Death_in_Venice

John Daszak excelleert als Aschenbach in Venetië

Tekst: Peter Franken

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/61V5k%2B7bbVL._SL1200_.jpg

Naxos heeft de productie die Willy Decker in 2014 van Death in Venice maakte voor Teatro Real uitgebracht op dvd en BluRay. John Daszak schittert in de rol van Gustav von Aschenbach en krijgt geweldig tegenspel van Leigh Melrose als zijn nemesis.

Death in Venice uit 1973 is Brittens laatste opera. Hij baseerde dit werk op de novelle Der Tod in Venedig van Thomas Mann, naar eigen zeggen dus nadrukkelijk niet op Visconti’s film Death in Venice uit 1971. Kort geleden heb ik mij nog eens door die novelle geworsteld, Mann leest niet echt gemakkelijk weg in het Duits, en heb kunnen vaststellen dat de opera zeer dicht bij het originele verhaal blijft.

Aschenbach is in zijn leven op een dood spoor geraakt, hij kan niet meer vertrouwen op zijn talent altijd te kunnen schrijven wat hij wil en als hij dat wil. Een toevallige ontmoeting met een vreemdeling, vermoedelijk iemand op reis, brengt hem ertoe naar Venetië te gaan, daar waar hij zich in het verleden altijd zo goed voelde. In de novelle vindt die ontmoeting plaats bij een kerkhof, een duidelijke voorbode van wat komen gaat. Het zal Aschenbachs laatste reis worden.

De vreemde gondelier die hem in zijn zwarte boot tegen zijn zin over de lagune helemaal naar het Lido voert, vertegenwoordig de veerman die hem naar het dodenrijk zal brengen. De gondel als drijvende doodskist. Zo ver is het nog niet maar in de laatste scène zien we de gondelier terug als schim, waarna Aschenbach sterft.

Bariton Leigh Melrose is onnavolgbaar als steeds weer een nieuw personage dat Aschenbach zijn wil weet op te leggen. Behalve de reiziger en de gondelier zijn dat onder meer de hotel barbier, de aanvoerder van de troupe kommedianten en de god Dionysos waarvan overigens alleen de stem wordt gehoord.

Willy Deckers enscenering weet volledig recht te doen aan het libretto van Myfanwy Piper, vooral dankzij de inbreng van Wolfgang Gussmann die tekende voor de ingenieuze decors en de schitterende periode kostuums, het laatste samen met Susanna Mendoza. Het geheel roept een getrouw beeld op van een welgesteld internationaal gezelschap een paar jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De belichting van Hans Toelstede completeert het fraai ogende toneelbeeld.

Daszak is vrijwel onherkenbaar met een zwarte pruik en baard, en gaat geheel op in zijn wat stijve oudere personage dat tegen zijn wil verliefd wordt op een jongen, gewoon omdat hij zo mooi is. Na zich aanvankelijk daartegen verzet te hebben geeft hij toe, zijn Dionysische kant wint het van de Apollinische. Zodoende blijft hij in Venetië, ook al wordt hem dringend geadviseerd de door een cholera epidemie getroffen stad te verlaten voordat er een lock down in werking treedt. Het is allemaal verrassend actueel.

De partituur blinkt niet uit in lyriek en de orkestbegeleiding is sober. Daszak zingt vooral declamatorische recitatieven die zich nauwelijks onderscheiden van de stukken die aria’s genoemd kunnen worden. Dat maakt het des te belangrijker nauwlettend de tekst te volgen en de opname biedt daartoe ondertitels in verschillende talen. De Engelse tekst meelezen werkt natuurlijk het beste. Melrose put zich uit in overdreven acteerwerk en Sprechgesang, wat eenvoudiger allemaal maar sterk bepalend voor de sfeer.

De zevende scène getiteld ‘the voice of Apollo’ biedt ruim baan aan Tadzio en een danser die voor Aschenbach dubbelt terwijl deze dommelt in een leunstoel. Tadzio verschijnt zoals Aschenbach van hem droomt, volledig naakt. Decker laat er geen twijfel over bestaan hoe de vork in de steel zit. Tadzio’s vrienden vormen een grote groep, ook allemaal dansers, die nogal ruw met de teergebouwde jongen omspringen. Omdat dit aspect kennelijk al duidelijk genoeg is getoond, laat Decker ‘Prügel scène’ waarin Jaschiu zijn vriend Tadzio onnodig grof behandelt na een stoeipartijtje gewoon weg aan het einde. In plaats daarvan zien we de oude Aschenbach, bijna als een clown geschminkt door de barbier om hem jong te doen lijken, in een ligstoel naar de horizon kijken totdat de gondelier hem komt halen om de Styx over te steken.

Over de gehele linie is deze productie goed bezet, het is absoluut top wat Decker en zijn team, waaronder ook dramaturg Klaus Bertisch, van dit werk hebben weten te maken. Een absolute aanrader.

Death in Venice: een autobiografisch testament?

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 3: Death in Venice

Death in Venice: een autobiografisch testament?

Death Pears Britten

Het vocale oeuvre van Britten is vrijwel onlosmakelijk verbonden met één zanger, Peter Pears. Jarenlang waren ze partners zowel in de kunst als in het dagelijks leven. Voor Pears componeerde Britten zijn liederen en opera’s, en met diens stem in zijn hoofd maakte hij arrangementen van de Engelse volksliedjes.

Death in Venice, de laatste opera van de toen al zeer zieke Britten, werd ook voor zijn partner gecomponeerd. Zeker weten doe ik het uiteraard niet, maar ik denk dat Britten er iets meer van zijn eigen leven in gestopt heeft dan in zijn eerdere opera’s. En dat het sterk autobiografisch is.

Death all opera's

Wat hebben we zoal om te vergelijken? Naast mijn speler liggen twee dvd’s en een cd. Nou ja, cd… Zeg maar gerust cd’s, want Decca heeft één van de grootse Britse componisten geëerd met een box met al zijn opera’s (4756029). In het acht schijfjes tellende tweede deel vindt u ook Gloriana, A Midsummer Night’s Dream, The Rape of Lucretia en The Turn of the Screw. Op Death in Venice en Gloriana na allemaal gedirigeerd door de componist zelf.

Death in Venice decca

Om te zeggen dat de uit 1974 stammende opname zowat de beste is wat je je kan voorstellen, is natuurlijk een open deur intrappen. Het is niet alleen de meest voorbeeldige uitvoering (Peter Pears als Aschenbach en John Shirley-Quirk in al die baritonrollen) denkbaar, de opname zelf is ook waanzinnig goed: direct, helder en zo authentiek aandoend dat je de indruk krijgt dat het live is opgenomen. Steuart Badford dirigeert het English Chamber Orchestra.


TONY PALMER

Death Palmer

Dezelfde dirigent, het orkest en de bariton komen we ook tegen in de film van Tony Palmer (TPDVD176), gefilmd op locatie in 1980. De rol van Gustav von Aschenbach werd overgenomen door Robert Gard, een mij onbekende tenor, die het werkelijk voortreffelijk doet. Al doet hij mij Pears niet vergeten.

De film is zeer realistisch en al doet het een beetje gedateerd aan (de typische jaren zeventig sfeer is alom aanwezig), het valt niet te ontkennen dat je als genageld op je stoel blijft zitten! De beelden ven Venetië zijn mooier dan mooi, de sfeer is beklemmend en de zanger-acteurs zijn meer dan voortreffelijk. Naast Gard en Shirley-Quirk viel mijn oog (en oor!) op een niet met name genoemde zanger in de rol van de Engelse klerk.

Op het doosje staat vermeld dat ook Pears eraan meedoet. Ik kon hem niet ontdekken, al meende ik zijn stem bij één van de figuranten bij de hallucinerende Von Aschenbach te horen.

PIER LUIGI PIZZI

Death Pizzi

Venetië hoort bij deze opera, natuurlijk. Vandaar dat een in die stad opgenomen voorstelling meer tot verbeelding spreekt dan één uit … (vul maar in). De in juni 2008 in La Fenice opgenomen productie (Dynamic 33608) is zonder meer bijzonder.

Pier Luigi Pizzi staat altijd garant voor mooie beelden en zijn ensceneringen zijn bijna altijd semirealistisch, maar dan met een twist naar zowel surrealisme als symbolisme.

In zijn voorliefde voor ballet kan hij soms te ver gaan, wat ook hier een beetje het geval is. Het koor en alle figuranten, zeeleden en gasten van het hotel bestaan uit prachtig geklede (of, zo je wilt, prachtig ontklede) bloedmooie dansers. Als er niet gedanst wordt, dan wordt er stilistisch gelopen en esthetisch gestaan.

Het is net een film en Visconti is niet ver te zoeken – zelfs de beroemde hoed die Silvana Mangano als Tadzio’s moeder droeg in die film is hier nagemaakt. Maar de sfeer is zeer beklemmend, de hitte voelbaar en het uiteindelijke resultaat zeer ontroerend.

Marlin Miller verdient een Oscar voor zijn rol van de gekwelde Von Aschenbach. Met zijn zakdoek zwaaiend en zweet afvegend probeert hij fatsoen te houden, om zich uiteindelijk aan de totale waanzin en het ijlen te moeten overgeven. Bravissimo!
Zijn stem is anders dan die van Pears. Ronder en meer gefocust, zeker naar de zaal toe, wat zijn verstaanbaarheid alleen maar ten goede komt.

Scott Hendricks is meer dan fenomenaal in al zijn ‘duivelse’ personages. Met een sardonische glimlach en zichtbaar veel plezier helpt hij Von Aschenbach zijn ondergang tegemoet.

Bruno Bartoletti weet van het orkest uit La Fenice de mooiste klanken te ontlokken.

Mijn kleine bezwaar: Tadzio (een bloedmooie, het valt niet te ontkennen, Alessandro Riga) is optisch te oud en te zeker van zichzelf. Toch – zeer, zeer aanbevolen.

MEER BRITTEN

Death benjamin-britten-britten-100-birthday-collection-073492162

Bij Intens Media (nooit van gehoord, er staat ook geen enkele informatie bij) is een box met 10 cd’s van Britten verschenen (bestelnummer 60047). Veel bekend materiaal, maar ook een paar (voor mij) nieuwe dingen, zoals de opname van Serenade for Tenor, Horn and Strings uit 1953 of het ballet The Prince of the Pagodas. Dat behoort zeker niet tot Brittens bekendste werken; het is dan ook fijn om het in de box tegen te komen.

De box is niet echt iets voor een doorgewinterde Britten-verzamelaar, maar voor een beginner en/of een geïnteresseerde liefhebber zonder meer een ‘hebbeding’. Zeker voor de prijs: rond de 15 euro.

Afbeeldingsresultaat voor poster

Vergeet ook niet de prachtige documentaire Benjamin Britten & his Festival van Tony Palmer (TPDVD174). Het zeer korrelige beeld moet je voor lief nemen, maar alleen al de optredens van Julian Bream en Peter Pears die Schubert zingt maken het aanschaffen van de dvd meer dan waard!

IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 3: DEATH IN VENICE

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 3: Death in Venice

death-in-venice-poster

De Deutsche Oper am Rhein sloot het Britten-jaar, hoewel met zes maanden vertraging, zeer toepasselijk af met Brittens laatste opera, Death in Venice.

Het was de eerste keer dat Death in Venice in Düsseldorf werd gepresenteerd. De productie was tevens het vierde en laatste deel van de Britten-cyclus van de Duits-Turkse regisseur Immo Karaman en zijn vaste partner, choreograaf Fabian Posca.

Helaas heb ik Turn of the screw moeten missen, maar Karamans en Posca’s Peter Grimes en Billy Budd reken ik tot de beste producties die ik van die opera’s heb gezien. Mijn verwachtingen voor Death in Venice waren dan ook hooggespannen.

Dat het uiteindelijke resultaat een beetje tegenviel, lag voornamelijk aan Posca’s choreografie. In de hem zeer typerende stijl voerde hij personages op die in hun bewegingen een beetje spastisch overkwamen. In Peter Grimes werkte het wonderwel en het had, mits spaarzamer gebruikt, ook in Death in Venice kunnen werken, maar overdaad schaadt en ik betrapte mij erop dat mijn aandacht bij vlagen verslapte.

death_in_venice1_c_hans_jeorg_michel_620x310

Foto: Hans Jörg Michel

 

Maar het idee snapte ik wel, of althans dacht te begrijpen. Doordat alle personages – op Aschenbach na – zich met hallucinerende bewegingen door de bühne bewogen werd het gevoel van totale vervreemding versterkt. Het was alsof Aschenbach gevangen werd in zijn eigen droom waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Tegen zijn eigen wil in, of nog beter: willoos belandde hij in een boze droom die hij met de intensiteit van de realiteit beleefde. Het was net een film die in zijn hoofd voorbijraasde, hem totaal radeloos maakte en dood achterliet.

In zijn hoofd waren er geen stranden, geen lagunes en geen zee. Aschenbach’s Venetië werd gereduceerd tot een hotellobby en zijn eigen werkkamer met zijn eigen fauteuil waar hij bescherming zocht als het allemaal hem te veel werd. En het werd gauw te veel, want wat als een verwarrende en onrustwekkende reis naar het onbekende begon eindigde in een regelrechte nachtmerrie, waarin alles en iedereen aan een verval leek te bezwijken en alle mensen in duivels en monsters veranderden.

death-in-venice-dusseldorf-hans-jorg-michel-1

Raymond Very als Aschenbach. Foto: Hans Jörg Michel

De voorstelling werd gedragen door de Amerikaanse tenor Raymond Very. De rol van Aschenbach is een echte ‘tour de force’, maar Very had er totaal geen moeite mee. Ogenschijnlijk onvermoeibaar domineerde hij de bühne van begin tot eind en zijn stem klonk puur en nergens geforceerd. Dat hij affiniteit heeft met de muziek van Britten is evident. Zo schitterde hij al eerder in Düsseldorf als Captain Vere in Billy Budd.

death_in_venice4_c_hans_jeorg_michel_620x310

Peter Savidge en Raymond Very. Foto: Hans Jörg Michel

Peter Savidge, die de zeven baritonrollen op zijn rekening nam, imponeerde voornamelijk als acteur. Op zijn stem viel absoluut niets aan te merken, zeer soepel wisselde hij van register en dapper worstelde hij zich door zijn ettelijke “falsetto’s”, maar voor mij ontbrak er iets, voor mij klonk hij niet gevaarlijk genoeg.

De countertenor Yosemeh Adjei zette een bewonderenswaardige Apollo neer en Torben Jürgens imponeerde in zijn kleine rol van de Engelse klerk. Alma Sadé was een heerlijke aardbeienverkoopster en een speelse straatzangeres.

Persoonlijk vond ik de twee jongens, Denys Popovich (Tadzio) en Talib Jordan (Jaschiu), niet echt bij elkaar passen. Met zijn lange lichaam leek Tadzio veel ouder dan zijn vriend, wat de verhoudingen, zeker in de ‘vechtscène’, wat scheef zette. Beiden dansten wel fantastisch.

Lukas Beikircher, in Nederland bekend van de Stichting Internationale Opera Producties, had het voortreffelijk spelende orkest aanvankelijk niet goed in de hand. Het klonk een beetje afgemat en weinig genuanceerd. Na de pauze werd het echter echt spannend in de orkestbak en werden zelfs de hitte en de klamheid voelbaar.

Hieronder de trailer van de productie:

Benjamin Britten
Death in Venice
Raymond Very, Peter Savidge, Yosemeh Adjei, Torben Jürgens, Florian Simson, Attila Fodre, Alma Sadè e.a.
Chor der Deutschen Oper am Rhein (instudering Christoph Kurig) en Düsseldorfer Symphoniker onder leiding van Lukas Beikircher, piano solo: Mary Satterthwaite

Bezocht op 14 juni 2014

Zie ook:

IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 1: PETER GRIMES

en
IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 2: BILLY BUDD