Kasper_Holten

Over drie vrij nieuwe ‘Ringen’ en een Walküre uit de archieven

Ring wiki

Scene 1 of Das Rheingold from the first Bayreuth Festival production of the Bühnenfestspiel in 1876

Toen het Wagner-jaar in 2014 voorbij was schreef ik:
“Het Wagner-jaar is voorbij, de Ring ligt veilig opgeborgen in de Rijn en hopelijk wordt hij nu beter bewaakt. Het Walhalla bleek niets anders dan de zoveelste utopie en alle goden bleken gewone mensen te zijn, en zijn inmiddels allemaal dood. Samen met de helden met wie we eigenlijk medelijden moeten hebben. Eén ding hebben we geleerd: de strijd om macht, geld en wereldheerschappij gaat gewoon door.”

DE RING

Vroeger, heel erg vroeger, maar toch nog niet zo lang geleden waren de opvoeringen (en zeker de opnamen!) van een complete Ring eigenlijk alleen maar aan ‘Goden’ voorbestemd. Je deed het niet als je een niet meer dan een voortreffelijk orkest in huis had, geen beschikking had over een topdirigent, om van zangers maar te zwijgen.

Tegenwoordig bestaat er geen operahuis, hoe klein en onbetekenend ook, die de hele rataplan niet op de rol zet. Moet kunnen? Van mij mag het, maar moet het dan ook meteen opgenomen worden? Van Bayreuth snap ik het nog enigszins – het is toch het Heilige Mekka en DE TEMPEL der Wagnerianen, waar maar weinig uitverkorenen naar toe mogen. Ligt het niveau daar dan zo hoog? Muzikaal wellicht, maar niet heus, en wat de producties betreft is het meestal ‘regietheater’ op zijn best. Of op zijn slechts.
Om de Maestro zelf te citeren: ”Gar nichts liegt mir daran ob man meine Werke gibt: mir liegt einzig daran dass man sie so gibt, wie ich’s mir gedacht habe; wer das nicht will und kann, der soll’s bleiben lassen!“

Als u een doorgewinterde Wagner liefhebber bent dan heeft u ongetwijfeld alle belangrijke (en minder belangrijke) Ring – uitgaven thuis. Bent u een beginner, dan heeft men u al lang geleden ingefluisterd zonder welke opname u absoluut niet kunt leven, dus ik neem aan dat al de Solti’s, Karajan’s, Haitink’s, Böhms en Boulez’ – ik noem maar een paar – geen geheimen meer voor u hebben. Toch?

BARCELONA 2003

Ring Barcelona

Met veel spanning wachtte ik de nieuwe Ring uit Barcelona af. De productie van Harry Kupfer (oorspronkelijk voor de Deutsche Oper in Berlijn) werd alom bejubeld, en na de release van Das Rheingold merkte één van de recensenten op, dat dit wellicht de ultieme Ring op dvd zou kunnen worden.

Niet dus. Veel, heel veel uren heb ik voor de tv doorgebracht, en zeker niet met evenveel plezier.

Wat me voornamelijk tegenviel waren de beide helden: Siegmund en Siegfried. Richard Berkeley-Steele (Siegmund) viel aanvankelijk wel mee: soepel, lyrisch en met veel schwung werkte hij zich door de ‘Winterstürme’ heen. Maar toen was de koek op, en zijn stem begaf het. Jammer, des te meer, daar hij optisch een hele mooie Siegmund neerzette en qua spel zeker wist te overtuigen, iets wat niet gezegd kan worden van John Treleaven (Siegfried).

Dat hij er niet als een 18-jarige held eruitziet, dat kan niemand hem aanrekenen, al had de kostuumafdeling er werkelijk zijn best voor gedaan. Zonder problemen accepteer ik dat zijn stem veel aan zijn vroegere glans heeft verloren, ook  de moeite die hij heeft met de hoge noten neem ik voor lief: het zijn er ook zoveel, en zo hoog, en ze moeten zo luid …..

Maar het pushen, de wapper, de vele valse noten, en  – voornamelijk – de dodelijke saaiheid, nee, dat kan ik het hem niet vergeven. Bovendien: Siegfried mag dan onnozel zijn, dom is hij zeer zeker niet, en toch trekt Treleavan gekke bekken als was hij zijn verstand totaal bijster, en, houterig als hij is, doet hij ook aan overacting, niet leuk. Als overmaat van ramp brult hij zich door “Brünhilde, heilige Braut” heen, en zodoende verpest hij voor mij één van de mooiste melodieën ooit door Wagner geschreven. Hoe kon Brünhilde daar ooit verliefd op worden?

Deborah Polaski is een goede Brünhilde. Ik ben nooit zo dol op haar geweest, vond haar stem meestal iets te hard en te vlak, maar zij is een goede vakvrouw, gepokt en gemazeld in het fach. Bij haar stoort het niet, dat haar stem niet altijd doet wat er in de partituur staat (20 jaar Brünhilde zingen eist zijn tol), want er staat heel wat tegenover. Haar intensiteit, haar grote inlevingsvermogen, haar grote bühnepresence en overtuigingskracht maken van haar een Brünhilde om te koesteren.

De rest van de cast is goed tot zeer goed, met de ongekend grandioze Graham Clark (Loge en Mime) voorop. Alleen al voor zijn optreden is deze Ring het bekijken meer dan waard. Hetzelfde kan worden gezegd van Günther van Kannen (Alberich) en de overweldigende Hagen van Matti Salminen, die de bühne beheerst vanaf zijn eerste opkomst.

Falk Strückman’s Wotan begint nogal onevenwichtig, maar gaandeweg de cyclus wordt zijn zingen steeds beter. Op zijn acteren valt weinig aan te merken, en ook als Günther weet hij het onderste uit de kan te halen.

Linda Watson is een prachtig zingende Sieglinde, maar de camera is voor haar ongenadig: de vele close-ups maken van haar een matrone. De schuldige hiervoor is beslist de televisieregisseur, die maar over twee handelingen schijnt te beschikken: inzoomen en uitzoomen. Niet bepaald boeiend of innoverend, bovendien doet het een inbreuk op het verloop van de actie en ontneemt veel belangrijke details aan het oog – vaak kan je alleen maar gissen, wat er gebeurt.

De regie (Küpfer) en de enscenering (Schavernoch) vind ik voornamelijk inconsequent. Das Rheingold begint inderdaad prachtig. De bühne wordt beheerst door een enorme es, en de actie wordt zowel horizontaal als verticaal gespeeld, waardoor als het ware lagen ontstaan, en de tegenstellingen tussen de werelden: Nibelungen onder en Valhalla boven de oppervlakte van de Rijn worden benadrukt. Door het gebruik van de spiegelende vloeren wordt er een suggestie van water gecreëerd, waar de Rijnmeiden daadwerkelijk in lijken te zwemmen. Küpfer schijnt de aanwijzingen van Wagner op de voet te volgen en de kostuums zijn ouderwets in de goede zin van het woord.

 De Walküre is al iets abstracter, maar nog steeds herkenbaar. Jammer alleen van de overheersende donkerblauwe tinten, waardoor het beeld veel te donker is, en waardoor je soms bijna niets kan zien. Bijzonder sterk is de dood van Siegmund: Küpfer laat hem door Hunding (goede Eric Halfvarson) in de armen van Wotan dodelijk verwonden, een variatie op Piëta.

Was De Walküre al een kleine teleurstelling ten opzichte van de proloog, met Siegfried belanden we in een triest dieptepunt. Het begin is nog aardig, al schijnt de actie zich af te spelen in iets wat op een immense fabriek lijkt, waar desnoods duizenden Nothungs kunnen worden gesmeed. Helaas, met de komst van Siegfried kan je de hoop maar beter opgeven, vanaf hier wordt het slechts belachelijk en saai, met een absoluut dieptepunt aan het eind.

Met De Götterdämmerung betreden wij (letterlijk en figuurlijk) een totaal andere wereld. Bij de opkomst van Günther veer ik even op: een dun snorretje, zwart, sluik vallend haar met een duidelijke scheiding opzij, zou het …? Ach nee, het is Clark Gable uit Gone with the wind, ik herken hem aan zijn kamerjas en de manier waarop hij de sigaret opsteekt. Ook de outfit van Gutrune (ontroerend goede Elisabete Matos) had ik al eerder gezien, zij lijkt sprekend (nou ja, bij het uitzoomen dan) op Vivian Leigh, maar dan uit Streetcar named desire. In die wereld is Hagen de regisseur, hij is het, die het verdere verloop van de actie bepaalt. Door de microfoon roept hij Siegfried de set op, en het draaien kan beginnen. Het koor en de figuranten stellen de fans voor, en aan hun kleding te zien, zijn we in de jaren dertig van de vorige eeuw belandt.

De overgang van de mythologische wereld naar de realiteit (?) van de film is te groot en te onbegrijpelijk, maar misschien was dat allemaal maar een film? Ik geef het op, per slot van rekening kun je met een goede wil alles verklaren. Verslagen laat ik het allemaal over me heen komen en vraag me niet eens af, waarom Alberich aan het eind toch de ring krijgt, hem omdoet en triomfantelijk omhooghoudt, tot hij vanzelf aan diggelen valt. Dit alles nauwkeurig gadegeslagen door een innig verstrengeld paar: een meisje en een jongen, de (nieuwe) tweeling wellicht? L’histoire se répète, zal ik maar zeggen

Het orkest van Gran Teatre del Liceu onder leiding van Bertrand de Billy speelt goed, maar niet meer dan dat. Jammer. (Opus Arte OA 0911 D)

Die Walküre

KOPENHAGEN 2006

Ring Box-Copenhagen-Ring

In 2006 werd de hele Ring uitgevoerd in de opera van Kopenhagen en de alom geroemde productie werd door Decca (0743264) op dvd’s opgenomen. De regie lag in handen van Kasper Holten.

Holten presenteerde de cyclus als de geschiedenis van een (gegoede?) familie door de jaren heen, iets wat toen betrekkelijk innovatief was. Op zich niet zo gek, want met al die buitenechtelijke escapades van pater familias moesten er genoeg broers, zussen en aanverwanten rondlopen.

Wat Holten eigenlijk nog meer ambieerde, was de cyclus als een verknoopte geschiedenis van de twintigste eeuw te laten zien – iets wat hem maar ten dele is gelukt.

In Das Rheingold kijkt Brünnhilde, gezeten in een soort bibliotheek van haar vader, terug naar hoe het allemaal is begonnen en hoe het zo ver heeft kunnen komen. En dan dalen wij naar beneden. Nee, niet naar de rivier, want die valt nergens te bekennen, maar naar een soort bar, volgestouwd met flessen wodka en ‘bewoond’ door drie ‘grisettes’, alles in de sfeer van de jaren twintig van de vorige eeuw.

Alberich is een mismaakte griezel en het goud, in de gedaante van een naakte jonge man, zwemt rond in een aquarium. De jonge man – sorry: het goud – wordt gedood, zijn hart wordt uit zijn borst gerukt en daar wordt dus de Ring van gemaakt.

Met de vluchtende Siegmund belanden wij in een Amerikaanse suburb in de jaren vijftig. Nou was de mode in die tijd niet al te charmant, maar moest de arme Sieglinde zo verschrikkelijk toegetakeld worden? Haar gifgroene oogschaduw doet pijn aan de ogen en de close-ups zijn voor beide zangers ongenadig.

Met de antiheld Siegfried (volgens Holten kunnen we niet anders dan hem sympathiek vinden en medelijden met hem te hebben – de arme jongen wordt tenslotte door alles en iedereen gemanipuleerd) bereiken wij het jaar 1968, de tijd van ‘Aquarius’, flower power en ‘make love not war’.

De rest laat ik aan uw voorstellingsvermogen over. Of aan uw koopkracht, want ondanks al mijn bezwaren vind ik de productie zeker het bekijken waard. Wat ik ook van al die concepten (en de kostuums!) denk: Holten is een voortreffelijke personenregisseur en weet wat hij wil. De spanning is soms om te snijden en je kan niet anders dan blijven kijken.

Bovendien wordt er goed gezongen en (met het oog voor de camera, dus vaak op de millimeter, dat dan wel) geacteerd, voornamelijk door Stephen Milling (Hunding). Stig Andersen is een prima Siegmund en Siegfried, Iréne Theorin een uitstekende Brünnhilde en James Johnson een overtuigende Wotan/Der Wanderer.

 

BUENOS AIRES 2013

Ring Buenos Aires

Het idee om de Ring te ontdoen van alle ‘ballast’ (het zijn mijn woorden niet!) en terug te brengen tot de essentie is niet nieuw. De opera van Buenos Aires heeft de moed getoond om het plan daadwerkelijk te realiseren en Cor Garben bewerkte de tetralogie tot een zeven uur durend geheel.

Ik ga u niet met de ontstaansgeschiedenis en alle affaires en schandalen waarmee de productie te maken kreeg (nog maar zes weken vóór de première was er geen concept, geen regisseur en geen dirigent!) vermoeien; het staat ook allemaal op de bijgeleverde, zeer spannende en buitengewoon interessante film van Christoph von Bock. Maar eind goed al goed: de Ring ging in mei 2013 in première en werd door C Major (713104) uitgebracht.

Over het concept (regie: Valentina Carrasco) wil ik kort zijn: wij zijn in het Argentinië van de jaren zeventig, de Rijnmeiden zijn eigenlijk Rijnmoeders en het goud, dat wordt gestolen, is een kind. De cast is goed. Wel heb ik een beetje moeite met Leonid Zakhozaev (Siegfried).

DIE WALKÜRE

Ring Walkure Sony

Een jaar of tien geleden is Sony begonnen met het openbaren van de Met-archieven. Daar zat ook een Die Walküre tussen, opgenomen op 24 februari 1968. Je moet wel even aan het doffe geluid wennen, maar als je het eenmaal in je oren hebt ….. Mijn God, wat is de uitvoering prachtig!

De op elkaar verliefde tweeling wordt vertolkt door een zeer ontroerende (tranen!) Leonie Rysanek en een lyrischer dan ooit klinkende Jon Vickers. Tel Wotan van Thomas Stewart en – ja, hoe kan het anders? – dé Brünhilde van Birgit Nilsson daarbij en dan weet je dat het feest mag beginnen.

Maar wij zijn er nog niet, want ook Fricka doet mee en het moet gezegd: zij is de ster van de opera. Haar naam? Christa Ludwig. O ja: Hunding wordt gezongen door Karl Ridderbusch. De dirigent is mij alleen van naam (waarom eigenlijk?) bekende Berislav Klobucar. (Sony 853082)


 

Advertenties

JEVGENI ONEGIN uit het ROH 2013: lang leve de dubbelganger!

onegin

Soms verdenk ik regisseurs ervan dat ze afspraken met elkaar maken. Zo van: nu komt er een rolstoelen jaar en het jaar daarop een van de wasmachines, om daarna plaats te maken voor alweer nieuwe “attributen”.

Nazi- symbolen zijn nog steeds gewild, maar beginnen een beetje uit de mode te raken want de regisseurs hebben iets nieuws bedacht: het gebruik van een “dubbelganger” voor de hoofdpersonen, waarvan de ene zingt en de ander danst of gewoon sierlijk beweegt.

De truc kán werken. Maar dat dat niet altijd lukt, heeft Stefan Herheim al in 2011 Amsterdam bewezen. En in 2013 deed Kasper Holten het hem na in Londen.

De opzet is in beide gevallen hetzelfde: de ouder geworden protagonisten kijken terug naar hun jeugd, vergetend dat de tijd onomkeerbaar is. Nu gaat Holten niet zo ver om dan meteen de hele Russische geschiedenis de revue te laten passeren en zijn regie is blij vlagen zeer ontroerend, maar “mijn Onjegin” is het niet.

Er wordt ontegenzeggelijk goed in gezongen, al vind ik Krassimira Stoyanova nu toch echt te oud voor Tatjana, althans optisch. Haar stem klinkt nog steeds als een klok en haar pianissimi zijn meer dan ontroerend, maar een echt jong meisje is zij niet. De dansende dubbelgangster was daarbij ook niet behulpzaam.

Voordat u mij ervan gaat beschuldigen dat ik de oudere zangers afschrijf: een paar jaar geleden hoorde ik de zeventigjarige (!) Mirella Freni in de rol, in de Metropolitan Opera. En geloof mij of niet: zij was Tatjana. Waar het aan lag? U mag het zeggen.

Simon Keenlyside weet zelfs van een telefoonboek een echt karakter maken, maar ook hij is Onjegin ontgroeid. Bij hem mis ik het ‘onnozele’, wat (voor mij) een onmiskenbare karaktertrek is van een dandy.

Pavol Breslik (Lensky) heeft de nodige elegantie, lyriek en de smachtende tonen paraat, maar hij doet mij Piotr Beczala niet vergeten.

Het orkest onder leiding van Robin Ticciati klinkt prima maar niet uitzonderlijk.

Kasper Holten over zijn productie van Onegin:

Trailer van de productie:

PYOTR IL’YICH TCHAIKOVSKY
Eugene Onegin
Simon Keenlyside, Krassimira Stoyanova, Pavol Breslik, Peter Rose, Elen Maximova, Diana Montague, Kathleen Wilkinson
Royal Opera Chorus, Orchestra of the Royal Opera House olv Robin Ticciati; regie: Kasper Holten
OPUS ARTE OA 1120 D

JEVGENI ONEGIN. Discografie

JEVGENI ONJEGIN van Stefan Herheim

Uitstekende productie van Król Roger uit Londen

krol-roger

Nog maar 15 jaar geleden schreef één van de vooraanstaande Nederlandse muziekrecensenten (nee, ik ga geen namen noemen): “Karol Szymanowski, een componist van wie weinig stukken repertoire hebben gehouden heeft in de jaren twintig nog meegemaakt dat Król Roger werd opgevoerd. Later verdween zijn halfdestillaat uit Nietzsches Geburt der Tragödie, Euripides’ Bacchanten en Shakespeares Lear uit het vizier. Je kan de grote eclecticus Szymanowski uiteindelijk maar weinig kwalijk nemen, behalve dat hij zo nodig een opera wou.”

Hij was de enige niet: doordat zijn werken een verscheidenheid aan invloeden verraadden, werd Szymanowski lang voor een eclecticus uitgemaakt, een scheldnaam in de tijd.

Tijden veranderen. Szymanowski wordt inmiddels gerekend tot de grootste componisten van het begin van de twintigste eeuw en zijn werken zijn niet weg te denken van de concertpodia en opnamestudio’s.

Zijn Król Roger, een poëtische opera vol symboliek en geparfumeerd met myrthe heeft – terecht – een ware cultstatus bereikt. Neem alleen al de openingskoor! Het zacht opdoemende, door het immense koor gezongen “Hagios, Kyrios, Theos Sabaoth”, met de invallende hoge stemmen van het jongenskoor steekt het Requiem van Verdi naar de kroon.

De voorstelling in Covent Garden, geregisseerd door Kasper Holten en gedirigeerd door Antonio Pappano was een ware triomf voor alle betrokkenen. Holten verbeeldde de opera als een soort reis van de hoofdpersoon in het binnenste van zijn psyche. Figuurlijk, maar ook letterlijk. Alles speelt zich in het hoofd van Roger, het is dan ook een enorm hoofd die de bühne domineert en die zonodig ook als zijn paleis fungeert. Het maakte mij sprakeloos.

Dat de opera enigmatisch is, is nogal wiedes. Het libretto van de hand van Jarosław Iwaszkiewicz is nogal hoogdravend en de tekst is, zelfs voor Polen moeilijk verstaanbaar en onuitspreekbaar. Grote hulde voor de Poolse coach (Marek Ruszczyński) die alle zangers liet klinken als waren ze native speakers. Of misschien zelfs beter!

Saimir Pirgu (Pasterz) was voor mij de grootste verrassing van de avond. Zijn stem klonk gecultiveerd en verleidelijk en zijn hele optreden was een oor- en oogstrelend.

Georgia Jarman was een zeer goede Roxana: haar cantilena in de eerste akte drong diep tot mijn hart.

Roxana’s song:

 

Mariusz Kwiecień is dé Roger van onze tijd. Het is een rol die hij zich eigen heeft gemaakt en die niemand hem kan afnemen. Het valt mij trouwens op hoe anders hij de rol in verschillende producties vertolkt!

Kim Bagley was een voortreffelijke Edrisi en Agnes Zwierko is een luxe bezetting voor Dyakonissa. Een aanrader, deze opname!

Hieronder een introductie tot de opera:

 

KAROL SZYMANOWSKI
Król Roger
Mariusz Kwiecień, Georgia Jarman, Saimir Pirgu, Kim Begley, Alan Ewing, Agnes Zwierko
Royal Opera Chorus (Renato Balsadonna), Orchestra of the Royal opera House olv Antonio Pappano
Regie: Kasper Holten