
opera/operette/liederenrecitals
Hush van Nora Fischer & Marnix Dorrestein is niet aan mij besteed

Nora Fischer is een klassiek geschoolde zangeres maar ze verdomt het om in een hokje gestopt te worden. Zodoende doet zij ook aan pop, folk en jazz en dat allemaal het liefst door elkaar. Moet kunnen. Toch? Nu, van mij mag het zeer zeker maar dan moet het uiteindelijke resultaat overtuigend zijn en dat is het nu niet.
In een interview met de NRC zei Fischer dat zij zo veel mogelijk mensen wil laten horen hoe “tijdloos mooi die liedjes van vier eeuwen oud zijn”. Vandaar dat zij met de gitarist Marnix Dorrestein samen is gaan kijken “wat er gebeurt als je die muziek omzet naar de taal van nu”.
Wellicht ben ik er te oud voor, maar als dit de taal van nu is dan versta ik hem niet.
The making of:
Er valt niet te ontkennen dat het geheel iets heeft, zeker de bijdrage van de gitarist vind ik bij vlagen spannend. Helaas: Nora Fischer zingt voor mij te eenkleurig, te emotieloos, waarmee zij het tegenovergestelde bereikt wat ze beoogde. Of het Purcell is of Monteverdi: alles klinkt eender. Het is te veel Emma Kirkby en te weinig Cathy Berberian, zeg maar.
Op den duur slaat de verveling toe en dan duurt de krappe veertig minuten (de spelduur van deze cd) best lang!
Dat het ook anders kan heeft Tania Kross al eerder met haar Krossover laten horen.
https://basiaconfuoco.com/2017/01/24/krossover-opera-revisited/
HUSH
Werken van Scarlatti, Monteverdi, Dowland, Caldara, Vivaldi, Purcell, Landi, Cesti en Vivaldi in arrangementen van Nora Fischer & Marnix Dorrestein
Nora Fischer (zang), Marnix Dorrestein (elektrische gitaar & zang)
DG 00289 4816920
Opera Rara: varia
GIOVANNI PACINI: CARLO DI BORGOGNA
Vierenzeventig opera’s heeft hij geschreven, maar voor een doorsnee operaliefhebber is hij niet meer dan een naam. Een enkele verzamelaar van Leyla Gencer kende zijn Sappho, een doorgewinterde belcanto bewonderaar heeft Maria, Regina d’Inghilterra op zijn plank staan. Maar van Carlo di Borgogna heeft bijna niemand gehoord.
Geen wonder. De première in 1835 was een fiasco en de opera werd nooit meer uitgevoerd. Sterker: ook de partituur werd niet eerder uitgegeven. Is het terecht? Laat ik maar eerlijk zijn: een hoogvlieger is het niet.
De opbouw is heel traditioneel: cavattina, cabaletta, stretta en van enige psychologische ontwikkeling van de personages is absoluut geen sprake. Wat dat betreft blijft Paccini ver achter bij zijn tijdgenoten Donizetti en – voornamelijk – Bellini.
Maar de muziek is machtig mooi en er valt wanzinnig veel te genieten. Het is tenslotte niet voor niets dat Pacini ‘Il maestro di cabaletta’ werd genoemd!
De uitvoering is van een onvoorstelbaar hoog niveau. Alle zangers, met Bruce Ford, Jennifer Larmore en Elizabeth Futral voorop beschikken over een formidabele techniek en een ongekende souplesse en David Parry dirigeert met verve en overgave.
Toen de opname op de markt werd gebracht werd er in de connaisseurkringen gesproken over een ‘belcanto opname van het millennium’. Niet onterecht! (ORC21)
Jennifer Larmore en Elizabeth Futral zingen het duet ‘Qual d’un angelo nel core, espulsa schernita’:
GIOVANNI SIMONE MAYR: GINEVRA DI SCOZIA
Wij kunnen het ons niet meer voorstellen maar Giovanni Mayr behoorde ooit tot de meest succesvolle opera componisten. Zijn Ginevra di Scozia ging in 1801 in Teatro Nuovo in Triest in première waar ze dertig jaar repertoire heeft gehouden, zelfs nadat Mayrs’ roem door de ‘nieuwkomers’ Rossini en Donizetti werd overschaduwd. Exact tweehonderd jaar later keerde Ginevra met veel succes terug naar Triest, alwaar zij live werd opgenomen.
Als basis voor het libretto diende een episode uit Orlando Furioso van Ariosto: Ariodante en Ginevra houden van elkaar en de jaloerse gemenerik Polinesso doet alles om ze uit elkaar te drijven. Drie cd’s lang zijn wij getuige van alle verwikkelingen, gelukkig loopt het allemaal goed af.
De bezetting is bijzonder sterk. Allereerst is er de titelrol van Elizabeth Vidal: een schitterende coloratuursopraan die met gemak en soepelheid al haar vereiste hoge E’s (en dat zijn er wat!) haalt en daarbij nog tot tranen toe weet te ontroeren. luister maar naar ‘Di mia morte’ ( een driedelige aria begeleid door cello obligato) aan het eind van de eerste acte.
Met haar warme en beweeglijke alt zet Daniela Barcellona een ontroerende Ariodante neer en Antonino Siragusa trekt alle registers open in zijn rol van de schurk Polinesso. (ORC23)
AMBROISE THOMAS: LA COUR DE CÉLIMÈNE
Ooit van gehoord? Nee? Ik ook niet. Zo jammer want La Cour de Célimène van Thomas is werkelijk niet te versmaden! Het is een verrukkelijke, erotisch getinte komedie waarin een jonge, rijke weduwe maar liefst veertien (!) van haar bewonderaars tegen elkaar uitspeelt om uiteindelijk in een verstandshuwelijk met een oude commandeur te stappen.
Tussendoor krijgen we ook nog een duel, want Célimènes laatste aanwinst, de Chevallier (schitterende Sébastien Droy) is heetgebakerd, maar het komt allemaal goed en in ruil voor een comfortabel leven in haar landhuis is de commandeur maar al te bereid alle minnaars van zijn vrouw te accepteren.
La Comtesse (een rol geschreven voor de legendarische coloratuursopraan, Marie Miolan-Carvalho) wordt prachtig gezongen door een zeer virtuoze Laura Claycomb. Joan Rodgers geeft haar tegengas als haar meer serieuze zus en Alastair Miles is werkelijk kostelijk als de Commandeur.
Het is een amusement van het hoogste niveau en de sprankelende muziek is wonderschoon. Wat een feest! (ORC 37)
IL PRIMO DOLCE AFFANNO

De titel van deze cd, Il primo dolce Affanno (Mijn eerste zoete verdriet) is ontleend aan Benedetto sia ’l giorno, één van de sonnetten van Francesco Petrarca. In dit inmiddels al de zevende deel van de serie Il Salotto (Het Salon) presenteert Opera Rara een heerlijke selectie van liederen, liedjes en duetten uit het midden- tot het einde van de negentiende-eeuwse repertoire. (ORR230)
De drie Petrarca-sonnetten in de onweerstaanbaar mooie zetting van Franz Liszt fungeren als de leidraad, voor de rest biedt de cd voornamelijk onbekende composities van Giacomo Meyerbeer, Camille Saint-Säens, Prins Józef Poniatowski, Federico Ricci, Antonio Carlos Gomes, Antonio Buzzolla en Giuseppe Verdi. Iets om even bij stil te staan, want: waarom worden die pareltjes bijna nooit uitgevoerd?
Alleen de ‘Barcarola’ voor drie stemmen van Buzzolla valt een beetje tegen, wat wellicht de schuld kan zijn door de onzeker intonerende William Matteuzzi.
Voor de rest zijn de zangers (Elizabeth Vidal, Laura Claycomb, Manuela Custer, Bruce Ford, Roberto Servile en Alastair Miles) zonder meer voortreffelijk. Ze worden dan ook uitstekend begeleid door David Harper op de piano
Elizabeth Vidal zingt ‘Theme varie for soprano’ van Camille Saint-Saens :
Meer Opera Rara opnamen:
LA COLOMBE
Les Martyrs
FANTASIO
Bruisende ‘Semiramide’ van Opera Rara
Opera Rara: Bellini en Verdi
BELLINI
IL PIRATA

Il Pirata, één van de mooiste opera’s van Bellini, is voor de meeste mensen niet meer dan een titel. Logisch: het wordt bijna nooit meer opgevoerd en het wordt ook maar zelden opgenomen. Waarom, eigenlijk?
De laatste scène behoort tot de sterkste die Bellini ooit schreef. U hoort er al Donizetti’s Lucia di Lammermoor in. En het openingskoor uit de derde akte, ‘Che rechi tu’, kan je bijna letterlijk in Macbeth en Luisa Miller van Verdi terugvinden
Tot voor kort kende ik maar drie opnamen van de opera, met als Imogene-vertolksters Montserrat Caballé, Maria Callas en Lucia Aliberti. Voor het gemak tel ik de ZaterdagMatinee-uitvoering met Nelly Miricioiu dan niet mee, die is tenslotte niet uitgebracht (ZONDE!). Opera Rara voegt een opname toe aan de kleine discografie.
Bij Opera Rara zingt Carmen Giannattasio de rol van Imogene. Haar timbre is veel lichter en minder dramatisch dan dat van Callas en veel stroever dan dat van Caballé. Maar als je hun stemmen even uit je hoofd zet, kan je niet anders dan toegeven dat zij heel wat te bieden heeft, zeker in haar waanzinaria.
Meer moeite heb ik met de heren. Ludovic Tézier is een voortreffelijke zanger, maar belcanto … nee. Daarvoor is zijn bariton niet soepel genoeg. Toch – in de passages waarin hij wat minder coloraturen te zingen heeft en gewoon autoritair mag zijn, is hij zonder meer overtuigend.
José Bros gold ooit als één van de meest veelbelovende jonge belcantozangers van zijn generatie, een belofte die eigenlijk nooit is ingelost. Prima hoogte, goede coloraturen, maar zijn stem komt af en toe geknepen over.
David Perry dirigeert, één van de grootste belcanto specialisten tegenwoordig dirigeert meer dan bevlogen. (ORC45)
Promovideo met Carmen Giannattasio over (o.a.) haar opname van Il Pirata:
LA STRANIERA

Toegegeven, het libretto is zo warrig, dat zelfs de hoofdpersonen waarschijnlijk niet weten wie ze zijn, wat ze aan het doen zijn, met wie, en waarom. Maar de muziek! Als er engelen bestonden dan zouden ze Bellini’s cantilenen uit La Straniera tot vervelens toe (kan men daar verveeld van raken?) herhalen.
Dat geldt nog meer omdat er in de opera, op één of drie keer na, niet echt aria’s voorkomen, niet in de ouderwetse manier althans. Het is meer een ‘conversatiestuk’ met veel dialogen en zeer theatrale, lange scènes, die elkaar toch in een rap tempo opvolgen.
Bellini componeerde La Straniera in 1829, drie jaar voor Norma en La Sonnambula, en je hoort er al de kleine voorbodes in van zijn bekendste muziek (‘Casta Diva!’). Wonderlijk genoeg hoor ik ook flarden uit La Traviata tussendoor…
Alle rollen zijn voortreffelijk bezet. Darío Schmunck is met zijn aangenaam klinkende tenor bijzonder geschikt voor een romantische lover en de lyrische bariton Mark Stone (onthoud die naam!) is een warmbloedige Valdeburgo.
De virtuoze mezzo Enkelejda Shkosa zingt een ontroerende Isoletta en over Patrizia Ciofi volstaat één woord: fenomenaal. Er is geen enkele zangeres die de rol van Aleida tegenwoordig beter, en met meer betrokkenheid, zou kunnen zingen (ORC 38)
Patrizia Ciofi:
VERDI
MACBETH

De première van Macbeth in 1847 was zeer succesvol en jarenlang beschouwde Giuseppe Verdi het werk als één van zijn beste opera’s. Toen hij echter in 1865 de partituur weer eens inkeek om een paar voorstellingen in Parijs voor te bereiden, was hij er minder gelukkig mee. Een geheel herziene versie was het resultaat. Het succes bleef echter uit en pas halverwege de vorige eeuw begon een voorzichtige ‘Macbeth-revival’. In die tweede, ‘verbeterde’ versie.
Eind jaren zeventig besloot de BBC om een paar Verdi-opera’s in de oorspronkelijke versie op te voeren en Macbeth was er één van. Dankzij Opera Rara, een firma die zich sterk maakt voor vergeten opera’s (dus waarom ook niet voor vergeten versies van bekende opera’s?), is de opname op de markt gekomen.
Het is fascinerend om al de verschillen zelf te kunnen horen. Want het zijn er behoorlijk wat, voornamelijk in de laatste twee aktes. De slaapwandelscène is hetzelfde gebleven, maar het openingskoor in de derde akte (hier bijna gelijk aan ‘Va pensiero’) en het slot zijn totaal anders. En ‘La luce langue’, de magnifieke aria van Lady Macbeth, heet hier ‘Trionfai! Securi alfine’ en klinkt heel wat minder dramatisch, met veel meer coloraturen.
De uitvoering met onder anderen Peter Glossop, Rita Hunter, John Tomlinson en Kenneth Collins is uitstekend en het BBC Concert Orchestra onder leiding van John Matheson speelt zeer bezield (Opera Rara ORCV301).
Hieronder ‘Trionfai! Securi alfine’ door Rita Hunter:
LE VÊPRES SICILIENNES

‘Les vêpres siciliennes’ was Verdi’s eerste Franse Grande Opéra, die hij – na lang aandringen door de Parijse Opera – componeerde op het libretto van Eugene Scribe en Charles Duyverier. Het is Verdi’s langste opera geworden, wat in de eerste plaats is te danken aan een half uur lange ballet in de derde acte.
The Four Seasons Ballet – I. Prelude & Winter:
Het verhaal speelt zich af in Palermo in 1282, tijdens de Franse bezetting van Sicilië. Henri, een jonge Siciliaan is verliefd op Hélène, een jonge Oostenrijkse hertogin, gevangen gehouden door Guy de Montfort, de Franse gouverneur in Sicilië. Als blijkt dat de Montfort de vader van Henri is, zijn de verwikkelingen niet te overzien, en aan het eind is zowat iedereen dood. De premiere in 1855 was een fiasco, en een paar jaar later bewerkte Verdi het tot I Vespri Siciliani.
Les vêpres siciliennes was de derde uitgave in de serie ‘originele versies’ van Opera Rara, na eerdere uitgaven van Macbeth en Simon Boccanegra. Het werd al in mei 1969 live opgenomen in The Camden Theatre in Londen en in februari 1970 door de BBC uitgezonden, maar de cd-uitgave kwam pas in 2004 op de markt.
De uitvoering, met in de hoofdrollen Jacqueline Brumaire, Jean Bonhomme en Neilson Taylor, is redelijk tot goed, maar als document is het van een buitengewoon belang. (ORCV303).
CHRISTOPH WILLIBALD GLUCK EN ZIJN IPHIGENIEËN

Iphigenie door Anselm Feurbach (1862)
Ik ben geen echte Gluck-fan – zijn opera’s zijn me vaak te statisch en te ‘klassiek’ van vorm. Soms bekruipt mij het idee dat bij hem de tijd even stil heeft gestaan. We hebben immers al Monteverdi en een beetje Mozart gehad?
Maar ik kan niet ontkennen dat hij een meester was in het scheppen van sfeer – meestal verstild, dat wel – die tot de diepste roerselen van je ziel kon reiken. Veel van zijn melodieën kunnen je ook niet onberoerd laten: denk alleen maar aan de twee overbekende aria’s uit Orfeo ed Euridice, daar komt een beetje gevoelsmens niet droog doorheen.
Glucks grootste verdienste was echter het wakker schudden van de ingeslapen Franse opera. Men kwam toen niet verder dan Lully en Rameau; voor de Fransen betekenden de opera’s van Gluck hun eerste revolutie.
Het ging natuurlijk niet van harte, maar ja, zo gaat dat met revoluties. Zelfs (of misschien juist?) de culturele. En de Fransen waren strijdvaardig en fel: was de oorlog tussen de Lully- en Rameau-aanhangers eindelijk geluwd, nu kwam het tot de uitbarsting tussen de aanhangers van Gluck en Niccola Piccinni.
Beide componisten hadden net een opera over Iphigeneia gecomponeerd en dat heeft de massa’s de straat op laten gaan (hier een zucht: ik zou er heel wat voor over hebben om dat soort straatrellen en demonstraties nog mee te kunnen maken, maar dit terzijde).
Iphigeneia en haar lotgevallen zijn de hoofdthema’s van twee opera’s van Gluck. Ik weet eigenlijk niet of ze inderdaad bedoeld waren als een tweeluik, maar logisch is het wel. Het ‘Aulide’-deel vertelt hoe ze bijna geofferd wordt aan Diana in de aanloop naar de Trojaanse oorlog. In deel twee leren we hoe het haar verder verging in het barbaarse Tauris.
De première van Iphigénie en Aulide in 1774 schijnt een fiasco te zijn geweest. Men schreef het op het conto van de bovengenoemde componistenstrijd, maar of het waar is?
Ik heb de opera maar één keer live gehoord en ik bezit er maar twee opnames van. Niet echt veel, nee. Maar ik moet ook eerlijk bekennen dat de muziek, afgezien van een paar aria’s (het lamento van Clytamnestra!), mij weinig bekoort.
IPHIGÉNIE EN AULIDE

JOHN ELLIOT GARDINER
Veel keuze is er niet, maar is het eigenlijk erg? Met de lezing van John Eliot Gardiner haalt u alles in huis wat u nodig hebt. Zijn tempi zijn om te zoenen. Met een rustig begin van de ouverture (windstilte!) gaat Gardiner over tot een kleine woedeuitbarsting. Met het begin van de monoloog van de gekwelde Agamemnon (een fenomenale José van Dam, daar komt niemand in de buurt!) gaat hij over naar meer bedaardheid, maar je voelt de onderhuidse spanning.
Anne Sophie von Otter is een mooie Clytemnestre, maar ik mis de woede. Toch klopt het in de opvatting van Gardiner, waar alles ingetogen en klein wordt gehouden. Daar is de zeer kleine, heel erg meisjesachtige stem van Lynne Watson (Iphigénie) helemaal op zijn plaats. En daar past een lieve, weinig macho Achille van John Aller perfect bij.
De opera werd een tijd geleden heruitgebracht in een doosje met 4 cd’s, waar u behalve Iphigénie en Aulide ook Glucks onbekende werken La Rencontre imprévue ou Les Pèlerins de la Mecque en Don Juan ou Le Festin de pierre kon vinden (Erato 2564 69562-0). Helaas is het doosje ook al uit de handel…
KARL BÖHM
Karl Böhm dirigeert precies zoals we het van hem verwachten: breedvoetig, maar met flinke tempi. Het Wiener Philhamonieker klinkt zoals een groot orkest hoort te klinken. Met veel volume, maar ook met een scala aan nuancen.
Ik denk dat de opname een gruwel kan zijn voor de puristen, want er is niets, maar dan ook niets idiomatisch aan. Om te beginnen wordt er in het Duits gezongen. De stemmen zijn groot, soms best zwaar. Christa Ludwig (Iphigenie) is allang geen meisje meer en Achille is met een stem als een kanon (James King op zijn best) een krijger zonder weerga.
Walter Berry is een zeer ontroerende Agamemnon, maar wat de opname echt bijzonder maakt, is Inge Borkh’s Klytämnestra. Als je daar onberoerd onder blijft, heb je geen hart. De opera is in 1962 live opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Orfeo d’Or 428962).
Hieronder zingt Inge Borkh ‘Du zum Tode bestimmt’:
IPHIGÉNIE EN TAURIDE

Iphigenie met Orest en Pylades Angelika Kauffmann (1787)
De oorlog is inmiddels lang voorbij, haar vader en moeder zijn vermoord en ook haar zus Elektra is dood. Hier beleeft zij het weerzien met haar doodgewaande broer Orestes en wordt zij weer eens verliefd. Dat alles natuurlijk niet zonder allerlei verwikkelingen en al helemaal niet zonder goddelijk ingrijpen.
In tegenstelling tot Aulide ben ik werkelijk gek op Tauride. En ik ben niet de enige, niemand minder dan Schubert ging mij voor. Volgens één van zijn vrienden heeft hij ooit gezegd dat hij ‘totaal buiten zichzelf was door de impact die deze prachtige muziek op hem heeft gehad en verklaarde dat er niets mooiers in de wereld bestaat’.
En ‘wij’ zijn de enigen niet. Terwijl de officiële catalogus maar 3 (drie!) cd-opnamen van Aulide vermeldt, komt Tauride er met negen opnamen op cd en één op dvd veel beter af. En dan hebben we de piraten niet eens genoemd!
Waarom de ene Iphigénie wel en de andere niet? Zelf vind ik Tauride veel spannender dan de nogal statische Aulide. Er zit veel meer drama in en de muziek is zonder meer innovatief – je herkent meteen de weg naar Berlioz. Hiermee was Gluck een echte precursor.
Ook de karakters zijn beter uitgewerkt en de rol van Iphigénie was dramatisch genoeg om zulke uiteenlopende zangeressen als Maria Callas, Montserrat Caballé, Shirley Verett en Sena Jurinac, om een paar grootheden te noemen, aan te spreken. Allemaal hebben ze haar op de lessenaar gehad ….
JOHN ELLIOT GARDINER

Objectief gezien bent u net als bij Aulide bij Tauride het beste af bij Gardiner (Philips 478 1705). Thomas Allen is een mannelijke, maar zeer beheerste Oreste en John Aler is een zoetgevooisde Pylade. Mooi, maar zonder – hmmmm, hoe zal ik het netjes uitdrukken? – het mannelijke testosteron…
Diana Montague, een mezzo (!), heeft een pracht van een lyrische stem, licht en wendbaar. En René Massis is een voortreffelijke Thoas. De opname is me zeer dierbaar, maar als ik eerlijk mag zijn: ik mis drama.
RICCARDO MUTI

Muti is, zoals altijd, bijzonder trouw aan de partituur en wat is het levendig! Zijn storm is inderdaad stormachtig, daar word je bijna duizelig van.
Carol Vaness is een Iphigénie naar zijn hand. Al meteen bij haar eerste aria gaat zij zo hysterisch te keer dat je meteen recht op je stoel gaat zitten. Je voelt op je klompen aan: het wordt een drama van jewelste. En je wordt niet teleurgesteld, want de spanning is om te snijden.
Carol Vaness sings ‘Ô malheureuse Iphigénie!’
Ook Thomas Allen haalt hier echt uit. Bij Muti is hij veel minder beschaafd dan bij Gardiner, je kan zelfs angst in zijn stem horen. Ik mag het.
De opname heeft ook een extra troef – de rol van Pylade wordt gezongen door de veel te jong gestorven Gösta Winbergh (hij stierf in 2002 aan een hartaanval, 58 jaar jong). Een zanger die, zoals zijn landgenoot Gedda, werkelijk alles in zijn stem verenigde: de lyriek van Tagliavini, de elegantie van Kraus en de mannelijkheid van zijn andere landgenoot, Jussi Björling. Nog net met een been in Mozart, maar met het ander al voorzichtig Wagner aftastend. Daar wordt een mens droevig van.
De opname (Sony 52492) is live, wat behalve applaus en toneelgeluiden ook het gevoel ‘ik ben erbij’ meegeeft. Ik vind het prachtig, maar ik kan me voostellen dat de meeste mensen voor de veilige en betrouwbare Gardiner kiezen.
JOSEPH KEILBERTH

Over Nicolai Gedda gesproken: in de opname onder Joseph Keilberth uit 1956 (Capriccio 5005) zingt hij de rol van Pylades. De opvatting van de dirigent is zeer vooruitstrevend, zeker voor de tijd – het lijkt meer op Gardiner dan op Muti, al heeft hij ook wat van het hysterische van de laatste.
Hermann Prey doet mij een beetje aan Thomas Allen denken, zeker vanwege de lyriek, de lichte smacht en het onnadrukkelijk zingen. Echt woedend wordt hij niet, hij is meer van het treurende type.
Maar dan Gedda! Daar smelt niet alleen het hart van Iphigénie (een zeer elegante maar wel met schmalz zingende Hilde Zadek) van, daar gaat ook Diana humaan van worden. Geen wonder dat uw discografe een traantje moest wegpinken. Het geluid is een beetje dof, maar het went snel. En ja, het is in het Duits.
Zie ook:
ORESTEIA. A music Trilogy
Heftige vrouwen in heftige opera: 3 x Elektra van Richard Strauss
ELEKTRA aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker
Heftige vrouwen in heftige opera: 3 x Elektra van Richard Strauss

Ernestine Schumann-Heink as Klytämnestra at the January 25, 1909 Dresden premiere of Elektra, looking down on Annie Krull as Elektra
Met Elektra van Hugo von Hofmannsthal komen we de mythologische wereld binnen, maar dan wel gezien door de ogen van Sigmund Freud. Een wereld vol complexen, fobieën, angsten en dromen, die bovendien bevolkt is door hysterische vrouwen.
‘Studien über Hysterie’, een in 1895 verschenen boek van Siegmund Freud en Josef Bauer, had een bijzonder groot effect op veel artiesten en intellectuelen. Ook von Hofmannsthal werd er sterk door beïnvloed, en in zijn toneelstuk, dat zes jaar later in première ging, wordt Elektra’s zucht naar wraak een hysterische obsessie.
Richard Strauss, die net zijn Salome (gebaseerd op het toneelstuk van Oscar Wilde) had voltooid, zag in 1905 een voorstelling van Elektra in Berlijn. Net als bij Salome werd het stuk geregisseerd door Max Reinhardt, de meest voorname en vooruitstrevende theaterman in die tijd.
Strauss was zeer onder de indruk, en besloot van het stuk een opera te maken. In 1906 hebben de componist en de toneelschrijver elkaar ontmoet en verdere plannen gemaakt. Een historisch moment, dat tevens het begin van een zeer succesvolle samenwerking tussen beiden betekende.

Hugo von Hofmannsthal and Richard Strauss, c. 1915
Von Hofmannsthal vervaardigde een libretto zonder weerga, wellicht het beste in de hele operageschiedenis, waar Strauss een (con)geniale muziek bij componeerde. Door het gebruik van verschillende toonsoorten heeft hij een polytonale eenheid gecreëerd, waarin plaats is voor zowel de romantische als de dissonante klankwereld, en waarin hij duidelijk de grenzen van de tonaliteit aftast. Een mijlpaal aldus, waarna de componist in zijn latere werken naar de ‘beschaafde wereld’ van aangename klanken terugkeerde. De opera begint met vier fortissimo gespeelde noten, welke duidelijk staan voor “A-ga-mem-non” en welke een steeds terugkerend motief in de opera vormen.
Elektra is eigenlijk een vrouwenopera. De drie vrouwenfiguren – Elektra, Klytämnestra en Chrysothemis – zijn het middelpunt van de tragedie, waarin de mannen niets anders zijn dan een wraakwerktuig (Orest) of een passief subject van wraak (Aegisth).
Elektra beheerst het toneel letterlijk en figuurlijk – zij staat ook daadwerkelijk op het toneel vanaf het begin tot het eind. Zij ziet er totaal verwaarloosd uit – om wraak te kunnen nemen heeft zij haar vrouwelijkheid en seksualiteit opgeofferd. Zij voelt zich alleen, en door iedereen in de steek gelaten, het meeste nog door haar vermoorde vader.

Haar eerste woorden in de opera zijn dan ook: “Allein! Weh, ganz allein. Der Vater fort, hinabgescheucht in seine kalten Klüfte…Agamemnon! Agamemnon!” en dan komt de herkenningsmelodie (de vier beginnoten) weer terug.
Chrysothemis is Elektra’s tegenpool, zij wil gelukkig zijn, trouwen en kinderen krijgen, al die ‘vrouwelijke dingen’. Maar ook zij is een gevangene van de omstandigheden en ook zij kan er niet aan ontsnappen.
Op zoek naar een remedie durft zij zich zelfs zwak op te stellen en Elektra om hulp te vragen. De confrontatie tussen moeder en dochter vormt dan ook het hoogtepunt in de opera.
Alle drie de hoofdrollen zijn buitengewoon zwaar, ze vereisen van hun vertolksters de grootst mogelijke stemmen met een enorme kracht en doorzettingsvermogen. Daarbij moeten ze over een meer dan gemiddeld acteertalent en een formidabele bühne-presence beschikken.
Waar Salome een meisje van zestien met een stem van Isolde is, vraagt Elektra om een jong meisje met een stem van Brünhilde. En toch zijn er heel wat goede Elektra’s in de loop der jaren geweest en zelf ken ik geen slechte opname van het werk.
GÖTZ FRIEDERICH
Toen de film van Götz Friederich in 1981 uitkwam (DG 0734095), veroorzaakte hij een ware sensatie en sloeg in als een bom. Zelf was ik toen ook geweldig onder de indruk, en de beelden van plassen bloed in de stromende regen projecteerden zich scherp op mijn netvlies.
Nu, 37 jaar later, doet de film behoorlijk gedateerd aan. Natuurlijk, het is nog steeds bijzonder spannend, en er wordt fenomenaal in gezongen en geacteerd, maar jammer genoeg wordt er niets aan de verbeelding overgelaten.
Friedrich onderschat zijn publiek en beeldt alles uit, ook scènes en handelingen die zich alleen in de hoofden van de protagonisten afspelen. Zo kunnen wij in retrospectief de moord op Agamemnon zien, waarna hij, met zijn bloedend hoofd pontificaal in beeld verschijnt zodra Elektra zijn naam noemt. Ook de moord op Klytämnestra en Aegisth wordt ons niet bespaard, en het bloed vloeit meer dan rijkelijk vanaf de muren.
In de beginscène wordt de arme vijfde maagd voor onze ogen doodgeslagen, en een paar naakte dames wassen zich met bloed van een offerdier, allemaal overbodige details, die heel wat plezier in het kijken ontnemen. Jammer, want er is niets mooier dan dankzij beelden, tekst en muziek een wereld op zich te scheppen die zowel gemeenschappelijk als individueel kan worden ervaren.
De bezetting van Orest door Dietrich Fischer-Dieskau kan me niet echt bekoren, zijn manier van zingen is te beschaafd en zijn witte kostuum ronduit bespottelijk.
Maar genoeg geklaagd, want eigenlijk is het een fabelachtige uitvoering. Leonie Rysanek (toen al behoorlijk over de vijftig) is een fantastische Elektra, een rol die zij nooit op toneel had uitgevoerd. Jarenlang zong zij Chrysothemis, om daarna, in de jaren negentig Klytämnestra op haar repertoire te nemen. Zij is niet alleen maar wraakzuchtig, maar ook zeer zichtbaar eenzaam.
Astrid Varnay, ooit zelf een Elektra van formaat, zet een gekwelde Klytämnestra neer en in de scène met haar dochter laat zij een heel gamma aan gevoelens voorbijgaan. Ligendza is, ook optisch, een mooie meisjesachtige Chrysotemis.
Böhm dirigeert langzamer dan op zijn eerdere opnamen, breder ook, wat ook te maken kan hebben met zijn hoge leeftijd. Ten tijde van de verfilming was hij bijna 87 jaar oud en hij overleed voordat de film klaar was.
Er hoort nog een tweede dvd bij, met een ruim 90 minuten durende documentaire over ‘the making of’.
HARRY KUPFER
De toneelproductie uit Wenen (Arthaus Musik 100 048) 1989 is meer dan bijzonder. De regie van Harry Kupfer is zeer aangrijpend en angstaanjagend, en al is hij zeer realistisch te werk gegaan, toch beperkt hij zich tot de aanwijzingen in het libretto.
Het geheel wordt gedomineerd door grijs in al zijn schakeringen en is bijzonder donker. De enige kleur in de voorstelling doemt op als Chrysotemis, bij haar hartenkreet dat zij wil leven en kinderen baren, haar blouse openscheurt en een rood onderhemdje zichtbaar maakt.
Eva Marton is fysiek de mindere van Rysanek maar vocaal doet zij voor haar niet onder. Ook als actrice is zij buitengewoon overtuigend: ontroerend in haar verlangen naar haar vader, weerzinwekkend in haar minachting voor haar zus en angstaanjagend tijdens de confrontatie met haar moeder.
Cheryl Studer is een pracht van een Chrysothemis. Met haar ietwat zoetige, lyrische, maar toch nog bijzonder krachtige sopraan kan zij model staan voor een sterke karaktertekening: haar Chrysotemis is een in het leven teleurgesteld meisje met een sterk verlangen aan ontsnappen, maar zonder de daadkracht om het ook te bewerkstelligen.
Fenomenaal is ook Brigitte Fassbänder in haar portrettering van de geesteszieke, door nachtmerries en schuldgevoelens geplaagde koningin. Zowel de moeder als haar beide dochters kunnen zo op de bank bij Freud – over hysterische vrouwen gesproken!
Franz Grundheber is een voorbeeldige Orest en Claudio Abbado dirigeert met een intensiteit die grenst aan het onmogelijke.
SIR GEORG SOLTI

Van alle Elektra’s die op cd zijn verschenen, is de Decca-opname onder Sir Georg Solti (4173452) mij het dierbaarst. Solti zweept het orkest op en de nerveuze partituur groeit onder zijn handen uit tot een klankgordijn waar geen ontkomen aan is.
Birgit Nilsson’s vertolking van de titelrol is voorbeeldgevend en Regina Resnik is een overweldigende Klytämnestra. Ook geweldig zijn Marie Collier (Chrysothemis) en Tom Krause als Orest.
zie ook:
ELEKTRA aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker
Twee Maagden over Willy Deckers Elektra
ORESTEIA. A music Trilogy
CHRISTOPH WILLIBALD GLUCK EN ZIJN IPHIGENIEËN
Michael Volle zingt Wunderhorn-lieder
Als ik het niet beter wist dan zou ik denken dat Mahler zijn ‘Wunderhorn-lieder’ met de stem van Michael Volle in zijn hoofd componeerde. Ze passen hem zo perfect dat ik de neiging krijg om mijn geliefde uitvoering door Bernd Weikl te vergeten!
Zo gek nog niet, want beide zangers zijn aan elkaar gewaagd. Beiden beschikken ze over een volle, donker getimbreerde en welluidende bariton met een onmiskenbaar macho ondertoon. Het is het type stem dat bij een ‘boerse soldaat’ hoort, zo een die van een verzetje houdt, zijn borreltje lust en meisjes in de billen knijpt, maar ook voor de duvel en zijn ouwe moer niet bang is.
In die opvatting zijn Volle en Thielemann – voor wie Mahler een serieuze zaak is – aan elkaar gewaagd, het is dan ook heel erg jammer dat ze maar acht liederen van de volledige cyclus opnamen.
Helaas is de opname nogal scherp, waardoor de orkestklank niet optimaal is en de strijkers soms behoorlijk schril klinken. Jammer nogmaals want daardoor klinkt het, toch niet zo geweldig gedirigeerde Adagio nogal lelijk. Voor dat laatste bent u beter af bij Abbado. Of Rattle…
GUSTAV MAHLER
Wunderhorn-Lieder
Symphony No.10: Adagio
Michael Volle bariton
Münchner Philharmoniker olv Christian Thielemann
MPHIL Archive 0007
Weergaloze Debussy door het Duo Bilitis.
Honderd jaar geleden, op 25 maart 1918 overleed Claude Debussy, één van de grootste en de meest vooruitstrevende Franse componisten van zijn tijd. Het Debussy-jaar wordt uitgebreid en uitbundig gevierd met veel (her)uitgaven van al zijn werken. Ook het Duo Bilitis – niet voor niets vernoemd naar Debussy’s Chansons de Bilitis – is van de partij.
De twee harpisten waarvan er één ook nog prachtig zingt hebben een buitengewoon aantrekkelijk programma samengesteld en opgenomen met originele arrangementen van de werken van de Franse meester, waarvan er maar één, Danse Sacree et Danse Profane origineel voor harp (met een orkest) was bedoeld.
In de ‘Ballade’ (oorspronkelijke titel ‘Ballade Slave’) voor pianosolo uit 1890 manifesteert zich Debussy’s fascinatie voor de Russische muziek. Koren op de molen van de (van oorsprong Russische) Ekaterina Levental. Of het daaraan ligt weet ik natuurlijk niet, maar de bewerking voor twee harpen klinkt alles behalve raar, vanzelfsprekend eigenlijk. Ook de bewerking van de Six épigraphes antiques kan mij zeer bekoren.
De samenspel van beide harpisten is de perfectie nabij, waarbij hun instrumenten de esoterische harpklank met een meer ‘down to earth’ warme mezzostem van Levental verenigen. Het is waarachtig een cd om te koesteren!
Claude Debussy
Rêveries de Bilitis
Music for Two harps and Voice
Danse Sacree et Danse Profane
Proses Lyriques
Ballade for two harps
Trois Chansons de Bilitis
Six Epigraphes Antiques
Duo Bilitis: Eva Tebbe (harp), Ekaterina Levental (Mezzosoprano/harp)
Brilliant Classics 95657
Zie ook: THE SILVER AGE
A Kékszakállú herceg vára. Oftewel: 2 x Bartóks ‘Blauwbaards burcht’
VALERY GERGIEV OP CD

Soms vraag ik mij af: is Blauwbaards Burcht een echte opera? Of eerder een dramatische symfonie? Een opname op LSO Live (LSO0685), in februari 2009 live geregistreerd in Barbican onder leiding van Valery Gergiev, klinkt eerder als een in donkere kleuren gestoken sprookje, met een onoverkomelijk droef, maar niet tragisch einde.
Het met symbolen overladen libretto heeft hier niets gruwelijks en is eerder melancholisch dan huiveringwekkend. De toon wordt al in de proloog gezet, hier prachtig (in het Engels) gedeclameerd door Willard White. Hij begint met ‘Once upon a time….’, en zijn mooie, warme bas maakt dat je, gelijk Judith, verliefd op hem wordt.
Elena Zhidkova, die op het laatste moment de ziek geworden Katarina Dalayman heeft vervangen is een echte ontdekking. Haar prachtige mezzo klinkt ongetwijfeld Slavisch, maar zonder de lelijke borsttonen. Gelaten laat ze zich door alle deuren heen leiden, meer een mysterieuze, in haar lot berustende Mélisande, dan een nieuwsgierige Judith.
Het Hongaars van beide zangers klinkt niet echt idiomatisch (Bartók had er niets op tegen dat zijn opera in andere talen werd uitgevoerd), maar ze gaan zo zorgvuldig met de tekst om dat het op de een of andere manier goed te volgen is, zelfs als je de taal niet kent.
Het London Symphony Orchestra onder leiding van Valery Gergiev klinkt opvallend lyrisch. Zo heb ik de opera nog niet eerder gehoord.
GEORG SOLTI OP FILM-DVD

Eind jaren zeventig, begin tachtig was Sylvia Sass één van de meest belovende jonge sopranen op het opera firmament. Ze zong in het ROH, in La Scala, in de MET ……
En toen was ze weg. Zomaar. Haar carrière heeft maar een paar jaar geduurd. Waarom het misging? Zoals gebruikelijk: te snel te zware rollen. Wat niet hielp, was haar Callas-imitatie, waardoor je soms de indruk kreeg met een gekloonde versie van La Divina te maken te hebben.
De rol van Judith nam ze in 1980 voor Decca op, met Kolos Kováts als de sonore Blauwbaard. Het London Philharmonic Orchestra stond onder de zeer spannende leiding van Georg Solti. Geen wonder, niemand kende zijn ‘Bartóks’ beter dan hij.
In 1981 werd de opname als een soundtrack gebruikt bij de film, die de Miklós Szinetár maakte voor de Hongaarse TV (Decca 0743254). De beelden zijn zonder meer mooi, een beetje aan de donkere kant, maar dat mag, het moet tenslotte eng blijven.
Sass ziet er prachtig uit, acteren kan ze ook als geen ander, maar haar hoogte is een beetje geknepen, gelukkig is er niets mis met haar laagte. Het kostuum van Kováts daarentegen kan me niet bekoren, die vind ik bespottelijk. Maar het geheel is beslist de moeite waard om te bekijken.
TROUBLE IN TAHITI: film van Tom Cairns

Het was tijdens zijn huwelijksreis in 1951 dat Leonard Bernstein met het componeren van zijn eerste opera ‘Trouble in Tahiti’ is begonnen.

Leonard Bernstein with Felicia Cohn Montealegre at their wedding on Sept. 9, 1951. Bernstein’s suit had previously belonged to Serge Koussevitzky. (Courtesy Music Division/Library of Congress
Hij tekende niet alleen voor de muziek, maar ook voor het libretto, dat volgens zijn biograaf Humphrey Burton sterk autobiografisch was en geënt op het huwelijk van zijn ouders. Bernstein zelf omschreef het als een “licht werkje, geïnspireerd door populaire songs” en droeg het stuk op aan zijn goede vriend Marc Blitzstein, die hem de eerste beginselen van het muziektheater had bijgebracht

Bernstein with composer and friend Marc Blitzstein. Photographer unidentified. (Music Division)
Het werk mag dan licht zijn, lichtvoetig is het beslist niet. Beschouw het als een satirische karikatuur op het leven van een doorsnee Amerikaans echtpaar in een buitenwijk (Suburbia) in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Voor de buitenwereld vormen zij een gelukkig koppel maar in het echt zijn ze diep ongelukkig, zowel met elkaar als met het leven dat zij leiden. Ondanks de verworvenheden van de welvaart.
De opera begint met – en wordt becommentarieerd door – een vocaal trio dat het idyllische leven van de Amerikaanse middenklasse bezingt. Een soort hedendaags Grieks koor die meer doet denken aan de Andrew Sisters, denk ook aan de radiocommercials uit die tijd.
De Britse regisseur Tom Cairns verfilmde de opera in 2001 voor de televisie in de stijl die zo kenmerkend was voor de komedies uit de jaren vijftig met Doris Day in de hoofdrol.
Karl Daymond is niet te versmaden als een zowel vocaal en scenisch onnavolgbare Sam en Stefanie Novacek is een meer dan een overtuigende Dinah.
Tom Randle, Toby Stafford-Allen en Mary Hegarty (het Griekse koor) zingen en acteren op het hoogst mogelijk niveau. Een absolute must.
Leonard Bernstein
Trouble in Tahiti
Karl Daymond, Stefanie Novacek, Tom Randle, Toby Stafford-Allen, Mary Hegarty
City of London Sinfonia olv Paul Daniel
Regie: Tom Cairns
Opus Arte OA 0838 D
A Quiet Place door Opera Zuid: productie van het jaar?
WONDERFUL TOWN
‘WEST SIDE STORY’ revisited
Koninklijk Concertgebouworkest speelt THE BEST OF BERNSTEIN
ROBERTA ALEXANDER zingt Bernstein








