Birgit_Nilsson

Over drie vrij nieuwe ‘Ringen’ en een Walküre uit de archieven

Ring wiki

Scene 1 of Das Rheingold from the first Bayreuth Festival production of the Bühnenfestspiel in 1876

Toen het Wagner-jaar in 2014 voorbij was schreef ik:
“Het Wagner-jaar is voorbij, de Ring ligt veilig opgeborgen in de Rijn en hopelijk wordt hij nu beter bewaakt. Het Walhalla bleek niets anders dan de zoveelste utopie en alle goden bleken gewone mensen te zijn, en zijn inmiddels allemaal dood. Samen met de helden met wie we eigenlijk medelijden moeten hebben. Eén ding hebben we geleerd: de strijd om macht, geld en wereldheerschappij gaat gewoon door.”

DE RING

Vroeger, heel erg vroeger, maar toch nog niet zo lang geleden waren de opvoeringen (en zeker de opnamen!) van een complete Ring eigenlijk alleen maar aan ‘Goden’ voorbestemd. Je deed het niet als je een niet meer dan een voortreffelijk orkest in huis had, geen beschikking had over een topdirigent, om van zangers maar te zwijgen.

Tegenwoordig bestaat er geen operahuis, hoe klein en onbetekenend ook, die de hele rataplan niet op de rol zet. Moet kunnen? Van mij mag het, maar moet het dan ook meteen opgenomen worden? Van Bayreuth snap ik het nog enigszins – het is toch het Heilige Mekka en DE TEMPEL der Wagnerianen, waar maar weinig uitverkorenen naar toe mogen. Ligt het niveau daar dan zo hoog? Muzikaal wellicht, maar niet heus, en wat de producties betreft is het meestal ‘regietheater’ op zijn best. Of op zijn slechts.
Om de Maestro zelf te citeren: ”Gar nichts liegt mir daran ob man meine Werke gibt: mir liegt einzig daran dass man sie so gibt, wie ich’s mir gedacht habe; wer das nicht will und kann, der soll’s bleiben lassen!“

Als u een doorgewinterde Wagner liefhebber bent dan heeft u ongetwijfeld alle belangrijke (en minder belangrijke) Ring – uitgaven thuis. Bent u een beginner, dan heeft men u al lang geleden ingefluisterd zonder welke opname u absoluut niet kunt leven, dus ik neem aan dat al de Solti’s, Karajan’s, Haitink’s, Böhms en Boulez’ – ik noem maar een paar – geen geheimen meer voor u hebben. Toch?

BARCELONA 2003

Ring Barcelona

Met veel spanning wachtte ik de nieuwe Ring uit Barcelona af. De productie van Harry Kupfer (oorspronkelijk voor de Deutsche Oper in Berlijn) werd alom bejubeld, en na de release van Das Rheingold merkte één van de recensenten op, dat dit wellicht de ultieme Ring op dvd zou kunnen worden.

Niet dus. Veel, heel veel uren heb ik voor de tv doorgebracht, en zeker niet met evenveel plezier.

Wat me voornamelijk tegenviel waren de beide helden: Siegmund en Siegfried. Richard Berkeley-Steele (Siegmund) viel aanvankelijk wel mee: soepel, lyrisch en met veel schwung werkte hij zich door de ‘Winterstürme’ heen. Maar toen was de koek op, en zijn stem begaf het. Jammer, des te meer, daar hij optisch een hele mooie Siegmund neerzette en qua spel zeker wist te overtuigen, iets wat niet gezegd kan worden van John Treleaven (Siegfried).

Dat hij er niet als een 18-jarige held eruitziet, dat kan niemand hem aanrekenen, al had de kostuumafdeling er werkelijk zijn best voor gedaan. Zonder problemen accepteer ik dat zijn stem veel aan zijn vroegere glans heeft verloren, ook  de moeite die hij heeft met de hoge noten neem ik voor lief: het zijn er ook zoveel, en zo hoog, en ze moeten zo luid …..

Maar het pushen, de wapper, de vele valse noten, en  – voornamelijk – de dodelijke saaiheid, nee, dat kan ik het hem niet vergeven. Bovendien: Siegfried mag dan onnozel zijn, dom is hij zeer zeker niet, en toch trekt Treleavan gekke bekken als was hij zijn verstand totaal bijster, en, houterig als hij is, doet hij ook aan overacting, niet leuk. Als overmaat van ramp brult hij zich door “Brünhilde, heilige Braut” heen, en zodoende verpest hij voor mij één van de mooiste melodieën ooit door Wagner geschreven. Hoe kon Brünhilde daar ooit verliefd op worden?

Deborah Polaski is een goede Brünhilde. Ik ben nooit zo dol op haar geweest, vond haar stem meestal iets te hard en te vlak, maar zij is een goede vakvrouw, gepokt en gemazeld in het fach. Bij haar stoort het niet, dat haar stem niet altijd doet wat er in de partituur staat (20 jaar Brünhilde zingen eist zijn tol), want er staat heel wat tegenover. Haar intensiteit, haar grote inlevingsvermogen, haar grote bühnepresence en overtuigingskracht maken van haar een Brünhilde om te koesteren.

De rest van de cast is goed tot zeer goed, met de ongekend grandioze Graham Clark (Loge en Mime) voorop. Alleen al voor zijn optreden is deze Ring het bekijken meer dan waard. Hetzelfde kan worden gezegd van Günther van Kannen (Alberich) en de overweldigende Hagen van Matti Salminen, die de bühne beheerst vanaf zijn eerste opkomst.

Falk Strückman’s Wotan begint nogal onevenwichtig, maar gaandeweg de cyclus wordt zijn zingen steeds beter. Op zijn acteren valt weinig aan te merken, en ook als Günther weet hij het onderste uit de kan te halen.

Linda Watson is een prachtig zingende Sieglinde, maar de camera is voor haar ongenadig: de vele close-ups maken van haar een matrone. De schuldige hiervoor is beslist de televisieregisseur, die maar over twee handelingen schijnt te beschikken: inzoomen en uitzoomen. Niet bepaald boeiend of innoverend, bovendien doet het een inbreuk op het verloop van de actie en ontneemt veel belangrijke details aan het oog – vaak kan je alleen maar gissen, wat er gebeurt.

De regie (Küpfer) en de enscenering (Schavernoch) vind ik voornamelijk inconsequent. Das Rheingold begint inderdaad prachtig. De bühne wordt beheerst door een enorme es, en de actie wordt zowel horizontaal als verticaal gespeeld, waardoor als het ware lagen ontstaan, en de tegenstellingen tussen de werelden: Nibelungen onder en Valhalla boven de oppervlakte van de Rijn worden benadrukt. Door het gebruik van de spiegelende vloeren wordt er een suggestie van water gecreëerd, waar de Rijnmeiden daadwerkelijk in lijken te zwemmen. Küpfer schijnt de aanwijzingen van Wagner op de voet te volgen en de kostuums zijn ouderwets in de goede zin van het woord.

 De Walküre is al iets abstracter, maar nog steeds herkenbaar. Jammer alleen van de overheersende donkerblauwe tinten, waardoor het beeld veel te donker is, en waardoor je soms bijna niets kan zien. Bijzonder sterk is de dood van Siegmund: Küpfer laat hem door Hunding (goede Eric Halfvarson) in de armen van Wotan dodelijk verwonden, een variatie op Piëta.

Was De Walküre al een kleine teleurstelling ten opzichte van de proloog, met Siegfried belanden we in een triest dieptepunt. Het begin is nog aardig, al schijnt de actie zich af te spelen in iets wat op een immense fabriek lijkt, waar desnoods duizenden Nothungs kunnen worden gesmeed. Helaas, met de komst van Siegfried kan je de hoop maar beter opgeven, vanaf hier wordt het slechts belachelijk en saai, met een absoluut dieptepunt aan het eind.

Met De Götterdämmerung betreden wij (letterlijk en figuurlijk) een totaal andere wereld. Bij de opkomst van Günther veer ik even op: een dun snorretje, zwart, sluik vallend haar met een duidelijke scheiding opzij, zou het …? Ach nee, het is Clark Gable uit Gone with the wind, ik herken hem aan zijn kamerjas en de manier waarop hij de sigaret opsteekt. Ook de outfit van Gutrune (ontroerend goede Elisabete Matos) had ik al eerder gezien, zij lijkt sprekend (nou ja, bij het uitzoomen dan) op Vivian Leigh, maar dan uit Streetcar named desire. In die wereld is Hagen de regisseur, hij is het, die het verdere verloop van de actie bepaalt. Door de microfoon roept hij Siegfried de set op, en het draaien kan beginnen. Het koor en de figuranten stellen de fans voor, en aan hun kleding te zien, zijn we in de jaren dertig van de vorige eeuw belandt.

De overgang van de mythologische wereld naar de realiteit (?) van de film is te groot en te onbegrijpelijk, maar misschien was dat allemaal maar een film? Ik geef het op, per slot van rekening kun je met een goede wil alles verklaren. Verslagen laat ik het allemaal over me heen komen en vraag me niet eens af, waarom Alberich aan het eind toch de ring krijgt, hem omdoet en triomfantelijk omhooghoudt, tot hij vanzelf aan diggelen valt. Dit alles nauwkeurig gadegeslagen door een innig verstrengeld paar: een meisje en een jongen, de (nieuwe) tweeling wellicht? L’histoire se répète, zal ik maar zeggen

Het orkest van Gran Teatre del Liceu onder leiding van Bertrand de Billy speelt goed, maar niet meer dan dat. Jammer. (Opus Arte OA 0911 D)

Die Walküre

KOPENHAGEN 2006

Ring Box-Copenhagen-Ring

In 2006 werd de hele Ring uitgevoerd in de opera van Kopenhagen en de alom geroemde productie werd door Decca (0743264) op dvd’s opgenomen. De regie lag in handen van Kasper Holten.

Holten presenteerde de cyclus als de geschiedenis van een (gegoede?) familie door de jaren heen, iets wat toen betrekkelijk innovatief was. Op zich niet zo gek, want met al die buitenechtelijke escapades van pater familias moesten er genoeg broers, zussen en aanverwanten rondlopen.

Wat Holten eigenlijk nog meer ambieerde, was de cyclus als een verknoopte geschiedenis van de twintigste eeuw te laten zien – iets wat hem maar ten dele is gelukt.

In Das Rheingold kijkt Brünnhilde, gezeten in een soort bibliotheek van haar vader, terug naar hoe het allemaal is begonnen en hoe het zo ver heeft kunnen komen. En dan dalen wij naar beneden. Nee, niet naar de rivier, want die valt nergens te bekennen, maar naar een soort bar, volgestouwd met flessen wodka en ‘bewoond’ door drie ‘grisettes’, alles in de sfeer van de jaren twintig van de vorige eeuw.

Alberich is een mismaakte griezel en het goud, in de gedaante van een naakte jonge man, zwemt rond in een aquarium. De jonge man – sorry: het goud – wordt gedood, zijn hart wordt uit zijn borst gerukt en daar wordt dus de Ring van gemaakt.

Met de vluchtende Siegmund belanden wij in een Amerikaanse suburb in de jaren vijftig. Nou was de mode in die tijd niet al te charmant, maar moest de arme Sieglinde zo verschrikkelijk toegetakeld worden? Haar gifgroene oogschaduw doet pijn aan de ogen en de close-ups zijn voor beide zangers ongenadig.

Met de antiheld Siegfried (volgens Holten kunnen we niet anders dan hem sympathiek vinden en medelijden met hem te hebben – de arme jongen wordt tenslotte door alles en iedereen gemanipuleerd) bereiken wij het jaar 1968, de tijd van ‘Aquarius’, flower power en ‘make love not war’.

De rest laat ik aan uw voorstellingsvermogen over. Of aan uw koopkracht, want ondanks al mijn bezwaren vind ik de productie zeker het bekijken waard. Wat ik ook van al die concepten (en de kostuums!) denk: Holten is een voortreffelijke personenregisseur en weet wat hij wil. De spanning is soms om te snijden en je kan niet anders dan blijven kijken.

Bovendien wordt er goed gezongen en (met het oog voor de camera, dus vaak op de millimeter, dat dan wel) geacteerd, voornamelijk door Stephen Milling (Hunding). Stig Andersen is een prima Siegmund en Siegfried, Iréne Theorin een uitstekende Brünnhilde en James Johnson een overtuigende Wotan/Der Wanderer.

 

BUENOS AIRES 2013

Ring Buenos Aires

Het idee om de Ring te ontdoen van alle ‘ballast’ (het zijn mijn woorden niet!) en terug te brengen tot de essentie is niet nieuw. De opera van Buenos Aires heeft de moed getoond om het plan daadwerkelijk te realiseren en Cor Garben bewerkte de tetralogie tot een zeven uur durend geheel.

Ik ga u niet met de ontstaansgeschiedenis en alle affaires en schandalen waarmee de productie te maken kreeg (nog maar zes weken vóór de première was er geen concept, geen regisseur en geen dirigent!) vermoeien; het staat ook allemaal op de bijgeleverde, zeer spannende en buitengewoon interessante film van Christoph von Bock. Maar eind goed al goed: de Ring ging in mei 2013 in première en werd door C Major (713104) uitgebracht.

Over het concept (regie: Valentina Carrasco) wil ik kort zijn: wij zijn in het Argentinië van de jaren zeventig, de Rijnmeiden zijn eigenlijk Rijnmoeders en het goud, dat wordt gestolen, is een kind. De cast is goed. Wel heb ik een beetje moeite met Leonid Zakhozaev (Siegfried).

DIE WALKÜRE

Ring Walkure Sony

Een jaar of tien geleden is Sony begonnen met het openbaren van de Met-archieven. Daar zat ook een Die Walküre tussen, opgenomen op 24 februari 1968. Je moet wel even aan het doffe geluid wennen, maar als je het eenmaal in je oren hebt ….. Mijn God, wat is de uitvoering prachtig!

De op elkaar verliefde tweeling wordt vertolkt door een zeer ontroerende (tranen!) Leonie Rysanek en een lyrischer dan ooit klinkende Jon Vickers. Tel Wotan van Thomas Stewart en – ja, hoe kan het anders? – dé Brünhilde van Birgit Nilsson daarbij en dan weet je dat het feest mag beginnen.

Maar wij zijn er nog niet, want ook Fricka doet mee en het moet gezegd: zij is de ster van de opera. Haar naam? Christa Ludwig. O ja: Hunding wordt gezongen door Karl Ridderbusch. De dirigent is mij alleen van naam (waarom eigenlijk?) bekende Berislav Klobucar. (Sony 853082)


 

Advertenties

Heftige vrouwen in heftige opera: 3 x Elektra van Richard Strauss

elektraheink

Ernestine Schumann-Heink as Klytämnestra at the January 25, 1909 Dresden premiere of Elektra, looking down on Annie Krull as Elektra

Met Elektra van Hugo von Hofmannsthal komen we de mythologische wereld binnen, maar dan wel gezien door de ogen van Sigmund Freud. Een wereld vol complexen, fobieën, angsten en dromen, die bovendien bevolkt is door hysterische vrouwen.

‘Studien über Hysterie’, een in 1895 verschenen boek van Siegmund Freud en Josef Bauer, had een bijzonder groot effect op veel artiesten en intellectuelen. Ook von Hofmannsthal werd er sterk door beïnvloed, en in zijn toneelstuk, dat zes jaar later in première ging, wordt Elektra’s zucht naar wraak een hysterische obsessie.

Richard Strauss, die net zijn Salome (gebaseerd op het toneelstuk van Oscar Wilde) had voltooid, zag in 1905 een voorstelling van Elektra in Berlijn. Net als bij Salome werd het stuk geregisseerd door Max Reinhardt, de meest voorname en vooruitstrevende theaterman in die tijd.

Strauss was zeer onder de indruk, en besloot van het stuk een opera te maken. In 1906 hebben de componist en de toneelschrijver elkaar ontmoet en verdere plannen gemaakt. Een historisch moment, dat tevens het begin van een zeer succesvolle samenwerking tussen beiden betekende.

 

Elektra strausshoffmansthal

Hugo von Hofmannsthal and Richard Strauss, c. 1915

Von Hofmannsthal vervaardigde een libretto zonder weerga, wellicht het beste in de hele operageschiedenis, waar Strauss een (con)geniale muziek bij componeerde. Door het gebruik van verschillende toonsoorten heeft hij een polytonale eenheid gecreëerd, waarin plaats is voor zowel de romantische als de dissonante klankwereld, en waarin hij duidelijk de grenzen van de tonaliteit aftast. Een mijlpaal aldus, waarna de componist in zijn latere werken naar de ‘beschaafde wereld’ van aangename klanken terugkeerde. De opera begint met vier fortissimo gespeelde noten, welke duidelijk staan voor “A-ga-mem-non” en welke een steeds terugkerend motief in de opera vormen.

Elektra is eigenlijk een vrouwenopera. De drie vrouwenfiguren – Elektra, Klytämnestra en Chrysothemis – zijn het middelpunt van de tragedie, waarin de mannen niets anders zijn dan een wraakwerktuig (Orest) of een passief subject van wraak (Aegisth).

Elektra beheerst het toneel letterlijk en figuurlijk – zij staat ook daadwerkelijk op het toneel vanaf het begin tot het eind. Zij ziet er totaal verwaarloosd uit – om wraak te kunnen nemen heeft zij haar vrouwelijkheid en seksualiteit opgeofferd. Zij voelt zich alleen, en door iedereen in de steek gelaten, het meeste nog door haar vermoorde vader.

Elektra Agamemnon_motif

Haar eerste woorden in de opera zijn dan ook: “Allein! Weh, ganz allein. Der Vater fort, hinabgescheucht in seine kalten Klüfte…Agamemnon! Agamemnon!” en dan komt de herkenningsmelodie (de vier beginnoten) weer terug.

Chrysothemis is Elektra’s tegenpool, zij wil gelukkig zijn, trouwen en kinderen krijgen, al die ‘vrouwelijke dingen’. Maar ook zij is een gevangene van de omstandigheden en ook zij kan er niet aan ontsnappen.

Op zoek naar een remedie durft zij zich zelfs zwak op te stellen en Elektra om hulp te vragen. De confrontatie tussen moeder en dochter vormt dan ook het hoogtepunt in de opera.

Alle drie de hoofdrollen zijn buitengewoon zwaar, ze vereisen van hun vertolksters de grootst mogelijke stemmen met een enorme kracht en doorzettingsvermogen. Daarbij moeten ze over een meer dan gemiddeld acteertalent en een formidabele bühne-presence beschikken.

Waar Salome een meisje van zestien met een stem van Isolde is, vraagt Elektra om een jong meisje met een stem van Brünhilde. En toch zijn er heel wat goede Elektra’s in de loop der jaren geweest en zelf ken ik geen slechte opname van het werk.

 

GÖTZ FRIEDERICH

Elektra Rysanek

Toen de film  van Götz Friederich in 1981 uitkwam (DG 0734095), veroorzaakte hij een ware sensatie en sloeg in als een bom. Zelf was ik toen ook geweldig onder de indruk, en de beelden van plassen bloed in de stromende regen projecteerden zich scherp op mijn netvlies.

Nu, 37 jaar later, doet de film behoorlijk gedateerd aan. Natuurlijk, het is nog steeds bijzonder spannend, en er wordt fenomenaal in gezongen en geacteerd, maar jammer genoeg wordt er niets aan de verbeelding overgelaten.

Friedrich onderschat zijn publiek en beeldt alles uit, ook scènes en handelingen die zich alleen in de hoofden van de protagonisten afspelen. Zo kunnen wij in retrospectief de moord op Agamemnon zien, waarna hij, met zijn bloedend hoofd pontificaal in beeld verschijnt zodra Elektra zijn naam noemt. Ook de moord op Klytämnestra en Aegisth wordt ons niet bespaard, en het bloed vloeit meer dan rijkelijk vanaf de muren.

In de beginscène wordt de arme vijfde maagd voor onze ogen doodgeslagen, en een paar naakte dames wassen zich met bloed van een offerdier, allemaal overbodige details, die heel wat plezier in het kijken ontnemen. Jammer, want er is niets mooier dan dankzij beelden, tekst en muziek een wereld op zich te scheppen die zowel gemeenschappelijk als individueel kan worden ervaren.

De bezetting van Orest door Dietrich Fischer-Dieskau kan me niet echt bekoren, zijn manier van zingen is te beschaafd en zijn witte kostuum ronduit bespottelijk.

Maar genoeg geklaagd, want eigenlijk is het een fabelachtige uitvoering. Leonie Rysanek (toen al behoorlijk over de vijftig) is een fantastische Elektra, een rol die zij nooit op toneel had uitgevoerd. Jarenlang zong zij Chrysothemis, om daarna, in de jaren negentig Klytämnestra op haar repertoire te nemen. Zij is niet alleen maar wraakzuchtig, maar ook zeer zichtbaar eenzaam.

Astrid Varnay, ooit zelf een Elektra van formaat, zet een gekwelde Klytämnestra neer en in de scène met haar dochter laat zij een heel gamma aan gevoelens voorbijgaan. Ligendza is, ook optisch, een mooie meisjesachtige Chrysotemis.

Böhm dirigeert langzamer dan op zijn eerdere opnamen, breder ook, wat ook te maken kan hebben met zijn hoge leeftijd. Ten tijde van de verfilming was hij bijna 87 jaar oud en hij overleed voordat de film klaar was.

Er hoort nog een tweede dvd bij, met een ruim 90 minuten durende documentaire over ‘the making of’.

 

HARRY KUPFER

Elektra Marton

De toneelproductie uit Wenen (Arthaus Musik 100 048) 1989 is meer dan bijzonder. De regie van Harry Kupfer is zeer aangrijpend en angstaanjagend, en al is hij zeer realistisch te werk gegaan, toch beperkt hij zich tot de aanwijzingen in het libretto.

Het geheel wordt gedomineerd door grijs in al zijn schakeringen en is bijzonder donker. De enige kleur in de voorstelling doemt op als Chrysotemis, bij haar hartenkreet dat zij wil leven en kinderen baren,  haar blouse openscheurt en een rood onderhemdje zichtbaar maakt.

Eva Marton is fysiek de mindere van Rysanek maar vocaal doet zij voor haar niet onder. Ook als actrice is zij buitengewoon overtuigend: ontroerend in haar verlangen naar haar vader, weerzinwekkend in haar minachting voor haar zus en angstaanjagend tijdens de confrontatie met haar moeder.

Cheryl Studer is een pracht van een Chrysothemis. Met haar ietwat zoetige, lyrische, maar toch nog bijzonder krachtige sopraan kan zij model staan voor een sterke karaktertekening: haar Chrysotemis is een in het leven teleurgesteld meisje met een sterk verlangen aan ontsnappen, maar zonder de daadkracht om het ook te bewerkstelligen.

Fenomenaal is ook Brigitte Fassbänder in haar portrettering van de geesteszieke, door nachtmerries en schuldgevoelens geplaagde koningin. Zowel de moeder als haar beide dochters kunnen zo op de bank bij Freud – over hysterische vrouwen gesproken!

Franz Grundheber is een voorbeeldige Orest en Claudio Abbado dirigeert met een intensiteit die grenst aan het onmogelijke.

SIR GEORG SOLTI

Elektra Solti

Van alle Elektra’s die op cd zijn verschenen, is de Decca-opname onder Sir Georg Solti (4173452) mij het dierbaarst. Solti zweept het orkest op en de nerveuze partituur groeit onder zijn handen uit tot een klankgordijn waar geen ontkomen aan is.

Birgit Nilsson’s vertolking van de titelrol is voorbeeldgevend en Regina Resnik is een overweldigende Klytämnestra. Ook geweldig zijn Marie Collier (Chrysothemis) en Tom Krause als Orest.


 

zie ook:
ELEKTRA aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker 

ORESTEIA. A music Trilogy

CHRISTOPH WILLIBALD GLUCK EN ZIJN IPHIGENIEËN

 

TRISTAN UND ISOLDE. Discografie

tristan August Spieß,

Tristan und Isolde. Wandschilderij van August Spieß, 1881

CD’S

CARLOS KLEIBER 1982

Tristan Kleiber

Een discografie van Tristan und Isolde schrijven voelt bijna als het componeren zelf. Niet alleen omdat er zo veel opnamen zijn (maar liefst vijftig, waarvan elf op dvd! En dan heb ik het alleen over de volledige commerciële uitgaven die nog steeds te koop zijn!. Tel daarbij de ettelijke uitgaven met hoogtepunten, de piraten, filmpjes op Youtube …. ), maar ook omdat het een opera is die je emotioneel volledig kan uitputten.

Maar ik deed mijn best. Urenlang luisterde ik naar de ettelijke Furtwänglers, Böhms en Karajans (en het zijn er nogal wat!), stofte Artur Bodanzky af… Ging toch nog even ‘verhaal halen’ bij Janowski en Barenboim…. om na een paar weken bijna onafgebroken honderden liefdesdoden te sterven tot de conclusie te komen dat, mocht ik nu naar een onbewoond eiland worden verbannen met maar één opname, het zonder twijfel de uitvoering onder Carlos Kleiber zal zijn (DG 4775355), uit 1982.

Margret Price is een onvergetelijke Isolde. Haar zilver getimbreerde lyrische sopraan klinkt zeer vrouwelijk en puur in zijn kwetsbaarheid. O, sterk is zij ook, en vastberaden, maar haar feminiene kant heeft de overhand. Een Isolde om verliefd op te worden.

René Kollo mist een beetje glans maar verder zingt hij een goede Tristan. Het is best jammer van Fischer-Dieskau, zijn Kurwenal is niet echt om over naar huis te schrijven, maar Kurt Moll is een fantastische Marke en Briggitte Fassbänder een dito Brangäne.

Maar de dirigent! Mensen, mensen, wat is dat mooi! Vanaf de allereerste verre klank tot het laatste akkoord kan ik niet anders dan mij, met mijn ogen dicht me aan de orkestklank te laven. Adembenemend. Nee, meer: hypnotiserend…



WILHELM FURTWÄNGLER: LIVE, 1941 – 1947

600168_FurtwŠngler_BOX_.indd

Een paar jaar geleden heeft de firma The Intense Media een Furtwängler-box uitgebracht, met live opgenomen opera’s op maar liefst 41 cd’s. Op één verdwaalde Verdi (Otello met Ramón Vinay uit Wenen 1951) na allemaal Duits: Mozart, Gluck, Beethoven en von Weber. En – het kan natuurlijk niet anders – veel, heel erg veel Wagner, zijn muziek staat op maar liefst 24 van de 41 cd’s.

Tristan und Isolde is niet minder dan drie keer te bewonderen, in fragmenten uit drie verschillende voorstellingen.

De onder de diehards beroemde opname uit Wenen in 1943 met Max Lorenz en Anny Konetzni bevat ook wat toegevoegde fragmenten met dezelfde bezetting uit 1941. Foute boel, uiteraard, maar voor velen een belangrijk document.

Zelf heb ik er veel moeite mee, vandaar dat ik er kennis van heb genomen en ben verder gegaan met de fragmenten in 1947 opgenomen in het Admiralspalast in Berlijn, met een werkelijk uitstekende Tristan van Ludwig Suthaus. Er zijn weinig bassen die zich met Gottlob Frick (Marke) kunnen meten, Erna Schlüter is een prima Isolde en Margarete Klose een dito Brangäne. Het geluid is helaas niet mooi, maar een beetje Wagneriaan neemt het allemaal voor lief.

WILHELM FURTWÄNGLER: STUDIO, LONDEN 1952

Tristan Furtwangler Naxos

Minder spannend wellicht, maar echt onnavolgbaar mooi wordt het pas in de studio-opname uit 1952 (Naxos 8110321-24). Ludwig Suthaus is ook hier van de partij, maar pas hier hoor je wat een fantastische Tristan hij was. Aan zijn zijde heeft hij nu ook een Isolde van zijn eigen formaat: Kirsten Flagstadt.

De jonge Fischer-Dieskau is een mooie Kurwenal, Josef Greindl een schitterende Marke en Blanche Thebom een zeer aantrekkelijke, lyrische Brangäne.

Maar het mooist is het orkest: in die opname hoor je pas wat een fantastische dirigent die Furtwängler toch was! Wat ook leuk is: in de kleine rolletjes van de matroos en de schaapherder hoor je Rudolf Schock.. Jaa…. dat waren nog eens tijden!



 

HERBERT VON KARAJAN BAYREUTH 1952

Tristan Karajan 1952

Ik ben niet zo’n fan van Martha Mödl als Isolde. Ooo… ik bewonder haar enorm, hoor! Haar uithoudingsvermogen zijn onuitputtelijk en haar krachtige stem kan zich alleen met een laserstraal meten die genadeloos door alle muren heen snijdt tot er niets meer overeind blijft. Daar is de orkaan Irma eigenlijk niets bij.

De in 1952 in Bayreuth live opgenomen voorstelling klinkt behoorlijk scherp, waardoor haar stem nog harder en groter lijkt dan normaal. Daar is veel voor te zeggen, hier hoefde niemand aan knopjes te draaien want wat je hoort is puur natuur. Daar kan zelfs Karajan er met zijn orkest niet tegenop! Legendarisch, dat wel, maar ik hoor! Legendarisch, dat wel, maar ik hoor zo ontzettend weinig liefde in haar interpretatie! Dit in tegenstelling tot de misschien iets minder krachtige maar zeer warme en romantisch klinkende Tristan van Ramón Vinay.

De laatste is voor mij ook de voornaamste reden om de opname te koesteren, maar ook de rest van de cast bevalt mij zeer. Ida Malaniuk is een aantrekkelijke Brangäne, Ludwig Weber een goede Marke en Hans Hotter een beetje zware maar verder mooie Kurwenal.



DVD’s

NIKOLAUS LEHNHOFF GLYNDEBOURNE 2007

Tristan Lehnhoff Glyndebourne

De in augustus 2007 opgenomen voorstelling in de regie van Nikolaus Lehnhoff is voor mij in alle opzichten één van de mooiste Tristan und Isolde’s. Ik heb me, voor het eerst in mijn leven, aan die opera totaal overgeleverd. Zonder spijt, overigens.

Lehnhoff nam Isolde’s woorden: ‘Im dunkel du, im lichten ich’ als het uitgangspunt van zijn enscenering, en zijn spel met donker en licht (en met ruimte!) resulteert in een buitengewoon spannend en wonderschoon bühnebeeld. De kostuums zijn een soort mengsel van middeleeuwse eenvoud en hedendaagse glitter.

Nina Stemme is letterlijk en figuurlijk de mooiste Isolde die men zich kan voorstellen. Haar romige, sensuele sopraan met zijn vele kleurnuances klinkt als een balsem voor de ziel. Al haar noten klinken natuurlijk en moeiteloos, zo vanzelfsprekend en bitterzoet als de liefde zelf.

Robert Gambill voldoet qua stem wellicht niet helemaal aan de zware eisen van de partij, maar zet een zeer charismatische en betrokken Tristan neer. Ook Katarina Karnéus (Brangäne), René Pape (Marke) en Bo Skovhus (Kurvenal) zingen en acteren meer dan voortreffelijk.

De dirigent (een waanzinnig goede Jiří Bêlohlávek) ontlokt aan het orkest de mooiste kleuren en bouwt een thrillerachtige spanning op. De ruim vier uur durende opera is zo voorbij. Een kunst. Zeer aanbevolen. (Opus Arte 0988 D)

NIKOLAUS LEHNHOFF ORANGE 1973

Tristan Böhm Orange

In 1973 regisserde Lehnhoff een toen zeer spraakmakende voorstelling van Tristan in Orange. De productie is simpel en tijdloos en eerlijk gezegd een beetje saai.

Maar de hoofdrollen worden gezongen door de toen 55-jarige Birgit Nilsson en Jon Vickers en het wordt gedirigeerd door Karl Böhm, wat het geheel tot een document van formaat maakt. De beeld- en geluidskwaliteit is pover, maar een echte liefhebber laat zich daar niet door afschrikken (Hardy Classics HCD 4009)

„Als für ein fremdes Land der Freund sie einstens warb“:

 

BARENBOIM EN PONNELLE BAYREUTH 1981

Tristan Barenboim Ponnelle

De opvoering van ‘Tristan’ in 1981 markeerde het debuut van Barenboim en Ponnelle in Bayreuth. Hun samenwerking resulteerde in een immens succes, en zowel het publiek als de pers waren laaiend enthousiast. In oktober ’83 werd de voorstelling, ditmaal zonder publiek, op de video opgenomen (DG 0734321)

De prachtige enscenering van Ponnelle is magisch-realistisch, met veel symboliek, onderhuidse erotiek en dromen, waar de echte wereld eigenlijk een verbeelding blijkt te zijn. De laatste acte speelt zich af in het hoofd van de ijlende Tristan:  begeleid door Isolde’s Liebestod, wellicht de mooiste muziek ooit geschreven, sterft hij in de armen van Kurvenal.

Het is de eerste keer dat ik Johanna Meier zie, en de kennismaking verloopt niet geheel naar wens. Toegegeven – zij ziet er prachtig uit, acteert goed, en op haar zingen kan ik ook eigenlijk niets aanmerken, maar het klinkt allemaal zo gemaakt … Je hoort haar als het ware hard werken, en dat wil ik niet. Maar misschien vergis ik me, en is er tussen haar en mij geen chemie? Aan dat laatste geen gebrek tussen haar en Tristan: een beetje droog klinkende, maar verder prima zingende René Kollo. Matti Salminen is onweerstaanbaar als Marke en Hanna Schwarz is een werkelijk fenomenale Brangäne. Een magische voorstelling.

Hieronder de ‘Liebes Nacht’:

 

 

BARENBOIM EN CHÉRAU MILAAN 2007


BLURAY:BLURAY

De openingsnacht van La Scala met een door Daniel Barenboim gedirigeerde en Patrice Chéreau geregisseerde Tristan und Isolde, met Waltraud Meier in de hoofdrol… Ja, dat schept verwachtingen. De recensies waren niet onverdeeld positief, maar ik was er enthousiast over, en dat ben ik, nu ik de productie nogmaals heb gezien, nog steeds.

Allereerst is er de intelligente en zeer humane regie van Chéreau en het sobere maar zo ‘to the point’ bühnebeeld van Richard Peduzzi. De kostuums en spaarzame decors doen zeer middeleeuws aan en middels kleine details wordt een suggestie van realiteit gewekt. Voor mij het voorbeeld hoe je met het gebruik van traditie een echt modern toneel kan maken.

De personenregie is uitmuntend. Chéreau weet als geen ander van zijn toneelpersonages mensen van vlees en bloed te maken. Het is geen sprookje of legende, alles gebeurt daadwerkelijk en de ‘eeuwigdurende kus’ duurt inderdaad eeuwig.

Waltraud Meier zingt (en acteert!) een warmbloedige Isolde, Michelle de Young is een zeer overtuigende Brangäne, Gerd Grochowski een formidabele Kurwenal en Matti Salminen is als Marke inmiddels al een icoon. Maar het meest verrast werd ik door de toen mij onbekende Ian Storey als een solide Tristan (Warner Classics 0825646055005)

Hieronder fragment van de productie:

OLIVIER PY GENEVE 2005

Tristan Py

In een zeer geslaagde productie uit 2005 uit Geneve (Bel Air BAC014) gooit Jeanne-Michèle Charbonnet alle remmen los Haar emoties zijn levensecht, en haar woede, middels de toverdrank in een alles verzengende liefde omgeslagen, maakt de toeschouwer tot deelgenoot van haar lot. Dankzij de vele close-up’s zitten we letterlijk op haar (en haar minnaars) huid, wat niet altijd mooie plaatjes oplevert, maar alle emoties bloot legt.

De enscenering is een beetje high-tech. De eerste akte speelt zich af op een schip met veel (zwart) metaal, trappen en neonlichten en het begin, met Isolde aan een rail, doet een beetje aan Titanic denken.

De liefdesnacht wordt in verschillende slaapkamers doorgebracht en in de derde akte wordt het toneel letterlijk overspoeld door water. Het klinkt allemaal raar, maar logisch is het wel. En belangrijker: het werkt!

Ook de belichting, van de hand van de regisseur (Olivier Py) is fabelachtig mooi. Clifton Forbis als Tristan haalt het niveau van zijn Isolde niet, maar overtuigt wel.

Hieronder Jeanne-Michèle Charbonnet en Clifton Forbis in ‘Isolde! – Tristan! Geliebter!’:

CHRISTOPH MARTHALER 2008

Tristan Marthaler

 

Christoph Marthaler behoort ongetwijfeld tot de beste hedendaagse toneelregisseurs. Hij doet ook veel opera en muziektheater. Niet helemaal verwonderlijk: Marthaler heeft een gedegen muziekopleiding genoten en is zijn loopban begonnen als musicus en componist.

Zijn producties zijn vaak kaal en kil, in zijn concepten zijn mensen niet in staat om van elkaar te houden en in zijn (bijzonder sterke, dat wel) personenregie gaat hij met zijn personages aan de haal. Hij manipuleert. Niets op tegen als het werkt en als het niet tegen de muziek indruist, maar vaak is het buitengewoon irritant. En – wat erger is – saai

Dat is ook het geval met deze ‘Tristan und Isolde’. De productie, in 2008 voor de tweede keer in Bayreuth uitgeboeid, komt er dan ook niet meer terug.

Maar muzikaal is het dik in orde. Schneider is misschien niet de opwindendste dirigent ter wereld, maar wat hij aan het orkest ontlokt, is pure klankschoonheid. Alsof hij wilde zeggen: kijk, die muziek gaat toch echt over liefde.

Er wordt ook voortreffelijk gezongen. Iréne Theorin en Robert Dean Smith zijn een goed liefdespaar en Robert Holl zet een prachtige, zeer menselijke Marke neer. (Opus Arte OA 1033). Mocht u liefhebber zijn van modern toneel en van concepten, dan is deze productie echt iets voor u.

Hieronder fragment uit de productie:

 

 

 

SALOME: de gevaarlijke verleidster of …..? Discografie.

Salome Oskar Kokoschka - Tutt'Art@ 1

Oskar Kokoschka:  Salome (1906)

Er zijn van die opera’s die veel verbeeldingskracht van hun toeschouwers vereisen. Salome, bij voorbeeld. De puberale heldin is maar 15 jaar jong, maar Strauss geeft haar zeer heftige noten te zingen. Je moet er een stem van een Isolde voor hebben, maar je moet ook kunnen overtuigen dat je een jong en aantrekkelijk ding bent. En je moet ook nog eens uit de kleren.

Salome Wittich premiere dresden 1905

Première in 1905 in Dresden met Marie Wittich als Salome

Dat laatste hoefde van Strauss aanvankelijk niet – zijn allereerste Salome die de première in Dresden (1905) zong, Marie Wittich, was nogal zwaarlijvig.

Salome Wittich_SchuhSembachStra_Dd05

Marie Wittisch en Richard Strauss (helemaal rechts)

Maar Aino Ackté, een in die tijd zeer populaire Finse sopraan en een zeer aantrekkelijke vrouw, wist Strauss te overtuigen dat zij de enige echte Salome was. Zij nam balletlessen en bereidde de rol voor met de componist zelf.

Salome Acte 1

Haar eerste Salome zong zij al in 1907 in Leipzig en daarmee werd zij de allereerste zangeres in de geschiedenis die ook de ‘Dans van de zeven sluiers’ zelf uitvoerde. Londen (1910, onder Beecham), Parijs en Dresden (onder Strauss) volgden, en zo zette zij de standaard neer, waar niet veel zangeressen tegen zijn opgewassen. Niet dat zij de striptease helemaal uitvoerde: onder de sluiers droeg zij een huidkleurige body, die de naaktheid suggereerde.

De allereerste die helemaal naakt vanonder de sluiers tevoorschijn kwam, althans op de bühne, was waarschijnlijk Josephine Barstow, in 1975, eerst in Sadler’s Wells in Londen. Kort daarna herhaalde zij haar rol in Deutsche Staatsoper in Berlijn, in de productie van Harry Kupfer die in 1994 ook te zien was bij DNO in Amsterdam:

Een ander probleem waar menig regisseur (en de vertolkster van de hoofdrol!) moeite mee kan hebben is het karakter zelf. Is Salome daadwerkelijk een gevaarlijke verleidster en naar seks hunkerende nymfomane? Misschien is zij maar een gewone puber op zoek naar liefde en genegenheid?

Een verwend meisje dat opgroeit in een liefdeloze omgeving, waar men meer om geld en uiterlijk vertoon geeft dan om wat dan ook? Een slachtoffer van driften van haar geile stiefvader, die moeite heeft met haar ontluikende seksualiteit? Die in haar naïviteit gelooft dat de ‘heilige’ man, met zijn mond vol ‘normen en waarden’ haar daadwerkelijk kan helpen, maar wordt afgewezen? Waardoor zij zint op wraak? Moeilijk.

Salome Karl perron

Carl Perron, de eerste Jochanaan, hier als Amfortas

En wat te doen met Jochanaan? In het libretto staat nadrukkelijk dat hij jong en aantrekkelijk moet zijn, maar vind nou eens een bas/bariton met een grote stem en een autoritaire uitstraling die dan ook nog eens voldoende aantrekkingskracht op een mooie, door de mannen bewonderde en begeerde prinses zou moeten hebben. Het blijft tobben.

CD’S

CHRISTEL GOLTZ (1954)

Salome Goltz

Deze opname is misschien niet één van de beste Salome’s in de geschiedenis, maar bijzonder is het zeer zeker. Zodra je gewend bent aan het scherpe mono-geluid gaat er een totaal nieuwe wereld van klank voor je open, één die zijn weerga niet kent. De klankrijkdom en de kleuren van het Wiener Philharmoniker op haar best, daar zou ik uren naar kunnen luisteren. Alleen al daarvoor zou ik deze opname niet willen missen! Clamens Krauss behoorde tot de kring van Strauss-intimi, hij was het ook die premières van een paar van zijn opera’s heeft gedirigeerd en dat is te horen.

Christel Goltz is een uitstekende Salome. Zelfbewust, weinig naïef en zeer krachtdadig, en wat een stem! Julius Patzak (Herodes), Margareta Kenney (Herodias) en Hans Braun (Jochanaan) zijn niet echt bijzonder, maar de door Anton Dermota met smacht en traan gezongen Narraboth maakt veel goed (Naxos 8111014-15).


BIRGIT NILSSON (1962)

Salome Nilsson

Deze opname heet legendarisch te zijn, maar mij heeft het nooit kunnen bekoren. Ook die interpretatie van de titelrol door Birgit Nilsson is nooit aan mij besteed geweest. Nilsson heeft een stem waar je u tegen zegt, maar zij is nergens verleidelijk, erotisch of naïef.

Eberhard Wächter overschreeuwt zichzelf als Jochanaan en Waldemar Kmennt als Narraboth is niet minder dan een grote vergissing. Wat over blijft is de spannende directie van Georg Solti (Decca 4757528)


MONTSERRAT CABALLE (1969)

Salome Caballe

Montserrat Caballé? Werkelijk? Ja, werkelijk. Haar eerste Salome zong Caballé in Basel in 1957, zij was toen nog maar 23 jaar oud.

Salome was ook de eerste rol die zij in Wenen zong in 1958 en ik wil (en kan) u verzekeren: zij was één van de allerbeste Salome’s ooit. Zeker op de opname die zij in 1969 maakte onder de zinderende leiding van Erich Leinsdorf. Haar prachtige stem, met de toen al aanwezige fluisterzachte pianissimi en een fluwelen hoogte klonk niet alleen kinderlijk maar ook zeer bewust seksueel geladen, een echte Lolita.

De door Sherrill Milnes zeer charismatisch gezongen Jochanaan heeft een uitstraling van een fanatieke sekteleider en Richard Lewis (Herod) en Regina Resnik (Herodias) completeren de voortreffelijke cast (Sony 88697579112).


Caballé als Salome in 1979:

HILDEGARD BEHRENS (1978)

untitled

Deze opname koopt u voornamelijk vanwege Narraboth. Wieslaw Ochman klinkt zo waanzinnig verliefd en zo verschrikkelijk wanhopig dat je werkelijk medelijden met hem moet hebben. Ook de Herodias van Agnes Baltsa is niet te versmaden: haar vertolking van de rol behoort tot de besten die ik ken. José van Dam is een zeer autoritaire Jochanaan: een echte prediker en missionaris, waar weinig aantrekkingskracht uitgaat.

Hildegard Behrens’ Salome vind ik weinig erotisch. Met haar toen nog licht lyrische stem klinkt zij eerder als een verwend kind dat boos wordt als zij haar zin niet krijgt. Hier is ook iets voor te zeggen, zeker omdat Behrens een onvoorstelbaar goede stemactrice is en alles wat zij zingt is letterlijk te volgen. Hier heb je geen libretto bij nodig.

Maar de echte erotiek vindt u in de orkestbak: Herbert von Karajan dirigeert zeer sensueel (Warner Classics 50999 9668322)


CHERYL STUDER (1991)

Salome Studer

Ik realiseer mij wel dat velen van u het niet met mij eens zullen zijn, maar voor mij is Cheryl Studer de allerbeste Salome van de laatste vijftig jaar. Althans op cd, want zij heeft de rol nooit compleet op de bühne gezongen (DG 4318102). Als weinig anderen weet zij het complexe karakter van Salome’s psyche weer te geven. Luister alleen maar naar haar vraag ‘Von wer spricht er?’ waarna zij zich realiseert dat de profeet het over haar moeder heeft en op een verbaasde, kinderlijk naïeve manier zingt: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Meesterlijk.

Bryn Terfel is een zeer viriele, jonge Jochanaan (het was, denk ik, de eerste keer dat hij de rol zong), maar het allermooiste is de zeer sensuele, breedklankige directie van Giuseppe Sinopoli.


DVD’s

TERESA STRATAS (1974)

Salome Stratas

Voor Teresa Stratas, net als voor Studer, lag Salome niet binnen haar stembereik: haar stem was daarvoor te klein en zou nooit boven de zware orkestklank kunnen uitkomen. Maar een film, ja dat kon wel, zeker ook omdat ze een echte actrice was, waar de camera bijzonder van hield.

Haar portrettering van de prinses in een film die Götz Friedrich in 1974 voor TV maakte (DG 0734339) is dan ook onvergetelijk. Als een erotische slang kronkelt ze met haar prachtige lijf op de grond, maar haar mooie ogen spreken van onschuld. Wel straalt ze een zekere kilte uit, wat wellicht de schuld van de gefilmde perfectie kan zijn. Want perfect is de film zeer zeker, je kan wellicht zelfs van één van de meest geslaagde operaverfilmingen ooit spreken.

Toegegeven: sommige scènes (en zeker de jaren zeventig make-up) doen een beetje gedateerd aan, maar wat is het allemaal spectaculair! De decors en kostuums zijn zeer realistisch – je waant je in een door Herodes geregeerde Judea. Op geld werd duidelijk niet beknibbeld.

Bernd Weikl is een schitterend zingende, aantrekkelijke  Jochanaan (jammer alleen van zijn bespottelijke pruik) en Astrid Varnay is een klasse apart als de huiveringwekkende Herodias. Wat die vrouw aan gezichtsuitdrukkingen ter beschikking heeft is onvoorstelbaar, en je vergeeft het haar dat haar stem inmiddels helemaal is versleten. Wat eigenlijk ook bij de rol past.

En ja: Stratas gaat uit de kleren. Na haar prachtig sensueel uitgevoerde dans valt zij totaal uitgeput naakt op de grond.

Laatste scène uit de film:

MARIA EWING (1992)

Salome Ewing

Ook Maria Ewing is een zeer aantrekkelijke Salome. Ook zij heeft haar uiterlijk mee en met haar verongelijkt gezicht, haar pruilende mond en wijd opengesperde grote ogen kan ze zonder moeite voor een teenager worden aangezien. En zij kan zingen ook.

Jochanaan wordt gezongen door een zeer aantrekkelijke, slechts in een minuscuul slipje geklede Amerikaanse bariton Michael Devlin. Van zijn spieren ben ik bijzonder onder de indruk, van zijn stem minder. Toch: de erotisch geladen spanning tussen hem en Salome is om te snijden, dat is theater!

Kenneth Riegel is wellicht de beste Herodes in de geschiedenis. Zijn blikken zijn geil en zijn stem klinkt wellustig, maar ook zijn angst voor de profeet is bijna fysiek voelbaar. Adembenemend.

De vijfentwintigjaar oude ROH productie van Peter Hall, de toenmalige echtgenoot van Ewing, is zeer traditioneel. En ja, ook Ewing gaat voor “full monty” (Opus Arte OA R3108 D)

Maria Ewing in de dans van de zeven sluiers:

NADJA MICHAEL (2007 & 2008)

Er zijn laatst maar liefst twee verschillende DVD’s met in de hoofdrol Nadja Michael verschenen: uit La Scala (2007, regie Luc Bondy) en uit Covent Garden (2008, regie David McVicar). Beide producties zijn zonder meer goed, al vind ik zelf de McVicar’s versie veel spannender.

Salome Bondy

Regie van Luc Bondy (Arthaus Musc 107323) is nogal traditioneel en eigenlijk zeer simpel. Zijn setting is minimalistisch, de kleuren donker, maar het binnenvallende licht van de alom aanwezige maan is zonder meer prachtig. Irmis Vermillion is een, ook visueel, zeer aantrekkelijke Herodias en Herodes (een werkelijk voortreffelijke Peter Bronder) is niet meer dan een klein en miezerig mannetje. Falk Struckmann (Jochanaan) weet met zijn stem zeer zeker indruk te makken, maar oogt te oud en te vadsig.

Trailer van de productie van Luc Bondy:

McVicar (Opus Arte OA0996D) gaat voor een beetje kinky en sado-maso (denk aan ‘Salo’ van Passolini), maar verwacht geen zinloze porno en/of geweld zoals bij Bieito of Kusej. Daar is McVicar een veel te goede regisseur voor, hij choqueert niet om te choqueren. De sfeer is, vanaf de eerste maat, zeer dreigend en de spanning om te snijden. Michael Volle beschikt over een zeer erotische bariton en zijn Jochanaan is sensueel en afschrikwekkend tegelijk.

Salome McVicar

trailer van de McVicar productie:

 

Bij Bondy is Salome een beetje gothic teenager, gek op gruwelverhalen en op zoek naar sensatie. En naar liefde. Bij McVicar is zij een jong volwassene. Mooi en waardig. Met nek en schouders boven de meute uitstekend. En echt wanhopig. En nee: zij gaat niet uit de kleren. In beide producties eindigt de dans buiten het beeld en in beide producties wordt de suggestie gewekt dat Herodes kreeg wat hij wilde. Hier kunt u uw eigen fantasie gebruiken.

LJUBA WELITSCH (1949)

Salome Welitsch sony

Welke Salome u ook niet kiest, er is één waar u absoluut niet omheen kunt: Ljuba Welitsch. De opname die ze in 1949 onder Fritz Reiner, meteen na haar sensationeel debuut in de MET in de rol maakte (Sony MHK 262866) is nooit meer geëvenaard.

 

Op Youtube kunt u Welitsch ook in de laatste scène van de opera horen in de opname uit 1951 onder Clemens Kraus

[youtube https://www.youtube.com/watch?v=iGSu5fxYK6s&w=560&h=315

Salome in Amsterdam: SALOME IN AMSTERDAM
Salome in Frankfurt: Emily Magee als SALOME in Frankfurt
Salome tijdens de ZaterdagMatinee: ‘DAS GEHEGE’ van Wolfgang Rihm: een moderne versie van ‘SALOME’? ZaterdagMatinee december 2011
Herodiade: HÉRODIADE