Carlos_Kleiber

Plácido Domingo op zijn Frans: een kleine selectie

Domingo jose

Bizet: Carmen

Domingo carmen-wiener-staatsoper-kleiber

Vroeger hield ik niet van de opera. Ik was gek op vioolconcerten en pianosolowerken, heel vroeg leerde ik kamermuziek te waarderen en toen ik iets ouder werd kwamen ook liederen op mijn weg. Maar opera? Het idee alleen dat er een oude, dikke dame een jong meisje moest verbeelden die aan tbc stierf bezorgde mij al de slappe lach. Over vooroordelen gesproken!

Tot ik, op een memorabele avond in 1982 de tv aanzette om naar Carmen te kijken. Ik deed het alleen maar om mijn toenmalige vriendje te “pleasen” en toen gebeurde het. Vanaf die avond was de wereld dezelfde niet meer, en mijn leven een grote liefde rijker.

De bewuste Carmen heb ik jarenlang op een slecht gekopieerde maar peperdure mc (weet iemand nog wat het was?) gekoesterd. Het kwam later uit op verschillende ‘piratenlabels’ en uiteindelijk op dvd (Arthaus Musik 109096).

Inmiddels ben ik vele jaren en ervaring verder, maar nog steeds vind ik de opname onweerstaanbaar. Allereerst vanwege Domingo. Luister naar zijn ‘La fleur que tu m’avais jetée’: als je daar geen kippenvel van krijgt, dan weet ik het niet meer. En ook vanwege Carlos Kleiber, een dirigent zoals ze tegenwoordig niet meer gemaakt worden.

Domingo Camen berganza

De allermooiste cd-opname, althans voor mij, is die met Teresa Berganza onder Claudio Abbado (DG 4196362). Het werd in 1978 in de studio, maar wel na een serie live-voorstellingen, opgenomen en dat hoor je. Ileana Cotrubas (Micaëla) en Sherrill Milnes (Escamillo) completeren de voortreffelijke cast.


https://http2.mlstatic.com/bizet-carmen-solti-domingo-troyanos-3-cd-box-set-D_NQ_NP_396505-MLA25049663221_092016-F.webp

Twee jaar eerder heeft Domingo de opera ook al in de studio opgenomen (Decca 4144892), maar daar ben ik er minder over te spreken. Solti dirigeert voortreffelijk en Tatiana Troyanos is een Carmen uit duizenden, misschien zelfs beter dan Berganza, maar José van Dam is geen Escamillo en het geheel mist de theatersfeer.


 

Domingo Camen Resnik

De allereerste, mij bekende opname dateert uit 1967. Het komt uit het Teatro Municipal de Santiago en staat onder de leiding van Anton Guadagna (Legato LCD 194-2). Regina Resnik is een voortreffelijke Carmen, maar wat de opname echt memorabel maakt is de Escamillo van Ramon Vinay, ooit zelf een Don José van formaat.

Domingo Carmen Verrett

Interessant ook de opname uit Covent Garden, 1973 (Arkadia MP 498-3). Voornamelijk vanwege Shirley Verrett in de hoofdrol en de piepjonge Kiri te Kanawa als Micaëla.

MASSENET: Werther

Domingo Werther

Werther was één van de geliefde rollen van de jonge Domingo. Helaas is er weinig van gedocumenteerd gebleven. Op 18 december 1977 werd de opera door de Bayerische Rundfunk in München opgenomen. Deze opname is inmiddels ook op cd uitgebracht (Orfeo C 464 982).

Charlotte werd toen gezongen door Brigitte Fassbaender, niet echt een zangeres met wie je de rol associeert… Nou! Laat je verrassen, want wat hier gebeurt, hoor je werkelijk heel zelden: drama, passie, liefde, wanhoop… Ze spat samen met Domingo werkelijk van je speler af.

Een fragment:

 

Domingo Werther Chailly

In 1979 werd er een studio opname van de opera gemaakt, onder Riccardo Chailly, met een totaal miscastte Elena Obraztsova als Charlotte. Het is best spannend, maar de poëzie ontbreekt.


Massenet: Manon

Domingo Manon

Ja, ook Manon behoorde ooit tot Domingo’s repertoire. De enige opname die ik ken, staat op Melodram (MEL 27054). Het is live opgenomen in de New York City Opera op 20 februari 1969. Manon wordt gezongen door de werkelijk onweerstaanbare Beverly Sills. Julius Rudel dirigeert.

Massenet: Le Cid

Domingo Le Cid

Een rariteit, zeker, maar wat een mooie rariteit! Sony (7454942 – check voor alle zekerheid het nummer, ze veranderen zo gauw!) heeft de concertante uitvoering in New York, 1989, live opgenomen. Eve Queler dirigeert en Grace Bumbry schittert als Chimene.


Gounod: Faust

Domingo Faust Freni

Gelukkig voor de liefhebber bestaat er van Domingo’s Faust een goede studio-opname. Het is in 1979 door EMI (tegenwoordig Warner)) opgenomen en in dit geval kan je rustig van één van de beste opnames van het werk spreken. Het orkest van de Parijse Opera staat onder leiding van Georges Prêtre, één van de beste dirigenten voor het Franse repertoire.

De cast is om je vingers bij af te likken: Mirella Freni is een broze en sensuele Marguerite en Nicolai Ghiaurov een zeer imponerende Méphistophéles. In de kleine rol van Valentin horen we niemand minder dan Thomas Allen.


 

Saint-Saëns: Samson et Dalila

Domingo Samson Warner

EMI (nu Warner dus) heeft de opera in 1991 in Parijs opgenomen. De dirigent was Myung-Whun Chung en daar wringt de schoen: hij heeft er geen kaas van gegeten. Maar hij was niet de enige boosdoener! Iemand kwam op het onzalige idee om Dalila door Waltraud Meier te laten zingen. Forget it.


 

Domingo Samson Borodina

De andere studio-opname, ditmaal op dvd (DG 0730599), heeft ook een Dalila waar je niets mee kan: Olga Borodina. Het is in 1998 in de Metropolitan Opera opgenomen. Ik was erbij en vond het niet leuk – en ik vind het nog steeds niet leuk.

 

Domingo Samson Verrett

Nee, geef mij maar de opname uit San Francisco! De regie was in handen van Nicolas Joel en Dalila werd gezongen door de echt sexy Shirley Verrett (Arthaus Video 100 202)

Offenbach: Les Contes d’Hoffmann

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/71wSWOvWrHL._SL1367_.jpg

Hoffmann was één van Domingo’s grootste rollen. Daar komt, wat mij betreft, geen andere zanger zelfs in de buurt.

Wilt u de opera op cd hebben dan is de Decca opname onder leiding van Richard Bonynge, met Dame Joan Sutherland in alle drie de vrouwelijke rollen (4173832) zeer aan te bevelen


Het een en ander over Verdi en Plácido Domingo

Plácido Domingo en belcanto

Plácido Domingo en Wagner

Advertenties

Het een en ander over Otello van Verdi en Domingo. Maar niet alleen…

otello domingootello

Voor mij is er geen twijfel mogelijk: Plácido Domingo is de grootste vertolker van Otello, zeker in de laatste dertig jaar van de twintigste eeuw.

Niet alleen als zanger, maar ook als acteur weet Domingo zich fantastisch aan zijn partners aan te passen, waardoor zijn interpretatie altijd boeiend en nooit hetzelfde is.

Sir Laurence Olivier, één van de allergrootste Britse acteurs, heeft ooit gezegd: ‘Domingo plays Othello as well as I do, and he has that voice!’

Domingo’s fascinatie met Otello is al vroeg begonnen. In 1960 maakte hij zijn debuut in de opera, maar dan als Cassio. In 1962 – het was tevens de laatste keer dat hij de rol zong – stond hij tegenover de Otello van Mario del Monaco. In zijn memoires schrijft hij dat hij toen al wist dat Otello zijn ‘droomrol’ ging worden.

 

otello-placido-domingo-katia_1_8e94452a005bdde991cf21943c48cdb0

Zijn allereerste ‘Moor uit Venetië’ zong hij in Hamburg, op 28 september 1975. Hijzelf noemt het één van de belangrijkste data in zijn carrière. Desdemona werd toen gezongen door de piepjonge Katia Ricciarelli en het werd gedirigeerd door James Levine. De complete opera is tegenwoordig op You Tube beschikbaar:

Een jaar later kwam de opera in de Milanese Scala. Het was de eerste samenwerking tussen Domingo en Carlos Kleiber (buiten de studio). Mirella Freni zong Desdemona en Piero Cappuccilli Jago. Het werd live op de Italiaanse tv uitgezonden en inmiddels staat ook op You Tube

Er bestaat ook een geluidsopname van. Het is inmiddels op verschillende piratenlabels uitgebracht en is ook op Spotify te vinden. Het is eigenlijk verplichte kost, en dat ondanks de povere geluidskwaliteit en het ontbreken van een paar maten uit de derde akte (er was iets in het publiek voorgevallen).


otello domingo en price
Een andere fantastische live-Otello komt uit Londen, opgenomen op 19 februari 1978. Carlos Kleiber was weer van de partij, maar Desdemona werd nu gezongen door Margaret Price en Silvano Carroli was Jago. Zeer spannend.

 

otello rca
Van al zijn studio-opnamen van Otello is die – ooit RCA, tegenwoordig Sony – uit 1978 mij het meest dierbaar. Desdemona werd gezongen door Renata Scotto en zij gaf de rol een extra dimensie. Zij was niet alleen maar onschuldig, maar ook hoorbaar boos, verdrietig en bang. Sherrill Milnes was een duivelse Jago en het geheel stond onder leiding van James Levine.


 

otello kiri

Opus Arte (OA R3102) heeft een ouderwets mooie voorstelling uit Covent Garden uitgebracht (regie: Elijah Moshinsky). Het werd in oktober 1992 opgenomen. Met haar mooie, lyrische sopraan is Kiri Te Kanawa een droom van een Desdemona. Haar passiviteit past goed bij de rol, zeker in het concept van de regisseur. Sergei Leiferkus (Jago) is niet echt idiomatisch, maar hij zingt en acteert goed en het orkest onder de ferme leiding van Georg Solti speelt de sterren van de hemel.

 

otello fleming

Dezelfde productie werd in 1996 in de Metropolitan Opera in New York uitgevoerd en door Deutsche Grammophon opgenomen (0730929). Het was een mijlpaal in de operageschiedenis, want met Desdemona maakte Renée Fleming haar ongeëvenaarde debuut in die rol.

Ze deed mijn hart sneller kloppen van smart en ontroering. Haar ‘Wilgenlied’ met de sterk geaccentueerde herhalingen van ‘cantiamo’, haar engelachtige ‘Ave Maria’, haar o zo menselijk gespeelde wanhoop, ongeloof en verdriet – dat kon niemand onberoerd laten.

De lyrische tenor Richard Croft was ook visueel goed gecast als Cassio, en het geheel stond onder de zinderende leiding van maestro Levine

Hieronder een fragment:

 

ALEKSANDRS ANTONENKO (CSO-resound CSOR 901 1301)

otello antonenkoNu moet u mij eerlijk vertellen: hoeveel goede Otello’s kent u, zeker als u zich tot de laatste 40 jaar beperkt (na Vickers en zeker Domingo, die zich de rol eigen heeft gemaakt)?

Het is niet dat er geen pogingen werden ondernomen. De meest geslaagde vond ik nog die van José Cura, maar ook zijn invulling van de rol vond ik niet meer dan goed. De rol vereist namelijk een kanon van een stem, een enorm uithoudingsvermogen, een solide laagte en een buitengewoon ontwikkeld middenregister. En dan heb ik het niet eens over de terecht beruchte ‘Esultate’, met de op volle sterkte gezongen hoge noten, die je paraat moet hebben zonder enige opwarming vooraf. En je moet kunnen acteren, echt goed acteren, al is het alleen maar met je stem.

Aleksandrs Antonenko had dat allemaal. Toen de in 2011 in Chicago opgenomen cd werd uitgebracht     was ik oprecht heel erg blij en vond hem de eerste na Domingo die de rol geloofwaardig neerzette. Zijn krachtige tenor is (Of moet ik zeggen ‘was’?) gezegend met een zeer aangenaam vleugje metaal, zonder dat er aan warmte wordt ingeboet. In alle registers, die ook nog eens soepel overlopen, klinkt hij zuiver en nergens forceert hij. Daarbij verliest hij de humane kant van zijn held niet uit het oog: de opkomst en de ondergang van de ‘Leeuw uit Cyprus’ weet hij zeer overtuigend over te brengen.

Hieronder Antonenko in ‘Dio mi potevi’, opgenomen in Salzburg 2008.

Krassimira Stoyanova is, naar mijn mening, de beste Desdemona van vandaag. Haar interpretatie stijgt boven het gemiddelde uit. Ze is meer dan een onschuldig meisje, ze is een liefhebbende vrouw, die ook begaan is met het lot van anderen en die niet tegen onrecht kan. Haar verdriet om een ander in ‘Salce’ gaat perfect over in het verdriet om haar eigen lot in ‘Ave Maria’. Angstig? Ja, maar nergens berustend. Daar ben ik stil van geworden.

Een beetje moeite heb ik met Carlo Guelfi. Voor mij klinkt hij niet gemeen genoeg, wellicht omdat zijn Jago niet slim genoeg is? Hij is een schurk, maar dan één van een laag allooi. Meer een doener dan een denker. Een gewone schurk, geen ‘brein erachter’. Het ligt een beetje aan zijn stem. Zijn op zich prachtige bariton mist verleidelijke noten – een eigenschap die een Milnes of Diaz juist zo afstotend en gevaarlijk maakte.

Juan Francisco Gatell is een goede Cassio met een (voor mij) iets te feminine klank – iets meer machismo zou de rol wat meer sieren. Wellicht had Michael Spyres (Roderigo) die rol moeten zingen?

Het orkest onder de voortreffelijke leiding van Riccardo Muti speelt alsof hun leven ervan afhangt en de spanning is werkelijk om te snijden.


 

SIMON O’NEILL (LSO Live LS 00700 (2SACD)

otello davisOp papier zag het er niet echt idiomatisch uit. Een Nieuw-Zeelandse tenor als Otello, een Duitse sopraan als Desdemona, een Canadese bariton als Iago en een Engels orkest onder leiding van een Engelse dirigent. Mijn verwachtingen waren dan ook niet hooggespannen toen ik de, in december 2009 in het Londense Barbican live opgenomen Otello ging beluisteren.

Deels kwamen mijn verwachtingen uit. Simon O’Neill (Otello) heeft een iel, dun geluid. Nergens klinkt hij als een veldheer en in zijn liefdesduetten klinkt hij eerder monotoon dan lyrisch. Maar hij was een ‘last minute’-vervanger voor Torsten Kerl en dan wil je veel door de vingers zien.

Anne Schwanewilms (Desdemona) is voor mij een regelrechte misbezetting. O ja, zij heeft een prachtige, romige sopraan, maar ik mis de onschuld, de angst, de liefde, de oprechtheid. Zij intoneert niet helemaal zuiver en heeft bovendien een nare gewoonte om de tonen naar boven te trekken.

Maar Gerald Finley maakt als Iago erg veel goed. Wat een verrassing! Zijn bariton klinkt echt Verdiaans en hij kleurt en speelt met zijn stem dat het een lieve lust is. Alleen al voor hem zou ik de opname niet meer willen missen.

Het London Symphony Orchestra zet Verdi’s partituur onder leiding van Sir Colin Davis ferm neer. Wat een tempo voor 82-jarige dirigent!


TRISTAN UND ISOLDE. Discografie

tristan August Spieß,

Tristan und Isolde. Wandschilderij van August Spieß, 1881

CD’S

CARLOS KLEIBER 1982

Tristan Kleiber

Een discografie van Tristan und Isolde schrijven voelt bijna als het componeren zelf. Niet alleen omdat er zo veel opnamen zijn (maar liefst vijftig, waarvan elf op dvd! En dan heb ik het alleen over de volledige commerciële uitgaven die nog steeds te koop zijn!. Tel daarbij de ettelijke uitgaven met hoogtepunten, de piraten, filmpjes op Youtube …. ), maar ook omdat het een opera is die je emotioneel volledig kan uitputten.

Maar ik deed mijn best. Urenlang luisterde ik naar de ettelijke Furtwänglers, Böhms en Karajans (en het zijn er nogal wat!), stofte Artur Bodanzky af… Ging toch nog even ‘verhaal halen’ bij Janowski en Barenboim…. om na een paar weken bijna onafgebroken honderden liefdesdoden te sterven tot de conclusie te komen dat, mocht ik nu naar een onbewoond eiland worden verbannen met maar één opname, het zonder twijfel de uitvoering onder Carlos Kleiber zal zijn (DG 4775355), uit 1982.

Margret Price is een onvergetelijke Isolde. Haar zilver getimbreerde lyrische sopraan klinkt zeer vrouwelijk en puur in zijn kwetsbaarheid. O, sterk is zij ook, en vastberaden, maar haar feminiene kant heeft de overhand. Een Isolde om verliefd op te worden.

René Kollo mist een beetje glans maar verder zingt hij een goede Tristan. Het is best jammer van Fischer-Dieskau, zijn Kurwenal is niet echt om over naar huis te schrijven, maar Kurt Moll is een fantastische Marke en Briggitte Fassbänder een dito Brangäne.

Maar de dirigent! Mensen, mensen, wat is dat mooi! Vanaf de allereerste verre klank tot het laatste akkoord kan ik niet anders dan mij, met mijn ogen dicht me aan de orkestklank te laven. Adembenemend. Nee, meer: hypnotiserend…



WILHELM FURTWÄNGLER: LIVE, 1941 – 1947

600168_FurtwŠngler_BOX_.indd

Een paar jaar geleden heeft de firma The Intense Media een Furtwängler-box uitgebracht, met live opgenomen opera’s op maar liefst 41 cd’s. Op één verdwaalde Verdi (Otello met Ramón Vinay uit Wenen 1951) na allemaal Duits: Mozart, Gluck, Beethoven en von Weber. En – het kan natuurlijk niet anders – veel, heel erg veel Wagner, zijn muziek staat op maar liefst 24 van de 41 cd’s.

Tristan und Isolde is niet minder dan drie keer te bewonderen, in fragmenten uit drie verschillende voorstellingen.

De onder de diehards beroemde opname uit Wenen in 1943 met Max Lorenz en Anny Konetzni bevat ook wat toegevoegde fragmenten met dezelfde bezetting uit 1941. Foute boel, uiteraard, maar voor velen een belangrijk document.

Zelf heb ik er veel moeite mee, vandaar dat ik er kennis van heb genomen en ben verder gegaan met de fragmenten in 1947 opgenomen in het Admiralspalast in Berlijn, met een werkelijk uitstekende Tristan van Ludwig Suthaus. Er zijn weinig bassen die zich met Gottlob Frick (Marke) kunnen meten, Erna Schlüter is een prima Isolde en Margarete Klose een dito Brangäne. Het geluid is helaas niet mooi, maar een beetje Wagneriaan neemt het allemaal voor lief.

WILHELM FURTWÄNGLER: STUDIO, LONDEN 1952

Tristan Furtwangler Naxos

Minder spannend wellicht, maar echt onnavolgbaar mooi wordt het pas in de studio-opname uit 1952 (Naxos 8110321-24). Ludwig Suthaus is ook hier van de partij, maar pas hier hoor je wat een fantastische Tristan hij was. Aan zijn zijde heeft hij nu ook een Isolde van zijn eigen formaat: Kirsten Flagstadt.

De jonge Fischer-Dieskau is een mooie Kurwenal, Josef Greindl een schitterende Marke en Blanche Thebom een zeer aantrekkelijke, lyrische Brangäne.

Maar het mooist is het orkest: in die opname hoor je pas wat een fantastische dirigent die Furtwängler toch was! Wat ook leuk is: in de kleine rolletjes van de matroos en de schaapherder hoor je Rudolf Schock.. Jaa…. dat waren nog eens tijden!



 

HERBERT VON KARAJAN BAYREUTH 1952

Tristan Karajan 1952

Ik ben niet zo’n fan van Martha Mödl als Isolde. Ooo… ik bewonder haar enorm, hoor! Haar uithoudingsvermogen zijn onuitputtelijk en haar krachtige stem kan zich alleen met een laserstraal meten die genadeloos door alle muren heen snijdt tot er niets meer overeind blijft. Daar is de orkaan Irma eigenlijk niets bij.

De in 1952 in Bayreuth live opgenomen voorstelling klinkt behoorlijk scherp, waardoor haar stem nog harder en groter lijkt dan normaal. Daar is veel voor te zeggen, hier hoefde niemand aan knopjes te draaien want wat je hoort is puur natuur. Daar kan zelfs Karajan er met zijn orkest niet tegenop! Legendarisch, dat wel, maar ik hoor! Legendarisch, dat wel, maar ik hoor zo ontzettend weinig liefde in haar interpretatie! Dit in tegenstelling tot de misschien iets minder krachtige maar zeer warme en romantisch klinkende Tristan van Ramón Vinay.

De laatste is voor mij ook de voornaamste reden om de opname te koesteren, maar ook de rest van de cast bevalt mij zeer. Ida Malaniuk is een aantrekkelijke Brangäne, Ludwig Weber een goede Marke en Hans Hotter een beetje zware maar verder mooie Kurwenal.



DVD’s

NIKOLAUS LEHNHOFF GLYNDEBOURNE 2007

Tristan Lehnhoff Glyndebourne

De in augustus 2007 opgenomen voorstelling in de regie van Nikolaus Lehnhoff is voor mij in alle opzichten één van de mooiste Tristan und Isolde’s. Ik heb me, voor het eerst in mijn leven, aan die opera totaal overgeleverd. Zonder spijt, overigens.

Lehnhoff nam Isolde’s woorden: ‘Im dunkel du, im lichten ich’ als het uitgangspunt van zijn enscenering, en zijn spel met donker en licht (en met ruimte!) resulteert in een buitengewoon spannend en wonderschoon bühnebeeld. De kostuums zijn een soort mengsel van middeleeuwse eenvoud en hedendaagse glitter.

Nina Stemme is letterlijk en figuurlijk de mooiste Isolde die men zich kan voorstellen. Haar romige, sensuele sopraan met zijn vele kleurnuances klinkt als een balsem voor de ziel. Al haar noten klinken natuurlijk en moeiteloos, zo vanzelfsprekend en bitterzoet als de liefde zelf.

Robert Gambill voldoet qua stem wellicht niet helemaal aan de zware eisen van de partij, maar zet een zeer charismatische en betrokken Tristan neer. Ook Katarina Karnéus (Brangäne), René Pape (Marke) en Bo Skovhus (Kurvenal) zingen en acteren meer dan voortreffelijk.

De dirigent (een waanzinnig goede Jiří Bêlohlávek) ontlokt aan het orkest de mooiste kleuren en bouwt een thrillerachtige spanning op. De ruim vier uur durende opera is zo voorbij. Een kunst. Zeer aanbevolen. (Opus Arte 0988 D)

NIKOLAUS LEHNHOFF ORANGE 1973

Tristan Böhm Orange

In 1973 regisserde Lehnhoff een toen zeer spraakmakende voorstelling van Tristan in Orange. De productie is simpel en tijdloos en eerlijk gezegd een beetje saai.

Maar de hoofdrollen worden gezongen door de toen 55-jarige Birgit Nilsson en Jon Vickers en het wordt gedirigeerd door Karl Böhm, wat het geheel tot een document van formaat maakt. De beeld- en geluidskwaliteit is pover, maar een echte liefhebber laat zich daar niet door afschrikken (Hardy Classics HCD 4009)

„Als für ein fremdes Land der Freund sie einstens warb“:

 

BARENBOIM EN PONNELLE BAYREUTH 1981

Tristan Barenboim Ponnelle

De opvoering van ‘Tristan’ in 1981 markeerde het debuut van Barenboim en Ponnelle in Bayreuth. Hun samenwerking resulteerde in een immens succes, en zowel het publiek als de pers waren laaiend enthousiast. In oktober ’83 werd de voorstelling, ditmaal zonder publiek, op de video opgenomen (DG 0734321)

De prachtige enscenering van Ponnelle is magisch-realistisch, met veel symboliek, onderhuidse erotiek en dromen, waar de echte wereld eigenlijk een verbeelding blijkt te zijn. De laatste acte speelt zich af in het hoofd van de ijlende Tristan:  begeleid door Isolde’s Liebestod, wellicht de mooiste muziek ooit geschreven, sterft hij in de armen van Kurvenal.

Het is de eerste keer dat ik Johanna Meier zie, en de kennismaking verloopt niet geheel naar wens. Toegegeven – zij ziet er prachtig uit, acteert goed, en op haar zingen kan ik ook eigenlijk niets aanmerken, maar het klinkt allemaal zo gemaakt … Je hoort haar als het ware hard werken, en dat wil ik niet. Maar misschien vergis ik me, en is er tussen haar en mij geen chemie? Aan dat laatste geen gebrek tussen haar en Tristan: een beetje droog klinkende, maar verder prima zingende René Kollo. Matti Salminen is onweerstaanbaar als Marke en Hanna Schwarz is een werkelijk fenomenale Brangäne. Een magische voorstelling.

Hieronder de ‘Liebes Nacht’:

 

 

BARENBOIM EN CHÉRAU MILAAN 2007


BLURAY:BLURAY

De openingsnacht van La Scala met een door Daniel Barenboim gedirigeerde en Patrice Chéreau geregisseerde Tristan und Isolde, met Waltraud Meier in de hoofdrol… Ja, dat schept verwachtingen. De recensies waren niet onverdeeld positief, maar ik was er enthousiast over, en dat ben ik, nu ik de productie nogmaals heb gezien, nog steeds.

Allereerst is er de intelligente en zeer humane regie van Chéreau en het sobere maar zo ‘to the point’ bühnebeeld van Richard Peduzzi. De kostuums en spaarzame decors doen zeer middeleeuws aan en middels kleine details wordt een suggestie van realiteit gewekt. Voor mij het voorbeeld hoe je met het gebruik van traditie een echt modern toneel kan maken.

De personenregie is uitmuntend. Chéreau weet als geen ander van zijn toneelpersonages mensen van vlees en bloed te maken. Het is geen sprookje of legende, alles gebeurt daadwerkelijk en de ‘eeuwigdurende kus’ duurt inderdaad eeuwig.

Waltraud Meier zingt (en acteert!) een warmbloedige Isolde, Michelle de Young is een zeer overtuigende Brangäne, Gerd Grochowski een formidabele Kurwenal en Matti Salminen is als Marke inmiddels al een icoon. Maar het meest verrast werd ik door de toen mij onbekende Ian Storey als een solide Tristan (Warner Classics 0825646055005)

Hieronder fragment van de productie:

OLIVIER PY GENEVE 2005

Tristan Py

In een zeer geslaagde productie uit 2005 uit Geneve (Bel Air BAC014) gooit Jeanne-Michèle Charbonnet alle remmen los Haar emoties zijn levensecht, en haar woede, middels de toverdrank in een alles verzengende liefde omgeslagen, maakt de toeschouwer tot deelgenoot van haar lot. Dankzij de vele close-up’s zitten we letterlijk op haar (en haar minnaars) huid, wat niet altijd mooie plaatjes oplevert, maar alle emoties bloot legt.

De enscenering is een beetje high-tech. De eerste akte speelt zich af op een schip met veel (zwart) metaal, trappen en neonlichten en het begin, met Isolde aan een rail, doet een beetje aan Titanic denken.

De liefdesnacht wordt in verschillende slaapkamers doorgebracht en in de derde akte wordt het toneel letterlijk overspoeld door water. Het klinkt allemaal raar, maar logisch is het wel. En belangrijker: het werkt!

Ook de belichting, van de hand van de regisseur (Olivier Py) is fabelachtig mooi. Clifton Forbis als Tristan haalt het niveau van zijn Isolde niet, maar overtuigt wel.

Hieronder Jeanne-Michèle Charbonnet en Clifton Forbis in ‘Isolde! – Tristan! Geliebter!’:

CHRISTOPH MARTHALER 2008

Tristan Marthaler

 

Christoph Marthaler behoort ongetwijfeld tot de beste hedendaagse toneelregisseurs. Hij doet ook veel opera en muziektheater. Niet helemaal verwonderlijk: Marthaler heeft een gedegen muziekopleiding genoten en is zijn loopban begonnen als musicus en componist.

Zijn producties zijn vaak kaal en kil, in zijn concepten zijn mensen niet in staat om van elkaar te houden en in zijn (bijzonder sterke, dat wel) personenregie gaat hij met zijn personages aan de haal. Hij manipuleert. Niets op tegen als het werkt en als het niet tegen de muziek indruist, maar vaak is het buitengewoon irritant. En – wat erger is – saai

Dat is ook het geval met deze ‘Tristan und Isolde’. De productie, in 2008 voor de tweede keer in Bayreuth uitgeboeid, komt er dan ook niet meer terug.

Maar muzikaal is het dik in orde. Schneider is misschien niet de opwindendste dirigent ter wereld, maar wat hij aan het orkest ontlokt, is pure klankschoonheid. Alsof hij wilde zeggen: kijk, die muziek gaat toch echt over liefde.

Er wordt ook voortreffelijk gezongen. Iréne Theorin en Robert Dean Smith zijn een goed liefdespaar en Robert Holl zet een prachtige, zeer menselijke Marke neer. (Opus Arte OA 1033). Mocht u liefhebber zijn van modern toneel en van concepten, dan is deze productie echt iets voor u.

Hieronder fragment uit de productie:

 

 

 

DER ROSENKAVALIER: discografie

Rosenkavalier premiere

Scènefoto uit de wereldpremière 26 januari 1911 in de Hofoper Dresden

Jaja….. mijmert de Marschallin, daarmee de hele opera in één woord samenvattend.

Ik weet niet hoe u er over denkt, maar ik vind het geniaal. De tijd gaat voorbij, of je het wilt of niet en je je erbij neerleggen is een kunst op zich. Daar kan ik eindeloos naar luisteren, want de weemoed die het woord bij mij teweegbrengt is grenzeloos. De muziek doet dan ook even mee, op de achtergrond… Mooi.

Waarom houd ik dan niet van Der Rosenkavalier? Ik denk dat het komt door de, voor mij althans, overbodige scènes met overbodige mensen. Denk aan de eindeloos durende drukke ochtend na de gepassioneerde nacht. Of, nog erger: driekwart van de derde acte, die mij het meest aan een mislukte Falstaff doet denken.

 

Rosenkavalier Strauss

In de met Echo Klassik 2015 bekroonde documentaire Richard Strauss and his heroines (Arthaus Musik 102 181) gaat de Oostenrijkse dirigent Franz Welser-Möst nog een stapje verder. Volgens hem is “Der Rosenkavalier” een parlando opera die men ondergaat wachtend op de grote hit: het terzet. Daaromheen is de hele opera gebouwd, aldus Welser-Möst.

Trailer van de film:

 

 

DVD’s

Krassimira Stoyanova

 

Rosenkavalier Stoyanova

Franz Welser-Möst kan het weten: in 2014 dirigeerde hij in Salzburg één van de allerbeste en allermooiste Rosenkavalier-producties ooit, in samenwerking met oudgediende Harry Kupfer, die er haast een masterclass in regisseren van maakte. Een masterclass die verplicht zou moeten worden voor iedere regisseur die denkt met zijn ‘geniale’ concepten het wiel opnieuw te kunnen uitvinden.

De voorstelling is niet alleen prachtig om te zien, maar ook logisch en consequent. Kupfer schuwt de moderne technieken niet, maar de muziek en het libretto staan centraal: de regie is er dienstig aan gemaakt. En de werkelijk betoverend mooie videobeelden van Thomas Reimer ondersteunen het verhaal.

Krassimira Stoyanova is de Marschallin zoals ik mij haar altijd had ingebeeld: een mooie, rijpere vrouw met veel relativeringsvermogen. Günther Groissböck is een verrukkelijke Ochs met maar één minpunt: hij is té aantrekkelijk! Zijn stem, zijn acteren, maar voornamelijk zijn charisma! Ik denk niet dat ik de enige ben die de ogen niet van hem kan afhouden!

Ook de Faninal van Adrian Eröd oogt verrassend jong, wat een absolute verademing is. Bij vlagen doet hij mij aan Humberto Tan denken: de conclusie laat ik aan u over.

Sophie Koch doet het voortreffelijk als een zeer aantrekkelijke Octavian en mijn enige probleem is Mojca Erdmann. Haar Sophie klinkt exact zo als haar Lulu in Amsterdam en is evenmin te verstaan (Cmajor 719404).

Impressies van de productie:

 

Kate Royal

Rosenkavalier Royal

Wij blijven nog even in het jaar 2014, maar verplaatsen ons naar Glyndebourne, waar de nieuwe productie van Richard Jones een wereldwijd schandaal veroorzaakte. De aanleiding was, voor de verandering, niet de productie zelf maar de recensies in de Britse pers. Mijn Engelse (mannelijke!) collega’s vonden Tara Erraught (Octaviaan) totaal miscast: te klein, te lomp en te dik. De operawereld, en niet alleen, roerde zich. Want: mag je iemand, in dit geval een geweldige zangeres op haar uiterlijk beoordelen?

Het zal mij worst wezen hoe een zangeres eruitziet, als ze me maar met haar zang en spel weet te overtuigen, maar deze keer moet ik mijn collega’s een beetje gelijk geven. Ondanks de schmink en het (zeer lelijke) kostuum ziet Erraught er uit als een meisje. Haar werkelijk prachtige mezzo klinkt daarbij zeer vrouwelijk en met geen mogelijkheid wekt zij de schijn van een potente jongeman van 17. Ook in haar/zijn vermomming als Mariandel kan zij mij nergens overtuigen

Kate Royal is niet een echt idiomatische Marschallin: haar mooie maar zeer lichte sopraan beschikt nu eenmaal niet over het romige timbre dat de rol vereist.

Teodora Gheorghiu (Sophie) is, denk ik, de beste van het “trio”, maar ook zij weet niet zo goed wat zij met de tekst kan doen. Wat mij het meeste stoort echter is dat de stemmen niet zo goed mengen, waardoor de overhandiging van de roos (en de trio!) een beetje in de soep valt.

De productie zelf is vrij conventioneel, maar nergens ‘Weens’. Het wemelt er van flauwe, zeer seksueel getinte grappen en de beginscène met de naakte Marschallin ‘full monty’ onder de douche vind ik té.

Robin Ticciati houdt het orkest “light”: onder zijn leiding klinkt de ouverture vederlicht met veel nadruk op de melodielijn. Nafluitbaar, eigenlijk (Opus Arte OA 1170D).

Trailer:

 

René Fleming

 Rosenkavalier Fleming

Ooit behoorde Fleming tot mijn absolute favorieten. Met haar Desdemona, Rusalka en Salome (Herodiade van Massenet) wist ze mij tot tranen toe te roeren. Haar Blanche (A Streetcar Named Desire) was meelijwekkend en breekbaar en haar eerste Strauss-opnamen smaakten naar meer.

Helaas. Gelijkend haar oudere collega en landgenote Cheryl Studer ging ook zij zowat alles zingen en opnemen, met een soms zeer dubieus resultaat. Maar wat mij het meeste ging tegenstaan, was haar gemaaktheid, haar maniertjes en haar ‘Miss Plastic’-voorkomen. Weg gevoelens, weg emoties. Zonde.

Dat is ook te zien in de anders een werkelijk schitterende productie, in 2009 opgenomen in Baden-Baden (Decca 0743343). De regie van Herbert Wernicke is zeer doordacht  en spannend, zeer logisch ook. Decors en kostuums zijn oogverblindend en er gebeurt van alles. Er is een knipoog naar Commedia del’Arte en door het gebruik van spiegels wordt veel meer gesuggereerd dan we te zien krijgen, leuk. Prachtig.

Sophie Koch is een verrukkelijk potente Octaviaan en Diana Damrau een leuke en (soms een beetje té) guitige Sophie. Franz Hawlata is een fantastische  Ochs en in de kleine rol van de Italiaanse zanger horen we niemand minder dan Jonas Kaufmann. Ook orkestraal valt er veel te genieten, al gaat Thielemann er soms heel erg zwaar doorheen.

Renée Fleming zingt prachtig mooi, zonder meer, maar: kunt zich voorstellen dat u, na een overheerlijke nacht, vol liefde en passie, wakker wordt met een perfect zittend kapsel? Dat bedoel ik dus.

Een repetitiefragment:

 

Adrianne Pieczonka

Rosenkavalier Pieczonka

De voorstelling, in 2004 opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Arthaus 107139) heeft werkelijk alles in zich om tot de top tien van de beste producties te behoren.

De Canadese Adrianne Pieczonka is voor mij één van de spannendste sopranen van de laatste tijd. Haar klank is open, haar hoogte soepel en haar geluid vol en warm. Bovendien weet ze op een zeer natuurlijke manier de noten op te laten bloeien, zonder dat ze ze van onder aanpakt. Ze is ook wars van maniertjes, echt een verademing! In veel opzichten, ook visueel, doet zij mij aan Tomowa-Sintow denken.

Angelika Kirschschlager is een verrukkelijke Octaviaan en Miah Persson een schattige Sophie.

Franz Hawlata oogt een beetje jong voor Ochs, maar wist u dat de baron in werkelijkheid nog geen 40 was?

De productie zelf vind ik ongekend mooi en spannend. Regie lag in handen van Robert Carsen die daarmee alweer heeft bewezen dat hij toch echt bij de absolute top hoort.

De kleine rol van de Italiaanse tenor is zeer luxueus bezet door Piotr Beczala, die er zijn Salzburger debuut mee maakte.

Het Wiener Philharmoniker wordt zeer lyrisch maar tegelijk ook gespierd gedirigeerd door Semyon Bychkov.

Nieuwsgierig?
Hier kunt u een fragment zien:

(meer…)