CPO

JOSEPH BEER: POLNISCHE HOCHZEIT.

beer-cover

“In der Heimat blüh’n die Rosen – nicht für mich den Heimatlosen”, sings Count Boleslav in his first big solo in Polnische Hochzeit: “In my home country roses are blossoming, but not for me, I am without a homeland.” These are words from the 1937 show, premiered in Switzerland, that could just as easily come from the biography of the composer himself.

 

beer-jong

Joseph Beer in Vienna

Joseph Beer was born in 1908 in Lemberg (Lwów, Lviv). Back then, this was part of the Austrian-Hungarian empire, but 10 years later it was to become one of the most important cities of Poland. Beer studied in Vienna, after the “Anschluss” in 1938 he fled to France.

beer-and-his-siblings

Joseph Beer with his siblings

He first went to Paris. Helped by the director of the Théâtre du Châtelet he earned his living by writing music for the film Festival du Monde. After failing to reach the Unites States, he ended up in Nice. During his years in hiding Beer composed Stradella in Venice there, an opera in the verismo style (premiere Zurich, 1949), which turned out to be his final one. After the war Beer got the news that his parents were killed in Auschwitz. Also his friend, mentor and librettist of Polnische Hochzeit, Fritz Löhner-Beda, had not survived the camps.

beer-fritz-lohenr-beda

Fritz Löhner-Beda

In the early fifties Beer married Hanna Königsberg, also a Holocaust survivor (Königsberg fled Germany as a child, with her parents). Together with her and their two daughters he remained in Nice until his death in 1987.

beer-1986

Joseph Beer in 1986 at his balcony in Nice

Beer never got over the sad news of the loss of his family. He withdrew from public life and stopped composing. Instead, he threw himself into studying musicology. In 1966 he defended his thesis: ‘The Evolution of Harmonic Style in the Work of Scriabin.’

After the war, Polnische Hochzeit was never performed again. Beer himself refused to give permission. We can only guess why he did so, but apparently the confrontation with the operetta was too painful for him. The operetta and its subject matter were too close to his heart.

But Beer never denied his roots. According to his daughter Béatrice he always felt a Jew in the first place, and immediately after, a Pole. Not an Austrian, please, but also not a Frenchman. He lived in France for almost fifty years, and was declared a French citizen after the war, but his heart remained in Lwów, although he never saw that city again. He also spoke Polish fluently, which no doubt helped him to get the rhythms in his score right.

 

beer-polnische-hochzeit-poster-world-premiere

It is hard to believe, but Beer composed Polnische Hochzeit in only three weeks. Because of the difficult theater situation in Austria, the show was first presented in Switzerland – with a libretto by Kalman’s and Lehár’s co-authors Alfred Grünwald and Fritz Löhner-Beda, who also collaborated with Abraham. The premiere in 1937 in Zurich was an immediate hit. It was translated into eight languages and had 40 subsequent productions elsewhere, outside of Nazi Germany.

beer-poster-world-premiere-polnische

Under the title Les Noces Polonaises the new production of the opera was planned for October 1, 1939, in the Théâtre du Châtelet. Jan Kiepura and Martha Eggerth were supposed to sing the leading roles, but a month before opening night the Nazis started World War II.

Polnische Hochzeit is a voluptuous operetta in the Viennese tradition. One can detect echoes of Emmerich Kálmán and Paul Abraham, but the score is also filled by Polish folk dances and Jewish melodies. But there are also many “modern” syncopated numbers, e.g. the duet “Katzenaugen” (Cat’s Eyes), a veritable Charleston.

What sets Polnische Hochzeit apart is the patriotic story set in 1830 Poland, a country occupied by the Russians. Childhood sweethearts Boleslav and Jadja meet once more when Boleslav returns home. Jadja is now engaged to Boleslav’s rich uncle Staschek, but the witty maid Suze (a female sort of Figaro) finds a way to untangle the engagement and get Boleslav and Jadja together in the end. Just think of Don Pasquale..

Nikolai Schukoff is someone I encounter more and more often in operettas, and that makes me very happy. His tenor is very suited for the genre, much more than for his usual Wagnerian repertoire which has left traces in his voice. They are not dramatic, but he needs time to vocally warm up (it’s a live recording). By the time he sings the mazurka “Polenland, mein Heimatland” (Poland, my home country) he – and his voice – are in full swing. He dazzles with some glorious top notes and demonstrates a great sense of rhythm. In this, he is perfectly supported by conductor Ulf Schirmer. And the longing and passionate way Schukoff sings “Du bist meine große Liebe” (You are my big love) is something even colleagues like Nicolai Gedda couldn’t top.

Teaser for the cpo CD “Polnische Hochzeit” by Joseph Beer with Nikolai Schukoff:

Martina Rüping is a wonderful Jadja. She sings “Wenn die Mädel zu Mazurka gehen” with warm soprano tones, and she adds a certain melancholy that is touching, as is the song itself. Just like the duet “Herz and Herz” (heart to heart). I melted away.

Michael Kupfer-Radecky is an impressive Count Staschek, and Susanne Bernhard a wonderful as Suze.

It’s certainly one of the best CPO operetta releases.

The 1st page of the young heroin Jadja’s gorgeous aria (Wunderbare Träume)beer-aria-jadjaBéatrice Beer (composer’s daughter) sings Wunderbare Träume:

 

Joseph Beer
Polnische Hochzeit
Martina Rüping, Susanne Bernhard, Nikolai Schukoff, Michael Kupfer-Radecky, Mathias Hausmann e.a.
Chor des Staatstheater am Gärtnerplatz; Münchner Rundfunkorchester olv Ulf Schirmer
CPO 5550592

English translation: Kevin Clarke and Remko Jas

In Dutch:POLNISCHE HOCHZEIT van JOSEPH BEER

More Schukoff:
EINE FLORENTINISCHE TRAGÖDIE/GIANNI SCHICCHI. Amsterdam november 2017

DER ZIGEUNERBARON

 

Advertenties

LA NONNE SANGLANTE

 non

Met de voortschrijdende leeftijd en dito ervaring kun je blasé worden en met een ongepast soort cynisme denken alles te hebben gezien en gehoord. Niet doen, want je kan altijd voor verassingen komen te staan. Zo werd ik geconfronteerd met La Nonne Sanglante, een mij totaal onbekende opera van Charles Gounod.

De opera is nooit een succes geweest en na de première (Parijs, 1854) nooit ergens anders opgevoerd. Tot het operahuis van Osnabrück zich liefdevol over de score ontfermde en het in 2008 op de planken bracht, waarvan het schitterende resultaat nu op twee cd’s is uitgekomen.

Gounod en een thriller, daar denk je in eerste instantie niet aan en toch is ‘De bloederige Non’ een echt griezelverhaal, waarin het spook van de non de plaats inneemt van de bruid. Het komt allemaal goed, maar eerst mogen we lekker huiveren, want Gounod schreef een zeer spannende muziek, vol stormen, donders en rukwinden; maar ook met elegante dansjes.

Natalia Atmanchuk (Agnes) beschikt over een volle, ronde sopraan met een mooie hoogte. Yoonki Baek (Rodolphe) begint aanvankelijk een beetje onvast, maar gaandeweg de opera herstelt hij zich en laat ons een mooie tenor horen. En hoe hoger de noten hoe mooier zijn stem opbloeit.


Charles Gounod
La Nonne Sanglante
Marco Vassalli, Genadius Bergorulka, Yoonki Baek, Natalia Atmanchuk; Osnabrücker Symphonieorchester olv Hermann Bäumer
CPO 777 388-2

Voor meer “griezelopera’s” zie ook:

ROBERT LE DIABLE

SATANELLA

MADAME POMPADOUR

pompadour

Heeft u ooit van Fritzi Massary gehoord? Nee? Ren dan naar de winkel of gewoon naar de YouTube op uw computer. Zij was de Maria Callas van de operette. Of eigenlijk nog meer, want de componisten uit het begin van de twintigste eeuw schreven hun werken speciaal voor haar. Zo ook Leo Fall. Zijn operette Madame Pompadour was op haar maat gesneden.

Fritzi Masary zingt “Heut`könnt einer sein Glück bei mir machen” uit Madame Pompadour:

Wij kunnen het ons niet meer voorstellen, maar operette was in die tijd zowat de meest vooruitstrevende vorm van muziektheater. Tot de nazi’s aan de macht kwamen. Nu, na meer dan een half eeuw verbanning komt het genre weer terug in onze theaters, concertzalen en levens en daar ben ik echt blij mee

De nieuwe opname van Madame Pompadour, in 2012 live opgenomen in het Wiener Volksoper vind ik een beetje een gemiste kans.

Annette Dasch is natuurlijk geen Massary (wie wel?), maar zij doet het echt voortreffelijk en zet een zeer geloofwaardige Pompadour neer. Het is ook leuk om de oudgediende Heinz Zednik weer eens te kunnen horen. In zijn rol van de koning kan hij lekker uitpakken en schmieren. Ook Mirko Roschkowski (René) kan mij bekoren.

Moeilijker wordt het als wij bij het orkest komen, ik mis het vuur. En mijn belangrijkste probleem: waarom zijn de meeste dialogen er uitgeknipt?

 

Leo Fall
Madame Pompadour
Annette Dasch, Heinz Zednik, Mirko Roschkowski, Elvira Soukop e.a.
Orchester und Chor der Volksoper Wien olv Andreas Schüller
CPO 7777952

LA MUETTE DE PORTICI

 auber

Hoeveel opera’s kunnen zich erop beroepen dat ze de wereldorde een beetje naar de sodemieter hebben geholpen door een revolutie te ontketenen en daardoor een geheel nieuw land te creëren?

De eer valt te beurt aan La Muette de Portici, een vandaag bij het grote publiek vrijwel vergeten opera van een bijna net zo vergeten Franse componist Daniel-François-Esprit Auber (1782 – 1871).

De vlam sloeg in de pan tijdens een voorstelling in de Brusselse De Munt in 1830, een opvoering nota bene ter ere van de verjaardag van koning Willem I. Het moment suprème kwam tijdens een aria, waarin één van de protagonisten de tekst zong: “Heilige vaderlandsliefde, geef ons onze moed en trots terug. Mijn leven heb ik aan mijn land te danken, het zal zijn vrijheid aan mij te danken hebben.” Het publiek verliet de zaal, ging de straat op en voilà: het Koninkrijk België werd geboren.

Dat La Muette anders is dan alle andere opera’s heeft ook met de hoofdpersoon te maken. Die is dan wel aanwezig is, maar heeft geen noot te zingen – het arme vissersmeisje Fenella is namelijk stom.

Zij wordt verleid door de jonge Napolitaanse graaf Alphonse, die haar daarna omruilt voor een betere match: een Spaanse prinses Elvire. Fenella wordt opgesloten, vlucht en weet – enkel met gebarentaal – de aandacht en medelijden van Elvire te wekken en haar broer Masaniello in de wraakengel te doen veranderen.

Dat wordt tevens het sein om een opstand tegen de gehate heersers te ontketenen; waarna alles wat mis kan gaan, ook daadwerkelijk misgaat. Masaniello wordt vergiftigd, de revolte mislukt en Fenella vindt de zelfdood in de lavastroom van Vesuvius. Logischer kan ik het voor u niet maken, maar dat geeft niet, want de opera zelf is meer dan heerlijk en bezorgt u meer dan twee uur pure luisterplezier.

La Muette wordt gezien als de eerste echte ‘grand opéra’. Dat kan ook de reden zijn dat het zo zelden werd opgevoerd, gezien onze jarenlang durende neerbuigende kijk op het fenomeen ‘grand opéra’.

Maar het tij keert. Twee jaar geleden heeft De Munt het aangedurfd om de opera op het repertoire te nemen. Jammer genoeg ging hun moed zo ver dat de voorstellingen ook in Brussel plaatsvonden. Peter de Caluwe, de directeur van De Munt, zei daarvoer: “Dat is bewust zo gedaan. De opera nu opvoeren in Brussel zou niet alleen een artistieke daad zijn, maar ook een politiek statement; het zou worden uitgelegd als een pleidooi voor Belgische eenheid op een politiek precair moment.”

In 2011 heeft ook een Duits operahuis, het vooruitstrevende Anhaltisches Theater in Dessau, waar de jonge Nederlandse dirigent Antony Hermus, toen Generalmusikdirektor was, de opera opgevoerd. De voorstellingen werden live door CPO opgenomen. Dat werd tijd!

Ik kende maar één opname van de opera, met Alfredo Kraus, June Anderson, John Aler en Jean-Philipe Lafont onder leiding van Thomas Fulton (EMI). Aan de elegante frasering van Alfredo Kraus kan niemand zich meten, maar toch prefereer ik het meer heroïsche geluid van Diego Torre. Als Masaniello weet hij veel beter te overtuigen. Bij hem hoor je de hormonen zowat door zijn aderen gieren.

In zijn waanzinscène (ja hoor, waarom ook niet? Mannen mogen ook gek worden!) heeft hij veel weg van John Osborn. Zijn hoge noten zijn niet alleen spectaculair maar hij zingt ze ook uit volle borst. Af en toe klinkt hij een beetje vermoeid, maar dat stoort niet, zeker niet in de context van het geheel.

In ‘Mieux vaut mourir que rester misérable!’, waaruit dus de opruiende tekst afkomstig is, wordt hij bijgestaan door Wiard Withold als Pietro. Ook hem vind ik interessanter dan Jean-Philipe Lafont bij Fulton.

De jonge Nederlandese zanger is op zijn best in de vijfde akte. Zijn barcarolle “Voyez du haut de ces rivages” is bijzonder indrukwekkend. Zijn lyrische bariton is inmiddels wat donkerder geworden zonder dat hij concessies aan de souplesse en lyriek doet, dat gaat van een leien dakje.

Angelina Ruzzafante is een prachtige Elvire. Haar stem is licht, soepel en wendbaar, haar hoogte mooi en zuiver en het acteren (met de stem dan) gaat haar perfect af. Soms doet zij mij aan Cristina Deutekom denken, maar dan zonder haar o zo typische “staccato” (is niet negatief bedoeld!). Het wordt tijd dat de wij de Nederlandse sopraan ook op onze podia te horen krijgen!

Oscar de la Torre (Alphonse) begint zwak – zijn tenor klinkt een beetje geknepen – maar in de vierde akte revancheert hij zich ruimschoots. Hij is nog jong en – zo te lezen – onervaren, maar hij komt er wel!

Het koor is formidabel en de tempi van Hermus vind ik zonder meer beter dan bij Fulton.

 

Een aanwinst, en dat niet alleen maar vanwege het rariteitsgehalte!

Daniel-François-Esprit Auber
La Muette de Portici
Diego Torre, Oscar de la Torre, Angelina Ruzzafante, Wiard Witholt e.a.
Opernchor des Anhaltischen Theater, Anhaltische Philharmonie olv Antony Hermus
CPO 7776942

DIE STUMME SERENADE

 

 

kornngold

Er kan niet genoeg lof over de kleine labels afgestoken worden. Het is aan hen te danken dat wij eindelijk repertoire onze huizen en speakers in krijgen waar we vroeger alleen maar van konden dromen. Bijvoorbeeld Korngolds Die Stumme Serenade, drie jaar geleden bij CPO op cd verschenen.

Die Stumme Serenade is de laatste opera van Korngold en was bij het grote (nou ja, kleine grote) publiek alleen bekend door de Serenade. Om zijn vijftigste sterfdag te eren werd de opera in 2007 in München op de planken gezet, voor het eerst sinds de voor de Oostenrijkse radio in 1951 opgenomen productie (Korngold dirigeerde zelf vanachter de piano) en de totaal mislukte première in 1954

Twee jaar later werd het in St.Gallen en daarna nog eens in Freiburg herhaald, met allemaal jonge mensen in de hoofdrollen. En daar werd het live opgenomen.

Het verhaal is dun. Het is eigenlijk een niemendalletje over een gevierde actrice en een tot over zijn oren op haar verliefde modeontwerper, die beweert haar huis te hebben genaderd om een Serenade aan haar te brengen. Maar aangezien niemand er iets van gehoord heeft, heet het de ‘Stumme’ (Stille) Serenade.

Alle Korngoldiaanse elementen zijn aanwezig: Weense bonbons, smacht, melodie en een beetje (nou ja, een beetje veel) “schmalz”. Het doet een beetje musical-achtig aan, in de ouderwetse zin van het woord. Denk aan Fred Aster en Bing Crosby. En ja, het is ietwat zoetig. Ook Lehár is niet ver weg. Eigenlijk is het een mix van opera, operette en revue, niets mis mee!

Sarah Wegener is een heerlijke Silvia Lombardi. Birger Radde (Andrea) vind ik niet echt een hoogvlieger, maar eigenlijk vind ik het niet erg, zo blij ben ik om de opname eindelijk thuis te hebben.

Ik vind het ontzettend jammer dat de productie niet op DVD is uitgebracht, want bij het zien van de trailer liep het water mij in de mond (helaas niet meer op You Tube beschikbaar)

Maar ja – iets is beter dan niets, dus: bedankt CPO!


En voor de “Korngoldianen” onder ons: een rariteit
Korngold en speelt en neuriet ‘Die Schönste Nacht’ uit  Die Stumme Serenade. De opname is uit 1946

 

 

 

 

Erich Wolgang Korngold
Die Stumme Serenade
Sarah Wegener, Birger Radde, Frank Buchwald, Werner Klockow, Anna-Luciana Leone, Sebastian Reich
Young Opera Company, Holst-Sinfonietta olv Klaus Simon
CPO 7774852

Zie ook:

DIE KATHRIN

Korngold liederen

DAS KÄTCHEN VON HEILBRONN

kaatje

Carl Martin Reinthaler (1822-1896) wist als componist geen eeuwige roem te vergaren zoals bijvoorbeeld zijn vriend Johannes Brahms. Een opera-opname uit zijn geboortestad Erfurt bewijst echter dat zijn oeuvre alleszins de moeite waard is.

Tot voor kort kende ik Reinthaler voornamelijk vanwege zijn prachtige koorwerken. Mooie, zeer romantische muziek, die mij vaak deed denken aan Mendelssohn, Schubert en Schumann. Zijn opera’s (hij heeft er twee gecomponeerd) kende ik alleen van naam.

Dat Erfurt zijn bekende inwoner (Reinthaler werd er in 1822 geboren) met de opvoering van Das Kätchen von Heilbronn eerde is meer dan lovend. De opera, Rheinthaler’s tweede moest bijna 120 jaar wachten op de herkansing, onbegrijpelijk eigenlijk waarom.

‘Kaatje’, naar het verhaal van Heinrich von Kleist is een typisch Duits-Romantische opera op haar best, met veel koren en wapengekletter. Er is liefde in het spel, een beetje magie, men duelleert en steekt elkaars burchten in de fik, er is een bedrogen en op wraak beluste minnares, maar aan het eind komt alles goed.

De heerlijke muziek klinkt bij vlagen heroisch-pathetisch, maar ook liefelijk waar nodig. De uitvoering (de opera werd in 2009 in Erfurt live opgenomen) is zeer goed, iets wat ik voornamelijk op het conto van de dirigent schrijf. Samuel Bächli is van huis uit koordirigent en dat merk je.

De Nederlandse sopraan Marisca Mulder brilleert als Kaatje, maar Ilia Papandreou (Kunigunde) doet voor haar niet onder. Richard Carlucci is een prima Graf.

Een aanwinst!


CARL REINTHALER
Das Käthchen von Heilbronn
Marisca Mulder, Richard Carlucci, Ilia Papandreou, Peter Schöne, Máté Sólyom-Nagy; Opernchor des Theaters Erfurt, Philharmonisches Orchester Erfurt olv Samuel Bächli
CPO 777474-2 • 139’

Regina van Lortzing oftewel: liefde overwint alles

regina

Denk je alles al gehoord te hebben en dat het operarepertoire geen geheimen voor je meer heeft, wordt je alweer prettig verrast door het onvolprezen  label CPO!

In januari 2011 hebben ze in München Regina van Lortzing opgenomen, een opera die ik alleen maar van de titel kende. Daar werd mijn operahart immens gelukkig van, van zowel de prachtige muziek als van de ronduit schitterende uitvoering.

De muziek is onmiskenbaar Lortzing, één al Duitse romantiek, zeker met de vele, voor de tijd zeer gebruikelijk koorpartijen. Maar het libretto is atypisch. Het speelt zich af in een fabriek, waar, behalve de romantische verwikkelingen ook heuse stakingen plaatsvinden en waar arbeiders in opstand komen – zo gek nog niet als je weet dat de opera in het “revolutiejaar” 1848 is ontstaan.

De revolutie, die wordt op een bepaald moment toch naar de tweede plaats verschoven, want het gaat voornamelijk over een ontvoerde verloofde en haar bevrijding.

De grande finale ‘Jauchzet den Stunden des Festes entgegen doet mij aan de Les Huguenots van Meyerbeer denken, ik neem dan ook aan dat Lortzing de opera goed kende.

Johanna Stojkovic geeft Regina behalve haar prachtige, romige tonen ook een zweem van hysterie mee en Daniel Kirch is een zeer goede Richard – een echte verliefde romanticus. Detlef Roth zingt een absoluut onweerstaanbare Stefan, zo een waar je bang voor bent, maar die je willens en wetens aantrekkelijk moet vinden.

Wat een verrijking!!


 

Albert Lortzing
Regina
Johanna Stojkovic, Daniel Kirch, Detlef Roth e.a.
Prager Philharmonisch Chor; Münchner Rundfunkorchester olv van Ulf Schirmer
CPO 777710-2 • 137’