone zich bij de uitspraak van de rechtbank moeten neerleggen, wat betekende dat hij een nieuw libretto voor zijn muziek moest zoeken.

cavalleria-il-mistero

Het werd Il Mistero, een ander verhaal van Verga, en deze keer had de auteur zelf Giovanni Monleone met het schrijven van libretto geholpen.

Beide opera’s met dezelfde muziek en twee verschillende libretto’s zijn door Myto op cd’s uitgebracht (Cavalleria: 012.H063; Il Mistero: 033.H079). In beide werken wordt de hoofdrol (Santuzza/Nella) gezongen door de van oorsprong Nederlandse Lisa Houben.

Duet Santuzza/Turiddu, hier gezongen door Denia Mazzola-Gavazzeni en Janez Lotric. Opname is gemaakt in Montpellier, in 2001:

Een aardigheidje: acht maal ‘A te la mala Pascua’ :


In English: Is verismo dead? Part 1: Cavalleria Rusticana

IS VERISMO DOOD? deel 2

De stiefzussen van Maria Callas

 calas

Zouden wij nog steeds zo ontzettend veel van Callas houden als zij een “gewoon” gelukkig mens was geweest, zoals de meeste van haar collega’s? Als zij gelukkig getrouwd was geweest en kinderen had gekregen, waar zij zo naar verlangde? Als zij niet aan boulimia leed en met haar gewicht en haar lichaam voortdurend aan het vechten was? Als zij niet verliefd werd op Aristoteles Onassis, de superrijke Griekse reder die haar liet zitten om met een nog beroemdere dame te gaan trouwen? En als zij haar stem niet voortijdig kwijt was geraakt? Speculaties, uiteraard, maar aangezien zelfs in de meest integere operaliefhebber iets van een Privé-lezer schuilt, blijft het gonzen. Mensen houden nu eenmaal van gossip.

callas-onassis-pinterest

Roem, succes, in de schijnwerpers staan, zijn de belangrijkste ingrediënten in het leven van mensen die vinden dat hun leven saai en alledaags is en zich in de verhalen van de ‘rich and beautiful’ verliezen. Daarbij opgemerkt dat zij het meest van de donkere kanten van de verhalen smullen, want er bestaat geen groter geluk dan leedvermaak.

Maria Callas was een diva met een ware cultstatus. Die dankte ze niet alleen aan haar zangkunst, maar ook aan haar onmiskenbare acteertalent, haar aantrekkelijke uiterlijk en haar, helaas, meer dan tragische persoonlijke leven.

Hoe groot, hoe beroemd, geliefd en aanbeden, Maria Callas heeft de opera niet uitgevonden,  noch was zij de grootste actrice onder de zangers. Niet alle zangers waren even begenadigde acteurs, maar het beeld van een dikke mevrouw die bewegingsloos op de bühne stond en alleen met haar handen wapperde klopt van geen meter

Denk alleen maar aan Conchita Supervia, Geraldine Farrar, Marjorie Lawrence of Grace Moore, maar er waren er meer.

supervia

Conchita Supervia als Carmen

Geraldine Farrar als Carmen in een film uit 1915:

>

Waar zij waarlijk de echte pionier in was, en dat ook nog eens min of meer per ongeluk (raadpleeg de dvd The Callas Conversations vol. II ) was het (dramatische) belcanto, het genre dat in die tijd een beetje een ondergeschoven kindje van de rekening was. Zij was het, die ons de vergeten opera’s van Bellini, Donizetti en Spontini terug heeft gegeven, maar was zij werkelijk de eerste?

Er zijn veel meer sopranen uit de tijd van Callas die op het allerhoogste niveau zongen en het verdienen besproken te worden. De sopranen waar ik het over ga hebben, waren allen min of meer Callas’ leeftijdsgenoten en zongen allen vrijwel hetzelfde repertoire (spinto-sopranen die voornamelijk veristische rollen zongen, zoals Magda Olivero, Carla Gavazzi of Clara Petrella, laat ik buiten beschouwing).

Deze diva’s misten het geluk om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. Of: om iemand tegen te komen die belangrijk genoeg was om niet alleen je carrière een boost te geven, maar ook om je een platencontract te bezorgen.

callas-gioconda-nanopress

Maria Callas als La Gioconda in 1952

Cynisch?
Het is altijd zo geweest en tegenwoordig is het ook niet anders, al hebben wij nu met een ander aspect te maken: het schoonheidsideaal. Voldoe je er niet aan dan kan je je carrière al bij voorbaat vaarwel zeggen – dikke mensen mogen bij veel theaters niet eens meer auditeren en een beginnende Callas zou nu absoluut geen schijn van kans hebben.

                                         ANITA CERQUETTI

cerquetti

Haar carrière duurde, net als die van Callas, niet lang. Ze werd in 1931 geboren en maakte al in 1951 (!) haar operadebuut, als Aida in Spoleto. Ze werd – typisch genoeg – het beroemdste door een invalbeurt voor de zieke Callas in 1958. Terwijl ze ook nog in een productie van Norma stond in Napels, zong ze enkele voorstellingen van diezelfde opera van Bellini bij het operahuis van Rome, in plaats van La Divina.

Anita Cerquetti zingt ”O re dei cieli” uit Agnese di Hohenstauffen van Spontini:

Op het label Bongiovanni (GB 1206-2, helaas niet op You Tube)) kunt u haar horen in het bekende ‘Casta diva’ uit Norma. Voor mij is dit één van de mooiste uitvoeringen van deze aria ooit. Kippenvel.

Cerquetti zingt Norma. Opname uit 1956:

                                     LEYLA GENCER
gencer

De in 1928 in een kleine plaats naast Istanbul geboren Gencer heeft net als Callas een cultstatus, ook nu nog, maar dan op kleinere schaal. Ze had een Turkse vader en een Poolse moeder, waardoor ze ook die taal machtig was. Er bestaat zelfs een piratenopname van haar met liederen van Chopin in het Pools.

Gencers echte specialiteit was belcanto. Haar eerste Anna Bolena zong ze slechts een jaar later dan Callas.

En in tegenstelling tot Callas zette zij ook de andere koninginnenopera’s van Donizetti op haar repertoire: Roberto Devereux en Maria Stuarda

gencer-alle-drie-tudor

Gencer als alle drie de Tudor-konginnen

Naast al haar Bellini’s, Donizetti’s en Verdi’s, en tussen Saffo van Paccini en Francesca da Rimini van Zandonai door, zong ze ook het een en ander van Mozart. Haar Contessa (Le nozze di Figaro) in Glyndebourne werd gelukkig gearchiveerd en een tijd geleden op een cd uitgebracht. Voor de rest moet u genoegen nemen met de piraten.

Haar ronde en heldere stem – met de beroemde pianissimi, waar alleen Montserrat Caballé zich aan kon meten – is zo mooi dat het pijn doet. Mocht u nog nooit iets van haar gehoord hebben, luister dan hieronder naar ‘La vergine degli angeli’ uit La forza del Destino, opgenomen in 1957. Wedden dat u naar adem gaat snakken?

 

                                          VIRGINIA ZEANI

 zeani

Is het u opgevallen hoeveel geweldige zangeressen uit Roemenië komen? Virginia Zeani is één van hen, in 1925 geboren in Solovăstru.

Zeani maakte op haar 23e haar debuut als Violetta in Bologna (ingesprongen voor Margherita Carossio). Die rol zou haar handelsmerk worden. Er bestaat een kostelijke anekdote over haar debuut in Covent Garden: het was in 1960 en zij was een last minute vervangster voor de ziek geworden Joan Sutherland. Zij arriveerde ’s middags laat en er was maar amper tijd voor het passen van het kostuum. Voor ze de bühne opging, heeft zij heel snel gevraagd: ‘wie van de heren is mijn Alfredo?

zeani-traviata

De sopraan zong maar liefst 69 rollen, waaronder veel wereldpremières. Zo creëerde ze in 1957 de rol van Blanche in Dialogues des carmélites van Poulenc. Haar repertoire reikte van Händel (Cleopatra in Giulio Cesare), via Bellini, Donizetti, Massenet en Gounod tot Wagner (Elsa en Senta). Met uiteraard de nodige Verdi’s en Puccini’s en als één van haar grootste glansrollen Magda in The Consul van Menotti.

Zelf ben ik helemaal bezeten van haar Tosca, maar ook haar Violetta mag echt niemand missen. Haar coloraturen in de eerste akte zijn meer dan perfect. En dan haar ‘morbidezza’… Doe het haar eens na!

Hieronder haar ‘Vissi d’arte’ (Tosca), opgenomen in 1975, toen ze de vijftig al gepasseerd was.

                                           CATERINA MANCINI

 mancini

Nooit van gehoord? Dan wordt het tijd dat u de schade gaat inhalen, want ik beloof u een stem uit duizenden, met een prachtige hoogte, zuivere coloraturen (allemaal ‘al punto’) en een dramatiek waar zelfs La Divina jaloers op kon worden.

Mancini zingt “Santo di patria… Da te questo m’è concesso” uit Attila van Verdi:

 

Ook Mancini’s carrière duurde maar kort. Er werd over gezondheidsproblemen gesproken, maar wat er werkelijk gebeurde? Feit is dat de in 1924 geboren sopraan er al in 1960 mee ophield. Al vinden we haar naam nog wel terug in 1963, als contra-alt (!) bij het concert ter nagedachtenis aan Kennedy.

Haar debuut maakte Mancini in 1948, als Giselda in I Lombardi. In de Scala zong ze al in 1951 Lucrezia Borgia. Donizetti, Rossini en Bellini ontbreken dan ook niet op haar repertoire.

Het Italiaanse label Cetra heeft het één en ander van haar vastgelegd; moeilijk verkrijgbaar, maar zo ontzettend de moeite van het zoeken waard!

Op haar mooist vind ik haar als Lida in La Battaglia di Legnano van Verdi. Hieronder een fragment daaruit:

                                     MARCELLA POBBE

pobbe

Marcella Pobbe is misschien een beetje een buitenbeentje in deze lijst, aangezien zij minder belcanto rollen op haar repertoire had staan (wel Gluck en Rossini, maar geen Bellini). Maar de Verdi- en Puccini-heldinnen had zij min of meer gemeen met La Divina.

Pobbe zingt ‘D’amor sull’ali rosee’ uit Il Trovatore:

Verder zong ze veel Mozart en Wagner. Maar waar ze echt beroemd mee is geworden, is Adriana Lecouvreur van Cilea.

Pobbe was buitengewoon mooi. Sierlijk, elegant, haast koninklijk. En haar stem was precies zo: haar zang vloeide als een soort lava, waarin je je helemaal kon verliezen. Niemand vond het toen nodig om haar vast te leggen. We hadden toch al La Divina?

Pobbe zingt ‘Ave Maria’ uit Otello van Verdi:

Luister hieronder bijvoorbeeld naar ‘Io son l’umile ancella’ uit Adriana Lecouvreur en denk aan die gouden tijd, die onherroepelijk voorbij is.

zie ook: OPERA FANATIC: road movie met opera sterren

SEIN LIED WIRD NICHT VERSTUMMEN *

kol-david

Gerrit van Honthorst (1590-1656), King David Playing the Harp (1611), Centraal Museum Utrecht, Holland

Eine Gewissensfrage: Gibt es so etwas wie – Jüdische Musik -?
Wenn ja: Was ist das? Ist es Klezmer? Chassidischer Nigunim? Spanische Romanceros, jiddische Lieder, die synagogalen Gesänge, die Psalmen?
Und: Kann klassische Musik jüdisch sein? Liegt es am Komponisten? Ist die Musik jüdisch, wenn der Komponist jüdisch ist? Oder liegt es an den von ihm/ihr verwendeten Themen?

Eine kleine Spurensuche:

Musik spielte eine wichtige Rolle im Leben der alten Hebräer. Genau wie die meisten östlichen Völker waren sie sehr musikalisch. Musik, Tanz und Gesang waren für sie sehr wichtig: sowohl im täglichen Leben als auch in den synagogalen Diensten. Man bespielte auch verschiedene Instrumente: So nahm eine der Frauen von Salomon mehr als tausend verschiedene Musikinstrumente aus Ägypten mit.

Nach der Zerstörung des Tempels verschwanden – bis auf die Schofar – alle Instrumente aus den Synagogen und kehrten erst im XIX Jh. zurück.

Es existiert leider wenig geschriebene Musik von vor 1700. Jedoch wird 1917 das bis heute älteste, bekannte Musikmanuskript gefunden – es datiert aus ± 1100.

                                               KOL NIDRE

 

631d9-kol2bnidrei

 

Das bekannteste Gebet aus der jüdischen Lithurgie ist unzweifelhaft Kol Nidre: Bitte um Vergebung und um Nichtigkeitserklärung aller Gelöbnisse gegenüber Gott und sich selbst, die man während des abgelaufenen Jahres auf sich genommen hat.

Das Gebet soll noch vor der Verwüstung des Tempels entstanden sein, aber es bestehen auch Legenden, die den Ursprung des Gebets in die Hände der Marranen legen (spanische Juden, die sich unter dem Zwang der Inquisition zum katholischen Glauben bekehrten, aber im Herzen Juden blieben). So wurde um Vergebung gebeten für die unter Zwang gemachten Gelöbnisse.

Sicher ist, dass Rabbi Jehuda Gaon schon in 720 das Kol Nidre in seiner Synagoge in Sura einführte. Es ist auch ein Fakt, dass die Melodie, wie wir sie kennen, einige Verwandtschaft zeigt mit einem bekannten katalanischen Lied. Im Laufe der Jahre wird es durch verschiedene Vorsänger bearbeitet, die bekannteste Version stammt aus 1871 und ist von Abraham Baer.

Die Melodie wurde eine Inspirationsquelle für viele Komponisten: Das bekannteste ist das Werk für Cello und Orchester von Max Bruch.

 

 

Die Motive von Kol Nidre finden wir auch in der Symphonie von Paul Dessau und im fünften Teil des Streichquartetts op. 131 von Ludwig van Beethoven. Und dann dürfen wir auch das „Kol Nidre“ von Arnold Schönberg für Sprechstimme, Chor und Orchester nicht vergessen. Er komponierte es im Jahr 1939, im Auftrag einer jüdischen Organisation.

http://www.schoenberg.at/index.php/de/joomla-license-sp-1943310035/kol-nidre-op-39-1938

 

                                                     EINFLÜSSE


Jüdische Volksmusik ist nicht unter einen Nenner zu bringen und kennt eine Vielzahl von Traditionen: Nach ihrer Zerstreuung landeten die Juden in verschiedenen Teilen Europas, Asien und Afrika.

Die größte Entwicklung der eigenen Kultur manifestierte sich, merkwürdig genug, in den Zentren, wo Juden die wenigsten Freiheiten hatten. Jüdische Volksmusik war daher eigentlich Musik des Ghettos. Dort wo Juden einigermaßen in Freiheit lebten, „verwischte“ sich ihr eigenes „Ich“.

In den Ländern rundum das Mittelmeer wohnten die sogenannten Sephardim (von Sfarad, hebräisch für Spanien). Ihre Romanceros sangen sie in Ladino, eine Art geschundenes Spanisch. Nach ihrer Vertreibung aus Spanien und später aus Portugal wurden sie beeinflusst durch die Musik ihres neuen Gastlandes.

“Por Que Llorax Blanca Nina”(Sephardisches Lied aus Sarajevo) Jordi Savall, Montserrat Figueras:

In Ländern wie Polen und Russland lebten Juden in fortwährender Angst vor Verfolgungen, die nicht selten in Pogromen ausarteten. Als eine Art „Gegenreaktion“ entstand der Chassidismus, eine Bewegung, die auf Mystizismus, Spiritualität und magischen Doktrinen basierte. Er verkündete die Lebensfreude, eine Art Glückseligkeit, die durch Mittel von Musik, Tanz und Gesang erreicht werden konnte. Alleine so konnte der direkte Kontakt mit Gott erreicht werden. Chassidische Musik wurde stark beeinflusst durch polnische, russische und ukrainische Folklore. Später auch die Musik von Vaudevilles und Walzer von Strauss. Der Charakter dieser Werke blieb jedoch jüdisch.

 Bratslav nigun – Jewish tune of Bratslav (by Vinnytsia), Ukraine:

Auf ihre Weise haben die chassidischen Melodien enormen Einfluss auf klassische Komponisten gehabt: Denken Sie nur alle an Baal Shem von Ernest Bloch oder Trois Chansons Hebraiques von Ravel.

                                               JOSEPH ACHRON

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schönberg sagte einmal über ihn, dass er der meist unterschätzte, unter den zeitgenössischen Komponisten war. Er rühmte seine Originalität und war sich sicher, dass seine Musik einen absoluten Ewigkeitswert hat.

Der bewanderte Violinenliebhaber kennt unzweifelhaft seine Hebrew Melody: eine sehr beliebte Zugabe aus dem Repertoire von so manchem Violinisten, beginnend mit Heifetz. Das Werk ist inspiriert von einem Thema, das Achron einst in einer Synagoge in Warschau hörte, als er noch ein kleiner Junge war. Er schrieb es 1911, es war eine seiner ersten Kompositionen und zugleich seine Form von „Farbe zu bekennen“: Er wurde Mitglied der Vereinigung für jüdische Musik.

Seine Laufbahn als Komponist begann jedoch erst spät in den 20er Jahren. In St. Petersburg schloss er sich den Komponisten, die vereinigt waren in der „Neuen Jüdischen Schule“, an.

1924 reiste er einige Monate nach Palästina, wo er nicht nur auftrat, sondern auch alle Volksmusik sammelte, die er antraf. Die Notizen, die er sich machte, wurden später in seinen Kompositionen verarbeitet. So findet man in seinem Violinenkonzert op. 30 einzelne jemenitische Themen. In den 30er Jahren flüchtete er, genau wie Schönberg, Korngold und viele andere jüdische Komponisten aus Europa nach Hollywood, wo er 1943 verstarb.

Josef Hassid spielt Jewish Melody von Achron:

 

                                               EIN EIGENER JÜDISCHER SOUND

Schon gegen Ende des 19. Jh. entstand in Petersburg (und später auch in Moskau) eine „Jüdische nationale Schule für Musik“. Die darin vereinigten Komponisten waren bestrebt Musik zu komponieren, getreu ihren jüdischen Wurzeln.

Außer Joseph Achron waren die wichtigsten Vertreter davon Michail Gnessin und Alexandr Krein. Ihre Musik war verankert in den jüdischen Traditionen von vorwiegend einer chassidischen „Nigun“ (Melodie).

Die Bewegung blieb nicht beschränkt auf Russland, denken Sie an den Schweizer Ernest Bloch und den Italiener Mario Castelnuovo-Tedesco, die auf der Suche nach ihren „Wurzeln“ einen vollkommen eigenen „jüdischen Stil des Komponierens“ entwickelt haben.

joods-cast

Mario Castelnuovo-Tedesco

Synagogale Gesänge formten die Inspirationsquelle für u. a. Sacred Service von Bloch, Sacred Service for the Sabbath Eve von Castelnuovo-Tedesco Service Sacré pour le samedi matin von Darius Milhaud und The Song of Songs von Lucas Foss.

Milhaud: Service Sacré pour le Samedi Matin:


 

Mario Castelnuovo-Tedesco griff auch nach der alten hebräischen Poesie des Dichters Moses-Ibn-Ezra, die er für seinen Liederzyklus The Divan of Moses Ibn Ezra verwendete:


 

In den USA war es Leonard Bernstein, der sehr bewusst jüdische Themen in seiner Musik anwendete. (Symphonie Nr. 3, Dybbuk Suite, A Jewish Legacy):

 

Weniger bekannt sind Paul Schoenfield und sein prächtiges Altviolinenkonzert King David dancing before the ark. Und Marvin David Levy, der in seiner Kantate ’Canto de los Marranos’ sephardische Motive verwendete:

 

Der Argentinier Osvaldo Golijov (1960, La Plata) weiß in seinen sowohl klassischen als auch in Filmkompositionen, jüdische lithurgische Musik und Klezmer mit den Tangos von Astor Piazzolla zu kombinieren. Er arbeitet oft mit dem Klarinettisten David Krakauer und für das Kronos Quartett hat er ein sehr intrigierendes Werk ‘The Dreams and Prayers of Isaac the Blind’ komponiert:


 

                                               DMITRI SCHOSTAKOWITSCH

shosty

Was für Gründe der nicht jüdische Sjostakowitsj hatte, um jüdische Elemente in seiner Musik zu verwenden, ist nicht komplett deutlich, aber es brachte in jedem Fall prächtige Musik hervor. Sein Piano trio op. 67 schrieb er schon 1944. Bei der ersten Aufführung davon, musste der letzte, der “Jüdische Teil” wiederholt werden. Es war zugleich das letze Mal, dass es während des Stalinismus gespielt wurde.

1pT28

1948 komponierte er einen Liederzyklus für Sopran, Mezzosopran und Tenor „Aus der jüdischen Volkspoesie“ – inzwischen schon viele Male aufgenommen und (zurecht!) sehr geliebt.

Alte Melodia Aufnahme des Zyklus:

1962 komponierte er die 13. Symphonie die Babi Jar, auf der Grundlage eines Gedichts von Jewgeni Alexandrowitsch Jewtuschenko. Babi Jar ist der Name einer Schlucht in Kiew. 1941 wurden dort durch die Nazis mehr als 100.000 Juden ermordet:


 

1990 wurde die Stiftung The Milken Archive of American Jewish Music gegründet, um alle Schätze der jüdischen Musik, entstanden im Laufe der amerikanischen Geschichte, aufzunehmen. Das Archiv besteht inzwischen aus (unter anderem) mehr als 700 aufgenommenen Musikwerken, verteilt auf 20 Themen. Die CDs werden weltweit vertrieben durch ein Budgetlabel Naxos. Niemand, der an jüdischer Musik interessiert ist (und an deren Geschichte), kommt daran vorbei.

* Dieser Satz steht auf dem Erinnerungsstein, der auf dem Friedhof Muiderberg aufgestellt wurde, zum Gedenken an den durch die Nazis ermordeten Dirigenten Sam Englander und seinen Amsterdamer jüdischen Chor der großen Synagoge.

Deutsche übersetzung: Beate Heithausen

Originele artikel in het Nederlands:
ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 

 

 

 

 

 

Die Kathrin, de laatste opera van Korngold wacht nog steeds op de herontdekking

kathrin

In de jaren 1934 – 1938 pendelde Korngold tussen Hollywood en Wenen. ‘s  Winters werkte hij aan de filmmuziek en de zomers besteedde hij aan zijn ‘serieuzere’ werken. In die tijd ontstond ook Die Kathrin – een opera waaraan hij al in 1932 was begonnen en die zijn laatste zou blijven. Het verhaal speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog en gaat over de liefde tussen een Franse soldaat en een Duits dienstmeisje.

De première was gepland voor januari 1938, maar Jan Kiepura die de rol van François zou zingen moest wegens zijn verplichtingen aan de MET helaas afzeggen. De première werd uitgesteld. En toen was er de Anschluss.

Net op tijd werd Korngold teruggeroepen naar Hollywood, waar hij zijn score voor Robin Hood binnen een paar dagen moest afmaken. Op 29 januari reisde hij af met de ‘Normandie’, toevallig samen (o ironie!) met Kiepura en zijn vrouw.

De componist was veilig, maar zijn bezittingen, inclusief de manuscripten en partituren, werden in beslag genomen. Op een sluwe wijze (pagina voor pagina ingenaaid tussen de veilige Beethovens en Straussen) werd het naar Amerika verstuurd.

Die Kathrin werd in oktober 1939 in Stockholm uitgevoerd, met een enorm fiasco. Deels was het aan het zwakke libretto te wijten, maar het lag vooral aan het antisemitisme dat zelfs in de Zweedse kranten overheerste.

Zestig jaar later werd de opera door CPO opgenomen. Gelukkig, want er valt bijzonder veel te genieten. Het zit barstensvol schitterende muziek, die het midden houdt tussen opera, operette, musical en film. Een gebruikelijke mix in die tijd – een Zeitoper derhalve. Er valt ontzettend veel moois te beluisteren en de vele aria’s lenen zich voor het meezingen.

De ‘briefaria’ van Kathrin lijkt sprekend op Mariettas lied uit Die Tote Stadt en haar gebed bezorgd de gevoelige luisteraar tranen in zijn ogen.

Uiteraard heeft ook de tenor wat te doen.
Hieronder Anton Dermota zingt ‘Wo ist mein Heim’ in een opname uit 1949 onder leiding van Korngold zelf :

en het liefdesduet is wellicht het mooiste uit alle Korngold opera’s. Zelfs de schurk Mallignac krijgt prachtige noten te zingen, wat hem meteen wat menselijker maakt.

YouTube heeft bijna alle fragmenten weggehaald, gelukkig staat de hele cd op Spotify:

Het laatste woord over Die Kathrin is nog niet gezegd, maar of ik ooit een live uitvoering zou mogen meemaken? De muziek verdient het. Stond dat Puccini wellicht voor ogen toen hij een operette wou schrijven?

Hieronder Renee Fleming zingt ‘Ich soll ihn niemals mehr sehen’:

Erich Wolfgang Korngold
Die Kathrin
Melanie Diener , David Rendall, Robert Hayward, Linda Watson, Della Jones;
BBC Singers & BBC Concert Orchestra olv Martyn Brabbins
CPO 9996022 • 162’

KORNGOLD: complete songs

DIE STUMME SERENADE

TUSSEN TWEE WERELDEN

Die Tote Stadt discografie. Deel 1

Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’

Das Wunder der Annemarie Kremers ‘Heliane’

Wonderlijke productie van Das wunder der Heliane uit Berlijn

De Duif van Gounod is een heerlijk niemendalletje

La Colombe

Wist u dat The Hallè het oudste Britse professionele symfonieorkest is? Het werd in 1857 opgericht, in Manchester, de stad die sindsdien hun thuisbasis is. Het was ook in Manchester dat zij, onder leiding van hun chefdirigent Sir Mark Elder in juni 2015 La Colombe van Charles Gounod hebben opgenomen.

La Colombe Halle.jpg

Halle Orchestra @ Bridgewater Hall  © Robert Beale

Dat Mark Elder affiniteit heeft met de Franse opera weet iedereen die zijn spectaculaire visie op Benvenuto Cellini van Berlioz meemaakte in Amsterdam. Zelf heb ik de partituur nooit eerder met zo veel oog voor detail, zo veel kleuren en zo veel nuance uitgevoerd gehoord. Het Rotterdams Philharmonisch was onder zijn leiding zo perfect in balans dat je ze soms hoorde fluisteren.

Voor zijn opname van Les Martyrs van Donizetti voor Opera Rara werd Elder onder lofuitingen en prijzen bedolven. Dat ook La Colombe in de prijzen gaat vallen is nogal wiedes: onder Elder’s leiding sprankelt het orkest dat het een lieve lust. Je kunt enkel betreuren dat je ze niet werkelijk aan het werk ziet.

De opéra-comique La Colombe is een heerlijk niemendalletje. Het libretto van Jules Barbier en Michel Carré, lichtelijk gebaseerd op een fabel van La Fontaine heeft niets om het lijf. De duif uit de titel is het dierbaarste bezit van de verder straatarme Horace: zijn hele fortuin heeft hij namelijk uitgegeven aan de rijke gravin Sylvie op wie hij hevig verliefd is. Om haar toch op een maaltijd te kunnen trakteren besluit hij zijn geliefde vogel op te offeren: iets anders te eten kan hij haar niet bieden. Na het diner bleek de duif springlevend: de kok verwisselde hem met de papegaai van een concurrent. Eind goed al goed en ze leefden nog lang en gelukkig.

La Colombe beleefde in 1860 in Baden-Baden zijn wereldpremière, waarna het werk (in een bewerkte versie) de Parijse Opéra-Comique aandeed. Brussel en andere steden volgden en in 1923 werd de opera in Monte Carlo door niemand minder dan Sergej Diaghilev gepresenteerd. Een leuk weetje: de gesproken dialogen werden bij de gelegenheid vervangen door recitatieven, gecomponeerd door de jonge Poulenc.

Het is niet zo, dat La Colombe daarna totaal is vergeten. In 1995 werd het werkje tijdens het Festival in Compiegne scenisch uitgevoerd. Ook het festival in Buxton mocht er kennis mee maken en er waren ook voorstellingen in Siena en Parijs. En dan mogen wij ons eigen land niet vergeten: al in 2002 werd De Duif door Opera Trionfo in de regie van Jan Bouws op de planken gebracht en in 2007 werd de productie (met Jean-Léon Klosterman als Horace) herhaald:

 

De nieuwste uitvoering van The Hallé is simpelweg verrukkelijk. Naast het sprankelende orkest (luister alleen naar de begeleiding van het arietta van Maître Jean!) wist Opera Rara een viertal voortreffelijke zangers te engageren die de opera naar het allerhoogste niveau weten te tillen.

Een klein video’tje gemaakt tijdens de opnamesessie:
<p><a href=”https://vimeo.com/145575988″>OPERA RARA Gounod: La Colombe</a> from <a href=”https://vimeo.com/user35722057″>Chaz Jenkins</a> on <a href=”https://vimeo.com”>Vimeo</a&gt;.</p>

Javier Camarena’s tenor is zeer wendbaar en verraadt een nieuwe ster aan het belcanto firmament. Erin Morley fonkelt (ook in de dialogen!) als de lichtgetimbreerde Sylvie. Laurent Naouri hoef ik aan niemand voor te stellen; zijn “Le grand art de la cuisine” is een echte showstopper. Maar het mooist vind ik de jonge mezzo Michèle Losier als Mazet. Al in haar openingsromance “Sylvie! Venez-là ma mignonne” weet zij mijn hart te stelen.


 

Charles Gounod
La Colombe
Erin Morley, Javier Camarena, Michèle Losier, Laurent Naouri
The Hallè onder leiding van Sir Mark Elder
Opera Rara ORC 53

Meer Gounod:
CHARLES GOUNOD: Cantates et musique sacrée
ROMEO EN JULIA van Gounod, Bellini en Zandonai
LA NONNE SANGLANTE
FAUSTen van GOUNOD. En van BUSONI
GOUNOD: Mireille
Cantates et musique sacrée van Charles Gounod

 

Over Macbeth van Ernest Bloch

Ernest Bloch werd in 1880 in Genève geboren in een geassimileerd Joods gezin. Rond zijn vijfentwintigste raakte hij geïnteresseerd in alles wat met het Jodendom te maken had en vertaalde het in zijn taal – muziek.

“Ik ben geïnteresseerd in de Joodse ziel” schreef hij aan zijn vriend Edmund Fleg (Flegenheimer): voorzanger, dichter, filosoof en toneelschrijver. “Dat alles wil ik in muziek vertalen”. Het is hem gelukt.

Maar Bloch is meer dan de “Joodse ziel” alleen. Vóór de oorlog behoorde hij tot de meest gespeelde en gewaardeerde componisten. Men noemde hem zelfs de vierde grote ‘B’ na Bach, Beethoven en Brahms. Op zijn naam staan concerten, symfonieën, strijkkwartetten, pianokwintetten, vioolsonates, suites voor strijkers solo en liederen. En een opera.

Bloch was nog maar 24 jaar toen hij en Fleg een idee voor het maken van muziektheater hadden opgevat. Het was Fleg die met Macbeth op de proppen kwam. Bloch had zijn twijfels want eigenlijk wilde hij iets vrolijks componeren, maar algauw begon hij met de eerste schetsen. Het heeft vijf jaar geduurd voordat de opera werd voltooid, maar toen het eenmaal zo ver was, raakte de baas van Opéra Comique, de beroemde Albert Carré onmiddellijk geïnteresseerd.

Nu kunnen wij het ons niet meer voorstellen, maar in die tijd was “Macbeth” van Verdi amper bekend. Het werd tot die tijd noch bij de Opéra noch  bij de Opéra Comique gespeeld. De enige uitvoering in Parijs was in 1865 in het Théâtre Lyrique en dat ook nog eens met matig succes.


Albert Carré

Of de interesse van Carré oprecht was of dat het kwam omdat zijn “Prima Donna”, in de tijd één van de grootste dramatische sopranen, Lucienne Bréval (landgenote en een goede vriendin van Bloch) het zo graag wilde zingen? Daar zullen wij waarschijnlijk nooit meer achterkomen, maar op 30 november 1910 was het zo ver.

Lucienne Bréval als Lady Macbeth

De hoofdrollen werden vertolkt door de grootste zangers van de tijd, met naast Brevál de Nederlandse bariton Henri Albers.

 

Albers als Artus in Le roi Arthus van Chausson

De opera werd uiteindelijk 13 keer uitgevoerd. De reacties en meningen waren behoorlijk verdeeld: men ging van zeer juichend (onder de grootste bewonderaars was ook Romain Roland) tot vernietigend. In januari 1911 werden er nog 15 voorstellingen gegeven en dat was dat.

Pas in 1938 kwam de opera weer eens op de rol: merkwaardig genoeg in Napels in 1938. Bedenk wel: het was in het fascistische Italië van Mussolini! Er zijn dan ook niet meer dan twee voorstellingen geweest: de derde werd op gezag van Mussolini zelf afgelast.

Na de oorlog was er even sprake van een kleine “revival”, in 1953 werd Macbeth in de Italiaanse vertaling van Mary Tibaldi Chiesa in Rome op de planken gebracht.

De cast was werkelijk om te smullen: de hoofdrollen werden gezongen door Nicola Rossi Lemeni en Gianna Pederzini; Gianandrea Gavazzeni dirigeerde.

Gianna Pederzini, Ernest Bloch, Gianandrea Gavazzeni en Nicola Rossi Lemeni in Rome, 1953.

Uitvoeringen in Trieste in 1957 en in Brussel in 1958 (gesponsord door de koningin Elisabeth, die de opera prachtig vond) volgden; en na Bloch’s overlijden werd “Macbeth” ook in La Scala gepresenteerd.

Genève verzamelde in april 1960 de beste krachten uit de operawereld om de opera eer te bewijzen. Heinz Rehfuss en Lucienne Devallier zongen de hoofdrollen en de directie lag in handen van Ernest Ansermet. Als u het mij vraagt: mooier bestaat niet. Althans orkestraal

Hoogtepunten uit de uitvoering in Geneve:

 

In 1968 mocht Rossi Lemeni zijn fenomenale Macbeth-interpretatie herhalen, ook in Genève. Zijn Lady was niemand minder dan Inge Borkh, Pierre Colombo dirigeerde.

Inge Borkh als Lady Macbeth

Waar het aan ligt weet ik niet, maar de opera is nergens zo populair als in de Verenigde Staten. In 1973 werd het werk in de Engelse vertaling in het Juilliard School of Music onder de directie van Adler uitgevoerd. Frederic Burchinal (geen onbekende naam voor de Nederlandse operavrienden) zong toen de hoofdrol.

Long Beach Opera presenteerde de opera in 2013 met in de hoofdrol de Panamese “barihunk” Nmon Ford en de productie werd in 2014 door het Chicago Opera Theater overgenomen. Manhattan School of Music was  in december 2014 de eerste die de opera in het Frans presenteerde

Trailer uit Chicago:

En nu de opera zelf. Het verhaal is zeer Shakespeare getrouw, meer dan die van Verdi.
Het is dat hij van vijf naar drie akten is gegaan, maar voor de rest…
De muziek wordt vaak beschreven als een mix van Wagner, Moessorgski en Debussy, maar zelf voel ik het niet zo. Voor mij is het voornamelijk Debussy, maar dan wel gepeperd met een vleugje Pizzetti en Bartók (ja, Bartók!). En ik hoor er ook reminiscenties aan Verdi, maar dan aan diens  Otello.

Maar Bloch was ook zijn tijd vooruit, want de grote aria van Lady doet zeer “Hitchcockiaans” aan, zeker als je haar in de uitvoering van Inge Borkh beluisterd. Het is echt huiveren!

Borkh als Lady Macbeth, doe het haar nog eens na!

 

OPNAMEN

Voor zo ver ik weet bestaan er maar twee commerciële uitgaven op de markt. Ik heb ze allebei en allebei vind ik iets hebben.

De concertuitvoering uit Montpellier, live opgenomen op 26 juli 1997 (Actes Sud OMA34100) wordt gedirigeerd door Friedemann Layer die er een behoorlijk bombastische brei van maakt, maar Jean-Philippe Lafont is zonder meer een schitterende Macbeth. De rol vraagt om een “Frans” getimbreerde bariton die over een makkelijke en soepele hoogte beschikt, maar dan wel gecombineerd met veel diepte en resonans. Het type Golaud. Daar voldoet Lafont ruimschoots aan.

Merkella Hatziano is naar mijn smaak een iets te lichte Lady, maar haar slaapwandelscène is verschroeiend.

Het tekstboekje bevat het complete libretto, maar alleen in het Frans.

bloch-macbeth

Fragmenten zijn hier te beluisteren:
https://www.amazon.com/Bloch-Macbeth-Ernest/dp/B00004UFGQ

De andere opname (Capriccio 10889/90) komt uit Dortmund. Het was de allereerste keer dat de opera in Duitsland werd opgevoerd. De live opname uit 2001 is alles behalve perfect, maar is wel sfeervol. En de Lady, hier gezongen door Sonja Borowski-Tudor is zonder meer indrukwekkend. Er is geen libretto bij, maar de synopsis in drie talen is wel zo handig als het Frans niet je sterkste taal is!

bloch-macbeth-capriccio


En nu wij het toch over de onbekende Bloch hebben: vergeet zijn symfonisch gedicht Hiver-Printemps niet! Samen met de prachtige liederencyclus Poèmes d’Automne (gecomponeerd voor de teksten van Béatrix Rodès, Bloch’s toenmalige geliefde), vormen ze als het ware één geheel, een soort “Jaargetijden”, waaraan alléén de zomer ontbreekt.

Hiver-Printemps:

 

Ernest Blochs ‘Jaargetijden’ zonder zomer

BLOCH: Symphony in C; Poems of the sea

Muziek als redding. Voice in the Wilderness