Bo_Skovhus

Soile Isokoski, een ster voor de fijnproevers

Isokoski

Beroemd is zij wel, maar het is niet de beroemdheid van een Pavarotti of een Bartoli. Nog steeds kan ze makkelijk incognito de straat op, maar de echte stemliefhebber weet wel beter, en haar fans volgen haar optredens overal ter wereld.

Haar carrière begon in 1987 toen ze de tweede prijs won in Cardiff, maar het is pas een jaar of vier geleden, dat haar naam werkelijk werd bevestigd. Genegeerd door de grote platenmaatschappijen moest ze het hebben van haar optredens en van mond op mondreclame.

Voor het eerst hoorde ik haar als donna Elvira in Parijs, met Bo Skovhus als don Giovanni. Het was Skovhus voor wie ik de reis ondernomen had, en het was Soile Isokoski die mijn hart sneller deed kloppen. Haar Elvira was hartverscheurend en meelijwekkend, ja, bij haar kon ik me al die tranen om de verleider voorstellen.


Het is ook uitgerekend Bo Skovhus, met wie Isokoski het Italienisches Liederbuch van Hugo Wolf heeft opgenomen, met aan de piano Marita Viitasalo, haar vaste begeleidster. De miniatuurtjes van Wolf hebben nooit betere protagonisten gehad, want de beide stemmen hebben heel veel gemeen: perfecte dictie, muzikaliteit, het grote kunst om met je stem alleen te kunnen ‘acteren’, en een ietwat zoetig timbre.

Voor haar uitvoering van de Vier letzte Lieder van Strauss heeft zij, volkomen terecht, een Grammy Award gekregen en haar opname van Finse liedjes (alles op Ondine) hoort bij iedere liedliefhebber thuis.


Hugo Wolf
Italienisches Liederbuch
Soile Isokoski (sopraan), Bo Skovhus (bariton), Marita Viitasalo (piano)
Ondine ODE 998-2 (2cd’s)

Advertenties

Die Tote Stadt discografie. Deel 1

tote stadt poster

,,Het vergeten vormt een deel van alle handelingen”, schreef Nietsche in één van zijn pamfletten. ,,Om te (over)leven moet men soms zijn verleden vernietigen.” Korngold zou het moeten weten, want juist met die woorden kun je de werkelijke thema’s van zijn bekendste opera, Die Tote Stadt, samenvatten.

tote stadt affiche

“A scene from the original 1920 Hamburg production of Die tote Stadt. From left to right: Walter Diehl (Graf Albert); Josef Degler (Fritz) Anny Münchow (Marietta); Felix Rodemund (Gaston); and Paul Schwartz (Victorin).”

Die Tote Stadt beleefde gelijktijdig haar wereldpremière in Keulen (onder directie van Otto Klemperer) en Hamburg op 4 december 1920, waarna de hele wereld volgde. Voor de oorlog was het de meest gespeelde van alle eigentijdse opera’s.

 

RENÉ KOLLO (ooit RCA, tegenwoordig Sony)

tote stadt leinsdorf

Na 1938 werd Die Tote Stadt niet meer uitgevoerd. Pas in de jaren zeventig begon men aan een voorzichtige comeback. Uit die tijd (1975) stamt de eerste en nog steeds (!) de enige studio-opname van de opera.

Jammer genoeg vertelt het tekstboekje (dat voor de rest prima is verzorgd met de goed weergegeven synopsis en het volledige libretto in twee talen) niet het ‘waarom’ van die uitgave. Graag had ik willen weten wie het idee om juist Die Tote Stadt op te gaan nemen had opgevat, des te meer daar het werk toen nog als inferieur werd beschouwd.

Ook Leinsdorf heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij het werk niet hoog achtte. En toch dirigeert hij het alsof het om een meesterwerk gaat. Wellicht ging hij er gaandeweg in geloven? Hij geeft de opera de grandeur van een monument en de glans van goud. Bijzonder spannend en energiek leidt hij het schitterend spelende Radio-orkest uit München door de partituur heen. Aan het eind van de eerste acte, als het portret van Marie tot leven komt, waan je je midden in de droomscène uit ‘Spellbound’ van Hitchckock, en zelfs zonder beeld is de spanning om te snijden.

Er wordt ook voortreffelijk gezongen, al heb ik een beetje moeite met Kollo in zijn veeleisende rol van Paul. Tijdens de opname pendelde hij tussen München en Bayreuth, waar hij toen Parsifal zong, waardoor zijn stem wat vermoeid klinkt. Bovendien prefereer ik in die rol een meer lyrische tenor, maar wel één met voldoende kracht om boven het orkest uit te kunnen komen. Fritz Wunderlich had ideaal kunnen zijn, maar die was toen al bijna tien jaar dood, en aan Gösta Winbergh had toen niemand gedacht.

Carol Neblett is een fantastische Marie/Mariette, haar romige sopraan bezit veel kleuren en is goed stabiel in de hoogte. Benjamin Luxon zet een warme en vaderlijke Frank neer en Herman Prey (Fritz) brengt het paradijs dichterbij met zijn zoet gezongen Serenade. Ook de kleine rol van Brigitte wordt fenomenaal gezongen door Rose Wagemann, wellicht de beste Brigitte die ik tot nu toe hoorde.


THOMAS SUNNEGÅRDH (Naxos 8660060-1)

tote stadt naxos

In 1996 werd Die Tote Stadt in het Royal  Swedisch Opera House in Stockholm op het repertoire gezet. Twee van de voorstellingen werden door Naxos live opgenomen en op cd uitgebracht. Het resultaat is beslist niet slecht, men voelt de spanning van het theater wat in feite altijd een pré is. De toneelgeluiden zijn hoorbaar, mij stoort het niet, integendeel. Leif Segerstam dirigeert bedaard en het is te wijten aan een paar coupures dat het geheel bij hem bijna 15 minuten korter is dan bij Leinsdorf.

Paul wordt gezongen door Thomas Sunnegårdh, een Wagner-tenor die voornamelijk imponeert door zijn volume: af en toe ontaardt hij in sprechgesang en de lyriek is nergens te bekennen. Schitterend daarentegen Katarina Dalayman als Marie/Mariette en ook Anders Bergström (Frank) en Per-Arne Wahlgren (Fritz) zetten hun rollen overtuigend neer.


TORSTEN KERL

DVD

tote stadt strassbourg

Opéra National du Rhin in Strasbourg zette Die Tote Stadt in april 2001 op de planken. De zeer omstreden productie door Inga Levant werd door Arthaus Musik (100 342) op dvd uitgebracht.

Als u dacht dat het verhaal van Die Tote Stadt zich aan het eind van de negentiende eeuw in Brugge afspeelt dan heeft u het mis. Weliswaar baseerde Korngold zijn meesterwerk op Rodenbachs  ‘Bruges-la-morte’ en drukte die middeleeuwse stad met zijn mist en symboliek zijn stempel op zowel het libretto als op de muziek, maar Inga Levant weet beter. Zodoende belanden we in Hollywood waar alles mogelijk is en Marietta lijkt niet alleen op Marie maar tevens op Marylin Monroe.

Het geheel is gelardeerd met citaten uit de films van Fellini, maar fusion is in en alles moet kunnen. Gelaten accepteer ik dus dat ‘Mein Sehnen, mein Wänen’ niet door Pierrot maar door de barman – overigens schitterend en met voldoende dosis schmalz vertolkt door Stephan Genz – wordt gezongen.

Moet kunnen? Nee, want als ook het libretto geweld wordt aangedaan dan houdt mijn geduld en tolerantie op. Ik accepteer dus de zelfmoord van Paul niet want hiermee vermoordt hij niet allen zichzelf, maar ook de hele opera.

Torsten Kerl (Paul) en Angela Denoke (Marie/Mariette) zingen prima, maar de laatste overtuigt voornamelijk door haar overweldigende bühnepresence en acteervermogen.

CD Orfeo C 634 042 I

tote stadt salzburg

In de zomer van 2003 werd die opera tijdens de Salzburger Festspiele uitgevoerd. De regie was in handen van Willy Decker en de hoofdrollen werden gezongen door Torsten Kerl, Angela Denoke (ze schenen er een patent op te hebben) en Bo Skovhus. De voorstellingen werden zowel door het publiek als door de pers met een enorm enthousiasme ontvangen en de volledige cast werd beloond met een staande ovatie.

De uitvoering van 18 augustus werd door ORF live opgenomen en op cd uitgebracht. Waarom niet dvd? Door gebrek aan beeld mist men een belangrijk aspect van de voorstelling, des te meer daar de regisseur de rollen van Frank en Fritz door dezelfde zanger liet vertolken wat optisch wellicht in het regieconcept werkte, maar zonder beeld bijzonder verwarrend is.

Torsten Kerl zit duidelijk aan zijn vocale grenzen, wat zich voornamelijk in zijn geknepen hoogte uit. Maar hij kent ook veel mooie en lyrische momenten, iets wat niet gezegd kan worden van Angela Danoke: zonder beeld blijft van haar niets over.

De opera is ook op You Tube te beluisteren:

Maar ook over Bo Skovhus kan ik maar niet enthousiast worden, iets wat me bijzonder zwaar valt: ooit behoorde hij tot één van mijn geliefde baritons. Hij zingt mat, zonder ziel en zijn voordracht van ‘Mein Sehnen, mein Wänen’ is ronduit bleek. Jammer, want dat hij het beter kan heeft hij  al aan het begin van zijn carrière laten horen op één van zijn eerste cd-opnamen:

Reisopera boekt groot succes met ‘Die tote Stadt’

Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’

Das Wunder der Annemarie Kremers ‘Heliane’

TUSSEN TWEE WERELDEN

DIE KATHRIN

DIE STUMME SERENADE

KORNGOLD: complete songs

Die Lustige Witwe en The Merry Widow

DIE LUSTIGE WITWE

Witwe Gilfrey

De operette mag weer gezien en gehoord worden en zelfs in de deftigste opera huizen komt ze tegenwoordig op het repertoire voor. Vaak wordt er voor Die Lustige Witwe gekozen en niet zonder reden: dit is een prachtig werk, vol stervensmooie melodieën en geestige dialogen.

Helmuth Lohner, aanvankelijk een film- en toneelacteur en operettezanger legt zich de laatste jaren toe op het regisseren en dat doet hij voortreffelijk. Zijn uit 2004 daterende productie uit Zurich is zeer traditioneel, rijk aan kleuren en bewegingen, en zijn satirische karakterisering van de personages is zeer logisch.

Wel permitteert hij zich een kleine ‘aanpassing’: na het mannensextet ‘Wie die Weiber’ laat hij de  vrouwen een equivalent ervan zingen.

Aanvankelijk had ik een beetje moeite met de ietwat schrille Dagmar Schellenberg (Hanna), maar gaandeweg wordt zij alleen maar beter en revancheert zich met een perfect uitgevoerd Vilja-lied.

Rodney Gilfrey is een onweerstaanbaar charmante en sexy Danilo, Ute Gferer een kittige Valencienne en Piotr Beczala doet met zijn prachtige, lyrische tenor de goede oude tijden van een Kiepura herleven (Arthaus Music 100451)

THE MERRY WIDOW

Witwe Skovhus

Ja, het is in het Engels. So what? De ‘unvergessenliche süsse melodien’ klinken er niet minder mooi om. Deze productie van Franz Lehárs Die Lustige Witwe door de San Francisco Opera is gewoon wonderschoon.

The Merry Widow was in 2003 de laatste productie van Lotfi Mansouri, sinds meer dan veertig jaar het gezicht van de San Francisco Opera. Voor die gelegenheid werd een nieuwe Engelse vertaling van het libretto gemaakt, althans van de Franse versie ervan. Hierin speelt de laatste akte zich niet bij Hanna thuis, maar in het echte ‘Maxim’.

Mansouri ziet Hanna als een al wat rijpere vrouw, die gezongen dient te worden door een zangeres die Marschallin al heeft vertolkt. In dit concept past Yvonne Kenny, die hiermee haar roldebuut maakt, wonderwel. Ze beschikt over een schitterende charisma, haar stem is romig, fluwelig en betoverend.

Ook Bo Skovhus is een Danilo naar Mansouri’s hand: jeugdig en onweerstaanbaar aantrekkelijk. Zijn stem klinkt als een klok, hij is een begenadigd acteur en een voortreffelijke danser.

„Ik doe wat ik kan”, antwoordt hij op Hanna’s: „U danst goddelijk”. Nou, hij kan echt zeer veel en het verbaast me dus niet dat hij niet alleen dé Danilo maar ook één van de belangrijkste baritons van de laatste tien van de vorige en de eerste tien jaar van deze eeuw was geworden. De te zware rollen hebben zijn stem inmiddels een beetje aangetast maar hij blijft een belangrijke bühne-persoonlijkheid.

Angelika Kirschschlager en Gregory Turay excelleren als Valencienne en Camille, en ook de rest van de cast is voortreffelijk. Een wonderschone productie (Opus Arte OA 0836 D)

Kerst Operette-Gala’s uit Dresden

HEART’S DELIGHT. Piotr Beczała zingt operette

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’

Zemlinsky LS partituur

Wij kunnen het ons niet meer voorstellen, maar de allereerste naoorlogse uitvoering van de Lyrische Symphonie dateert uit eind jaren zeventig van de vorige eeuw. Dit absolute meesterwerk werd gecomponeerd tussen 1922-23 en beleefde zijn première in Praag 4 juni 1924. Het is, net als Das Lied von der Erde van Mahler een soort kruising tussen een orkestrale liederencyclus en een symfonie.

 

Zemmlinsky Rabindranath-Tagore+Der-Gärtner

Zemlinsky schreef het werk op de tekst van de Bengaalse dichter Rabindranath Tagore The Gardener, in de Duitse vertaling van Hans Effenberger. De zeven liefdesgedichten zijn gegoten in de vorm van een dialoog tussen een prins (bariton) en een verliefd meisje (sopraan). Veel musicologen beschouwen het werk als autobiografisch en daar zit zeer zeker iets in.

Of het om de (nog steeds?) onverwerkte breuk met Alma Schindler ging, zoals sommige critici willen geloven? Dat denk ik niet, zelf ben ik veel meer geneigd om Antony Beaumont (dé Zemlinsky kenner en biograaf) te geloven dat het om zijn in die tijd net begonnen relatie met Louise Sachsel ging.

 

Zemlinsky Berg en Fuchs

Alban Berg en Hanna Fuchs

In dit kader bezien is het misschien leuk te weten dat Alban Berg het derde deel van de symfonie (‘Du bist mein Eigen’) in het Adagio Apassionato van zijn Lyrische Suite voor strijkkwartet citeerde. U weet toch wel dat Berg in die tijd een heimelijke liefdesaffaire had met Hanna Fuchs, voor wie hij het werk componeerde?

Hieronder het Adagio appassionato uitgevoerd door het Galimir String Quartet. De opname dateert uit 1935:

Van het ooit zo genadeloos vergeten maar inmiddels het bekendste en het vaakst uitgevoerde werk van Zemlinsky bestaan best veel uitvoeringen. Daar springen er meteen twee uit, van  James Conlon en Riccardo Chailly.

Orkestraal wint Chailly het, voornamelijk vanwege de ongeëvenaarde klank van het KCO, maar in het vierde deel weet Conlon zijn orkest zulke zoete tonen te ontlokken dat ik er helemaal voor ga.

Zemlinsky LS Chailly

Opname onder Riccardo Chaillly:


Zemlinsky LS Conlon

Ook de solisten vind ik bij Conlon geschikter. Bo Skovhus overtuigt mij veel beter dan Håkan Hagegård. De tweede heeft een warme, ronde bariton met iets rustgevends in zijn timbre en dat vind ik hier een nadeel, de rusteloosheid in de stem van Skovhus geeft zijn woorden wat meer impact.

Zijn voordracht vind ik ook helderder en zijn uitspraak duidelijker. Luister hoe hij de woorden  “Du bist mein Eigen, mein Eigen, du, die in meinen endlosen Träumen wohnt...zingt!

Ook Soile Isokoski is te prefereren boven de (prachtig zingende, dat wel) sopraan van Chailly, Alexandra Marc.

Opname onder James Conlon:


Bo Skovhus is altijd iemand geweest die de Entartete Musik een meer dan een warm hart toedraagt. Dat liet hij merken door – onder andere – de keuzes voor de door hem gezongen werken.

De Lyrische Symphony stond vaak in zijn concertprogramma’s overal ter wereld, ook in Amsterdam (maart 2007, met Hillevi Martinpelto en het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Donald Runnicles) en behalve voor EMI heeft hij het werk ook voor RCA opgenomen, deze keer met een onvoorstelbaar mooie lyrische sopraan Luba Orgonasova.

Zemlinsky LS Flor

De directie van Claus Peter Flor is een beetje onevenwichtig, maar de zes liederen die er aan vastzitten, door Skovhus gezongen en schitterend op piano begeleid door Helmut Deutsch, maken een boel goed.

Hieronder een opname met Bo Skovhus, Maria Bengtsson en het Staatskapelle Berlin onder leiding van Kirill Petrenko, opgenomen in het Berlijnse Philharmonie op 30 december 2011:

In de opname van BBC Classics uit 1996 worden de zangpartijen met veel begrip en nog meer nuancen gezongen door Thomas Allen en Elisabeth Söderström. Michael Gielen toont enorm veel affiniteit voor de partituur.

Zemlinsky LS Allen

Zie ook: deel 1
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man

deel 3: EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden

deel 4: EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

Lyrische Suite van Alban Berg: Renée Fleming zingt BERG, WELLESZ en ZEISL

 

 

 

ALBAN BERG: Wozzeck. Discografie.

Wozzeck Buchner

Georg Büchner


Het waargebeurd verhaal over de jonge soldaat Woyzeck, die in 1824 schuldig werd bevonden aan de moord op zijn vriendin en ter dood werd veroordeeld, heeft de jonge Oostenrijker Georg Büchner geïnspireerd tot het schrijven van zijn toneelstuk. Het werk is onafgemaakt is gebleven, Büchner is in 1837 op 24-jarige leeftijd aan tyfus overleden en Woyzeck werd pas in 1913 op de planken gebracht. Alban Berg bezocht het toneelstuk een jaar later in Wenen en besloot er een opera van te maken. De première 4 december 1925 in Berlijn was een overweldigend succes.

Wozzeck Alban&HeleneBerg

Alban en Helene Berg na de première in Berlijn


“Fragmentarisch, hallucinerend en uiterst pessimistisch”. Zo werd het toneelstuk omschreven en zo is de opera zelf ook. Dit werk – misschien wel de aangrijpendste opera van de vorige eeuw – gaat altijd vergezeld van een ongekende ongenaakbaarheid. De muziek is zeer expressief en niet in één definitie samen te vatten: Berg gebruikte zowel de dodekafonie als de zoetste vioolklanken, en wisselde het sprechgesang af met melancholieke “aria’s”.

Wozzeck Berg met performers van Wozzeck premiere in Oldenburg

Alban Berg met de Wozzeck – cast na de première in Oldenburg 1929

Meesterwerk of niet: alles staat of valt met de uitvoering en dat zijn er best veel.
Een selectie:

DVD’s

HAMBURG 1970

Wozzeck Blankestein

Onder leiding van Rolf Liebermann groeide de Hamburgse Staatsopera tot één van de beste en spraakmakendste operahuizen ter wereld. Liebermann zorgde voor een goed, gedegen en gevarieerd repertoire met extra veel aandacht voor de hedendaagse werken.

Gelukkig voor ons, die de jaren niet (bewust) hebben meegemaakt, dacht Liebermann ook aan de toekomst en liet de regisseur  Joachim Hess een dertiental van de toenmalige producties voor de TV vastleggen. De meeste opnamen vonden plaats in een studio, met Wozzeck is men uitgeweken naar – en rond – een kasteel in Zuid Duitsland.

De tegenwoordig vrijwel helemaal vergeten bariton Toni Blankenheim was één van de pilaren van de Hamburgse opera. Hij zong er tal van de rollen, maar echt beroemd werd hij pas als Schigolch (Lulu), in de productie met Teresa Stratas.

Zijn zeer charismatische verschijning, zijn enorm acteertalent en zijn buigbare, warme bariton maakten hem meer dan geschikt voor het zingen van rollen van “complexe karakters”. Zoals Wozzeck. Als geen ander is Blankenheim zowat de personificatie van de “simpele ziel”; zijn wanhoop is niet gespeeld en zijn onbegrip staat op zijn gezicht getekend.

Sena Jurinac is een mooie, licht getimbreerde, maar een zeer sensuele en erotisch geladen Marie.

Bruno Maderna is nooit een kampioen geweest in het dirigeren van andermans werken, maar met het idioom van Berg heeft hij zonder meer veel affiniteit.

De productie is zeer realistisch en de spanning is om te snijden. Het is alsof je naar een onvervalste triller zit te kijken.

Liebermann wordt tegenwoordig gezien als de vader van het regietheater, alleen bedoelde hij er iets anders mee dan het huidige conceptualisme en het opzoeken (en vaak overschrijden) van de grenzen van het toelaatbare en de belachelijke. Afijn: kijkt u maar zelf. Die opname is een absolute must (Arthaus Music 101277)

 

WENEN 1987

Wozzeck Abbado

Deze productie was mijn eerste ‘Wozzeck’ ooit. Ziek werd ik er van, van de emoties en de gevoelens die de opera bij mij opriep. Het meest werd ik toen geraakt door de vertolking van Marie door Hildegard Behrens.

Nog steeds vind ik haar optreden buitengewoon indrukwekkend, maar nu ik de opera beter ken heb ik ook mijn twijfels. Zo nu en dan vind ik haar namelijk een beetje té. Te chargerend in haar spel, maar ook te chargerend in haar zang. Alsof ze de grenzen van wat haar stem aankan is aan het opzoeken. In haar creatie doet ze mij – neem het niet al te letterlijk! – aan de Italiaanse actrice Anna Magnani denken, wat eigenlijk een groot compliment is.

Franz Grundhebber zet een verbitterde Wozzeck neer, maar dan één die niet gespeend is van enige pathos.

Heinz Zednik is een ongeëvenaarde kapitein en de jonge Philip Langridge een schitterende Andres.

Dat Abbado affiniteit heeft met de muziek van Berg, is nogal wiedes. Hij dirigeert fel en dwingend, de spanning is al vanaf de eerste noot voelbaar. En toch is de lyriek nergens ver weg.

Kunt u zich nog het magische moment herinneren als het doek opengaat? Dat kunt u hier weer beleven. Waarna zich een wereld voor u openbaart die u uit het libretto kent: we bevinden ons in de kamer van de kapitein, met achter het raam een uitzicht op wat weleens een plaats delict zou kunnen worden. En dan de belichting! Om te zoenen zo mooi!

Deze fascinerende productie (regie Adolf Dresen) zou als verplichte kost op alle opleidingen tot operaregisseur vertoond moeten worden. Alleen al om al die regisseurs in spe laten zien dat traditioneel niet automatisch saai of museaal (overigens: daar is ook niets op tegen) betekent.

En wat is Abbado hier nog jong! (Arthaus Musik 109156)

Trailer van de productie:

 

MOSKOU 2010

Wozzeck Nigl Tcherniakov

Hier moet ik, noodgedwongen, kort over zijn. Na ruim vier minuten staren naar een soort poppenhuis met veel boxen, waarin allerlei mensen gezinnetjes speelden en zich verveelden (televisies stonden aan) – dat alles begeleid door een orkest die zijn instrumenten stemde – had ik er al schoon genoeg van. Toch heb ik nog even gekeken want ik was best nieuwsgierig. Helaas, ver ben ik niet gekomen. Mocht u zin hebben in een avondje spannende theater met veel videobeelden en nog meer muziek, dan is deze dvd iets voor u. Vergeet Wozzeck echter, want deze productie heeft niets, maar dan ook helemaal niets noch met de opera van Alban Berg, noch het toneelstuk van Büchner te maken. Teodor Currentzis, de lieveling van de Russische publiek, die beroemd (en berucht) is vanwege zijn vreemde tempi, maakt ook hier zijn faam waar (BelAir Classics BAC068)

 

 

 

CD’s

BERLIN CLASSICS 1973

Wozzeck Theo Adam

Wozzeck Ad

Deze opname, heruitgebracht op Berlin Classisc, werd in 1973 tijdens een concertante uitvoering in Leipzig (toen nog DDR) live opgenomen.

Wat meteen opvalt is de helderheid van de klank en de fantastische dictie van de zangers. Reiner Goldberg (de tamboer majoor) heeft een ietwat “pijnlijke” hoogte, wat zijn bespottelijkheid als een gesjeesde macho nog onderstreept.

De werkelijk weergaloze Horst Hiestermann (kapitein) bevestigt zijn reputatie als één van de beste karaktertenors uit de geschiedenis en Helmuth Klotz is kostelijk als de totaal verknipte dokter.

Gisela Schröter ontroert als Marie en Theo Adam is een door en door tragische Wozzeck, die het “waarom” maar niet kan begrijpen.

Het orkest onder de sublieme directie van Kegel klinkt afwisselend snerpend en liefdevol, precies zoals deze muziek bedoeld moest zijn. Als je daar niet kapot aan gaat dan heb je geen hart (0184422BC)


 

DECCA  1981

Wozzeck Wachter

Eberhard Wächter is één van de beste Wozzecks die ik ken. Zijn antiheld klinkt gelaten en wanhopig, maar ook fel en angstaanjagend. En al klinkt zijn stem soms een beetje onevenwichtig: zijn portrettering staat als een huis.

Anja Silja is een wonderlijk lichte, kinderlijk – naïeve Marie. Zeer lyrisch en onbeholpen, iemand om medelijden mee te hebben. Zij is geen volwassen vrouw, meer een kind dat vol leven is en op zoek gaat naar uitdagingen.

Heinz Zednik (kapitein) klinkt nog beter dan in de opname uit Hamburg. Hij zingt zijn rol niet zo verschrikkelijk karikaturaal zoals veel van zijn collega’s, waarmee hij weer eens bewijst dat een goede karaktertenor wellicht een van de moeilijkste stemsoorten is.

Over het Wiener Philharmoniker niets dan lof: onder de bezielde leiding van Christoph von Dohnányi laten ze horen dat deze partituur ze alles behalve vreemd is (4173482)


WARNER CLASSICS 1998

Wozzeck Skovhus

Onder Ingo Metzmacher klinkt de opera moderner dan het in werkelijkheid is. Niet dat het erg is, maar dat maakt het iets afstandelijker. Wél houdt hij er de vaart in, wat de spanning zeer ten goede komt. En in de scènes met Marie houdt hij het orkest verrassend lyrisch.

Bo Skovhus had misschien  nog even mogen wachten met zijn eerste Wozzeck. Hij klinkt een tikkeltje te jong en te gezond; gelukkig weet hij de “euvel” met zijn voortreffelijke stem-acteren te camoufleren.

Angela Denoke vind ik de ster van de opname, al heeft zij iets meer van een koele blondine dan van een straatkat. Denk aan Marlene Dietrich in Der Blaue Engel.

Dat ik deze opname niet zo vaak beluister, daar is de kapitein van Chris Merritt aan schuldig. Wat die man aan lelijke noten kan produceren grenst bijna aan het onmogelijke. Maar dat is eigenlijk het enige echte minpunt in deze schitterende uitvoering, live opgenomen in Hamburg 1998 (6406622)

 


 

Naxos 2013

Wozzeck Naxos

Ook de door Naxos in 2013 in Houston live opgenomen uitvoering is meer dan uitstekend.

Roman Trekels droge bariton en zijn nerveuse manier van zingen maken van hem een zowat ideale Wozzeck, die het voornamelijk van zijn zeer imponerende stem-acteren moet hebben. Zijn verstaanbaarheid en zijn tekstbehandeling zijn meer dan subliem. Petje af!

Anne Schwanewilms is een voortreffelijke Marie. Misschien een tikkeltje te netjes en een beetje onderkoeld, maar dat weet zij met haar fluwelen zang te compenseren.

Met de concertante uitvoering van zijn lievelingsopera nam de Oostenrijkse dirigent Hans Graf spectaculair afscheid van zijn orkest. Alleen al voor het orkestrale aandeel is de opname zeer aan te bevelen. (8660390-91)


WOZZECK ZaterdagMatinee

‘Wozzeck’ uit Salzburg: veel Kentridge, weinig Berg

Discografie Lulu:
LULU: discografie:

Meer Alban Berg:
Renée Fleming zingt BERG, WELLESZ en ZEISL

 

 

 

 

HANS SOMMER: Sapphos Gesänge & Orchestral songs

Sommer

Het is werkelijk onvoorstelbaar hoeveel schitterende muziek nog steeds onbekend is! Hebt u ooit eerder van Hans Sommer gehoord? Ik niet. Gelukkig heeft de Bamberger Symphoniker samen met Elisabeth Kulman en Bo Skovhus zijn liederen opgediept. Een verrijking

In zijn tijd (1837–1922) was Hans Sommer best bekend, voornamelijk als componist van opera’s gebaseerd op sprookjes. Zijn compositiestijl doet aan Richard Strauss, Schreker en Mahler denken, maar dan overgoten met een sausje van Wagner en Liszt

Hans Sommer

Sommer is laat met het componeren begonnen, eerst studeerde hij af als wis- en natuurkundige. Op zijn 47e is hij met vervroegd pensioen gegaan om zich helemaal aan de muziek te wijden.

Veel waardering kreeg hij van Franz Liszt, die behoorlijk onder de indruk was van zijn opus 6, Sapphos Gesänge. Pikant detail – de gedichten werden, onder het pseudoniem Carmen Sylva, geschreven door de Roemeense koningin Elisabeth zu Wied.

De in 1884 georkestreerde liederen werden voor het eerst uitgevoerd in Bambergen in 2010. Gezongen door de mooie, warme Oostenrijkse mezzosopraan Elisabeth Kulman. Vijf dagen later kwamen zijn Goethe-lieder aan de beurt, gezongen door Bo Skovhus, de intelligente Deense bariton, die altijd in was (en is) om een lans te breken voor een onbekend repertoire.

Beide zangers hebben het nu, onder de bezielde leiding van Sebastian Weigle en met het hemelse geluid van de Bamberger Symphoniker vastgelegd, waarvoor een driewerf hoera. Voor de dirigent en zijn orkest voor het uitgraven en ons op een zilveren schaal presenteren van verborgen schatten. Voor de geweldige zangers, die werkelijk hun best deden om al dat onbekende te leren en er ons deelgenoot van te maken. En last but not least: voor Hans Sommer voor de composities waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden en die mijn leven hebben verrijkt.

Ik hoop van harte, dat zijn werken terugkeren naar de concertzalen. Met deze cd wordt hem in ieder geval, al is het zeer verlaat, recht gedaan.

HANS SOMMER
Sapphos Gesänge op.6; Orchestral songs
Elisabeth Kulman (mezzosopraan), Bo Skovhus (bariton)
Bamberger Symphoniker onder leiding van Sebastian Weigle
Tudor 7178 • SACD 69’

JEVGENI ONJEGIN van Stefan Herheim

onegindvd

Jevgeni Onjegin is een ware ‘antiheld’. Sterker: hij is een nogal saaie en verveelde kwast. Door nalatenschap is hij een rijk man geworden en heeft toegang tot de high society, maar alles verveelt hem en eigenlijk weet hij zelf niet wat hij wil. Hij kleedt zich volgens de laatste mode, de vraag is alleen of hij het doet omdat hij van mooie kleren houdt, of omdat het nu eenmaal zo hoort.

Want hoe de dingen horen dat weet hij wel. Hij maakt ook amper een ontwikkeling door in de loop van de opera. Hij doodt zijn beste vriend en zelfs dat laat hem onberoerd. Pas aan het eind wordt hij ‘wakker’ en er komt iets van een gevoel bij hem binnen. Niet echt iemand aan wie je een opera kan ophangen, vandaar ook dat voor veel mensen de echte hoofdpersoon niet Onjegin maar Tatyana is.

Wellicht. Maar één ding weet ik zeker: de opera gaat niet over de geschiedenis van Rusland. Net zo min trouwens als de roman in verzen van Poesjkin, waar het libretto, geschreven door de componist zelf, zeer losjes op is gebaseerd.

Er zijn veel prachtige voorstellingen van de opera gemaakt: denk aan Carsen, Tsjernjakov of Deborah Warren, om maar een paar te noemen. Daar hoort Herheims visie volgens mij niet bij. Bij de première vijf jaar geleden was het DNO-publiek buitengewoon enthousiast en de meeste recensenten spraken er met lof over.

Zelf vond het een misselijkmakend samenraapsel van van alles: bruine beren, astronauten, geestelijken, KGB, circus, Syberië, tsaren en de nieuwe rijken (lees: de Russische maffia). Maar het allerergste wat Herheim deed was het om zeep helpen van één van de ontroerendste tenoraria’s uit de operageschiedenis. Terwijl de arme Lenski (prima Andrej Dunaev) afscheid neemt van zijn liefde en zijn leven, wordt het beeld verstoord door de weggevoerde gevangenen.

Om één van mijn Engelse collega’s te citeren: “If a director wants an opera of Pushkin’s Onegin he should write a new libretto and commission appropriate new music. Otherwise, he deserves a visit from Tchaikovsky’s vengeful ghost….”

Bo Skovhus, ooit één van mijn lievelingszangers, voor wiens Onjegin ik ooit naar Parijs ben afgereisd, was de rol inmiddels ontgroeid. Maar het is nog steeds heel erg fijn om naar hem te kijken en te luisteren.

Krassimira Stoyanova daarentegen vind ik nog steeds één van de ontroerendste Tatyana’s uit de geschiedenis en Mikhail Petrenko zet een zeer imponerende Gremin neer, al oogt hij te jong voor zijn rol.

Het KCO onder Mariss Jansons klinkt werkelijk fantastisch: Jansons dirigeert volovergave, met brede gebaren, maar ook zeer lyrisch.

Trailer van de productie:

 

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski
Jevgeni Onjegin
Bo Skovhus, Krassimira Stoyanova, Andrej Dunaev,
Mikhail Petrenko e.a.
Royal Concertgebouw Orchestra Amsterdam olv Mariss Jansons
regie: Stefan Herheim
Opus Arte OA 1067 D