Franco_Zefirelli

Ein halbes Jahrhundert Aida: Zeffirelli forever

Text: Mordechai Aranowicz

 

Aida

© Marco Brescia & Rudy Amisano

Wenn eine Opern-Inszenierung auch nach Jahrzehnten immer wieder aufgenommen wird, dabei vier Neu-Inszenierungen (darunter eine durch den selben Regisseur) überlebt, und sich beim Publikum nach wie vor grösster Beliebtheit erfreut, muss es etwas ganz Besonderes sein. Dies kann man von Franco Zeffirellis Aida-Inszenierung an der Mailänder Scala aus dem Jahr 1963 wirklich behaupten.

 

Aida scene

© Marco Brescia & Rudy Amisano

Seit ihrer Premiere mit Leontyne Price, Carlo Bergonzi, Fiorenza Cossotto und Nikolai Ghiaurov in den Hauptrollen hat sie über mehr als ein halbes Jahrhundert die Menschen erfreut und bezaubert. So auch bei ihrer jüngsten Wiederaufnehme anlässlich des 95. Geburtstag von Franco Zeffirelli. Dabei sind es insbesondere die opulenten, aber auch ungemein poetischen Bühnenbilder und Kostüme von Lila de Nobili (1916-2002), welche von Beginn an für sich gefangen nehmen.

 

Aida La Scala

© Marco Brescia & Rudy Amisano

Die schweizerische Künstlerin mit ungarisch-jüdischen Wurzeln – bekannt vor allem für das Bühnenbild zu Luchino Viscontis legendärer La Traviata Inszenierung mit Maria Callas – erzählt Giuseppe Verdis Oper im Stil der Uraufführungs-Ästhetik – und entwickelt dabei mit ihren gemalten Prospekten einen Zauber, wie man ihn heute nur noch bei wenigen Aufführungen erlebt. Egal ob der Königspalast in Memphis, das Gemach der Amneris, die von Sphinxen gesäumte Pracht-Alle zum Triumph-Marsch oder die von Mondlicht beschienene Szenerie am nächtlichen Nil – man staunt durchgehend über die fast unerschöpflichen Ausdrucksmöglichkeiten dieses Kulissenzaubers und lässt sich von der Magie der Bilder von Beginn angefangen nehmen.

Auch musikalisch hatte die Aufführung am 31. Mai viel zu bieten: Unter dem extrem spannenden, dramatischen, aber auch sängerfreundlichen Dirigat von Daniel Oren entwickelt Verdis unvergängliche Musik einen unvergleichlichen Sog, der zwischen den zartesten Piani und den martialischen Klängen des Triumphmarsches stets die richtige Balance fand.

 

Aida ballet

© Marco Brescia & Rudy Amisano

Krassimira Stoyanova singt die Aida mit kräftigem, warmem Sopran, dem auch die extrem anspruchsvollen Registerwechsel der Nilarie keine Probleme bereiten, all die Verzweiflung die Verdi in Aidas Musik zum Ausdruck brachte, wird in dieser Interpretation spürbar.

 

Aida Aida

© Marco Brescia & Rudy Amisano

Violeta Urmana stattet die Amneris mit sattem Mezzosopran mit extrem klanglicher Tiefe aus, könnte aber bei aller stimmgewalt gelegentlich etwas kultivierter singen.

Fabio Satori hat sich leider zu ‚Celeste Aida‘ noch nicht freigesungen, steigerte sich aber im Laufe des Abends deutlich und fand in dritten und vierten Akt mit seinem baritonal gefärbten Tenor zu berührender Innigkeit.

Vitali Kowaljows voluminösem Bass fehlt leider viel von der Schwärze, die den Ramphis charakterisiert, während Carlo Colombara als Pharao mit warmer voller Stimme, das Volk zu den «heiligen Ufern» des Nils rief.

Georg Gagnize war ein dramatischer, schönstimmiger Amonasro, der das Beste aus dieser etwas undankbaren Rolle machte.

Am Ende langanhaltender begeisterter Jubel für alle Sänger und eine Inszenierung mit absolutem Kult-Status!

 

Advertenties

LA BOHÈME. Discografie

 475048_30X40 LA BOHEME

Een waarschuwing vooraf: u gaat heleboel namen missen. Voor u wellicht dé vertolkers van de hoofdrollen in één van de meest geliefde opera’s aller tijden, maar ik wil eenmaal een keuze maken. Dus: geen Maria Callas, geen Renata Tebaldi en geen Montserrat Caballè. Wie dan wel?

Mirella Freni

 

la-boheme-mirella

Mirella Freni, onder andere. Want over één ding zijn vele operaliefhebbers het waarschijnlijk eens: de beste La Bohème ooit is de in 1973 door Decca opgenomen versie onder von Karajan. Mét Mirella Freni en Luciano Pavarotti.

la-boheme-freni-pa

Rodolfo is altijd een visitekaartje van Pavarotti geweest. Jarenlang gold hij als de beste vertolker van de rol – zijn fantastische legato, soepelheid en natuurlijkheid waarmee hij hoge noten zong, zijn werkelijk exemplarisch. Overigens zong hij, zoals het een beetje Italiaanse tenor uit de tijd betaamde het einde van ‘O soave fanciulla’  op dezelfde hoogte als de sopraan. Niet voorgeschreven, maar vooruit.

Freni was zonder twijfel één van de mooiste Mimi’s uit de geschiedenis. Teer en breekbaar, met haar hartbrekende pianissimi en legatobogen wist ze zelfs de grootste cynici tot tranen toe te roeren.

Von Karajan dirigeerde theatraal en hartstochtelijk, met voldoende aandacht voor de klankschoonheid van de partituur. Zoals de Duitsers zouden zeggen ”das gab’s nur einmal”.

In 2008 vierden we niet alleen de 150-ste verjaardag van Puccini maar ook de honderdste van von Karajan. Het was bovendien 35 jaar geleden dat de befaamde dirigent La bohéme heeft opgenomen: een reden voor een feestje! En zie daar – Decca heeft de opera in een gelimiteerde luxe editie uitgebracht (Decca 4780254). Op de bonus-cd vertelt Mirella Freni o.a. over haar relatie met von Karajan en het zingen van Puccini-rollen, fascinerend.

Aria’s en duet uit de eerste akte:

la-boheme-freni-dvd

Haar debuut als Mimì bij de Metropolitan Opera maakte Mirella Freni in september 1965. Tegenover haar stond een andere debutant: de (hoe onterecht!) tegenwoordig vrijwel helemaal vergeten Italiaanse tenor Gianni Raimondi. Voor mij is hij te prefereren boven Pavarotti. Ik vind zijn stem aangenamer en eleganter. En hij kon acteren!

Freni’s en Raimondi’s vertolkingen zijn vastgelegd op een prachtige film, geregisseerd door Franco Zeffirelli en gedirigeerd door Herbert von Karajan. Een absolute must (DG 0476709).

‘O Soave Fanciulla’ met Freni en Raimondi:

Renata Scotto

la-boheme-renata

Met La Bohème uit de Met 1977 (DG 0734025) werd er geschiedenis geschreven: het was de allereerste rechtstreekse transmissie uit het Newyorkse operahuis op TV. De productie was in handen van Pier Luigi Pizzi, die toen nog niet geobsedeerd was door overmaat aan ballet en de kleur rood.

la-boheme-scotto

Hoewel ik nooit een groot fan van Pavarotti was, kan ik niet ontkennen dat hij hier een fris geluid produceert en dat zijn hoge noten staan als een huis. Acteren was nooit zijn ‘cup of tea’, maar hier doet hij zijn best.

Echt spannend wordt het bij de binnenkomst van Mimì: in 1977 was Renata Scotto op haar ongekende hoogtepunt. Zij spint de mooiste pianissimi en haar legato en mezza voce zijn om te huilen zo mooi. De rest van de cast is niet meer dan adequaat, maar de jonge James Levine dirigeert alsof zijn leven ervan afhangt!

Scotto in ‘Si mi chiamano Mimì’

 

 

la-boheme-stratas

Musetta was niet echt een rol waar we Scotto mee associëren. Zij zelf eigenlijk ook niet, maar ze nam de uitdaging met beide handen aan. In de Zefirelli Met-productie uit 1982 zong zij een Musetta uit duizenden. Naast de zeer ontroerende José Carreras en Teresa Stratas was zij de onbetwiste ster van deze opname (DG 073 4539 9)

Scotto als Musetta:

 


Cristina Gallardo-Domâs

la-boheme-domas

Soms vraag ik mij af hoe pervers het is als mensen veel geld betalen om, gekleed in bontjassen, naar de misère van kou lijdende arme kunstenaars te gaan kijken?

 boheme-gallardo-domas-scala

Zelf beleefde ik veel plezier bij de aanblik van al dat bont dragende publiek, op weg naar een voorstelling van La bohème in La Scala in 2003 (Arthouse 107119). De toen al 40 jaar oude Zefirelli productie werd een beetje aangepast, maar de prachtige, realistische decors en de schitterende belichting zijn hetzelfde gebleven. De sneeuwvlokken, het uit de herberg stralende licht die de witte aarde warm kleurt, het besneeuwde bankje en het betraand gezichtje van Mimi: het heeft iets magisch en lijkt meer op een film dan op een voorstelling in het theater. Het laat je niet onberoerd, des te meer omdat alle protagonisten werkelijk  superbe zijn.

Cristina Gallardo-Domâs is een tere, door emoties verscheurde Mimì. Haar lyrische sopraan doet een beetje aan Freni denken. Malcero Álvarez overtuigt met een (toen nog) prachtig lyrisch gezongen Rodolfo en Hei-Kyung Hong zet, duidelijk geïnspireerd door Scotto, een kittige Musetta neer. Bruno Bartolletti dirigeert levendig, zonder het sentiment te schuwen.

Hieronder ‘O Soave Fanciulla’ met Gallardo-Domâs en Álvarez:

 

 boheme-emi

Gallardo-Domâs was twee jaar later ook van de partij in Zürich. Met deze zeer realistisch geënsceneerde Bohème maakte Philippe Sireuil een denderend debuut in het Zürchner operahuis (ooit EMI 3774529). Verwacht echter geen Zeffirelli-achtige taferelen met neerdwarrelende sneeuwvlokjes.

Sireuil’s opvatting is zeer “down to earth” en als zodanig meer veristisch-getrouw dan welke andere mij bekende productie. Met veel liefde voor details tekent hij het leven van het viertal kunstenaarsvrienden: hun mansarde is piepklein en benauwd, en hun drang om er iets van te maken levensecht. De kostuums (tweedehands kleding uit kringloop winkels) is hedendaags, maar tegelijk ook tijdloos.

Waar Mimi aan lijdt (in ieder geval niet aan tuberculose – van de regisseur mag ze niet eens hoesten) doet er eigenlijk niet toe, al lijkt het er op dat het om drugs gaat. Gelijk een ziek vogeltje (wat lijkt zij toch op Edith Piaf!) glijdt zij langzaam de afgrond in, en door haar dood worden de anderen gedwongen om na te denken, voor het eerst. De derde acte, gesitueerd op een mistroostig station, is bijzonder sterk en pijnlijk aangrijpend.

Ook de hele cast, met naast de hartverscheurende Gallardo-Domâs een ontroerend mooie Marcello Giordani en een zeer viriele Michael Volle (Marcello) voorop, is voortreffelijk. De zeer betreurde László Polgár zingt Colline. Geloof me: deze La Bohème mag u echt niet missen.

Hieronder Marcello Giordani en Michael Volle in ‘Marcello finalmente’:

 

Anna Netrebko

la-boheme-netrebko

De voorstelling van La Bohème in 2012 in Salzburg was “talk of the town”. Het is bijna niet te geloven, maar het was de allereerste keer dat Puccini’s meesterwerk ook de chique Festspiele heeft bereikt.

la-boheme-beczala

De productie (regie Damiano Michieletto) is een beetje bizar, maar niet onlogisch en de moderne setting doet geen geweld aan de muziek. Het libretto is nog steeds herkenbar, al vind ik de ‘Momus scène’ iets te veel van het goede

Derde acte speelt zich grotendeels bij een soort snackbar aan de besneeuwde snelweg en voor de rest: denk aan Googlemaps als plaatsaanduiding, Parijse huisjes en gebouwen als decor en rekwisieten en een gedoofde sigaret in plaats van een kaars.

Anna Netrebko is geen ballerina meer. Ze is een vrouw geworden en dat doet haar goed. Niet alleen haar uiterlijk, ook haar stem heeft er baat bij. Ik hoor er de warmte in die er eerder niet was. Meer diepte, meer diepgang.

Piotr Beczala is een meer dan voortreffelijke Rodolfo. Zijn techniek is zo perfect dat hij zich goed op het acteren kan concentreren. Ik zou waarlijk geen andere zanger van zijn generatie kennen die de rol beter kan neerzetten.

Nino Machaidze is een in alle opzichten adembenemende Musetta en Massimo Cavalletti een schitterende Marcello. Carlo Colombara neemt als Colline zeer ontroerend afscheid van zijn jas. Ook de orkestklank is prachtig; Daniele Gatti heeft duidelijk affiniteit met Puccini! (DG 0734773).

Hieronder Netrebko, Beczala, Machaidze en Cavalletti in ‘Addio’:

Cheryl Barker

la-boheme-barker

Even terug in de tijd, naar Sydney, Australie, 1993. Voor het eerst zag ik de productie op TV (ja, kinderen: ooit waren er tijden dat een opera gewoon rechtstreeks uit een operahuis op TV werd uitgezonden!) en niet gauw zal ik die avond vergeten. Ik kende geen van de zangers, het was de naam van de regisseur (Baz Luhrmann), die mijn aandacht op de productie liet vestigen.

 la-boheme-luhrmann

De zangers waren voornamelijk jong – een pré, aangezien de opera over jonge, verliefde mensen gaat. Zingen konden ze ook en met hun uiterlijk van heuse filmsterren konden ze zo op het filmdoek. Vreemd eigenlijk, dat op Cheryl Barker (Mimi) na, niemand een grote carrière heeft gemaakt. Dat Luhrmann geobsedeerd was door de opera kunnen ook de filmliefhebbers beamen: zijn Moulin Rouge lijkt er als twee druppels water op, inclusief het rood verlichtte “L’amour” op het dak. (Arthaus Musik 100 954)

Scène uit de productie:

Ileana Cotrubas

la-boheme-ileana

Maar, met de hand op het hart, als ik met maar één opname van La Bohème door het leven moest gaan… dan kies ik voor de 43 jaar oude productie van John Copley gemaakt voor het Royal Opera House.

bo

Mijn ‘onbewoond-eiland-opname’ werd in 1983 door NVC Arts (Warner 4509 99222-2) op dvd vastgelegd en – hoe vaak ik er niet naar kijk, nooit krijg ik er genoeg van. En nog steeds, na al die jaren, moet ik er bij janken. De productie was dit jaar voor het laatst gezien, jammer. Sommige dingen verouderen nooit.

Dat geldt ook voor de cast van toe: Ileana Cotrubas als mijn geliefde Mimì, de onweerstaanbare jonge Neil Shicoff als Rodolfo en Thomas Allen als een zeer erotische Marcello.

Einde van de opera:

 

Discografie LA BOHÈME deel twee
LA BOHÈME Amsterdam december 2017
CIBOULETTE. Hoe het Rodolfo verging

IS VERISMO DOOD? Deel 1: Cavalleria Rusticana

cavalleria-rusticana-mascagni

La morte de verismo: verismo is dood. Onder deze hartenkreet woedt er de laatste jaren een heftige discussie op operamailinglijsten, in operagroepen op Facebook en tijdens geëmotioneerde gesprekken en discussies bij vele liefhebbers van het genre. Maar is het waar? Is verismo dood?

Men zegt verismo en men denkt: Mascagni en Leoncavallo. Terecht? Cavalleria Rusticana en zeker Pagliacci behoren tot de meest populaire opera’s ooit. De meest tragische ook. Maar dat ligt niet alleen aan hun inhoud. Ze gaan over passie, liefde, jaloezie, wraak en moord, maar dat en ook het ruwe realisme maakt ze niet gewelddadiger dan een Carmen. En de ‘gewone mensen’ en de ‘tegenwoordige tijd’ hebben we ook al vaker meegemaakt, in La Traviata bijvoorbeeld.

Nee, wat de opera’s in feite heel erg tragisch maakt, is het lot van hun scheppers. Beide werken sloegen in als een bom en lieten hun makers met een kaskraker zitten die ze nooit meer evenaarden. Niet dat ze verder niets meer componeerden of dat de kwaliteit van hun latere opera’s te wensen over laat. Integendeel. La Bohème van Leoncavallo of L’Amico Fritz van Mascagni zijn bijvoorbeeld ware meesterwerken

Het “waarom” is moeilijk te beantwoorden, al zijn er best veel verklaringen gegeven. Zo zou Mascagni zijn stijl niet trouw zijn gebleven en weer romantisch zijn gaan componeren. Maar dat is niet waar: Cavalleria bevat lyrische passages die niet onderdoen voor bijvoorbeeld L’Amico Fritz en het stuk is niet dramatischer dan bijvoorbeeld Iris.

pietro-miscagni-bbc-archives

Pietro Mascagni. Foto courtesy BBC archives

“Gekroond voordat ik koning werd”, merkte Mascagni sarcastisch op (‘Cavalleria’ was zijn eersteling, gecomponeerd toen hij 26 jaar oud was), en dat geldt eigenlijk ook voor Leoncavallo. Wat de oorzaak ook moge zijn: beide componisten zijn, onlosmakelijk aan elkaar verbonden, de geschiedenis ingegaan als de makers van maar één opera.

Niet anders is het hun generatie- en/of stijlgenoten vergaan (zelf noemden zij zich liever ‘La Giovane Scuola’ – ‘De Jonge School’). Mocht men al ooit hebben gehoord van Giordano, Catalani, Franchetti of Cilea, dan komt men niet verder dan één titel. Of nog erger: één aria.

Waar het allemaal aan ligt, is moeilijk te zeggen en het onderzoeken waard, maar feit is dat na de jaren dertig en veertig (vooruit, begin vijftig) het genre opeens ‘not done’ werd. Men haalde er zijn intellectuele neus voor op en het snikken in de aria ‘Vesti la giubba’ uit Pagliacci werd het voorbeeld van de slechte smaak.

Cavalleria Rusticana en Pagliacci zijn altijd geliefde opera’s van het publiek gebleven. De echte liefhebbers hebben zich nooit iets van de intellectuele kritiek (vooral de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw waren voor verismo ongenadig) aangetrokken.

CAVALLERIA RUSTICANA

mascagni

De première van Cavalleria Rusticana vond plaats in 1890, drie jaar na Otello en drie jaar voor Falstaff van Verdi. De hoofdrollen werden gezongen door Gemma Bellincioni als Santuzza en haar echtgenoot Roberto Stagno als Turiddu.

cavalleria-bononcioni-met-man

Dankzij Edison en zijn uitvinding weten we hoe de eerste Santuzza klonk, want in 1903 had Bellincioni ‘Voi lo sapete, o mamma’ op de plaat vastgelegd (SRO 818-2). Wat blijkt? Bellincioni heeft een lichte sopraan, met een makkelijke hoogte, maar met een dramatische kern. Het schijnt dat ze weinig succes had gehad met het toenmalige standaardrepertoire, maar haar presence, haar acteren en interpretatie maakten haar zeer geschikt voor de nieuwe opera’s gecomponeerd in de veristische stijl.

Bellincioni zingt ‘Voi losapete o mamma’:

Hoe klinkt een perfecte Santuzza? Je moet power hebben, dat is duidelijk. Ook moet je kunnen acteren, zeker met je stem, want weinig rollen hebben zo veel dualiteit in zich: haar eeuwige jeremiade werkt je op je zenuwen en je wordt er moe van, maar tegelijkertijd is zij meelijwekkend en je hebt met haar te doen. Zoals in het echte leven dus, en dat echte leven moet ook in de interpretatie doorklinken, wat niet bereikt kan worden door alleen maar mooi te zingen.

Vandaar dat de grootste zingende actrices de beste Santuzza’s  hadden opgenomen. Dat zie je ook, als je de lijst met Santuzza’s de revue laat passeren: Giannina Arangi-Lombardi, Zinka Milanov, Carla Gavazzi, Eileen Farrell, Giulietta Simionato, Maria Callas, Elena Souliotis, Renata Tebaldi, Renata Scotto. En Lina Bruna Rasa natuurlijk, de geliefde Santuzza van Mascagni.

cavallerie-bruna-rasa-cav

Milaan 1940

In 1940 werd de 50-ste verjaardag van Cavalleria met speciale opvoeringen in La Scala gevierd, waarna de hele cast de studio in ging om er een opname van te maken. De bezetting was niet beter te krijgen, met naast Lina Bruna Rasa, Benjamino Gigli als Turiddu, Gino Becchi als Alfio en Giulietta Simionato als Mamma Lucia (merkwaardig genoeg zong Simionato daarna heel vaak de rol van Santuzza).

cavalleria-1940

Het eerste wat in het dirigeren van Mascagni opvalt, is de nadruk die hij op de lyriek en de zangerigheid legt, waardoor de melodielijnen duidelijker naar voren komen. Op geen andere opname klinkt de prelude zo idyllisch, en niets duidt op het op handen zijnde drama, wat een schril contrast oplevert met het duet Santuzza – Turiddu. Het drama wordt er alleen maar schrijnender door, intenser.

Gigli was één van de beste Turiddu’s in de geschiedenis: verleidelijk en lichtzinnig, en (sorry, maar het is niet anders) pas met Domingo kreeg hij een waardige concurrent. Want noch Giuseppe di Stefano (te licht), noch Jussi Björling (te aardig), noch Mario del Monaco (te brullerig), noch José Carreras (al komt hij goed in de buurt) konden Turiddu iets van driedimensionaliteit geven.

Gigli als Turiddu. Opname uit 1927:

Ten tijde van de opname was Bruna Rasa 33 jaar oud en sinds een paar jaar leed zij aan vreselijke depressies. Ook manifesteerden zich bij haar de eerste verschijnselen van een geestesziekte en had zij moeite met het onthouden van de tekst. Toch was er geen sprake van dat iemand anders die rol zal zingen, en Mascagni hielp haar zoveel hij kon.

Lina Bruna Raisa zingt’ Voi la sapette o mamma’:

De oorspronkelijke opname verscheen op 2 cd’s op EMI, en was opgevuld met de door Gigli gezongen aria’s uit andere opera’s van Mascagni. Op de heruitgave op Naxos (8110714-15) zijn ze helaas gesneuveld,  daarvoor in de plaats heeft men er wat orkestrale preludes en intermezzi uit verschillende opera’s aan toegevoegd, alle uitgevoerd door het Berlijnse Staatsoperaorkest onder leiding van Mascagni. Zowel EMI als Naxos beginnen met een korte toespraak door de componist.

Hieronder de hele opera, gedirigeerd door de componist:

 

Den Haag 1938

 

Afbeeldingsresultaat voor animal
Twee jaar eerder, in 1938, haalde de weduwe van Maurice De Hondt Cavalleria, samen met Mascagni, naar Den Haag. De uitvoering van 7 november werd live opgenomen en is op cd uitgebracht (Bongiovanni BG 1050-2   )

De live opname klinkt nog best prima, zeker voor zijn leeftijd, en de toneelgeluiden (inclusief een duidelijk aanwezige souffleur) en het gekuch zijn niet echt storend. De tempi zijn iets sneller dan op Naxos, maar nog steeds behoedzaam.

Cavalleria Bruna Raisa NL

De bezetting is iets minder spectaculair dan twee jaar later, maar nog steeds heel erg goed. Antonio Melandri is een baritonale Turiddu en Alfro Poli geeft een voortreffelijke gestalte aan Alfio. Uiteraard had Mascagni Bruna Rasa meegenomen, en wat zij hier laat horen overtreft alles: zo intens, zo vertwijfeld, zo hartverscheurend heeft geen van de andere Santuzza’s ooit geklonken. Alleen al vanwege haar vertolking is dit bijzondere document van een onschatbare waarde.

 

Franco Zefirelli

cavalleria-domingo

De half film/half studio opname van Franco Zefirelli (DG 0734033) had de ultieme verfilming kunnen zijn ware het niet dat men Elena Obraztsova de rol van Santuzza liet vertolken. Dat ze al wat ouder is en onaantrekkelijk – alla, het past in het verhaal. Maar haar stem is wobbelig, scherp en haar borstregister pijnlijk voor de oren. Daarbij doet ze aan overacting, wat van haar een uiterst onsympathieke Santuzza maakt.

Men kan het Turiddu (Domingo op zijn best) niet kwalijk nemen dat hij liever naar Lola (leuke Axelle Gall) kijkt. Let alleen maar op zijn oogopslag en zijn mondhoeken, die spreken boekdelen! Voor de rest niets dan lof voor deze opname, die (hoe kan ’t toch anders?) gekoppeld is aan ‘Pagliacci’, met wederom Domingo in topvorm en een uitstekend acterende Teresa Stratas als Nedda.

In 1956 werd in de Rai-studio’s één van de mooiste Cavalleria’s opgenomen, met Carla Gavazzi, Mario Ortica en Giuseppe Valdenga

Deze opname is tegenwoordig op Youtube te vinden:

DOMENICO MONLEONE

cavalleria-monleone-portret

Wat veel mensen niet weten: er bestaan eigenlijk twee (en zelfs drie als je ook La Mala Pasqua van een zekere Stanislao Gastaldon uit 1888 meerekent) Cavalleria Rusticana’s. Ook Domenico Monleone (19875 – 1942), een in die tijd niet onbekende componist heeft voor zijn éénakter ook het verhaal van Giovanni Verga gebruikt, door zijn broer Giovanni omgezet in een libretto.

cavalleria-monleone-painting

Illustratie Gamba Pipein. Courtesy Boston Public Library, Music Department

Sonzogno, Mascagni’s uitgever, beschuldigde Monleone van plagiaat (en inderdaad: nauwkeurige bestudering leert dat het libretto van Monleone dichter ligt bij Mascagni dan bij het oorspronkelijke verhaal van Verga), waarna de opera lange tijd nergens werd uitgevoerd.

Tot het jaar 1907, waarin Maurice de Hondt Monleone naar Amsterdam haalde, waar zijn opera zijn verlate première beleefde. Gekoppeld aan … jazeker! Cavalleria Rusticana van Mascagni. Beide werken werden gedirigeerd door hun componisten: het deerde Mascagni blijkbaar niet dat zijn collega zijn libretto van hem had “geleend”.

cavalleria-monleone


Il Mistero

Toch heeft Monleone zich bij de uitspraak van de rechtbank moeten neerleggen, wat betekende dat hij een nieuw libretto voor zijn muziek moest zoeken.

cavalleria-il-mistero

Het werd Il Mistero, een ander verhaal van Verga, en deze keer had de auteur zelf Giovanni Monleone met het schrijven van libretto geholpen.

Beide opera’s met dezelfde muziek en twee verschillende libretto’s zijn door Myto op cd’s uitgebracht (Cavalleria: 012.H063; Il Mistero: 033.H079). In beide werken wordt de hoofdrol (Santuzza/Nella) gezongen door de van oorsprong Nederlandse Lisa Houben.

Duet Santuzza/Turiddu, hier gezongen door Denia Mazzola-Gavazzeni en Janez Lotric. Opname is gemaakt in Montpellier, in 2001:

Een aardigheidje: acht maal ‘A te la mala Pascua’ :


In English: Is verismo dead? Part 1: Cavalleria Rusticana

IS VERISMO DOOD? deel 2