Het vocale oeuvre van Britten is vrijwel onlosmakelijk verbonden met één zanger, Peter Pears. Jarenlang waren ze partners zowel in de kunst als in het dagelijks leven. Voor Pears componeerde Britten zijn liederen en opera’s, en met diens stem in zijn hoofd maakte hij arrangementen van de Engelse volksliedjes.
Death in Venice, de laatste opera van de toen al zeer zieke Britten, werd ook voor zijn partner gecomponeerd. Zeker weten doe ik het uiteraard niet, maar ik denk dat Britten er iets meer van zijn eigen leven in gestopt heeft dan in zijn eerdere opera’s. En dat het sterk autobiografisch is.
Wat hebben we zoal om te vergelijken? Naast mijn speler liggen twee dvd’s en een cd. Nou ja, cd… Zeg maar gerust cd’s, want Decca heeft één van de grootse Britse componisten geëerd met een box met al zijn opera’s (4756029). In het acht schijfjes tellende tweede deel vindt u ook Gloriana, A Midsummer Night’s Dream, The Rape of Lucretia en The Turn of the Screw. Op Death in Venice en Gloriana na allemaal gedirigeerd door de componist zelf.
Om te zeggen dat de uit 1974 stammende opname zowat de beste is wat je je kan voorstellen, is natuurlijk een open deur intrappen. Het is niet alleen de meest voorbeeldige uitvoering (Peter Pears als Aschenbach en John Shirley-Quirk in al die baritonrollen) denkbaar, de opname zelf is ook waanzinnig goed: direct, helder en zo authentiek aandoend dat je de indruk krijgt dat het live is opgenomen. Steuart Badford dirigeert het English Chamber Orchestra.
TONY PALMER
Dezelfde dirigent, het orkest en de bariton komen we ook tegen in de film van Tony Palmer (TPDVD176), gefilmd op locatie in 1980. De rol van Gustav von Aschenbach werd overgenomen door Robert Gard, een mij onbekende tenor, die het werkelijk voortreffelijk doet. Al doet hij mij Pears niet vergeten.
De film is zeer realistisch en al doet het een beetje gedateerd aan (de typische jaren zeventig sfeer is alom aanwezig), het valt niet te ontkennen dat je als genageld op je stoel blijft zitten! De beelden ven Venetië zijn mooier dan mooi, de sfeer is beklemmend en de zanger-acteurs zijn meer dan voortreffelijk. Naast Gard en Shirley-Quirk viel mijn oog (en oor!) op een niet met name genoemde zanger in de rol van de Engelse klerk.
Op het doosje staat vermeld dat ook Pears eraan meedoet. Ik kon hem niet ontdekken, al meende ik zijn stem bij één van de figuranten bij de hallucinerende Von Aschenbach te horen.
PIER LUIGI PIZZI
Venetië hoort bij deze opera, natuurlijk. Vandaar dat een in die stad opgenomen voorstelling meer tot verbeelding spreekt dan één uit … (vul maar in). De in juni 2008 in La Fenice opgenomen productie (Dynamic 33608) is zonder meer bijzonder.
Pier Luigi Pizzi staat altijd garant voor mooie beelden en zijn ensceneringen zijn bijna altijd semirealistisch, maar dan met een twist naar zowel surrealisme als symbolisme.
In zijn voorliefde voor ballet kan hij soms te ver gaan, wat ook hier een beetje het geval is. Het koor en alle figuranten, zeeleden en gasten van het hotel bestaan uit prachtig geklede (of, zo je wilt, prachtig ontklede) bloedmooie dansers. Als er niet gedanst wordt, dan wordt er stilistisch gelopen en esthetisch gestaan.
Het is net een film en Visconti is niet ver te zoeken – zelfs de beroemde hoed die Silvana Mangano als Tadzio’s moeder droeg in die film is hier nagemaakt. Maar de sfeer is zeer beklemmend, de hitte voelbaar en het uiteindelijke resultaat zeer ontroerend.
Marlin Miller verdient een Oscar voor zijn rol van de gekwelde Von Aschenbach. Met zijn zakdoek zwaaiend en zweet afvegend probeert hij fatsoen te houden, om zich uiteindelijk aan de totale waanzin en het ijlen te moeten overgeven. Bravissimo!
Zijn stem is anders dan die van Pears. Ronder en meer gefocust, zeker naar de zaal toe, wat zijn verstaanbaarheid alleen maar ten goede komt.
Scott Hendricks is meer dan fenomenaal in al zijn ‘duivelse’ personages. Met een sardonische glimlach en zichtbaar veel plezier helpt hij Von Aschenbach zijn ondergang tegemoet.
Bruno Bartoletti weet van het orkest uit La Fenice de mooiste klanken te ontlokken.
Mijn kleine bezwaar: Tadzio (een bloedmooie, het valt niet te ontkennen, Alessandro Riga) is optisch te oud en te zeker van zichzelf. Toch – zeer, zeer aanbevolen.
MEER BRITTEN
Bij Intens Media (nooit van gehoord, er staat ook geen enkele informatie bij) is een box met 10 cd’s van Britten verschenen (bestelnummer 60047). Veel bekend materiaal, maar ook een paar (voor mij) nieuwe dingen, zoals de opname van Serenade for Tenor, Horn and Strings uit 1953 of het ballet The Prince of the Pagodas. Dat behoort zeker niet tot Brittens bekendste werken; het is dan ook fijn om het in de box tegen te komen.
De box is niet echt iets voor een doorgewinterde Britten-verzamelaar, maar voor een beginner en/of een geïnteresseerde liefhebber zonder meer een ‘hebbeding’. Zeker voor de prijs: rond de 15 euro.
Vergeet ook niet de prachtige documentaire Benjamin Britten & his Festival van Tony Palmer (TPDVD174). Het zeer korrelige beeld moet je voor lief nemen, maar alleen al de optredens van Julian Bream en Peter Pears die Schubert zingt maken het aanschaffen van de dvd meer dan waard!
Bianca, the attractive wife of the merchant Simone is having an affair with the beautiful prince Guido Bardi. Simone catches them and challenges Guido to a duel with swords and eventually strangles him with his bare hands. His wife looks at him admirably: “Why didn’t you tell me that you were so strong?” In turn, Simone becomes aware of the beauty of his wife: “Why didn’t you tell me that you were so beautiful…”
Oscar Wilde
Eine Florentinische Tragödie is based on the last play by Oscar Wilde. The beginning of the play is missing: the manuscript was stolen when Wilde went to prison. Zemlinsky solved the problem by composing a prologue to suggest the love scene between Bianca and Guido.
The opera, which premiered in 1917, provided a lot of gossip. “Eine autobiografische Tragödie” (An autobiographical Tragedy) was the headline of the Vienna Zeitung article by Edwin Baumgartner. Alma Mahler was not amused. She was certain that Zemlinsky had depicted her affair with Walter Groppius.
Mathilde Schönberg Zemlinsky with child
and with her husband
The Viennese public, on the other hand, thought it was about Schönberg and his wife Mathilde, Zemlinsky’s sister. Mathilde had left her husband for the young painter Richard Gerstl.
Mathilde Schönberg with child. Painting by Gerstl
When she returned to her husband, Gerstl committed suicide, he was only 25 years old
Richard Gerstl: ‘Selbstbildnis (“Akt in ganzer Figur’) from 1908. Courtesy Leopold Museum / Neue Galerie
All in the family in the best tradition, so to speak.
But what do you think: can you consider a fictional character in a work of art as the alter ego of its creator? Do you want to project a composer’s course of life onto the opera he has composed? How far do you involve life in art?
In a letter to Alma Mahler, Zemlinsky wrote that “a life had to be sacrificed in order to save the lives of two others.” But does this immediately make this the central theme of this opera, as many critics write? I don’t know.
One thing is certain: Eine Florentinische Tragödie can be listened to as an exciting, dark thriller, in which you do not sympathize with any of the characters.
In 1997 Decca included the opera in their now expired series ‘Entartete Musik’. Riccardo Chailly conducted the Royal Concertgebouw Orchestra (Decca 4551122).
In the same year there was also a (live) recording of the Cologne Gürzenich-Orchester conducted by their then chief conductor James Conlon (once on EMI).
Both recordings are good and I wouldn’t know which one to choose. Chailly’s orchestral sound is fuller and the strings sound more pleasant, but Conlon is undeniably more exciting, perhaps because it was recorded live.
The sound of the Cologne orchestra is more sensual, the sound of the RCO is darker. The singers are equally good in both recordings, although I find David Kuebler (Guido at Conlon) much more pleasant than the slightly shrill Heinz Kruse for Chailly.
Iris Vermillion for Chailly sounds nicer and warmer than Deborah Voigt for Conlon, but the latter has more sex appeal. In the role of Guido, Albert Dohmen (Chailly) is by far preferable to the not entirely idiomatic Donnie Ray Albert.
In 2010 Eine Florentinische Tragödie was recorded by the London Philharmonic Orchestra under the very inspiring leadership of Vladimir Jurowsky (LPO-0078). Albert Dohmen is back: his Simone sounds even more impressive than on Decca.
Sergey Skorokhodov’s Guido is a wimp and no match for the macho Dohmen. A Don Ottavio who will take on Hunding, so to speak. Heike Wessels (Bianca) is a mistake.
On YouTube you can find many (fragments) of live performances of the opera, among others from Lyon:
Frühlingsbegräbnis, the cantata that brought Zemlinsky into contact with Alma Mahler.
This cantata is (was?) available on CD, performed very well by the Gürzenich-Orchester in Cologne, conducted by James Conlon, with the soprano Deborah Voigt and the baritone Donnie Ray Albert as soloists. I love this work, it reminds me a little of Brahms’s Ein Deutsches requiem. The cantata was once coupled with several other unknown works by Zemlinsky, who all had their record premieres here: “Cymbeline”-Suite, after lyrics of Shakespeare and Ein Tanzpoem. Unfortunately…. Even YouTube has removed this recording, so second hand (or asking a friend who owns it for a copy) remains the only option.
Strangely enough Frühlingsbegräbnis by Conlon is on Spotify, but in combination with Psalms and Hochzeitgesang in a totally different performance:
On Spotify you can also listen to the recording under Antony Beaumont. The performance is less beautiful than that of Conlon but certainly not bad:
Cymbeline by Conlon can be found on You Tube:
James Conlon about Zemlinsky (and Ullmann):
“The music of Alexander Zemlinsky and Viktor Ullmann remained hidden for decades by the aftermath of the destruction caused by the Nazi regime […] Full recognition of their works and talent is still lacking, more than 70 years after their death […] Their lives and personal histories were tragic, but their music transcends it all. It is up to us to appreciate their story in its full historical and artistic context.”
Literature consulted: Antony Beaumont: Zemlinsky Michael Haas: Forbidden Music. The Jewish Composers banned by the Nazis
Toen het Wagner-jaar in 2014 voorbij was schreef ik:
“Het Wagner-jaar is voorbij, de Ring ligt veilig opgeborgen in de Rijn en hopelijk wordt hij nu beter bewaakt. Het Walhalla bleek niets anders dan de zoveelste utopie en alle goden bleken gewone mensen te zijn, en zijn inmiddels allemaal dood. Samen met de helden met wie we eigenlijk medelijden moeten hebben. Eén ding hebben we geleerd: de strijd om macht, geld en wereldheerschappij gaat gewoon door.”
DE RING
Vroeger, heel erg vroeger, maar toch nog niet zo lang geleden waren de opvoeringen (en zeker de opnamen!) van een complete Ring eigenlijk alleen maar aan ‘Goden’ voorbestemd. Je deed het niet als je een niet meer dan een voortreffelijk orkest in huis had, geen beschikking had over een topdirigent, om van zangers maar te zwijgen.
Tegenwoordig bestaat er geen operahuis, hoe klein en onbetekenend ook, die de hele rataplan niet op de rol zet. Moet kunnen? Van mij mag het, maar moet het dan ook meteen opgenomen worden? Van Bayreuth snap ik het nog enigszins – het is toch het Heilige Mekka en DE TEMPEL der Wagnerianen, waar maar weinig uitverkorenen naar toe mogen. Ligt het niveau daar dan zo hoog? Muzikaal wellicht, maar niet heus, en wat de producties betreft is het meestal ‘regietheater’ op zijn best. Of op zijn slechts.
Om de Maestro zelf te citeren: ”Gar nichts liegt mir daran ob man meine Werke gibt: mir liegt einzig daran dass man sie so gibt, wie ich’s mir gedacht habe; wer das nicht will und kann, der soll’s bleiben lassen!“
Als u een doorgewinterde Wagner liefhebber bent dan heeft u ongetwijfeld alle belangrijke (en minder belangrijke) Ring – uitgaven thuis. Bent u een beginner, dan heeft men u al lang geleden ingefluisterd zonder welke opname u absoluut niet kunt leven, dus ik neem aan dat al de Solti’s, Karajan’s, Haitink’s, Böhms en Boulez’ – ik noem maar een paar – geen geheimen meer voor u hebben. Toch?
BARCELONA 2003
Met veel spanning wachtte ik de nieuwe Ring uit Barcelona af. De productie van Harry Kupfer (oorspronkelijk voor de Deutsche Oper in Berlijn) werd alom bejubeld, en na de release van Das Rheingold merkte één van de recensenten op, dat dit wellicht de ultieme Ring op dvd zou kunnen worden.
Niet dus. Veel, heel veel uren heb ik voor de tv doorgebracht, en zeker niet met evenveel plezier.
Wat me voornamelijk tegenviel waren de beide helden: Siegmund en Siegfried. Richard Berkeley-Steele (Siegmund) viel aanvankelijk wel mee: soepel, lyrisch en met veel schwung werkte hij zich door de ‘Winterstürme’ heen. Maar toen was de koek op, en zijn stem begaf het. Jammer, des te meer, daar hij optisch een hele mooie Siegmund neerzette en qua spel zeker wist te overtuigen, iets wat niet gezegd kan worden van John Treleaven (Siegfried).
Dat hij er niet als een 18-jarige held eruitziet, dat kan niemand hem aanrekenen, al had de kostuumafdeling er werkelijk zijn best voor gedaan. Zonder problemen accepteer ik dat zijn stem veel aan zijn vroegere glans heeft verloren, ook de moeite die hij heeft met de hoge noten neem ik voor lief: het zijn er ook zoveel, en zo hoog, en ze moeten zo luid …..
Maar het pushen, de wapper, de vele valse noten, en – voornamelijk – de dodelijke saaiheid, nee, dat kan ik het hem niet vergeven. Bovendien: Siegfried mag dan onnozel zijn, dom is hij zeer zeker niet, en toch trekt Treleavan gekke bekken als was hij zijn verstand totaal bijster, en, houterig als hij is, doet hij ook aan overacting, niet leuk. Als overmaat van ramp brult hij zich door “Brünhilde, heilige Braut” heen, en zodoende verpest hij voor mij één van de mooiste melodieën ooit door Wagner geschreven. Hoe kon Brünhilde daar ooit verliefd op worden?
Deborah Polaski is een goede Brünhilde. Ik ben nooit zo dol op haar geweest, vond haar stem meestal iets te hard en te vlak, maar zij is een goede vakvrouw, gepokt en gemazeld in het fach. Bij haar stoort het niet, dat haar stem niet altijd doet wat er in de partituur staat (20 jaar Brünhilde zingen eist zijn tol), want er staat heel wat tegenover. Haar intensiteit, haar grote inlevingsvermogen, haar grote bühnepresence en overtuigingskracht maken van haar een Brünhilde om te koesteren.
De rest van de cast is goed tot zeer goed, met de ongekend grandioze Graham Clark (Loge en Mime) voorop. Alleen al voor zijn optreden is deze Ring het bekijken meer dan waard. Hetzelfde kan worden gezegd van Günther van Kannen (Alberich) en de overweldigende Hagen van Matti Salminen, die de bühne beheerst vanaf zijn eerste opkomst.
Falk Strückman’s Wotan begint nogal onevenwichtig, maar gaandeweg de cyclus wordt zijn zingen steeds beter. Op zijn acteren valt weinig aan te merken, en ook als Günther weet hij het onderste uit de kan te halen.
Linda Watson is een prachtig zingende Sieglinde, maar de camera is voor haar ongenadig: de vele close-ups maken van haar een matrone. De schuldige hiervoor is beslist de televisieregisseur, die maar over twee handelingen schijnt te beschikken: inzoomen en uitzoomen. Niet bepaald boeiend of innoverend, bovendien doet het een inbreuk op het verloop van de actie en ontneemt veel belangrijke details aan het oog – vaak kan je alleen maar gissen, wat er gebeurt.
De regie (Küpfer) en de enscenering (Schavernoch) vind ik voornamelijk inconsequent. Das Rheingold begint inderdaad prachtig. De bühne wordt beheerst door een enorme es, en de actie wordt zowel horizontaal als verticaal gespeeld, waardoor als het ware lagen ontstaan, en de tegenstellingen tussen de werelden: Nibelungen onder en Valhalla boven de oppervlakte van de Rijn worden benadrukt. Door het gebruik van de spiegelende vloeren wordt er een suggestie van water gecreëerd, waar de Rijnmeiden daadwerkelijk in lijken te zwemmen. Küpfer schijnt de aanwijzingen van Wagner op de voet te volgen en de kostuums zijn ouderwets in de goede zin van het woord.
De Walküre is al iets abstracter, maar nog steeds herkenbaar. Jammer alleen van de overheersende donkerblauwe tinten, waardoor het beeld veel te donker is, en waardoor je soms bijna niets kan zien. Bijzonder sterk is de dood van Siegmund: Küpfer laat hem door Hunding (goede Eric Halfvarson) in de armen van Wotan dodelijk verwonden, een variatie op Piëta.
Was De Walküre al een kleine teleurstelling ten opzichte van de proloog, met Siegfried belanden we in een triest dieptepunt. Het begin is nog aardig, al schijnt de actie zich af te spelen in iets wat op een immense fabriek lijkt, waar desnoods duizenden Nothungs kunnen worden gesmeed. Helaas, met de komst van Siegfried kan je de hoop maar beter opgeven, vanaf hier wordt het slechts belachelijk en saai, met een absoluut dieptepunt aan het eind.
Met De Götterdämmerung betreden wij (letterlijk en figuurlijk) een totaal andere wereld. Bij de opkomst van Günther veer ik even op: een dun snorretje, zwart, sluik vallend haar met een duidelijke scheiding opzij, zou het …? Ach nee, het is Clark Gable uit Gone with the wind, ik herken hem aan zijn kamerjas en de manier waarop hij de sigaret opsteekt. Ook de outfit van Gutrune (ontroerend goede Elisabete Matos) had ik al eerder gezien, zij lijkt sprekend (nou ja, bij het uitzoomen dan) op Vivian Leigh, maar dan uit Streetcar named desire. In die wereld is Hagen de regisseur, hij is het, die het verdere verloop van de actie bepaalt. Door de microfoon roept hij Siegfried de set op, en het draaien kan beginnen. Het koor en de figuranten stellen de fans voor, en aan hun kleding te zien, zijn we in de jaren dertig van de vorige eeuw belandt.
De overgang van de mythologische wereld naar de realiteit (?) van de film is te groot en te onbegrijpelijk, maar misschien was dat allemaal maar een film? Ik geef het op, per slot van rekening kun je met een goede wil alles verklaren. Verslagen laat ik het allemaal over me heen komen en vraag me niet eens af, waarom Alberich aan het eind toch de ring krijgt, hem omdoet en triomfantelijk omhooghoudt, tot hij vanzelf aan diggelen valt. Dit alles nauwkeurig gadegeslagen door een innig verstrengeld paar: een meisje en een jongen, de (nieuwe) tweeling wellicht? L’histoire se répète, zal ik maar zeggen
Het orkest van Gran Teatre del Liceu onder leiding van Bertrand de Billy speelt goed, maar niet meer dan dat. Jammer. (Opus Arte OA 0911 D)
Die Walküre
KOPENHAGEN 2006
In 2006 werd de hele Ring uitgevoerd in de opera van Kopenhagen en de alom geroemde productie werd door Decca (0743264) op dvd’s opgenomen. De regie lag in handen van Kasper Holten.
Holten presenteerde de cyclus als de geschiedenis van een (gegoede?) familie door de jaren heen, iets wat toen betrekkelijk innovatief was. Op zich niet zo gek, want met al die buitenechtelijke escapades van pater familias moesten er genoeg broers, zussen en aanverwanten rondlopen.
Wat Holten eigenlijk nog meer ambieerde, was de cyclus als een verknoopte geschiedenis van de twintigste eeuw te laten zien – iets wat hem maar ten dele is gelukt.
In Das Rheingold kijkt Brünnhilde, gezeten in een soort bibliotheek van haar vader, terug naar hoe het allemaal is begonnen en hoe het zo ver heeft kunnen komen. En dan dalen wij naar beneden. Nee, niet naar de rivier, want die valt nergens te bekennen, maar naar een soort bar, volgestouwd met flessen wodka en ‘bewoond’ door drie ‘grisettes’, alles in de sfeer van de jaren twintig van de vorige eeuw.
Alberich is een mismaakte griezel en het goud, in de gedaante van een naakte jonge man, zwemt rond in een aquarium. De jonge man – sorry: het goud – wordt gedood, zijn hart wordt uit zijn borst gerukt en daar wordt dus de Ring van gemaakt.
Met de vluchtende Siegmund belanden wij in een Amerikaanse suburb in de jaren vijftig. Nou was de mode in die tijd niet al te charmant, maar moest de arme Sieglinde zo verschrikkelijk toegetakeld worden? Haar gifgroene oogschaduw doet pijn aan de ogen en de close-ups zijn voor beide zangers ongenadig.
Met de antiheld Siegfried (volgens Holten kunnen we niet anders dan hem sympathiek vinden en medelijden met hem te hebben – de arme jongen wordt tenslotte door alles en iedereen gemanipuleerd) bereiken wij het jaar 1968, de tijd van ‘Aquarius’, flower power en ‘make love not war’.
De rest laat ik aan uw voorstellingsvermogen over. Of aan uw koopkracht, want ondanks al mijn bezwaren vind ik de productie zeker het bekijken waard. Wat ik ook van al die concepten (en de kostuums!) denk: Holten is een voortreffelijke personenregisseur en weet wat hij wil. De spanning is soms om te snijden en je kan niet anders dan blijven kijken.
Bovendien wordt er goed gezongen en (met het oog voor de camera, dus vaak op de millimeter, dat dan wel) geacteerd, voornamelijk door Stephen Milling (Hunding). Stig Andersen is een prima Siegmund en Siegfried, Iréne Theorin een uitstekende Brünnhilde en James Johnson een overtuigende Wotan/Der Wanderer.
BUENOS AIRES 2013
Het idee om de Ring te ontdoen van alle ‘ballast’ (het zijn mijn woorden niet!) en terug te brengen tot de essentie is niet nieuw. De opera van Buenos Aires heeft de moed getoond om het plan daadwerkelijk te realiseren en Cor Garben bewerkte de tetralogie tot een zeven uur durend geheel.
Ik ga u niet met de ontstaansgeschiedenis en alle affaires en schandalen waarmee de productie te maken kreeg (nog maar zes weken vóór de première was er geen concept, geen regisseur en geen dirigent!) vermoeien; het staat ook allemaal op de bijgeleverde, zeer spannende en buitengewoon interessante film van Christoph von Bock. Maar eind goed al goed: de Ring ging in mei 2013 in première en werd door C Major (713104) uitgebracht.
Over het concept (regie: Valentina Carrasco) wil ik kort zijn: wij zijn in het Argentinië van de jaren zeventig, de Rijnmeiden zijn eigenlijk Rijnmoeders en het goud, dat wordt gestolen, is een kind. De cast is goed. Wel heb ik een beetje moeite met Leonid Zakhozaev (Siegfried).
DIE WALKÜRE
Een jaar of tien geleden is Sony begonnen met het openbaren van de Met-archieven. Daar zat ook een Die Walküre tussen, opgenomen op 24 februari 1968. Je moet wel even aan het doffe geluid wennen, maar als je het eenmaal in je oren hebt ….. Mijn God, wat is de uitvoering prachtig!
De op elkaar verliefde tweeling wordt vertolkt door een zeer ontroerende (tranen!) Leonie Rysanek en een lyrischer dan ooit klinkende Jon Vickers. Tel Wotan van Thomas Stewart en – ja, hoe kan het anders? – dé Brünhilde van Birgit Nilsson daarbij en dan weet je dat het feest mag beginnen.
Maar wij zijn er nog niet, want ook Fricka doet mee en het moet gezegd: zij is de ster van de opera. Haar naam? Christa Ludwig. O ja: Hunding wordt gezongen door Karl Ridderbusch. De dirigent is mij alleen van naam (waarom eigenlijk?) bekende Berislav Klobucar. (Sony 853082)
His looks were very important to him. He was always elegantly dressed and loved beautiful hats, a grand seigneur all the way. Thanks to Giuseppe Adami we know how he looked on the day of the Premio del Commercio: he wore an elegant, dark grey waistcoat, a bowler hat and a tie in the same colour with a big pearl on it.
He was an avid smoker and “with a cigarette between his lips, his dented hat at an angle, with something masculine and affectionate in his intelligent face and in his vigorous posture” (Adami), he certainly looked handsome and attractive.
That was the intention. He loved cars and driving, and he bought his first one as early as 1901: a De Dion Bouton. One of his car rides was almost fatal: after an accident he passed out and broke his leg. It didn’t stop him from buying newer and newer models, even more beautiful and faster.
Hunting was his greatest hobby. Not that he was very good at it – it seems that he often missed and thus spoiled the fun for the others. Then why did he do it? “For him, hunting was more of a display of virility, and as he grew older, the need to prove his masculinity grew stronger and stronger” (van Leeuwen). His masculinity… yes, he loved women.
Puccini and Elvira Bonturi
Only in 1904 he married the woman with whom he had lived for many years and with whom he had a son. There was no longer any question of love, but it was the decent thing to do. His wife, Evira Bonturi, was very jealous and not without reason. Apart from many short adventures and affairs he had a long relationship with a mysterious woman from Turin, a relationship that was so serious, that he was already considering divorce.
Maria Anna Coriasco, the mysterious ‘La Torinese’. Picture on the tombstome
Why and how he ended the affair is not known. Another known scandal involved a maid who was unjustly accused by the lady of the house of having a relationship with her employer and then committed suicide.
Doria Manfredi
His works are very erotic and his heroines get to sing the most beautiful music. He once said: “Il giorno in cui non sarò più innamorato fatemi il funerale” (On the day when I am no longer in love, bury me).
Tu, che di gel sei cinta’ from Turandot is the last aria he composed. The lyrics are also his own:
He died while working on what should have been the most beautiful and greatest love duet in his oeuvre. And until the last moment he was occupied with his looks: Puccini, the man who loved women.
Below the finale of Turandot, in the ‘original version’ of Franco Alfano who completed the opera after Puccini’s death:
Like no other renowned conductor, James Conlon has been an ardent advocate of the ‘Entartet composers’ for years. In his Cologne years (between 1989 and 2002 he was chief conductor of the Gürzenich-Orchester and artistic director of the opera) he performed and recorded almost all of Zemlinski’s orchestral and vocal works. I cherish his recordings on EMI (unfortunately most of them are no longer on the market) as the greatest treasures, which they probably are.
James Conlon
In 2006, Conlon was appointed musical director of the Los Angeles opera and one of his first projects was a series of ‘Recovered Voices: A Lost Generation’s Long-Fortgotten Masterpieces.’ The series started in 2008 with a double-bill of Ullmann’s Der zerbrochene Krug and Zemlinsky’s Der Zwerg. (Arthaus Music 101 528)
The idea of composing an opera about an ugly man who is in love with a beauty has haunted Zemlinsky all his life, and that’s how he ended up with Oscar Wilde and his The Birthday of the Infanta.
Costume design for ‘Der Zwerg’ by August Haag, Cologne 1922.
On her eighteenth birthday Donna Clara receives a remarkable gift: a dwarf, who is also hideously ugly. A delightful toy for the infante, especially since the dwarf does not know he is ugly himself – he has never seen his own reflection… Donna Clara makes him fall in love with her and makes him think that she loves him too, after which she puts him in front of mirrors. He doesn’t survive, but that doesn’t interest the spoiled princess.
Diego Velázques: Las Meninas
The very traditional and naturalistic setting is exceptionally beautiful and the costumes are dazzling. You really think you’re at the Spanish court. The whole thing looks like a painting of Velazques, breathtaking.
The execution is also breathtaking. James Johnson sings and acts an excellent Don Esteban. Mary Dunleavy has everything it takes to perform the conceited infante: she is beautiful and capricious. Her voice is silvery and childishly light. As an actress she also knows how to convince.
Rodrick Dixon sings the leading role here in an inimitable way. The only singer I ever liked better in this part was Douglas Nasrawi, whom I heard singing it during a Saturday Matinee at the Concertgebouw.
James Conlon on Ullmann’s Der zerbrochene Krug conducted by him, coupled with Zemlinsky’s Der Zwerg:
DER TRAUMGÖRGE
“The fairy tales must become reality,” sings Görge, after his dream has been laughed at by the farmers and his fiancée Grete. And so it happens: Görge finds his dreamed princess in the form of Gertraud, cast out by the farmers, and his dream comes true.
Zemlinski has provided the story of Görge the dreamer and his search for the unattainable ideal with music of touching beauty. Sehnsucht, shimmering eroticism, symbolism …. You name it and you’ll find it. The work reminds me strongly of Szymanowski’s Król Roger, the same long, spun-out lines in the soprano aria, the same overwhelming choral parts, swelling orchestra. I love it.
Der Traumgörge (Leo Feld’s libretto after Richard von Volkmann-Leander’s fairytale ‘Vom unsichtbaren Königreich’ and Heine’s poem ‘Der arme Peter’) was meant by Zemlinsky as a tribute to his then beloved Alma. Due to circumstances, the opera was never performed during his lifetime; the first – considerably shortened – performance only took place in 1980.
Set design by Alfred Roller for ‘Der Traumgörge’. Vienna Court Opera 1907
The first complete recording from 1999 proves that the music is not to blame. The Cologne orchestra conducted by James Conlon alone deserves an A-plus and the soloists are absolutely sublime.
David Kuebler plays a beautiful Görge with a radiant height. His voice mixes the right amount of metal with sottovoce, which is necessary for this role.
Patricia Racette, then still a great unknown, is unearthly beautiful as Gertraud (her velvet tones in ‘Oh! Ich wil zu dir in die Welt’ are of a Korgoldian beauty) and Andreas Schmidt has enough of a peasant to be a convincing Hans. The live recording sounds excellent.
DER KÖNIG KANDAULES
Jean-Léon Gérôme (1824-1904): ‘King Candaules’.
In 1938, Zemlinsky fled to New York. His suitcase contained the unfinished opera Der könig Kandaules. Once in New York, he hoped for a performance at the Metropolitan Opera.
André Gide
Unfortunately for him the libretto based on the play by André Gide (King Kandaules wants to share his happiness and [the beauty of] his wife with everyone. Encouraged by the king and helped by a ring that makes him invisible, Gyges spends one night with the queen. When she finds out what happened, she urges Gyges to kill the king, after which he himself is crowned king) was too risky for the American public. When Zemlinsky died in 1942, his opera was still unfinished.
Antony Beaumont
It was only the English musicologist and Zemlinsky biographer Antony Beaumont who completed the score. In October 1996 the opera was performed in Hamburg, with enormous success. The performance was recorded live and released on the label Capriccio (600712).
The performance, conducted by Gerd Albrecht, is without a doubt excellent and the leading roles of James O’Neal (Kandaules), Monte Pederson (Gyges) and Nina Warren (Nyssia) are very adequately cast. In the small role of Nicomedes we hear a young debutant, Mariusz Kwiecień.
In 2002 Salzburg programmed the opera and the performance was recorded live – phenomenally cast – and released on 2 CD’s (Naïve 3070) in a very elaborate edition. The role of Kandaules was sung with dedication by Robert Brubacker and Wolfgang Schöne was an excellent Gyges. The Swedish Nina Stemme, who was then still in the lyrical ‘fach’, sang a beautiful Nyssia. The Deutsches Symphonie Orchester conducted by Kent Nagano sounds very exciting.
Our unsurpassed Saturday Matinee performed the opera in November 2007 as a concert performance, unfortunately there is no recording of it. Too bad, because the conductor Bernhard Kontarsky conducted with great dedication and Stuart Skelton and Jeanne-Michèle Charbonnet were unforgettable as the royal couple.
Gyges (or was it Zemlinsky himself?): „Der, der ein Glück hält, soll sich gut verstecken! Und besser noch, sein Glück vor Andern“.
It is very hard to believe, but the first post-war performance of the Lyrische Symphonie dates from the late 1970s. This absolute masterpiece was composed between 1922-23 and premiered in Prague on 4 June 1924. Like Mahler’s Das Lied von der Erde, it is a kind of cross between an orchestral song cycle and a symphony.
Zemlinsky wrote the work on the text of the Bengal poet Rabindranath Tagore ‘The Gardener’, in a German translation by Hans Effenberger. The seven love poems are cast in the form of a dialogue between a prince (baritone) and a girl in love (soprano). Many musicologists consider the work to be autobiographical and there is certainly an element of truth in that.
Or was it the (still?) raw break with Alma Schindler, as some critics would have us believe? I don’t think so, I’m much more inclined to believe Antony Beaumont (the Zemlinsky connoisseur and biographer) that the work was about his relationship with Louise Sachsel, which had just begun at the time.
Alban Berg and Hanna Fuchs
Seen in this context, it is perhaps interesting to know that Alban Berg quoted the third movement of the symphony (‘Du bist mein Eigen’) in the ‘Adagio Apassionato’ of his Lyrical Suite for string quartet. As you know, Berg had a secret love affair at the time with Hanna Fuchs, for whom he composed the work.
Below is the Adagio appassionato performed by the Galimir String Quartet. The recording dates from 1935:
There are quite a few performances of Zemlinsky’s once so mercilessly forgotten but now best-known and most frequently performed work. Two by James Conlon and Riccardo Chailly immediately stand out.
Chailly wins, mainly because of the unparalleled sound of the RCO, but in the fourth movement Conlon manages to elicit such sweet tones from the orchestra that I am totally won over by his performance.
Recording under Riccardo Chaillly:
The soloists are also better for Conlon. Bo Skovhus convinces me much more than Håkan Hagegård. The latter has a warm, round baritone with something soothing in his timbre and I find that a disadvantage here. The restlessness in the voice of Skovhus gives his words more impact.
I also find Skovhus’s interpretation more transparent and his pronunciation better. Listen how he sings the words “Du bist mein Eigen, mein Eigen, du, die meinen endlosen Träumen wohnt”… !
Soile Isokoski is also preferable to Chailly’s soprano, Alexandra Marc, however beautifully she sings.
Recording with James Conlon:
Bo Skovhus has always been an artist with a more than warm heart for ‘Entartete Musik’. He showed this by, among other things, the choices he made for the works he sang.
Lyrische Symphonie was often featured in his concert programmes all over the world, including in Amsterdam (March 2007, with Hillevi Martinpelto and the Royal Concertgebouw Orchestra conducted by Donald Runnicles). In addition to the EMI recording with Conlon, Skovhus recorded the work also for RCA, this time with the incredibly beautiful lyrical soprano Luba Orgonasova.
The conducting of Claus Peter Flor is a bit unbalanced, but the six extra songs, sung by Skovhus and beautifully accompanied on the piano by Helmut Deutsch, make up for a lot.
Below is a recording with Bo Skovhus, Maria Bengtsson and the Staatskapelle Berlin conducted by Kirill Petrenko, recorded in the Berlin Philharmonic on 30 December 2011:
In the recording on BBC Classics from 1996 the vocal parts are sung with great understanding and even more nuances by Thomas Allen and Elisabeth Söderström. Michael Gielen shows an enormous affinity for the score.
On the 11th of February 1900, during the world premiere of the Frühlingsbegräbnis, a cantata in memory of Brahms, Alexander Zemlinsky and Alma Schindler met for the first time.
She thought his appearance was terrible (in her autobiography she talks about a ‘hideous gnome’), but as a future composer she was only too eager to meet him: Zemlinsky was not only admired for his compositions, he also had the reputation of being the best composition and harmony teacher. By the end of that year Schindler was not only his pupil but also his lover.
It was not an obvious choice, as Zemlinsky was not really what we could call an attractive man. He himself felt quite badly about it: “Short and skinny (weak points: inadequate). Face and nose: impossible; every other part of the face: ditto. Hair too long, but something can be done about that. I looked more closely at myself in the bath ( with your permission!!): no excesses or deformities, muscles not too weak, amazingly well developed potential! Everything else as mentioned above. Hence the conclusion: hideous.”*
Does the description remind you of Der Zwerg, the ugly, deformed person from the opera of the same name who does not recognise his own reflection?
And yet Zemlinsky had the reputation of a real womaniser and his many mistresses cannot be counted. In 1907 he married Ida Guttmann, the younger sister of his former fiancée Melanie. It was not a happy marriage, Zemlinsky was a passionate philanderer.
Louise Sachsel
Around 1914 he met the then fourteen-year-old Louise Sachsel. A twenty-nine year younger girl, who was not only an aspiring singer but also a gifted painter, came to him to take singing lessons. Six years later they became lovers and in 1930, one year after Ida’s death, they got married.
Multicultural background
Alexander Zemlinsky was born in Vienna in 1871 into a highly multicultural family. His Slovakian grandfather and the Austrian grandmother on his father’s side were both Roman Catholics. His other grandmother was a Bosnian Muslim and his grandfather a Sephardic Jew. When his parents married the whole family converted to the Jewish faith. Alexander was born as a Jew and was raised as such, he also played the organ in his synagogue. In 1884 he started his studies at the Conservatory of Vienna. He studied piano with Anton Door, music theory with Robert Fuchs and composition with Johann Nepomuk Fuchs and Anton Bruckner. It was also at that time that he began to compose.
In addition to being a composer, Zemlinsky was also appreciated as one of the best conductors of his time, and his remarkable interpretations of Mozart were widely praised.
Zemlinski conducts the overture from Don Giovanni. The recording probably dates from 1926:
He was a great advocate of the compositions of Gustav Mahler and his brother-in-law Arnold Schoenberg, and was regarded as a champion of contemporary music. His compositions can best be regarded as a kind of bridge between late romanticism and modernism.
Philharmonic Chorus in 1912 in Praag tijdens de uitvoering van de achtste symfonie van Mahler. Zemlinsky, Schönberg en Schreker staan vooraan links op de foto
Zemlinsky was also a great lover and connoisseur of literature. That his origins and upbringing influenced him in this is quite obvious: both his grandfather and his father were journalists and his mother’s family counted several publishers. His father had written the history of the Sephardic community in Vienna. Zemlinsky based many of his compositions on literary works, which resulted in Der König Kandaules after André Gide and in Eine florentinische Tragödie and Der Zwerg after Oscar Wilde.
Entartet
After the rise of the Nazis in 1933, Alexander Zemlinsky was declared ‘Entartet’ and his works were banned and forbidden. In 1936 he fled Berlin: first to Vienna and after the Anschluss in 1938 on to the United States, where he had great difficulty assimilating. He died on March 15, 1942 near New York, and no one paid any attention to his death.
Zemlinsky’s Memorial at the Zentralfriedhof in Vienna
And then he was forgotten, a fate he shared with most of the Jewish composers who were banned by the Nazis. His music disappeared from the concert and opera programs, and his name dissolved in the fog, as if he had never existed. It was only at the end of the 1980s that it became clear that Korngold was more than a composer of Hollywood scores; that without Schreker and Zemlinski there would probably not have been a Strauss either, and that Boulez and Stockhausen were not the first to experiment with serialism.
After a brief renaissance in the nineties, mainly thanks to James Conlon and Riccardo Chailly, things have become a little quiet around one of the greatest Jugendstil composers of the fin de siècle. Just ask the average music lover: he won’t get any further than the Lyrical Symphony. If he knows the name Zemlinsky at all.
But: who knows? His brother-in-law, friend and colleague Arnold Schönberg already said “Zemlinsky can wait.” In recent years, it seems as if Schönberg is gradually starting to prove himself right in this assertion.
*This quote is taken from the article by Ronald Van Kerckhoven in Erfgoedklassiek.
“En jij, Palermo, o gekrenkte schoonheid, Jij, nog altijd even lieflijk in mijn verrukte ogen!”
(uit de ‘Siciliaanse Vespers’ van Giuseppe Verdi)
Merkwaardige stad, Palermo. Dankzij de lange en ingewikkelde geschiedenis van oorlogen, overheersingen en invloeden door en van verschillende naties en religies, heeft de stad zich ontwikkeld tot wat hij is: een unieke samensmelting van diverse culturen. Daar zijn de ettelijke kathedralen, kerken, gebouwen en pleinen een levendige getuigenis van. En ook in de taal en naamgeving zitten nog overblijfselen van de Arabieren, Moren, Grieken en Normandiërs (niet noodzakelijk in die volgorde). Mooie stad ook.
Palermo is een en al opera of op zijn minst een theater. Alles is hier theatraal – het verkeer (of moet ik zeggen een totale chaos, want niemand houdt zich hier aan de regels?), het getoeter van lukraak en driedubbel geparkeerde auto’s en ertussenin manoeuvrerende scooters.
Zeer theatraal zijn de vers-markten, die ook op zondag open zijn, die je aan de Arabische soeks doen denken en in niets op de Amsterdamse Albert Cuyp lijken. Verlicht met een kaal peertje, ook door de dag, scheppen ze een sfeer die regelrecht uit één van de Italiaanse opera’s of minstens films lijkt te komen. Het nauwe steegje tussen de kramen bedraagt niet meer dan een meter, maar ook daar wringen zich de scooters tussen de menigte door.
Zeer theatraal is ‘Nino u’ ballerino’, de uitbater van Gastronomia, panineria, focacceria, waar hij van ’s middags twaalf (de trattoria zelf is al om zes uur ’s ochtends open) tot diep in de nacht broodjes milt draait, verpakt en verkoopt, daarbij dansend bij de zeer luide klanken van de buiten opgestelde tv. Als dat geen opera is.
Palermo is een paradijs voor zoetekauwen. Men ontbijt er met een kaneelbroodje met ijs (brioche con gelato) en de gebakken, gebakjes, taarten, taartjes en als fruit vermomde marsepein (paste reale) doen je op zijn minst watertanden, zelfs als je, zoals ik, niet van zoet houdt. Daar kan er geen schilderij tegenop
TEATRO MASSIMO
Het Teatro Massimo opende zijn deuren in 1897 met Falstaff van Verdi. Er wordt gezegd dat Giovanni Battista Basite, de ontwerper van het werkelijk oogverblindend mooie operahuis, in zijn creatie beïnvloed werd door de plannen van Garnier voor de opera in Parijs. Best mogelijk, beide huizen lijken ook op elkaar, maar Massimo, met zijn zes etages goudkleurige loges en adembenemende plafondschilderingen, overtreft alles wat ik tot nu toe heb gezien.
Het werd in 1974 ‘tijdelijk’ gesloten voor de renovaties en het duurde maar liefst 23 jaar (maffia hè?) eer het theater werd heropend. Dat gebeurde in 1997 met Verdi’s Nabucco, net op tijd om het honderdjarig bestaan van het operahuis te vieren. Tegenwoordig telt Massimo 1250 plaatsen en behoort tot de grootste operahuizen van Europa.
Natuurlijk wil iedereen zich laten fotograferen op de beroemde trap (ik neem aan dat u Godfather 3 hebt gezien, met al die maffiosi die elkaar tijdens de voorstelling van Cavalleria Rusticana afknallen?), waardoor het er bijzonder druk is en het niet meevalt om de trap op (laat staan af!) te lopen.
Maar wat Massimo het meest van al zijn collega-operahuizen onderscheidt, is het schoolproject, La Schuola va al Massimo. Ik kan mij natuurlijk vergissen, maar het Siciliaanse project om kinderen naar de opera te brengen, lijkt mij uniek in de wereld
Het project is in 2005 van start gegaan en er wordt op verschillende manieren vorm aan gegeven. Bestaande opera’s (Carmen, La Cenerentola) worden speciaal voor kinderen bewerkt, componisten krijgen een opdracht om een opera voor de doelgroep te componeren, kinderopera’s (De Globolinks van Menotti) worden op het toneel gezet of er worden voorstellingen rond een bepaald idee gecreëerd. Er worden vijftig voorstellingen per jaar gegeven en men bereikt er 50 à 60 DUIZEND kinderen mee. Doe het ze maar na!
De kinderen zijn in de leeftijd van zes tot zestien jaar, maar de oudere zijn er inmiddels zo met de opera vergroeid dat ze vanzelf al naar de bestaande voorstellingen gaan, alsof het om Idols gaat. Speciaal voor hen worden er tegenwoordig opera’s ook in de vroege namiddag vertoond.
Het laatste project, waarvoor het Massimo de prestigieuze prijs van The Italian National Association of Music Critics ontving, heet Bianco Rosso e Verdi. Het is een ‘monumento per Giuseppe Verdi, padre de la Patria’, wat met het oog op het Verdi-jaar en de 150e verjaardag van de éénwording van Italië niet meer dan logisch is. U weet toch wel dat de Italianen Verdi, samen met Garibaldi en Vittorio Emmanuele, als het symbool van de Unitá beschouwen?
Bianco Rosso e Verdi is een potpourri met fragmenten uit verschillende opera’s van Verdi, met heel veel humor bijeengepraat door drie acteurs en, geholpen door het koor en het ballet van het huis, voortreffelijk gezongen door een vijftal jonge zangers.
De kinderen luisteren aandachtig, reageren alert en waar het kan, zingen ze mee. Alleen bij een, wat mij betreft, iets te lang fragment uit Otello gaat hun aandacht verslappen en gaan ze ongemakkelijk op de stoelen schuiven. Maar verder hebben ze dolle pret. Hulde!
Hieronder een klein fragment waarop je het enthousiasme (en actieve betrokkenheid!) van de kinderen kunt zien:
De productie die het Teatro Massimo in oktober 2011 op de planken heeft gebracht, komt oorspronkelijk uit Bologna en is zes jaar oud. En om meteen met de deur in huis te vallen: het was een productie van niets. De decors waren net niet van bordkarton en de regie (laat staan personenregie!) was non existente.
Men kwam van links, men kwam van rechts, men daalde de trappen af, men klom de trappen op (fijn voor de dames in hun lange, zware jurken!), men knielde, hief handen ten hemel… Meer beweging zat er niet in of het moest van de balletdansers komen, die de scènes voor ons uitbeeldden.
De regisseur (de Schotse Paul Curran) nam niet eens de moeite om naar Palermo te komen en liet de boel aan zijn assistent (?) Oscar Cecchi over. Zelden zie je de zangers zo ontzettend aan hun lot overgelaten, wat zich voornamelijk bij de tweede cast (men werkte met een dubbele bezetting) heeft gewroken.
Nou werden ze ook niet echt door de dirigent geholpen. Renato Palumbo, toch best een naam op het gebied van opera, wist niet precies welke tempi hij moest nemen. Soms was het te snel, soms tergend langzaam, in één woord: onevenwichtig.
Gustavo Porta (cast B) was een prima Manrico met een mooi ouderwets geluid, maar na de pauze raakte hij duidelijk vermoeid en begon te pushen. Nee, dan Marcello Giordani! Wat een geluid! Een Manrico uit duizenden met alles erop en eraan. Zijn prachtige hoge c in ‘Di quella pira’ was helemaal al punto en squilante, daar wordt een mens heel erg gelukkig van.
De Uruguayaanse María José Siri (een protégé van Ileana Cotrubas) was een aardige Leonora, maar ik vond haar hoogte nogal schel. Amarilli Nizza deed het duizend keer beter. Haar stem is inmiddels van bijna veristische afmetingen geworden, maar ze wist – herstellende van een zware, maandenlang durende ziekte – toch haar hoogte mooi en soepel te laten opbloeien en dan in de mooiste pianissimi te laten overgaan.
Juan Jesús Rodriguez (Luna) was geen partij voor Roberto Frontali. Wat de laatste demonstreerde, was de ware kunst van het echte Verdiaans zingen, dat hoort men nog maar zelden.
Mariana Pentcheva (cast A) zong Azucena met een enorme tremolo en ‘wijd vibrato’. De stem op zich was zeker indrukwekkend, warm, diep en laag, maar wat ze ermee deed, kon me absoluut niet bekoren.
Anna Malavasi klonk in ieder geval frisser. Ze beschikte over een goede hoogte en laagte, al ging het niet zo diep als bij haar Bulgaarse collega. Erger was echter dat het leek alsof ze met twee stemmen tegelijk zong die elkaar nergens tegenkwamen – ergens tussen de laagte en hoogte in lag een enorm ravijn van stembreuk. Het kan ook aan haar jonge leeftijd liggen, maar iets zegt mij dat zij zich beter op de hogere mezzorollen kan concentreren en Azucena met rust moet laten.
Giovanni Battista Parodi en Francesco Palmieri (Ferrando) waren aan elkaar gewaagd, al beschikte Parodi over meer bühnepresence.
Hieronder de officiële trailer van de productie:
TRIVIA
Het publiek kleedt zich aan. Prachtige jurken, hoge naaldhakken, zelfs een bontje wordt uit de kast gehaald, ondanks de 22 graden buiten. In de pauze wordt er naar buiten gehold want er moet gerookt worden. Nergens ter wereld wordt er zo veel gepaft als in Palermo!
Op weg naar de benedenfoyer ruikt het naar oude spoelkeukens, maar de foyer zelf is mooi, ruim en rijkelijk voorzien van alles wat een hongerig en dorstig mens gelukkig kan maken.
Een glas voortreffelijke witte wijn kost 5 euro (je kan er mee de tuin in om van de laatste zonnestralen te genieten) en de verrukkelijke broodjes kosten iets meer dan 2 euro.
In de foyer hangen veel oude affiches. Tot mijn grote hilariteit lees ik in die van La Gioconda met Leyla Gencer uit 1969/70 dat Alvise gezongen werd door Anna di Stasio en La Cieca door Piero Cappuccilli. Tja ….. La vita é bella!
Vroeger hield ik niet van de opera. Ik was gek op vioolconcerten en pianosolowerken, heel vroeg leerde ik kamermuziek te waarderen en toen ik iets ouder werd kwamen ook liederen op mijn weg. Maar opera? Het idee alleen dat er een oude, dikke dame een jong meisje moest verbeelden die aan tbc stierf bezorgde mij al de slappe lach. Over vooroordelen gesproken!
Tot ik, op een memorabele avond in 1982 de tv aanzette om naar Carmen te kijken. Ik deed het alleen maar om mijn toenmalige vriendje te “pleasen” en toen gebeurde het. Vanaf die avond was de wereld dezelfde niet meer, en mijn leven een grote liefde rijker.
De bewuste Carmen heb ik jarenlang op een slecht gekopieerde maar peperdure mc (weet iemand nog wat het was?) gekoesterd. Het kwam later uit op verschillende ‘piratenlabels’ en uiteindelijk op dvd (Arthaus Musik 109096).
Inmiddels ben ik vele jaren en ervaring verder, maar nog steeds vind ik de opname onweerstaanbaar. Allereerst vanwege Domingo. Luister naar zijn ‘La fleur que tu m’avais jetée’: als je daar geen kippenvel van krijgt, dan weet ik het niet meer. En ook vanwege Carlos Kleiber, een dirigent zoals ze tegenwoordig niet meer gemaakt worden.
De allermooiste cd-opname, althans voor mij, is die met Teresa Berganza onder Claudio Abbado (DG 4196362). Het werd in 1978 in de studio, maar wel na een serie live-voorstellingen, opgenomen en dat hoor je. Ileana Cotrubas (Micaëla) en Sherrill Milnes (Escamillo) completeren de voortreffelijke cast.
Twee jaar eerder heeft Domingo de opera ook al in de studio opgenomen (Decca 4144892), maar daar ben ik er minder over te spreken. Solti dirigeert voortreffelijk en Tatiana Troyanos is een Carmen uit duizenden, misschien zelfs beter dan Berganza, maar José van Dam is geen Escamillo en het geheel mist de theatersfeer.
De allereerste, mij bekende opname dateert uit 1967. Het komt uit het Teatro Municipal de Santiago en staat onder de leiding van Anton Guadagna (Legato LCD 194-2). Regina Resnik is een voortreffelijke Carmen, maar wat de opname echt memorabel maakt is de Escamillo van Ramon Vinay, ooit zelf een Don José van formaat.
Interessant ook de opname uit Covent Garden, 1973 (Arkadia MP 498-3). Voornamelijk vanwege Shirley Verrett in de hoofdrol en de piepjonge Kiri te Kanawa als Micaëla.
MASSENET: Werther
Werther was één van de geliefde rollen van de jonge Domingo. Helaas is er weinig van gedocumenteerd gebleven. Op 18 december 1977 werd de opera door de Bayerische Rundfunk in München opgenomen. Deze opname is inmiddels ook op cd uitgebracht (Orfeo C 464 982).
Charlotte werd toen gezongen door Brigitte Fassbaender, niet echt een zangeres met wie je de rol associeert… Nou! Laat je verrassen, want wat hier gebeurt, hoor je werkelijk heel zelden: drama, passie, liefde, wanhoop… Ze spat samen met Domingo werkelijk van je speler af.
Een fragment:
In 1979 werd er een studio opname van de opera gemaakt, onder Riccardo Chailly, met een totaal miscastte Elena Obraztsova als Charlotte. Het is best spannend, maar de poëzie ontbreekt.
Massenet: Manon
Ja, ook Manon behoorde ooit tot Domingo’s repertoire. De enige opname die ik ken, staat op Melodram (MEL 27054). Het is live opgenomen in de New York City Opera op 20 februari 1969. Manon wordt gezongen door de werkelijk onweerstaanbare Beverly Sills. Julius Rudel dirigeert.
Massenet: Le Cid
Een rariteit, zeker, maar wat een mooie rariteit! Sony (7454942 – check voor alle zekerheid het nummer, ze veranderen zo gauw!) heeft de concertante uitvoering in New York, 1989, live opgenomen. Eve Queler dirigeert en Grace Bumbry schittert als Chimene.
Gounod: Faust
Gelukkig voor de liefhebber bestaat er van Domingo’s Faust een goede studio-opname. Het is in 1979 door EMI (tegenwoordig Warner)) opgenomen en in dit geval kan je rustig van één van de beste opnames van het werk spreken. Het orkest van de Parijse Opera staat onder leiding van Georges Prêtre, één van de beste dirigenten voor het Franse repertoire.
De cast is om je vingers bij af te likken: Mirella Freni is een broze en sensuele Marguerite en Nicolai Ghiaurov een zeer imponerende Méphistophéles. In de kleine rol van Valentin horen we niemand minder dan Thomas Allen.
Saint-Saëns: Samson et Dalila
EMI (nu Warner dus) heeft de opera in 1991 in Parijs opgenomen. De dirigent was Myung-Whun Chung en daar wringt de schoen: hij heeft er geen kaas van gegeten. Maar hij was niet de enige boosdoener! Iemand kwam op het onzalige idee om Dalila door Waltraud Meier te laten zingen. Forget it.
De andere studio-opname, ditmaal op dvd (DG 0730599), heeft ook een Dalila waar je niets mee kan: Olga Borodina. Het is in 1998 in de Metropolitan Opera opgenomen. Ik was erbij en vond het niet leuk – en ik vind het nog steeds niet leuk.
Nee, geef mij maar de opname uit San Francisco! De regie was in handen van Nicolas Joel en Dalila werd gezongen door de echt sexy Shirley Verrett (Arthaus Video 100 202)
Offenbach: Les Contes d’Hoffmann
Hoffmann was één van Domingo’s grootste rollen. Daar komt, wat mij betreft, geen andere zanger zelfs in de buurt.
Wilt u de opera op cd hebben dan is de Decca opname onder leiding van Richard Bonynge, met Dame Joan Sutherland in alle drie de vrouwelijke rollen (4173832) zeer aan te bevelen
Domingo en belcanto? Dat was toch meer iets voor zijn collega’s Pavarotti, Carreras en Kraus? En toch: zeker in het begin van zijn carrière was Domingo ook een belcantozanger, al waren zijn hoge noten niet altijd even hoog.
Voor hem was de interpretatie van zowel de muziek als de tekst van wezenlijk belang. Vandaar ook dat hij zelfs in dit repertoire de rollen zocht waarin het door hem vertolkte personage meer in zijn mars had dan alleen maar ‘schoon’ zingen
Lucia di Lammermoor
Zijn internationale debuut maakte Domingo op 21-jarige leeftijd, als Edgardo in Lucia di Lammermoor in Dallas. Een bijzondere gebeurtenis, want zijn Lucia werd toen gezongen door de 61-jarige Lily Pons, die met de rol afscheid van de operabühne nam.
In 1970 zong hij Edgardo bij de Metropolitan Opera, met niemand minder dan Joan Sutherland als Lucia. Gala (GL 100.571) heeft de hoogtepunten hiervan uitgebracht, gekoppeld aan fragmenten uit La Traviata uit december datzelfde jaar (eveneens met La Stupenda). Het geluid is zeer pover, maar het is zonder meer een bijzonder document.
Pas in 1993 nam Domingo de rol in de studio op. Het resultaat is niet helemaal bevredigend. Het ligt niet aan hem. Zijn Edgardo klinkt minder lyrisch dan twintig jaar eerder, maar wat een passie!
Cheryl Studer, die toen werkelijk alles moest opnemen wat voor sopraan was gecomponeerd, was geen echte Lucia. Zij was een geweldige Strauss- en Mozart-zangeres en ook haar Wagners en Verdi’s mochten er zijn, maar Lucia was voor haar (en dat bedoel ik letterlijk) te hoog gegrepen.
Begrijp mij goed: de hoge noten had ze wel en ze stonden als een huis, maar dat is exact wat je niet moet hebben met Lucia. De noten moeten niet staan, ze moeten brilleren, sprankelen, desnoods sprinten, en dat kon ze niet.
De echte ‘boosdoener’ is echter de dirigent. Hij jaagt de boel op en staat nooit stil. Toch is de opname zeer de moeite waard, zeker als je iets anders van Domingo wilt horen en geluidskwaliteit op prijs stelt.
Roberto Devereux
Een recensent van de New York Times schreef dat het zonder twijfel het meest opwindende evenement was van het muzikale jaar 1970 en dat geloof ik onmiddellijk. De voorstelling van 24 oktober 1970 werd live opgenomen en daar mogen we ons meer dan gelukkig mee prijzen.
Julius Rudel (ach, waar zijn de tijden van zulke maestro’s gebleven?) dirigeert ferm en met heel erg veel liefde voor het werk. Om te huilen zo mooi.
Domingo’s stem klinkt als een klok en zijn optreden zorgt voor extatische ovaties. En over Beverly Sills (Elisabetta) kan ik kort zijn: overweldigend! Niemand, maar dan ook niemand heeft de rol ooit beter gezongen dan zij. Zij is Elisabetta. Dat moet je ooit gehoord of gezien hebben (er bestaat ook dvd met haar in die rol, jammer genoeg zonder Domingo). Het applaus na haar ‘L’Amor suo mi fé benata’ lijkt eindeloos te duren.
Anna Bolena
Anna Bolena wordt als de eerste belangrijke romantische Italiaanse opera beschouwd en voor Donizetti betekende het zijn grote doorbraak. Ook voor Domingo was Anna Bolena een mijlpaal: met de rol van Percy maakte hij zijn debuut in New York.
Hij was toen (kunt u het geloven?) 25 jaar oud, maar zijn stem was helemaal ‘volgroeid’: vol, stevig, zacht, hard, smekend, vastberaden, met alle nuances ertussenin. Over fenomeen gesproken!
De hoofdrol werd gezongen door Elena Souliotis, toen 23. Een inmiddels bijna vergeten zangeres (haar carrière heeft ook niet zo lang geduurd), maar haar intensiteit kan je alleen met die van Maria Callas vergelijken. Een aardigheidje: La Divina zat toen in de zaal.
Giovanna werd gezongen door Marylin Horne en hun duetten zullen de liefhebber echt kippenvel bezorgen. In de rol van Smeton maakte ook Janet Baker haar Amerikaanse debuut.
De opera is live opgenomen in Carnegie Hall in 1966. Mijn exemplaar is van Legato (LCD-149-3), maar de opname is tegenwoordig ook op andere labels verkrijgbaar.
Norma
Pollione is één van de glansrollen van de jonge Domingo. Geen wonder. Een krijgsheer en een minnaar: dat is hij ten voeten uit. In Norma kon hij lekker uitpakken.
Hij nam de rol in 1973 (ooit RCA GD 86502) op en dat vind ik een beetje te vroeg. O ja, zijn stem is kristalhelder en zo mooi dat het bijna pijn doet, maar het ontbreekt hem een beetje aan overwicht.
Niettemin: aanbevolen, niet in de laatste plaats vanwege Montserrat Caballé, die de hoofdrol zingt.